CConstaterende datSchiedam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Tabel toelichting verordening jeugdhulp Schiedam 2025

Gemeenteraad 15 juli 2025, gemeente SchiedamBij agendapunt: Raadsbesluit Verordening Jeugdhulp MVS 202523.586 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Artikel

Toelichting

HOOFDSTUK 1 BEGRIPSOMSCHRIJVING Artikel 1.

Begripsbepalingen

1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemene voorziening: voorziening die toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek door het college naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders; b. andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de wet; c. Bibob: Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, het is een bestuursrechtelijk instrument om te voorkomen dat de overheid criminele activiteiten faciliteert; d. BIG registratie: een taak die voortkomt uit de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg. Het BIG-register geeft duidelijkheid over de bevoegdheid van een zorgverlener zoals een arts of psycholoog; e. buddy: iemand uit het sociaal netwerk van de jeugdige of zijn ouders die de jeugdig en zijn ouders ondersteunt bij het hulpverleningstraject; f. cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; g. collectief aanbod: een aanbod jeugdhulp in een groep; h.

hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de wet; i. individuele voorziening: een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening als bedoeld in artikel 4; j. jeugdhulpvervoer: vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid van de wet; k. kinderopvang: opvang van kinderen in een groep door pedagogische medewerkers of gastouderopvang. Onder kinderopvang vallen ook de buitenschoolse opvang, peutersopvang en voorschoolse educatie; l. Mevis: consortium van verschillende jeugdhulpaanbieders die de hulpvraag van jeugdigen en hun ouders onderzoekt en/of hen ondersteuning en hulp biedt; m. ondersteuningsplan: het plan waarin de hulpvraag en de benodigde hulp en ondersteuning in aard en omvang is opgenomen;

Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In de verordening worden de begrippen jeugdige en ouder overeenkomstig de Jeugdwet gebruikt. Indien mogelijk algemeen aangeduid als ‘jeugdigen en ouders’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouders’. Gebruik van ‘of’ impliceert ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouders’ bedoelen we dus: - de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, - de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar, of - de ouder(s) namens de jeugdige bij een jeugdige jonger dan 12 jaar. In artikel 1.1 van de wet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd: 1°.

ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen; 2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en 3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht. Ook de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb).

Onder het begrip ‘andere voorziening’ wordt in deze verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt getroffen, maar in het kader van

n. OVA-indexering: Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling. De OVA-indexering wordt berekend op basis van cijfers die het Centraal Planbureau publiceert; o. persoonsgebonden budget (pgb): het pgb als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders dat hem in staat stelt de jeugdhulp te betrekken bij derden; p. perspectiefplan: plan waarin staat wat er nodig is om de gewenste situatie te bereiken als de jeugdige 18 jaar wordt; q. Poortwachter: een dyslexie-expert, die werkt volgens de richtlijnen van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie, die het college adviseert over de toegang tot dyslexiezorg; r. Productenboek: overzicht van beschikbare individuele voorzieningen; s. SKJ-registratie: Stichting Kwaliteitsregister Jeugd, waarin jeugdprofessionals geregistreerd staan die op hbo-niveau of hoger werkzaamheden verrichten binnen het jeugddomein; t. sociaal netwerk: groep mensen met wie de jeugdige of zijn ouders een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, collega’s, kennissen en vrienden; u. toezichthouder: een persoon die belast is met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en daartoe door het college is aangewezen; v. wet: Jeugdwet; w.

wijkteam: team bestaande uit professionals die zorg en ondersteuning bieden aan alle inwoners van Schiedam en die, in opdracht van het college, de toeleiding verzorgen naar algemene en individuele voorzieningen.; x. Zvw: zorgverzekeringswet.

maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de wet. De individuele voorzieningen en algemene voorzieningen zijn opgenomen in de hoofstukken 3 en 4. Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in de hoofdstukken 5 en 6. De Jeugdwet spreekt in artikel 2.9 onder a van ‘overige voorziening’. In de memorie van toelichting op de Jeugdwet spreekt de wetgever echter over algemene of vrij toegankelijke voorzieningen. Dit sluit ook aan bij de terminologie van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Omdat ‘algemene voorziening’ de meest gangbare term is, is deze overgenomen in de verordening. Een individuele voorziening is een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden vorm van jeugdhulp. Deze voorziening is niet vrij toegankelijk, er is een individuele beoordeling nodig om te bepalen welke voorziening het meest passend is.

2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet, de Regeling Jeugdwet of de Algemene wet bestuursrecht. HOOFDSTUK 2 REIKWIJDTE VERORDENING Artikel 2.

Reikwijdte verordening

1. Deze verordening heeft betrekking op jeugdhulp voor jeugdigen: a. die hun woonadres, als bedoeld in artikel 1.1. onder o. van de Wet basisregistratie personen, in Schiedam hebben; b. die onmiddellijk voorafgaand aan hun verblijf bij een jeugdhulpaanbieder, pleegouder, in een instelling of inrichting in Schiedam hun woonadres hadden; of c. volgens het derde of vierde onderdeel van de begripsbepaling ‘woonplaats’ in artikel 1.1 van de

In artikel 2 is de reikwijdte van de verordening opgenomen. Welke gemeente verantwoordelijk is voor jeugdhulp hangt af van de woonplaats van de jeugdige. Om de woonplaats van de jeugdige te bepalen wordt aangesloten bij de inschrijving van de jeugdige zelf in de Basisregistratie Personen (BRP). Voor de jeugdige geldt dat het moet gaan om de inschrijving in de BRP op een woonadres. Dit volgt uit artikel 1.1 van de Jeugdwet. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: 1. jeugdhulp zonder verblijf: de gemeente waar de jeugdige volgens de BRP staat ingeschreven is verantwoordelijk voor de jeugdhulp.

wet onder verantwoordelijkheid van de gemeente Schiedam vallen.

2. jeugdhulp met verblijf: de gemeente waar de jeugdige volgens de BRP stond ingeschreven voorafgaand aan de verhuizing naar de eerste verblijfsplek is en blijft verantwoordelijk. Deze gemeente is verantwoordelijk voor alle jeugdhulp, ook voor ambulante jeugdhulp die aanvullend op de jeugdhulp met verblijf nodig is. Indien de woonplaats niet op grond van 1 en 2 kan worden vastgesteld is de gemeente waar de moeder van de jeugdige ten tijde van diens geboorte ingeschreven stond in de BRP of, indien dat kan worden vastgesteld, de gemeente waar de jeugdige werkelijk verblijft op het moment van de hulpvraag ,verantwoordelijk. Ingeval de woonplaats buiten Nederland is, is de gemeente waar de jeugdige werkelijk verblijft op het moment van de hulpvraag verantwoordelijk. Het woonplaatsbeginsel geldt voor jeugdhulp aan jeugdigen jonger dan 18 jaar en voor jeugdhulp aan jeugdigen ouder dan 18 jaar (verlengde jeugdhulp). De woonplaats van de jeugdige in het kader van de Jeugdwet wijzigt dus niet als de jeugdige 18 jaar wordt. Het woonplaatsbeginsel geldt ook voor jeugdhulp aan ouders

HOOFDSTUK 3 ALGEMENE VOORZIENINGEN Artikel 3.

Algemene voorzieningen

1. Onder algemene voorzieningen voor jeugdigen en hun ouders vallen voorzieningen binnen de sociale basisstructuur zoals: a. kinderopvang; b. jeugdgezondheidszorg; c. praktijkondersteuning jeugd bij de huisarts (POHjeugd vanuit de Zvw); d. ondersteuning en hulp, die geboden wordt door Mevis in het Wijkteam; e. (extra) ondersteuning op school die valt onder de zorgplicht van scholen. 2. Een algemene voorziening, als genoemd onder a tot en met c van het vorige lid, is toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek door het college naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouders.

Algemene voorzieningen zijn toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar behoeften en persoonskenmerken door het college. Dit conform de Wmojurisprudentie van de CRvB over algemene Wmovoorzieningen (zie o.a. CRvB 15-04-2010, nr. 09/1519 WMO). In enkele gevallen is wel een verwijzing nodig om er voor te zorgen dat de juiste hulp bij de juiste persoon terecht komt en de voorzieningen niet “verstopt” raken. De jeugdige of zijn ouders die tot de doelgroep van de voorziening behoort, kan er meestal meteen, of na verwijzing door bijv. het wijkteam, school of huisarts, gebruik van maken. De ondersteuning en hulp die Mevis binnen het wijkteam kan bieden, valt ook onder het begrip ‘algemene voorziening’. Het collectieve aanbod is daarbij voorliggend op 1 op 1 ondersteuning en hulp die geboden wordt door een jeugdhulpprofessional van Mevis.

3. Bij een voorziening als bedoeld in het eerst lid onder d is, indien van toepassing, het collectieve aanbod van Mevis voorliggend op individuele (1 op 1) ondersteuning en hulp geboden door een jeugdhulpprofessional van Mevis. 4. Bij een algemene voorziening wordt geen beschikking verstrekt. HOOFDSTUK 4 INDIVIDUELE VOORZIENINGEN Artikel 4.

Individuele voorzieningen

1. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:

In dit artikel is nader omschreven welke individuele voorzieningen beschikbaar zijn. Het gaat hier veelal om specialistische zorg die niet valt onder de basishulp. Voor de toegang tot een individuele voorziening is een

a. specialistische jeugdhulp, die aangeboden wordt door een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder (zie: Productenboek Mevis; www.mevis.nl); b. specialistische jeugdhulp, die met een persoonsgebonden budget wordt ingekocht; c. gesloten jeugdhulp; d. vervoersvoorziening naar en van een locatie waar jeugdhulp wordt geboden.

voorafgaand onderzoek nodig naar behoeften en persoonskenmerken. Evenals bij de algemene voorzieningen is, indien van toepassing, het collectieve aanbod voorliggend op 1 op 1 ondersteuning en hulp geboden door de jeugdhulpaanbieder.

2. Bij een voorziening als bedoeld in het vorige lid onder a en b is, indien van toepassing, het collectieve aanbod voorliggend op individuele (1 op 1) ondersteuning en hulp geboden door de jeugdhulpaanbieder.

De jeugdige die op grond van de Jeugdwet jeugdhulp ontvangt en in verband met een medische noodzaak of gebrek aan zelfredzaamheid niet in staat is om zelfstandig van en naar de locatie te reizen waar de jeugdhulp wordt geboden, heeft naast het recht op een door het college te treffen voorziening, indien naar het oordeel van het college noodzakelijk, tevens recht op het vervoer naar en van de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden (artikel 2.3, tweede lid van de Jeugdwet). In artikel 20 zijn de criteria voor jeugdhulpvervoer opgenomen.

De toegang tot een individuele voorziening is geregeld in de hoofdstukken 5 en 6.

HOOFDSTUK 5 TOEGANG TOT DE JEUGDHULP VIA DE HUISARTS, MEDISCH SPECIALIST OF JEUGDARTS Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en/of jeugdarts naar een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Als een verwijzing zoals genoemd in het eerste lid aanwezig is, is het college niet verplicht jeugdhulp te vergoeden geleverd door een jeugdhulpaanbieder waarmee geen contractrelatie is. 3. Jeugdigen of zijn ouders kunnen, wanneer zij dat wensen, met een pgb jeugdhulp betrekken van een niet gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, indien voldaan is aan de voorwaarden als genoemd in Hoofdstuk 10. 4. Het college legt de te verlenen individuele voorziening vast in een beschikking. Wanneer de hulpvraag kan worden opgelost met een algemene voorziening wordt geen beschikking verstrekt

In artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de algemene voorzieningen als voor de individuele voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. In de memorie van toelichting (pg. 125) staat: Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden deze andere keuze te vergoeden en zullen de jeugdige of zijn ouders de kosten van deze jeugdhulp zelf dienen op te brengen. In het tweede lid is het wettelijk uitgangspunt dat de huisarts (e.a.) alleen verwijst naar een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder neergelegd. Jeugdigen of zijn ouders kunnen, wanneer zij dat wensen, met een pgb jeugdhulp betrekken van een niet gecontracteerde jeugdhulpaanbieder (lid 3).

In het vierde lid is opgenomen dat bij een individuele voorziening een beschikking wordt verstrekt.

HOOFDSTUK 6 TOEGANG TOT DE JEUGDHULP VIA DE GEMEENTE Artikel 6.

Toegang jeugdhulp via de gemeente

Eerste lid Artikel 2.3 van de Jeugdwet regelt de toegang via de gemeente. Het college van burgemeester en wethouders is

1. Jeugdigen en ouders kunnen zich met een hulpvraag wenden tot het Wijkteam. Voor de aanmelding van een hulpvraag kan gebruik worden gemaakt van een digitaal aanmeldformulier. 2. Het Wijkteam bevestigt de ontvangst van de hulpvraag schriftelijk of digitaal binnen twee weken, tenzij deze direct kan worden afgehandeld. In de ontvangstbevestiging worden de jeugdige en zijn ouders geïnformeerd over: - de procedure; - de verwerking van persoonsgegevens en rechten van betrokkenen; - de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen; - de mogelijkheid om zich door iemand uit het sociale netwerk (buddy) te laten ondersteunen bij het gehele hulpverleningstraject; - de mogelijkheid om gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning; - de klachtenprocedure, en - de mogelijkheid om advies en ondersteuning te krijgen bij vragen en klachten van Jeugdstem – vertrouwenspersoon akj (adviesklachtenbureau Jeugdzorg). 3. In spoedeisende gevallen, als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid onder b. van de wet, treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek en de aanvraag voor de jeugdigen of zijn ouders of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. HOOFDSTUK 7 HET ONDERZOEK Artikel 7.

Het onderzoek

1. Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige en/of zijn ouders, zo spoedig mogelijk, aan de hand van het beoordelingskader, zoals opgenomen in Bijlage 1, of en welke jeugdhulp noodzakelijk is om de jeugdige in staat te stellen om: a. gezond en veilig op te groeien; b. te groeien naar zelfstandigheid; en/of c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijke te participeren. 2. Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan hebben opgesteld, betrekt het college dat bij het onderzoek. 3. De jeugdige of zijn ouders verschaffen het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen en verlenen het college alle nodige medewerking voor het beoordelen van de hulpvraag.

het bevoegde bestuursorgaan tot het bepalen van jeugdhulp voor de jeugdige of zijn ouders. De toegang tot de jeugdhulp loopt via het Wijkteam. Jeugdigen en ouders kunnen zich tot het Wijkteam wenden met een hulpvraag (lid 1). Voor de aanmelding van een hulpvraag kan gebruik worden gemaakt van een digitaal aanmeldformulier.

Tweede lid Na de aanmelding (via het aanmeldformulier, telefonisch of via het spreekuur) bevestigt het Wijkteam de ontvangst binnen twee weken en worden de jeugdige en ouders geïnformeerd over: - de procedure; - de verwerking van persoonsgegevens en rechten van betrokkenen; - de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen; - de mogelijkheid om zich door iemand uit het sociale netwerk (buddy) te laten ondersteuning bij het gehele hulpverleningstraject; - de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning; - de klachtenprocedure; en - de mogelijkheid om advies en ondersteuning te krijgen bij vragen en klachten van Jeugdstem – vertrouwenspersoon akj. Derde lid In het derde lid is opgenomen dat in spoedeisende gevallen het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening treft wanneer het besluit niet kan worden afgewacht, bijvoorbeeld bij een crisissituatie.

Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Eerste lid In het eerste lid is bepaald dat het onderzoek plaats vindt aan de hand van het beoordelingskader van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) Het beoordelingskader is in Bijlage 1 uitgewerkt in een 10 stappenplan. Tweede lid In de Jeugdwet is vastgelegd dat ouders/gezinnen de mogelijkheid hebben om samen met familie, vrienden en anderen die behoren tot de sociale omgeving van de jeugdige een familiegroepsplan op te stellen. In artikel 1.1. van de Jeugdwet is familiegroepsplan gedefinieerd als: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of

anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. In familiegroepsplan kunnen ouders aangeven hoe ze zelf de opvoed- en opgroeisituatie voor hun kind(eren) willen verbeteren. Met het familiegroepsplan krijgen ouders, gezinnen en hun netwerk de mogelijkheid om regie te voeren over hulp die zij nodig hebben. De manier waarop gezinnen het familiegroepsplan tot stand brengen, staat vrij. Ook hoe het plan eruit ziet, mogen gezinnen zelf bepalen. Het hoeft niet aan bepaalde criteria te voldoen. De gemeente is verplicht gezinnen ondersteuning te bieden bij het opstellen van een familiegroepsplan. De Jeugdwet geeft een aantal uitzonderingen waarin ouders en de jeugdige geen gelegenheid krijgen om eerst een familiegroepsplan te maken, namelijk wanneer: • een gecertificeerde instelling jeugdreclassering uitvoert. Dit is in de wet uitgezonderd omdat het hier gaat om de uitvoering van een vonnis door de strafrechter; • een gecertificeerde instelling de voogdij uitoefent nadat het gezag over het kind niet meer bij de ouders ligt maar bij de gecertificeerde instelling. Deze maatregel is in de wet uitgezonderd omdat het gezag over het kind niet meer bij de ouders ligt maar bij de gecertificeerde instelling, of • het opstellen van een familiegroepsplan de belangen van de jeugdige schaadt, bijvoorbeeld door een concrete bedreiging van de veiligheid of ontwikkeling van het kind.

In sommige situaties is het niet in het belang van het kind om eerst de ouders en het netwerk de gelegenheid te geven een plan op te stellen. Als de veiligheid van het kind in het geding is, is de overheid op grond van humanitaire en (inter)nationale verplichtingen gehouden om te zorgen dat het kind snel en adequaat beschermd wordt. In het tweede lid is bepaald dat als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan hebben opgesteld, het college dit plan betrekt bij het onderzoek. Derde lid In het derde lid is de zogenoemde medewerkingsplicht opgenomen. Om jeugdhulp te kunnen krijgen, wordt van zowel van de jeugdige zelf als zijn ouders de nodige medewerking verwacht. Het gaat dan om medewerking aan het college om te kunnen beoordelen welke jeugdhulp nodig is. In artikel 8.1.2 lid 3 van de Jeugdwet is een algemene bepaling over de medewerkingsplicht opgenomen: De jeugdige en zijn ouders zijn verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Het gaat hierbij om alle denkbare vormen van medewerking. De jeugdige en zijn ouders zijn uiteraard alleen verplicht mee te werken als die medewerking nodig is om te kunnen vaststellen welke hulp nodig is.

Van de jeugdige en zijn ouders mag worden verlangd dat hij het college voorziet van de gegevens die nodig zijn voor een goede beoordeling van de aanvraag en dat hij zo goed mogelijk meewerkt aan een daarvoor benodigd onderzoek (ECLI:NL:RBGEL:2018:5610 en ECLI:NL:RBNHO:2018:4856).

Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek kan de medewerkingsplicht inhouden dat de jeugdige en zijn ouders: • meewerken aan het onderzoek om vast te stellen welke jeugdhulp nodig is • met het college gesprekken voeren over de hulpvraag (dit kan dus ook betekenen dat met de jeugdige wordt gesproken) • rapportages aanleveren die door derden zijn gemaakt • toestemming geven voor het voeren van gesprekken met hulpverleners van de jeugdige • toestemming geven de jeugdige (langdurig) te observeren / gezinsopname Als de jeugdige of zijn ouders onvoldoende meewerken betekent dat niet automatisch dat de aanvraag wordt afgewezen of niet-ontvankelijk wordt verklaard. Alleen als de noodzaak tot jeugdhulp door het ontbreken van informatie niet kan worden vastgesteld, wijst het college de aanvraag af (ECLI:CRVB:2024:2352). Het niet verlenen van medewerking is op zichzelf geen afwijzingsgrond. Dit geldt alleen als het ontbreken van de gevraagde medewerking er toe leidt dat het college geheel niet kan vaststellen wat de noodzaak tot verlening van jeugdhulp is. Het niet mogen spreken met de jeugdigen kan ook leiden tot het afwijzen van een aanvraag als daardoor de noodzaak van jeugdhulp niet vastgesteld kan worden. Artikel 8.

Identificatie

Bij het onderzoek als bedoeld in artikel 7 stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouders vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en door het vaststellen van het Burgerservicenummer (BSN). Artikel 9.

Het vaststellen van de identiteit van de jeugdige is verplicht wanneer voor de eerste maal contact met de jeugdige plaatsvindt. In artikel 7.2.2. van de Jeugdwet staat dat dit aan de hand van het Burgerservicenummer (BSN) moet gebeuren. De Jeugdwet kent geen regels omtrent een identificatieplicht. In de verordening kan een dergelijke verplichting wel opgenomen worden.

Deskundigheid en vergewisplicht

1. Het onderzoek als bedoeld in artikel 7 wordt gedaan onder de verantwoordelijkheid van een SKJ geregistreerde jeugdhulpprofessional. 2. Uit hoofde van de deskundigheid van de SKJ-er wordt bepaald of er een noodzaak is een (andere) deskundige of deskundigen in te schakelen om te adviseren over de benodigde jeugdhulp. Dit met inachtneming van de verantwoordelijkheidstoedeling gesteld in artikel 4.1.1, tweede lid van de wet in samenhang bezien met de benodigde deskundigheid genoemd in artikel 2.1 van het Besluit Jeugdwet.

Eerste, tweede en derde lid De beoordeling of een jeugdige of zijn ouders een voorziening nodig heeft en welke voorziening hij nodig heeft, dient plaats te vinden door een deskundige en zal gebaseerd dienen te zijn op zorginhoudelijke gronden. In artikel 2.14, eerste lid Jeugdwet jo artikel 2.1 Besluit Jeugdwet is bepaald dat het college moet zorgen voor de beschikbaarheid van relevante deskundigheid voor de toeleiding, advisering en bepaling van de aangewezen voorziening, alsmede de uitvoeren van de jeugdhulp. In hoofdstuk 5 van het Besluit Jeugdwet is de registratie bij het kwaliteitsregister jeugd (SKJ) geregeld. De toeleiding naar jeugdhulp moet derhalve onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional plaatsvinden.

3. In het ondersteuningsplan wordt opgenomen welke deskundigheid is ingeschakeld bij het onderzoek naar de hulpvraag als bedoeld in artikel 7, eerste lid.

4. Het college vergewist zich ervan dat het onderzoek als bedoeld in het eerste lid van artikel 7 op zorgvuldige wijze is uitgevoerd, door een daartoe gekwalificeerde deskundige en dat de uitkomst daarvan logischerwijs uit het onderzoek volgt alvorens een besluit op de aanvraag voor een individuele voorziening wordt genomen.

In de uitspraak van 29 mei 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1079) oordeelt de CRvB dat de noodzakelijke deskundigheid van een adviseur opgenomen moet worden in de verordening. Pas dan is het vereiste van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en inzetten van de aangewezen voorziening voldoende in wettelijke maatstaven gewaarborgd. De CRvB sluit daarbij aan bij artikel 2.7 Jeugdwet. In dit artikel is geregeld dat voor personen die onder verantwoordelijkheid van het college werkzaamheden verrichten voor de toeleiding naar, advisering over en de bepaling van de voorziening dezelfde kwaliteitseisen gelden ten aanzien van het verlenen van verantwoorde hulp als voor jeugdhulpverleners. Dit sluit aan bij een eerdere uitspraak van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2017:1477, r.o. 4.3.1) waarin de CRvB het volgende geoordeeld: Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De vorenbedoelde verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. Het college dient ervoor zorg te dragen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. Vierde lid In het vierde lid is de vergewisplicht van het college opgenomen.

In de uitspraak van 29 mei 2024 heeft de CRvB tevens geoordeeld dat advisering over de besluitvorming, de besluitvorming en de uitvoering niet in één hand mogen liggen. De Raad acht bij een dergelijke vermenging van bevoegdheden onvoldoende waarborgen aanwezig dat sprake is van een zorgvuldige besluitvorming (zoals geregeld in de afdelingen 3.2. e.v. van de Algemene wet bestuursrecht. Onder meer het nakomen van de verplichting van het bestuursorgaan om zich ervan te vergewissen dat het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, is dan onvoldoende gewaarborgd. De vergewisplicht vloeit voort uit artikel 3:9 en 3:49 de Algemene wet bestuursrecht: Artikel 3:9 Indien een besluit berust op onderzoek naar feiten en gedragingen die door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Artikel 3:49 Ter motivering van een besluit of een onderdeel daarvan kan worden volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven.

Uit de Memorie van Toelichting bij Afdeling 3.3 van de Algemene wet bestuursrecht blijkt dat als sprake is van een adviseur in de zin van de wet, dit het bestuursorgaan niet

ontslaat van de verplichting te bezien of de adviseur deskundig is, het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en of het advies afdoende is, dat wil zeggen dat moet worden bezien of uit de overwegingen van het advies logischerwijs de conclusie volgt. Deze controleplicht – in de literatuur en in de rechtspraak aangeduid als vergewisplicht – is in de Algemene wet bestuursrecht geregeld voor wettelijke adviseurs, maar geldt, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de wetsgeschiedenis bij en de rechtspraak over artikel 3:9, in tenminste dezelfde mate ook bij adviseurs zonder wettelijke status. Artikel 10.

Het ondersteuningsplan

1. Het college legt de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 7 vast in een ondersteuningsplan. 2. In het ondersteuningsplan wordt tevens opgenomen: a. de te behalen doelen en resultaten en de verwachte duur van de hulp of ondersteuning; b. het moment en de wijze waarop de resultaten van de ingezette hulp of ondersteuning worden besproken met de jeugdige en of zijn ouders en, indien van toepassing, de betrokken jeugdhulpprofessional(s); c. indien van toepassing, de contactgegevens van de persoon die de casusregie over de hulp en ondersteuning heeft; d. indien van toepassing de ‘buddy’ die de jeugdige tijdens het gehele traject ondersteunt. 3. De jeugdige en/of zijn ouders ontvangen het ondersteuningsplan binnen 6 weken na het eerste gesprek met de jeugdprofessional. 4. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of zijn ouders worden in het ondersteuningsplan opgenomen. 5. Als de jeugdige en/of zijn ouders niet akkoord zijn met de uitkomsten van het onderzoek, wordt dit vermeld in het ondersteuningsplan met de reden waarom zij niet akkoord zijn.

6. De jeugdige en/of ouders ondertekenen het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord.

In het eerste lid is bepaald dat de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 7, eerste lid wordt vastgelegd in een ondersteuningsplan. Belangrijk zijn vooral de doelen waaraan gewerkt moet worden: de voorziening moet er op gericht zijn dat de jeugdige gezond en veilig opgroeit naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam is en maatschappelijk kan participeren. De verplichting voor het college om voorzieningen te treffen is een inspanningsverplichting: het college moet een zo goed mogelijk resultaat met de inzet van de jeugdhulp bereiken. Naast het opnemen van de te behalen doelen en resultaten (tweede lid, aanhef en onder a) wordt tevens opgenomen: het moment en de wijze waarop de resultaten van de ingezette hulp wordt geëvalueerd (onder b), indien van toepassing, wie de casusregie heeft (onder c) en wie de “buddy” van de jeugdige/gezin is (onder d). In het derde lid is bepaald dat het ondersteuningsplan binnen 6 weken na het eerste gesprek met de jeugdprofessional gereed moet zijn. Opmerkingen en latere aanvulling van de jeugdige/ouders worden in het ondersteuningsplan opgenomen (vierde lid). Als de jeugdige/ouders niet akkoord zijn met de uitkomsten van het onderzoek wordt dit in het ondersteuningsplan vermeld met de reden waarom zij niet akkoord zijn (vijfde lid).

De jeugdige/ouders ondertekenen het ondersteuningsplan voor gezien wanneer zij niet akkoord gaan met de uitkomsten of voor akkoord wanneer zij daar mee instemmen. Zesde lid De ondertekening van het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord is als onderdeel van de vergewisplicht van het college belangrijk omdat daarmee vaststaat dat de jeugdige/ouders kennis hebben genomen van de uitkomsten van het onderzoek en daar wel of niet mee instemmen. In artikel 11, zesde lid is opgenomen dat een ondertekend ondersteuningsplan aangemerkt kan worden als een aanvraag voor een individuele voorziening als na afronding van het onderzoek nog geen aanvraag is ingediend.

HOOFDSTUK 8 CRITERIA INDIVIDUELE VOORZIENING Artikel 11. voorziening

Voorwaarden voor een individuele

In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele

1. Het college kent een individuele voorziening toe als vastgesteld is dat: a. dit nodig is gelet op de aard en ernst van de hulpvraag en om (één van de) doelen van de Jeugdwet te bereiken; b. de jeugdige zelf, of met zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving, geen mogelijkheden heeft om een passende oplossing voor zijn hulpvraag te vinden. Hieronder valt in ieder geval: - gebruikelijke hulp van ouders - het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten c. een algemene voorziening geen oplossing biedt voor de hulpvraag; en d. de jeugdige en zijn ouders geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening om de hulpvraag op te lossen. 2. Bij de beoordeling of de jeugdige en/of zijn ouders aanspraak kunnen maken op een andere voorziening als genoemd in het vorige lid onder d, wordt gekeken naar de “Afbakening van de Jeugdwet met andere wetten binnen het sociaal domein” in Bijlage 2. 3. Een individuele voorziening kan worden verstrekt in de vorm van zorg in natura of een pgb. 4. Een individuele voorziening wordt niet eerder verstrekt dan nadat het onderzoek, als genoemd in het eerste lid van artikel 7 is afgerond tenzij sprake is van een spoedeisende situatie als genoemd in artikel 6 derde lid. 5. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. 6.

Het college kan een ondertekend ondersteuningsplan aanmerken als een aanvraag voor een individuele voorziening als na afronding van het onderzoek als bedoeld in het eerste lid van artikel 7 nog geen aanvraag is ingediend.

voorziening zijn. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting een kader gegeven. Eerste lid Een individuele voorziening wordt verstrekt: a. als die nodig is gelet op de aard en de ernst van de hulpvraag en om de doelen van de Jeugdwet te bereiken; b. de jeugdige/ouders de hulp niet op eigen kracht kunnen bieden; c. een algemene voorziening geen oplossing biedt, en d. de jeugdige/ouders geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening. Onder de doelen van de Jeugdwet wordt verstaan: het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige. Belangrijk is dat bij het beoordelen van de problematiek allereerst gekeken wordt in hoeverre het eigen sociaal netwerk van de betrokkene ondersteuning kan bieden (onderdeel b). Dit is een van de belangrijkste uitgangspunten van de Jeugdwet: “het inschakelen, herstellen en versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en de personen die tot hun sociale omgeving behoren, waarbij voor zover mogelijk wordt uitgegaan van hun eigen inbreng” (artikel 2.1 onderdeel d van de Jeugdwet).

Pas als blijkt dat de jeugdige of zijn ouders er zelf, met hulp van de omgeving, niet of slechts gedeeltelijk uitkomen, moet het college een voorziening treffen. De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders wordt in ieder geval toereikend geacht, indien naar algemeen aanvaardbare opvattingen in redelijkheid van ouders mag worden verwacht dat zij die hulp en ondersteuning aan hun kind bieden. In Hoofdstuk 9 is dit nader uitgewerkt. Een algemene voorziening heeft voorrang boven een individuele voorziening (onderdeel c). Met andere woorden: is er een algemene voorziening beschikbaar die volledig tegemoet komt aan de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders, dan hoeft het college geen individuele voorziening te treffen. Het college hoeft evenmin een voorziening te verstrekken als de jeugdige of zijn ouders gebruik kunnen maken van een andere (voorliggende) voorziening (onderdeel d). Het gaat dan om een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg. Dit vloeit overigens reeds voort uit artikel 1.2 van de Jeugdwet, maar is voor de volledigheid ook hier opgenomen.

Tweede lid Op grond van artikel 1.2 van de wet is het college niet gehouden een voorziening te treffen op grond van de wet als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg,

de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet. Evenmin is het college gehouden een voorziening op grond van de wet te treffen indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015. Kan de jeugdige aanspraak maken op een andere wet, dan is de Jeugdwet niet van toepassing. Als echter meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wet langdurige zorg, een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet én de Jeugdwet, dan is het college gehouden een voorziening te treffen op basis van de Jeugdwet (artikel 1.2, tweede lid van de Wet). Ook de voorziening als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid onder b van de wet is uitgezonderd van het uitgangspunt dat geen voorziening op grond van de wet hoeft te worden verstrekt als aanspraak bestaat op de Wet langdurige zorg, de Zorgverzekeringswet, of de Wmo 2015.

Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair is gericht op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de wet. Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit de onderwijswetgeving is deze wetgeving voorliggend op de wet en hoeft het college geen voorziening te treffen. Bij de beoordeling of een andere voorziening voorliggend is, is in Bijlage 2 bij de verordening een overzicht opgenomen m.b.t. de afbakening van de Jeugdwet met andere wetten binnen het sociaal domein. Derde lid Een individuele voorziening kan worden verstrekt in de vorm van zorg in natura of een pgb. Met een pgb kan iemand zelf de zorg inkopen als aan de voorwaarden opgenomen in Hoofdstuk 10 wordt voldaan. Vierde lid Een individuele voorziening wordt niet eerder verstrekt dan nadat het onderzoek als bedoeld in artikel 7, eerste lid is afgerond tenzij sprake is van een spoedeisende situatie als genoemd in artikel 6, derde lid. In spoedeisende gevallen, als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid onder b van de wet moet het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening treffen in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Het gaat daarbij om situaties waarbij de ontwikkeling of veiligheid van de jeugdige ernstig wordt bedreigd.

Vijfde lid In het vijfde lid is bepaald dat het college de goedkoopst adequate voorziening verstrekt. Een voorziening moet altijd

adequaat zijn. Als er meerdere adequate voorzieningen zijn, wordt de goedkoopst adequate voorziening verstrekt. Zesde lid In het zesde lid is bepaald dat het college een ondertekend ondersteuningsplan kan aanmerken als een aanvraag voor een individuele voorziening als na afronding van het onderzoek nog geen aanvraag is ingediend. Deze bepaling is opgenomen om jeugdige/ouders niet onnodig te belasten met het indienen van een formele aanvraag. Indien jeugdige of zijn ouders zich met een hulpvraag tot het Wijkteam wenden is op dat moment vaak nog niet duidelijk of de problemen slechts met een individuele voorziening kunnen worden opgelost. Alleen wanneer sprake is van een individuele voorziening wordt een beschikking verstrekt door het college. Voor het afgeven van een beschikking is een aanvraag nodig die ondertekend is door de aanvrager en waarin wordt aangeduid welke beschikking wordt gevraagd (artikel 4:2 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht). Indien na afloop van het onderzoek nog geen aanvraag is ingediend die aan de formele vereisten voldoet, kan het college een ondertekend ondersteuningsplan aanmerken als een aanvraag. Artikel 12.

Dyslexiezorg

1. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van dyslexiezorg in het geval van vermoeden van ernstige dyslexie conform het geldende landelijke protocol. 2. De Poortwachter adviseert het college over het te nemen besluit op basis van de beoordeling van het leerlingdossier volgens de richtlijnen van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie, dat de school heeft opgesteld.

3. De dyslexiezorg die door het college wordt toegekend bestaat uit: a. Diagnostiek bij een vermoeden van ernstige dyslexie; b. Behandeling van ernstige dyslexie. 4. Dyslexiezorg is alleen beschikbaar voor jeugdigen in de leeftijd vanaf 7 die basisonderwijs volgen.

Artikel 13.

Inhoud beschikking

1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt.

Eerste t/m vierde lid Dyslexie is een aangeboren beperking bij lezen en spellen. Ondersteuning bij dyslexie wordt in eerste instantie geboden door hulp en aanpassingen in het onderwijs. Blijkt dat er sprake is van ernstige dyslexie (ED) dan is de gemeente verantwoordelijk voor dyslexiezorg. Gemeenten zijn alleen verantwoordelijk voor dyslexiezorg die nodig is voor kinderen met ED vanaf 7 jaar die basisonderwijs volgen (ECLI:NL:CRVB:2018:3454 en ECLI:NL:CRVB:2024:1430). De Raad oordeelt dat in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten te vinden zijn voor het oordeel dat de wetgever bij overheveling van de dyslexiezorg naar de Jeugdwet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd dan onder de Zorgverzekeringwet het geval was. De verantwoordelijkheid van de gemeente voor dyslexiezorg beperkt zich dan ook tot de diagnose en behandeling van ED van kinderen in de leeftijd vanaf 7 jaar die basisonderwijs volgen. Bij het bepalen van toegang tot jeugdhulp voor dyslexiezorg wordt gebruik gemaakt van het landelijke protocol (eerste lid). De Poortwachter adviseert het college na beoordeling van het leerlingdossier volgens de richtlijnen van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie (tweede lid). Het onderwijs is verantwoordelijk voor signalering en begeleiding van jeugdigen met dyslexie.

De samenwerkingsverbanden van scholen maken afspraken over ondersteuning bij dyslexie die op scholen geboden wordt. Is deze ondersteuning onvoldoende, dan kan onderzocht worden of sprake is van ED. In dit artikel is opgenomen wat er minimaal in de beschikking opgenomen wordt. Een deugdelijke motivering van het besluit is belangrijk. Ter motivering van een besluit wordt verwezen naar het uitgebrachte advies dat is opgenomen in het ondersteuningsplan. Dit sluit aan bij

Tevens wordt aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. De beschikking bevat een deugdelijke motivering waarbij, indien van toepassing, wordt verwezen naar een met het oog daarop uitgebracht advies dat is opgenomen in het ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 10.

artikel 3:49 van de Algemene wet bestuursrecht waarin is bepaald dat ter motivering van het besluit of een onderdeel daarvan kan worden volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven.

3. Bij het verstrekken van een individuele voorziening in natura wordt daarnaast in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. wat de te verstrekken individuele voorziening is, wat het beoogde resultaat daarvan is en indien van toepassing, wat de omvang is; b. wat de verwachte ingangsdatum en wat de duur van de voorziening is; c. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 4. Bij het verstrekken van een individuele voorziening in de vorm van een pgb wordt daarnaast in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welke voorziening het pgb moet worden aangewend, wat het beoogde resultaat daarvan is en indien van toepassing wat de omvang is; b. wat de hoogte van het pgb is; c. welke eisen gelden voor de besteding van het pgb; d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e. wat de ingangsdatum en indien van toepassing de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. HOOFDSTUK 9 EIGEN KRACHT Artikel 14.

Beoordelingscriteria Eigen kracht

1. Jeugdigen of ouders komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf aantoonbaar geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan: - gebruikelijke hulp van ouders en/of verzorgers of opvoeders - bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen (financiële) problemen in het gezin ontstaan - de ondersteuning vanuit het sociale netwerk - het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten

Eigen kracht Artikel 2.3, eerste lid van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college alleen een voorziening treft als de jeugdige en zijn ouders niet in staat zijn om zelf , eventueel met hulp van personen uit het sociaal netwerk, hun problemen op te lossen. Dit wordt Eigen kracht genoemd. In de wet is niet bepaald wat precies onder Eigen kracht wordt verstaan. Het begrip komt op verschillende plekken terug in de parlementaire geschiedenis. Daaruit blijkt dat het uitgangspunt is dat ouders in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Hebben zij zelf mogelijkheden om de problemen het hoofd te bieden, dan is een voorziening niet nodig (zie bijv. TK 2012-2013, 33684, nr. 3, p. 135-136). Het is aan de gemeenten overgelaten om dit begrip verder in te vullen. Zorgplicht ouders De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt dus allereerst bij de ouders van

2. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders, eventueel met hulp van personen uit het sociaal netwerk. Bij hen ligt de verplichting de tot het gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige woont. 3. Om vast te stellen of sprake is van bovengebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft (zie richtlijnen gebruikelijke zorg CIZ in Bijlage 3). Het college houdt daarbij rekening met de volgende factoren: a. de leeftijd van de jeugdige; b. de mate van zorg bij de activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft; c. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige d. de mate van planbaarheid van de hulp; e. de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige. 4.

Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. 5. Indien er sprake is van hulp die het gebruikelijke overstijgt dan zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het college beoordeelt dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen kortdurende en langdurende situaties: - Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het probleem en daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij om een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. - Langdurend: het gaat om een chronische situatie waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.

de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, dan hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362).

De in de wet bedoelde maatstaven eigen vermogen en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om de jeugdhulp zelf te kunnen verlenen (CRvB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel door de Raad in de beoordeling wordt betrokken. Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen. Volgens de CRvB in een uitspraak van 29 mei 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1095) geven de artikelen 2.3 en 2.9 van de wet, mede gelet op de wetsgeschiedenis, de gemeente de opdracht om regels te stellen over het aanbod, de toekenningsvoorwaarden en beoordeling van individuele voorzieningen. Artikel 2.3 van de wet biedt de jeugdige en zijn ouders hiervoor onvoldoende rechtszekerheid of in ieder geval onvoldoende duidelijkheid op de individuele situatie. De gemeente moet dan ook in de verordening onder meer duidelijk regelen wanneer sprake is van eigen kracht, omdat dit één van de afwegingsfactoren zoals bedoeld in artikel 2.9 van de wet is.

Specifiek moet de gemeente regelen wat de betekenis van de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht is die voortvloeit uit het Burgerlijk Wetboek (artikelen 1:82 en 1:247 BW) en wat de begrippen eigen kracht, gebruikelijke hulp en/of bovengebruikelijke hulp inhouden. Artikel 1:82 BW

6. Het college verwacht van ouders dat zij in kortdurende situaties bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of ouders door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige. 7. Bij de beoordeling van langdurige situaties houdt het college rekening met de volgende factoren: a. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit; b. de mate van planbaarheid van de hulp; c. het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders; d. de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige; e. vaardigheden van ouders om zelf hulp te bieden; f. of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relatieproblemen of schulden g. welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk of sociale verplichtingen; h. het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen; i. de woonsituatie; j. de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden; k. of sprake is van een sociaal netwerk en zo ja, wat de mogelijkheden en bereidheid van het sociaal netwerk zijn om de jeugdige en/of zijn ouders te ondersteunen; l. overige individuele omstandigheden die door de jeugdige en ouders worden ingebracht. 8.

Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders (beschikbaarheid van ouders, de belasting van de ouders en de financiële situatie van de ouders) dan wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (deels) verlenen. Het college verstrekt hiervoor dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp. 9. Bij (dreigende) overbelasting gelden de volgende uitgangspunten: a. er moet sprake zijn van een verband tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige; b. als de overbelasting ziet op spanningen door het werk (bijv. door te veel uren werken of stress) of door andere factoren buiten de zorg van de jeugdige om, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van de spanningen; c. bij een aanvraag voor een individuele voorziening bekijkt het college wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen;

Echtgenoten zijn elkander getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. Zij zijn verplicht elkander het nodige te verschaffen. Artikel 1:247 BW 1. Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen. 2. Onder verzorging wordt mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. (…). Afwegingskader Artikel 14 van de verordening geeft uitleg over wanneer er sprake is van eigen kracht en biedt een afwegingskader voor het college. In het eerste lid is neergelegd dat onder eigen kracht in ieder geval wordt verstaan: - gebruikelijke hulp - bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden en dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de hulp geen (financiële) problemen in het gezin ontstaan - de ondersteuning vanuit het sociale netwerk - het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten In die gevallen wordt er dus geen individuele voorziening verstrekt omdat de eigen kracht toereikend is. In het tweede lid is uitgelegd wat onder gebruikelijke hulp wordt verstaan. Dit is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht dat ouders hun kind bieden.

Het college treft dan geen voorziening. Hier kan (tijdelijk) een uitzondering op worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden (vierde lid). Derde lid Voor de vaststelling van bovengebruikelijke hulp wordt verwezen naar de richtlijnen gebruikelijke zorg van het CIZ in Bijlage 3. Bovengebruikelijke hulp is de hulp die significant uitstijgt boven de zorg die een gezond kind van een bepaalde leeftijd nodig heeft. Bij bovengebruikelijke hulp zijn de ouders nog steeds verantwoordelijk en het college beoordeelt dan of deze hulp van ouders mag worden verwacht. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen kortdurende en langdurende zorg (vijfde lid). Bij kortdurende bovengebruikelijke zorg, verwacht het college dat ouders dit kunnen bieden, tenzij dit niet van de ouders kan worden verwacht, bijvoorbeeld door (dreigende) overbelasting. Die overbelasting moet dan wel verband houden met de hulp aan de jeugdige (zesde lid). Bij langdurige situaties wordt rekening gehouden met de in het zevende lid genoemde factoren. Als die factoren niet leiden tot problemen bij het bieden van de hulp, dan verstrekt het college geen voorziening (achtste lid).

d. als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht; e. het verlenen van hulp aan de jeugdige door de ouders/verzorgers gaat in beginsel voor op sociale/maatschappelijke activiteiten; f. een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener neemt dan het verlenen van de hulp over om de overbelasting te stoppen.

In het negende lid is opgenomen welke uitgangspunten er gelden bij (dreigende) overbelasting. In het tiende lid is bepaald dat de ondersteuning die het sociale netwerk biedt ook valt onder eigen kracht. In het elfde lid is opgenomen dat geen voorziening wordt verstrekt voor het gedeelte waarop ouders een beroep op een aanvullende zorgverzekering kunnen doen.

10. Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening. 11. Als ouders een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoed, wordt van de ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed. HOOFDSTUK 10 PERSOONSGEBONDEN BUDGET Artikel 15.

Voorwaarden voor een pgb

1. Een jeugdige of zijn ouders komen slechts voor een pgb in aanmerking indien wordt voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 8.1.1 van de wet en de criteria als genoemd in de artikel 11 en 14 en in dit artikel. 2. De jeugdige of zijn ouders dienen, nadat zij hebben aangegeven de individuele voorziening in de vorm van een pgb te willen ontvangen, gebruik te maken van een door het college vastgestelde pgbformulier, waarin is opgenomen: a. de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige of zijn ouders niet passend is en een pgb gewenst is; b. op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd; c. welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouders willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd; d. de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; e. de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15616037/1