Bijlage 1 Bestemmingsplan De Omloop, Sint Maarten' (toelichting en regels
Tekst van het document
Daar waar een maaiboot een haakse bocht moet nemen, moet keren of te water wordt gelaten is het nodig dat er meer breedte beschikbaar is. Als aan het einde van een vaartracé de maaiboot ook weer zal moeten draaien, dient er rekening gehouden te worden met een draaicirkel van 8 meter. Tevens dient de laad- en losplaats van de maaiboot voldoende maat te hebben om te water gelaten te kunnen worden.
Onderhoud wegsloot De nieuw aan te leggen wegsloot langs de Omloop wordt niet doorvaarbaar en zal vanaf de openbare weg onderhouden moeten worden. De te hanteren onderhoudsstrook hiervoor bedraagt 5 meter vlakke ruimte. Hierbij ga ik er vanuit dat de breedte van het water niet meer bedraagt dan 4 meter op de waterlijn. De bestaande bomen langs de waterkant zijn daarbij een aandachtspunt omdat zij het onderhoud hinderen. Bij een niet varend onderhouden tracé mag voor de ontsluiting een duiker in de dam toegepast worden. De afmeting van 800mm die in het plan is aangehouden, is voldoende.
Steigers Op de weergave is aangegeven dat het water op een voldoende breedte wordt aangelegd dat een maaiboot dit kan onderhouden. Daar waar de woningen aan het water grenzen met hun tuinen is vaak de wens om een steiger in het water te realiseren. Het is wenselijk om het water op die locaties breder aan te leggen zodat een steiger bij de woningen niet conflicteert met de benodigde vaarbreedte. Dit is het geval bij de middensloot, echter, aan de buitenrand niet.
32
Tuinen aan water De meeste woningen in het plangebied hebben een tuin aan het open water. Hierbij moet rekening gehouden moet worden met incidentele hoge waterstanden. De aangegeven peilstijging van 0,33m is een bui die statistisch eens in de 25 jaar voorkomt. Echter, de afgelopen jaren hebben we intensere buiten meegemaakt die zorgen voor een tijdelijk hogere waterstand. Door hier rekening mee te houden bij de aanleg van de tuinen, kan een overlastsituatie voor de bewoners worden voorkomen. Het is onwenselijk om de tuinen kort boven het water aan te leggen en in te richten. Daar waar dit wel gaat gebeuren is het vooral zaak om toekomstige bewoners ook voor te lichten over eventuele consequenties zodat men keuzes kan maken bij de inrichting van het betreffende gedeelte van de tuin.
Motivatie Het plan is op basis van het advies aangepast zodat rekening wordt gehouden met de onderhoudsvereisten van het HHNK vanaf het water en vanaf de wegkant. In het beeldkwaliteitsplan zijn stringente regels opgenomen voor de vlonders en stijgers die helpen om de doorvaarbaarheid te garanderen.
Waterkwaliteit Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Ons uitgangspunt is dat huishoudelijk afvalwater en hemelwater van schone oppervlakken gescheiden worden. Gezien de ligging van de woningen verwacht het HHNK dat aangesloten zal worden op gemeentelijke riolering.
Het hemelwater kan direct afgekoppeld worden naar de bestaande en nieuw te graven watergangen binnen het plangebied. Voor een lozing op het oppervlaktewater moet op grond van de Waterwet een vergunning worden aangevraagd of moet een melding worden gedaan. De gemeente is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het afstromende hemelwater.
Met betrekking tot het afstromend hemelwaterwater raad het HHNK aan om terughoudend om te gaan met uitlogende materialen zoals koper, lood en zink.
Motivatie Er zal voor de nieuwbouw op het terrein een gescheiden stelsel aangelegd worden. Het advies van het HHNK inzake de waterkwantiteit heeft voorts betrekking op de verdere planuitwerking en staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Klimaatadaptatie Graag wil het hoogheemraadschap het advies meegeven om bij de inrichting van het totale plan rekening te houden met een klimaatadaptieve inrichting. Het gaat dan om bijvoorbeeld het aanleggen van parkeervoorzieningen met waterdoorlatende verharding. Het plan biedt hiertoe goede kansen en daarmee kan worden voorkomen dat er een toename van hittestress plaatsvindt in het gebied en is het nog meer voorbereid op een veranderend klimaat.
33
Motivatie Het advies van het HHNK inzake de waterkwantiteit heeft betrekking op de verdere planuitwerking en zijn verwerkt in het beeldkwaliteitsplan. Het advies staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Vergunningen en ontheffingen Voor werkzaamheden in, langs, op, bij of aan open water, waterkeringen, alsmede voor het doen van lozingen op het oppervlaktewater en het realiseren van verhardingstoenames groter dan 800 m2 is een watervergunning nodig. De watervergunning is in werking getreden met het van kracht worden van de Waterwet op 22 december 2009. Via het Omgevingsloket kan een aanvraag om een watervergunning worden gedaan.
Motivatie Het advies van het HHNK inzake de waterkwantiteit heeft betrekking op de verdere planuitwerking en staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
5.1.3
Conclusie
Het aspect waterhuishouding staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
5.2
Ecologie
5.2.1
Wet- en regelgeving
Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming (WNB) van kracht. De Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet worden in deze wet geïntegreerd. In de WNB is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL) en de bescherming van houtopstanden. De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Een belangrijke bepaling van de WNB is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.” Onder de WNB wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten.
Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de HRL en soorten genoemd in de VRL. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de 'andere soorten'. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de 'vrijgestelde soorten'. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren. Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10.
34
De WNB regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de WNB (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschappelijke- of natuurwaarden. Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de WNB verkregen worden. Als er beschermde soorten voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Voor de bescherming van houtopstanden is in artikel 4.2 aangegeven dat het verboden is een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder daar melding van te doen bij Gedeputeerde Staten.
Een houtopstand beslaat een oppervlakte van 10 are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting van meer dan twintig bomen, gerekend over het totaal aantal rijen. In artikel 4.2 wordt een aantal uitzonderingen aangegeven. Vrijstellingen gelden er wanneer het vellen gebeurt middels een goedgekeurde gedragscode of de werkzaamheden voortvloeien uit instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden of nodig zijn voor aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen.
5.2.2
Situatie plangebied
Om de uitvoerbaarheid van dit project te toetsen, is een natuurtoets (Groenedijk en De Omloop te Sint Maarten Toetsing in het kader van de natuurwetgeving, Van der Goes en Groot, 9 december 2022, Bijlage 2) uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Soortenbescherming Niet-jaarrond beschermde vogels Men dient activiteiten waarbij nesten verstoord of vernield kunnen worden buiten het broedseizoen plaats te doen vinden, dus niet van grofweg 15 maart tot 15 juli. Deze periode is afhankelijk van bijvoor-beeld het weer en de betrokken soorten. Als onverhoopt buiten deze periode vogels broedend aanwezig zijn, dienen werkzaamheden plaatselijk te worden uitgesteld. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden is het mogelijk – voorafgaand aan het broedseizoen of voorafgaand aan de vestiging van broedvogels – het plangebied ongeschikt te maken als (nog) geen nesten aanwezig zijn.
Hierbij mogen geen mogelijke nestplaatsen van jaarrond beschermde vogels ongeschikt of ontoegankelijk worden gemaakt! Soorten met jaarrond beschermde nesten Voor het mogelijk incidentele gebruik van het plangebied door vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten uit de omgeving van het plangebied (Huismus, Ransuil, Sperwer of Buizerd), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. Vleermuizen
35
Binnen het plangebied werden geen bomen met geschikte holtes of spleten waargenomen. Op enkele meters ten noorden van het plangebied (langs de Omloop) werden twee bomen met diepe holtes of spleten waargenomen. Voor dit project worden geen bomen gekapt. Wanneer deze bomen toch moeten worden gekapt kunnen vaste rust- en verblijfplaatsen worden beschadigd of vernield van boom bewonende vleermuizen. Het is dan noodzakelijk om vervolgonderzoek en/of een holtescan uit te voeren om de aanwezigheid van deze soorten vast te stellen of uit te sluiten. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Na realisatie van de plannen zal vanwege de ontwikkelde begroeiing en gerealiseerde bebouwing de beschutting toenemen en zal het terrein geschikt blijven voor foeragerende vleermuizen. De bomenrij ten noorden van het plangebied (langs de Omloop) kan gebruikt worden als (klein) onderdeel van een vliegroute door vleermuizen. De bomenrij bevindt zich buiten het plangebied en zal behouden blijven. Vooral tijdens de aanlegfase zijn veranderingen aan de orde.
De aard van dit deel van het plangebied zal echter tijdens de aanleg maar ook later niet dusdanig veranderen dat belangrijke gevolgen worden verwacht. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op ruime afstand (4,6km) van het Natura 2000-gebied 'Zwanenwater & Pettemerduinen'. Hierdoor zijn in potentie alleen effecten mogelijk als gevolg van externe werking. Het plangebied is gescheiden van het Natura 2000-gebied door bebouwing, wegen en agrarisch gebied. Gezien de grote afstand tot het Natura 2000-gebied, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten. Over deze afstand is in potentie alleen een effect van stikstofdepositie op beschermde Natura 2000gebieden te verwachten. Het geplande project leidt tot verhoogde emissie van stikstof. Er is een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het NNN in Noord-Holland kent geen externe werking. Door de uitvoering van de plannen gaat geen NNN of BPL verloren of wordt aangetast, waardoor negatieve effecten op deze gebieden kunnen worden uitgesloten. Beschermde houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 1000 m2 en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom.
Er is geen opgaande beplanting in het plangebied aanwezig die onderdeel is van een beschermde houtopstand. Stikstof Een AERIUS- berekening van de stikstofuitstoot van het planvoornemen moet uitwijzen of er negatieve effecten in het kader van de Wnb beschermde gebieden zullen optreden. Op basis daarvan kan worden bepaald of vervolgstappen nodig zijn, zoals het aanvragen van een vergunning van de Wnb. Er is een stikstofberekening (Stikstofberekening in het kader van de Wet natuurbescherming, Van der Goes en Groot, d.d. 21 november 2023, Bijlage 3). De maximale projectbijdrage van de aanleg en het gebruik van de gebouwen is 0,00 mol/ha/jaar op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen
36
zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen sprake is van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig. 5.2.3
Conclusie
Het aspect ecologie staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
5.3
Bodem
5.3.1
Wet- en regelgeving
In de bouwverordening is wettelijk geregeld dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom moet bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld worden gebracht. Het bodemonderzoek mag niet meer dan vijf jaar oud zijn en moet een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, dient aanvullend bodemonderzoek plaats te vinden. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken.
5.3.2
Situatie plangebied
Voor het perceel is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Verkennend bodem- en asbestonderzoek Groenedijk - De Omloop te Sint Maarten, Landview Bodemonderzoek, d.d. 10 januari 2023, Bijlage 4) In het uitgevoerde bodemonderzoek is de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vastgesteld en is beoordeeld of de bodem geschikt is voor de beoogde bestemming. Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat er enkele lichte verontreinigingen zijn gevonden in de mengmonsters og2, dam1 en dam2. De verhogingen zijn echter dusdanig gering, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien. Asbest Tijdens de visuele inspectie is op één plek asbesthoudend materiaal op het maaiveld aangetroffen. Het betreft hechtgebonden asbest. Tijdens het graven is er op twee plekken een lichte verhoging aan asbest gevonden. Deze komen met 1,3mg/kg en 17mg/kg niet boven de toetsingswaarde van 50mg/kg uit. De verwachting, dat niet meer dan 50 mg (gewogen) asbest / kg ds in en op de grond aanwezig is, wordt in het onderzoek bevestigd. Aangezien er slechts sporadisch asbestverdacht materiaal op het maaiveld is aangetroffen en er geen duidelijke kern of bron van verontreiniging gevonden is, kan er gesteld worden dat er geen sprake is van een asbestverdachte situatie. 5.3.3
Conclusie
De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het voorliggende bestemmingsplan.
37
5.4
Cultuurhistorie en archeologie
5.4.1
Wet- en regelgeving
Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is op 1 september 2007 de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) in werking getreden. Deze nieuwe wet maakt deel uit van de (gewijzigde) Monumentenwet. De kern van de WAMZ is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. De WAMZ verplicht gemeenten bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden. Naast het inventariseren van de te verwachten archeologische waarde, zal het bestemmingsplan uiteindelijk, indien nodig (en mogelijk), een bescherming moeten bieden voor waardevolle gebieden. Dit kan bijvoorbeeld met een omgevingsvergunning.
In verband met een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 4 onder a.) moeten gemeenten vanaf 1 januari 2012 bij het maken van ruimtelijke plannen niet alleen rekening houden met cultuurhistorische waarden onder, maar ook boven de grond. Cultuurhistorie bestaat uit archeologie, historische gebouwen en historische geografie.
5.4.2
Situatie plangebied
Archeologie Ten behoeve van het planvoornemen heeft RAAP in januari-maart 2023 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek uitgevoerd (Onderzoeksgebied Groenendijk en de omloop te Sint Maarten, RAAP, d.d. 15-03-2023, Bijlage 5) voor het onderzoeksgebied Groenendijk en de omloop te Sint Maarten in de gemeente Schagen. Op grond van de onderzoeksresultaten en onder verwijzing naar de doelstellingen, kunnen de volgende uitspraken worden gedaan: Uit het bureauonderzoek is gebleken dat binnen het onderzoeksgebied een lage archeologische verwachting bestaat voor de gehele periode van het laat neolithicum-nieuwe tijd. Dit hangt met name samen met de relatief grote diepte van verstoring binnen het onderzoeksgebied die eerder is vastgesteld tijdens een verkennend booronderzoek (Kruif, 2009) ter plaatse. Op basis van de resultaten uit dit reeds uitgevoerde booronderzoek en een analyse van historisch kaartmateriaal kan geconcludeerd worden dat met name ingrepen als gevolg van de ruilverkaveling omstreeks 1960 potentieel aanwezige archeologische niveaus zal hebben verstoord. Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in het onderzoeksgebied geen archeologische resten bedreigd worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht.
Cultuurhistorie De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 is een provinciale handreiking voor het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap, zoals bebouwing, agrarische bedrijven, infrastructuur of vormen van energieopwekking. De Leidraad geeft gebiedsgerichte én ontwikkelingsgerichte beschrijvingen en biedt zo toepasbare informatie over de manier waarop ruimtelijke ontwikkelingen kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Bij het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied moet rekening worden gehouden met de ambities en ontwikkelprincipes die staan beschreven bij de afzonderlijke ensembles en structuren. Het plangebied is gelegen in het ensemble West-Friesland West. De ruimtelijke kwaliteit is gebaat bij: 38
het behouden van het open en kleinschalige terpen- en linten landschap; het behouden/versterken van de herkenbaarheid van de droogmakerijen; het herkenbaar houden van de Westfriese Omringdijk als doorgaande lijn en indentiteitsdrager; het behouden en versterken van de relatie tussen de Westfriese Omringdijk en het kleinschalige Westfriese landschap; het versterken van het landschap in het zaadveredelingsgebied; het behouden en het zichtbaar/beleefbaar blijven van de huidige verkavelingsstructuur (inclusief sloten) bij (semi-) tijdelijke functies en opstellingen in het landschap, zoals voor zonne-energie; het behouden van de vrije ruimte (molenbiotopen) rond historische windmolens, in verband met de windvang en de zichtbaarheid van de molens in het landschap.
Er is een cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd (Groenedijk/Omloop te Sint Maarten Cultuurhistorisch onderzoek, RAAP, d.d. 10-02-2023, Bijlage 6). In het plangebied zelf bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle elementen. Aangrenzend is daar wel sprake van. In het westen grenst het plangebied aan één van de hoofdweteringen die tijdens de ruilverkaveling in de Ringpolder (1960) zijn aangelegd. Deze wetering vertegenwoordigt vanwege zijn aard en ouderdom en goede herkenbaarheid een positieve erfgoedwaarde. Ten noorden van het plangebied ligt de Groenedijk. Deze heeft een hoge ouderdom (17e eeuw of ouder). Het oorspronkelijke tracé van de dijk (voor zover nog aanwezig) vertegenwoordigt vanwege zijn hoge leeftijd en redelijke herkenbaarheid een hoge cultuurhistorische waarde. Andere cultuurhistorisch waardevolle elementen in de omgeving van het plangebied zijn de twee wielen ten noorden van de Groenedijk met daartussenin de openbare begraafplaats uit het eerste kwart van de 20e eeuw. Mochten er ingrepen in dit gebied plaatsvinden, dan is nader onderzoek naar deze structuren aanbevolen. In de omgeving van het plangebied staat geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Ook de groenstructuur langs de zuidzijde van de Groenedijk vertegenwoordigt geen bijzondere cultuurhistorische waarde.
Wel worden de volgende aanbevelingen gedaan: Houd rekening met de openheid van het landschap en de goed afleesbare ruilverkavelingsstructuur. Verder dient rekening gehouden te worden met cultuurhistorische waarden in de omgeving.
5.4.3
Conclusie
Er is als gevolg van het plan geen strijdigheid met de ontwikkelprincipes van West-Friesland West zoals omschreven in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018. Met de realisatie van het planvoornemen wordt geen wijziging in de structuur van het landschap aangebracht. Cultuurhistorische en archeologische waarden worden door het voornemen niet aangetast. Het aspect cultuurhistorie en archeologie staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
39
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Wet- en regelgeving
Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die in een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere activiteiten moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het voor bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Voor het bepalen van de milieuzonering wordt gebruikgemaakt van de handreiking Bedrijven en milieuzonering (maart 2009) van de VNG. Richtafstanden gelden ten aanzien van de hinderaspecten geluid-, stof- en geurhinder en gevaar en kunnen worden gezien als de afstand waarbij onaanvaardbare hinder van een milieubelastende activiteit voor gevoelige functies kan worden uitgesloten. In gebieden waar een menging van functies voorkomt, wordt uitgegaan van een kleinere richtafstand.
5.5.2
Situatie plangebied
De gewenste activiteit op de planlocatie is wonen. In de nabijheid van het plangebied zijn hoofdzakelijk bestaande woningen gesitueerd.Aan de zuidzijde liggen agrarische gronden en bedrijven. De bedrijven liggen op zodanige afstand van het plangebied dat er geen belemmeringen zijn. Vanwege de ligging van gronden met een agrarisch gebruik en de bijbehorende spuitzone ten zuiden van het plangebied is aan deze zijden rekening gehouden met de richtafstand van 50 meter tot de nieuwe woningen. De ruime achtertuinen en watergang met talud zorgt voor een zone van ca. 24 meter tot aan de agrarische gronden. Om tot de gewenste richtafstand van 50 meter te komen is met de eigenaar van het agrarische perceel aan de zuidzijde van het plangebied een overeenkomst gesloten over het aanhouden van een bufferzone van circa 37 meter vanaf de perceelsgrens aan de zuidkant. In deze zone mag niet gespoten worden en mogen enkel biologische bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Aan de oostzijde bevindt zich een perceel waar woningbouw is voorzien, maar waar agrarisch grondgebruik mogelijk is vanwege een overgangsregeling. Omdat bij agrarisch grondgebruik een spuitzone geldt van 50 meter, is woningbouw binnen deze zone niet mogelijk zolang de overgangsregeling van kracht is.
Daarom is middels een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan voorkomen dat wonen gerealiseerd kan worden binnen de spuitzone, zolang het gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen niet is beëindigd.
5.5.3
Conclusie
Het aspect milieuzonering staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
40
5.6
Luchtkwaliteit
5.6.1
Wet- en regelgeving
De Wet luchtkwaliteit (Wlk) is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. De aanleiding tot het vervangen van het besluit Luchtkwaliteit is de maatschappelijke discussie die ontstond als gevolg van de directe koppeling tussen ruimtelijke ordeningsprojecten en luchtkwaliteit. Met de nieuwe Wet luchtkwaliteit en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De kern van de Wet luchtkwaliteit bestaat uit (Europese) luchtkwaliteitseisen. Verder bevat zij basisverplichtingen op grond van de richtlijnen, namelijk plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. De uitvoeringregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (amvb) en ministeriele regelingen (mr) die gelijktijdig met de Wet luchtkwaliteit in werking zijn getreden. Artikel 5.16 van de Wet milieubeheer geeft aan hoe en onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden kunnen uitoefenen in relatie tot luchtkwaliteitseisen. Als aannemelijk is dat aan één of een combinatie van de volgende voorwaarde wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering meer voor het uitoefenen van de bevoegdheid. a. b. c. d.
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie van een stof; Een project is genoemd of past binnen het NSL of binnen een regionaal programma van maatregelen.
De nieuwe wettelijke regels zijn uitgewerkt in de volgende regelingen: Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); De Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); De Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007; De Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.
Projecten die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven niet meer getoetst te worden aan de grenswaarden zoals opgenomen in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer. In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd dat een ruimtelijke ontwikkeling die minder dan 3% van de grenswaarde bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) 'niet in betekenende mate' is. Dit komt overeen met een maximale toename van 1,2 µg/m3 voor de concentraties fijnstof en stikstofdioxide. Vanaf 1 januari 2015 dient tevens te worden getoetst aan de grenswaarde voor PM2,5. De grenswaarde voor de jaargemiddelde PM2,5 concentratie bedraagt 25 µg/m³. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn concrete situaties opgenomen die 'niet in betekenende mate' zijn. Blijft de ontwikkeling binnen de in deze regeling opgenomen grenzen, dan is het project per definitie 'niet in betekenende mate' en hoeft er geen toetsing aan de grenswaarden plaats te vinden. Voor de ontwikkeling van woningen geldt dat bij de realisatie van minder dan 1.500 woningen (met één ontsluitingsweg) het project per definitie niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
41
5.6.2
Situatie plangebied
Met dit project worden circa 62 wooneenheden toegevoegd ten opzichte van de bestaande situatie en blijft daarmee ruimschoots onder de grens van 1.500. Het zal dus niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plekke. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt inzicht gegeven in de luchtkwaliteit binnen het plangebied. In het bestemmingsplan 'Sint Maarten' is de luchtkwaliteit in de omgeving beschreven. Hierin wordt geconcludeerd dat er dat er binnen de gemeentegrenzen van de toenmalige gemeente Harenkarspel geen knelpunten met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn.
5.6.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
5.7
Geluid
5.7.1
Wet- en regelgeving
Wet geluidhinder De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) alsook de Luchtvaartwet. De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Met de invoering van geluidproductieplafonds voor hoofd(spoor)wegen op 1 juli 2012 geldt de Wgh niet meer voor de aanleg/wijziging van hoofd(spoor)wegen, maar nog wel voor de bouw van gevoelige bestemmingen langs deze wegen. De Wet geluidhinder heeft een sterk verband met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Anders dan de naam van de Wet geluidhinder misschien suggereert, worden niet alle milieugerichte geluidsaspecten in de Wet geluidhinder geregeld. Volgens de Wet geluidhinder dient te worden getoetst aan de regelgeving en de grenswaarden van de Wet geluidhinder. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet hoger zijn dan de voorkeurgrenswaarde. Als de geluidbelasting op de gevel wel hoger is dan de voorkeurgrenswaarde, kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van hogere waarden. Hierbij mag de geluidsbelasting de uiterste grenswaarde echter niet overschrijden.
De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen kunnen per geluidsbron verschillen. Om voor vaststelling van een hogere grenswaarde in aanmerking te kunnen komen, moet aan de volgende wettelijke eis worden voldaan: het moet om een situatie gaan waarbij maatregelen om het verwachte geluidsniveau terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard stuiten.
Wegverkeerslawaai Langs alle wegen bevinden zich als gevolg van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, behalve bij woonerven en 30 km-gebieden. Nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen, binnen zones van wegen moeten worden getoetst aan de Wgh (artikel 74). De breedte van de zone langs wegen is afhankelijk van de ligging van een weg (in stedelijk gebied of buitenstedelijk) en van het aantal rijstroken, zie onderstaande tabel.
42
Bij nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen is akoestisch onderzoek nodig. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt veelal 48 dB(A). De uiterste grenswaarde bedraagt binnen de bebouwde kom 63 dB(A). Buiten de bebouwde kom bedraagt de uiterste grenswaarde 53 dB(A).
5.7.2
Situatie plangebied
Indien in een bestemmingsplan geluidgevoelige bestemmingen mogelijk worden gemaakt, dient op grond van de Wet geluidhinder te worden beoordeeld of bij deze woningen aan de geluidnormen voor wegverkeerslawaai kan worden voldaan. Voor het project is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Woningbouwplan Groenedijk te Sint Maarten, Aveco de Bondt, 20 november 2023) naar de optredende geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeerslawaai. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 7 bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Door middel van modelberekeningen overeenkomstig het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 zijn de geluidbelastingen op de gevels van de woningen in het plangebied inzichtelijk gemaakt en getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder. Daarbij zijn de Dorpsstraat en Groenedijk als één weg beschouwd. Gebleken is dat de geluidbelasting, na aftrek artikel 110g Wgh, als gevolg van de Groenedijk bij vier woningen hoger is dan de voorkeurswaarde van 48 dB. De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 56 dB. Hiermee is voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. De geluidbelasting als gevolg van de Killemerweg is ruimschoots lager dan de voorkeurswaarde. Geluidbeperkende bron- en overdrachtsmaatregelen zijn niet mogelijk gebleken of stuiten op overwegende bezwaren van technische, verkeerskundige, stedenbouwkundig of landschappelijke aard.
Van negatieve effecten als gevolg van de cumulatie van geluid is geen sprake. Er is voldaan aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid. Voor het plan zijn hogere grenswaarden van ten hoogste 56 dB benodigd als gevolg van de Groenedijk, voor 4 woningen. Overige geluidsaspecten, zoals spoorweglawaai, industrielawaai en/of vliegtuiglawaai, zijn voor het onderhavige plan niet van toepassing. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning dient tevens te worden aangetoond dat wordt voldaan aan het Bouwbesluit. Het geluidniveau in het verblijfsgebied als gevolg van het geluid van buiten mag niet
43
meer bedragen dan 33 dB. De nieuwe woningen dienen op basis van het Bouwbesluit 2012 te beschikken over voldoende gevelwering om het binnenniveau te halen. Het ontwerp besluit Hogere Grenswaarden Wet Geluidhinder is opgenomen als Bijlage 8.
5.7.3
Conclusie
Het bestemmingsplan voldoet wat betreft het aspect geluid aan een goede ruimtelijke ordening.
5.8
Externe veiligheid
5.8.1
Wet- en regelgeving
Bij de invloed van de externe veiligheid binnen het bestemmingsplan wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico's door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico's door stationaire (inrichtinggebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico's door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. In de nabijheid van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting (gasleiding) ligt op een afstand van circa 690 meter. Alle nieuwe gebouwen zullen goed bereikbaar gemaakt worden voor de brandweer en andere hulpdiensten. 5.8.2
Conclusie
Het aspect externe veiligheid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
5.9
Milieueffectrapportage
5.9.1
Wet- en regelgeving
Per 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. Een belangrijk nieuw element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevals-definities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Vroeger kon worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was. Onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet op basis van dezelfde criteria als de m.e.r.-beoordeling. De diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Door Infomil wordt dit de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan de m.e.r. Dit kan zijn in de vorm van een motivering dat belangrijk nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten (en er dus geen m.e.r. (beoordeling) is uitgevoerd) of in de vorm van een beschrijving van de resultaten van de m.e.r. (beoordeling).
44
5.9.2
Situatie plangebied
Met dit project worden circa 62 woningen toegevoegd ten opzichte van de bestaande situatie, een toename ten opzichte van de huidige situatie. Dit valt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage onder: 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterrein'. De drempelwaarden voor een m.e.r.- plichtige activiteit zijn hierbij: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het onderhavige plan voor circa 62 woningen blijft hier ruimschoots onder. In de voorgaande paragrafen is het milieubelang van deze ontwikkeling in voldoende mate afgewogen. Geconcludeerd wordt dat belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten zijn. Het plan is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving, waardoor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
5.9.3
Conclusie
Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.
5.10
Kabels en leidingen
In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van kabels en leidingen die ruimtelijke relevantie hebben en/of van belang zijn in het kader van beheer, externe veiligheid of gezondheidsrisico's. Deze zijn in het plangebied niet aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
45
46
Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving
6.1
Algemeen
Het bestemmingsplan ‘De Omloop, Sint Maarten’ heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden binnen het plangebied. Het bestemmingsplan is gericht op het bouwen van nieuwe woningen. Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ter plaatse 'Sint Maarten' en bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Gestreefd is naar uniformering en standaardisering van bestemmingen en planregels. De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer gedetailleerd tot zeer globaal. Voor iedere bestemming is een toegesneden bebouwingsregeling opgenomen. In het kader van de landelijke uniformering en standaardisering voldoet het plan aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012.
6.2
Opzet van de regels
Overeenkomstig de SVBP2012 zijn de regels van voorliggend bestemmingsplan onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In hoofdstuk 2 zijn de bestemmingsregels opgenomen. Hoofdstuk 3 en 4 bevatten de algemene regels respectievelijk de overgangs- en slotregels. Hierna wordt de inhoud van de regels per hoofdstuk kort toegelicht.
Hoofdstuk 1 - Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van het plan. Het tweede artikel betreft de wijze van meten, waarin wordt aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn regels gegeven voor de binnen het plangebied voorkomende bestemmingen, zoals die zijn aangegeven op de verbeelding. Per bestemming worden in de bestemmingsomschrijving de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. Daarnaast is per bestemming bepaald welke vormen van bebouwing zijn toegestaan en wordt de voorgeschreven maatvoering (met name de maximale goot- en/of bouwhoogte) aangegeven. Verder wordt aangegeven in welke gevallen burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan kent de volgende bestemmingen: Groen, Verkeer - Verblijf, Water en Woongebied. ARTIKEL 3 - GROEN De grasvlakken binnen het plangebied hebben de bestemming 'Groen'. ARTIKEL 4 - VERKEER - VERBLIJF De ontsluitingswegen voor de woningen hebben de bestemming 'Verkeer - Verblijf'. Ook de hoofdontsluiting is bestemd als 'Verkeer - Verblijf'. Naast woonstraten en pleinen zijn ook voet- en rijwielpaden en parkeervoorzieningen toegestaan. ARTIKEL 5 - WATER
47
De watergangen in het plangebied hebben de bestemming 'Water'. ARTIKEL 6 - WOONGEBIED Het plangebied heeft de bestemming 'Woongebied'. In de regels is de maximale goot- en bouwhoogte opgenomen. Voor de gehele bestemming 'Woongebied' geldt dat 62 woningen gebouwd mogen worden. Dit is bepaald in de Algemene bouwregels. De mogelijkheid voor het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis en/of een bed and breakfast is overeenkomstig het gemeentelijk beleid opgenomen.
Hoofdstuk 3 - Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de volgende algemene regels: De anti-dubbeltelbepaling; Algemene bouwregels; Algemene gebruiksregels; Algemene afwijkingsregels; Algemene wijzigingsregels.
Dit zijn de algemene regels met betrekking tot bestaande maten, ondergeschikte afwijkingen, kelders, strijdig gebruik e.d. Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels Hoofdstuk 4 van de regels bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.
48
Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is het voorontwerp van het bestemmingsplan 'De Omloop, Sint Maarten' naar verschillende overleginstanties gezonden. De reacties zijn verwerkt in het onderhavige document.
7.2
Participatie
Het stedenbouwkundig plan is in oktober 2023 gepresenteerd aan de omwonenden en aan de dorpsraad van Sint Maarten. Op basis van de reacties is een wijziging doorgevoerd in de planopzet, waarbij ruimte is gemaakt voor de realisatie van seniorenwoningen en rug-aan-rugwoningen. Deze woningtypes sluiten aan bij de lokale vraag.
7.3
Ter inzage legging
Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient de kennisgeving, als bedoeld in artikel 3:12 van de Awb, ook in de Staatscourant te worden geplaatst en via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten. Tijdens de zienswijzeperiode kunnen er zienswijzen ingediend worden. Het bestemmingsplan is aangepast op grond van de ter inzage legging. De nota beantwoording van zienswijzen is opgenomen als Bijlage 9.
49
50
Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerp voor een bestemmingsplan moet op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Ook geldt volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro) dat als sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer of ontwikkelaar. Een en ander moet worden vastgelegd in een exploitatieplan. Een exploitatieplan is alleen nodig voor ontwikkelingen, die met het plan mogelijk worden gemaakt en waarvoor, voor de vaststelling van het bestemmingsplan, geen privaatrechtelijke overeenkomsten zijn gesloten. Het betreft hier een particulier initiatief. De met deze ontwikkeling samenhangende kosten komen ten laste van de initiatiefnemer. Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten. Hierin is opgenomen dat eventuele planschade op de initiatiefnemer zal worden verhaald. Gezien de aard en omvang mag worden verwacht dat de ontwikkeling economisch uitvoerbaar is. Gezien het voorgaande kan worden geconcludeerd dat aan de wettelijke vereisten voor de economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is voldaan.
51
Bijlagen bij de toelichting (separaat) Bijlagen bij de toelichting
Bijlage 1
Stedenbouwkundig plan en Beeldkwaliteitsplan Sinmareveld, Vollmer+partners, d.d. 18 april 2024
Bijlage 2
Groenedijk en De Omloop te Sint Maarten, Toetsing in het kader van de natuurwetgeving, Van der Goes & Groot, d.d. 9 december 2022
Bijlage 3
Groenedijk en De Omloop te Sint Maarten Stikstofberekening in het kader van de Wet natuurbescherming, Van der Goes & Groot, d.d. 21 november 2023
Bijlage 4
Verkennend bodem- en asbestonderzoek Groenedijk – De Omloop te Sint Maarten, Landview Bodemonderzoek, d.d. 10 januari 2023
Bijlage 5
Onderzoeksgebied Groenendijk en de omloop te Sint Maarten, gemeente Schagen; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek, RAAP, d.d. 15 maart 2023
Bijlage 6
Groenedijk/ Omloop te Sint Maarten; cultuurhistorisch onderzoek, RAAP, d.d. 10 februari 2023
Bijlage 7
Akoestisch onderzoek woningbouwplan Groenedijk te Sint Maarten, Aveco de Bondt BV, d.d. 20 november 2023
Bijlage 8
Ontwerp besluit hogere grenswaarden, gemeente Schagen, d.d. december 2023
Bijlage 9
Nota beantwoording van zienswijze 20 juni 2024
Gemeente Schagen Regels, deel uitmakende van het Bestemmingsplan De Omloop, Sint Maarten Vastgesteld
Plannummer: NL.IMRO.0441.BPSTM2023DeOmloop-VA01 Vastgesteld door de gemeenteraad op ..-..-…. Plan onherroepelijk per ..-..-….
Inhoudsopgave
REGELS
3
Hoofdstuk1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
3 3 17
Hoofdstuk2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
Bestemmingsregels Groen Verkeer - Verblijf Water Woongebied
19 19 20 21 22
Hoofdstuk3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels
25 25 26 27 28 29
Hoofdstuk4 Artikel 12 Artikel 13
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
31 31 32
2
REGELS Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Artikel 1 1.1
Begrippen
het plan
het bestemmingsplan 'De Omloop, Sint Maarten' van de gemeente Schagen; 1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0441.BPSTM2023DeOmloop-VA01 met de bijbehorende regels; 1.3
de verbeelding
de verbeelding bestaande uit het blad, met het nummer NL.IMRO.0441.BPSTM2023DeOmloop-VA01, van het bestemmingsplan 'De Omloop, Sint Maarten' met bijbehorende verklaring waarop de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden zijn aangegeven; 1.4
aanbouw
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het al dan niet in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.5
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.7
aanduidingsvlak
een op de verbeelding aangegeven vlak met eenzelfde aanduiding, begrensd door een aanduidingsgrens; 1.8
achtererfgebied
Erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw. 1.9
afhankelijke woonruimte
woonruimte die een ruimtelijke eenheid vormt met de bestaande woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit oogpunt van mantelzorg is gevestigd; 1.10
agrarisch bedrijf
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren; 1.11
agrarisch dienstverlenend bedrijf
een bedrijf waarbinnen uitsluitend of overwegend arbeid wordt verricht ter productie of levering van goederen of diensten ten behoeve van agrarische bedrijven
3
1.12
agrarisch grondgebruik
het telen van gewassen, niet in een volkstuin(complex), en/of het weiden van dieren; 1.13
arbeidsmigrant
een persoon die vanwege economische motieven tijdelijk naar de gemeente Schagen komt om een inkomen te verwerven. 1.14
archeologie
de bestudering van menselijke geschiedenis door middel van de overblijfselen van materiële cultuur, de omgeving en van dierlijke resten; 1.15
archeologisch deskundige
Professioneel archeoloog die op basis van de geldende versie van Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie bevoegd is om archeologisch onderzoek uit te voeren en/of Programma's van Eisen op te stellen en/of te toetsen. 1.16
archeologisch onderzoek
diverse vormen van onderzoek naar de archeologische waarden binnen een plangebied, uitgevoerd volgens de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie; 1.17
archeologisch rapport
een in rapportvorm vervat verslag van een volgens de in de archeologische beroepsgroep gebruikelijke normen verricht archeologisch onderzoek, op basis waarvan een conclusie kan worden getrokken over de aanwezigheid van archeologische waarden; 1.18
archeologische waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden; 1.19
ASVV
handboek uitgegeven door de CROW met aanbevelingen voor inrichting van wegen en verkeerskundige voorzieningen; 1.20
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.21
bebouwingspercentage
een in het plan aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd; 1.22
bed & breakfast
een kleinschalige vorm van verblijfsrecreatie voor één of enkele nachten op basis van logies en ontbijt in het hoofd- of bijgebouw; 1.23
bedrijfs- of dienstwoning
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die kennelijk slechts is bestemd voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk moet worden geacht;
4
1.24
bedrijfsgebouw
een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf; 1.25
beeldend kunstwerk
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of onderdelen van bouwwerken die worden aangemerkt als uitingen van één der beeldende kunsten; 1.26
beeldkwaliteitsplan
het beeldkwaliteitsplan zoals dat is opgenomen in bijlage 1 bij de regels behorende bij dit bestemmingsplan; 1.27
beperkt kwetsbaar object
een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden; 1.28
beroeps- c.q. bedrijfsoppervlakte
de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.29
beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis
het uitoefenen van een vrij en zelfstandig beroep, of het beroepsmatig verlenen van diensten, op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, educatief, kunstzinnig, technisch gebied of daarmee gelijk te stellen activiteiten, niet zijnde detailhandel, waarbij de woning in hoofdzaak haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft, die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.30
beroeps- of bedrijfsuitoefening aan huis
een beroeps- of bedrijfsmatige activiteit, genoemd in Bijlage 1, dan wel een naar de aard of invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen activiteit, die in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend op een zodanige wijze dat: a. het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt; b. de ruimtelijke uitwerking of uitstraling van die activiteit met de woonfunctie in overeenstemming is, waarbij: a. het uiterlijk van de betreffende woning niet wordt aangetast; b. het beroep/bedrijf wordt uitgeoefend door in ieder geval één van de bewoners van de woning; c. het niet gaat om vormen van detailhandel en/of horeca, behoudens webwinkels en postorderbedrijven, mits er geen opslag van goederen is d. er geen onevenredige parkeerdruk voor de omgeving optreedt; 1.31 bestaand a. ten aanzien van de bij of krachtens de Woningwet aanwezige bouwwerken, en de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden: 1. bestaand ten tijde van de eerste terinzagelegging van dit plan; b. ten aanzien van het overige gebruik: 1. bestaand ten tijde van het van kracht worden van dit plan;
5
1.32
bestaand gebruik en/ of bebouwing
het legale gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, krachtens een bouwvergunning en/of vrijstelling/ontheffing (vóór 1 oktober 2010) / omgevingsvergunning (ná 1 oktober 2010); 1.33
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak; 1.34
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.35
bevi-inrichting
Inrichtingen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.36
bevoegd gezag
bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 1.37
bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw. of ander bouwwerk, met een dak; 1.38
bijgebouw
een op zichzelf staand gebouw dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en niet in directe verbinding staat met het hoofdgebouw; 1.39
bijzondere paardenhouderij
een agrarisch aanverwant bedrijf dat is gericht op het africhten, het opleiden en het trainen, alsmede het opvangen en stallen van paarden en/of pony's; 1.40
botenhuis
een op zichzelf staand gebouw die dient voor de stalling van boten; 1.41
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.42
bouwgrens
de grens van een bouwvlak; 1.43
bouwlaag
het geheel van op gelijke vloerhoogte gelegen ruimte in een gebouw, een zolderverdieping of vliering wordt hieronder niet begrepen; 1.44
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
6
1.45
bouwperceelgrens
een grens van een bouwperceel; 1.46
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.47
bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden, of een constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; 1.48
bruto vloeroppervlakte
de totale vloeroppervlakte van de binnenwerkse ruimte(n) die wordt gebruikt voor bed & breakfast of een beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis; inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.49
centrale voorzieningen
Gemeenschappelijke voorzieningen ten behoeve van een recreatieterrein als geheel, zoals een kampwinkel, kantine, ontvangstkantoor, zwembad, toilet/wasgebouw, sport- en spelvoorzieningen, gebouwen ten behoeve van beheer en onderhoud; 1.50
civieltechnisch kunstwerk
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via- of aquaduct of een sluis, dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening; 1.51
cultuur grond
grasland, akkerbouw- en tuinbouwgronden; 1.52
cultuurhistorischewaarde
de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied; 1.53
dagrecreatie
verblijf buitenshuis voor recreatieve doeleinden zonder dat er een overnachting ter plaatse mee gepaard gaat; 1.54
dagrecreatief medegebruik
een dagrecreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit dagrecreatieve gebruik is toegestaan, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, een picknickplaats, of een naar de aard daarmee gelijk te stellen medegebruik en waarbij geen sprake is van nachtverblijf; 1.55
dak
iedere bovenbeëindiging van een gebouw;
7
1.56
delfstoffen
een natuurlijke concentratie of afzetting van ertsen, mineralen of substanties van organische oorsprong, in vaste, vloeibare of gasvormige toestand, met uitzondering van water en van de op de zeebodem of onmiddellijk onder de oppervlakte daarvan aanwezige schelpen, grind, zand en klei; 1.57
deskundige
een door de burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke deskundige of commissie van deskundigen; 1.58
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling voor verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.59
dienstverlenend bedrijf en/ of dienstverlenende
een bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting; 1.60
dienstverlening
het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden; 1.61
eerste bouwlaag
de bouwlaag op de begane grond; 1.62
erf
het al dan niet bebouwde perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voorzover een bestemmingsplan van toepassing is, de bestemming deze inrichting niet verbiedt; 1.63
erker
een uitbouw aan een woning, die zich bevindt aan de voor- of zijgevel of beide, van een woning en welke ondergeschikt is aan de hoofdbouwmassa; 1.64
erotisch getinte vermaaksfunctie
een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaats vinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal; 1.65
evenement
een voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak van een beperkte duur en zoals bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening. Onder de duur van de activiteit wordt eveneens de periode verstaan die benodigd is voor het opbouwen en afbreken van de voor de activiteit benodigde voorzieningen; 1.66