Bijlage 1 Bestemmingsplan Kop van de Singel
Tekst van het document
Uitgangspunt is dat het stedelijk gebied bij hittegolven niet meer dan 2 graden Celsius opwarmt ten opzichte van het omliggende gebied. Om die reden is het wenselijk dat maatregelen worden getroffen die extreme opwarming tegengaan, zoals het toepassen van 'vergroenende' maatregelen. In het algemeen geldt dat indien 40% van de planlocatie wordt
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Kop van de Singel
vergroend, een daling van 2 graden Celcius optreedt. Naast 'vergroenende' maatregelen is het ook belangrijk om bouwtechnische voorzieningen te treffen. De natuurlijk veranderende schaduw zorgt naast een levendige kwaliteit van de gevel, voor een natuurlijke zonwerking wanneer het in de zomer op zijn warmst is. Daarnaast worden de balkons van de appartementen voorzien van bloembakken, is er sprake van een groene geveltuin en gevelbegroeiing op de binnenplaats. Deze maatregelen dragen alle bij aan het beperken van de opwarming. Natu u rinclu sief bou wen De maatregelen die worden toegepast voor klimaatadaptatie, hebben ook een positief effect op de biodiversiteit in de stad. Het horizontale en verticale oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren in de omgeving ontworpen en bovendien worden er in het ontwerp van het gebouw verblijfplaatsen gecreëerd voor gebouw gebonden soorten, zoals metselbijen (op de zuidgevel), huismussen, vleermuizen en gierzwaluwen.
4.1.3 Klimaatmitigatie Energie Per 1-1-2021 is de EPC-eis uit het Bouwbesluit vervallen en vervangen worden door drie BENG-indicatoren bepaald volgens NTA 8800 en ISSO 75.1. Ten behoeve van het plan is een beoordeling van de energieprestatie en equivalente warmteweerstand uitgevoerd. Hieruit volgt dat wordt voldaan aan de in het Bouwbesluit gestelde eis ten aanzien van de energieprestatie voor het appartementen en utiliteitsgedeelte. Er is sprake van een energiezuinig gebouw. Circu lair bou wen De ambitie is om een gebouw neer te zetten dat in hoge mate circulair is. Er worden zoveel als mogelijk hergebruikte materialen toegepast en materialen die secundair en/of biobased gerecycled kunnen worden. Door te kiezen voor een prefab bouwmethodiek wordt een stikstofreductie gerealiseerd en wordt gezorgd voor een hoge mate van aanpasbaarheid van het gebouw, door een demontabele scheiding van constructie, afwerking en inrichting.
4.1.4 Conclusie Het initiatief voorziet in een extra waterbergingsvoorzienig, het gebouw kan gekwalificeerd worden als energiezuinig en diverse aanvullende maatregelen getroffen worden waarmee is ingezet op een aanpassing van de stad aan de gevolgen van klimaatverandering (zie ook: Duurzaamheid). Het plan levert daarmee een bijdrage aan het realiseren van de gemeentelijke duurzaamheidsambities.
4.2 W aterparagraaf 4.2.1 Algemeen Ten behoeve van de uitvoering van de wettelijk verplichte watertoets is voor dit bestemmingsplan een waterparagraaf opgesteld. Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft op 9 maart 2021 aangegeven in te kunnen stemmen met deze waterparagraaf. De watersleutel is als Bijlage 1 bij het bestemmingsplan gevoegd. In deze waterparagraaf wordt stilgestaan bij de belangrijkste aspecten met betrekking tot de waterhuishouding. Het doel van de waterparagraaf is het vastleggen en behouden van de watergerelateerde functies in het bestemmingsplan. Daarnaast wordt stilgestaan bij randvoorwaarden die gelden voor toekomstige ontwikkelingen. Hierbij wordt onder andere aandacht geschonken aan de waterkwantiteit, waterkwaliteit en de waterafvoer.
28
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
bestemmingsplan Kop van de Singel
4.2.2 Beleidskader 4.2.2.1 Rijk Waterwet De Waterwet is op 22 december 2009 in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. Nationaal Waterplan Op 22 december 2009 is ook het Nationaal Waterplan vastgesteld door het Rijk. Inmiddels is dit plan geactualiseerd voor de periode 2016 tot en met 2021. Het plan is vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het Nationaal Waterplan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de bijbehorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Nederland voldoet met dit Nationaal Waterplan aan de Europese eisen beschreven in de KRW, de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). Het Nationaal Waterplan 2016- 2021 kent vijf ambities waaronder dat Nederland de veiligste delta in de wereld moet blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstromingen te vernieuwen.
Daarnaast wordt er gekozen voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit en zoet water beschikbaarheid. Een andere ambitie is dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht. Ook moet het bewustzijn van de bevolking met betrekking tot het duurzame en verantwoorde gebruik van en de omgang met water worden vergroot. Watertoets Omdat het aspect water in ruimtelijke plannen een mede ordenend principe is, is de watertoets geïntroduceerd. Deze watertoets is verplicht gesteld in november 2003 voor ruimtelijke plannen. De watertoets is een procedure, waarbij de initiatiefnemer in overleg met de waterbeheerders de waterhuishouding van een te ontwikkelen gebied inricht. Het belang- rijkste inhoudelijke doel van de watertoets is, dat initiatiefnemers 'waterneutraal' bouwen. Dit betekent voor het waterkwantiteitsaspect, dat niet meer water wordt afgevoerd uit het plangebied dan in de situatie voor de ruimtelijke ingreep. Voor de waterkwaliteit betekent dit in ieder geval dat de waterkwaliteit in en om het gebied niet mag verslechteren. Boven- dien mogen plannen de grondwatersituatie buiten het plangebied niet negatief beïnvloeden.
4.2.2.2 Provincie Omgevingsverordening Zuid-Holland De omgevingsverordening Zuid-Holland geeft antwoord op de vraag wat er moet gebeuren om de provincie Zuid-Holland ook in de toekomst op een duurzame wijze veilig en leefbaar te houden. Het gaat daarbij om de volgende opgaven: - waarborgen van de veiligheid tegen overstromingen; realiseren van mooi en schoon water; - ontwikkelen van een duurzame zoetwatervoorziening; - het realiseren van een robuust en veerkrachtig watersysteem. Waterverordening Zuid-Holland In 2019 is de omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. Daarin is onder andere vastgelegd dat voor bebouwing in de bebouwde kom, de norm voor de gemiddelde overstromingskans maximaal 1 keer per 100 jaar is. Deze norm is van toepassing vanuit het 3 oogpunt van berging en afvoer van regionale wateren. In de omgevingsverordening staan verder normen opgenomen voor regionale waterkeringen en zijn regels opgenomen ten aanzien van grote grondwateronttrekkingen.
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
29
bestemmingsplan Kop van de Singel
4.2.2.3 Hoogheemraadschap van Delfland Waterbeheerplan In het Waterbeheerplan 2016-2021 (WBP5) heeft Delfland de ambities en doelstellingen voor de komende jaren vastgelegd. Voor de zorgplicht voor 'droge voeten', 'stevige dijken' en 'schoon water' zijn meerjarenprogramma's opgesteld die doorlopen in de planperiode tot 2021. Delfland zet in op integraal waterbeheer in het sterk verstedelijkt deel van Nederland. Samen met de gemeenten en andere partners werkt Delfland aan klimaatadaptatie. Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Om doelen te bereiken werkt Delfland samen met gebiedspartners. Delfland werkt ook aan het waterbewustzijn om de kosten van het waterbeheer waar mogelijk te verlagen en het draagvlak te vergroten voor het zelf nemen van maatregelen. Handreiking watertoets In 2012 heeft het Hoogheemraadschap de Handreiking watertoets voor gemeenten vastgesteld en daarna regelmatig geactualiseerd. De handreiking is specifiek geschreven voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. Met deze handreiking wordt inzicht gegeven in de wijze waarop het Hoogheemraadschap van Delfland procedureel en inhoudelijk omgaat met de watertoets. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de landelijke en provinciale regelgeving.
Met de watertoets wordt gestreefd naar een goede inpassing van water in ruimtelijke planvorming. Voorkomen moet worden, dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen negatieve effecten hebben op het watersysteem. Waar mogelijk moeten kansen worden benut om het watersysteem te verbeteren. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Dit kan leiden tot wateroverlast en moet worden gecompenseerd door extra waterberging aan te leggen. Daarnaast vindt Delfland het belangrijk dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden met hevigere neerslag door klimaatverandering. De vernieuwde watersleutel van juni 2020 berekent daarom de benodigde waterberging, zowel voor het compenseren van verharding als om gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Een belangrijk uitgangspunt in planvorming is het zogenaamde standstill-beginsel. Dit betekent dat de kans op wateroverlast in principe niet mag toenemen als gevolg van het ruimtelijk plan. De initiatiefnemer moet ervoor zorgen dat de eventuele negatieve gevolgen van het ruimtelijk plan worden gecompenseerd. Compensatie moet worden gerealiseerd door middel van bergen óf in het onderdeel van het principe vasthouden-bergen-afvoeren, waarin de verslechtering optreedt.
Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater, doordat water niet langer in de bodem kan infiltreren maar oppervlakkig of via (hemelwater)riolering wordt afgevoerd. Dit kan leiden tot wateroverlast, en past dus niet binnen het standstill-beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd. 4.2.2.4 Gemeente Schiedam Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023 Het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan beschrijft voor de periode 2019-2023 de doelen en eisen die worden gesteld aan de riolering en het beheer, zodat een goede invulling gegeven wordt aan de gemeentelijke watertaak van afvalwater, hemelwater en grondwater. In vergelijking met het voorgaande plan voor de periode 2014-2018 zijn de ambitieniveaus voor het onderwerp klimaatadaptatie verhoogd (van basis naar ambitieus).
30
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
bestemmingsplan Kop van de Singel
In lijn met het door het Rijk opgestelde Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie heeft de gemeente als doel om de stad klimaatbestendig en water robuust in te richten. Om deze reden klimaatadaptatieplan ontwikkeld, waarin wordt ingegaan op ruimtelijke adaptatie en de omgang met weersextremen. 4 Met dit vGRP worden de klimaatambities vertaald in concreet beleid voor stedelijk water. De belangrijkste aandachtspunten zijn: aanpak van droogte (aandacht voor bodemdaling en kwetsbare funderingen); wateroverlast door hevige neerslag (ambitie: de stad moet 60 mm neerslag in 1 uur kunnen verwerken zonder dat een dergelijke hevige bui leidt tot overlast); actief betrekken van bewoners bij het klimaatadaptief inrichten van de stad. Met de rioleringszorg in Schiedam worden doelen nagestreefd. De doelen voor de rioleringszorg zijn aangepast aan de nieuwe rol ten aanzien van het hemelwater en grondwater en sluiten goed aan bij het gedachtegoed van de invoering van de verbrede watertaken. De rioleringszorg in Schiedam dient de volgende doelen: zorgplichten op orde, klaar voor de toekomst, maatwerk en innovatie, meten en leren in de praktijk en amenwerken op alle niveaus. In het vGRP wordt extra aandacht besteed aan het toetsbaar maken van doelen aan de hand van prestatie indicatoren. In het vGRP is een toelichting gegeven op hoe de doelen meetbaar zijn gemaakt.
4.2.3 Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van het hoogheemraadschap Delfland. Ten behoeve van het plan is de digitale watertoets doorlopen. Het advies is verwerkt in onderhavige waterparagraaf. Waar nodig is het advies meegenomen in de ontwikkeling. De beoogde ontwikkeling heeft geen (significant) negatief effect op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse van het plangebied. Waterkwaliteit en riolering In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met het 'verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023' en de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (rwzi). Derhalve wordt voor de nieuwe ontwikkeling een gescheiden stelsel aangelegd. Met het oog op de waterkwaliteit wordt het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen.
Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Waterkwantiteit In de huidige situatie is binnen het plangebied sprake van 1.370 m² aan verhard oppervlak. Daarnaast is 772 m² van het plangebied onverhard; het kunstgras-trapveld en de kleine groenstroken langs het speelveld. Op grond van het beleid van het Hoogheemraadschap van Delfland wordt bij het bepalingen van de bergingsopgave niet alleen naar (de toename van) verharding gekeken, maar ook naar klimaatverandering (verwachte neerslagtoename tot 2050). Ten behoeve van het plan is de watersleutel ingevuld en als bijlage aan voorliggend plan toegevoegd. Op grond hiervan wordt geconcludeerd dat, ten gevolge van de planrealisatie, sprake is van een waterbergingsopgave van 90,5 m³.
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Kop van de Singel
Het klimaatadaptatieplan beschrijft in hoofdlijnen hoe de gemeente Schiedam de komende jaren wil werken aan klimaatadaptatie: aan het aanpassen van de stad aan de gevolgen van de klimaatverandering. Het plan gaat in op vier thema's: wateroverlast, droogte, hitte en overstromingen. Om wateroverlast te voorkomen, is uitgangspunt dat de stad een extreme bui (waarbij 60 mm neerslag valt in een uur tijd) kan verwerken. Om in tijden van droogte het uitdrogen van de bodem en het 'uitzakken' van de grondwaterstand tegen te gaan, wordt zoveel mogelijk water opgevangen, vastgehouden en geïnfiltreerd in de bodem. Op basis hiervan geldt voor de planrealisatie een waterbergingsopgave van 130,5 m² (2.175 x 60 / 1.000). Omdat de gemeentelijke waterbergingsopgave kan afwijken van die van het Hoogheemraadschap wordt de hoogste opgave als leidend beschouwd. Voor de ontwikkeling van de locatie Kop van de Singel is om die reden uitgegaan van een waterbergingsopgave van 130,5 m³. In Schiedam-Oost, waartoe het plangebied behoort, is sprake van grote waterproblematiek in geval van hevige regenbuien. Om bij te dragen aan de waterproblematiek in de omgeving is door de gemeente budget beschikbaar gesteld voor de realisatie van extra waterbergingscapaciteit. Het plan voorziet in de realisatie van een kelder waarmee in totaal 600 m³ water geborgen kan worden.
Aangezien er sprake is van een planopgave van 130,5 m², kan geconcludeerd worden dat het plan een bijdrage levert aan de gebiedsopgave en het beperken van de waterproblematiek in Schiedam-Oost. In de regels van het plan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van waterberging. Beschermde gebieden Binnen het plangebied is geen sprake van oppervlaktewater. Ten westen van het plangebied is een primaire watergang gelegen, alsook de regionale waterkering 'Polder Schiedam Oost'. De beschermingszone reikt minimaal tot binnen het plangebied. Deze strook kent op grond van het vigerende bestemmingsplan Oost de dubbelbestemming “Waterstaat”. In de geldende legger is de ligging van de beschermingszone gewijzigd en valt deze buiten het plangebied.
4.2.4 Conclusie Er treden geen negatieve gevolgen op in de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse. Het aspect water vormt geen belemmering voor het plan. Aangezien het plan voorziet in de realisatie van een kelder, waarmee 600 m3 water geborgen kan worden, geldt dat bijgedragen wordt aan de waterproblematiek en waterhuishoudkundige situatie in de omgeving van het plangebied. Indien de afvoerleiding van de waterberging in de beschermingszone valt, dan dient hiervoor een watervergunning bij het Hoogheemraadschap van Delfland aangevraagd te worden.
4.3 Bodem Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient een bodemanalyse te worden verricht met het oog op de beoordeling van de realiseerbaarheid van bepaalde bestemmingen of bestemmingswijziging. De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wet bodembescherming, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Het plan voorziet in de realisatie van woon-werkgebouw met een parkeerkelder. Ten behoeve van de planrealisatie is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Arnicon B.V. (d.d. 10 augustus 2020). De rapportage is opgenomen als Bijlage 2 van voorliggend plan. Op grond van het verkennend bodemonderzoek kan geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit in voldoende mate is vastgesteld en dat geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de herontwikkeling.
32
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
bestemmingsplan Kop van de Singel
4.4 Natuurbescherming 4.4.1 Algemeen De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en ecologische gebiedsbescherming. In de toelichting van een bestemmingsplan moeten de gevolgen van het bestemmingsplan voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels. Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort.
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Kop van de Singel
Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000- gebieden. Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'.
Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN.
4.4.2 Relatie tot ontwikkeling Soortenbesch erming Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden. Door Ecoresult B.V. is een boominspectie uitgevoerd voor vleermuizen in het plangebied (zie Bijlage 3). Uit de eerder uitgevoerde ecologische QuickScan (zie Bijlage 4) werd geconcludeerd dat de bomen in potentie geschikt zijn voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Op grond van het vervolgonderzoek kan geconcludeerd worden dat binnen het plangebied geen geschikte holtes aanwezig zijn voor vleermuizen. Tijdens de bomeninspectie zijn geen sporen aangetroffen van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Met de ontwikkeling van het plangebied gaan geen voorplantingsplaatsen of vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen verloren.
Gebiedsbesch erming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied betreft de Oude Maas, ten zuiden van het plangebied op ruim 8,0 kilometer. Dit betreft geen stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieid betreft Solleveld & Kapittelduinen op circa 16,5 kilometer. Gelet op de onderlinge afstand zijn significante negatieve gevolgen op de natuurlijke waarden van de Natura 2000-gebieden voor storingfactoren als verstoring, verdroging en licht- en geluidverstoring. Voor stikstofgerelateerde storingsfactoren (verzuring en vermesting) geldt dat deze via de lucht verder kunnen reiken dan de directe omgeving van het plangebied. Gelet hierop is ten behoeve van het plan een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (zie Bijlage 5). Omdat met de, op 1 juli 2021 in werking getreden, Wet stikstofreductie en natuurverbetering een algemene vrijstelling geldt voor eenmalige bouw- en sloopactiviteiten, is in de berekening uitsluitend gekeken naar de
34
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
bestemmingsplan Kop van de Singel
stikstofdepositie ten gevolge van de gebruiksfase van woningen, het kantoor en de horeca. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een negatief significant effect als gevolg van het plan, aangezien geen sprake is van een depositie groter dan 0,00 mol/ha/hr.
Afbeelding 6 - Natura 2000-gebieden Binnen het plangebied liggen geen groenstructuren welke onderdeel uitmaken van de stedelijke ecologische structuur. De ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt zijn niet van invloed op het functioneren van deze natte ecologische structuur. De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.
4.4.3 Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling ter plaatse van de projectlocatie. Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk welke significante gevolgen kunnen hebben voor enige in de ruimte omgeving gelegen Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling van de gevolgen voor deze gebieden is derhalve niet vereist.
4.5 Externe veiligheid 4.5.1 Algemeen Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Kop van de Singel
Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de 10-6 -contour van het PR rond inrichtingen waarin opslag / verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), in geval van inrichtingen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), in geval van transportroutes voor gevaarlijke stoffen, en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), in geval van buisleidingen is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de oriëntatiewaarde veroorzaakt. Deze verantwoordingsplicht geldt ook indien sprake is van een GR hoger dan de oriëntatiewaarde. Op 10 juli 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders de 'Visie Externe Veiligheid 2012-2020' vastgesteld. In deze visie is invulling gegeven aan de beleidsvrijheid inzake de verantwoording van het GR. In de visie is aangegeven op welke wijze de gemeente plannen en/of projecten welke gevolgen hebben voor de externe veiligheidssituatie beoordeelt en verantwoordt. Onderdeel van de visie is het kwetsbaarheidszonemodel zoals deze door de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond is ontwikkeld.
Met het model wordt de kwetsbaarheid van een object in relatie gebracht met de risicobron, om zo vroegtijdig te kunnen bepalen welke objecten en functies aanvaardbaar zijn op een bepaalde locatie.
4.5.2 Relatie tot ontwikkeling Voor de beoordeling van externe veiligheid is o.a. gebruik gemaakt van de gegevens die zijn opgenomen in het bestemmingsplan “Schieveste 2021”. Met dit bestemmingsplan wordt een grootschalige ontwikkeling mogelijk gemaakt waarbinnen (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd. In het kader van externe veiligheid heeft recentelijk een nadere beoordeling en onderzoek plaatsgevonden (Kuiper Compagnons, d.d. 7 september 2020). Een relevante risicobron in de nabijheid van het plangebied betreft de A20, waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt daarnaast ook plaats over de Tjalklaan (ten oosten) en de 's-Gravelandseweg (ten westen). Tot slot ligt ten noorden van de A20 een aardgastransportleiding (W- 521-03). Op de verschillende risicobronnen en de invloed van de realisatie van het plan op de externe veiligheidsrisico's, wordt hieronder ingegaan. Transport gevaarlijke stoffen over de weg Transport van gevaarlijke stoffen over de weg vindt over een aantal wegen plaats, die hieronder nader worden toegelicht. In alle gevallen geldt, dat plangebied buiten de 200 meter basisnetafstand gelegen is, waardoor niet direct een berekening van het groepsrisico noodzakelijk is. De invloedsgebieden voor het groepsrisico en het plaatsgebonden risico worden hieronder uiteengezet.
Rijksweg A20 Op een afstand van circa 300 meter ten noorden van het plangebied, is de Rijksweg A20 gelegen. Over de A20 worden diverse stofcategorieën vervoerd. De A20 heeft een plaatsgebonden risicocontour van 20 meter gerekend vanuit de as van de weg. Het plasbrandaandachtsgebied bedraagt 30 meter. Gelet op de afstand tot het plangebied, geldt dat de ontwikkeling ruim buiten de plaatsgebonden risicocontour en bijbehorend plasbrandaandachtsgebied wordt gerealiseerd. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het plan. Voor het groepsrisico zijn de stofcategorieën en bijbehorende invloedsgebieden relevant. De stofcategorieën die over de A20 worden vervoerd, zijn weergegeven in tabel 1. Te zien is dat invloedsgebieden van de categorieën LT1, LT2, GF3 (LPG) en GT3 tot binnen het plangebied reiken. Voor de overige stofcategorieën geldt, voor zover deze over de A20 worden vervoerd, dat het invloedsgebied niet onderhavig plangebied reikt.
36
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
bestemmingsplan Kop van de Singel
Stofcategorie
Invloedsgebied
LF1 45 LF2 45 LT1 730 LT2 880 LT3 >4000 GF1 40 GF2 280 GF3 355 GT2 245 GT3 560 GT4 >4000 GT5 >4000 Tabel 1 - Stofcategorieën A20
Transporten rijksweg A20 (wegvlak Z49) 38.877 122.196 785 1.814 1.050 150 -
Tjalklaan en 's-Gravelandseweg Over de Tjalklaan en de 's-Gravelandseweg wordt stofcategorie GF3 (LPG) vervoerd. Zoals hierboven aangegeven is het invloedsgebied voor LPG gesteld op 355 meter. De ontwikkeling Kop van de Singel vindt plaats op een afstand van ruim 1.000 meter vanaf de Tjalklaan. De 's-Gravelandseweg ligt op een afstand van minimaal 280 meter. Dit betekent dat het plan wel gelegen is binnen het invloedsgebied van de 's-Gravelandseweg, maar buiten die van de Tjalklaan. De 's-Gravelandseweg heeft geen PR-contour buiten de weg en ook een plasbrand- aandachtsgebied ontbreekt. Derhalve vormt dit geen belemmering voor het plangebied. Transport gevaarlijke stoffen bu isleidingen Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen betreft in dit geval een hogedruk aardgastransportleiding ten noorden van de A20. Uit het externe veiligheidsonderzoek voor bestemmingsplan “Schieveste 2021” blijkt dat de binnen het invloedsgebied van de gasleiding geen sprake is van een relevante plaatsgebonden risicocontour. Het invloedsgebied van de gasleiding is gesteld op 170 meter. Aangezien het plangebied op een afstand van minimaal 380 meter is gelegen, treden geen onaanvaardbare risico's op ten aanzien van externe veiligheid.
Groepsrisico De planlocatie is gelegen buiten het verantwoordingsgebied van de rijksweg A20, maar binnen het invloedsgebied voor GF3 en voor de toxische stoffen die over deze weg vervoerd worden. Tevens is het gebied gelegen binnen het invloedsgebied GF3 van de 's-Gravelandseweg. Uit berekeningen van het groepsrisico voor de A20 blijkt dat reeds sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Er is sprake van een GR van 1,38. Het plangebied was bestemd als parkeer- en speelplaats. Als gevolg van het plan neemt het aantal personen binnen het invloedsgebied toe. Voor woningen dient uit te worden gegaan van 2,4 personen per woning conform de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico. Met 79 woningen bedraagt de populatiedichtheid 190. Daar dient het aantal personen binnen de commerciële functies bij te worden opgeteld. Uitgaande van 2.015 m² kantoor en 240 m² horeca dient uit te worden gegaan van 75 personen extra in het gebouw (1 per 30 m² b.v.o). Het totaal bedraagt daarmee 265 personen ten opzichte van de huidige situatie.
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
37
bestemmingsplan Kop van de Singel
In aanvulling op het bovenstaande dient te worden opgemerkt dat transport van gevaarlijke stoffen voor 80% gedurende de dagperiode plaatsvindt. Slechts 20% vindt plaats in de avond-/nachtperiode. Voor woningen geldt een aanwezigheidsfactor van 0,5 gedurende de dagperiode en 1 gedurende de avond-/nachtperiode. Voor de dagperiode, het tijdvak waarin 80% van de transportbewegingen plaatsvindt, geldt daarom dat uit kan worden gegaan van 95 personen voor woningen en 83 voor de overige functies. Hiermee komt het totaal tijdens de dagperiode uit op circa 180 personen als gevolg van de planrealisatie. Dit beperkte aantal heeft nauwelijks invloed op het groepsrisico. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat tijdens de avond-/nachtperiode slechts 20% van de totale transportbewegingen met gevaarlijke stoffen plaatsvindt, wanneer de aanwezigheid relatief gezien het hoogst is.
4.5.3 Verantwoording groepsrisico Het toevoegen van personen binnen een gebied kan invloed hebben op de mate van het groepsrisico. Hierboven is beschreven dat het aantal personen ten opzichte van de huidige situatie toeneemt met 265 personen. Gezien de beperkte omvang en de al bestaande overschrijding van het groepsrisico zal het plan naar verwachting nauwelijks invloed op het groepsrisico hebben. Ook wanneer rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van Schieveste, waarin 3.000 tot 3.500 woningen worden gerealiseerd (althans zijn onderzocht), geldt dat de beperkte toename ten opzichte van huidige gebruik naar verwachting nauwelijks invloed heeft op het groepsrisico. Onderstaand wordt daarom een beperkte verantwoording gegeven. In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is in artikel 7 opgenomen dat in de toelichting bij een bestemmingsplan, voor zover het gebied waarop dat plan betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval wordt ingegaan op: a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en b.
voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Toekomstige situatie aangaande toxische stoffen Door het treffen van adequate voorzieningen en/of maatregelen kunnen de risico's worden beperken en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en hulpverlening worden vergroot. Ten aanzien van toxische scenario's geldt dat de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen in het gebied verbeterd kunnen worden door de aanwezige gebouwen geschikt te maken om enkele uren in te schuilen. Hiervoor dienen deuren, ramen en ventilatieopeningen afsluitbaar te zijn. In gebouwen dient eveneens het centrale afzuigsysteem of luchtverversingssysteem uitgeschakeld te kunnen worden. Bij mogelijke herontwikkeling van bestaande gebouwen dient hier ook rekening mee gehouden te worden. Indien zich een ongeval met toxische stoffen voordoet, is het van belang dat personen kunnen schuilen. Door er zorg voor te dragen dat de mechanische installaties in Kop van de Singel handmatig worden uitgeschakeld, kan worden voorkomen dat luchttoevoer van buiten naar binnen toxische stoffen het gebouw in voert. Hierdoor kunnen gebruikers binnen schuilen wanneer een ramp zich voordoet.
Bewoners en overige gebruikers, zullen worden geïnformeerd over dit risico en de wijze waarop zij zichzelf en anderen in veiligheid kunnen brengen.
38
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
bestemmingsplan Kop van de Singel
De woningen worden zo gerealiseerd dat is geborgd dat mensen vanuit de woningen kunnen vluchten in een richting die haaks op de transportroute staat. Het plangebied is via verschillende wegen vanuit verschillende richtingen bereikbaar. Hiermee is het plangebied tevens voldoende bereikbaar voor hulpdiensten. Op grond van de eisen in het Bouwbesluit 2012 is geborgd dat voldoende en geschikte blus- en koelwatervoorzieningen worden gerealiseerd. Toekomstige situatie aangaande brandbare gassen Dit scenario speelt voor vervoer van brandbare gassen over de A20 (LPG). De maximale effectafstand bij een ramp met een dergelijk gas bedraagt 355 meter. De kortste afstand tussen de woningen in het projectgebied tot de A20 bedraagt minimaal 300 meter. Hiermee is het plangebied buiten de 100%-letaliteitszone gelegen waardoor de kans op bestrijdbaarheid van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen wordt vergroot. In verband met de situering binnen de effectafstand van brandbaar gas (LPG), dient rekening te worden gehouden met een rampscenario waarbij dit brandbaar gas betrokken is of kan zijn. Uit het Scenarioboek Externe Veiligheid kan worden opgemaakt welke scenario's kunnen ontstaan. Vanuit een worst-case benadering is uitgegaan van de koude BLEVE, die de meeste effecten kent.
Op dit scenario wordt aan de hand van de afstand tussen het ongeval en het te realiseren object, inzichtelijk gemaakt wat de eventuele effecten als gevolg van een ramp kunnen zijn. Dit effect is in kaart gebracht voor zowel personen als voor objecten.
Tabel 2 - Effecten personen bij koude BLEVE (https://www.scenarioboekev.nl/472/)
Tabel 3 - Effecten objecten bij koude BLEVE (https://www.scenarioboekev.nl/472/) De planlocatie is gelegen in de derde ring ten opzichte van de risicobron (300 meter). Op een dergelijke afstand is slechts sprake van beperkte effecten op het moment dat zich een BLEVE voordoet. Voor verwonding van personen die zich buiten bevinden, kan de situatie ontstaat dat 28 of minder slachtoffers lichtgewond raken (T3). Voor gebouwen of overige objecten geldt lichte schade. Van brand is geen sprake. Wel kan sprake zijn van afbladderende verf en/of ernstige
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
39
bestemmingsplan Kop van de Singel
verkleuringen. Hierdoor kan worden geconcludeerd dat gebruikers binnen de bestaande bebouwing zichzelf in veiligheid kunnen brengen door binnen te blijven. Van onaanvaardbare risico's is geen sprake. Daarnaast is voor beide scenario's goede risicocommunicatie vanuit het bevoegd gezag gewenst. Het bevoegd gezag draagt de zorg voor een goede voorlichting en instructie in de richting van de huidige en toekomstige bewoners en gebruikers van bestaande en nieuwbouwlocaties, zodat men weet welke risico's aanwezig zijn en hoe bewoners en gebruikers moeten handelen in het geval van een optredend incident.
4.5.4 Conclusie Met inachtneming van de artikelen 12 en 13 van het Bevi en de Visie Externe Veiligheid 2012-2020 Schiedam is gekeken naar de consequenties van het bestemmingsplan op het groepsrisico. Gezien het bestaande groepsrisico, de beperkte toename daarvan en de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt om op locaties met een verhoogd risico nadere eisen of voorwaarden te stellen is de gemeente Schiedam van mening dat uitvoering van het bestemmingsplan op een verantwoorde wijze plaats kan vinden. Daarbij geldt dat met het nemen van bovengenoemde maatregelen de kans op een ramp binnen het plangebied en daarmee het restrisico tot een minimum wordt beperkt, waardoor de beoogde ontwikkeling aanvaardbaar wordt geacht. Uit het bestuurlijk vooroverleg is naar voren gekomen dat de Gasunie en de Veiligheidsregio zich kunnen vinden in deze conclusie. De Veiligheidsregio merkt in haar advies van 3 januari 2022 aanvullend op dat het van belang is om zorg te dragen voor een goede bereikbaarheid en toereikende bluswatervoorzieningen, zodat hulpdiensten bij een incident adequaat kunnen optreden. Beide aspecten zullen in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning verder uitgewerkt worden.
4.6 Geluid 4.6.1 Algemeen In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidsbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven. Relevant geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Het gemeentelijk geluidbeleid is vastgelegd in de “Beleidsnota Hogere waarden voor geluid Beleid en uitvoering in Schiedam”, d.d. november 2010. Het beleid is erop gericht om bij het vaststellen van een hogere waarde voor geluidgevoelige bestemmingen minimaal één geluidluwe zijde te creëren. Het is daarbij belangrijk dat de geluidsituatie bij de geluidluwe zijde niet verstoord wordt door ander geluid dan waar het beleid over gaat. Bij redenen van evident maatschappelijk belang kan van dit beleid worden afgeweken.
Het vaststellen van een hogere waarde door burgemeester en wethouders is mogelijk indien maatregelen om de geluidbelasting te reduceren aan bron (verkeer) of tussen bron en ontvanger (gebouw), zoals schermen of verkeersreducerende maatregelen, niet doelmatig zijn of bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerkundige, landschappelijke of financiële aard
40
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
bestemmingsplan Kop van de Singel
ondervinden. Indien ook de maximaal te verlenen ontheffingswaarde wordt overschreden zijn geluidgevoelige functie niet mogelijk tenzij deze wordt voorzien van maatregelen (dove gevels). Met het actieplan 'Lucht & Geluid' heeft Schiedam gekozen voor het voorkomen en bestrijden van ernstige geluidhinder en slaapverstoring, in zowel bestaande als nieuwe situaties, met een plandrempel van 55dB.
4.6.2 Relatie tot ontwikkeling Door Buro Bouwfysica is in het kader van de bestemmingsplanprocedure een akoestisch onderzoek omgevingslawaai uitgevoerd. De rapportage is als Bijlage 6 toegevoegd. De resultaten van het akoestisch onderzoek worden hieronder integraal opgenomen. Het plan is gelegen binnen de geluidzone van de A20, de Burgermeester Haarenlaan/Brandersbrug, de trambaan langs de Overschiesestraat, alsmede het spoortraject Rotterdam - Den Haag en de Hoekse Lijn. De relevante niet-zoneplichtige wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur (Singel, Prof. Kamerlingh Onneslaan, Overschiesestraat, Overschieseweg en Overschiesedwarsstraat) zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening eveneens in het onderzoek betrokken. Tussen de A20 en de spoorlijn wordt momenteel gewerkt aan de uitwerking van het gebied Schieveste. Dit plan bestaat uit 5 fases en bevat onder meer enkele woontorens en kantoren. Door de ligging van Schieveste tussen de A20 en het gebouw s'MAAK zal Schieveste het gebouw deels afschermen van het geluid van de A20. Hoewel het bestemmingsplan die de ontwikkeling van Schieveste mogelijk maakt is vastgesteld, zijn er nog onzekerheden over de definitieve uitvoering van de plannen.
Om die reden is besloten dat enkel de afschermende werking van fase 1 van het project Schieveste kan worden meegenomen bij de beoordeling van het verkeerslawaai op voorliggend plan (zie figuur 7). In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen inzake de geluidafscherming Schieveste fase 1.
Afbeelding 7 - Planoverzicht Schieveste, inclusief fasering en bouwhoogtes Uit de berekeningen blijkt dat vanwege de A20, de Burgemeester Haarenlaan/Brandersbrug, de trambaan Overschieseweg en het spoortraject Rotterdam-Den Haag sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer en 55 dB voor het railverkeer. Het is daarom noodzakelijk om ten behoeve van de ontwikkeling hogere waarden (geluid) vast te stellen. De maximaal ontheffingswaarde voor wegverkeerslawaai ten gevolge van de A20 (53 dB) wordt overschreden op de noordgevel van de 14 e en 15e verdieping, waardoor het noodzakelijk is deze geveldelen van een dove gevel te voorzien. Het vereiste tot het hebben van een dove gevel is met een voorwaardelijke verplichting vastgelegd in de planregels.
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
41
bestemmingsplan Kop van de Singel
Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is in het akoestisch onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting ten gevolge van niet-zoneplichtige 30 km/uur-wegen. Hoewel de Wet geluidhinder niet van toepassing is op dergelijke wegen, zijn deze wel op een vergelijkbare wijze beoordeeld en zijn deze meegewogen in de gecumuleerde geluidbelasting. Uitgaande van de normstelling voor gezoneerde wegen wordt van de voorkeursgrenswaarde (48 dB) overschreden, maar wordt de maximale ontheffingswaarde (63 dB) niet overschreden. Een aanvullend akoestisch onderzoek is uitgevoerd naar de geluidsemissie van de spoorwegovergangssignalen nabij tramhalte Schiedam Centrum. De rapportage is als bijlage 7 toegevoegd. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat in het ‘worst case scenario’ voldaan wordt aan de toetswaarden. Geconcludeerd wordt dat in een rustige nachtperiode het overwegsignaal ter plaatse van de westgevel beter hoorbaar zal zijn dan op de drukkere momenten van de dag, maar dat gedurende een groot deel van de nachtperiode (van circa 1.00 uur tot 5.30 uur) geen trams rijden.
4.6.3 Hogere waarden (geluid) Wegens de overschrijding van de voorkeursgrenswaarden is gekeken naar de mogelijkheden om aanvullende maatregelen te treffen om de geluidsbelasting te verlagen. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat bron- en overdrachtsmaatregelen niet zinvol, doelmatig of stedenbouwkundig gewenst zijn en dat het gezien de locatie redelijkerwijs niet mogelijk is om de geluidbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde of lager. De voorgestelde bron- en overdrachtsmaatregelen generen onvoldoende effect, omdat deze niet leiden tot een vermindering van het aantal woningen met geluidluwe zijden en buitenruimte en is het effect op de gecumuleerde geluibelasting gering. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.10 van het Besluit geluidhinder en artikel 83 en 110a van de Wet geluidhinder zullen, in samenhang met dit bestemmingsplan, hogere waarden (geluid) worden vastgesteld (zie tabel 4). Het ontwerpbesluit hogere waarden (geluid) is als bijlage 9 bij dit ontwerp-bestemmingsplan gevoegd. Gelu idsbron
Aantal woningen
A20 (met Schieveste) 53 Burg. van Haarenlaan / Brandersbrug 47 Trambaan 21 en 24 51 Spoortraject Rotterdam-Den Haag 24 Tabel 4 - Vereiste hogere waarden Kop van de Singel
Verzochte hogere waarden in dB 53 52 58 58
Gelet op de beleidsnota hogere waarden en het actieplein 'Lucht & Geluid' is bij het verlenen van hogere waarden (geluid) in aanmerking genomen dat hoewel op voorhand nog niet voor alle woningen beschikken over een geluidluwe zijde en buitenruimte, met aanvullende (bouwkundige) maatregelen ter plaatse van de balkons en loggia's, in combinatie met afschermende maatregelen ter plaatse van spuivoorzieningen, wordt voldaan aan de Wet geluihinder en het gemeentelijk geluidbeleid. Daarnaast geldt dat de woningen, via de werking van het Bouwbesluit, een binnenwaarde van 33 dB dienen te hebben, waarmee een goed woon- en leefklimaat in de woningen is gewaarborgd.
42
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
bestemmingsplan Kop van de Singel
4.6.4 Conclusie Uit de resultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat hogere waarden in het kader van de Wet geluidhinder nodig zijn. Het besluit tot vaststelling hogere waarden maakt onderdeel uit van het plan. Door het treffen van aanvullende maatregelen aan de balkons en loggia's, in combinatie met afschermende maatregelen ten behoeve van spuivoorzieningen, wordt het plan haalbaar geacht binnen de kaders van de Wet geluidhinder en het gemeentelijk geluidbeleid. Daarmee wordt tevens een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd.
4.7 Luchtkwaliteit 4.7.1 Algemeen De Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit zijn geïmplementeerd in de Wet luchtkwaliteit (hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer). De wet bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. Voor NO 2 en PM 1 0 geldt een grenswaarde van maximaal 40 µg/m² als jaargemiddelde concentratie. Voor PM 2 ,5 geldt een maximale grenswaarde van 25,0 µg/m². Centraal staat een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Deze programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen, zodat de luchtkwaliteit verbetert en gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening door kunnen gaan. In de NSL zijn de meeste projecten opgenomen die "in betekende mate" (ibm) bijdragen. Het NSL is er op gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daartoe is een pakket aan maatregelen opgenomen in het NSL, zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies.
Dit pakket aan maatregelen zorgt er voor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in AMvB's en ministeriële regelingen. Op grond van artikel 5.16 van de Wet luchtkwaliteit kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals de vaststelling van een bestemmingsplan, uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert; de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht; het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het NSL of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden. In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.
Indien een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 , PM 1 0 (= 1,2 µg/m³) en PM 2 ,5 (= 0,75 µg/m³) of een project valt in een categorie welke is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden, een project doorgang kan vinden zonder nadere toetsing aan de grenswaarden. De reden hiervoor is dat in het NSL voldoende maatregelen zijn genomen om de bijdrage van deze projecten aan verslechtering van de luchtkwaliteit te compenseren.
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
43
bestemmingsplan Kop van de Singel
De definitie van 'niet in betekenende mate' is 3% van de grenswaarde voor NO 2 en PM 1 0 . De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m³ (µg/m³). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m² brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m² brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. Actieplan Lu cht & Gelu id In 2019 heeft de gemeente het Actieplan Lucht & Geluid (2019-2022) vastgesteld. Met de maatregelen in dit actieplan wordt mede een bijdrage geleverd aan het realiseren van de ambities van het college: Schiedam als een gezonde, aantrekkelijke, leefbare, groene en bereikbare stad, waar het prettig wonen, werken, ondernemen en recreëren is. Duurzaamheid is daarin het fundament voor alle acties in de komende periode, en vormt samen met stedelijke ontwikkeling, mobiliteit en gezondheid de rode draad door dit actieplan. Schiedam voldoet momenteel overal aan de Europese normen, en dus ook Nederlandse normen voor fijnstof (PM 1 0 en PM 2 ,5 ) en Stikstofdioxide (NO 2 ).
Daarentegen is er sprake van een overschrijding van de WHO-advieswaarde voor roet (EC, de belangrijkste gezondheids-indicator). Met het oog op de fiks lagere grenswaarden die door vele officiële instanties aanbevolen worden voor een gezonde leefomgeving (WHO, GGD, Gezondheidsraad) kiest Schiedam voor de volgende doelstelling, aangevuld met een onderzoek naar hoe Schiedam in 2030 aan de WHO-normen kan gaan voldoen: "Schiedam kiest voor gezonde lucht voor iedere Schiedammer. Binnen vijf jaar (2022) is het doel daarom om de in het actieplan genoemde (jaargemiddelde) waardes te halen.
4.7.2 Relatie tot ontwikkeling Het plan voorziet in de realisatie van 79 woningen en is dusdanig beperkt in omvang dat geconcludeerd mag worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m³ voor stikstofdioxide NO 2 , 40 µg/m³ voor fijnstof PM 1 0 en 25 µg/m³ voor fijnstof PM 2 ,5 . Onderstaande tabel toont de grootschalige achtergrondconcentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij de projectlocatie (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 2 december 2020). Uit de tabel blijkt dat de grenswaarden ter plaatse van de projectlocatie, van zowel fijnstof als stikstofdioxide, niet worden overschreden. Uit de tabel blijkt dat tevens wordt voldaan wordt aan de waarden uit het actieplan. Daarnaast geldt dat voldaan wordt aan de WHO-norm (2030) voor fijnstof.
Binnen de appartementen wordt een zodanig ventilatie- en/of filtersysteem toegepast dat de WHO-advieswaarden niet worden overschreden.
44
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
bestemmingsplan Kop van de Singel
Tabel 5 - Jaarlijkse achtergrondconcentraties NO2, PM 10 en PM 2,5 (bron: nsl-monitoring.nl)
4.7.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
4.8 Verkeer 4.8.1 Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte heeft de gemeente in 2018 het facetbestemmingsplan “Parkeren” vastgesteld. Door vaststelling van dit bestemmingsplan ontstaat voor de gemeente de mogelijkheid een initiatief of bouwaanvraag te toetsen aan de geldende parkeernormen. Het bestemmingsplan “Parkeren” legt de koppeling met de gemeentelijke Nota Parkeernormen en Mobiliteitsmanagement uit 2017. Aan de hand daarvan kan de parkeerbehoefte voor een nieuwe ontwikkeling worden vastgesteld. In de basis geldt dat dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid en dat in deze behoefte dient te worden voorzien op eigen terrein.
4.8.2 Parkeren bestaande situatie In de huidige situatie zijn in totaal 43 autoparkeerplaatsen aanwezig binnen het plangebied: 38 autoparkeerplaatsen op het parkeerveld en 5 parkeerplaatsen gelegen aan de Singel. Deze parkeerplaatsen zullen ten gevolge van de ontwikkeling verdwijnen. Uit eerder onderzoek naar de parkeermotieven (Parkeeronderzoek Schiedam 2019, Trajan, 28 augustus 2020) is gebleken dat een deel van deze parkeerplaatsen, in totaal 15 stuks, vooral door forenzen gebruikt worden. Hiervoor zijn voldoende alternatieven beschikbaar in de stationsomgeving, zoals de P+R-parkeervoorziening aan de noordzijde van het station. Deze 15 plekken hoeven zodoende niet gecompenseerd te worden. De resterende parkeerplaatsen worden hoofdzakelijk door bewoners gebruikt en zullen worden gecompenseerd.
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
45
bestemmingsplan Kop van de Singel
Afbeelding 8 - Compensatie bestaande parkeerplaatsen, volledig (links) en deels (rechts) Onderzocht is op welke wijze deze parkeerplaatsen kunnen worden gecompenseerd (zie afbeelding 8). Het eerste alternatief dat is onderzocht gaat uit van een volledige compensatie van de 28 parkeerplaatsen. Het tweede alternatief betreft een gedeeltelijke compensatie van 16 parkeerplaatsen, overeenkomstig het autoluw maken van stationslocatie als benoemd in de visie Stationsomgeving en de verwachte ontwikkelingen in de parkeerdruk- en parkeervraag. Dit alternatief is onderzocht omdat het de verwachting is dat, door toe te werken naar een betere balans tussen beschikbare parkeerplaatsen en uitgegeven parkeervergunningen in de wijk Oost, een deel van de parkeerplaatsen op termijn niet meer benodigd zal zijn. Daarnaast is het de verwachting dat een aantrekkelijker openbaar vervoer met hogere frequenties van trein en metro, in samenhang met een verbeterd station, zal leiden tot een lagere autoafhankelijkheid in de buurt, zoals ook wordt gezien in vergelijkbare stationsbuurten. Beide alternatieven voor compensatie van parkeerplaatsen zijn in te passen in de omgeving. Gelet op de huidige parkeerdruk en parkeervraag een volledige compensatie van de 28 parkeerplaatsen als uitgangspunt genomen.
Indien de verwachte afname in parkeerdruk en parkeervraag zich op termijn voordoet zal beoordeeld worden of compensatie van alle parkeerplaatsen nodig blijft of dat de ruimte die gereserveerd is voor parkeerplaatsen kan worden gebruikt voor een kwalitatieve verbetering en/of vergroening van het openbaar gebied.
4.8.3 Parkeren ontwikkeling Kop van de Singel Het plan omvat de ontwikkeling van 79 appartementen. Op de begane grond wordt tevens een kantoor voorzien. Het betreft in totaal 2.015 m² aan kantoorruimte. Daarnaast is binnen het plan 240 m² aan horeca aan de stationszijde beoogd. Op basis van de gemeentelijke parkeernota kan geconcludeerd worden dat het plangebied gelegen is binnen het gebied 'schil met gereguleerd parkeren'. De parkeerbehoefte van het plan is op basis van de gemeentelijke parkeernormen als volgt:
Tabel 6 - Parkeerbehoefte ontwikkeling Kop van de Singel
46
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
bestemmingsplan Kop van de Singel
Parkeerbeh oefte appartementen Op grond van de geldende parkeernormen geldt voor woningen gelegen in een gebied met gereguleerd parkeren een dienen voor de 79 appartementen in totaal 56 autoparkeerplaatsen gerealiseerd te worden. Het parkeerbeleid biedt mogelijkheden om af te wijken van de parkeernormering indien sprake is van uitwisselbaarheid van parkeervoorzieningen bij woningbouw. Vanuit de Mobiliteitsvisie 'Op weg naar de toekomst' bestaat de behoefte aan het verminderen van de vervoersbewegingen in en rondom de stad en wordt er belang aan gehecht waar mogelijk een lagere parkeernorm toe te passen. Het aantal vervoersbewegingen hangt immers voor een groot deel samen met de beschikbare parkeercapaciteit. Voor dit plan is dat tot uiting gekomen in de optelsom van de volgende alternatieven voor mobiliteit: toereikend en hoogwaardig OV op directe loopafstand van de woontoren. Het plangebied is namelijk gelegen op circa 100 meter van station Schiedam Centraal. inzet van twee deelauto's bestemd voor de toekomstige bewoners van de woontoren. het voorzien in extra stallingsruimte voor de fiets (bovenop de reguliere norm). Nabijheid openbaar vervoer De situering van de woontoren op deze locatie zorgt voor een uitstekende bereikbaarheid per openbaar vervoer. Door de ligging direct naast station Schiedam Centrum, is het gebied uitstekend ontsloten middels openbaar vervoer.