CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

Concept planMER Omgevingsvisie effectbeoordeling 80 versie 18-5-2021

Oordeelsvormende vergadering 9 juni 2021, gemeente SchagenBij agendapunt: Concept Omgevingsvisie gemeente Schagen31.998 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Dat gebeurt aan de hand van de bouw van de woningen waarmee men denkt te kunnen starten, van de bouw van de woningen waarmee daadwerkelijk gestart is en de woningen die al gerealiseerd zijn. Door de bouw van woningen te monitoren en te koppelen aan een kengetal van 300 woningen per jaar behoudt de gemeente in ieder geval het overzicht van wat er wel of niet gebouwd wordt. In de afgelopen jaren groeide de woningvoorraad met tussen de 36 en 213 woningen per jaar (zie Figuur 4.3). De productie moet dus groter zijn dan in de afgelopen jaren. Om het minimale aantal van 300 woningen te behalen, is de gemeente wel afhankelijk van marktpartijen. Daarbij komt nog dat de bouw van de woningen vertraging op kan lopen. Bijvoorbeeld door een langere doorlooptijd van ruimtelijke procedures, regionale afstemming op basis van het convenant woonprogramma of vertraging in de besluitvorming bij woningcorporaties en projectontwikkelaars. Het is daarom lastig om op voorhand te stellen of het aantal van 300 woningen per jaar haalbaar is of niet. Echter, het doel is specifiek, meetbaar en de monitor biedt de mogelijkheid om tussentijds aanpassingen te doen. Jaar

Woningvoorraad

Toegevoegde nieuwbouwwoningen*

2016

19.814

2017

19.993

+ 104

2018

20.103

+ 213

2019

20.287

+ 36

2020

20.481

+ 111

Figuur 4.3 Woningvoorraad en toegevoegde nieuwbouwwoningen per jaar in gemeente Schagen (bron: gemeente Schagen). * de aantallen betreffen enkel de nieuwbouwwoningen. Sloop en overige toevoegingen (zoals gesplitste woningen) zijn niet meegenomen in deze cijfers.

49/67

Kenmerk

R001-1272626DSG-V01-agv-NL

Doel 2. De leefbaarheid verbeteren De gemeente koppelt leefbaarheid aan woonmilieus. De handreiking woonmilieus van de provincie Noord-Holland is hierbij een hulpmiddel. De gemeente kent drie woonmilieus1. 1. Kleinstedelijk (Schagen Stad) 2. 3.

Centrum dorps (Warmenhuizen en Tuitjenhorn) Dorps (overige dorpen)

Voor elk woonmilieu is opgenomen hoeveel woningen per hectare gewenst zijn en of woningen overwegend grondgebonden moeten zijn. De gemeente is wel afhankelijk van partijen als woningcorporaties en projectontwikkelaars om deze aantallen te halen. De gemeente kan hiervoor zo nodig ook privaatrechtelijke overeenkomsten met die partijen sluiten om dergelijke aantallen af te spreken als dit bestuursrechtelijk via bijvoorbeeld het bestemmingsplan of omgevingsplan niet mogelijk is. Het is daarnaast de vraag of, wanneer deze aantallen daadwerkelijk zijn gerealiseerd, je dan wel kunt spreken van een verbeterde leefbaarheid in die kernen. Leefbaarheid is weliswaar een rekbaar begrip, maar in deze opvatting is dat redelijk beperkt bezien. Een groene en veilige leefomgeving en sociale cohesie in de wijk lijken ook belangrijke aspecten van leefbaarheid. Dit zijn overigens aspecten waarvoor wel verschillende speerpunten en acties in de Omgevingsvisie zijn opgenomen. De criteria bij dit doel zijn sterk op de fysieke kant gericht en kunnen met een goede samenwerking tussen onder meer de gemeente, woningcorporaties en projectontwikkelaars haalbaar zijn. Doel 3. Een woning voor ieder huishouden in Schagen De gemeente wil een woning hebben voor ieder huishouden in Schagen. Op het eerste gezicht klinkt dit doel erg breed en weinig meetbaar.

De gemeente geeft in de bijlage Kaders en Doelen zelf al aan dat ieder huishouden eigen woonwensen heeft wat het lastig maakt om voor ieder huishouden een passende woning te hebben. Om de vraag en het aanbod van woningen op elkaar af te stemmen en meetbaar te maken, maakt de gemeente gebruik van kwantitatieve gegevens over: 1. 2. 3.

Inkomens van huishoudens, Leeftijdsklassen van huishoudens Het onderscheid in huur- of koopwoningen

4. 5.

Het type woningen Waar de woningen in Schagen staan (kern, wijk, buurt)

Vervolgens wordt om het aanbod van woningen af te kunnen stemmen op de behoefte van huishoudens de WOZ-waarde van woningen gekoppeld aan de inkomensklasse die het beste zou passen in een woning met een bepaalde WOZ-waarde. De gemeente heeft hier de volgende onderverdeling in bepaald: • Woningen met een WOZ waarde tot en met €210.000,- passen het beste bij huishoudens met een laag inkomen • •

Woningen met een WOZ waarde vanaf €210.000,- tot €450.000,-passen het beste bij huishoudens met een midden inkomen Woningen met een WOZ waarde vanaf €450.000,- passen het beste bij huishoudens met een hoog inkomen

50/67

Kenmerk

R001-1272626DSG-V01-agv-NL

Op basis van deze verdeling in wooncategorieën en huishoudensinkomensklassen kan de woningbehoefte per kern inzichtelijk worden gemaakt en kan worden gestuurd op nieuwbouwplannen. Deze benadering draagt zeker bij aan het doel om voor ieder huishouden in Schagen een woning te hebben. Het blijft echter lastig, zoals de gemeente ook aangeeft, om dit doel te (blijven) halen. Woningkeuzes blijven vaak individuele afwegingen. Daarnaast fluctueren woningprijzen ook door marktwerking, wat vervolgens weer doorwerkt als de WOZ-waardes van woningen opnieuw bepaald worden. Doel 4. 30-40% van de nieuwbouwwoningen zit in de prijsklasse tot €210.000,- (waarvan minimaal 25% sociale huur betreft). Dit doel van de gemeente is duidelijk, specifiek en meetbaar. De benadering om het aanbod van woningen af te stemmen op de behoefte van verschillende huishoudens- en inkomensklassen op basis van kwantitatieve gegevens helpt hierbij. De kwantitatieve gegevens bieden inzicht in hoe die verdeling van woningen in prijsklassen en de verdeling van goedkope koop en sociale huur daadwerkelijk is. Wat ontbreekt in het doel is hoe de gemeente hierop zo kan sturen dat de gewenste verdeling daadwerkelijk gehaald wordt. De gemeente zal hierover vooral afspraken moeten maken met projectontwikkelaars en woningcorporaties.

Daarnaast speelt bij dit doel ook mee dat de vastgoedmarkt beïnvloed wordt door een groot aantal factoren. Zo is de bouw onderhevig aan economische schommelingen en hebben veranderingen in wet- en regelgeving zoals rond de stikstofproblematiek en fiscale regelingen zoals de hypotheekrenteaftrek invloed op de vastgoedmarkt. Daarnaast fluctueren woningprijzen ook door marktwerking. Dit heeft ook invloed op de verdeling tussen wat als goedkoop of duur wordt aangemerkt. Ieder jaar moet bekeken worden of de prijsgrens voor goedkope koop nog actueel is. Met dit doel kan de gemeente beter sturen op de woningvoorraad, alleen doordat de woningmarkt sterk onderhevig is aan externe ontwikkelingen, is het nu lastig om aan te geven of het doel met het beleid van de Omgevingsvisie behaald wordt. Doel 5. Als nieuwe woningen worden gerealiseerd door functiewijziging in bestaande panden of woningsplitsing mag het minimale bruto vloeroppervlak niet kleiner zijn dan 35m² De gemeente geeft aan te hechten aan woonkwaliteit. Ze stelt dat een te kleine woning mogelijk te weinig woongenot genereert. Daarom stelt de gemeente een doel voor het minimaal bruto vloeroppervlak van nieuwe woningen door functiewijziging in bestaande panden of woningsplitsing. Doel 5 is echter meer te zien als voorwaarde die de gemeente wil opleggen dan als doel op zich. Daarom is doel 5 niet beoordeeld op het doelbereik.

De gemeente kan een minimum bruto vloeroppervlak afdwingen via een verordening, bestemmingsplan of omgevingsplan.

51/67

Kenmerk

R001-1272626DSG-V01-agv-NL

Doel 6. Voldoende starterswoningen in alle kernen De gemeente Schagen wil voldoende starterswoningen in alle kernen. De gemeente beschrijft als kader bij de Omgevingsvisie wanneer sprake is van voldoende starterswoningen. Dat is het geval als de wachttijd (inschrijfduur) voor sociale huurwoningen afneemt tot maximaal 2,5 jaar in de dorpen en 3,5 jaar in Schagen. Ook beschrijft de gemeente wat er precies onder een starter, een starterskoopwoning, een startershuurwoning en een jong gezin wordt verstaan. Het is goed dat de gemeente definieert wat deze begrippen in de lokale situatie betekenen, dat maakt het doel meetbaar. Om de wachtduur voor huur- en koopwoningen voor starters in de kernen en dorpen af te laten nemen gaat de gemeente blijvend in gesprek met woningcorporaties. Een programma om de doelen te bereiken of een convenant met dergelijke partijen kan hierbij helpen. Het is vooralsnog lastig om te bepalen of met het beleid het doel behaald wordt. Doel 7. Collectief opdrachtgeverschap stimuleren De gemeente vindt Collectief Opdrachtgeverschap (CPO) een goede methode om lokale inwoners de kans te geven een eigen woning te bouwen. Wanneer de gemeente een grondpositie heeft, geldt dat een ontwikkelaar pas wordt uitgenodigd voor woningbouwontwikkeling, nadat is gebleken dat een voorafgaande oproep tot vorming van Collectief Opdrachtgeverschap niks heeft opgeleverd.

De gemeente heeft een model waarin verschillende vormen van opdrachtgeverschap worden gespecificeerd. Per vorm van zeggenschap wordt steeds uitgelegd wat de rol is van bewoners, en de ontwikkelende partij. Het model loopt van alle zeggenschap en het ontwikkelrisico voor bewoners tot minder zeggenschap en minder risico voor bewoners in het geval van productiegerichte ontwikkeling. Daarbij bepaalt de ontwikkelaar en draagt die ook het risico voor de ontwikkeling. Via de gemeentelijk grondposities kan de gemeente inderdaad collectief opdrachtgeverschap stimuleren. Als het doel op zich alleen ‘stimuleren’ is, dan is de kans aannemelijk dat de gemeente dit doel behaalt. Dat heeft zij in eigen hand. Stimuleren op zich zegt nog niks over het aantal woningen dat uiteindelijk volgens CPO is gebouwd. Dat is afhankelijk van de eigen keuze en mogelijkheden van inwoners zelf.

4.4

Passende beoordeling Natura 2000-gebieden

4.4.1 Inleiding 2 Waarom een Passende beoordeling? De Omgevingsvisie van de gemeente Schagen is een langetermijnvisie op de fysieke leefomgeving van de gemeente. In de visie worden op hoofdlijnen beleidskeuzes gemaakt voor wonen, werken, recreëren en mobiliteit. Op voorhand is niet uit te sluiten dat deze keuzes afzonderlijk of in samenhang kunnen leiden tot significante gevolgen op Natura 2000-gebieden in en rondom de gemeente. Daarom dient op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) een Passende beoordeling te worden opgesteld.

2

Om de Passende beoordeling zelfstandig leesbaar te maken, zitten er enkele dubbelingen in met paragrafen uit hoofdstuk 1 en 2 van dit MER.

52/67

Kenmerk

R001-1272626DSG-V01-agv-NL

Ontwikkelingen Omgevingsvisie De Omgevingsvisie van de gemeente Schagen wordt gekenmerkt door acht speerpunten die richtinggevend zijn voor de ruimtelijke ontwikkelingen die door de visie mogelijk worden gemaakt. • Een gezinsvriendelijke gemeente met een stad die belangrijk is voor de regio. Met sterke • • • •

dorpen. En een gemeente die aantrekkelijk is voor ondernemers Een gemeente die nationaal en internationaal meedoet op het gebied van toerisme en recreatie, wetenschap en nieuwe vormen van landbouw Een gemeente die steeds aansluit bij de groeiende behoefte aan woningen die passen bij de vraag en bijdragen aan sterke kernen Een gemeente waarin iedereen mee kan doen

•

Een gemeente die steeds aansluit bij de groeiende behoefte aan woningen die passen bij de vraag en bijdragen aan sterke kernen Een gemeente waar kernen, voorzieningen, onderwijs en werk goed bereikbaar zijn

• •

Een veilige, gezonde en sportieve gemeente Een gemeente waarin bewoners en bezoekers de omgeving waardevol vinden

Voor deze Passende beoordeling zijn name de ontwikkelingen omtrent wonen, ondernemen en daarmee samenhangend verkeer en recreatie van belang. De mogelijke ontwikkelingen zijn aangeven op de visiekaart uit de Omgevingsvisie, figuur 4.1.

Figuur 4.1: Visiekaart Omgevingsvisie gemeente Schagen

53/67

Kenmerk

R001-1272626DSG-V01-agv-NL

Doel Passende beoordeling De Passende beoordeling is een wettelijk verplichte toets voor zowel projecten als voor (kaderstellende) plannen waarvan significante gevolgen op Natura 2000-gebieden op voorhand niet uitgesloten kunnen worden. Voor projecten kan de Passende beoordeling de basis vormen voor een noodzakelijke vergunningaanvraag onder de Wnb. Voor plannen is geen sprake van een vergunningplicht, maar wel dient voldoende aannemelijk te worden gemaakt dat het plan uitvoerbaar is. Dat betekent concreet dat er voor de uitvoering van het plan geen onoverkomelijke belemmeringen mogen zijn en dat er zo nodig uitzicht moet zijn op de vergunbaarheid van binnen het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen. De Omgevingsvisie is te zien als plan. De doelen van de Passende beoordeling zijn: • Het in beeld brengen van de risico’s op significante gevolgen op de natuurlijke kenmerken van •

•

het Natura 2000-netwerk als gevolg van het nieuwe beleid uit de Omgevingsvisie Het beschrijven van bronmaatregelen, mitigerende maatregelen en/of beleidsaanpassingen die nodig zijn om significante gevolgen te kunnen voorkomen en de vergunbaarheid van voorgestelde ruimtelijke ontwikkelingen aannemelijk te maken Het zo mogelijk benoemen van kansen op positieve effecten voor het Natura 2000-netwerk

Het detailniveau van de Passende beoordeling sluit aan bij het detailniveau van een Omgevingsvisie. Gezien het abstracte karakter van de beleidskeuzes in de Omgevingsvisie is deze op hoofdlijnen. De Passende beoordeling bestaat achtereenvolgens uit een beschrijving van de relevante Natura 2000-gebieden, zoals aangewezen onder de Vogel- en Habitatrichtlijn, inclusief de voor deze gebieden geldende instandhoudingsdoelen. Vervolgens wordt ingegaan op de mogelijke effecten op deze instandhoudingsdoelen en wordt beoordeeld of sprake kan zijn van significante effecten en de consequenties daarvan voor de Omgevingsvisie. Het aspect stikstofdepositie speelt een bijzondere rol. Stikstof verspreidt zich door de lucht en komt, bijvoorbeeld bij regen, weer op de grond. Diverse bronnen dragen (op kleine schaal) bij aan stikstofdepositie. Een (nieuwe) activiteit waardoor stikstof wordt uitgestoten kan echter grote effecten hebben op natuur. Voor Natura 2000-gebieden is vastgelegd welke soorten en habitats beschermd worden. Hiervoor zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd. Een groot aantal beschermde soorten en habitattypen is zeer gevoelig voor stikstofdepositie. Voor deze habitattypen zijn kritische depositiewaarden vastgesteld. Als de stikstofdepositie boven deze waarde komt, zijn negatieve gevolgen voor de natuur niet uit te sluiten.

Voor verschillende habitattypen in Natura 2000-gebieden in en om de gemeente Schagen geldt dat zij zeer stikstofgevoelig zijn. 4.4.2 Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden in en om de gemeente Schagen In Nederland zijn ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, waarvan er vier geheel of gedeeltelijk in de gemeente Schagen gelegen zijn. Het gaat om de gebieden Noordzeekustzone, Duinen Den Helder-Callantsoog, Abtskolk & De Putten en Zwanenwater & Pettemerduinen. Net ten zuiden van de gemeente ligt het Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen, dat nog verder zuidelijk overgaat in het Noordhollands Duinreservaat. Figuur 4.4 geeft een overzicht van deze gebieden. Een uitgebreide beschrijving van de verschillende Natura 2000-gebieden is te lezen in bijlage 1 (paragraaf 2.1).

54/67

Kenmerk

R001-1272626DSG-V01-agv-NL

Figuur 4.4 Natura 2000-gebieden gemeente Schagen en omgeving (Noordzeekustzone) (HR: Habitatrichtlijn, VR: Vogelrichtlijn, VR+HR: Vogelrichtlijn + Habitatrichtlijn)

Potentiële effecten op Natura 2000-gebieden Voor diverse voorgenomen ontwikkelingen in de Omgevingsvisie is niet uit te sluiten dat deze afzonderlijk of in samenhang kunnen leiden tot significante gevolgen op de Natura 2000-gebieden in en rondom de gemeente. Zo zet de gemeente in op ruimte voor ondernemers en de bouw van nieuwe woningen. De Omgevingsvisie maakt het mogelijk om deze woningen zowel te ontwikkelen binnen de kernen en de stad Schagen als op nieuwe locaties aan de randen van diverse kernen en van de stad Schagen. Voor de kernen Petten en Callantsoog geldt dat zij dichtbij Natura 2000-gebieden zijn gelegen. De visiekaart toont aan dat er aan de rand van beide kernen mogelijk woningen worden gerealiseerd. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn Abstkolk & De Putten, Zwanenwater & Pettermerduinen, Duinen Den Helder-Callantsoog en Schoorlse Duinen. Omdat de voorgenomen ontwikkelingen buiten de Natura 2000-gebieden plaatsvinden, zijn geen directe negatieve effecten (zoals oppervlakteverlies of versnippering) aan de orde en bestaan de mogelijke effecten alleen uit externe effecten. Dit zijn in potentie vooral stikstofdepositie en diverse vormen van verstoring, bijvoorbeeld door licht, geluid of toename van (recreatief) medegebruik van natuurgebieden.

55/67

Kenmerk

R001-1272626DSG-V01-agv-NL

Verstoring is een wezenlijk aandachtspunt bij de uitwerking van concrete plannen/projecten voor woningbouw, bedrijvigheid of infrastructuur, maar in zijn algemeenheid mag worden aangenomen dat (significante) effecten op Natura 2000-instandhoudingsdoelen effectief voorkomen kunnen worden door zorgvuldige locatie- en inrichtingskeuzes en zo nodig aanvullende mitigerende maatregelen. Daarbij valt dan te denken aan maatregelen op het gebied van recreatieve zonering of het beperken van licht- of geluidsoverlast. Stikstofdepositie in de aanlegfase en gebruiksfase als gevolg van de realisatie van bijvoorbeeld woningen kan eveneens negatieve gevolgen hebben op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden of zelfs ook op gebieden op grotere afstand. In het bijzonder voor de Natura 2000-gebieden Duinen Den Helder-Callantsoog, Zwanenwater & Pettermerduinen en Schoorlse Duinen geldt dat zij zeer stikstofgevoelig zijn, deels actueel overbelast zijn en vanwege de beperkte afstand tot ruimtelijke initiatieven in het plangebied van de Omgevingsvisie al snel een (significant) negatief effect kunnen ondervinden. Tijdelijke effecten in de aanlegfase kunnen beperkt worden door gebruik te maken van emissiearm Stage IV-materieel en op langere termijn is eventueel volledige emissieloos (elektrisch) materieel beschikbaar.

Voor de komst van de Energy & Health Campus (EHC) in de Pettemerduinen loopt een afzonderlijk onderzoek waarbij bekeken wordt of sprake is van stikstofdepositie die significant negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebieden. Naar verwachting is de toename van stikstofdepositie in de gebruiksfase minimaal, aangezien de woningen aardgasvrij zullen worden. De ruimte die wordt geboden aan ondernemers kan echter wel resulteren in een toename van stikstofdepositie in de gebruikersfase. Ook een toename van verkeersbewegingen kan zorgen voor een significant negatieve toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de directe omgeving. De Omgevingsvisie stimuleert het gebruik van de fiets en daarnaast is er een trend gaande van steeds meer emissieloze mobiliteit. Het is echter nog onbekend wanneer het verkeer volledig emissieloos zal zijn, waardoor negatieve effecten door een toename van mobiliteit nu nog niet met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Ook is niet uit te sluiten dat de toename van verharding door de bouw van woningen en meer bedrijvigheid mogelijk leidt tot verdroging in een aangrenzend Natura 2000-gebied. Dan dient het wel om een substantiële toename van verharding te gaan en is het afhankelijk van de lokale grondwatersituatie.

Daarnaast zijn effecten hiervan goed te verminderen of zelfs te voorkomen door het gebruik van klimaatadaptieve maatregelen zoals het gebruik van waterdoorlatende verharding, het aanleggen van wadi’s en het gedoseerd afvoeren van hemelwater. De inzet van de gemeente op de energietransitie heeft uiteindelijk een positief effect op de Natura 2000-gebieden, doordat het gebruik van duurzame energie zorgt voor minder stikstofdepositie ten opzichte van het gebruik van fossiele energiebronnen. Echter, de realisatie van duurzame energiebronnen kan ook negatieve effecten met zich meebrengen, zoals lichtspiegeling door zonnevelden. Verwacht mag worden dat met een zorgvuldige locatiekeuze en ruimtelijke inpassing, significante effecten op Natura 2000 door dergelijke initiatieven effectief kunnen worden voorkomen.

56/67

Kenmerk

4.4.3

R001-1272626DSG-V01-agv-NL

Conclusie

De Omgevingsvisie van de gemeente Schagen is een langetermijnvisie op de fysieke leefomgeving van de gemeente tot aan 2040. Door de lange doorlooptijd en het hoge abstractieniveau van de visie kunnen mogelijke significante effecten op Natura 2000-gebieden binnen en rondom de gemeente Schagen op dit moment niet met zekerheid worden uitgesloten. Tegelijkertijd is ook niet op voorhand sprake van significant negatieve effecten of met zekerheid onuitvoerbare ontwikkelingen, omdat er zowel in de aanlegfase als gebruiksfase doorgaans mogelijkheden gevonden kunnen worden om negatieve effecten effectief te beperken of weg te nemen. Naast bronmaatregelen kan daarbij ook gedacht worden aan zorgvuldige locatiekeuze en inpassing of (met name in het geval van stikstofdepositie) aan de mogelijkheid van saldering met bestaande emissiebronnen. Wanneer concretisering van keuzes plaatsvindt in bijvoorbeeld opvolgende programma’s en omgevingsplan en er meer duidelijkheid is over de omvang van de verschillende ontwikkelingen, zal nader onderzoek nodig (kunnen) zijn naar effecten op Natura 2000 en de mogelijkheden om deze te beperken (Passende beoordeling op projectniveau). Zo zullen er op dat moment onder meer concrete stikstofberekeningen nodig zijn om de daadwerkelijke omvang van effecten in beeld te brengen.

57/67

Kenmerk

R001-1272626DSG-V01-agv-NL

5 Conclusies en aanbevelingen 5.1

De leefomgeving en de effecten van de Omgevingsvisie

Indicator

Huidige situatie

Autonome ontwikkeling

Bodemkwaliteit

Goed

Goed

Ondergronds ruimtegebruik

Redelijk

Redelijk

Waterkwaliteit

Redelijk

Redelijk

Waterkwantiteit

Redelijk

Redelijk

Verzilting

Slecht

Slecht

Natura 2000-gebieden

Redelijk

Redelijk

Natuurnetwerk Nederland

Redelijk

Redelijk

Biodiversiteit buiten het NNN

Redelijk

Redelijk

Wateroverlast

Redelijk

Redelijk

Hittestress

Redelijk

Slecht

Droogte

Redelijk

Slecht

Overstroming

Goed

Slecht

Aandeel duurzame energie

Slecht

Redelijk

Energiebesparing

Slecht

Redelijk

Woningvoorraad

Slecht

Redelijk

Sociale samenhang/ Sociale inclusiviteit

Redelijk

Redelijk

Bedrijventerreinen en werklocaties

Redelijk

Redelijk

Duurzame Landbouw

Redelijk

Redelijk

Invloed Omgevingsvisie

Bodem en water

Natuur en biodiversiteit

Klimaatadaptatie

Energietransitie

Wonen en voorzieningen

Vestigingsklimaat

Verkeer en vervoer

58/67

Kenmerk

R001-1272626DSG-V01-agv-NL

Indicator

Huidige situatie

Autonome ontwikkeling

Bereikbaarheid

Redelijk

Redelijk

Gezondheidsbevordering

Redelijk

Redelijk

Stilte

Redelijk

Redelijk

Bereikbaarheid recreatie

Goed

Goed

Verkeersveiligheid

Redelijk

Redelijk

Geluid

Redelijk

Redelijk

Luchtkwaliteit

Goed

Goed

Externe Veiligheid

Goed

Redelijk

Landschappelijke waarden

Goed

Redelijk

Cultuurhistorische waarden

Goed

Redelijk

Archeologische waarden

Redelijk

Redelijk

Aardkundige waarden

Redelijk

Redelijk

Invloed Omgevingsvisie

Gezonde leefomgeving

Veilige leefomgeving

Landschap en cultuurhistorie

Synergie en strijdigheden is te zien wat de kwaliteitsniveaus van alle indicatoren zijn in de huidige situatie en autonome ontwikkeling en wat de invloed van het beleid uit de Omgevingsvisie op de kwaliteitsniveaus is. Wat opvalt is dat voor het merendeel van de indicatoren de Omgevingsvisie geen of een beperkte invloed heeft. Op de kwaliteitsniveaus van zeven indicatoren heeft de Omgevingsvisie een positieve invloed en op vijf een negatieve invloed. Om uiteenlopende redenen heeft de Omgevingsvisie geen of een beperkte invloed op de kwaliteitsniveaus van verschillende indicatoren. Soms bevat de Omgevingsvisie geen beleid specifiek gericht op een indicator, zoals voor bodemkwaliteit, ondergronds ruimtegebruik en waterkwaliteit. Ook andere speerpunten hebben daar geen of beperkte invloed op. Bij andere indicatoren zijn de sturingsmogelijkheden van de gemeente zelf beperkter en/of wordt de invloed op het kwaliteitsniveau ook bepaald door andere partijen, zoals het waterschap, woningcorporaties, private ontwikkelaars en particulieren in het geval van bijvoorbeeld wateroverlast, hittestress, droogte en energiebesparing. Of bijvoorbeeld uiteindelijk energie wordt bespaard, is sterk afhankelijk van de wil en (financiële) mogelijkheden van ondernemers, particuliere woningeigenaren, woningcorporaties en private projectontwikkelaars.

Zij zullen uiteindelijk besluiten of ze hun gebouw of woning aanpassen of anders bouwen om het energiegebruik te verminderen, zoals beter isoleren.

59/67

Kenmerk

R001-1272626DSG-V01-agv-NL

Ook voor de indicator woningvoorraad is de invloed van de Omgevingsvisie beperkt. Dit lijkt tegenstrijdig, omdat de gemeente juist sterk inzet op een passende woningvoorraad met de acties bij het speerpunt ‘Een gemeente die steeds aansluit bij de groeiende behoefte aan woningen die passen bij de vraag en bijdragen aan sterke kernen’. Maar in de autonome situatie zorgt het regionale convenant voor een adaptief woningbouwprogramma al voor nooit een te groot tekort of overschot aan (passende) woningen. Ook de acties die in de Omgevingsvisie staan die moeten zorgen voor meer en passende woningen, zullen, wanneer het meer dan 12 woningen betreft, via het regionale afwegingskader uit het convenant gewogen worden. Daarnaast is de gemeente afhankelijk van de samenwerking met woningcorporaties of de flexibele woningen gerealiseerd kunnen worden. Ook voor nieuwe vormen van wonen is de gemeente in de samenwerking afhankelijk van woningcorporaties en projectontwikkelaars. De invloed van de Omgevingsvisie op zich is door het regionale afwegingskader uit het convenant en de afhankelijkheid van andere partijen daarom beperkt. Met verschillende acties heeft de Omgevingsvisie een positieve invloed op onder meer bedrijventerreinen en werklocaties en het aandeel duurzame energie. Met de Omgevingsvisie is er meer ruimte voor ondernemers en bedrijvigheid.

Aangezien er op dit moment geen randvoorwaarden zijn gesteld aan de ruimte voor ondernemers zorgt dat aan de andere kant wel voor een negatieve invloed van de Omgevingsvisie op landschappelijke waarden. Ook meer ruimte voor ondernemers in de recreatiesector, agrarische sector, voor woningbouw en voor zonne-energie zorgt voor een negatieve invloed op landschappelijke waarden. Ook omdat hieraan geen voorwaarden verbonden zijn die ervoor zorgen dat de waarden van de betrokken gebieden niet worden aangetast. Daarentegen heeft de Omgevingsvisie wel een positieve invloed op cultuurhistorische waarden, omdat specifieke acties gericht zijn op het behoud van die waarden. De acties in de Omgevingsvisie die gericht zijn op mobiliteit en bereikbaarheid zorgen voor zowel een positieve invloed op de bereikbaarheid van recreatie, als op de verkeersveiligheid. Dit gaat om acties zoals het verbeteren van de veiligheid van de N9, betere routes voor fietsers en landbouwverkeer en het verbeteren van de doorstroming. De Omgevingsvisie heeft daarnaast een negatieve invloed op Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), op het overstromingsrisico en op stiltegebieden. Deze negatieve invloeden zijn het gevolg van de (uitbreidings)mogelijkheden voor bedrijvigheid, de Energy & Health Campus, woningbouw en zonne-energie in de kustzone.

Deze ontwikkelingen kunnen grenzen aan of in de buurt liggen van Natura 2000-gebieden, gebieden in het NNN en stiltegebieden. Daarnaast kunnen ook ontwikkelingen buiten deze zone zorgen voor mogelijk negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden, zoals door stikstofdepositie in de aanlegfase van woningbouw en nieuwe bedrijven en in de gebruiksfase door onder meer verkeer. Ook zal het toevoegen van gevoelige functies zoals woningen aan dit gebied de kwetsbaarheid en de gevolgen van een overstroming vergroten. In paragraaf 5.4 is beschreven hoe deze negatieve effecten mogelijk te verminderen of weg te nemen zijn.

60/67

Kenmerk

R001-1272626DSG-V01-agv-NL

Indicator

Huidige situatie

Autonome ontwikkeling

Bodemkwaliteit

Goed

Goed

Ondergronds ruimtegebruik

Redelijk

Redelijk

Waterkwaliteit

Redelijk

Redelijk

Waterkwantiteit

Redelijk

Redelijk

Verzilting

Slecht

Slecht

Natura 2000-gebieden

Redelijk

Redelijk

Natuurnetwerk Nederland

Redelijk

Redelijk

Biodiversiteit buiten het NNN

Redelijk

Redelijk

Wateroverlast

Redelijk

Redelijk

Hittestress

Redelijk

Slecht

Droogte

Redelijk

Slecht

Overstroming

Goed

Slecht

Aandeel duurzame energie

Slecht

Redelijk

Energiebesparing

Slecht

Redelijk

Woningvoorraad

Slecht

Redelijk

Sociale samenhang/ Sociale inclusiviteit

Redelijk

Redelijk

Bedrijventerreinen en werklocaties

Redelijk

Redelijk

Duurzame Landbouw

Redelijk

Redelijk

Redelijk

Redelijk

Redelijk

Redelijk

Invloed Omgevingsvisie

Bodem en water

Natuur en biodiversiteit

Klimaatadaptatie

Energietransitie

Wonen en voorzieningen

Vestigingsklimaat

Verkeer en vervoer Bereikbaarheid Gezonde leefomgeving Gezondheidsbevordering

61/67

Kenmerk

R001-1272626DSG-V01-agv-NL

Indicator

Huidige situatie

Autonome ontwikkeling

Stilte

Redelijk

Redelijk

Bereikbaarheid recreatie

Goed

Goed

Verkeersveiligheid

Redelijk

Redelijk

Geluid

Redelijk

Redelijk

Luchtkwaliteit

Goed

Goed

Externe Veiligheid

Goed

Redelijk

Landschappelijke waarden

Goed

Redelijk

Cultuurhistorische waarden

Goed

Redelijk

Archeologische waarden

Redelijk

Redelijk

Aardkundige waarden

Redelijk

Redelijk

Invloed Omgevingsvisie

Veilige leefomgeving

Landschap en cultuurhistorie

Figuur 5.1 Overzicht kwaliteitsniveaus van alle indicatoren in de huidige situatie en autonome ontwikkeling en de invloed van het beleid van de Omgevingsvisie 5.2 Synergie en strijdigheden

De speerpunten uit de Omgevingsvisie bieden kansen op synergie, maar hebben in sommige gevallen ook het risico op strijdigheden. Wat opvalt is dat meer speerpunten een kans geven op synergie met een ander speerpunt dan dat er een risico op strijdigheid is (zie figuur 5.2). Vooral het speerpunt 1 ‘Een gezinsvriendelijke gemeente met een stad die belangrijk is voor de regio. Met sterke dorpen. En een gemeente die aantrekkelijk is voor ondernemers’ geeft kansen op synergie met verschillende andere speerpunten. Vijf in totaal. Deels is de synergie met relatief veel andere speerpunten ook te verklaren doordat speerpunt 1 veel omvattend is. Er zitten maar liefst vier subdoelen in opgenomen. Daarentegen kan met name de ruimte voor ondernemers en bedrijvigheid (speerpunt 1) het risico op strijdigheid met een waardevolle omgeving (speerpunt 8) met zich meebrengen. Aangezien er op dit moment geen randvoorwaarden zijn gesteld aan de ruimte voor ondernemers is een negatief effect op de waarde van het landschap niet uit te sluiten. Concrete randvoorwaarden in de vorm van locaties waar bedrijven zich mogen vestigen, maximale bedrijfscategorieën of een maximale bedrijfsgrootte zouden deze effecten kunnen beperken. Het speerpunt van een waardevolle omgeving (speerpunt 8) kan ook strijdig zijn met speerpunten 2, 3 en 7.

Ook in die speerpunten wordt meer ruimte geboden voor ondernemers in de recreatiesector, agrarische sector, voor woningbouw en voor zonne-energie, zonder dat er voorwaarden aan verbonden zijn om de waarden van die gebieden niet aan te tasten.

62/67

Kenmerk

R001-1272626DSG-V01-agv-NL

Figuur 5.2 Overzicht van kansen op synergie en risico op strijdigheden tussen speerpunten

63/67

Kenmerk

5.3

R001-1272626DSG-V01-agv-NL

Mate waarin dit beleid bijdraagt aan het behalen van afzonderlijke ambities (doelbereik)

In paragraaf 4.3 staat het doelbereik beschreven. In Figuur 5.3 is inzichtelijk gemaakt in welke mate het beleid van de Omgevingsvisie bijdraagt aan het behalen van de doelen van de Omgevingsvisie in 2040. In het figuur valt op dat in de meeste gevallen het beleid wel een bijdrage levert, maar niet in voldoende mate om het doel helemaal te halen. Op hoofdlijnen heeft dat te maken met een aantal factoren. Gedeeltelijk is het te verklaren doordat de gemeente afhankelijk is van verschillende partijen, zoals projectontwikkelaars, woningcorporaties, woningeigenaren, beheerders, bewoners of bezoekers. Deze afhankelijkheid brengt onzekerheid met zich mee. Verder geldt dat wanneer het doel verder in de toekomst ligt, daarmee ook de onzekerheid toeneemt. Ontwikkelingen in de toekomst zijn met de kennis van nu lastig in te schatten. Hoe de vraag naar werk- en kantorenlocaties zich verder na corona gaat ontwikkelen bijvoorbeeld. Of hoe nieuwe inzichten en technieken van invloed zijn op de aanpak van klimaatverandering of in de duurzame mobiliteit. Het doel om aan te sluiten bij de groeiende behoefte aan woningbouw wordt vanwege het regionale convenant en afwegingskader (bij ontwikkelingen groter dan 12 woningen) voor woningbouw in de autonome situatie al gehaald.

Figuur 5.3 Doelbereik Omgevingsvisie Schagen

5.4

Mitigerende maatregelen

Mitigerende maatregelen zijn maatregelen om belangrijke nadelige gevolgen op het milieu van de activiteit te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk teniet te doen. Bij mitigerende maatregelen kan het gaan om nadere randvoorwaarden of aanbevelingen voor programma’s indien bijvoorbeeld uit de monitoring blijkt dat bepaalden waarden meer bescherming nodig hebben. Zoals beschreven in paragraaf 5.1 heeft de Omgevingsvisie mogelijk een negatieve invloed op de indicatoren landschappelijke waarden, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN), overstromingsrisico en op stiltegebieden. Of de Omgevingsvisie uiteindelijk ook daadwerkelijk negatieve effecten op die indicatoren heeft, hangt sterk af van de concrete invulling van de acties

64/67

Kenmerk

R001-1272626DSG-V01-agv-NL

in opvolgende programma’s, omgevingsplan en uitvoeringsprojecten. In de Omgevingsvisie zijn verschillende acties weliswaar op de visiekaart aangegeven, maar is geen exacte locatie ingetekend. Bij de nadere invulling kunnen effecten op Natura 2000-gebieden (zie ook paragraaf 5.5), NNN, overstromingsrisico en stiltegebieden voorkomen of verminderd worden door kritisch te kijken naar de locatiekeuze, de exacte omvang en verdere invulling van woningbouw, uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijvigheid en de aanleg van zonneweides. Voor de kustzone waar relatief gezien de meeste van de negatieve effecten op deze indicatoren worden verwacht, kan ook gebiedsgericht beleid worden opgesteld in de vorm van een programma. Eventueel kunnen omgevingswaarden worden benoemd en op welke wijze deze beschermd worden. Indien deze omgevingswaarden niet gehaald worden, dan ontstaat de verplichting om een programma op te stellen om alsnog de omgevingswaarden te halen. Aangezien er op dit moment geen randvoorwaarden zijn gesteld aan de ruimte voor ondernemers is een negatief effect op de waarde van het landschap niet uit te sluiten. Concrete randvoorwaarden in de vorm van locaties waar bedrijven zich mogen vestigen, maximale bedrijfscategorieën of een maximale bedrijfsgrootte zouden deze effecten kunnen beperken.

Negatieve effecten op de landschappelijke waarden zijn ook weg te nemen of te verminderen door een gebiedsfonds op te zetten. Dit gebiedsfonds wordt (deels) gefinancierd doordat ondernemers die nieuwbouw plaatsen of uitbreiden een bijdrage betalen aan het gebiedsfonds. Met het geld uit dat fonds kunnen vervolgens maatregelen worden betaald die zorgen voor een fraaier landschap.

5.5

Conclusies Passende beoordeling Natura-2000 gebieden

De Omgevingsvisie van de gemeente Schagen is een langetermijnvisie op de fysieke leefomgeving van de gemeente tot aan 2040. In de visie worden op hoofdlijnen beleidskeuzes gemaakt voor wonen, werken, recreëren en mobiliteit. Aangezien op voorhand niet is uit te sluiten dat deze keuzes afzonderlijk of in samenhang kunnen leiden tot significante gevolgen op Natura 2000-gebieden in en rondom de gemeente is een Passende beoordeling opgesteld. Door de lange doorlooptijd en het hoge abstractieniveau van de Omgevingsvisie kunnen mogelijke significante effecten op Natura 2000-gebieden binnen en rondom de gemeente Schagen op dit moment niet met zekerheid worden uitgesloten. Tegelijkertijd is ook niet op voorhand sprake van significante effecten of met zekerheid onuitvoerbare ontwikkelingen, omdat er zowel in de aanlegfase als gebruiksfase doorgaans mogelijkheden gevonden kunnen worden om negatieve effecten effectief te beperken of weg te nemen. Naast bronmaatregelen kan daarbij ook gedacht worden aan zorgvuldige locatiekeuze en inpassing of (met name in het geval van stikstofdepositie) aan de mogelijkheid van saldering met bestaande emissiebronnen.

Wanneer concretisering van keuzes plaatsvindt in bijvoorbeeld opvolgende programma’s en omgevingsplan en er meer duidelijkheid is over de omvang van de verschillende ontwikkelingen, zal nader onderzoek nodig zijn naar effecten op Natura 2000 en de mogelijkheden om deze te beperken (Passende beoordeling op projectniveau). Zo zullen er op dat moment onder meer concrete stikstofberekeningen nodig zijn om de daadwerkelijke omvang van effecten in beeld te brengen.

65/67

Kenmerk

R001-1272626DSG-V01-agv-NL

6 Leemten in kennis, evaluatie en monitoring van beleid 6.1

Leemten in kennis

De effectbeoordeling in dit planMER is kwalitatief van aard en sluit aan bij het strategische- en langetermijnkarakter van de Omgevingsvisie. Het beleid is richtinggevend voor verdere uitwerking en doorwerking in programma´s of andere instrumenten. Voor dit planMER zijn de gedane aannames afdoende om een voldoende betrouwbaar beeld te verkrijgen van kansen op positieve effecten en risico’s op negatieve effecten op de leefomgeving op de langere termijnen. Op dit abstractieniveau is er dan ook geen sprake van leemtes in kennis of onzekerheden met betrekking tot de in dit planMER beschreven effecten en invloed van de Omgevingsvisie. Een gedetailleerdere effectbeoordeling, kwantificering daarvan en toetsing aan wettelijke kaders kan alleen plaatsvinden bij verdere uitwerking van het beleid op de kortere termijn in bijvoorbeeld programma’s. De effecten die zich uiteindelijk in de praktijk voor zullen doen, moeten op basis van monitoring in beeld worden gebracht.

6.2

Evaluatie en monitoring van beleid

Monitoring en evaluatie vormen een belangrijk onderdeel van de realisatie van de Omgevingsvisie. De lange looptijd van de Omgevingsvisie vraagt om regelmatige monitoring en evaluatie van de visie, zoals ook past binnen de beleidscyclus van de instrumenten van de Omgevingswet. Ook geeft de Omgevingsvisie veel ruimte aan partijen om initiatieven te ontplooien binnen de kaders van de visie. Evaluatie en monitoring van beleid zijn essentieel om te bepalen of de verschillende doelstellingen gedurende de looptijd van de visie nog kunnen worden bereikt en wat de effecten van het beleid zijn. Dit biedt bestuurders een basis om in de loop van de tijd, indien nodig, extra maatregelen te nemen.

Figuur 6.1 Beleidscyclus van de instrumenten van de Omgevingswet (bron: Aan de slag met de Omgevingswet)

66/67

Kenmerk

R001-1272626DSG-V01-agv-NL

Monitoring voor de Omgevingsvisie Schagen In de Omgevingsvisie geeft de gemeente aan op welke wijze de monitoring vorm krijgt: “Er zit geen einddatum aan onze Omgevingsvisie. Wij houden onze Omgevingsvisie actueel en compleet en stellen deze iedere twee jaar bij. Dit gebeurt aan de hand van de diverse speerpunten in deze Omgevingsvisie. Bij de speerpunten is aangegeven wat de gemeente de komende tijd gaat doen. Iedere twee jaar wordt voor alle speerpunten bekeken hoe ver de gemeente gekomen is. En wat er is bereikt. Dit kan leiden tot aanpassing van de visie. Voor een aantal onderwerpen kijken we vaker hoe het er voor staat. Dit geldt voor alle onderwerpen die bij duurzaamheid horen. Voor het speerpunt over wonen en voor het speerpunt iedereen doet mee. Bij het onderwerp duurzaamheid loopt een programma Duurzaamheid. Het programma duurzaamheid is de plek waar we regelmatig kijken wat we hebben bereikt. En of we meer of andere maatregelen moeten nemen. Voor iedereen doet mee is dit het actieplan iedereen doet mee. En bij wonen is dit het lokale woningbouwprogramma. De gemeenteraad ziet de voortgang op deze onderwerpen zoals ze dat gewend is. Via rapporten per drie maanden of per jaar. Dit wordt de planning en control cyclus genoemd.”

67/67

Kenmerk

Bijlage 1

R001-1272626DSG-V01-agv-NL

Factsheets: beschrijving beoordelingskader, Huidige Situatie en Autonome Ontwikkelingen (HSAO) en beleidskader per indicator

Bijlage 1 Factsheets: beschrijving beoordelingskader, Huidige Situatie en Autonome Ontwikkelingen (HSAO) en beleidskader per indicator Leeswijzer In deze bijlage worden voor tien verschillende thema’s uit het planMER de volgende onderdelen beschreven: 1) beoordelingskader; 2) beschrijving en beoordeling van de referentiesituatie (Huidige Situatie en Autonome Ontwikkelingen); en het 3) beleidskader (nationaal, provinciaal, gemeentelijk)

1 Bodem en Water In onderstaande tabel zijn de kwaliteitsniveaus samengevat van de indicatoren van het thema bodem en water in de huidige situatie, autonome ontwikkeling en als het beleid van de Omgevingsvisie van de gemeente in werking is.

Indicator

Huidige situatie

Autonome ontwikkeling

Bodemkwaliteit

Goed

Goed

Ondergronds ruimtegebruik

Redelijk

Redelijk

Waterkwaliteit

Redelijk

Redelijk

Waterkwantiteit

Redelijk

Redelijk

Verzilting

Slecht

Slecht

1.1

Bodemkwaliteit

1.1.1 Beoordelingskader Beoordelingsparameter: bodemkwaliteit en vruchtbaarheid Bij deze indicator binnen het thema bodem en water worden de effecten van bodemkwaliteit beoordeeld. Voor het MER worden de effecten van bodemkwaliteit bekeken aan de hand van bodemkwaliteit en vruchtbaarheid. De eigenschappen van de bodem en ondergrond bepalen of een plek geschikt is voor bepaalde functies, zoals woningbouw, landbouw of een waterberging. De kwaliteit van de bodem is dus een randvoorwaarde voor ontwikkelingen boven de grond. 1.1.2 Huidige situatie & autonome ontwikkeling Huidige situatie De bodemkwaliteit (gemeten op basis van chemische verontreinigingen) is bijna overal in NoordHolland op orde, in die zin dat er geen acuut gezondheids- of ecologisch aandachtspunt meer is,

1

omdat de vervuiling is gesaneerd 1 of is beheerst. Een paar lokale saneringslocaties zullen er altijd wel blijven, bijvoorbeeld omdat nieuwe functies een andere kwaliteit vragen, of doordat een nieuwe vervuiling ontstaat. Figuur 1.1 geeft de stortplaatsen in de gemeente Schagen weer.

Figuur 1.1 Stortplaatsen (rode driehoek) in de gemeente Schagen

Autonome ontwikkeling Daar waar vervuiling bepaalde functies onmogelijk heeft gemaakt, is de afgelopen jaren veel werk gemaakt van bodemsanering. Deze saneringsopgave neemt af, de aandacht verschuift nu naar het voorkomen van nieuwe vervuiling en naar verantwoord bodemgebruik. We zien een trend waarbij, door de intensivering van het ruimtegebruik boven de grond, er steeds meer nieuwe functies in de ondergrond worden toegevoegd. Denk aan tunnels en ondergronds bouwen, maar ook aan de toepassing van systemen om bodemenergie op te wekken via geothermie of op te slaan in bijvoorbeeld een warmte/koudeopslag en aan opslag van CO2.

1

Conform het convenant dat in 2020 moet zijn uitgevoerd. In deze beschrijving van de huidige situatie is

voorgesorteerd op de situatie in 2020. Bron: PROVINCIAAL UITVOERINGSPROGRAMMABODEMCONVENANT (PUB) 2016 – 2020. https://webcache.googleusercontent.com/search?q=cache:fmU0TYyYBLcJ:https://www.noordholland.nl/Onderwerpen/Water_Bodem/Bodemsanering/Beleidsdocumenten/Provinciaal_Uitvoeringsprogramma_Bo demconvenant_2016_2020.org+&cd=1&hl=nl&ct=clnk&gl=nl

2

De opgave blijft om invulling te geven aan goed bodembeheer en om nieuwe vervuiling te voorkomen. Tevens is het van belang de juiste functies op de juiste plek – met de juiste bodemkwaliteit – te plaatsen. 1.1.3

Beleid

Nationaal Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Aanvullingswet bodem Met het voorstel voor de Aanvullingswet bodem 2 wordt de aanpak van bodemverontreinigingen gekoppeld aan een gebiedsaanpak en het reguleren van activiteiten. De kern van het huidige bodembeleid is het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen. Dit blijft bij de overgang naar de Omgevingswet overeind. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is de bodem beter te beschermen en het besluit geeft gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. PFAS (Poly- en perfluoralkylstoffen) Vanaf 9 juli 2019 is het tijdelijk handelingskader PFAS/GEnX uitgekomen. De bovengrond en diepere geroerde bodemlagen zijn op basis van het tijdelijk handelingskader PFAS in heel Nederland verdacht op het diffuus voorkomen van PFAS3 als gevolg van atmosferische depositie.

In de praktijk betekent dit dat grond zonder onderzoek naar PFAS/GenX niet kan worden toegepast op andere locaties of kan worden afgevoerd naar een erkende verwerker. Mocht er grond worden afgevoerd tijdens werkzaamheden, dan dient dit voorafgaand geanalyseerd te worden op PFAS/GenX. Provinciaal – Noord-Holland In de Omgevingsvisie NH2050 4 beschrijft de provincie waar zij zich de komende jaren op gaat richten. De provincie heeft daarin de volgende ambitie opgenomen:

2

Ministerie van Binnenlandse Zaken. (2020). Aanvullingswet bodem. Geraadpleegd van

https://www.omgevingswetportaal.nl/wet-en-regelgeving/aanvullingswetten/aanvullingswet-bodem 3

Kamerbrief bij Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, Ministerie van

Verkeer en Waterstaat, 8 juli 2019. 4

Provincie Noord-Holland. (2019). Omgevingsvisie NH2050. Geraadpleegd van https://www.noord-

holland.nl/Onderwerpen/Ruimtelijke_inrichting/Projecten/Omgevingsvisie/Publicaties/Omgevingsvisie_NH2050_vast gesteld_op_19_november_2018.pdf

3

“Onze ambitie is het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van bodem-, water- en lucht, externe veiligheid, geluidbelasting en (ontwikkelingen in) de ondergrond. In elk geval voldoen we aan de wettelijke normen, en waar mogelijk meer.” In de Bodemvisie Noord-Holland 5 geeft de provincie aan hoe het de komende jaren met de bodem om wil gaan gegeven de nieuwe gebruiksontwikkeling en het toegenomen gebruik van de bodem. Hier ligt ook de focus op het stimuleren van de aanpak van ernstige bodemverontreinigingen; bevorderen van een goede afstemming tussen ruimtelijke functies en bodemeigenschappen bij ruimtelijke plannen en besluiten; en verbetering van de regulerende bodemfunctie in landelijk gebied. Lokaal – Schagen De gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen hebben gezamenlijk grondstromenbeleid opgesteld. De gemeente Schagen 6 heeft conform de eisen uit het Besluit bodemkwaliteit in oktober 2013 haar gezamenlijke bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer bestuurlijk vastgesteld.

1.2

Ondergronds ruimtegebruik

1.2.1 Beoordelingskader Beoordelingsparameter: intensiviteit gebruik ondergrond Bij deze indicator binnen het thema bodem en water worden de effecten van ondergronds ruimtegebruik beoordeeld. Voor het MER worden de effecten van ondergronds ruimtegebruik bekeken aan de hand van intensiviteit gebruik ondergrond. 1.2.2 Huidige situatie & autonome ontwikkeling Huidige situatie Naarmate de steden meer bevolkt raken en intensiever gebruikt worden, neemt het belang van een optimale publieke ruimte toe. De ondergrond wordt drukker met funderingen, kabels en leidingen en parkeren op straat wordt steeds vaker ingeruild voor voorzieningen op eigen terrein of in publieke, ondergrondse parkeergarages. Onderstaande kaart, figuur 1.2 toont onder meer de buisleidingen die door de gemeente lopen.

5

Provincie Noord-Holland (2020). Bodemvisie. Geraadpleegd van https://maps.noord-

holland.nl/WebViewer/index.html?viewer=bodemvisie 6

LievenseCSO (2017). Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart. Geraadpleegd van

https://repository.officiele-overheidspublicaties.nl/externebijlagen/exb-2018-22092/1/bijlage/exb-2018-22092.pdf

4

Figuur 1.2 Buisleidingen (in rood) in en rondom de gemeente Schagen

In de huidige situatie zijn binnen de gemeentegrenzen Schagen geen grondwaterbeschermingsgebieden, zie figuur 1.3.

5

Figuur 1.3 Grondwaterbeschermingsgebieden met gemeentegrenzen Schagen (zwart contour)

Een belangrijk aspect voor de instandhouding van de duurzaamheid van de ondergrond is de overgang van zoet en brak of zout grondwater. Het is ongewenst dat via de boorputten het risico ontstaat van uitwisseling tussen verschillende waterlagen met verschillende zoutgehaltes. In figuur 1.4 – 1.5 zijn deze gebieden aangegeven als ‘geschikt, maar onder voorwaarden vanwege zoetbrak’. In de huidige situatie is de diepe ondergrond binnen de gemeentegrenzen Schagen zeer geschikt voor WKO diep en in het zuiden ook, maar onder voorwaarden vanwege zoet-brak, zie figuur 1.4. De ondiepe ondergrond is voor een groot deel geschikt onder voorwaarden vanwege zoet-brak, maar ook een groot gedeelte heeft een matige of slechte ondergrond voor WKO, zie figuur 1.5.

6

Figuur 1.4 Geschiktheid Warmte Koude Opslag diep met gemeentegrenzen Schagen (zwart contour)

Figuur 1.5 Geschiktheid Warmte Koude Opslag ondiep met gemeentegrenzen Schagen (zwart contour)

7

Zetting is een proces in de bodem waarbij grond door belasting/druk van bovenaf wordt samengedrukt. De zettingsgevoeligheid hangt af van het bodemtype en de hoeveelheid vocht in de bodem. Geplande bouwwerken en infrastructuur en de maatregelen om zetting zo veel mogelijk te beperken zijn bepalend voor de uiteindelijk optredende zetting. Binnen de gemeentegrenzen van Schagen is een verschil in zettingsgevoeligheid. In het overgrote deel van de gemeente is de zettingsgevoeligheid matig tot behoorlijk gevoelig. Figuur 1.6 geeft de zettingsgevoeligheid voor de gemeente Schagen weer.

Figuur 1.6 Zettingsgevoeligheid gemeente Schagen (Bron: nationaal GEO register)

Autonome ontwikkeling De verwachting is dat in de toekomst de ondergrond, met name in bebouwd gebied, steeds voller wordt door aanleg en/of uitbreiding van warmtenetten en klimaatadaptieve maatregelen zoals wadi’s en infiltratiekratten. Daarnaast door de woningbouwopgave, zoals parkeergarages, funderingen, kabels en leidingen en evt. ondergrondse afvalopslag. 1.2.3 Beleid Nationaal De Structuurvisie ondergrond (STRONG)7 richt zich op duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond waarbij benutten en beschermen met elkaar in balans zijn. De belangrijkste elementen van de Structuurvisie Ondergrond: • •

7

Veel aandacht voor veiligheid en het tijdig betrekken van de omgeving bij nieuwe activiteiten in de ondergrond; Provincies hebben het voortouw bij het aanwijzen van gebieden voor drinkwaterwinning;

Rijksoverheid. (2018). Structuurvisie Ondergrond. Geraadpleegd via

https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/rapporten/2018/06/11/structuurvisieondergrond/structuurvisie-ondergrond.pdf

8

• •

In deze kabinetsperiode geen opsporingsvergunningen voor nieuwe gasvelden op land; Aardgaswinning uit bestaande kleine velden is nog enige tijd nodig;

• • •

Zoveel mogelijk benutten van potenties voor geothermie; De winning van schaliegas wordt uitgesloten, ook na deze kabinetsperiode; CO2-opslag op zee. Nu geen CO2-opslag op land, wel mogelijkheden op land onderzoeken.

Provinciaal – Noord-Holland In de Omgevingsvisie NH2050 8 beschrijft de provincie waar zij zich de komende jaren op gaat richten: “De ondergrond levert grondstoffen en bodemenergie, […] biedt ruimte voor het realiseren van ondergronds ruimtegebruik (tunnels, kabels en leidingen, maar ook opslag van gas, CO2 in onderzeese gasvelden en warm water).” In de Bodemvisie Noord-Holland 9 geeft de provincie aan hoe het de komende jaren met de bodem om wil gaan gegeven de nieuwe gebruiksontwikkeling en het toegenomen gebruik van de bodem. Hier ligt ook de focus op het vergroten van het gebruik van de bodem als energieleverancier door toepassing van bodemenergiesystemen. Lokaal – Schagen In het concept Duurzaamheidsprogramma Schagen 2020-2050 is het opstellen van de Transitievisie Warmte en het eerste wijkuitvoeringsplan, uiterlijk in 2021 als een eerste belangrijke inspanning omschreven. En vervolgens het borgen hiervan in de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan. Dat de ondergrond hierbij een belangrijke rol speelt is duidelijk, maar hoe een en ander vorm krijgt is nog punt van onderzoek.

1.3

Waterkwaliteit

1.3.1 Beoordelingskader Beoordelingsparameter: kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater Bij deze indicator binnen het thema bodem en water worden de effecten van waterkwaliteit beoordeeld. Voor het MER worden de effecten van waterkwaliteit bekeken aan de hand van de kwaliteit van het grondwater en oppervlaktewater. 1.3.2 Huidige situatie & autonome ontwikkeling In de dichtbevolkte waterrijke delta van West-Nederland is schoon en gezond water belangrijk voor mens, natuur en bedrijven. Het gaat dan om water waar niet te veel voedingsstoffen en geen

8

Provincie Noord-Holland. (2019). Omgevingsvisie NH2050. Geraadpleegd van https://www.noord-

holland.nl/Onderwerpen/Ruimtelijke_inrichting/Projecten/Omgevingsvisie/Publicaties/Omgevingsvisie_NH2050_vast gesteld_op_19_november_2018.pdf 9

Provincie Noord-Holland (2020). Bodemvisie. Geraadpleegd van https://maps.noord-

holland.nl/WebViewer/index.html?viewer=bodemvisie

9

vervuilende stoffen in zitten. Industrie en landbouw stellen steeds hogere eisen aan de kwaliteit van het water. Huidige situatie De huidige waterkwaliteit is in het algemeen voldoende voor veel gebruiksfuncties, zoals de drinkwaterproductie (weliswaar met aanvullende zuiveringsstappen), het gebruik in de landbouw (drinkwater voor vee en beregening), zwemmen en andere vormen van waterrecreatie. In zwemwaterlocaties wordt de waterkwaliteit en de fysieke veiligheid in de gaten houden. In de gemeente Schagen zijn zwemwaterlocaties aangewezen, 10 zie figuur 1.7.

Figuur 1.7 Zwemwatergebieden in de gemeente Schagen (Bron: zwemwater.nl)

Noord-Holland maakt deel uit van vier grondwaterlichamen: duin Rijn-West, zand Rijn-West, deklaag Rijn-West en zout Rijn-West. Van deze vier is alleen Duin Rijn-West een aandachtspunt, vanwege een hoog fosfaatgehalte. De kwaliteit van het grondwater in Noord-Holland is in het algemeen goed en de grondwatervoorraad wordt op peil gehouden. De KRW-doelen voor oppervlaktewater vallen uiteen in twee categorieën: chemische doelen voor prioritaire stoffen (zeer giftige of moeilijk afbreekbare stoffen) en chemische doelen voor overige verontreinigende stoffen die mede de ecologische toestand bepalen. Deze laten zien dat een

10

Zwemwater. (2019). Zwemwatergebieden. Geraadpleegd van https://www.zwemwater.nl/

10

hoge fosfaatconcentratie (en in mindere mate ook de stikstof concentratie) in het water in NoordHolland een probleem vormt. Deze is in vrijwel alle waterlichamen groter dan de draagkracht van het systeem. Figuur 1.8 geeft de KRW-waterlichamen voor grond- en oppervlaktewateren weer. De gemeente Schagen behoort voor het overgrote deel bij het grondwaterlichaam ‘zout Rijn-West’.

Figuur 1.8 KRW-waterlichamen voor grond- en oppervlaktewateren (Bron: https://maps.noordholland.nl/WebViewer/index.html?viewer=watervisie)

In veel gebieden in Nederland worden regionale systemen doorgespoeld om chloride- en nutriëntenconcentraties voldoende laag te houden. Het kan hierbij zowel gaan om interne verzilting als gevolg van zoute kwel als om externe verzilting als gevolg van het indringen van chloride via het oppervlaktewater. Figuur 1.9 geeft de beïnvloeding van de waterkwaliteit door chloride weer.

11

Figuur 1.9 Waterkwaliteit beïnvloed door chloride (mg/l) (Bron: http://hnk-water.nl/themka/)

Autonome ontwikkeling Door langere droge zomers en hoge temperaturen verslechtert de kwaliteit van grondwater naar een wisselend niveau in de autonome ontwikkeling. Voldoende debiet is belangrijk voor de kwaliteit van het water. Middels vergunningverlening voor grondwateronttrekking wordt voorkomen dat intrusie van zout water plaatsvindt, waardoor uitputting en verzilting van het grondwater door overmatige onttrekking voorkomen wordt. Voor een gezonde waterkwaliteit geldt eveneens dat we op regionaal niveau afhankelijk zijn van internationale en lokale maatregelen. In stedelijk gebied kan de ondergrond niet onbeperkt worden gebruikt voor bodemenergie (gebruik van grondwater voor het koelen van gebouwen in de zomer, en in de winter om te verwarmen) en in natuurgebieden zijn maatregelen nodig om grondwaterafhankelijke natuur te behouden of te verbeteren. 1.3.3

Beleid

Nationaal De Europese Kaderrichtlijn Water gaat in op de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater. In Nederland vertaalt de Rijksoverheid de Kaderrichtlijn Water (KRW) 11 in landelijke beleidsuitgangspunten, kaders en instrumenten.

11

Rijksoverheid. (2020). Europese Kaderrichtlijn Water. Geraadpleegd van

https://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/wetgeving-beleid/kaderrichtlijn-water/

12

Provinciaal – Noord-Holland In de Omgevingsvisie NH2050 12 beschrijft de provincie waar zij zich de komende jaren op gaat richten. De provincie heeft daarin de volgende ambitie opgenomen: “Onze ambitie is het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van bodem-, water- en lucht, externe veiligheid, geluidbelasting en (ontwikkelingen in) de ondergrond. In elk geval voldoen we aan de wettelijke normen, en waar mogelijk meer. We spannen ons in om samen met onze partners zo spoedig mogelijk tenminste aan de KRW-normen voor water te voldoen, doch uiterlijk in 2027.” In de Bodemvisie Noord-Holland 13 geeft de provincie aan hoe het de komende jaren met de bodem om wil gaan gegeven de nieuwe gebruiksontwikkeling en het toegenomen gebruik van de bodem. Hier ligt ook de focus op het beheersen en verminderen van grootschalige grondwaterverontreinigingen door gebiedsgericht grondwaterbeheer. Lokaal – Schagen In de Kop van Noord-Holland – waartoe ook Schagen behoort – komen geen grondwaterbeschermingsgebieden voor. In de Structuurvisie 2025 14 van de gemeente Schagen is het thema waterkwaliteit niet opgenomen: “Door het waterschap is op het gebied van water een concept-waterlopenbeheerplan opgesteld.

Daarin wordt de natuurvriendelijke inrichting van oevers en/of een extensivering van beheer en onderhoud van de wateren en boezemkaden nagestreefd voor zowel het stedelijk als het landelijk gebied. Er is geen gemeentelijk beleid ten aanzien van waterstructuur (waterberging, waterkwaliteit o.i.d.).” In het integrale beleidsplan Openbaar gebied 2016 is het volgende opgenomen over water: “Oppervlaktewater is belangrijk voor ons welzijn en veiligheid. Een veilig, veerkrachtig en ecologisch gezond watersysteem is ons uitgangspunt. Water geeft een kwaliteitsimpuls aan de leef- en woonomgeving en combineert verschillende functies zoals waterhuishouding, natuur, recreatie, wonen en bedrijvigheid. Water heeft een economische functie. De klimaatverandering zorgt er bovendien voor dat water een toenemend belang heeft als buffer bij extreme omstandigheden zoals droogte en teveel neerslag. In de gemeente Schagen zijn de volgende watertypen: duinwater, polderwater en boezemwater. Daarnaast onderscheiden we nog stedelijk water en grondwater. Het

12

Provincie Noord-Holland. (2019). Omgevingsvisie NH2050. Geraadpleegd van https://www.noord-

holland.nl/Onderwerpen/Ruimtelijke_inrichting/Projecten/Omgevingsvisie/Publicaties/Omgevingsvisie_NH2050_vast gesteld_op_19_november_2018.pdf 13

Provincie Noord-Holland (2020). Bodemvisie. Geraadpleegd van https://maps.noord-

holland.nl/WebViewer/index.html?viewer=bodemvisie 14

Gemeente Schagen. (2011). Structuurvisie 2025. Geraadpleegd van

https://www.schagen.nl/document.php?m=49&fileid=60811&f=2400548ca61c065d502fffbfb3fd3488&attachment=1& c=38479

13

eigendom en het beheer en onderhoud van de verschillende oppervlaktewateren is verdeeld over verschillende partijen. Ook de gemeente heeft oppervlaktewater in eigendom.”

1.4

Waterkwantiteit

1.4.1

Beoordelingskader

Beoordelingsparameter: kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater Bij deze indicator binnen het thema bodem en water worden de effecten van waterkwantiteit beoordeeld. Voor het MER worden de effecten van waterkwantiteit bekeken aan de hand van kwantiteit van het grond- en oppervlaktewater. 1.4.2 Huidige situatie & autonome ontwikkeling Huidige situatie Als het regent, is het van belang dat het overtollige water weggepompt kan worden zodat het watersysteem niet te zwaar wordt belast en er in het ergste geval overstromingen ontstaan. Het watersysteem bestaat uit een fijnmazig stelsel van watergangen in de polder (polderwatersysteem) met daarnaast hoofdwatergangen (het boezemwatersysteem). Dit water wordt vervolgens naar zee afgevoerd. De grondwaterwinningen voor menselijke consumptie in Noord-Holland zijn allen wel in goede toestand en de zuiveringsinspanning is nergens toegenomen de afgelopen jaren. De waterbalans in de grondwaterlichamen in Noord-Holland is daarnaast voldoende om onttrekkingen te kunnen compenseren, waarmee het huidige gebruik duurzaam kan worden voortgezet. In de gemeente Schagen zijn waterbergingsgebieden, zie figuur 1.10. Binnen de grenzen van de gemeente Schagen zijn geen grondwaterbeschermingsgebieden en/of grondwaterwinning.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10145631/1