CConstaterende datSchiedam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Bestemmingsplan De Nieuwe Kethelpoort

Gemeenteraad 6 juli 2023, gemeente SchiedamBij agendapunt: Raadsbesluit Vaststelling bestemmingsplan 'De Nieuwe Kethelpoort'34.717 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Dergelijke welstandscriteria kunnen niet worden opgesteld zonder dat er een concreet stedenbouwkundig plan, bijvoorbeeld in de vorm van een beeldkwaliteitsplan, aan ten grondslag ligt.

Bestemmingsplan De Nieuwe Kethelpoort Toelichting Vaststelling

25

Het opstellen van welstandscriteria voor (her)ontwikkelingsprojecten kan een onderdeel zijn van de stedenbouwkundige planvoorbereiding. De criteria worden in dat geval opgesteld door de gemeente of in overleg met de commissie. De gemeenteraad stelt de welstandscriteria vervolgens vast ter aanvulling op de welstandsnota, waarbij de inspraak gekoppeld kan worden aan de inspraakregeling bij de stedenbouwkundige planvoorbereiding. Ten behoeve van de ontwikkeling is een beeldkwaliteitplan opgesteld, zie Bijlage 1, waarin principes zijn opgenomen waar het plan aan dient te voldoen. 3.3.7

Mobiliteitsvisie

De mobiliteitsvisie 'Op weg naar de toekomst' is op 3 november 2020 vastgesteld. De Mobiliteitsvisie heeft als ambitie om bij te dragen aan het realiseren van een leefbare en bereikbare stad, een gezonde en duurzame stad en een sociale en veilige stad. Een aantrekkelijke stad is een stad waar ruimte is voor wonen, ontmoeten, werken en recreëren. Mobiliteit zorgt voor verbinding en kan ontwikkelingen aanjagen. Mobiliteit heeft ook een keerzijde; hoge parkeerdruk, toenemende overlast van binnenstadslogistiek en een groeiend aantal files in en rondom de stad, die de leefbaarheid en bereikbaarheid van de stad onder druk zetten. Tegelijkertijd heeft een goede bereikbaarheid van bedrijven voor werknemers, werkgevers en leveranciers een directe invloed op het vestigingsklimaat en de concurrentiepositie van Schiedam in de regio. De Mobiliteitsvisie geeft een andere, vernieuwende kijk op mobiliteit, met een juiste balans als uitgangspunt. Keuzes die verblijfskwaliteit toevoegen en er tegelijkertijd voor zorgen dat mensen en plekken verbonden blijven. Daarbij wordt meer ingezet op duurzame en ruimte-efficiënte vervoersmiddelen, zoals lopen, fietsen en een kwalitatief hoogwaardig OV en worden auto's en vrachtverkeer zoveel als mogelijk geweerd uit de drukke binnenstad. Tegelijkertijd wordt het eenvoudiger en aantrekkelijker om te kiezen voor alternatieven.

Transportmiddelen zijn verantwoordelijk voor bijna een derde van alle CO2 uitstoot door verkeer en voor meer dan 60 procent van de uitstoot van stikstofdioxide (NO2). De bijdrage hiervan aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en daarmee ook de gezondheid is aanzienlijk. De ambitie is om deze uitstoot terug te dringen, met een sterkere inzet op duurzame en groene alternatieven voor met name het auto- en vrachtverkeer. Bij de sociale component van mobiliteit wordt ingezet op 'inclusiviteit': iedereen moet van het mobiliteitsaanbod gebruik kunnen maken. Toetsing Het plan sluit aan bij de ambities uit de mobiliteitsvisie, door onder andere te kiezen voor het verhogen van de verblijfskwaliteit binnen het plangebied en het clusteren van de parkeervoorzieningen in één mobiliteitshub. Het aspect verkeer is verder uitgewerkt in paragraaf 4.7. 3.3.8

Groenblauwe structuurvisie

Begin 2015 is de GroenBlauwe Structuurvisie vastgesteld. Daarin wordt een visie gegeven op het toewerken van het toekomstige groenblauwe netwerk naar sfeer, gebruik, status en toekomstwaarde en de relaties tussen de verschillende onderdelen van het groenblauwe netwerk. De visie beschrijft in hoofdlijnen een groenblauwe structuur die opgebouwd is uit drie grootheden. Op een lager schaalniveau spelen een aantal structuurlijnen een belangrijke rol in het groenblauwe netwerk. Een van deze structuurlijnen is de Parkweg. De Parkweg vormt voor het stadslandschap een belangrijke route. Voor de groenblauwe verbindingen gelden de volgende uitgangspunten:

Bestemmingsplan De Nieuwe Kethelpoort Toelichting Vaststelling

26

Toetsing De singel aan de zuidzijde van het plangebied is op de visiekaart aangegeven als groenblauwe verbinding. Dit betreft een lijnverbinding met groene, blauwe en/of recreatieve waarde. De groenblauwe structuur van De Nieuwe Kethelpoort is verbonden met de groene hoofdstructuur van de wijk, de singel en de groene zone (met objecten en voorzieningen) ten noorden ervan (zie ook paragraaf 2.3.4). In dNK wordt de singel toegankelijk en beleefbaar gemaakt. De wandelpromenade langs de singel wordt doorgetrokken en ter hoogte van het bruggetje over de singel wordt een terras aan het water gesitueerd. De singel wordt deels uitgegraven ten behoeve van berging van de hemelwater. Daarbij worden de oevers van de singel natuurvriendelijk ingericht, met rijk aquatisch leven. De ruimte tussen de woonblokken vormt een groen tapijt, met solitaire bomen, boomgroepen en heesters. De autovrije inrichting versterkt de groene informele sfeer van het gebied. Het plan sluit hiermee aan bij de ambities uit de GroenBlauwe Structuurvisie. 3.3.9

Economische Visie Kansen voor Schiedam

Op 2 november 2021 heeft de gemeenteraad van Schiedam de economische Visie Kansen voor Schiedam vastgesteld. De actuele economische context, waarin nog meer dan voorheen de nadruk ligt op digitalisering, duurzaamheid en stedelijke verdichting, vroeg om herziening van het beleid uit 2016. Ook de aanstaande Omgevingswet vraagt om een duidelijke keuze ten aanzien van ruimtegebruik. Als centrale missie in de economische visie is opgenomen dat Schiedam staat voor een sterk, aantrekkelijk en toekomstbestendig economisch vestigingsklimaat, als voorwaarde voor het creëren van brede welvaart in de gemeente. Voor wat betreft het plangebied voor de Nieuwe Kethelpoort is het volgende van belang. In de economische visie is opgenomen dat Schiedam drie kantorenlocaties heeft waar (grotere) kantoren zich kunnen vestigen. Dit zijn Vijfsluizen, 's-Graveland Zuid en het gebied rond station Schiedam Centrum. Het plangebied ligt niet in een van deze aangewezen gebieden. Daarom is het vestigen van grotere kantoren ter plekke niet toegestaan. In de regels is een maximum oppervlak van 600 m2 voor het commerciële programma opgenomen. Daarnaast is aangegeven dat alleen lokaal verzorgende kantoren zijn toegestaan.

Bestemmingsplan De Nieuwe Kethelpoort Toelichting Vaststelling

27

Verder ligt het plangebied op een steenworp afstand van het winkelcentrum aan de Monseigneur Nolenslaan. Dit is een goed functionerend wijkwinkelcentrum dat niet aangetast mag worden door in de nabije omgeving concurrente detailhandel toe te staan. Daarom is de vestiging van detailhandel in het plangebied in de regels van het bestemmingsplan ter plekke uitgesloten. Een uitzondering wordt alleen gemaakt voor ondergeschikte detailhandel, bijvoorbeeld bij dienstverlener functies. Waar lokaal wel behoefte aan is, is aan horeca die een goede kwalitatieve aanvulling kan zijn op het nabijgelegen wijkwinkelcentrum. Daarnaast is er vanuit de economische visie ook geen bezwaar voor de menging van functies of maatschappelijke functies. Gelet op het voorgaande en de waarborgende regels van het bestemmingsplan, kan dan ook worden gesteld dat de ontwikkeling past in de Economische Visie Kansen voor Schiedam. 3.3.10 Nota horecabeleid Schiedam Het Horecabeleid Schiedam 2021 geeft inzicht in hoe de gemeente Schiedam vormgeeft aan de balans tussen horeca in de stad, de openbare orde & veiligheid en het woon- en leefklimaat van onze inwoners. De visie van het beleid ziet op het creëren van een sfeervolle stad met een aantrekkelijk klimaat voor horeca-exploitanten, toeristen en bewoners.

Hierbij ziet het centrumgebied op een dynamische en levendige omgeving en hebben de overige gebieden de nadruk op wonen en bedrijven. Dit betekent dat in het centrumgebied meer activiteiten en bedrijvigheid wordt toegestaan en bezoekers en bewoners zich daarvan bewust moeten zijn dan wel dienen te dulden. Voor het woonwijkgebied is meer aandacht voor het waarborgen van het woon- en leefklimaat en dient overlast van horecabedrijven tot een minimum beperkt te blijven. Gebiedsgericht beleid Het gebiedsgericht beleid (in werking per 1 januari 2022) verdeelt de stad onder in drie gebieden (centrum, woonwijken, bedrijventerreinen). Het plangebied ligt in het gebied woonwijken. Het horecabeleid geeft aan dat in deze gebieden het wonen centraal staat. Dit mede om het woon- en leefklimaat ter plekke te beschermen. Horeca zal in de woonwijken daarom ter ondersteuning van de woonfunctie zijn en een beperkte impact op de openbare orde, veiligheid en woon- en leefomgeving moeten hebben. Nieuwe horeca is niet uitgesloten maar dient zich te vestigen in of in de invloedssfeer van deze wijkwinkelcentra. In dit geval ligt het plangebied binnen de invloedssfeer van het wijkwinkelcentrum Nolenlaan waardoor er beleidsmatig mogelijkheden zijn om nieuwe horeca te faciliteren. Terrassen Het beleid ten aanzien van terrassen is opgenomen in de nota Horecabeleid Schiedam 2021.

In beginsel is het mogelijk een terras te plaatsen zolang een terras zich verhoudt tot de openbare orde en veiligheid en het lokale woon- en leefklimaat. Of, en welke grootte een terras kan krijgen, wordt per geval beoordeeld bij de behandeling van de vergunningaanvraag. Alle horecaterrassen in Schiedam moeten voldoen aan de in het horecabeleid gestelde eisen ten aanzien van de plaatsing van het terras.

Bestemmingsplan De Nieuwe Kethelpoort Toelichting Vaststelling

28

Hoofdstuk 4 Planologische en milieutechnische randvoorwaarden Het al dan niet voldoen aan verschillende planologische en milieutechnische randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuw bestemmingsplan ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan getoetst op planologische en milieutechnische randvoorwaarden.

4.1

Waterparagraaf

4.1.1

Algemeen

Ten behoeve van de uitvoering van de wettelijk verplichte watertoets is voor dit bestemmingsplan een waterparagraaf opgesteld. In deze waterparagraaf wordt stilgestaan bij de belangrijkste aspecten met betrekking tot de waterhuishouding. Het doel van de waterparagraaf is het vastleggen en behouden van de watergerelateerde functies in het bestemmingsplan. Daarnaast wordt stilgestaan bij randvoorwaarden die gelden voor toekomstige ontwikkelingen. Hierbij wordt onder andere aandacht geschonken aan de waterkwantiteit, waterkwaliteit en de waterafvoer. 4.1.2

Beleidskader

4.1.2.1 Rijksbeleid Waterwet De Waterwet is op 22 december 2009 in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. Nationaal Waterplan Op 22 december 2009 is ook het Nationaal Waterplan vastgesteld door het Rijk. Inmiddels is dit plan geactualiseerd voor de periode 2016 tot en met 2021. Het plan is vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het Nationaal Waterplan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de bijbehorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven. Nederland voldoet met dit Nationaal Waterplan aan de Europese eisen beschreven in de KRW, de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS). Het Nationaal Waterplan 2016-2021 kent vijf ambities waaronder dat Nederland de veiligste delta in de wereld moet blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstromingen te vernieuwen.

Daarnaast wordt er gekozen voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit en zoet water beschikbaarheid. Een andere ambitie is dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht. Ook moet het bewustzijn van de bevolking met betrekking tot het duurzame en verantwoorde gebruik van en de omgang met water worden vergroot.

Bestemmingsplan De Nieuwe Kethelpoort Toelichting Vaststelling

29

Watertoets Omdat het aspect water in ruimtelijke plannen een mede ordenend principe is, is de watertoets geïntroduceerd. Deze watertoets is verplicht gesteld in november 2003 voor ruimtelijke plannen. De watertoets is een procedure, waarbij de initiatiefnemer in overleg met de waterbeheerders de waterhuishouding van een te ontwikkelen gebied inricht. Het belangrijkste inhoudelijke doel van de watertoets is, dat initiatiefnemers 'waterneutraal' bouwen. Dit betekent voor het waterkwantiteitsaspect, dat niet meer water wordt afgevoerd uit het plangebied dan in de situatie voor de ruimtelijke ingreep. Voor de waterkwaliteit betekent dit in ieder geval dat de waterkwaliteit in en om het gebied niet mag verslechteren. Bovendien mogen plannen de grondwatersituatie buiten het plangebied niet negatief beïnvloeden. 4.1.2.2 Provinciaal beleid Omgevingsverordening Zuid-Holland De omgevingsverordening Zuid-Holland geeft antwoord op de vraag wat er moet gebeuren om de provincie Zuid-Holland ook in de toekomst op een duurzame wijze veilig en leefbaar te houden. Het gaat daarbij om de volgende opgaven:    

waarborgen van de veiligheid tegen overstromingen; realiseren van mooi en schoon water; ontwikkelen van een duurzame zoetwatervoorziening; het realiseren van een robuust en veerkrachtig watersysteem.

Waterverordening Zuid-Holland In 2019 is de omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld. Daarin is onder andere vastgelegd dat voor bebouwing in de bebouwde kom, de norm voor de gemiddelde overstromingskans maximaal 1 keer per 100 jaar is. Deze norm is van toepassing vanuit het oogpunt van berging en afvoer van regionale wateren. In de omgevingsverordening staan verder normen opgenomen voor regionale waterkeringen en zijn regels opgenomen ten aanzien van grote grondwateronttrekkingen. 4.1.2.3 Beleid waterbeheerder Waterbeheerprogramma 6 Natuurlijk zijn veiligheid en het voorkomen van wateroverlast belangrijke aandachtspunten voor Delfland. Maar het gaat niet alleen om deze voor de hand liggende aspecten. Sinds het Waterbeheerplan 2010-2015 organiseert Delfland het werk vanuit de inhoudelijke onderwerpen: Stevige dijken, Voldoende water, Schoon water en Gezuiverd afvalwater. De onderwerpen zijn onderverdeeld in thema's (zie onderstaande tabel). Bij het leveren van input voor en beoordelen van ruimtelijke plannen hanteert Delfland deze onderwerpen en thema's als leidraad. In het Waterbeheerplan 2016-2021 is bovendien aangegeven, dat deze thema's niet op zichzelf staan, maar een integrale opgave voor een toekomstbestendig watersysteem omvatten. Op 10 maart 2022 is het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) vastgesteld.

In het WBP6 wordt met een brede blik naar de watertaken van Delfland gekeken vanuit het perspectief van de leefomgeving. Meer informatie is te vinden op: www.hhdelfland.nl/wbp6. Voor de structuur van deze Handreiking gaan we nog steeds van onderstaande onderwerpen en thema's uit.

Bestemmingsplan De Nieuwe Kethelpoort Toelichting Vaststelling

30

Onderwerp

Thema's

Stevige dijken

veiligheid, waterkeringen

Voldoende water

voorkomen van wateroverlast, grondwater (zoet)watertekort, onderhoud en bagger

Schoon water

watersysteemkwaliteit, ecologie

Gezuiverd afvalwater

afvalwaterketen

Klimaatadaptatie

klimaatadaptatie

en

voorkomen

van

Handreiking watertoets In 2012 heeft het Hoogheemraadschap de Handreiking watertoets voor gemeenten vastgesteld en daarna regelmatig geactualiseerd. De handreiking is specifiek geschreven voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. Met deze handreiking wordt inzicht gegeven in de wijze waarop het Hoogheemraadschap van Delfland procedureel en inhoudelijk omgaat met de watertoets. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de landelijke en provinciale regelgeving. Met de watertoets wordt gestreefd naar een goede inpassing van water in ruimtelijke planvorming. Voorkomen moet worden dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen negatieve effecten hebben op het watersysteem. Waar mogelijk moeten kansen worden benut om het watersysteem te verbeteren. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Dit kan leiden tot wateroverlast en moet worden gecompenseerd door extra waterberging aan te leggen. Daarnaast vindt Delfland het belangrijk dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden met hevigere neerslag door klimaatverandering. De vernieuwde watersleutel van juni 2020 berekent daarom de benodigde waterberging, zowel voor het compenseren van verharding als om gevolgen van klimaatverandering op te vangen.

Een belangrijk uitgangspunt in planvorming is het zogenaamde standstill-beginsel. Dit betekent dat de kans op wateroverlast in principe niet mag toenemen als gevolg van het ruimtelijk plan. De initiatiefnemer moet ervoor zorgen dat de eventuele negatieve gevolgen van het ruimtelijk plan worden gecompenseerd. Compensatie moet worden gerealiseerd door middel van bergen óf in het onderdeel van het principe vasthouden-bergen-afvoeren, waarin de verslechtering optreedt. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, of de vasthoudcapaciteit van een gebied op andere manieren wordt verkleind, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater, doordat water niet langer in de bodem kan infiltreren maar oppervlakkig of via (hemelwater)riolering wordt afgevoerd. Dit kan leiden tot wateroverlast, en past dus niet binnen het standstill-beginsel, tenzij ter compensatie extra waterberging wordt gerealiseerd. 4.1.2.4 Gemeentelijk beleid Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023 Het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan beschrijft voor de periode 2019-2023 de doelen en eisen die worden gesteld aan de riolering en het beheer, zodat een goede invulling gegeven wordt aan de gemeentelijke watertaak van afvalwater, hemelwater en grondwater.

In vergelijking met het voorgaande plan voor de periode 2014-2018 zijn de ambitieniveaus voor het onderwerp klimaatadaptatie verhoogd (van basis naar ambitieus).

Bestemmingsplan De Nieuwe Kethelpoort Toelichting Vaststelling

31

In lijn met het door het Rijk opgestelde Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie heeft de gemeente als doel om de stad klimaatbestendig en water robuust in te richten. Om deze reden is het klimaatadaptatieplan ontwikkeld, waarin wordt ingegaan op ruimtelijke adaptatie en de omgang met weersextremen. Met dit vGRP worden de klimaatambities vertaald in concreet beleid voor stedelijk water. De belangrijkste aandachtspunten zijn:   

aanpak van droogte (aandacht voor bodemdaling en kwetsbare funderingen); wateroverlast door hevige neerslag; actief betrekken van bewoners bij het klimaatadaptief inrichten van de stad.

Met de rioleringszorg in Schiedam worden doelen nagestreefd. De doelen voor de rioleringszorg zijn aangepast aan de nieuwe rol ten aanzien van het hemelwater en grondwater en sluiten goed aan bij het gedachtegoed van de invoering van de verbrede watertaken. De rioleringszorg in Schiedam dient de volgende doelen: zorgplichten op orde, klaar voor de toekomst, maatwerk en innovatie, meten en leren in de praktijk en samenwerken op alle niveaus. In het vGRP wordt extra aandacht besteed aan het toetsbaar maken van doelen aan de hand van prestatie indicatoren. In het vGRP is een toelichting gegeven op hoe de doelen meetbaar zijn gemaakt. Klimaatadaptatieplan Om wateroverlast te voorkomen, is uitgangspunt dat de stad een extreme bui kan verwerken. Om in tijden van droogte het uitdrogen van de bodem en het 'uitzakken' van de grondwaterstand tegen te gaan, wordt zoveel mogelijk water opgevangen, vastgehouden en geïnfiltreerd in de bodem. Om de opwarming van de stad in tijden van een hittegolf te beperken, is de doelstelling dat de stad hooguit 2 °C meer opwarmt dan het omliggende landelijke gebied. Doelstelling voor overstromingen is dat Schiedammers beschikken over een handelingsperspectief voor de overstromingsgevoelige gebieden. Een ander gevolg van klimaatverandering is de wereldwijde afname van biodiversiteit. Om verschillende redenen wil Schiedam het groen in de stad versterken.

Er is een samenhang met klimaatadaptatie, omdat vergroening ook een rol speelt in met name de aanpak van hittestress. Door een goede groeninrichting van de buitenruimte en door in en rond bebouwing natuur-inclusieve maatregelen te nemen, wordt (mede) een belangrijke bijdrage geleverd aan het versterken van de biodiversiteit in de stad. 4.1.3

Relatie tot ontwikkeling

De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse van het plangebied. Planbeschrijving en waterkwantiteit Het plangebied kent een vastgesteld waterpeil van -2,25 m NAP. Direct aan het plangebied grenst een primaire watergang. Het plangebied bedraagt in totaal ca. 10.457 m2. In de huidige situatie bestaat het grootste gedeelte van het plangebied uit verhard oppervlak (circa 7.808 m2). Het overige deel bestaat uit onverhard groen. In de toekomstige situatie bedraagt het aantal m2 verharding circa 7.361 m2. Het aantal m2 verharding neemt op basis van deze uitgangspunten met ongeveer 450 m2 af. In het plan worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: 1. Het watersysteem is integraal en robuust ontworpen, zichtbaar en beleefbaar voor de gebruikers. 2. Er moet worden voldaan aan de gestelde eisen vanuit Hoogheemraadschap van Delfland (HHD), waarbij het Hoogheemraadschap een watersleutel hanteert om de benodigde waterberging te berekenen, zowel voor het compenseren van verharding alsmede om gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Bestemmingsplan De Nieuwe Kethelpoort Toelichting Vaststelling

32

3. De groen ingerichte openbare ruimte draagt bij aan opvang van de regenbuien en berging van het water. 4. Inrichting van de wateroevers van de Singel is continu, zowel in ecologische als ruimtelijke zin (schakel groenblauwe hoofdstructuur). Sub 1. Watersysteem In het plan wordt een integraal watersysteem ontworpen waarin de gebouwen en openbare ruimte samenwerken om het gebied klimaatadaptief te maken. Hittestress wordt tegengegaan door extra oppervlaktewater, ontstening, het vergroenen van de openbare ruimte, slimme materiaalkeuzes en het toepassen van bomen in volle grond bij verharde oppervlaktes. Er wordt ingezet op vergroening en een reductie van het verhard oppervlak (voorkomen overbodige verharding, aanleggen alleen de benodigde verharding). Sub 2. Wateropgave Hoogheemraadschap Delfland Ten behoeve van de ontwikkeling is een watersleutel ingevuld, zie Bijlage 13. Uit de ingevulde watersleutel volgt dat er in het plangebied 52,1 m3 waterberging en 87 m2 oppervlaktewater gerealiseerd dient te worden. Daarnaast wordt er waarde gehecht om een extra inspanning te doen voor het realiseren van waterberging. Door het verbreden van de bestaande watergang met circa 200 m2 wordt ruimschoots voldaan aan de opgave uit de watersleutel. Daarnaast worden op blok D en E groene waterbergende daken aangebracht. Sub 3 en 4.

Openbare ruimte en wateroevers Het hemelwater wordt in het gebied opgevangen en gebruikt voor de groene ambities. dNK ligt aan een bestaande watergang. Deze watergang/Singel wordt verbreed om een robuust watersysteem te kunnen realiseren. De nieuwe groenstructuur in de wijk zorgt voor meer waterinfiltratie en meer ruimte voor beplanting, maar ook voor het reduceren van hittestress. Daarnaast zorgt de schaduw van gebouwen voor voldoende verkoeling.

Afbeelding 4.1: Oever vergroting Afvalwaterketen en riolering In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met het 'verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2019-2023' en de Bestemmingsplan De Nieuwe Kethelpoort Toelichting Vaststelling

33

basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (rwzi). Derhalve wordt voor de nieuwe ontwikkeling een gescheiden stelsel aangelegd. Het toevoegen van het plan aan het rioolstelsel zal geen probleem opleveren voor het transportstelsel of de zuivering van Delfland. Beschermde gebieden Het plangebied is niet gelegen in een beschermingszone van een waterkering. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Negatieve effecten op NNN-gebieden in de omgeving zijn daarmee uit te sluiten. Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het Hoogheemraadschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de Legger zijn de watergangen opgenomen, waarop de Keur van toepassing is.

Afbeelding 4.2: uitsnede Legger Delfland Onderhoud en bagger De primaire watergang is in beheer bij het hoogheemraadschap. Onderhoud en beheer van de watergang dient ook in de nieuwe situatie mogelijk te blijven. Hierover dient nadere afstemming met Delfland in het kader van de watervergunning plaats te vinden. Beheer en onderhoud van de riolering is in handen van de gemeente Schiedam. Grondwater en (zoet)watertekort De huidige waterpeilen worden niet aangepast ten behoeve van het plan. Hierdoor zal bodemdaling niet aan de orde zijn. Grondwateroverlast is niet bekend en is ook niet te verwachten. Indien bij toekomstige ruimtelijke ontwikkeling ondergrondse constructies worden gebouwd, waarvan de Bestemmingsplan De Nieuwe Kethelpoort Toelichting Vaststelling

34

onderkant dieper ligt dan de hoogste grondwaterstand, wordt geadviseerd waterdicht te bouwen om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat. In het plan zijn vooralsnog geen ondergrondse constructies gepland. De huidige waterpeilen worden niet aangepast ten behoeve van het plan. Het plan heeft derhalve geen (negatieve) invloed op karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden; er is immers geen kans op verdroging als gevolg van het plan. Waterveiligheid Uit de legger van het Hoogheemraadschap Delfland blijkt dat het plangebied niet gelegen is in een beschermingszone van een waterkering. Watersysteemkwaliteit en ecologie Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit van zowel oppervlaktewater als grondwater leiden. Op en aan het water zullen diverse werkzaamheden en activiteiten plaats vinden. Deze mogen de waterkwaliteit niet beïnvloeden. Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Bij het verbreden van de watergang/Singel zal worden voorkomen dat de waterkwaliteit door het mengen met eventuele nabije bodemvervuiling niet verslechtert. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. 4.1.4

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het plan.

4.2

Bodem

4.2.1

Algemeen

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient een bodemanalyse te worden verricht met het oog op de beoordeling van de realiseerbaarheid van bepaalde bestemmingen of bestemmingswijziging. De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wet bodembescherming, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. 4.2.2

Relatie tot ontwikkeling

Door onderzoeksbureau ATKB is een verkennend en nader bodemonderzoek uitgevoerd. Het complete onderzoek is opgenomen als Bijlage 2 bij deze toelichting. In deze paragraaf zijn de belangrijkste resultaten uit dit onderzoek opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat de bodem op de locatie tot circa 2,0 m-mv onder maaiveld bestaat uit afwisselend zand- en kleilagen en hieronder tot tenminste 3,5 m-mv uit kleilagen met plaatselijk veen. De grondwaterstand is gelegen op circa 1,5 m-mv. In verschillende boringen is bodemvreemd materiaal waargenomen. Dit is hoofdzakelijk in kleilagen aanwezig. Deze lagen zijn als historische ophooglagen beschouwd. Rond de grondwaterstand is plaatselijk sprake van oliewaarnemingen. De waarnemingen zijn in lijn met de verwachtingen. Ter plaatse van een mogelijk nog aanwezige ondergrondse HBO-tank op het zuidwestelijk deel van de locatie (15.000 liter) is zintuiglijk in verschillende boringen geen olie waargenomen. De tank zelf is niet aangetroffen.

Bestemmingsplan De Nieuwe Kethelpoort Toelichting Vaststelling

35

Uit het verkennend onderzoek blijkt dat de grond op vrijwel alle locatiedelen licht verontreinigd is met PCB, PAK en zware metalen. De daarnaast en meer plaatselijk vastgestelde matige en sterke verontreinigingen in de grond (lood, zink, minerale olie en PFAS) zijn aansluitend nader onderzocht. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en molybdeen. Uit het nader onderzoek blijkt dat de omvang van sterk met minerale olie verontreinigde grond (bekende restverontreiniging na sanering) circa 125 m3 bedraagt. Dit is een bekend geval van ernstige bodemverontreiniging. De verontreiniging leidt niet tot onaanvaardbare risico's. Uit eerdere monitoring (tot 2014) is bekend dat geen sterke grondwaterverontreiniging aanwezig is. Uit het nader onderzoek blijkt daarnaast dat de omvang van sterk met lood en zink verontreinigde grond circa 1.320 m3 bedraagt. Ter plaatse heeft nog geen volledige afperking kunnen plaatsvinden. De verontreiniging betreft een geval van ernstige bodemverontreiniging en leidt niet tot onaanvaardbare risico's. Uit het nader onderzoek blijkt dat de omvang van met PFAS verontreinigde grond (niet toepasbare grond) tenminste circa 200 m3 bedraagt. De vastgestelde gehalten liggen ruim onder de risicogrenzen. De herkomst van de verontreiniging is niet bekend en wordt als een historische verontreiniging beschouwd.

Een deel van deze grond is gelegen binnen het geval van ernstige bodemverontreiniging met lood en zink. Ook deze verontreiniging leidt niet tot onaanvaardbare risico's. Uit het verkennend asbest en bodemonderzoek blijkt dat op de locatie asbest in grondlagen aanwezig is (zowel in plaatmateriaal als in de kleinere fracties). Er is geen noodzaak tot nader onderzoek. Het is, volgens de werkwijze uit NEN 5707, niet aannemelijk dat sprake is van asbestverontreiniging. In het kader van een voorgenomen herontwikkeling van de locatie (en hiervoor noodzakelijk grondverzet) leiden de verontreinigingen met lood en zink, minerale olie en PFAS tot beperkingen. Voor een aantal percelen is nader onderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd en wanneer de resultaten hiervan beschikbaar zijn, zullen deze aan deze paragraaf worden toegevoegd. Naar verwachting is het saneren van de gronden noodzakelijk. 4.2.3

Conclusie

Om de locatie geschikt te maken voor de nieuwe bestemming 'wonen' is het naar verwachting nodig de verontreiniging te saneren. Om de verontreiniging te saneren zal een BUS-melding of een saneringsplan ingediend worden bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming (Wbb).

4.3

Natuurbescherming

4.3.1

Algemeen

De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en ecologische gebiedsbescherming. In de toelichting van een bestemmingsplan moeten de gevolgen van het bestemmingsplan voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels. Via de Wet natuurbescherming wordt de soortenbescherming en gebiedsbescherming geregeld. De soortenbescherming heeft betrekking op alle, in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Bestemmingsplan De Nieuwe Kethelpoort Toelichting Vaststelling

36

Gebiedsbescherming wordt geregeld middels de Natura 2000-gebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten optreden in Natura 2000- gebieden. Hier kan sprake van zijn wanneer een ontwikkeling binnen een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar ook stikstofdepositie kan verslechterende gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen. Deze gevolgen kunnen significant zijn wanneer een plan, project of handeling leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden die overbelast zijn. Als gevolg hiervan dient in Nederland voor elk project een stikstofdepositieberekening uitgevoerd te worden. Wanneer uit de rekenresultaten een hogere depositie dan 0,00 mol/ha/jaar, kan al sprake zijn van een significant negatief effect. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. NNN is tevens opgenomen in het streekplan van de provincie. Indien het projectgebied in het NNN gelegen is, verlangt de provincie een 'nee-tenzij-toets'.

Afhankelijk van de provincie kan dit ook gelden voor projectgebieden in de nabijheid van het NNN. 4.3.2

Relatie tot ontwikkeling

Soortenbescherming Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen. Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden. Door onderzoeksbureau Aqua-Terra Nova is een eco-effectscan en een soortgericht onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. De complete onderzoeken zijn opgenomen als Bijlage 3 en Bijlage 4 bij deze toelichting. In deze paragraaf zijn de belangrijkste resultaten uit deze onderzoeken opgenomen. Uit de eco-effectscan blijkt dat de aanwezigheid van beschermde vaatplanten, vogels, grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en overige soorten kunnen worden uitgesloten. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen is wel noodzakelijk gebleken. Op basis van het soortgericht onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden:      

In het plangebied zijn twee paarverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis aan de westkant van het schoolgebouw op beide hoeken van het plein; In het plangebied zijn twee paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aan de westkant van het schoolgebouw op beide hoeken van het plein; Het groen in het plangebied wordt gebruikt door gewone dwergvleermuis als foerageergebied, dit is echter geen essentieel foerageergebied; De watergang ten zuiden van het plangebied wordt gebruikt door gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis als vliegroute. Voor beide soorten is dit geen essentiële vliegroute; De bomen op het plein in het westen van het plangebied wordt gebruikt als foerageergebied. Dit is geen essentieel foerageergebied; Het plangebied wordt mogelijk gebruikt door zoogdiersoorten zoals de egel.

Vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond strikt beschermd, conform artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming en de Europese Habitatrichtlijn. De functionele leefomgeving van vleermuizen is echter ook beschermd. Op basis van het soortgericht onderzoek naar vleermuizen kan gesteld worden dat het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming Bestemmingsplan De Nieuwe Kethelpoort Toelichting Vaststelling

37

noodzakelijk is, omdat er verblijfplaatsen van vleermuizen in en om de bebouwing geconstateerd zijn. Ten behoeve van de ontheffingsaanvraag is een activiteitenplan opgesteld, zie Bijlage 7, waarin de noodzakelijke maatregelen staan beschreven. De ontheffing is aangevraagd en verleend, zie Bijlage 8. Er zijn ook foerageergebieden in de omgeving van het plangebied gelegen. De foerageergebieden en vliegroutes binnen het plangebied zijn niet essentieel. Wel dient tijdens de werkzaamheden rekening gehouden te worden met de uitstraling van verlichting op de watergang aan de zuidzijde van het plangebied om overvliegende en foeragerende vleermuizen niet te verstoren. Tevens zijn er binnen het plangebied egels waargenomen. die ook een beschermde diersoort betreffen. Het is hiervoor belangrijk vanuit één richting te werken zodat de egels zich kunnen verplaatsen naar een locatie buiten het plangebied. Wat betreft vogelsoorten zijn alle in Nederland broedende vogels en hun eventuele nesten strikt beschermd en mogen tijdens het broeden niet verstoord worden. De meeste vogels broeden in de periode maart tot en met juli. Echter zijn vogels welke buiten deze periode broeden ook te allen tijde beschermd. Indien werkzaamheden in de periode maart t/m juli moeten worden uitgevoerd, dient de aanwezigheid van broedende vogels voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd te worden.

Indien vogelnesten of broedende vogels aangetroffen worden, dienen de werkzaamheden nabij het nest of broedplaats uitgesteld te worden totdat de jongen vliegvlug zijn of dient er een verstoringsvrije zone rond de broedplaats opgesteld te worden. Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied betreft de Oude Maas, ten zuiden van het plangebied. Voor het gebied Oude Maas (circa 8,5 km afstand) geldt dat binnen dit gebied geen stikstofgevoelige habitats aanwezig zijn, zodat het onderzoek geen betrekking heeft op dit natuurgebied. De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn Solleveld & Kapittelduinen (circa 15,5 km afstand), Westduinpark & Wapendal (circa 20 km afstand) en Voornes Duin (circa 20 km afstand). Gelet op de onderlinge afstand zijn significante negatieve gevolgen op de natuurlijke waarden van de Natura 2000gebieden voor storingfactoren als verstoring, verdroging en licht- en geluidverstoring. Voor stikstofgerelateerde storingsfactoren (verzuring en vermesting) geldt dat deze via de lucht verder kunnen reiken dan de directe omgeving van het plangebied.

Gelet hierop is ten behoeve van het plan een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd, welke als Bijlage 5 bij deze toelichting is gevoegd. Uit dit onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door de aanleg en het gebruik van de nieuwe woningen en commerciële functies. Binnen het plangebied liggen geen groenstructuren welke onderdeel uitmaken van de stedelijke ecologische structuur. De ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt zijn niet van invloed op het functioneren van deze natte ecologische structuur. De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg. 4.3.3

Conclusie

Voordat de voormalige school gesloopt kan worden en daarbij de aanwezige paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis verstoord en vernietigd worden dient een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Ten behoeve van de ontheffingsaanvraag is een activiteitenplan opgesteld, zie Bijlage 7, waarin de noodzakelijke maatregelen staan beschreven. De ontheffing is inmiddels verleend, zie Bijlage 8, en de benodigde maatregelen zullen worden genomen, waardoor het aspect natuurbescherming geen belemmering Bestemmingsplan De Nieuwe Kethelpoort Toelichting Vaststelling

38

vormt voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Algemeen

Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd:  

het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de 10-6-contour van het PR rond inrichtingen waarin opslag / verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), in geval van inrichtingen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), in geval van transportroutes voor gevaarlijke stoffen, en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), in geval van buisleidingen is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de oriëntatiewaarde veroorzaakt. Deze verantwoordingsplicht geldt ook indien sprake is van een GR hoger dan de oriëntatiewaarde. Op 10 juli 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders de 'Visie Externe Veiligheid 20122020' vastgesteld. In deze visie is invulling gegeven aan de beleidsvrijheid inzake de verantwoording van het GR. In de visie is aangegeven op welke wijze de gemeente plannen en/of projecten welke gevolgen hebben voor de externe veiligheidssituatie beoordeelt en verantwoordt. Onderdeel van de visie is het kwetsbaarheidszonemodel zoals deze door de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond is ontwikkeld.

Met het model wordt de kwetsbaarheid van een object in relatie gebracht met de risicobron, om zo vroegtijdig te kunnen bepalen welke objecten en functies aanvaardbaar zijn op een bepaalde locatie. 4.4.2

Relatie tot ontwikkeling

Op basis van de risicokaart zijn de volgende risicobronnen in de omgeving aanwezig: 

Vervoer gevaarlijke stoffen over de rijkswegen A20, A4 en A13;

Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied aanwezig van 200 meter. Het invloedsgebied van toxische stoffen is meer dan 4.000 meter. Het plangebied bevindt zich tevens binnen het invloedsgebied van toxische stoffen voor de rijkswegen. Er dient een beschrijving te worden gegeven van de aspecten 'zelfredzaamheid' en 'bestrijdbaarheid'.

Bestemmingsplan De Nieuwe Kethelpoort Toelichting Vaststelling

39

Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Evenwel is het natuurlijk niet uit te sluiten dat kinderen, ouderen en/of gehandicapten in de woningen gaan wonen/aanwezig zijn. Vanuit maatschappelijk oogpunt is het juist gewenst dat dergelijke specifieke doelgroepen zich gelijkmatig 'verspreiden' tussen de reguliere doelgroepen. Scenario toxische gassen Door een incident kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario.

Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat een E-Alert wordt ingezet. In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden. Aanwezigen zijn in gebouwen enkele uren beschermd tegen de effecten van toxische dampen. Het opleggen van het aanbrengen van afsluitbare mechanische ventilatiesystemen is alleen mogelijk indien dit in de planregels van het bestemmingsplan is vastgelegd. Risicocommunicatie naar toekomstige bewoners/werknemers is zeer belangrijk. Bij het sluiten van een huur-/koopcontract voor een woning of indiensttreding kunnen bewoners en werknemers op de externe veiligheidsrisico's gewezen worden en kan onderhavige rapportage genoemd worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Voor de voorlichting kan gebruik gemaakt worden van de campagne “Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand” en de website www.rijnmondveilig.nl. 4.4.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Bij definitieve planvorming dient het bestemmingsplan voor advies voorgelegd te worden aan de veiligheidsregio RotterdamRijnmond.

Bestemmingsplan De Nieuwe Kethelpoort Toelichting Vaststelling

40

4.5

Geluid (Wet geluidhinder)

4.5.1

Algemeen

In het kader van de Wet geluidhinder moeten geluidsgevoelige objecten voldoen aan de wettelijk bepaalde normering als het gaat om de maximale geluidbelasting op de gevels. De limitatieve lijst geluidsgevoelige gebouwen bestaat uit woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven. Relevant geluidbronnen in het kader van de Wet geluidhinder zijn wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai. Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt in de nabijheid van voornoemde geluidbronnen of binnen de zones daarvan, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. Het gemeentelijk geluidbeleid is vastgelegd in de “Beleidsnota Hogere waarden voor geluid”, d.d. november 2010. Het beleid is erop gericht om bij het vaststellen van een hogere waarde voor geluidgevoelige bestemmingen minimaal één geluidluwe zijde te creëren. Het is daarbij belangrijk dat de geluidsituatie bij de geluidluwe zijde niet verstoord wordt door ander geluid dan waar het beleid over gaat. Bij redenen van evident maatschappelijk belang kan van dit beleid worden afgeweken.

Het vaststellen van een hogere waarde door burgemeester en wethouders is mogelijk indien maatregelen om de geluidbelasting te reduceren aan bron (verkeer) of tussen bron en ontvanger (gebouw), zoals schermen of verkeersreducerende maatregelen, niet doelmatig zijn of bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerkundige, landschappelijke of financiële aard ondervinden. Indien ook de maximaal te verlenen ontheffingswaarde wordt overschreden zijn geluidgevoelige functies niet mogelijk tenzij deze wordt voorzien van maatregelen (dove gevels). Met het actieplan 'Lucht & Geluid' heeft Schiedam gekozen voor het voorkomen en bestrijden van ernstige geluidhinder en slaapverstoring, in zowel bestaande als nieuwe situaties, met een plandrempel van 55 dB. 4.5.2

Relatie tot ontwikkeling

Door KuiperCompagnons is in het kader van de bestemmingsplanprocedure een akoestisch onderzoek omgevingslawaai uitgevoerd. De rapportage is als Bijlage 6 toegevoegd. De resultaten van het akoestisch onderzoek worden hieronder integraal opgenomen. Het plan is gelegen binnen de geluidzone van de Rijksweg A20 en de Burgemeester van Haarenlaan. De relevante 30 km-wegen (Monseigneur Nolenslaan/Joop den Uyllaan, Piersonstraat, Parkweg/Ooievaarsteeg/Spinhuispad en Burgemeester Honnerlage Gretelaan) zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening eveneens in het onderzoek betrokken. Ten slotte is in het kader van een goede ruimtelijke ordening eveneens onderzocht welke geluidbelastingen de bestaande woningen langs de Schermerhornlaan gaan ondervinden ten gevolge van het verkeer van/naar dNK. Gezoneerde geluidsbron Uit het onderzoek volgt dat de geluidbelasting voor de enige gezoneerde geluidsbron, de Rijksweg, bij de woningen en appartementen binnen dNK voldoet aan de wettelijke grenswaarde van 48 dB. Er is derhalve geen noodzaak tot het vaststellen van hogere waarden en dus ook geen maatregelenonderzoek.

Bestemmingsplan De Nieuwe Kethelpoort Toelichting Vaststelling

41

Verkeer van/naar dNK Uit het onderzoek volgt dat de geluidbelasting ten gevolge van het verkeer van/naar het plangebied c.q. de parkeergarage bij bestaande woningen langs de Schermerhornlaan de grenswaarde van 48 dB met maximaal 2 dB overschrijdt. Deze beperkte overschrijding kan worden weggenomen door één van de volgende 2 maatregelen:  

Snelheidsverlaging; Toepassing stille elementenverharding.

Snelheidsverlaging In het onderzoek is gerekend met een maximumsnelheid van 30 km/uur. Door het plangebied in te richten als woonerf kan de snelheid worden verlaagd en zal de beperkte overschrijding ongedaan worden gemaakt. Stille elementenverharding In het onderzoek is gerekend met een reguliere elementenverharding in keperverband. Door het plangebied in te richten met een stille elementenverharding kan de geluidsemissie met ca. 3 dB worden verlaagd en wordt de beperkte overschrijding ongedaan gemaakt. 4.5.3

Conclusie

De geluidbelastingen bij de woningen en appartementen binnen dNK voldoen aan de wettelijke grenswaarde van 48 dB, zodat geen hogere waarden of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om de geluidbelastingen te beperken. De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer van/naar dNK leidt bij bestaande woningen langs de Schermerhornlaan tot een overschrijding van de grenswaarde van 48 dB met maximaal 2 dB. In het akoestisch onderzoek zijn, zoals hiervoor beschreven, maatregelen aangedragen om de beperkte overschrijding weg te nemen. Er bestaat op grond van de Wet geluidhinder geen juridische verplichting om de overschrijding weg te nemen. Het aspect geluid vormt zodoende geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. Bij de nadere planuitwerking zullen de mogelijke maatregelen worden afgewogen en eventueel verder worden uitgewerkt. Het aspect geluid vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1

Algemeen

De Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit zijn geïmplementeerd in de Wet luchtkwaliteit (hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer). De wet bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. Voor NO2 en PM10 geldt een grenswaarde van maximaal 40 µg/m² als jaargemiddelde concentratie. Voor PM2,5 geldt een maximale grenswaarde van 25,0 µg/m².

Bestemmingsplan De Nieuwe Kethelpoort Toelichting Vaststelling

42

Centraal staat een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Deze programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen, zodat de luchtkwaliteit verbetert en gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening door kunnen gaan. In de NSL zijn de meeste projecten opgenomen die "in betekende mate" (ibm) bijdragen. Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daartoe is een pakket aan maatregelen opgenomen in het NSL, zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in AMvB's en ministeriële regelingen. Op grond van artikel 5.16 van de Wet luchtkwaliteit kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals de vaststelling van een bestemmingsplan, uitoefenen indien:   

 

de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert; de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht; het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het NSL of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden.

In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Indien een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2, PM10 (= 1,2 µg/m³) en PM2,5 (= 0,75 µg/m³) of een project valt in een categorie welke is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden, een project doorgang kan vinden zonder nadere toetsing aan de grenswaarden. De reden hiervoor is dat in het NSL voldoende maatregelen zijn genomen om de bijdrage van deze projecten aan verslechtering van de luchtkwaliteit te compenseren. De definitie van 'niet in betekenende mate' is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m³ (µg/m³). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder:  

woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m² brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m² brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen.

Actieplan Lucht & Geluid In 2019 heeft de gemeente het Actieplan Lucht & Geluid (2019-2022) vastgesteld. Met de maatregelen in dit actieplan wordt mede een bijdrage geleverd aan het realiseren van de ambities van het college: Schiedam als een gezonde, aantrekkelijke, leefbare, groene en bereikbare stad, waar het prettig wonen, werken, ondernemen en recreëren is. Duurzaamheid is daarin het fundament voor alle acties in de komende periode, en vormt samen met stedelijke ontwikkeling, mobiliteit en gezondheid de rode draad door dit actieplan. Schiedam voldoet momenteel overal aan de Europese normen, en dus ook Nederlandse normen voor Bestemmingsplan De Nieuwe Kethelpoort Toelichting Vaststelling

43

fijnstof (PM10 en PM2,5) en Stikstofdioxide (NO2). Daarentegen is er sprake van een overschrijding van de WHO-advieswaarde voor roet (EC, de belangrijkste gezondheids-indicator). Met het oog op de fiks lagere grenswaarden die door vele officiële instanties aanbevolen worden voor een gezonde leefomgeving (WHO, GGD, Gezondheidsraad) kiest Schiedam voor de volgende doelstelling, aangevuld met een onderzoek naar hoe Schiedam in 2030 aan de WHO-normen kan gaan voldoen: "Schiedam kiest voor gezonde lucht voor iedere Schiedammer. Binnen vijf jaar (2022) is het doel daarom om de in het actieplan genoemde (jaargemiddelde) waardes te halen. 4.6.2

Relatie tot ontwikkeling

Het plan voorziet in de realisatie van maximaal 190 woningen en is dusdanig beperkt in omvang dat geconcludeerd mag worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie.

Afbeelding 4.1: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool 2020) Uit de voorgaande afbeelding blijkt dat in de omgeving van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 respectievelijk maximaal 24,8 µg/m3, 19,3 µg/m3 en 11,6 µg/m3 bedraagt. De jaargemiddelde grenswaarde voor NO2, PM10 (beide 40 µg/m3) en PM2,5 (25 µg/m3) wordt niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24 uurgemiddelde concentratie PM10 is maximaal 7, waardoor het maximum van 35 dagen niet wordt overschreden. De trend is dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 4.6.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt gezien het bovenstaande geen belemmering voor het uitvoeren van het plan.

Bestemmingsplan De Nieuwe Kethelpoort Toelichting Vaststelling

44

4.7

Verkeer

4.7.1

Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte heeft de gemeente in 2022 de beleidsregel Mobiliteitsnormen 2022 vastgesteld. Deze beleidsregel biedt voor wat betreft deze ontwikkeling een overgangsrechtelijke bepaling op grond waarvan het plan beoordeeld zal worden aan de voorheen geldende beleidsregel Nota Parkeernormen en Mobiliteitsmanagement 2017. Aan de hand daarvan kan de parkeerbehoefte voor een nieuwe ontwikkeling worden vastgesteld. In de basis geldt dat dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid en dat in deze behoefte dient te worden voorzien op eigen terrein. 4.7.2

Parkeren

Om het gebied autovrij te kunnen maken, wordt aan de zuidoostzijde één grote mobiliteitshub (parkeervoorziening) voor het nieuwe woongebied dNK gerealiseerd. De mobiliteitshub wordt ontsloten vanaf de Schermerhornlaan richting de Monseigneur Nolenslaan. In de mobiliteitshub is ruimte voor 200 autoparkeerplaatsen. De mobiliteitshub heeft een centrale plek in de wijk gekregen, rekening houdend met de maximaal geaccepteerde loopafstand van de hub naar de functie wonen van 150 meter (CROW, 2019). Voor de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen is het volgende van belang. Het parkeren wordt getoetst aan de beleidsregel 'Nota Parkeernormen en Mobiliteitsmanagement 2017'. dNK valt in het deelgebied 'schil', zoals weergegeven op bijlage 1 van de beleidsregel 'Nota Parkeernormen en Mobiliteitsmanagement 2017'. In het gebied is geen sprake van gereguleerd parkeren. Dit betekent dat voor de 190 woningen een norm geldt van 1,0 parkeerplaatsen per woning. Dit komt neer op 190 parkeerplaatsen. Het parkeren voor de bewoners wordt opgelost binnen een mobiliteitshub met een capaciteit van circa 200 autoparkeerplaatsen. De parkeernorm is opgebouwd uit een deel voor bewoners en een deel voor bezoekers. Het beleid verplicht de ontwikkelaar echter niet een deel van de parkeerplaatsen openbaar te maken (voor bezoekers).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12845940/1