CConstaterende datSchiedam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Tabel toelichting verordening jeugdhulp Schiedam 2025

Gemeenteraad 15 juli 2025, gemeente SchiedamBij agendapunt: Raadsbesluit Verordening Jeugdhulp MVS 202523.586 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

liggen vast in de artikel 5:11 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en kunnen zowel bij de uitvoering van de Wmo 2015 als voor de uitvoering van de Jeugdwet ingezet worden. In de Wmo 2015 is het aanwijzen van een toezichthouder verplicht. De Jeugdwet kent een dergelijke verplichting niet, maar sluit het aanwijzen van toezichthouders niet uit. Voor het aanwijzen van een toezichthouders jeugd is in de verordening de benodigde grondslag opgenomen. Kerntaken van de toezichthouder zijn: • • • • • • •

• • • •

voorkomen en signaleren van misbruik en oneigenlijk gebruik van voorzieningen adviseren over fraudebestrijding en fraudealert maken van medewerkers controleren van gegevens, signaleren van knelpunten en adviseren over de beleidsmatige en uitvoeringsaspecten leveren van een bijdrage aan het handhavingsbeleid en de inbedding hiervan in de organisatie beoordelen van fraudesignalen bepalen welke handhavingsinstrumenten moeten worden ingezet zelfstandig uitvoeren van (complexe) bestuursrechtelijke onderzoeken met toepassing van toezichthoudende bevoegdheden conform de Algemene wet bestuursrecht adviseren over de wenselijkheid van strafrechtelijke voortzetting van een bestuursrechtelijk onderzoek adviseren van collega’s over het te nemen besluit in verband met het vervolgtraject participeren in regionale overleggen met ketenpartners rapporteren aan de colleges over de inzet van de toezicht- en handhavingsinstrumenten

HOOFDSTUK 13 KWALITEITSEISEN Artikel 24.

Kwaliteitseisen

1. De jeugdhulpaanbieders van een individuele voorziening en de voorziening zelf voldoen aan de kwaliteitseisen die daaraan op grond van de artikelen 4.1.1 tot en met 4.1.9 van de wet en de in hun branche geldende beroepscode worden gesteld. 2. Voor zover er sprake is van een keurmerk voor de branche waarbinnen de jeugdhulpaanbieder werkzaam is, moet de jeugdhulpaanbieder beschikken over dit keurmerk of vergelijkbare kwaliteitseisen. 3. Indien een jeugdhulpaanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, is de jeugdhulpaanbieder als hoofdaanbieder verantwoordelijk voor dat de

In paragraaf 4.1 van de wet staan de eisen waar een jeugdhulpaanbieder aan moet voldoen. Dit zijn het bieden van verantwoorde hulp, organisatie en bemensing zo regelen dat sprake is van verantwoorde hulp (norm van verantwoorde werktoedeling), planmatig werken op basis van een hulpverleningsplan, het hebben van een kwaliteitssysteem, personeel met een VOG, het hebben van een meldcode en meldplicht bij calamiteiten of geweld. Daarnaast is het ten behoeve van de rechtspositie van de jeugdige en zijn ouders een eis om een klachtencommissie en cliëntenraad te hebben en een vertrouwenspersoon te faciliteren (paragraaf 4.2 van de wet). In het Besluit Jeugdwet worden onder meer nadere regels gesteld aan certificering en registratie-eisen van jeugdhulpprofessionals die daarmee werken volgens hun professionele standaard.

onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt. 4. De jeugdhulpaanbieder zorgt ervoor dat de door hem ingeschakelde medewerkers en vrijwilligers voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen. 5. Het college kan aan hulpverleners die werken op basis van een pgb eisen stellen die aansluiten bij de eisen die aan jeugdhulpaanbieders worden gesteld, teneinde de kwaliteit, veiligheid en doelmatigheid van de te leveren ondersteuning te waarborgen. 6. Het college onderzoekt periodiek of steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning. De jeugdhulpaanbieder verleent hierbij alle noodzakelijke medewerking. Artikel 25.

Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

1. Het college houdt in het belang van een goede prijs – kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, conform artikel 2.3 van het Besluit Jeugdwet, in ieder geval rekening met de volgende kostprijselementen: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke cao in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. kosten van beroepskrachten die cliëntgebonden zijn; e. kosten van beroepskrachten die niet cliëntgebonden zijn, waaronder scholing; f. kosten van indexering. 2. Het college bedingt bij jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen bij derden uitbesteden indien zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid. 3. Het college geeft tenminste vorm aan prijs- of tariefdifferentiatie door rekening te houden met de verschillende vormen van ondersteuning.

Als het gaat om kwaliteitscriteria ten aanzien van in te zetten personeel wordt veelal gewezen op personeel met een bepaald opleidingsniveau, al dan niet in combinatie met een inschrijving van professionals in een beroepsregister, zoals de SKJ-registratie, het BIG-register en het register voor Sociaal Werkers. De SKJ-registratie van jeugdprofessionals op hbo-niveau of hoger is een verplichting. Deze vloeit voort uit de norm van verantwoorde werktoedeling (Kwaliteitskader Jeugd). In aanvulling op de wettelijke kwaliteitseisen kan de gemeente ‘vooraf’ sturen op kwaliteit door aanvullende kwaliteitseisen te stellen. De eisen die de gemeente stellen kunnen vastgelegd worden in de contracten met jeugdhulpaanbieders. In dit artikel zijn aanvullende kwaliteitseisen opgenomen die ook kunnen gelden voor jeugdhulpaanbieders die met een pgb worden ingekocht. Het college onderzoekt periodiek of steekproefsgewijs de kwaliteit van de geboden jeugdhulp. Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van een jeugdige of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid van de wet).

Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering en een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.11, tweede lid van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. De Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) reële prijzen Jeugdwet is op 1 juli 2024 in werking getreden. Artikel 2.3, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Jeugdwet verplicht gemeenten om tenminste de volgende kostenelementen in de verordening op te nemen voor het bepalen van een reële prijs bij inkoop van jeugdzorg door gemeenten: • kosten van beroepskrachten (cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden) • cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten • overheadkosten • kosten voor indexering Het eerste lid van artikel 25 voorziet hierin.

Overeenkomstig het Uitvoeringsbesluit wordt in het tweede lid verplicht gesteld dat in contracten met aanbieders in geval van uitbesteding van zorg aan onderaannemers, een reële, met behulp van de kostprijselementen tot stand gekomen prijs betaalt.

In het derde lid is opgenomen dat het college bij een prijs- of tariefdifferentiatie rekening houdt met de verschillende vormen van ondersteuning. HOOFDSTUK 14 OVERGANG VAN 18- NAAR 18+ Artikel 26.

Overgang van 18- naar 18+

1. Voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en vanaf de leeftijd van 18 jaar ondersteuning nodig hebben vanuit een andere wet, wordt een perspectiefplan opgesteld zodat de overgang naar een andere wet tijdig wordt voorbereid. 2. Zodra de jeugdige 18 jaar wordt en de noodzakelijk ondersteuning niet vanuit een andere wet kan worden verleend, kan de jeugdhulp worden verlengd tot maximaal tot de dag waarop de jeugdige 23 jaar wordt. Dit kan wanneer: a. de jeugdige al voor zijn 18e levensjaar jeugdhulp ontving en voortzetting van de jeugdhulp voor deze hulpvraag nodig is; b. voor het bereiken van de 18e leeftijd is bepaald dat jeugdhulp nodig is; of c. het college na beëindiging van de jeugdhulp die was begonnen voor het 18e levensjaar, binnen een termijn van een half jaar vaststelt dat voortzetting van de jeugdhulp nodig is.

Eerste lid De gemeente is op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk voor de zorg en ondersteuning aan jongeren tot 18 jaar. Zorg en ondersteuning vanaf deze leeftijd kan onder een andere wet vallen, bijvoorbeeld de Wmo 2015. Om de continuïteit van deze zorg en ondersteuning te waarborgen, is het belangrijk dat de overgang naar een andere wet tijdig wordt voorbereid. Voor jeugdigen in een kwetsbare situatie kan een zogenoemd perspectiefplan worden opgesteld. Met een perspectiefplan wordt meegedacht op alle leefdomeinen waar jeugdigen die 18 jaar worden mee te maken krijgen. Ook wordt de jeugdige ondersteunt bij de overgang naar een andere wet waarop ze vanaf hun 18e jaar een beroep kunnen doen voor ondersteuning. Tweede t/m het vierde lid In de leden 2 t/m 4 is opgenomen wanneer sprake is van verlengde jeugdhulp vanaf 18 jaar. Dit volgt uit de wet maar is voor de volledigheid ook in dit artikel opgenomen.

3. Pleegzorg en verblijf in een gezinshuis wordt ingezet tot de dag dat de jeugdige 21 jaar wordt, tenzij de jeugdige heeft aangegeven hiervan geen gebruik te willen maken. Voor pleegzorg en verblijf in een gezinshuis kan tussen het 21e en 23e jaar verlengde jeugdhulp ingezet worden. 4. Jeugdhulp die in het kader van een strafrechtelijke beslissing of jeugdreclassering wordt verleend vallen na het 18e levensjaar onder de Jeugdwet. HOOFDSTUK 15 AFSTEMMING MET ANDERE DOMEINEN

Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de wet moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de wet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten.

Artikel 27.

De gezondheidszorg voor jeugdigen valt gedeeltelijk binnen de verantwoordelijkheid van de gemeente – namelijk als het gaat om preventieve jeugdgezondheidszorg, geestelijke gezondheidszorg, en (licht)verstandelijk gehandicapten (met uitzondering van langdurige instellingszorg). De gemeente

Afstemming met gezondheidszorg

1. Het college maakt afspraken met de huisartsen en de zorgverzekeraars over de aansluiting tussen de

overige voorzieningen en de huisartsenzorg, waaronder de praktijkondersteuning. 2. Het college maakt afspraken met de huisartsen, jeugdartsen en de medisch specialisten over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid, onder e van de wet en artikel 5 van deze verordening, plaatsvindt. 3. Het college maakt afspraken met de zorgverzekeraars en het centraal indicatieorgaan zorg (CIZ) over hoe de continuïteit van de persoonlijke verzorging, geestelijke gezondheidzorg en gehandicaptenzorg wordt gegarandeerd voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en de leeftijd van achttien jaar bereiken en daarmee vallen onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg. Artikel 28. instellingen

Afstemming met gecertificeerde

1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp op basis van het besluit van de gecertificeerde instelling ten behoeve van een kinderbeschermingsmaatregel conform artikel 3.5, eerste lid van de wet of ter uitvoering van jeugdreclassering conform artikel 2.4, tweede lid, onder b van de wet. 2. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instelling over: a. het overleg over de aangewezen jeugdhulp in het kader van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid van de wet; b. het overleg over de eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering; c. de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de gecertificeerde instelling en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt; d. wanneer en onder welke voorwaarden de gecertificeerde instelling budgethouder van een pgb kan zijn namens de jeugdige of zijn ouders. 3. Het college en de gecertificeerde instelling leggen de afspraken als bedoeld in het tweede lid vast in een protocol als bedoeld in artikel 3.5, derde lid van de wet. Artikel 29. Afstemming met het justitiedomein 1. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instelling, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële instellingen over

is niet verantwoordelijk voor huisartsenzorg, paramedische zorg (logopedie, fysiotherapie, dieetadvies) en de meeste medische specialistische (ziekenhuis)zorg. Deze zorg valt onder de Zorgverzekeringswet. Het is dan ook van belang dat er afspraken gemaakt worden tussen de gemeente en de aanbieders van deze zorg (en hun financiers: de zorgverzekeraars/zorgkantoren). De Jeugdwet schrijft dit ook voor (zie artikel 2.7 lid 5 Jeugdwet). Dit artikel beschrijft een aantal onderwerpen waarvoor afspraken nodig zijn, namelijk op het gebied van de doorverwijzing naar (algemene en individuele) jeugdhulpvoorzieningen en op welke wijze een doorverwijzing uiteindelijk wordt vastgelegd in een schriftelijke beschikking voor de jeugdige en/of zijn ouders. Ook zijn afspraken nodig voor de continuïteit van zorg als jeugdigen de leeftijd van 18 jaar bereiken en daardoor onder een ander wettelijk kader komen te vallen.

De gecertificeerde instellingen kunnen zelfstandig jeugdhulp inzetten bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (gedwongen kader). Het is dan ook van belang dat de gemeente, als financier van de gecertificeerde instellingen én de jeugdhulp, goede afspraken maakt met de gecertificeerde instellingen. Dit artikel benoemt een aantal concrete onderwerpen waarover afspraken moeten worden gemaakt. De afspraken worden vastgelegd in een samenwerkingsprotocol met de gecertificeerde instellingen. De Jeugdwet stelt zo’n samenwerkingsprotocol verplicht (zie artikel 3.5 lid 3 Jeugdwet).

In de strafrechtelijke beslissing – in het kader van een taakstraf of (gedragsbeïnvloedende) maatregel – kan de rechter besluiten tot de inzet van jeugdhulp. In de regel zal de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) hierover adviseren. Bij (jeugdreclasserings)maatregelen zal de

de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, onder b van de wet. 2. Het college en de betrokken instellingen nemen de afspraken als bedoeld in het eerste lid op in het protocol als bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid van de wet.

Artikel 30.

Afstemming met Veilig Thuis

Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang tot de overige en individuele voorzieningen en stelt in regioverband beleid op ten aanzien van de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling.

Artikel 31. Afstemming met voorschoolse voorzieningen Het college maakt afspraken met de instellingen voor kinderopvang over: a. de afstemming tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 3 en de voorschoolse voorzieningen; b. de afstemming, voor zover en indien noodzakelijk, bij het toekennen van individuele voorzieningen voor jeugdigen en hun ouders; c. de terugkoppeling van de voortgang en resultaten van de individueel voorzieningen; d. de gezamenlijke zorgarrangementen en de toegang hiertoe. Artikel 32.

Afstemming met onderwijs

1. Het college maakt afspraken met de samenwerkingsverbanden primair en voortgezet onderwijs en de schoolbesturen speciaal onderwijs clusters 1 en 2 over: a. de afstemming tussen de algemene voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 3, leerplicht en het onderwijs en de onderwijsvoorzieningen op scholen; b. de afstemming, voor zover en indien noodzakelijk, bij het toekennen van individuele voorzieningen voor leerlingen en hun ouders; c. de terugkoppeling over de voortgang en resultaten van de individuele voorzieningen; d. de gezamenlijke onderwijszorgarrangementen en de toegang hiertoe.

gecertificeerde instelling betrokken zijn bij de uitvoering, bij taakstraffen de RvdK. Daarnaast kan de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts, of directeur van de justitiële jeugdinrichting besluiten tot de inzet van jeugdhulp in het kader van het scholings- en trainingsprogramma in het nazorgtraject. Het is van belang dat de gemeente afspraken maakt met deze instanties, zeker ook als het gaat om de afhandeling van de proces-verbalen van leerplicht. Deze afspraken zijn vastgelegd in het samenwerkingsprotocol met de RvdK. Tevens worden afspraken hierover vastgelegd in een samenwerkingsprotocol met de gecertificeerde instellingen. Artikel 4.1.1 Wmo 2015 legt het college de plicht op om een Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK) in te richten. Het AMHK, beter bekend als Veilig Thuis, is beschikbaar voor advies en consult voor professionals. Hoogwaardige specialistische kennis is nodig bij bijvoorbeeld complexe situaties van huiselijk geweld en kindermishandeling, eer gerelateerd geweld, seksueel misbruik, achterlating en huwelijksdwang, extreme stalking. Veilig Thuis kan passende hulp inschakelen. In het kader hiervan zijn in ieder geval afspraken nodig over de toegang en eventueel doorverwijzing naar jeugdhulpvoorzieningen. Veel kinderen in de leeftijd van 0 – 4 jaar bezoeken een kinderopvang.

De gemeente speelt een belangrijke rol in de bevordering van de pedagogische kwaliteit van deze voorschoolse voorzieningen en het vergroten van het bereik onder specifieke doelgroepen. Het is daarom van belang om over de relatie tussen de voorschoolse voorzieningen en de algemene en individuele voorzieningen op grond van deze verordening afspraken te maken met de aanbieders van kinderopvang en basisscholen.

De samenwerkingsverbanden in het primair en voortgezet onderwijs spelen een centrale rol bij het organiseren van passend onderwijs en (speciale) onderwijszorg op de scholen en bovenschools. In veel gevallen zullen onderwijszorg en zorg voor de jeugd elkaar nauw raken. Het is dan ook van belang dat er goede afspraken zijn tussen gemeente en het onderwijs, met name als het gaat om de vraag vanuit welke partij welke ondersteuning kan worden geleverd. Bovendien volgt uit de wet dat de gemeente en het schoolbestuur in individuele gevallen overleggen als een individuele jeugdhulpvoorziening nodig is (zie artikel 2.7 lid 1 Jeugdwet).

2. Het college en de samenwerkingsverbanden primair en voortgezet onderwijs leggen de afspraken als bedoeld in het eerste lid, vast in een protocol of overeenkomst. Artikel 33.

Afstemming met Wmo-voorzieningen

1. Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor jeugdigen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

2. Het college draagt zorg voor een goede afstemming van de voorzieningen voor jeugdigen op grond van deze verordening en voorzieningen voor volwassenen, zijnde ouders, op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 3. Het college draagt zorg voor de continuïteit van onder haar verantwoordelijkheid vallende zorg wanneer de jeugdige de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt.

Sinds de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) is de gemeente verantwoordelijk voor een breder pakket aan voorzieningen op het terrein van maatschappelijke ondersteuning. Eerste lid Hoewel voor de voormalige AWBZ-functie ‘begeleiding’ een knip gemaakt is bij achttien jaar en opvoed- en opgroeiondersteuning naar de Jeugdwet verplaatst is, blijven ook enkele voorzieningen voor jeugdigen onder de Wmo vallen (hulpmiddelen, vervoersvoorzieningen en woningaanpassingen). Een goede afstemming is daarom gewenst, vooral wanneer voor een jeugdige zowel voorzieningen op grond van deze verordening als de Wmoverordening nodig zijn. Tweede lid Sommige ouders van jeugdigen zullen te maken krijgen met voorzieningen op grond van de Wmo (omdat zij minder valide en zelfredzaam zijn). Ook in die gevallen is een goede afstemming tussen voorzieningen voor de jeugdige en voor de ouders gewenst. Derde lid Begeleiding van jeugdigen (tot 18 jaar) valt onder de Jeugdwet, begeleiding van volwassenen (vanaf 18 jaar) onder de Wmo 2015. Wanneer de begeleiding van een jeugdige gecontinueerd dient te worden na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, moet een nieuw besluit genomen worden.

Het college draagt er zorg voor dat deze overgang soepel verloopt door de jeugdige en zijn ouders enkele maanden voor de 18e verjaardag te wijzen op deze overgang en hen te ondersteunen bij de aanvraag.

Artikel 34. inkomen

Afstemming met voorzieningen werk en

1. Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en (re-integratie)voorzieningen voor jeugdigen op grond van de Participatiewet, waaronder leerwerktrajecten.

Sommige voorzieningen op grond van de Participatiewet gelden ook voor 16- en 17-jarigen, zoals leer-werktrajecten (artikel 10f van de Participatiewet). In die gevallen moet de gemeente het voorzieningenaanbod goed afstemmen. Daarnaast zullen veel ouders van jeugdigen te maken krijgen met voorzieningen op grond van de Participatiewet.

2. Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen voor volwassenen, zijnde ouder, op grond van de Participatiewet, waaronder aanvullend minimabeleid.

HOOFDSTUK 16 VERTROUWENSPERSOON, KLACHTEN, INSPRAAK EN MEDEZEGGENSCHAP Artikel 35.

Vertrouwenspersoon

Voor vragen of klachten over jeugdhulp kunnen jeugdigen en hun ouders terecht bij een vertrouwenspersoon van

1. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders die te maken hebben met jeugdzorg een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon van Jeugdstem. 2. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen en hun ouders, bij het hulpverleningstraject, ondersteund kunnen worden door iemand uit het sociaal netwerk van de jeugdigen en/of hun ouders (buddy). 3. Na een melding van een hulpvraag bij het wijkteam worden jeugdigen en hun ouders geïnformeerd over de mogelijkheid om een beroep te doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon van JeugdStem en op de mogelijkheid om gedurende het hulpverleningstraject ondersteund te worden door een buddy.

Jeugdstem-vertrouwenspersoon akj. De hulp is gratis en de vertrouwenspersoon is onafhankelijk. Het Wijkteam informeert de jeugdige en zijn ouders over de mogelijkheid om advies en ondersteuning te krijgen van een vertrouwenspersoon (artikel 6, tweede lid). De vertrouwenspersoon van Jeugdstem is er voor iedere jeugdige en elke (pleeg)-ouder die te maken heeft met jeugdzorg, zoals: • jeugdigen in een (open of gesloten) jeugdzorginstelling, pleeggezin of gezinshuis; • jeugdigen die ambulante behandeling of hulp ontvangen; • cliënten van Centra voor Jeugd & Gezin, wijkteams, instellingen die de jeugdzorg uitvoeren, organisaties voor jeugdbescherming, de jeugdreclassering, de Raad voor de Kinderbescherming en Veilig Thuis. In de wet is ‘vertrouwenspersoon’ gedefinieerd als: persoon die beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger jeugdigen, ouders of pleegouders op hun verzoek ondersteunt bij de uitoefening van hun rechten jegens het college, de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling, voor zover deze rechten samenhangen met de in deze wet geregelde onderwerpen. In dit artikel is bepaald dat het college ervoor zorgt dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Dit volgt ook uit de wet maar is voor de volledigheid ook als een recht van de jeugdige en zijn ouders opgenomen in de verordening.

Daarnaast bestaat de mogelijkheid om gedurende het gehele hulpverleningstraject ondersteund te worden door een buddy.

Artikel 36.

Klachtenregeling

Het college ziet er op toe dat jeugdhulpaanbieders over een klachtenregeling beschikken die voldoet aan de eisen van paragraaf 4.2.a van de wet en artikel 12 van het Internationale Verdrag van de Rechten van het Kind.

In paragraaf 4.2.a van de wet zijn specifieke regels gegeven over het klachtrecht voor jeugdhulpaanbieders. De specifieke klachtregeling van de Jeugdwet gaat voor op die van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 4.2.1 van de wet verplicht de jeugdhulpaanbieder tot het treffen van een regeling via een klachtencommissie met een onafhankelijke voorzitter. Die commissie hoort de klager en de beklaagde en geeft daarna een oordeel over de klacht. Vervolgens moet de jeugdhulpaanbieder binnen een maand na het advies van de klachtencommissie haar beslissing meedelen aan de klager en de commissie. Daarbij zal de jeugdhulpaanbieder ook moeten meedelen of zij maatregelen neemt en, zo ja, welke dat zijn. In artikel 4.2.2. Jeugdwet is vervolgens geregeld dat de klachtencommissie, in het geval van een ernstige situatie met een structureel karakter, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd daarvan in kennis stelt. Die zal vervolgens een onderzoek starten naar de gerapporteerde ernstige situatie. Vanwege het belang van een klachtenregeling is in dit artikel opgenomen dat het college er op toeziet dat jeugdhulpaanbieders over een klachtenregeling beschikken.

Artikel 37.

Inspraak en medezeggenschap

In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot

1. Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

2. Het college stelt cliënten en/of vertegenwoordigers van cliëntengroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen van het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in paragraaf 4.2.b van de wet. Regeling van de inspraak en medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10 van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10 worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntenervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat voor het jeugdhulpbeleid eenzelfde inspraakprocedure geldt als voor andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Op grond van het tweede lid moet het college vroegtijdig cliënten en/of vertegenwoordigers van cliëntengroepen in de gelegenheid stellen advies uit te brengen over beleidsvoorstellen en besluitvorming over verordeningen.

HOOFDSTUK 17 SLOTBEPALINGEN Artikel 38.

Nadere regels

Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan het college nadere regels vaststellen.

Artikel 39.

Evaluatie

1. Deze verordening, als mede de nadere regels die op grond van artikel 38 zijn vastgesteld, worden jaarlijks jaar geëvalueerd.

Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan het college nadere regels vaststellen. Nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften ter uitwerking van onderdelen van – in dit geval – de verordening. Zaken die in de verordening op hoofdlijnen zijn benoemd, kunnen worden uitgewerkt in de Nadere regels. Met deze bepaling geeft de gemeenteraad het college de bevoegdheid nadere regels vast te stellen voor de uitvoering van deze verordening. Dit artikel regelt dat het college de verordening en de eventueel door het college vastgestelde nadere regels, jaarlijks evalueert en aan de gemeenteraad rapporteert over het gevoerde beleid waarbij de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk worden meegenomen.

2. Het college rapporteert jaarlijks aan de gemeenteraad het gevoerde beleid waarbij ook de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk worden meegenomen. Artikel 40.

Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen tegen gunste van de jeugdige of zijn ouders afwijken van de verordening, als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om in bijzondere gevallen die niet zijn voorzien, af te wijken van de bepalingen in de verordening indien toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken jeugdige of zijn ouders. Het moet gaan om bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Het college moet in

verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken. Artikel 41. verordening

Inwerkingtreding en intrekking oude

In dit artikel is opgenomen wanneer de verordening in werking treedt en tegelijkertijd de oude verordening wordt ingetrokken.

Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking onder gelijktijdige intrekking van de Verordening Jeugdhulp Schiedam 2023. Artikel 42.

Overgangsbepalingen

1. Een jeugdige of ouder houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening Jeugdhulp Schiedam 2023 voor de duur van de beschikking. 2. Aanvragen voor een individuele voorziening in natura of een pgb of een vervoersvoorziening die voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening zijn ontvangen en waarop nog geen beslissing is genomen, worden afgehandeld op grond van de Verordening Jeugdhulp Schiedam 2023.

Dit artikel bevat overgangsrecht en regelt welke verordening van toepassing is op het moment dat de nieuwe verordening in werking treedt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15616037/1