CConstaterende datSchiedam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost

Gemeenteraad 10 december 2024, gemeente SchiedamBij agendapunt: Raadsbesluit vaststelling bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost39.638 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Voor het bedrijf De Kuyper is in de verleende vergunning geen geurcontour vastgelegd, omdat de aanvrager ook heeft aangegeven geen geurhinder te veroorzaken. In dit geval valt men voor geur terug op het zorgvuldigheidsbeginsel onder het Activiteitenbesluit wat volgens de zorgplichtbepaling stelt dat van elk bedrijf verwacht wordt dat het permanent werkt aan het (verder) minimaliseren van de emissies. Bij het bepalen of het bedrijf incidenteel geuroverlast kan veroorzaken is verder meegenomen of er in het verleden klachten zijn geweest over een bedrijf, of er zich in het verleden ongewone voorvallen hebben voorgedaan waardoor voorschriften tijdelijk zijn overtreden. Tot slot is bij de beoordeling meegenomen dat bij de andere distilleerderijen ook geen sprake is van geurhinder, waarbij de woningen ook direct grenzen aan een distilleerderij. Schiedam conformeert zich bij de beoordeling van een vergunning aan het landelijk- en provinciaal beleid om het bestaande geurhinderniveau te reduceren en nieuwe geurhinder te voorkomen. Als ter plaatse aan de streefkwaliteit wordt voldaan, is de geurbelasting beperkt en zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk. Het rijksgeurbeleid moet worden toegepast bij zowel milieuregelgeving als in de ruimtelijke ordening.

De activiteiten van De Kuyper moet zoals gezegd voldoen aan de voorschriften van het Activiteitenbesluit en de bijbehorende regeling. De geurvoorschriften staan in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit. Deze regeling staat nu in de Bruidsschat. Het algemene uitgangspunt is het voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder. Uit een indicatieve beoordeling van de DCMR blijkt dat de geurbelasting relatief laag is. Voor een

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost (vastgesteld) 65

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost

nadere toelichting op de diverse geur-gerelateerde aspecten wordt verwezen naar het onderzoek dat als bijlage bij deze toelichting is gevoegd.

tabel 1 Geurdrempel 15,6 mg/m³ (LOA) Op grond van het provinciale geurhinderbeleid ligt de hindergrens bij 0,5 ouE/m3 en de ernstige hindergrens bij 5,0 ouE/m3. Het aanvaardbaar hinderniveau ligt in het gebied tussen de ernstige hindergrens en de streefwaarde (geen hinder). De cumulatieve geurbelasting ter hoogte van het plangebied ligt weliswaar op één punt boven de hindergrens van 0,5 ouE/m3, maar ook ruim onder de ernstige hindergrens van 5,0 ouE/m3. Uit tabel 1 blijkt dat de geurbelasting voor een persoon met een gemiddeld reukvermogen ter plaatse van de nieuwe geprojecteerde woningen onder de geurdrempel ligt. Er zal voor de meeste mensen geen geur waarneembaar zijn bij de woningen. Uitgangspunt bij deze berekening is ook dat De Kuyper de arbo- en milieueisen naleeft voor wat betreft de concentratie alcohol in de leefomgeving. Naast de 4.2 categorie is in het bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse milieucategorie 3.2 toegestaan met een toetsafstand van 100 meter voor geur. De geprojecteerde woningen staan binnen deze toetsafstand. De kortste afstand van nieuwe woningen tot de bedrijfspercelen waar milieucategorie 3.2 is toegestaan op Nieuw-Mathenesse bedraagt 60 meter. Op grond van de VNG-brochure kan de richtafstand van 100 meter voor een "gemengd gebied" met een stap teruggebracht worden naar een afstand van 50 meter.

Binnen deze afstand van het bedrijf De Kuyper of Onder de Boompjes zijn geen nieuwe woningen geprojecteerd. Ook binnen de 50 meter van het bedrijf is buiten de erfgrens overigens feitelijk geen geur waarneembaar. De nieuwe ontwikkeling in Glasbuurt-Oost betreffen een gemengd woon-werkgebied, waarbij ook uitgangspunt is dat wonen en werken door elkaar plaatsvinden. Dit beoogde stedelijk interactiemilieu is niet vergelijkbaar met een rustige, puur op wonen gerichte wijk. Voor de aspecten stof en gevaar geldt een te hanteren richtafstand van 30 meter. Voor wat betreft geur zijn het distillatie- en blendproces potentiële geurbronnen. Beide processen vinden inpandig plaats in gesloten systemen. Op grond van de milieuvergunningen voor beide bedrijven is vastgelegd dat er geen geurhinder buiten de inrichting optreedt. Gelet hierop is enige invloed van de bedrijven op de omgeving voor wat betreft geur niet aannemelijk. In paragraaf 5.4 is het aspect geluid nader beschouwd. Uit eerder onderzoek is gebleken dat de inrichting van De Kuyper voor wat betreft gevaar ook belemmering vormt voor het plan dat met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt. Voor de locatie van Onder de Boompjes op de locatie Nieuwsticht 17 is als onderdeel van de vergunningaanvraag wel een risicocontour bepaald in de kwantitatieve risicoanalyse (QRA).

Vanwege een alcoholvulpunt bij dit bedrijf valt de 1% letaliteitscontour voor een klein deel over het plangebied (straal van 115 meter rondom het vulpunt). Binnen deze contour mogen geen zeer kwetsbare objecten worden opgericht. Het voorliggende bestemmingsplan ziet niet op dergelijke functies, omdat deze door opname van een aanduiding op de verbeelding binnen die afstand specifiek zijn uitgesloten van vestiging. Geconcludeerd kan worden dat de milieuaspecten van De Kuyper en Onder de Boompjes geen belemmeringen vormen voor de herontwikkeling die met het onderhavige bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Evenmin is sprake van gevolgen voor de bedrijfsvoering van de bedrijven, als uitvloeisel van de vaststelling van het voorliggend bestemmingsplan. 66 teld)

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost (vastges

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost

Gustoweg Rotterdam (BSR Van Uden Stevedoring) Aan de Gustoweg in Rotterdam is in het gebied Merwe-Vierhavens het bedrijf BSR Van Uden Stevedoring gevestigd. Dit bedrijf richt zich op de op- en overslag van containers, bulkgoederen, afvalstoffen en stukgoederen zoals staalproducten. Daarbij vindt de overlslag plaats van en naar zeeschepen, binnenvaartschepen en vrachtwagens. Producten die op- en overgeslagen worden zijn onder andere agribulk, kunstmest, biomassa, ijzererts, schroot, verontreinigde grond, afvalwater, vliegas, kolen, mineralen en diverse stukgoederen, waaronder heavy-lift en projectlading, staal, bosbouwproducten en non-ferro metalen. Bij de op- en overslag wordt gebruik gemaakt van big bags, coils, silo's, bunkers, pallets en containers. De activiteiten zorgen voor geluid, stofemissie, fijnstof- en stikstofoxiden als gevolg van de bedrijfsactiviteiten. Het bedrijf ligt op een gezoneerd industrieterrein. Een bedrijf op een gezoneerd bedrijfsterrein heeft voor nu en de toekomst de zekerheid dat alle bedrijven tezamen een bepaalde hoeveelheid geluid mogen veroorzaken. Overigens is de toekomst van BSR Van Uden op het bedrijventerrein Merwe-Vierhavens in tijd beperkt, omdat de erfpacht per 31 juli 2032 niet wordt verlengd door het Havenbedrijf Rotterdam.

Vermoedelijk zal het bedrijf eerder de bedrijfsactiviteiten moeten staken, omdat het terrein schoon en gesaneerd terug geleverd moet worden aan de erfpachter. Het bedrijf heeft een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu uit 2019. Op 22 april 2023 heeft het bedrijf een aanvraag voor de wijziging van de milieuvergunning aangevraagd . Het gaat om een verandering van de verdeling van ligplaatsen en het toevoegen als activiteit van de op- en overslag van containers. De ligplaatsen worden in de aanvraag geconcentreerd bij het noordelijk deel van de kade. Dit is noodzakelijk vanwege de beperkingen die het Havenbedrijf heeft opgelegd bij het zuidelijk deel van de kade. De omgevingsvergunning is nog niet onherroepelijk omdat hiertegen beroep is ingesteld. Volledigheidshalve is voor een nadere beschouwing de milieusituatie echter getoetst aan de recente nieuwe omgevingsvergunning voor de activiteit milieu, zoals die in augustus 2024 is verleend.In relatie tot de richtafstanden die volgen uit de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering, is een nadere beschouwing van de impact van het bedrijf op de omgeving gemaakt. De VNG-brochure geeft op hoofdlijnen een opzet van de richtafstanden die tussen bepaalde typen bedrijvigheid en bepaalde gevoelige functies, waaronder wonen, kunnen worden aangehouden.

De brochure geeft ook een stappenplan waarmee gemotiveerd kan worden afgeweken van de richtafstanden. De richtafstanden gelden nadrukkelijk dan ook niet als minimaal aan te houden afstanden tussen verschillende functies. Het stappenplan zoals die in paragraaf 4.2 van de VNG-brochure is opgenomen is ook in het voorliggende geval gevolgd. Ter uitwerking van de vierde stap is de milieubelasting van het bedrijf bepaald op basis van de vergunning en het Activiteitenbesluit en kan worden geconcludeerd dat de afwijking van de richtafstand gerechtvaardigd is. Voor het bepalen van de relevante richtafstanden is het allereerst van belang op te merken dat het voorliggende plangebied bestaat uit een gemengd gebied. De functies wonen, bedrijvigheid, horeca en diverse vormen van (maatschappelijke) voorzieningen worden gemengd door elkaar gerealiseerd. Als uitgangspunt voor de relevante richtafstand is in dit geval dus 500 meter aan de orde. De eerste constatering die daar op volgt, is dat slechts een deel van het plangebied van het bestemmingsplan binnen deze richtafstand ligt. De inrichtingsgrens van Van Uden ligt op de kortste afstand op circa 130 meter afstand van het plangebied. Wanneer wordt gekeken naar de functie wonen, dan bedraagt de afstand tussen de aangeduide woonfuncties binnen het plangebied tot aan de grens van de inrichting circa 150 meter.

Opgemerkt wordt dat binnen de richtafstand van 500 meter in de huidige bestaande situatie reeds grote aantallen woningen aanwezig zijn. De kortste afstand van reeds bestaande woningen tot de

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost (vastgesteld) 67

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost

inrichting bedraagt circa 175-180 meter (Van Deventerstraat 4). Naast deze losse woning bevindt zich binnen een afstand van 200 meter tot de inrichting onder andere de Schiedamse Grensflat, met enkele tientallen woningen. In de bestaande wijken Schiedam-Oost, Schiedam-Zuid, Schiedam-Binnenstad en Rotterdam - Oud-Mathenesse, bevinden zich daarnaast vele honderden woningen binnen de richtafstand van 500 meter tot de inrichtingsgrens. Wat hier ook van zij, het voorliggende bestemmingsplan maakt in ieder geval geen woningbouw substantieel dichter op de inrichting van BSR Van Uden mogelijk, dan dat ook nu reeds in significante aantallen op basis van bestaande legale situaties het geval is. Dat momenteel reeds op circa 180 meter van de inrichting woningen aanwezig zijn, wil niet zeggen dat per definitie deze afstand als een aanvaardbare afstand kan worden aangehouden, en dat de richtafstand hiermee kan worden teruggebracht naar deze afstand. Wel heeft dit aspect uiteraard meegespeeld in de afwegingen die bij de vaststelling zijn gemaakt. De VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering is een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming voor de aspecten gevaar, stof, geluid en geur. In de VNG-publicatie staan voor deze milieuaspecten richtafstanden aangegeven per bedrijfscategorie.

De generieke VNG-richtafstanden voor bedrijfsactiviteiten van BSR Van Uden gaat uit van een richtafstand van 500 meter voor zowel geluid als stof (in een gemengd gebied) ten opzichte van woningen vanwege de milieucategorie van 5.3. Onder bepaalde omstandigheden kan gemotiveerd worden afgeweken van de indicatieve VNG-richtafstanden op basis van nader onderzoek en/of locatie specifieke kenmerken. Omdat voor de afstand voor geluid en stof aanzienlijk wordt afgeweken van de richtafstanden uit de VNG-brochure kan voor deze aspecten het stappenplan uit bijlage 5.3 uit de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering worden doorlopen. Hiermee wordt zoveel mogelijk hinder en gevaar voor omwonenden voorkomen en hebben bedrijven voldoende zekerheid dat zij hun activiteiten kunnen (blijven) uitoefenen en is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Voor de activiteiten van BSR Van Uden zijn de richtafstanden voor de aspecten 'geluid' en 'stof' relevant. De overige milieuaspecten 'gevaar' en 'geur' zijn voor de beoordeling niet relevant en worden verder niet inhoudelijk beoordeeld. In het bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar de geluidbelasting van BSR Van Uden. Het geluidsaspect is o.a. meegenomen in de Milieueffectrapportage en vervolgens in het geluidsrapport van Peutz behorende bij dit bestemmingsplan. In paragraaf 5.4 is het aspect geluid reeds toegelicht en gemotiveerd.

Voor het aspect stof is een nader onderzoek verricht naar de emissie en depositie van stof als gevolg van de bedrijfsvoering van BSR Van Uden. Dit onderzoek is als Bijlage 11 bij de toelichting gevoegd, vanwege de technische aard van het onderzoek wordt volledigheidshalve naar deze bijlage verwezen. In het stofdepositieonderzoek is rekening gehouden met de vergunde situatie ten aanzien van de bedrijfsvoering van BSR Van Uden, waarbij een belangrijk aspect is dat in de vigerende milieuvergunning diverse maatregelen zijn opgenomen die er toe moeten leiden dat een onaanvaardbare hinder door stofemissie op de omgeving wordt voorkomen. Voor de relevante voorschriften uit de in basis relevante milieuvergunning wordt verwezen naar deze vergunning zelf (6 maart 2019, 999965641_9999570588 OMV.17.11.00308). De milieuvergunning bevat meerdere bepalingen die waarborgen dat stofemissie vanuit het bedrijf naar de omgeving niet mag plaatsvinden, althans zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Voorschrift 9.1.1 bepaalt dat bij handelingen met niet-inerte goederen zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat stofverspreiding optreedt. Voorschrift 9.1.2 schrijft daartoe diverse maatregelen voor. Voorschrift 9.1.3 bepaalt uitdrukkelijk dat handelingen met stoffen die leiden tot visueel waarneembare stofverspreiding niet mogen worden uitgevoerd. Voorschrift 9.1.4 stelt dat de

68 teld)

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost (vastges

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost

buitenopslag niet tot emissie buiten het terrein van de inrichting mag leiden. Verder geldt als eis dat de storthoogte bij het overslaan van stuifgevoelige stoffen maximaal één meter is, ter voorkoming van stofemissies. Ook gelden er beperkingen voor activiteiten met stuifgevoelige stoffen in geval van bepaalde windomstandigheden (voorschrift 9.1.7-9.1.9), moeten stuifgevoelige stoffen in stuifklasse S1 of S3 in gesloten ruimtes worden opgeslagen en moet gebruik worden gemaakt van (gesloten) transportbanden. Daarnaast gelden ingevolge de milieuvergunning de voorschriften voor de op- en overslag van zogenaamde inerte goederen uit het Activiteitenbesluit. Daarin zijn eveneens voorschriften opgenomen die waarborgen dat geen onaanvaardbare stofemissie kan optreden. Zo geldt dat op grond van artikel 3.32, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit zoveel mogelijk wordt voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan 2 meter van de bron met het blote oog waarneembaar is. In artikel 3.37 van het Activiteitenbesluit worden beperkingen aan activiteiten met stuifgevoelige goederen gesteld afhankelijk van de windsnelheid. Artikel 3.38 van het Activiteitenbesluit bepaalt dat opslaan en mengen van goederen behorend tot stuifklassen S1 of S3 van bijlage 3 plaatsvindt in gesloten ruimtes. Het tweede lid stelt grenzen aan de emissieconcentraties.

Reeds op grond van deze voorschriften die BSR Van Uden in acht dient te nemen, kan worden uitgesloten dat onaanvaardbare emissiehinder optreedt buiten het bedrijf. Onaanvaardbare emissiehinder voorbij de plangrens van het voorliggend bestemmingsplan, op meer dan 130 meter afstand van de inrichting, is des te meer uitgesloten. Het bovenstaand benoemde wordt door het nader onderzoek bevestigd. Dit onderzoek gaat uit van een theoretische mogelijkheid van stofverspreiding in de situatie dat appellant in strijd met de geldende voorschriften niet iedere stofemissie voorkomt. Uit het onderzoek blijkt dat het theoretisch depositiemodel een situatie laat zien waarbij wel sprake kan zijn van waarneembare stofdepositie buiten de inrichtingsgrens, zij het dat deze hinder aanvaardbaar wordt geacht. Voor de duidelijkheid: de berekende verspreiding berust op een theoretisch model dat het effect van de maatregelen die BSR Van Uden op grond van haar vergunning moet nemen ter voorkoming van stofemissie, onderschat. Deze situatie komt dan ook niet overeen met de in de praktijk werkelijke ervaren stofhinder. Uit registraties bij de DCMR, blijkt dat de afgelopen jaren slechts enkele malen per jaar melding is gedaan van stofhinder.

Onduidelijk is of en in hoeverre het hier gaat om stof afkomstig van de bedrijfsvoering van appellant en zo ja, of appellant zich daarbij aan de toepasselijke voorschriften heeft gehouden. Feit is wel, dat geen sprake is van een substantieel klachtenpatroon met betrekking tot stofdepositie in het gebied rondom het bedrijf van appellant. Aantal Jaar meldingen 2024 1 2023 6 2022 4 2021 2 2020 3 Tabel 2 Aantal meldingen op jaarbasis van stofhinder in Schiedam In de geldende vergunning is het BSR Van Uden toegestaan om jaarlijks 3,5 miljoen ton product door te zetten. Hiervan wordt 20.000 ton per gesloten transportband verplaatst en is 10.000 ton van de verplaatste goederen stukgoed. In het onderzoek is geen onderscheidt gemaakt tussen rechtstreekse overslag (boord naar boord) en overslag in twee stappen (boord naar wal naar boord/vrachtwagen). Daarom is in het onderzoek behorende bij de omgevingsvergunning gerekend met een doorzet van 4,03 miljoen ton verstuifbaar materiaal per jaar.

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost (vastgesteld) 69

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost

In het onderzoek is gerekend met de TNO 1987 methode stofemissies stuifgevoelige bulkgoederen en de NTA8029 methode stofemissies stuifgevoelige bulkgoederen. Ten opzichte van de TNO-methode is de methode van NTA 8029 anders opgezet. In het onderzoek zijn de verschillen tussen beide methodes nader toegelicht. De TNO methode wordt door de raad aangenomen als meest gangbaar model. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat uit het onderzoek blijkt dat de emissiecontouren bij toepassing van de NTA methode minder ver uitstrekken over de omgeving dan uit de berekeningen volgens de TNO methode. In het onderzoek is gekozen om te berekenen wat de verwachte stofdepositie over een jaar is met behulp van het OPS-verspreidingsmodel. De jaargemiddelde stofdepositie die is uitgedrukt als het voorkomen van zichtbaar stof in de omgeving op tijdsbasis (bijvoorbeeld wekelijks zichtbaar stof). Op basis van het TNO 1987 model is het volgende effect door stofdepositie in de richting van het plangebied Nieuw-Mathenesse Noord berekend: - Tot ongeveer maximaal 175 meter is er dagelijks tot wekelijks zichtbaar stof in de directe omgeving van BSR van Uden (de oranje lijn op afbeelding 18); - Tot een afstand van ongeveer maximaal 500 meter van het bedrijf is wekelijks tot maandelijks stof zichtbaar (de gele lijn op afbeelding 18).

Afbeelding 18 Stofdepositie rondom BSR Van Uden contourenkaart op basis van TNO 1987 De precieze berekening van de verspreiding is weergegeven door middel van contouren rondom de bronnen die binnen de inrichtingsgrens van appellant zorgen voor stofemissie. Daarbij wordt opgemerkt dat de afstanden zijn berekend vanaf de bronnen, en dat de hierboven genoemde afstanden dus niet afstanden zijn die gemeten zijn vanaf de inrichtingsgrens. Binnen de contouren is er verschil tussen de frequentie waarmee stof zichtbaar is. Hoe verder een 70 teld)

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost (vastges

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost

locatie binnen een contour van het bedrijf van appellant is gelegen, des te lager is de kans op zichtbaar stof. Afbeelding 19 geeft weer dat de contour met dagelijks tot wekelijks zichtbare stofdepositie (de oranje lijn) niet over Nieuw-Mathenesse Noord valt. De contour met wekelijks tot maandelijkse zichtbare stofdepositie ligt over Glasbuurt- Oost en voor een klein gedeelte over Glasbuurt-West (de gele lijn). Opgemerkt moet worden dat de ontvangsthoogte maaiveldhoogte is. Naar alle waarschijnlijkheid is de overlast op balkons op hoogbouw minder dan nu is weergegeven in het onderzoek. Dit omdat de depositie van stof op grotere hoogte minder is dan op maaiveldhoogte, omdat stof in de lucht naar mate de afgelegde afstand groter is zich op steeds lagere hoogte bevindt.

Afbeelding 19 Stofdepositie contourenkaart ingezoomd op Nieuw-Mathenesse Noord Er gelden geen harde grenswaarden voor zichtbaar stof. Bij het voldoen aan de voorschriften uit de omgevingsvergunning en het Activiteitenbesluit, hetgeen feitelijk een verplichting is voor BSR Van Uden, kan zichtbaar (totaal) stof buiten de inrichting en buiten de 130 meter vanaf de stofverspreidende bronnen binnen de inrichting, niet worden verwacht. Ondanks alle maatregelen blijft een zekere mate van stofverspreiding in de directe omgeving van de inrichting mogelijk. De feitelijk stofuitstoot is afhankelijk van de hoeveelheid doorzet, de productmix en de kwaliteit van werken binnen het bedrijf. Dat zijn veel uiteenlopende variabelen. Op basis van het OPS-verspreidingsmodel is vanwege de uiteenlopende producten een worst case benadering uitgewerkt. Uitgaande van de berekende stofdepositie op basis van de TNO 1987-methode ligt een groot deel van Schiedam Oost, Schiedam Zuid en een deel van de Plantage binnen de contour: wekelijks tot maandelijks stof zichtbaar. De dichtstbijzijnde bestaande woningen liggen op circa 175 meter van het bedrijf, en op circa 350 meter afstand van de stofemitterende bronnen binnen het bedrijf.

Het voorliggend bestemmingsplan maakt op circa 150 meter afstand van de inrichtingsgrens van appellant woningbouw op mogelijk, op circa 300 meter afstand van de stofemitterende bronnen binnen het bedrijf. Ten aanzien van de aanvaardbaarheid van nieuwe woningbouw in relatie tot de bedrijfsvoering van BSR Van Uden heeft een nadere afweging plaatsgevonden in relatie tot de verwachte stofhinder. Daarbij is allereerst nogmaals van belang te duiden dat het plangebied binnen de contour ligt waarbij in een worst case scenario wekelijks tot maandelijks stofhinder is te verwachten. Enige vorm van stofhinder is in de dichtbebouwde stedelijke omgeving van de Zuidelijke Randstad inherent aan de omgeving en niet te voorkomen. Dit wordt dan ook zondermeer door de raad als aanvaardbaar geacht. Een worst case situatie waarin toekomstige bewoners wekelijks tot maandelijks stofhinder kunnen verwachten is suboptimaal, maar wordt wel aanvaardbaar geacht. Vooropgesteld is het belangrijk om te noemen dat zichtbaar stof hinderlijk is, maar geen gezondheidseffecten heeft, zoals fijnstof. Dit maakt dat enige hinder, nu geen sprake is van gezondheidsrisico's, als aanvaardbaar wordt bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost (vastgesteld) 71

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost

gezien. Een relevante omstandigheid is ook de tijdelijkheid van de eventuele stofhinder: uiterlijk 31 juli 2032 dient BSR Van Uden haar activiteiten te hebben gestaakt en haar bedrijfspercelen gesaneerd en leeg te hebben opgeleverd. Dit betekent dat voor die datum de eventuele stofhinder als gevolg van de bedrijfsvoering zal verdwijnen. De eerste start bouw binnen het plangebied van het voorliggend bestemmingsplan is vooralsnog beoogd voor 2026. Beoogd wordt deze woningen in 2027 of 2028 op te leveren, afhankelijk van de nader uit te werken detailplanningen van de nog te selecteren ontwikkelaar. Nadien zal het plangebied gefaseerd worden bebouwd, waarbij denkbaar is dat het merendeel van de woningen in het plangebied mogelijk in 2029 of 2030 wordt opgeleverd. De periode met eventueel te verwachten stofhinder is dus beperkt. Verder zullen toekomstige bewoners in het plangebied volledigheidshalve op de hoogte worden gesteld van de mogelijk te verwachten stofhinder. Zo kunnen zij zelf de keuze maken of dit voor hen aanvaardbaar is of niet. Daarbij zal voor veel toekomstige (vroege) bewoners ook meespelen dat zij nog enkele jaren in een gebied in transformatie zullen wonen. Naar huidig inzicht zal rond 2030 een groot deel van Nieuw-Mathenesse herontwikkeld zijn, en zal pas nadien het eindbeeld van de beoogde Glasbuurt duidelijker zichtbaar zijn.

Rond die tijd zal BSR Van Uden reeds substantieel haar bedrijfsvoering moeten gaan afbouwen, wil zij uiterlijk 31 juli 2032 haar terreinen leeg en gesaneerd kunnen opleveren. Tot slot speelt hier ook het belang van de woningbouwopgave. De gemeente Schiedam heeft immers afspraken gemaakt op Rijks-, provinciaal en regionaal niveau over het aantal en de locatie van binnenstedelijk te realiseren woningen tot 2030. Op grond van diverse Rijkssubsidies voor versnelling van de woningbouw, zijn er ook voorwaarden gesteld door het Rijk over de termijn waarbinnen met die woningbouw moet worden gestart. Het gedurende enige tijd aanvaarden van een mogelijke beperkte vorm van stofhinder is passend bij die bouwopgave, uitstel van alle woningbouwontwikkelingen in de ruime omgeving van BSR Van Uden tot zij haar bedrijfsvoering heeft gestaakt, is geen optie. Hoewel er in de tijdelijke situatie sprake in een worst case situatie sprake kan zijn van stofhinder in het toekomstige woongebied, wordt dit op basis van bovenstaande afweging aanvaardbaar geacht. Dit onderschrijft de bestemmingslegging zoals die met dit bestemmingsplan is vastgesteld. Van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat zal dan ook geen sprake zijn. Evenmin is sprake van een belemmering van de bedrijfsvoering van BSR Van Uden.

Concluderend Nu zowel de maatgevende aspecten stof als geluid zijn beschouwd, wordt concluderend gesteld dat gemotiveerd kan worden afgeweken van de richtafstanden uit de VNG-brochure. Beschrijving relevante aspecten binnen het plangebied Binnen het bestemmingsplan worden naast woningen ook bedrijven en commerciële functies toegestaan. Beoogd wordt een gemengd woon-werkgebied te realiseren. Binnen het plangebied is dus sprake van functiemenging. De systematiek voor het bepalen van welke typologie aan bedrijvigheid is toegestaan wordt nader geduid in bijlage 2 bij de regels. In algemene zin gaat het qua bedrijvigheid om activiteiten die goed inpasbaar zijn in gemengde woon-werkgebieden, waar het mengen van functies bijdraagt aan het creëren van een levendig stedelijk interactiemilieu.

72 teld)

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost (vastges

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost

5.7.3 Conclusie Gelet op het bovenstaande wordt geconcludeerd dat geen sprake is van beperkingen voor de planrealisatie als gevolg van bedrijvigheid in de omgeving. Evenmin is de beoogde ontwikkeling beperkend voor bestaande bedrijvigheid rondom het plangebied. Indien nodig of wenselijk is de bestemmingslegging voor de bedrijven in het plangebied nader geduid in de regels, zodat duidelijk is welke situatie wordt beoogd en er geen sprake is van een onevenredige impact op de omgeving. Ook is hiermee het goede woon- en leefklimaat binnen het plangebied zelf geborgd. Daarbij wordt benadrukt dat sprake is van een gemengd woon-werkgebied, waar de functies wonen en werken naast en door elkaar worden beoogd. De regels zijn hierop afgestemd. Indien en voorzover noodzakelijk is verder aanvullend gemotiveerd waarom wordt afgeweken van eventuele van toepassing zijnde richtafstanden op grond van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering.

5.8 Luchtkwaliteit 5.8.1 Algemeen De Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit zijn geïmplementeerd in de Wet luchtkwaliteit (hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer). De wet bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. Voor NO2 en PM1 0 geldt een grenswaarde van maximaal 40 µg/m² als jaargemiddelde concentratie. Voor PM2 , 5 geldt een maximale grenswaarde van 25,0 µg/m². Centraal staat een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Deze programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen, zodat de luchtkwaliteit verbetert en gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening door kunnen gaan. In de NSL zijn de meeste projecten opgenomen die "in betekende mate" (ibm) bijdragen. Het NSL is er op gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daartoe is een pakket aan maatregelen opgenomen in het NSL, zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies.

Dit pakket aan maatregelen zorgt er voor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in AMvB's en ministeriële regelingen. Op grond van artikel 5.16 van de Wet luchtkwaliteit kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals de vaststelling van een bestemmingsplan, uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert; de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht; het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het NSL of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden. In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.

Indien een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 , PM1 0 (= 1,2 bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost (vastgesteld) 73

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost

µg/m³) en PM2 , 5 (= 0,75 µg/m³) of een project valt in een categorie welke is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden, een project doorgang kan vinden zonder nadere toetsing aan de grenswaarden. De reden hiervoor is dat in het NSL voldoende maatregelen zijn genomen om de bijdrage van deze projecten aan verslechtering van de luchtkwaliteit te compenseren. De definitie van 'niet in betekenende mate' is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM1 0. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m³ (µg/m³). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m² brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m² brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. Actieplan Lucht & Geluid In 2019 heeft de gemeente het Actieplan Lucht & Geluid vastgesteld. Met de maatregelen in dit actieplan wordt mede een bijdrage geleverd aan het realiseren van de ambities van het college: Schiedam als een gezonde, aantrekkelijke, leefbare, groene en bereikbare stad, waar het prettig wonen, werken, ondernemen en recreëren is.

Duurzaamheid is daarin het fundament voor alle acties in de komende periode, en vormt samen met stedelijke ontwikkeling, mobiliteit en gezondheid de rode draad door dit actieplan. Schiedam voldoet momenteel overal aan de Europese, en dus ook Nederlandse, normen voor fijnstof (PM1 0 en PM2 , 5) en stikstofdioxide (NO2 ). Daarentegen is er sprake van een overschrijding van de WHO-advieswaarde voor roet (EC, de belangrijkste gezondheids-indicator). Met het oog op de lagere grenswaarden die door vele instanties wordt aanbevolen voor een gezonde leefomgeving (WHO, GGD, Gezondheidsraad) kiest Schiedam voor de volgende doelstelling, aangevuld met een onderzoek naar hoe Schiedam in 2030 aan de WHO-normen kan gaan voldoen: "Schiedam kiest voor gezonde lucht voor iedere Schiedammer. Binnen vijf jaar (2022) is het doel daarom om de in het actieplan genoemde (jaargemiddelde) waardes te halen."

5.8.2 Relatie tot ontwikkeling Het plan voorziet in de realisatie van maximaal 580 woningen en is daarmee dusdanig beperkt in omvang dat geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m³ voor stikstofdioxide NO2 , 40 µg/m³ voor fijnstof PM1 0 en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2 , 5. Wanneer de maximale bijdrage van het extra verkeer hierbij wordt opgeteld, zullen de concentraties van zowel fijnstof als stikstofdioxide ruim onder de grenswaarden blijven. Door Peutz is een notitie opgesteld waarin de situatie ten aanzien van luchtkwaliteit nader wordt beschouwd (d.d. 25 oktober 2024, kenmerk HH/SvN/DvdH/O 16935-6-NO). De notitie is als Bijlage 5 bij de toelichting gevoegd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de heersende generieke achtergrondconcentraties van NO2 ,PM1 0 en PM2 , 5 inzichtelijk gemaakt.

Ter hoogte van het plangebied is in 2022 (conform de CIMLK1) maximaal sprake van een concentratie van 23,8 ìg/m3 voor NO2 , 18,0 ìg/m3 voor PM1 0 en 9,5 ìg/m3 voor PM2 , 5. In 2030 wordt conform de CIMLK een concentratie van 18,5 ìg/m3 voor NO2 , 15,3 ìg/m3 voor PM1 0 en 7,9 ìg/m3 voor 74 teld)

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost (vastges

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost

PM2 , 5 geprognosticeerd. Ter plaatse van het plangebied wordt aldus ruimschoots aan de geldende grenswaarden conform de Wet milieubeheer voldaan. De conclusie van het onderzoek is dan ook dat de voorgenomen ontwikkeling inderdaad niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Daarbij wordt opgemerkt dat sprake is van een worst case benadering in het onderzoek.

5.8.3 Conclusie Gelet op bovenstaande toelichting wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige plan.

5.9 Bodem 5.9.1 Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient een bodemanalyse te worden verricht met het oog op de beoordeling van de realiseerbaarheid van bepaalde bestemmingen of bestemmingswijziging. De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wet bodembescherming, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie zijn diverse (verkennende) bodemonderzoeken uitgevoerd. Deze zijn als bijlagen bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd. In deze paragraaf wordt kort samengevat ingegaan op de conclusies en aanbevelingen uit deze onderzoeken. Ook wordt ingegaan op de specifieke maatregelen die naar aanleiding van de onderzoeken zijn of worden genomen en hoe deze, in voorkomende gevallen, doorwerking hebben gekregen in de planregels van dit bestemmingsplan.

5.9.2 Relatie tot de ontwikkeling Op de gemeentelijke Bodemkwaliteitskaart (2019) valt het plangebied binnen Nieuw-Mathenesse (nr. 15). Op deze kaart is aangegeven dat de verwachting bestaat dat de algemene bodemkwaliteit van de bovengrond Industrie (zware metalen en minerale olie) en van de ondergrond Wonen (idem) zal zijn. Voor lood is dit gezien de beoogde bestemmingswijziging naar onder andere de functie wonen een aandachtsgebied. Het gebied Nieuw Mathenesse heeft qua lood een niet toereikende bodemkwaliteit (560 tot 800 mg/kg), een overschrijding van de Wbb-risicogrenswaarden bij alle vormen van risicovol bodemgebruik zoals Wonen met tuin. Historische onderzoeken Om de situatie nader te duiden is recent een aantal bodemonderzoeken uitgevoerd. Voor het noordelijk deel van het plangebied is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd door Arnicon (d.d. 4 augustus 2022, kenmerk C22-218-H). Het onderzoek ziet op het gebied tussen de Nieuw-Mathenesserstraat, de Couwenhovenstraat en de Van Cleeffstraat. Uit de rapporten van voorgaande onderzoeken en saneringsevaluaties blijkt dat er op drie plaatsen binnen het gebied een aanzienlijke verontreiniging met minerale olie en aromaten is aangetroffen. Twee hiervan zijn reeds (deels) gesaneerd. Onder de vloer van de bedrijfsloods van een van de saneringslocaties is een sterke restverontreiniging achtergebleven.

Uit grondwatermonitoring is wel gebleken dat deze verontreiniging zich niet meer mobiel gedraagt. Behalve deze genoemde verontreinigingen zijn er binnen het gebied nog enkele kleinschalige minerale olieverontreinigingen aangetoond. Op een aantal locaties is nog geen of onvoldoende onderzoek verricht bij potentiële bronnen van mobiele bodemverontreiniging, terwijl er wel een vermoeden bestaat dat deze vanwege (historische) bedrijfsactiviteiten aanwezig is.

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost (vastgesteld) 75

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost

Uit de voorgaande bodemonderzoeken blijkt dat zowel de boven- als de ondergrond in het onderzoeksgebied in algemeen niet- tot licht-verhoogde gehalten bevat aan zware metalen en PAK, en weinig tot geen puin bevat. Op een perceel bedrijfsterrein is veel puin aangetroffen, met incidentele uitschieters tot boven de interventiewaarde voor zware metalen. In de puinhoudende bovengrond is plaatselijk ook asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen (15% chrysotiel). Het onderzochte gebied is vooralsnog onverdacht op PFAS en is nog niet op PFAS onderzocht. Bekend is dat nog 9 tot 14 ondergrondse tanks aanwezig zijn, die bij een herinrichting verwijderd moeten worden. Op een aantal locaties is sprake van verontreinigingen met minerale olie of aromaten. Bij een bestemmingswijziging is er mogelijk een nadere sanering verplicht. Geadviseerd wordt een actualiserend onderzoek uit te voeren binnen het gehele plangebied. Hier is door Arnicon offerte voor uitgebracht in juni 2023, en opdracht verleend tot uitvoering van het onderzoek. Voor het zuidelijk deel van het plangebied is eveneens een historisch onderzoek uitgevoerd door Arnicon (d.d. 12 mei 2023, kenmerk 23-0278-0). Dit onderzoek ziet op het deel van het plangebied tussen de Van Cleeffstraat en de Van Deventerstraat.

Het onderzoek concludeert dat uit de rapporten van voorgaande onderzoeken en saneringsevaluaties, blijkt dat er op vier plaatsen binnen het gebied een aanzienlijke verontreiniging met minerale olie en aromaten is aangetroffen. Mogelijk is hier nog een vijfde verontreiniging aanwezig, vanwege een tank-verwijdering. Uit de uitgevoerde bodemonderzoeken blijkt verder dat zowel de boven- als de ondergrond in het algemeen niet- tot licht-verhoogde gehalten bevat aan zware metalen en PAK, en dat deze weinig tot geen puin bevat. Asbestonderzoek is nog niet uitgevoerd. In de diepere ondergrond (vanaf 2 à 3 m-mv) kan stortmateriaal dat sterk verontreinigd is met zware metalen, PAK en minerale olie aanwezig zijn. Dit materiaal wordt tevens als asbestverdacht aangemerkt. De locatie is vooralsnog onverdacht op PFAS en is nog niet op PFAS onderzocht. Er is nog een onbekend aantal ondergrondse tanks die bij herinrichting verwijderd moeten worden. Er zijn diverse verontreinigingen met minerale olie of aromaten in het gebied of in de directe nabijheid bekend, op een aantal locaties is in het verleden ook reeds gesaneerd. Bij een bestemmingswijziging is er mogelijk een nadere sanering verplicht. Geadviseerd wordt een actualiserend onderzoek uit te voeren binnen het gehele plangebied.

Hier is door Arnicon offerte voor uitgebracht in juni 2023, en opdracht verleend tot uitvoering van het onderzoek. Voor de Couwenhovenstraat en de bebouwing aan de noordzijde hiervan, zijn diverse onderzoeken uitgevoerd. Ook heeft op verschillende locaties een sanering plaatsgevonden. Ten behoeve van de voorgenomen aankoop van de bedrijfspanden wordt een actualiserend onderzoek uitgevoerd door Adverbo. De beoogde functies na transformatie van dit deelgebied ziet niet op wonen. Actualiserende onderzoeken De actualiserende onderzoeken zijn momenteel in uitvoering. Op basis van deze onderzoeken wordt zo nodig een saneringsplan uitgewerkt. Hiermee is afdoende geborgd dat de bodemkwaliteit tijdig voldoet aan de wettelijke vereisten.

5.9.3 Conclusie Op grond van de uitgevoerde onderzoeken wordt geconcludeerd dat de bodemkwaliteit in voldoende mate is vastgesteld en dat, in de huidige situatie, de aanwezige bodemverontreiniging in principe een belemmering vormt voor de voorgenomen herontwikkeling. Deze belemmering kan worden weggenomen door saneringsmaatregelen te nemen die er voor zorgen dat toekomstige gebruikers niet worden blootgesteld aan de aanwezige verontreiniging. De maatregelen dienen zo te worden vormgegeven dat de risico's worden weggenomen en dat de nazorg wordt geminimaliseerd. De saneringsmaatregelen worden uitgewerkt in samenhang met de geplande ontwikkeling en vastgelegd in een saneringsplan dat door de gemeente is goedgekeurd. De sanering wordt 76 teld)

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost (vastges

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost

uitgevoerd in samenhang met het slopen en bouwrijp maken van de locatie. De kosten voor de sanering zijn meegenomen in de grondexploitatie voor het gebied.

5.10

Niet gesprongen explosieven

5.10.1

Algemeen

Door Saricon is gemeentebreed een vooronderzoek naar niet-gesprongen explosieven uitgevoerd (kenmerk 16S134, d.d. 6 maart 2018). In dit vooronderzoek zijn onder meer de volgende gebeurtenissen en omstandigheden in kaart gebracht: Grondgevechten tussen Nederlandse en Duitse eenheden in mei 1940; Luchtaanvallen door Duitse en geallieerde luchtstrijdkrachten; De aanwezigheid van mijnenvelden; De aanwezigheid van militaire verdedigingswerken; Vliegtuigcrashes; Munitievondsten. Bij de beoordeling van de gebeurtenissen zijn verspreid over het grondgebied van de gemeente diverse gebieden aangemerkt welke verdacht zijn voor de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven. Deze verdachte gebieden zijn opgenomen op een CE-bodembelastingskaart.

5.10.2

Relatie tot ontwikkeling

Uit de CE-bodembelastingkaart van de gemeente blijkt dat het plangebied ter plaatse van de Van Deventer-driehoek geheel onverdacht zijn. Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat er geen aanleiding is om een verdacht gebied aan te merken binnen het plangebied. Het plangebied is onverdacht op de aanwezigheid van conventionele explosieven.

5.10.3

Conclusie

Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is er geen aanleiding om op voorhand gebieden als verdacht te markeren voor de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven. Indien bij werkzaamheden binnen het plangebied onverhoopt toch explosieven worden aangetroffen dan dienen de geldende procedures te worden opgevolgd. Risico's moeten worden vermeden, en na inschakeling van de relevante hulpdiensten zal de EOD van de vondst in kennis worden gesteld.

5.11

Kabels en leidingen

5.11.1

Algemeen

In paragraaf 5.6 zijn de relevante buisleidingen voor externe veiligheid reeds beschouwd. Hieruit is gebleken dat deze leidingen geen belemmeringen vormen voor het plan. Naast de planologisch relevante kabels en leidingen zijn er ook andere kabels leidingen aanwezig in de ondergrond.

5.11.2

Relatie tot de ontwikkeling

De aanwezige kabels en leidingen zijn geïnventariseerd en zullen waar nodig worden verlegd of aangepast aan de voorgenomen transformatie van het gebied. De aanwezige kabels en leidingen vormen daarmee geen belemmering voor uitvoering van het plan. Belangrijk daarbij is dat sprake is van een nagenoeg totale herontwikkeling van het plangebied. Zowel op gebouwniveau als voor wat betreft het stratenpatroon en de openbare ruimte gaat het gebied grotendeels op de schop. De transformatie van industrieterrein naar gemengd woon-werkgebied betekent dat bestaande kabels en leidingen worden verlegd en aangepast aan de beoogde nieuwe situatie. In overleg met de betrokken nutsbedrijven zal de concrete uitvoering van deze aanpassingen nader worden vormgegeven. bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost (vastgesteld) 77

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost

5.11.3

Conclusie

Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

5.12

Archeologie

5.12.1

Algemeen

De gemeente Schiedam heeft archeologisch beleid, met bijbehorende beleidsinstrumenten ontwikkeld, waaronder de beleidsnota 'Archeologische Monumentenzorg gemeente Schiedam' en de 'Archeologische Waardenkaart Schiedam' (januari 2008). Hiermee is een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen gewaarborgd. Het beleid sluit aan op en komt mede voort uit het Rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Meer specifiek is het doel van het voorgenomen archeologisch beleid te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem, voor documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is en dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.

Het bestemmingsplangebied maakt deel uit van een veengebied waarop klei is afgezet in verschillende periodes (Afzettingen van Duinkerke I-III). Op het veen werd in de IJzertijd (800 voor Christus - begin jaartelling) gewoond. Op de Afzettingen van Duinkerke I kunnen bewoningssporen uit de Romeinse tijd voorkomen. Direct ten westen van het bestemmingsplangebied ligt de monding van de Schiedamse Schie. Dit riviertje dateert vermoedelijk uit de laatste eeuwen voor Christus. De kleiafzettingen in het gebied zullen deels afkomstig zijn van dit riviertje en voor een deel van de Nieuwe Maas. Op dergelijke oever- en dekafzettingen werd in de Romeinse tijd en (Vroege) Middeleeuwen gewoond. In de 10e / 11e eeuw werd het (klei-op) veengebied ontgonnen. De maaivelddaling ten gevolge van de ontwatering van het veen maakte het gebied kwetsbaar voor overstromingen. De aanleg van rivieren polderdijken was noodzakelijk. De dijken werden vanaf het begin vaak als woonplaats benut. In en nabij het bestemmingsplangebied ligt een deel van de zuidelijke dijk van de polder Oud Mathenesse (nu verdwenen) en de westelijke dijk van de polder Nieuw Mathenesse. De polder moet al vóór 1400 tegen de 13e -eeuwse 'Rotterdamse dijk' (die deel uitmaakt van Schielands Hoge Zeedijk) zijn ontstaan.

Na circa 1950 is het gebied rondom het plangebied ontwikkeld tot bedrijventerrein en havengebied, waarbij grote stukken werden vergraven en andere delen sterk zijn opgehoogd. In het bestemmingsplangebied zijn vindplaatsen uit de IJzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen te verwachten. De tracés van de historische dijken met een strook ter weerszijden ervan zijn kansrijk voor het aantreffen van relicten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Het plangebied is sinds medio 20e eeuw deels sterk opgehoogd en dichtbebouwd, naar verwachting zijn de oudere bewoningssporen daardoor in een nog onbekende mate vergraven. De op grotere diepte aanwezige archeologische waarden worden alleen verstoord bij diepere bodemingrepen, die vaak ook een grote 78 teld)

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost (vastges

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost

oppervlakte hebben. In het bestemmingsplangebied zijn zowel grote landschappelijke fenomenen (slootstructuren, akkercomplexen, dijkrestanten) te verwachten als kleinere structuren die in een booronderzoek traceerbaar zijn, zoals huisplaatsen uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen. Dergelijke structuren hebben een gemiddelde oppervlakte van 100-200 m2 . Archeologische indicatoren aangetroffen in een klein plangebied (kleiner dan 200 m2 ) leveren doorgaans een beperkte wetenschappelijke waarde op en de archeologische informatie is sterk gefragmenteerd. Het verlies aan archeologische informatie indien geen onderzoek wordt uitgevoerd is in dat geval relatief gering.

5.12.2

Relatie tot ontwikkeling

Gelet op de voorgenomen transformatie van het plangebied, en de bouwvolumes die er al staan, zullen bodemingrepen in dit gebied op basis van het voorliggende bestemmingsplan meestal groter zijn dan 200 m2 .Een nadere archeologische planbeoordeling moet, zodra de plannen voor herontwikkeling definitief zijn, nog worden uitgevoerd. Pas dan wordt bepaald of een veldonderzoek nodig zal zijn en, zo ja, of dit voor het gehele plangebied geldt of voor delen ervan. Ook kan op dat moment worden bekeken welke vorm van onderzoek het meest geschikt is om de archeologische verwachting te toetsen. Omdat in dit geval een projectbestemmingsplan voor het plan wordt opgesteld, voldoet het om de regels uit het voorheen geldende bestemmingsplan en de daarin opgenomen archeologische dubbelbestemming(en) over te nemen. Hiermee is afdoende geborgd dat bij de nadere uitvoer van bouwplannen de archeologische onderzoeksplicht moet worden nagekomen, en kan de opzet van het onderzoek worden afgestemd op de concreet voorliggende bouwplannen. Hierbij wordt opgemerkt dat vooruitlopend op realisatie van het bestemmingsplan reeds diverse sloop- en saneringswerkzaamheden hebben plaatsgevonden.

5.12.3

Conclusie

Uit oogpunt van de bescherming van archeologische waarden geldt voor het gehele plangebied een archeologische dubbelbestemming. Belemmeringen voor de planrealisatie worden vooralsnog niet verwacht.

5.13

Duurzaamheid

5.13.1

Algemeen

Het gemeentelijke beleid ten aanzien van duurzaamheid is neergelegd in het Klimaatbeleidsplan (gericht op klimaatmitigatie: aanpakken van de oorzaken van klimaatverandering) en het Klimaatadaptatieplan (gericht op adaptatie: aanpassen van de stad aan de gevolgen van klimaatverandering). Het nieuwe Klimaatbeleidsplan 'Een wereld te winnen' is op 3 november 2020 door de gemeenteraad vastgesteld. Dit klimaatbeleidsplan is aangepast, geactualiseerd en aangevuld en bouwt voort op de weg die is ingeslagen met het Programma Duurzaamheid (2016-2018) en het Klimaatbeleidsplan 2016-2020. Het Klimaatadaptatieplan Schiedam en het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2019 tot en met 2023 zijn op 12 maart 2019 vastgesteld door de gemeenteraad. Het Klimaatadaptatieplan gaat in op vier thema's: wateroverlast, droogte, hitte en overstromingsrisico's.

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost (vastgesteld) 79

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost

5.13.2

Klimaatadaptatie

Met het beleid wordt ingezet op een aanpassing van de stad aan de gevolgen van klimaatverandering. Ingezet wordt op het hebben van voldoende mogelijkheden voor waterberging in geval van wateroverlast door overvloedige regen, alsmede het beperken van her risico op instabiliteit van kaden en verzakkingen ten gevolge van droogte. Om wateroverlast te voorkomen, is uitgangspunt dat de stad een extreme bui (waarbij 60 mm neerslag valt in een uur tijd) kan verwerken. Om in tijden van droogte het uitdrogen van de bodem en het 'uitzakken' van de grondwaterstand tegen te gaan, wordt zoveel mogelijk water opgevangen, vastgehouden en geïnfiltreerd in de bodem. Met het beleid wordt ingezet op een aanpassing van de stad aan de gevolgen van klimaatverandering. Uitgangspunt is dat het stedelijk gebied bij hittegolven niet meer dan 2 graden Celsius opwarmt ten opzichte van het omliggende gebied. Om die reden is het wenselijk dat maatregelen worden getroffen die extreme opwarming tegengaan, zoals het toepassen van 'vergroenende' maatregelen. In het algemeen geldt dat indien 40% van de planlocatie wordt vergroend, een daling van 2 graden Celsius optreedt. Naast 'vergroenende' maatregelen is het ook belangrijk om bouwtechnische voorzieningen te treffen. De maatregelen die worden toegepast voor klimaatadaptatie, hebben ook een positief effect op de biodiversiteit in de stad.

5.13.3

Klimaatmitigatie

Per 1 januari 2021 is de EPC-eis uit het Bouwbesluit vervallen en is deze vervangen door drie BENG-indicatoren, bepaald volgens NTA 8800 en ISSO 75.1. Kaders voor circulair bouwen worden opgenomen in de tenderuitvraag.

5.13.4

Conclusie

Realisatie van het bestemmingsplan draagt bij aan een duurzaam gebruik van de ruimte in Schiedam. Door herontwikkeling wordt het bestaand stedelijk gebied intensiever gebruikt. In de uitwerking van de bouwplannen wordt verder gekeken hoe invulling kan worden gegeven aan de uitgangspunten voor duurzaam bouwen. Ook in de tenderuitvraag komt dit onderwerp expliciet aan bod.

5.14

Windhinder

5.14.1

Algemeen

In het kader van een goede ruimtelijke ontwikkeling is het wenselijk om te kunnen vaststellen of er een aanvaardbaar windklimaat optreedt na voltooiing van het plan, zodat duidelijk is dat geen windgevaarlijke situaties kunnen ontstaan. Windhinder op een bepaalde plek is het aantal uur per jaar dat het op deze plek harder waait dan de gestelde grens van 20 km/h. In de NEN8100 zijn vijf kwaliteitsklassen opgenomen, A t/m E, waarbij A overeenkomt met het minst aantal uren en E met het grootste aantal. Hoe iemand het windklimaat ervaart hangt af van zijn activiteit. In een park of speeltuin is meer behoefte aan een rustiger windklimaat dan op een parkeerplaats. De norm beschrijft een drietal activiteitsklassen. De waardering van het lokale windklimaat wordt gekwalificeerd met goed, matig of slecht.

80 teld)

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost (vastges

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost

5.14.2

Relatie tot ontwikkeling

Het plangebied kent een omvang van circa drie hectare, en beoogd onder andere in beperkte mate vormen van hoogbouw te realiseren. Aan de westzijde grenst de ontwikkeling aan het te transformeren terrein van de voormalige glasfabriek. Daarbij ligt het plangebied nabij de Rotterdamse gebiedsontwikkeling Merwe-/Vierhavens, waar eveneens sprake is van ontwikkelingen met hoogbouw. Op enige afstand ten zuiden en oosten van het plangebied ligt voorts het open water van de Nieuwe Maas en het havenbekken van de Merwehaven. Hoewel op enige afstand wordt het plangebied vooralsnog niet door substantiële hoogbouw of opgaande beplanting van deze open gebieden gescheiden. Ter onderbouwing van het bestemmingsplan en de ontwikkeling is een windhinderonderzoek uitgevoerd door Peutz (d.d. 16 oktober 2024, kenmerk OA 168935-3-RA). Het gaat om een theoretische beschouwing van het windklimaat. Voor de opzet van het onderzoek en de beoordeling van het windklimaat is uitgegaan van de Nederlandse norm NEN 8100:2006 Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving. Met behulp van het Computational Fluid Dynamics (CFD) model is onderzoek verricht naar de te verwachten windklimaatsituatie binnen het plangebied op basis van de kaders uit het bestemmingsplan. Deze beoordeling geeft een eerste inzicht in het te verwachten windklimaat rond de beoogde gebiedsontwikkeling.

Voor het vervaardigen van het CFD-model is onder meer gebruik gemaakt van een door de gemeente aangeleverd 3D model. Het betreft hierbij een voorbeeld invulling van het plangebied. Op deze wijze wordt een meer realistisch beeld van het te verwachten windklimaat verkregen dan als het maximaal ingevulde bestemmingsplanvolume wordt doorgerekend. De stedenbouwkundige omgeving en de begroeiing is meegenomen aan de hand van gegevens uit openbare bronnen. In totaal is een gebied gemodelleerd is van circa 1400 bij 1000 meter. Daarbij is ook rekening gehouden met de beoogde (planologische) invulling aan de westzijde van het plangebied, op het terrein van de voormalige glasfabriek (Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-West).

Afbeelding 20 Beoordeling windklimaat in de geplande situatie

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost (vastgesteld) 81

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost

Afbeelding 20 geeft een weergave van het te verwachten windklimaat binnen en rondom het plangebied van het bestemmingsplan. Uit de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: In de geplande bebouwingssituatie is rond de planlocatie sprake van een goed windklimaat voor de activiteit doorlopen, kwaliteitsklassen A t/m C; Lokaal is het windklimaat matig voor slenteren, klasse C. Er wordt geadviseerd in deze gebieden geen windgevoelige functies te realiseren, of het windklimaat op deze punten te verbeteren door bijvoorbeeld het plaatsen van begroeiing; Een deel van het matige windklimaat voor slenteren wordt gevonden langs de westgevel van het zuidwestelijke bouwblok. Er wordt geadviseerd in dit deel van de gevels geen entrees te plaatsen, of deze bijvoorbeeld wat verdiept in de gevel uit te voeren; Er is nergens sprake van een matig of slecht windklimaat voor doorlopen ten gevolge van de geplande nieuwbouw; Nergens is sprake van een gevaarlijk windklimaat of een beperkt risico op windgevaar. Met lokale ingrepen kan het windklimaat worden verbeterd. Om het windklimaat beter te kunnen beoordelen of de verbeteringsmaatregelen (luifels, schermen of begroeiing) daadwerkelijk een positief effect hebben op het windklimaat in een definitief bouwplan, is aanvullend onderzoek nodig op basis van een concreet bouw- of inrichtingsplan.

Uit het onderzoek blijkt echter geen reden om hiervoor in de regels een voorwaardelijke verplichting op te nemen. Het volledige onderzoek is als bijlage bij de toelichting gevoegd.

5.14.3

Conclusie

Het aspect windhinder geeft binnen het plangebied geen specifieke aandachtspunten voor de verdere uitwerking van bouw- en inrichtingsplannen. Binnen de kaders van het bestemmingsplan is een verdere uitwerking van de concrete plannen mogelijk, en zijn eventuele maatregelen uit te werken. Uit het onderzoek blijkt echter geen reden om hiervoor in de regels een voorwaardelijke verplichting op te nemen. Het thema wind(hinder) vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

5.15

Bezonning

5.15.1

Algemeen

Bij bezonning bij ruimtelijke plannen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de bebouwing van omwonenden of de openbare ruimte. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. Sommige functies hebben juist een goede bezonning nodig, zoals tuinen, terrassen of speelplekken. Wet- en regelgeving Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning en schaduw. In Schiedam wordt in principe de TNO-norm gehanteerd als uitgangspunt. Bezonningsdiagrammen geven inzicht in de bezonning van de gevels en (extra) schaduw op de omgeving. De 'lichte' TNO-norm houdt in dat ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag moet zijn in de periode van 19 februari - 21 oktober (gedurende 8 maanden). Deze norm wordt alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers - hoogbouw of niet - nooit direct zonlicht. Bestemmingsplan Als een bestemmingsplan nieuwe bebouwing toestaat moet beoordeeld worden of deze bebouwing 82 teld)

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost (vastges

bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-Oost

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14773194/1