bp Recreatiepark Corfwater - toelichting
Tekst van het document
Voor de ontwikkeling is een markt- en impactonderzoek uitgevoerd (zie paragraaf 3.2.2). Uit het onderzoek komt naar voren dat de ontwikkeling van toegevoegde waarde en onderscheidend is ten op zichte van het bestaande verblijfsrecreatieve aanbod in de regio. In het onderzoek is ook een inschatting gedaan van de impact op de regio. De herontwikkeling van Corfwater zal naar verwachting een forse positieve economische impact hebben op de Petten en de omgeving. Van deze impact profiteren toeristen, recreanten ondernemers en, indien goed geregisseerd, ook inwoners van Petten. Het initiatief is in lijn met de regionale visie op de verblijfsrecreatie voor Noord-Holland Noord.
33
3.5
Gemeentelijk beleid
3.5.1
Structuurvisie Petten "dorp in de duinen"
De structuurvisie Petten, eind 2012 vastgesteld door de voormalige gemeente Zijpe, laat zien op welke manier de gemeente de mogelijkheden die de kustversterking bij Petten (zandsuppletie) met zich mee brengen, wil gebruiken om Petten op de kaart te zetten. De plannen die de gemeente voor de kern Petten heeft, lopen tot ongeveer 2020 door, met een doorkijk tot 2040. In maart 2014 heeft de gemeenteraad van Schagen ingestemd met de overgang naar de realisatiefase van de structuurvisie. De structuurvisie dient ertoe om initiatiefnemers een kader te geven voor verdere ontwikkeling van Petten. De primaire doelstelling van de gemeente is om met de structuurvisie samenhang aan te brengen in de initiatieven. De structuurvisie is een herijking van het plan 'Petten aan Zee' en biedt een kader voor bouwplannen voor herinrichting van het gebied rondom het Huis ter Duin en de manage, het gebied van camping Corfwater en het verbeteren van bestaand vastgoed en revitalisering van het dorpsplein. De focus is gericht op het dorp om van daaruit aansluiting te zoeken bij de mogelijkheden die de kustversterking op termijn biedt.
De doelstelling van de structuurvisie is als volgt geconcretiseerd: Van het dorp Petten een volwaardige kustplaats maken met behoud van eigen identiteit; Kwaliteitsverbetering van de toeristische verblijfsrecreatie; Verbetering bereikbaarheid strand en uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen nabij het bezoekersscentrum Dijk te Kijk; Vitalisering dorpsplein; Behoud en mogelijke versterking winkelvoorzieningen; eerste aanzet geven tot herstructurering woningbouw; Betere en herkenbare verbindingen tussen de afzonderlijke wijken (dorp, Korfwater, Petten West en Nolmerban). Voor de verbetering van de verblijfsrecreatie wordt in de structuurvisie het volgende gesteld. De kracht van de voorgestelde kustversterking ligt in het nieuwe strand en de duinen. De huidige relatie van Petten met de kust karakteriseert zich als hard: dorp, dijk, asfalt, zee. Door zandsuppletie kan deze overgang veel landschappelijker en zachter worden vormgegeven. Een duin ter hoogte van de huidige camping Corfwater vormt in de toekomst de verbinding tussen dorp en strand. Door de strandovergang te positioneren in het verlengde van de Ingenieur van de Banstraat ontstaat een logische relatie tussen dorpskern en strandovergang. In de structuurvisie vormen de terreinen van het Korfwater, de manage en Huis ter Duin een aaneengesloten nieuw duinlandschap.
Het karakter van het nieuw duinlandschap vraagt om een open en organische wijze van bebouwing dat geen nieuwe enclaves vormt. De bebouwing is hoofdzakelijk kleinschalig en grondgebonden, maximaal twee bouwlagen met een kap. Uitzonderingen daarop vormen de ontwikkelingen op het bebouwingsvlak van het Huis ter Duin, waarbij de bouwhoogtes zich weliswaar beperkt tot een goothoogte van zes meter en een nokhoogte van twaalf meter, maar aansluitend op het karakter van het oude Huis ter Duin, ook een ensemble mag zijn. Toetsing De herontwikkeling van camping Corfwater tot recreatiepark wordt expliciet benoemd in de
34
structuurvisie. De herontwikkeling van het plangebied ten behoeve van maximaal 150 recreatiewoningen en dertien recreatieappartementen met een hoogwaardige uitstraling zorgt voor een kwaliteitsverbetering van de toeristische verblijfsrecreatieve voorzieningen in Petten. Onderdeel van de herontwikkeling is de aanleg van een openbaar toegankelijke langzaamverkeersverbinding tussen de kern van Petten en het strand. Het recreatiepark zal worden aangelegd in een duinlandschap. Met de ontwikkeling van het plangebied wordt invulling gegeven aan de doelstellingen van de structuurvisie Petten "dorp in de duinen". 3.5.2
Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit
De gemeente Schagen hanteert voor haar welstandsbeleid de ‘Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit’. Naast algemene welstandscriteria en sneltoetscriteria voor kleine bouwplannen zijn er gebiedsgerichte criteria bepaald. Voorliggend plan richt zich op een nieuwe invulling, waarbij sprake is van een functioneel-ruimtelijke verandering. Volgens de reisgids valt het plan daardoor onder de noemer ‘(bijzondere) ontwikkelingen’. Voor bijzondere ontwikkelingen in de gemeente Schagen worden beeldkwaliteitsplannen met daarin criteria opgesteld als aanvulling van de ‘Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit’. Het beeldkwaliteitsplan omvat een beschrijving van de gebiedskwaliteiten, ontwikkelgeschiedenis, ordeningsprincipes en bebouwingskarakteristieken van de omgeving. Plannen worden getoetst op basis van de criteria zoals opgenomen in het beeldkwaliteitsplan voor deze ontwikkeling. Toetsing Voor onderhavig plan is een beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie Bijlage 2). Het initiatief zal verder uitgewerkt worden op basis van dit beeldkwaliteitsplan. Het beeldkwaliteitsplan wordt gelijktijdig met het bestemmingsplan vastgesteld.
35
Hoofdstuk 4 4.1
Omgevingsaspecten
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt getoetst in hoeverre dit initiatief haalbaar is in het kader van milieu- en omgevingsaspecten.
4.2
Milieu
4.2.1
Geluid
Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals woningen, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Toetsing Met het initiatief is sprake van de realisatie van maximaal 150 recreatiewoningen en dertien recreatieappartementen en een experience centre. Recreatiewoningen, -appartementen een een experience centre worden in het kader van de Wgh niet aangemerkt als een geluidsgevoelig object. Een beheerderswoning (bedrijfswoning) is wel een geluidsgevoelig object. Voor de omliggende wegen geldt een 30 km/u regime. Voor wegen met een 30 km/u regime is geen onderzoekszone van toepassing, waardoor een onderzoek achterwege kan blijven. Aangenomen kan worden dat er geen sprake zal zijn van geluidhinder ter plaatse van de beheerderswoning. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geluid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. 4.2.2
Bedrijven en milieuzonering
Algemeen Indien door middel van een plan nieuwe, gevoelige functies of milieuhinderveroorzakende functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu binnen en buiten het plangebied mogelijk is. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van nieuwe gevoelige functies. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering'2 als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook
36
lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de aanbevolen richtafstanden met één stap worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf de grens van de locatie van de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies. Toetsing Het plangebied en haar omgeving maakt gezien de (huidige) aanwezige functies deel uit van een 'gemengd gebied'. Hinderveroorzakende functies in het plangebied Op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' kan voorliggend initiatief worden gecategoriseerd als 'Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)'. De VNG-brochure geeft de volgende minimaal aanbevolen richtafstanden aan voor deze functie: Type inrichting Geur Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken) 30
Stof 0
Geluid 50
Gevaar 30
De maximale richtafstand, die volgt uit de VNG-brochure, voor voorliggend initiatief bedraagt 50 m. Aangezien het plangebied in een 'gemengd gebied' ligt, kan de richtafstand met één stap verkleind worden tot 30 m. In de omgeving zijn milieuhindergevoelige objecten in de vorm van de woningen aan de Strandweg 1 en Korfwaterweg 49. De kortste afstand tussen het plangebied en deze woningen bedraagt circa 15 m. In de huidige situatie is er reeds sprake van een kampeerterrein. Het recreatiepark komt, ten opzichte van de mogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan voor een kampeerterrein, niet dichter bij de omliggende woningen te liggen. In de toekomstige situatie zal er sprake zijn van een rustig recreatiepark met kwalitatief hoogwaardige recreatiewoningen. Op het terrein zal geen sprake zijn van kamperen of animatieteams. De richtafstand uit de VNG-brochure is daarom niet geheel representatief voor de toekomstige situatie. Er is eerder sprake van recreatieve bewoning. De afstand tussen de woningen en het plangebied is daarmee voldoende groot. Hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied Naast voorgenoemde toetsing moet onderzocht worden of de functies in het plangebied hinder ondervinden van hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied.
Aangezien er sprake is van recreatieve bewoning, kunnen de recreatiewoningen tevens als hindergevoelig worden aangemerkt. In de directe omgeving van het plangebied zijn er hinderveroorzakende functies aanwezig in de vorm van een (her te ontwikkelen) hotelcomplex en een reddingsstation van de KNRM inclusief loods ten behoeve van stalling van voertuigen en boten. Op grotere afstand ligt een concentratiegebied voor nucleaire activiteiten. Het hotelcomplex kan worden gecategoriseerd als 'Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra', het reddingstation als 'Buurt- en clubhuizen', de loods als 'Autoparkeerterreinen, parkeergarages' en het concentratiegebied voor nucleaire activiteiten als 'kerncentrales met koeltorens'. De richtafstanden, op basis van een 'rustige woonwijk'/'rustig buitengebied', voor deze categorieën zijn als volgt.
37
Type inrichting Hotels en pensions met keuken, conferentie-oorden en congrescentra Buurt- en clubhuizen Autoparkeerterreinen, parkeergarages Kerncentrales met koeltorens
Geur
Stof
Geluid
Gevaar
10
0
10
10
0 10 10
0 0 10
30 30 500
0 0 1.500
Vanwege de ligging in een 'gemengd gebied' kan de richtafstand voor het hotelcomplex terug worden gebracht tot 0 m. De richtafstand van het reddingsstation bedraagt 10 m. Het reddingstation zelf ligt op 27 m afstand van het plangebied. De loods ligt op 10 m van het plangebied. De afstand tussen het plangebied en de omliggende hinderveroorzakende functies is daarmee voldoende groot. De afstand tot het concentratiegebied voor nucleaire activiteiten bedraagt circa 1.700 m. De richtafstand voor deze functie is 1.000 m op basis van een 'gemengd gebied'. De afstand tussen het plangebied en het concentratiegebied is voldoende groot. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de gewenste ontwikkelingen in het plangebied. 4.2.3
Bodem
Algemeen De bodemkwaliteit is in het kader van een bestemmingsplan van belang indien er sprake is van functieveranderingen of een ander gebruik. De bodem moet geschikt zijn voor de nieuwe functie. Toetsing Door Buro Ontwerp & Omgeving is in maart 2020 een verkennend en nader bodemonderzoek en verkennend onderzoek asbest in bodem uitgevoerd ter plaatse van het beoogde recreatiepark3. Het onderzoek is als Bijlage 3 bijgevoegd. Uit het onderzoek komt naar voren dat zowel in de grond als in het grondwater overwegend maximaal licht verhoogde gehalten/concentraties zijn aangetoond. Dit met uitzondering van een aangetoonde sterke verontreiniging met nikkel en de matige verontreiniging met nikkel aan de noordoostkant van de onderzoekslocatie. De aangetoonde licht verhoogde gehalten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader onderzoek. De sterke en matige grondverontreinigingen zijn in het onderzoek voldoende afgeperkt. De bovengrond ter plaatse van de paden en het oostelijk terreindeel is in het onderzoek vanwege puinbijmengingen als asbestverdacht aangemerkt. Tijdens de maaiveldinspectie is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal in de fractie > 20 mm waargenomen. In één mengmonster van de bermen (van het zuidelijk gelegen pad) is in de fractie < 20 mm een gewogen asbestgehalte van 23 mg/kg d.s.
38
(hechtgebonden chrysotiel) geconstateerd. Het aangetoonde gehalte asbest bevindt zich onder de norm voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s. gewogen). In de overige twee onderzochte mengmonsters is geen asbest in de fractie <20 mm aangetoond. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt op basis van het onderzoek geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van de camping tot een terrein met vakantiewoningen. Dit met uitzondering van de aangetoonde nikkelverontreinigingen in de grond welke voorafgaand aan de ontwikkeling gesaneerd dienen te worden. Zonder toestemming van de gemeente mogen geen werkzaamheden plaatsvinden in de verontreinigde grond. Hiervoor dient een Plan van Aanpak opgesteld te worden. Conclusie De aangetoonde nikkelverontreiniging zal voorafgaand aan de ontwikkeling worden gesaneerd. Hiervoor zal een Plan van Aanpak worden opgesteld. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 4.2.4
Luchtkwaliteit
Algemeen De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht, waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.
Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een
39
aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. Toetsing Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. In dit plan worden maximaal 150 nieuwe recreatiewoningen en dertien recreatieappartementen gerealiseerd. Daarnaast biedt het plangebied ruimte aan een experience centre, een horecagelegenheid, een beheerderswoning en een receptiegebouw. De nieuwe (recreatie)woningen en -appartementen kunnen gelijk worden gesteld aan woningen uit de ministeriële regeling NIBM. Het experience centre betreft grotendeels een verplaatsing van een bestaand informatiecentrum. Om die reden zorgt de realisatie van het experience centre niet voor een significante toename van het aantal verkeersbewegingen.
De horecagelegenheid en het receptiegebouw zijn ondergeschikte functies en zullen zelf niet voor een significante toename van het aantal verkeersbewegingen zorgen. Toetsing aan de grenswaarden is, gezien het beoogde aantal (recreatie)woningen, niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is de monitoringstool4 uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geraadpleegd. De monitoringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in het plangebied tussen 2020 en 2030. De monitoringstool kent scenario's zonder en met lokale maatregelen die er voor moeten zorgen dat op termijn overal aan de grenswaarden wordt voldaan. Beide typen scenario's laten in de toekomst een afname van de concentraties zien. Dit komt doordat bedrijven en het verkeer steeds schoner worden door technologische verbeteringen. De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2020 en 2030 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. In het plangebied worden geen gevoelige functies beoogd zoals bedoeld in het 'Besluit gevoelige bestemmingen'.
Toetsing aan de grenswaarden is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. 4.2.5
Externe veiligheid
Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt
40
tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijk slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Groepsrisico Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt.
Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld, die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. In het Bevi (stb. 250, 2004) wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (art. 13). De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico's acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico's te verkleinen. Toetsing De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een recreatiepark ten behoeve van maximaal 150 recreatiewoningen en dertien recreatieappartementen. Daarnaast biedt het plangebied ruimte aan een experience centre, een horecagelegenheid, een beheerderswoning en een receptiegebouw. Er is daarmee sprake van de realisatie van een kwetsbaar object (het recreatiepark). De navolgende afbeelding betreft een uitsnede van de risicokaart Nederland. De globale ligging van het plangebied is op deze kaarten aangeduid met een blauw kader.
41
Uitsnede Risicokaart Nederland Stationaire bronnen In de nabije omgeving ligt op circa 450 m ten zuidoosten van het plangebied een tuinbouwbedrijf (Westerduinweg 10b). Op deze locatie is een koelinstallatie op basis van ammoniak aanwezig. Het betreft geen Bevi inrichting, maar een inrichting die op basis van het Activiteitenbesluit op de risicokaart is opgenomen. De 10-6 contour van deze installatie bedraagt 0 meter. De afstand tot het plangebied is daarmee voldoende groot. Op circa 1,7 km ten noorden van het plangebied ligt een concentratiegebied voor nucleaire activiteiten. In het gebied zijn geen Bevi-inrichtingen gevestigd. Wel zijn er een aantal inrichtingen aanwezig, die op basis van een milieuvergunning op de risicokaart zijn opgenomen. De 10-6 contour van deze inrichtingen bevinden zich echter op ruime afstand van het plangebied. In het kader van bedrijven- en milieuzonering is in paragraaf 4.2.2 nader ingegaan op het concentratiegebied. Mobiele bronnen Op circa 1,8 km ten oosten van het plangebied ligt de rijksweg N9. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over rijkswegen is het Basisnet Weg van belang. Over de rijksweg N9 worden volgens het Basisnet Weg gevaarlijke stoffen vervoerd. De 10-6 contour van deze weg bedraagt 0 m voor het plaatsgebonden risico. Het invloedsgebied van deze weg bedraagt 355 m.
Een nadere beoordeling van het groepsrisico is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied.
42
4.2.6
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Algemeen Om te bepalen of voor het project een milieueffectrapport (M.E.R.) moet worden opgesteld, is het van belang om te kijken of de ontwikkeling een activiteit is als opgenomen in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.). In de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. Het onderscheid tussen deze twee bijlagen is dat in bijlage C er direct sprake is van een m.e.r.-plicht voor besluiten met een omvang boven de drempelwaarden en besluiten onder de drempelwaarden zijn niet m.e.r.-plichtig. Onderdeel D geeft aan of er voor besluiten beoordeeld moet worden of er m.e.r. noodzakelijk is. Voor besluiten met een omvang boven de drempelwaarden moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd en voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Pas na het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r-beoordeling is duidelijk of er een M.E.R. moet worden opgesteld. Toetsing Voor de ontwikkeling is een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is als Bijlage 10 bijgevoegd. Op grond van de vormvrije m.e.r.-beoordeling kan geconcludeerd worden dat mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van het initiatief kunnen worden uitgesloten. Conclusie Het bestemmingsplan kan zonder m.e.r.(-beoordeling) worden vastgesteld.
4.3
Archeologische en cultuurhistorische waarden
4.3.1
Archeologie
Algemeen Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a, van het Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst, hoe er wordt omgegaan met het aspect archeologie. De bescherming van archeologische waarden is verankerd in de Erfgoedwet. Het belangrijkste doel van deze wet is de bescherming van de aanwezige en de te verwachten archeologische waarden door het reguleren van bodemverstorende activiteiten. Toetsing Door Hamaland Advies in november 2019 een archeologisch onderzoek uitgevoerd5. Dit onderzoek is als Bijlage 4 bijgevoegd. Het onderzoek ziet toe op de gronden ter plaatse van het te ontwikkelen recreatiepark en het gebied ten noorden hiervan, waar een nieuw hotelcomplex wordt ontwikkeld. De resultaten van het bureauonderzoek geven aan dat het plangebied tot minstens 1617 in een zeegat gelegen was. De holocene afzettingen in het plangebied hebben derhalve een datering in de Nieuwe tijd. De pleistocene afzettingen worden vanaf 8,0 m -mv verwacht. De geplande bodemverstoringen in het deelgebied camping reiken tot maximaal 80 cm-mv en blijven daarom beperkt tot de afzettingen uit de nieuwe tijd. Op basis van het bureauonderzoek kunnen vindplaatsen uit de nieuw tijd echter niet
43
uitgesloten worden. Om die reden is in het onderzoek geadviseerd om een verkennend booronderzoek uit te voeren om de mate van intactheid van de bodem te toetsen en te toetsen in hoeverre de oorspronkelijke sedimenten van na het dichtslibben van het voormalige zeegat in 1617 nog aanwezig zijn. In deze sedimenten kunnen aan water gebonden vindplaatsen aanwezig zijn zoals steigers en scheepswrakken. In oudere sedimenten kunnen moerneringsputten aanwezig zijn. Voorgaand advies is voorgelegd aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag heeft aangegeven dat een (verkennend) booronderzoek ter plaatse van het plangebied niet noodzakelijk, is indien de bodemingrepen hier niet dieper reiken dan 80 cm -mv. Om deze voorwaarde te borgen, is in de regels en op de verbeelding de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4a' opgenomen (met een drempelwaarde voor bodemingrepen groter dan 2.500 m² en dieper dan 80 cm -mv). Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect archeologie geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de gewenste ontwikkelingen in het plangebied. 4.3.2
Cultuurhistorie
Algemeen Door de wijziging van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Om die reden is een korte analyse verricht van de ontstaansgeschiedenis en de mogelijk aanwezige cultuurhistorische waarden in het gebied. Toetsing In het eerdergenoemde archeologische onderzoek van Hamaland Advies is ook ingegaan op de cultuurhistorische situatie in het plangebied. Het plangebied is gelegen in een zone die is geclassificeerd als een vlakte die ontstaan is door afgraving en/of egalisatie van duinen of strandwallen en deels ter plaatse van kustduinen met bijbehorende vlakten en laagten. Hierin is een duinvaaggrond in grof zand ontstaan, en in een klein deel een vlakvaaggrond in grof zand. Op basis van historisch kaartmateriaal kan opgemaakt worden dat het plangebied gelegen was in een zeegat, dat na 1617 dichtgeslibd is. Het plangebied is pas vanaf het eind 19e eeuw op kleine schaal bebouwd is geraakt. Deze bebouwing stond in het zuidelijk deel van het plangebied. De grootste ontwikkelingen vinden plaats in de 20e eeuw, wanneer er meer bebouwing gerealiseerd wordt (maar nog steeds op kleine schaal) en het plangebied is ontwikkeld tot campingterrein.
Aan de westzijde van het plangebied staat nog een bunker uit de Tweede Wereldoorlog. Het behoorde tot het Stützpunkt XXib H L – ‘Heeresküstenbatterie Petten' en werd in 1942-1943 gebouwd. Op deze locatie stonden ooit drie bunkers van hetzelfde type: 612. Op deze locatie was een gehele stelling aanwezig, welke na de oorlog, op de betreffende bunker na, afgebroken is. De bunker in het plangebied blijft behouden. Het initiatief heeft geen negatieve gevolgen voor het aspect cultuurhistorie.
44
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect cultuurhistorie geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de gewenste ontwikkelingen in het plangebied.
4.4
Ecologie
4.4.1
Algemeen
Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, in beeld worden gebracht of er sprake is van invloeden op natuurwaarden en beschermde soorten. 4.4.2
Toetsing
Quickscan natuurtoets Door Staring Advies is in juli 2019 een quickscan natuurtoets en voortoets Natura 2000 uitgevoerd ter plaatse van het terrein van de camping6. Dit onderzoek is als Bijlage 5 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Gebiedsbescherming Natura 2000 Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied, maar grenst wel deels aan het Natura 2000-gebied 'Zwanenwater & Pettemerduinen'. Enkele overige Natura 2000-gebieden als 'Abtskolk & De Putten' en 'Noordzeekustzone' liggen op geringe afstand van het plangebied, vanaf respectievelijk circa 1,1 kilometer en 200 meter. Uit het onderzoek komt naar voren dat de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden 'Zwanenwater & Pettemerduinen' en 'Noordzeekustzone' mogelijk worden aangetast door stikstofdepositie en de mogelijke realisatie van een Warmte Koude Opslag (WKO). Het uitvoeren van een AERIUS-berekening is noodzakelijk. Indien sprake is van de realisatie van een WKO installatie moet onderbouwd worden dat er geen sprake is van aantasting van de bodemhydrologie of bodemverontreiniging. Dit heeft mogelijk een negatief effect op de groenknolorcis, rugstreeppad en vochtige habitattypen van 'Zwanenwater & Pettemerduinen'. In paragraaf 4.5.2 wordt nader ingegaan op de invloed van het WKO systeem op de geohydrologische situatie ter plaatse.
Bij toepassing van een WKO installatie zal voorafgaand een geohydrologische toets worden uitgevoerd die moet aantonen dat de installatie geen negatief effect heeft op de hydrologische situatie ter plaatse. Voor zover bekend zijn in de omgeving van het plangebied geen grondwaterverontreinigingen aanwezig. Het toepassen van een WKO installatie zal daarmee niet leiden tot (verdere) bodemverontreiniging. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt niet in het NNN. De duingebieden grenzend aan het plangebied zijn aangewezen als bestaande en nieuwe natuur binnen het NNN. Er vindt geen ruimtebeslag op bestaande en nieuwe natuur, waternatuurgebieden of ecologische verbindingen plaats. Bij het toetsingskader van de NNN is geen sprake van externe werking. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden.
45
Soortenbescherming In het kader van de soortenbescherming is een literatuur- en veldonderzoek verricht. De bevindingen uit het onderzoek worden hierna kort behandeld. Op basis van het onderzoek blijkt dat het uitvoeren van een aanvullend onderzoek noodzakelijk is voor de soort(groep)en glad biggenkruid, huismus en vleermuizen. Voor overige soort(groep)en is aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden moet wel rekening worden gehouden met bijenorchis, (overige) broedvogels (met name tapuit), konijn en overige grondgebonden zoogdieren. Groeiplaatsen van bijenorchis dienen beschermd te worden of planten moeten verplaatst worden. Er dient zorgvuldig gewerkt te worden in verband met het mogelijk voorkomen van konijn en andere grondgebonden zoogdiersoorten. Werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of er moet voorkomen worden dat broedvogels en de rugstreeppad zich gaan vestigen in het plangebied. Hiervoor zal een ecologisch werkprotocol opgesteld moeten worden. Aanvullend natuuronderzoek Door Staring Advies is in september 2019 aanvullend natuuronderzoek uitgevoerd7. Dit onderzoek is als Bijlage 6 bij dit bestemmingsplan gevoegd. In dit onderzoek is aanvullend onderzoek gedaan naar glad biggenkruid, huismus en vleermuizen.
Het onderzoek ziet toe op de locatie van het te ontwikkelingen recreatiepark en het gebied ten noorden hiervan, waar een nieuw hotelcomplex wordt ontwikkeld. Glad biggenkruid Tijdens de gerichte inventarisatie naar het voorkomen van glad biggenkruid, zijn in het plangebied geen groeiplaatsen van deze beschermde plantensoort aangetroffen. Er zijn wel diverse exemplaren van het algemene (niet beschermde) gewoon biggenkruid aangetroffen. Glad biggenkruid is niet aanwezig in het plangebied. Het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk, aangezien er geen overtredingen van de Wet natuurbescherming optreden. Huismus In het plangebied broedden geen huismussen. Hier is tijdens de veldbezoeken ook geen activiteit van huismussen waargenomen. Het plangebied is niet in gebruik als nestlocatie of functioneel leefgebied door de huismus. Het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk, aangezien er geen overtredingen van de Wet natuurbescherming optreden. Vleermuizen In het plangebied is incidenteel een foeragerende/passerende gewone dwergvleermuis waargenomen. Er zijn geen indicaties dat de bebouwing in het plangebied in gebruik is als verblijfplaats door de soort. Tijdens de verschillende veldbezoeken zijn geen overige vleermuissoorten in het plangebied en de directe omgeving aangetroffen.
Het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk, aangezien er geen overtredingen van de Wet natuurbescherming optreden. Ecologisch werkprotocol
46
Bij de geplande werkzaamheden dient, op basis van de resultaten van de quickscan natuurtoets rekening gehouden te worden met het voorkomen van de bijenorchis, grondgebonden zoogdieren en diverse broedvogelsoorten en rugstreeppad in de directe omgeving. Om met deze soort(groep)en voldoende rekening te houden tijdens de werkzaamheden is door is door Staring Advies een ecologisch werkprotocol opgesteld8. In het ecologisch werkprotocol staat beschreven hoe gedurende de uitvoer van de werkzaamheden omgegaan moet worden met de bijenorchis, grondgebonden zoogdieren, broedvogels en rugstreeppad. Dit ecologisch werkprotocol is als Bijlage 7 bijgevoegd. Stikstofberekening Door Arcadis is in november 2021 een stikstofdepositieberekening uitgevoerd9. Het rapport van de berekening is als Bijlage 8 bijgevoegd. Op grond van de berekeningen met AERIUS 2020, waarbij de aanleg en het gebruik van Corfwater zijn gesaldeerd met het huidige gebruik van de camping, kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling van het plangebied, op basis van de uitgangspunten in het rapport en voor wat betreft de effecten van stikstofdepositie, niet zal leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden Zwanenwater & Pettemerduinen. De Natura 2000-gebieden Noordzeekustzone en Abtskolk & De Putten zijn niet stikstofgevoelig.
De rekenresultaten zijn robuust ten aanzien van verkeersbewegingen. Een kleine toename van het aantal verblijfseenheden in het plan zal niet leiden tot 'omklappen' van het effect. Ook zijn de resultaten van toepassing wanneer slechts delen van het plan worden ontwikkeld. In het rapport wordt tevens ingegaan op de situatie wanneer zowel de herontwikkeling van de camping, als de herontwikkeling van het hotel ten noorden van het plangebied, als één ontwikkeling worden beschouwd. De herontwikkeling van de huidige camping en het hotel tot een nieuw complex voor verblijfsrecreatie leidt tot een aanzienlijke daling van de stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen (tot maximaal 57,75 mol/ha/jaar in de gebruiksfase). Deze ontwikkeling draagt daarom bij aan de vermindering van de stikstofbelasting in het gebied, en aan het herstel en het behoud van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden. In 2022 is een nieuwe versie van Aerius calculator beschikbaar gekomen. Om die reden is in maart 2022 een nieuwe berekening uitgevoerd (berekening waarbij camping en hotel als één ontwikkeling worden beschouwd). Deze berekening is opgenomen als Bijlage 11.
Naar aanleiding van de zienswijze is daarnaast ook nog onderzocht wat het effect is als al het verkeer in de toekomstige situatie volledig via de Spreeuwendijk loopt (in plaats van 30 % via de Spreeuwendijk en 70% via Zuiderhazedwarsdijk). Deze berekening is opgenomen als Bijlage 12. Ook uit deze berekeningen blijkt dat het initiatief niet zal leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden Zwanenwater & Pettemerduinen. 4.4.3
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
4.5
Water
4.5.1
Beleid
Watervisie 2021 & Uitvoeringsprogramma, Provincie Noord- Holland Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. In de watervisie 2021 en het uitvoeringsprogramma verwoordt de provincie Noord- Holland haar ambities voor het water binnen de provincie. Verder wordt aangegeven wat dat betekent voor haar rol ten opzichte van de Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, gemeenten
47
en het rijk. Wat betreft stedelijk water zijn de onderstaande uitgangspunten geformuleerd. In het stedelijk gebied zijn de inrichting en het beheer van het waterhuishoudkundig systeem gericht op: Toetsen op voldoende ruimtelijke inpassing door de waterbeheerder en bevorderen van ruimtelijke kwaliteit via programma's met cofinanciering door regionale partijen. Via ruimtelijke maatregelen beperken van aantal slachtoffers en beperken van economische schade en een adequate rampenbestrijding bij (dreiging van) een overstroming Het voorkómen van verontreiniging, overlast en tekort. Bevorderen dat er voldoende goed water is voor verschillende bestemmingen zoals landbouw, natuur en recreatiegebieden; Duurzaam beheren van grondwatervoorraden voor verschillend gebruik zoals drinkwater, industrie en energievoorziening. Voor de productie van drinkwater, riolering en waterzuivering en lozingen volgt de provincie de lijn van het Bestuursakkoord Water. Waterbeheerprogramma 2016-2021, HHNK Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer.
Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels uit de keur. De Watertoets is een middel, welke in samenwerking met gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen door de initiatiefnemer uitgevoerd moet worden. De waterbelangen worden in de ruimtelijke planvorming gebracht. Hiernaast is door de (toekomstige) Omgevingswet het geven van advies verschoven naar nadrukkelijker betrokkenheid van begin tot eind. Het hoogheemraadschap heeft kennis over waterveiligheid, het functioneren van het watersysteem en expertise over klimaatadaptatie.
Gezamenlijk Gemeentelijk rioleringsplan Noordkop 2018-2022 Sinds 2018 wordt het waterbeleid geregeld in het 'gezamenlijk gemeentelijk rioleringsplan Noordkop 2018-2022'. Het betreft een integraal plan waarin beschreven staat hoe de gemeente Schagen de komende vijf jaar invulling geeft aan het beheer van het afvalwaterketen en het oppervlaktewater in stedelijk gebied. Het gezamenlijke gemeentelijk rioleringsplan beschrijft het beleid van de samenwerkende gemeenten. Hemelwater
48
De gemeente draagt als eigenaar en beheerder zorg voor de inzameling en verwerking van het hemelwater in het openbare gebied. Ook heeft de gemeente een zorgplicht indien de particulier het hemelwater niet op eigen terrein kan verwerken. De gemeentelijke uitgangspunten voor de invulling van de zorgplicht voor hemelwater is een duurzame omgang met hemelwater en het voorkomen van wateroverlast. Onderstaande stuk uit het GRP beschrijft welke ambities de gemeente heeft. “Om extreme buien op te vangen, richten we de openbare ruimte anders in. Het doel is om regenwater te verwerken en af te voeren zonder schade, We willen geen regenwater in de rioleringsbuis. We gaan ontstenen (minder verharding toepassen), water opvangen door reliëf in terreinen en openbare ruimte toe te passen. De klimaatverandering zorgt ook voor opgaven voor bedrijven, projectontwikkelaars, corporaties en bewoners. Bewustwording van deze taken is belangrijk, maar we dwingen maatregelen niet af. Zichtbare maatregelen zorgen voor meer begrip. Het wordt normaal dat bij extreme buien tijdelijk water op straat staat. Door regenwater vast te houden, ook in stedelijk gebied, gaan we verzilting en verdroging van de bodem tegen.
Waterproblemen worden niet van het ene gebied naar het andere gebied afgewenteld.” Grondwater Op basis van de Waterwet heeft de gemeente de zorgplicht voor het treffen van maatregelen in de openbare ruimte van bebouwd gebied om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. De gemeente heeft de onderstaande ambitie ten aanzien van grondwater verwoord in het GRP. “We willen niet dat grondwaterstanden de bovengrondse functie van het gebied belemmeren. Dit is altijd maatwerk. Uitgangspunt is dat betrokkenen een eigen verantwoordelijkheid hebben en problemen niet worden afgewenteld. Er is samenhang tussen maatregelen in publiek en privaat terrein. Het is dus van belang om samen te zoeken naar een optimale inrichting en een slim bouw- en straatpeil als uitgangspunt te nemen. Als we een locatie zoeken voor verstedelijking houden we rekening met de randvoorwaarden die het watersysteem stelt.” Afvalwater De zorgplicht voor het inzamelen en afvoeren van afvalwater ligt bij de gemeente. De ontvangst en zuivering van het door de gemeente ingezamelde (stedelijke) afvalwater is de taak van het hoogheemraadschap. De particulier dient het afvalwater aan te bieden op de perceelgrens. Het zuiveren van afvalwater blijft de belangrijkste taak van het hoogheemraadschap.
Met het doelmatig en effectief zuiveren van afvalwater op de rioolwaterzuiveringen is de vervuiling op het oppervlaktewater de afgelopen decennia steeds verder teruggedrongen. De gemeente heeft de onderstaande ambitie ten aanzien van Afvalwater verwoord in het GRP. “Volksgezondheid en goede oppervlaktewaterkwaliteit (milieu) zijn de belangrijkste doelen van onze riolering en de rioolwaterzuivering. In het buitengebied gaan we uit van de huidige voorzieningen. Veranderingen zullen geleidelijk plaatsvinden op basis van doelmatigheid. De afweging wordt gemaakt op basis van drempelbedragen. Als rioleren te duur is, legt de bewoner zelf een voorziening aan. Meestal is een verbeterde septic tank voldoende. Niet alleen om een waterrobuust systeem te maken, maar ook om nieuwe stoffen (geneesmiddelen, hormoonverstorende stoffen, contrastvloeistof, microplastics, nanodeeltjes) aan te pakken, voeren we minder regenwater af naar de zuivering. Dit maakt het verwijderen van deze stoffen op de zuivering eenvoudiger. We denken niet meer in afvalstoffen, maar gaan uit van grondstoffen. We sluiten kringlopen door deze grondstoffen steeds opnieuw te gebruiken.”
49
4.5.2
Situatie plangebied
Door Buro Ontwerp & Omgeving is in december 2019 een quickscan water uitgevoerd10. De quickscan is als Bijlage 9 bijgevoegd. De quickscan betreft een verkennend onderzoek die als input heeft gediend voor de verdere uitwerking van het aspect water voor voorliggend initiatief. Deze waterparagraaf is tot stand gekomen op basis van de informatie uit de quickscan, overleg tussen initiatiefnemer, gemeente en hoogheemraadschap. Huidige situatie In de navolgende tabel is de verhouding van verhard/onverhard oppervlak voor de locatie van het beoogde recreatiepark globaal opgenomen. In de huidige situatie is een groot deel van dit deel van het plangebied braakliggend.
Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt het recreatiepark ingericht met maximaal 150 recreatiewoningen en dertien recreatieappartementen. Daarnaast zullen er nog overige gebouwen aanwezig zijn en verharde wegen en paden. In de navolgende tabel is globaal de verhouding van verhard/onverhard oppervlak in de toekomstige situatie binnen het plangebied opgenomen. Er zijn aannames gedaan met betrekking tot de verharde oppervlakken op basis van een schetsplan voor de ontwikkeling.
Ten opzichte van de huidige situatie zal het verhard oppervlak in de nieuwe situatie, op basis van voorgaande aannames, met circa 8.900 m2 toenemen. Waterhuishoudkundige consequenties en uitgangspunten
50
Veiligheid (waterkering) Het westelijke deel van het plangebied ligt deels in de beschermingszone van een primaire duinwaterkering. Dit is de locatie van het huidige informatiecentrum 'Kust, Zand tegen Zee'. Op deze locatie zijn geen bouwactiviteiten beoogd. Het informatiecentrum zal op termijn worden gesloopt en heringericht ten behoeve van parkeerplaatsen. Ter bescherming van de waterkering is voor de beschermingszone op de verbeelding en in de regels de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Het oostelijke deel van het plangebied ligt eveneens nabij de primaire waterkering. In dit deel wordt het campingterrein herontwikkeld tot recreatiepark. Het hoogheemraadschap geeft aan dat dit deel van het plangebied gedeeltelijk in de buitenbeschermingszone van de primaire duinwaterkering ligt. In deze buitenbeschermingszone zijn de werkzaamheden voor dit plan toegestaan. Wel moet het zandvolume binnen het gebied gelijk blijven. Om in te spelen op de klimaatverandering en zeespiegelstijging wordt dynamisch kustbeheer toegepast. Hierbij is het mogelijk dat ook verstuiving in het plangebied plaats vindt. Daarom wordt aangeraden hiermee rekening te houden door adaptief te bouwen. Het zuiden van het plangebied ligt langs de Spreeuwendijk. Dit is een zandige waterkering. Voor deze waterkering dient een dubbelbestemming waterkering te worden opgenomen binnen het plangebied.
Binnen deze zonering is voor alle bouwwerkzaamheden een watervergunning nodig. Bouwen is alleen onder voorwaarden mogelijk overeenkomstig het huidig beleid van het hoogheemraadschap. De belangrijkste voorwaarde is dat de waterkering moet worden behouden en er geen zand mag worden afgegraven. Er mag dus alleen op het maaiveld worden gebouwd. Wel mogen aanvullingen van zand plaats vinden op een vlak gebied te creëren. De recreatiewoningen worden op het maaiveld gebouwd. Hier wordt zand tegenaan gebracht. Ter bescherming van de waterkering is voor de beschermingszone op de verbeelding en in de regels de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Wateroverlast Ten opzichte van de oorspronkelijke situatie neemt het verhard oppervlak toe met circa 8.900 m2. De toename van het verhard oppervlak vraagt om een inrichting van het terrein waarbij het afstromen van regenwater zoveel mogelijk beperkt wordt of niet tot overlast leidt. Gezien het hellende karakter van het gebied kan er wateroverlast (water in de woning) optreden bij extreme neerslag. Om wateroverlast te voorkomen wordt geadviseerd om de nieuwe recreatiewoningen met een verhoogd vloerpeil t.o.v. kruin van de weg. Daarnaast mag de afwatering van het dakoppervlak en verhard terrein van de recreatiewoningen niet leiden tot wateroverlast op naastgelegen percelen.
Eventuele ondergrondse infrastructuren zoals kelders e.d. dienen waterdicht te worden uitgevoerd. Er moet worden voorkomen dat deze van bovenaf kunnen vollopen. Omgang met hemelwater Het regenwater van de nieuwe recreatiewoningen kan niet zonder meer geloosd worden op de riolering. Geadviseerd wordt om het afstromende regenwater maximaal te infiltreren. Er kan in het plangebied geen vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstromen. Het hemelwater wordt als schoon beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (rwzi). Met het oog op de waterkwaliteit dient het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink
51
zoveel mogelijk te worden voorkomen. Gezien de grondwaterstand en bodemopbouw is het infiltreren van hemelwater vrijwel overal mogelijk. De hemelwatervoorzieningen voor de infiltratie van regenwater worden bij voorkeur bovengronds worden aangelegd. De hemelwatervoorzieningen moeten worden voorzien van voldoende berging en een noodoverlaat welke zo gesitueerd wordt dat er geen afstroming naar naastgelegen percelen plaatsvindt. In het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om te voorzien in de infiltratievoorzieningen. In een later stadium zal de exacte locatie en maatvoering van de voorziening worden uitgewerkt. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig en er wordt vooralsnog geen oppervlaktewater aangelegd. Grondwater Voor de toepassing van een WKO systeem zal een vergunning aangevraagd moeten worden bij de omgevingsdienst. Daarvoor zal tevens een geohydrologische toets moeten worden uitgevoerd, die moet aantonen dat de installatie geen negatief effect heeft op de hydrologische situatie ter plaatse. Voor zover bekend zijn in de omgeving van het plangebied geen grondwaterverontreinigingen aanwezig. Het toepassen van een WKO installatie zal daarmee niet leiden tot (verdere) bodemverontreiniging. Vanuit het hoogheemraadschap wordt aangegeven dat het de voorkeur geniet om de WKO buiten de beschermingszone van de zandige regionale kering te plaatsen.
Indien er de wens is om de WKO toch binnen deze beschermingszone te plaatsen, dient vooraf met het hoogheemraadschap te worden overlegd om te onderzoeken of dit haalbaar is. Er is in dat geval sowieso een watervergunning nodig. Riolering Voor de aansluiting van het afvalwater van de recreatiewoningen op de bestaande gemengde riolering moet toestemming worden gevraagd bij de gemeente. Binnen het plangebied ligt geen persleiding of rioolgemaal van het hoogheemraadschap. 4.5.3
Watertoets
Algemeen De watertoets is in feite geen 'toets', maar een proces waarbij de waterbeheerder samenwerkt met de overheid die verantwoordelijk is voor een ruimtelijk plan. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitvoeren van een watertoets betrekt de waterbeheerder actief bij ruimtelijke besluitvormingsprocessen en geeft water een duidelijke plek binnen de ruimtelijke ordening. Meestal is het waterschap de waterbeheerder, maar soms moeten ook andere waterbeheerders worden betrokken bij de planvorming (bijvoorbeeld Rijkswaterstaat). De watertoets heeft betrekking op alle ruimtelijke plannen en besluiten (onder andere bestemmingsplannen, structuurvisies en omgevingsvergunningen voor bouwen of gebruik waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan). Toets
52
Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Voor het doorlopen van de watertoets gebruikt dit hoogheemraadschap de website www.dewatertoets.nl. Het hoogheemraadschap kijkt, op basis van de antwoorden die op de website worden ingevuld, of bij de ruimtelijke ontwikkeling voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. Op basis van de ingevulde digitale watertoets wordt door het hoogheemraadschap geconcludeerd dat bepaalde aspecten van het plan een zodanige invloed hebben op de belangen van het hoogheemraadschap dat de normale procedure moet worden gevolgd. Dit betekent dat het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier in overleg met de initiatiefnemer wil bespreken hoe in het plan rekening kan worden gehouden met de waterhuishoudkundige belangen. 4.5.4
Overleg
Voor de ontwikkeling is overleg gevoerd met Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Navolgend wordt nader ingegaan op de opmerkingen vanuit het hoogheemraadschap. Het hoogheemraadschap geeft aan dat de locatie van het beoogde recreatiepark gedeeltelijk in de buitenbeschermingszone van de primaire duinwaterkering ligt. In deze buitenbeschermingszone zijn de werkzaamheden voor dit plan toegestaan. Wel moet het zandvolume binnen het gebied gelijk blijven. Om in te spelen op de klimaatverandering en zeespiegelstijging wordt dynamisch kustbeheer toegepast. Hierbij is het mogelijk dat ook verstuiving in het plangebied plaats vindt. Daarom wordt aangeraden hiermee rekening te houden door adaptief te bouwen. Het zuiden van het plangebied ligt langs de Spreeuwendijk. Dit is een zandige waterkering. Voor deze waterkering dient een dubbelbestemming waterkering te worden opgenomen binnen het plangebied. Binnen deze zonering is voor alle bouwwerkzaamheden een watervergunning nodig. Bouwen is alleen onder voorwaarden mogelijk overeenkomstig het huidig beleid van het hoogheemraadschap. Daarnaast heeft het hoogheemraadschap geadviseerd om het hemelwater zoveel mogelijk te infiltreren en het hemelwater niet middels een HWA-riool af te voeren op nabijgelegen of nieuw te graven oppervlaktewater. Dit advies is door de initiatiefnemers overgenomen.
Het hoogheemraadschap geeft aan dat het plaatsen van een gesloten WKO systeem is toegestaan in beschermingszone B van de primaire duinwaterkering. Het geniet de voorkeur van het hoogheemraadschap om de WKO buiten de beschermingszone van de zandige regionale kering te plaatsen. Indien er de wens is om de WKO toch binnen deze beschermingszone te plaatsen, dient vooraf met het hoogheemraadschap te worden overlegd om te onderzoeken of dit haalbaar is. Er is in dat geval sowieso een watervergunning nodig. Voorgaande opmerkingen zijn verwerkt in de voorgaande paragraaf 4.5.2. 4.5.5
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect water geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de gewenste ontwikkelingen in het plangebied.
53
4.6
Verkeer en parkeren
4.6.1
Verkeer
Het plan voorziet in de realisatie van een recreatiepark ten behoeve van maximaal 150 recreatiewoningen en dertien recreatieappartementen. Het recreatiepark wordt voor gemotoriseerd verkeer ontsloten op de Strandweg en de Korfwaterweg. Deze wegen ontsluiten het recreatiepark vervolgens weer op de Spreeuwendijk. Ter bepaling van de verkeersgeneratie is deels gebruik gemaakt van CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren'. Bij het bepalen van de verkeersgeneratie is uitgegaan van een 'bungalowpark (huisjescomplex)' en de categorie weinig-stedelijke omgeving/rest bebouwde kom. Om de cijfers voldoende robuust te maken, is daarbij uitgegaan van het maximale cijfer. De verkeersgeneratie is gebaseerd op een weekdag. Het plangebied biedt ook ruimte aan een experience centre, een horecagelegenheid, een beheerderswoning en een receptiegebouw. Het experience centre betreft grotendeels een verplaatsing van een bestaand informatiecentrum. Om die reden zorgt de realisatie van het experience centre niet voor een significante toename van het aantal verkeersbewegingen. De horecagelegenheid en het receptiegebouw zijn ondergeschikte functies en zullen zelf niet voor een significante toename van het aantal verkeersbewegingen zorgen. Om die reden zijn deze functies voor de berekening van de verkeersgeneratie buiten beschouwing gelaten. Voorzieningen Recreatiewoningen Appartementen Totaal
Aantal 150 13
Bezetting 0,8 0,8
Ritten/dag Per eenheid 2,3 2,3
Totaal 276 24 300
Op basis van het voorgaande zorgt het initiatief in totaal voor maximaal 300 verkeersbewegingen per dag. In de huidige situatie is er eveneens sprake van verkeersbewegingen in verband met de bestaande functie. Voor de bezoekers van de camping is gerekend met twee ritten per dag voor campers, en luxere standplaatsen. Voor tentplekken, die ook door fietsers worden gebruikt, is uitgegaan van één rit per dag. De overige plekken hebben 1,6 ritten per dag. Voor het bepalen van het gemiddelde aantal ritten per dag op jaarbasis zijn de duur van het seizoen en de gemiddelde bezetting van de verschillende voorzieningen meegewogen.
54
Ten opzichte van de huidige situatie is er sprake van een toename van verkeersbewegingen per dag van 87. Het initiatief leidt daarmee niet tot een substantiële toename van het aantal verkeersbewegingen in de omgeving van het plangebied. De ontsluitingsweg Spreeuwendijk heeft voldoende capaciteit om het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de ontwikkeling te kunnen verwerken. 4.6.2
Parkeren
Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. De parkeerbehoefte van de toekomstige functie is te bepalen aan de hand van de parkeernormen van de gemeente Schagen afkomstig uit de Nota parkeernormen Schagen 2016. De parkeerbehoefte bedraagt bij de categorie 'bungalowpark (huisjescomplex)' in de 'rest bebouwde kom' 1,7 parkeerplaatsen per recreatiewoning. Voor recreatieappartementen is geen specifieke norm opgenomen. De parkeerbehoefte voor deze functie kan echter als vergelijkbaar met recreatiewoningen worden geacht. Uitgaande van maximaal 150 recreatiewoningen en dertien recreatieappartementen bedraagt de toekomstige parkeerbehoefte daarmee in totaal (166 x 1,7=) 277 parkeerplaatsen in totaal. De parkeerbehoefte voor de beheerderswoning wijzigt niet als gevolg van de mogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt. Het plangebied biedt ook ruimte aan een experience centre, een horecagelegenheid, en een receptiegebouw. Het experience centre betreft grotendeels een verplaatsing van een bestaand informatiecentrum. Om die reden zorgt de realisatie van het experience centre niet voor een significante toename in een behoefte van het aantal parkeerplaatsen. De horecagelegenheid en het receptiegebouw zijn ondergeschikte functies en zullen zelf niet voor een significante vraag naar parkeerplaatsen.