CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan (regels, toelichting, verbeelding

Gemeenteraad 20 september 2022, gemeente SchagenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Midgard'23.438 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

30

4.4

Duurzaamheid

De rijksoverheid en het Milieuplatform Zorgsector hebben in 2015 de Green Deal 'Nederland op weg naar duurzame zorg' geïnitieerd. In 2018 heeft dit een vervolg gekregen als de Green Deal 'Duurzame zorg voor een gezonde toekomst'. Doel is het versnellen van de verduurzaming van de zorg door gezamenlijke inzet. De Green Deal 'Duurzame zorg voor een gezonde toekomst' richt zich op ziekenhuizen en zorginstellingen. In het kader van de Wet milieubeheer vallen deze instellingen onder de grootgebruikers qua energiegebruik. De zorginstellingen, de gemeenten, het Milieuplatform Zorgsector en de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord willen samen invulling geven aan een breed gedragen duurzame bedrijfsvoering. Met de Green Deal voor de Zorg Noord-Holland Noord geven de betrokken partijen invulling aan de landelijke Green Deal. Op 25 juni 2019 heeft de Raphaelstichting deze regionale Green Deal ondertekend. Hiermee heeft de zorginstelling o.a. afgesproken dat binnen 2,5 jaar na ondertekening minimaal het bronzen niveau van de Milieuthermometer Zorg is behaald. Bij de ontwikkeling van het terrein zal hier rekening mee worden gehouden, door bij de keuzes die gemaakt moeten worden o.a. op het gebied van energie, water, afval, vervoer, groenbeheer te kiezen voor de duurzame opties die punten opleveren in het systeem van de Milieuthermometer Zorg.

31

32

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid Voor het bestemmingsplan is een aantal milieuaspecten, van belang voor het plangebied, nader bekeken. In dit hoofdstuk worden de resultaten van de onderzoeken hiernaar beschreven. Aandacht is besteed aan geluidhinder, bedrijven en milieuzonering, bodem, externe veiligheid, vormvrije m.e.r-beoordeling en luchtkwaliteit. Daarnaast is aandacht besteed aan de aspecten ecologie, archeologie en is een waterparagraaf opgenomen.

5.1

Waterhuishouding

5.1.1

Wet- en regelgeving

Water en ruimtelijke ordening zijn in toenemende mate met elkaar verweven. Dit betekent dat effecten van nieuwe ontwikkelingen op de waterhuishouding inzichtelijk moeten worden gemaakt. In het bestemmingsplan moet daarom een waterparagraaf worden opgenomen. Voor nieuwe ruimtelijke plannen geldt bovendien de 'watertoets' die verplicht tot overleg met de waterbeheerder over voorgenomen ontwikkelingen, voordat een bestemmingsplan in procedure wordt gebracht. In de startovereenkomst Waterbeleid voor de 21e eeuw en in het Nationaal Bestuursakkoord Water hebben de gezamenlijke overheden bepaald dat water een sturend principe moet zijn in de ruimtelijke ordening. Hierbij wordt het waterneutraal principe gehanteerd. Concreet houdt dit in dat bij ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij het verhard oppervlak toeneemt en/of waarbij het waterbergend vermogen afneemt, er maatregelen worden getroffen om de negatieve effecten op te kunnen heffen. Uitgangspunt is dat dit plaatsvindt in het plangebied. Om veiligheid te creëren en schade door wateroverlast en droogte te voorkomen is gekozen voor een drietrapsstrategie bij de keuze van maatregelen. Deze drietrapsstrategie krijgt een verplichtend karakter voor alle overheden: 1. Overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms vasthouden in de bodem en het oppervlaktewater; 2.

Zo nodig water tijdelijk bergen in retentiegebieden langs de waterlopen waarvoor ruimte moet worden gecreëerd; 3. Pas als 1 en 2 te weinig opleveren, water afvoeren naar elders of, als dat niet kan, het water bij extreme omstandigheden gecontroleerd opvangen in daarvoor aangewezen gebieden.

Daarnaast is er het Deltaprogramma 2015: Nederland veilig en leefbaar in de 21e eeuw, een nationaal programma met beslissingen en strategieën die Nederland de komende decennia moeten beschermen tegen hoogwater en moeten zorgen voor voldoende zoetwater. Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten gaan aan de slag om Nederland robuuster in te richten en de extremen van het klimaat veerkrachtig op te vangen. Voor nieuwbouw is hierbij van belang het punt ruimtelijke inrichting: alle overheden gaan gezamenlijk en systematisch aan het werk om de bebouwde omgeving bij (her)ontwikkeling beter bestand te maken tegen hitte, droogte, wateroverlast en eventuele overstromingen. Dit betekent steden en dorpen waterbestendig inrichten en het water waar nodig de ruimte te geven. Dat kan bijvoorbeeld door het opvangen van water op waterpleinen, drijvende woningen, meer groen of verplaatsing van vitale infrastructuur. In 2050 moet heel Nederland meer klimaatbestendig zijn ingericht.

Keur Elk waterschap stelt een keur vast waarin de gebods- en verbodsbepalingen zijn opgenomen die het

33

waterschap nodig oordeelt ter uitvoering van zijn taak: de waterstaatkundige verzorging van het beheersgebied. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier zorgt voor voldoende en schoon water in de sloten en meren van Noord-Holland ten noorden van het Noordzeekanaal. Om dat doel te bereiken stelt het hoogheemraadschap eisen aan het onderhoud van de wateren. Het is van belang dat de wateren blijven bestaan, de juiste afmetingen hebben en worden onderhouden. De legger is onlosmakelijk verbonden met de Keur Hoogheemraadschap Holland Noorderkwartier en algemene regels bij de keur. In de keur staat wat er wel en niet mag en wat moet. In de legger staat waar de keur van toepassing is en is gedetailleerd vastgelegd wie wat in hoeverre moet onderhouden. Primair zijn de wateren die van belang zijn voor de aan- en afvoer van water en waterberging op regionaal en polderniveau. Het zijn wateren met een belangrijke publieke functie. Secundair is een stelsel van wateren die van belang zijn voor de aan- en afvoer van water en waterberging op perceelniveau met diverse belanghebbenden. Wateren dus met een beperkte publieke functie. In de Legger Wateren is beschreven wie onderhoudsplichtig is. De primaire wateren worden over het algemeen onderhouden door het hoogheemraadschap zelf; dit betreft dan het buitengewoon onderhoud, het onderhoud nat en het baggeren.

De secundaire en tertiaire wateren worden onderhouden door de aanliggende eigenaren.

Met de inwerkingtreding van de Waterwet is de Watervergunning van kracht geworden. Watervergunning (en/of Keurontheffing) van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier als waterbeheerder is nodig voor werkzaamheden in, onder, langs, op, bij of aan open water, waterkeringen en wegen in het beheer van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, het aanleggen van meer dan 800 m² aan verharding, het onttrekken van grondwater en het lozen op het oppervlaktewater.

5.1.2

Situatie plangebied

Het plangebied is gelegen in peilgebied 03751-09 in de polder Geestmerambacht met een dynamisch peil van NAP -2,40 meter. Het gebied watert af via een aantal secundaire- en primaire waterlopen naar de Schermerboezem. Verantwoordelijk voor het waterbeheer in het plangebied is Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Het plan is in het kader van de watertoets voorgelegd aan het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016.

Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels die op de website van het waterschap zijn te vinden (https://www.hhnk.nl/portaal/keur_41208/).

34

Watertoets Op 22 oktober 2020 heeft het HHNK een (digitaal) wateradvies gegeven. Daarnaast is er via de mail gereageerd op het plan. Het wateradvies inclusief mail is opgenomen als bijlage 3 bij dit bestemmingsplan. Het wateradvies gaat in op de volgende punten:

Verharding en compenserende maatregelen Binnen het werkgebied van het hoogheemraadschap is de afgelopen decennia door verstedelijking het areaal aan open water afgenomen. Om onder andere dit verschijnsel tegen te gaan is in 2003 de watertoets geïntroduceerd die ervoor moet zorgen dat de waterbelangen beter in ruimtelijke plannen worden meegenomen en dat ontwikkelingen 'waterneutraal' worden gerealiseerd. Een van de onderdelen van de watertoets is het beoordelen van de verhardingstoename. Door de toename aan verharding zal neerslag versneld worden afgevoerd naar het oppervlaktewater, al dan niet via het rioolstelsel. Dit leidt tijdens extreme situaties tot pieken in de waterstand met wateroverlast als gevolg. Om ervoor te zorgen dat de waterhuishoudkundige situatie niet verslechtert ten gevolge van de verhardingstoename zullen er in het desbetreffende peilgebied compenserende maatregelen getroffen moeten worden in de vorm van extra wateroppervlak. Op basis van de toegestane peilstijging, gemaalcapaciteit, drooglegging en de grondsoort is berekent dat de benodigde watercompensatie voor dit peilgebied 7% bedraagt. Dit betekent dat 7% van het extra oppervlak aan verharding (bestrating en bebouwing) dat versneld tot afvoer in het oppervlaktewater komt, gecompenseerd dient te worden in waterberging.

De compensatie dient bij voorkeur te gebeuren binnen het plangebied, maar in ieder geval binnen het peilgebied.

Er zal in het plangebied sprake zijn van een toename van bebouwing en/of verharding. De exacte toename wordt pas bij de verdere uitwerking van het plangebied bekend, omdat dit afhankelijk is van de precieze ligging van de bebouwing en de wegen ernaartoe. Er is daarom een aanname van de te verwachten toename van de bebouwing en verharding gemaakt. Daarbij is gerekend met een compensatie van 10% zodat er een marge is, mocht blijken dat bij de daadwerkelijke realisatie er meer verharding nodig is. De toename van bebouwing bestaat uit vier nieuwe zorggebouwen van ca. 900 m² en een nieuw gebouw voor dagbesteding van ca. 640 m². Daar staat tegenover dat het Raphaëlhuis, met een bvo van 1263 m², wordt gesloopt. Daarnaast wordt er ca. 500 m² aan parkeerplaatsen toegevoegd en is de inschatting dat er 600 m² aan wegen en verharding naar de nieuwbouw wordt toegevoegd.

nieuwbouw 4 x 900 =

3.600

dagbesteding

640

parkeren

500

wegen

600 + 5.340 m²

Raphaëlhuis

1.263 4.077 m²

35

Dit betekent dat er in totaal ca. 400 m² compensatie nodig is (t.o.v. ca. 285 m² als met 7% gerekend wordt). Aan de zuidkant van het terrein wordt ruimte gereserveerd voor watercompensatie. Dit kan in de vorm van ruimte voor een extra meanderende zuidoever, of een zelfstandige vijver. Voor deze oplossingen in voldoende ruimte aanwezig op dit deel van het terrein. Het onderhoud hiervan zal door de Raphaëlstichting uitgevoerd worden. Als de bouwplannen concreet zijn kan het benodigde oppervlak aan watercompensatie aan de zuidkant gerealiseerd worden. Om dit mogelijk te maken is water opgenomen in de bestemmingsomschrijving van de bestemming Wonen - Zorg. Voor het graven van het water zal een watervergunning van het HHNK nodig zijn, dan wordt er getoetst of er inderdaad voldoende oppervlakte gecompenseerd wordt.

Beheer en onderhoud Alle werkzaamheden binnen een zone van 5 meter van de insteek van waterlopen zijn vergunningplichtig, omdat deze invloed kunnen hebben op de water aan- en afvoer, waterberging of het onderhoud. Bij de aanleg van nieuw water in dit plangebied wordt geadviseerd zoveel mogelijk aan te sluiten op de bestaande waterstructuur en onderhoudssituatie. Bij aanleg of aanpassing van waterlopen is het belangrijk om rekening te houden met de bereikbaarheid voor onderhoud van zowel de nieuwe als bestaande waterlopen. Dit geldt met name in het stedelijk gebied, waar het hoogheemraadschap de ambitie heeft om het onderhoud van gemeenten over te nemen. Hiertoe moeten de waterlopen wel aan de voorwaarden van het hoogheemraadschap voldoen. In stedelijk gebied is het uitgangspunt dat waterlopen varend onderhouden kunnen worden, en dus tenminste 6 meter breed en 1 meter diep ten opzichte van het laagst gevoerde waterpeil zijn. Indien geen varend onderhoud (kan) worden uitgevoerd, dient in elk geval te worden voorkomen dat waterlopen niet meer bereikbaar zijn voor zowel regulier als periodiek onderhoud (maaien en baggeren), doordat deze worden 'ingesloten' door bebouwing. Het HHNK adviseert om een obstakelvrije zone langs de waterloop van tenminste 5 meter aan te houden.

Om water van voldoende waterkwaliteit te kunnen handhaven, is het zelfreinigend vermogen van het watersysteem van belang. Het HHNK streeft ernaar om waterlopen te realiseren die in goede verbinding staan met het overige watersysteem. Om te voorkomen dat er locaties ontstaan waar kroos en drijfvuil zich zou kunnen ophopen, dienen doodlopende watergangen te worden voorkomen. In het plangebied komt er geen nieuwbouw binnen 5 meter van een waterloop, een obstakelvrije onderhoudsstrook blijft mogelijk.

Ruimtelijke adaptatie Het HHNK adviseert om in het ontwerp van het plan het principe van ruimtelijke adaptatie op te nemen. Zo zou kunnen worden gedacht aan het aanbrengen van 'groene daken' op nieuwe gebouwen, eventueel met meervoudig ruimtegebruik en waterberging capaciteit. Ook kan bij bijvoorbeeld de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen gebruik worden gemaakt van waterdoorlatende verharding met bijbehorende afvoer vertragende onderlaag of waterberging op straat en in verlaagde groenstroken. In de verdere uitwerking van de plannen zal hier rekening mee gehouden worden.

Waterkwaliteit en riolering Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater

36

naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). Dit betekent dat het HHNK voor de nieuwe ontwikkeling adviseert om een gescheiden stelsel aan te leggen en met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen. Er zal voor de nieuwbouw op het terrein een gescheiden stelsel aangelegd worden.

Persleiding Het plangebied bevindt zich binnen de signaleringszone van een rioolpersleiding van het hoogheemraadschap. Dit houdt in dat beperkingen kunnen gelden ten aanzien van eventuele (bouw)werkzaamheden. Het is binnen deze zone niet zonder overleg toegestaan om objecten te plaatsen of werkzaamheden uit te voeren die een risico vormen voor het functioneren van de rioolpersleiding, zoals: het planten van bomen en/of diepwortelende beplanting; het uitvoeren van zware transporten; het opstellen van materieel op het tracé van de leiding; de opslag van (zwaar) materiaal; het werken aan- en/of realiseren van werken boven het tracé van de leiding; het graven of heien nabij de leiding.

Indien er wel sprake is van dergelijke werkzaamheden, of wanneer er andere activiteiten worden uitgevoerd die op enige wijze schade zouden kunnen toebrengen aan de rioolpersleiding, dient vroegtijdig contact op te worden genomen met het hoogheemraadschap.

37

Ligging rioolpersleiding in het plangebied, bron www.dewatertoets.nl

De rioolpersleiding valt buiten de ligging van de nieuwe bouwvelden, die meer aan de zuidzijde van het terrein gelegen zijn. Er zullen geen werkzaamheden worden uitgevoerd die een risico vormen voor het functioneren van de rioolpersleiding.

5.1.3

Conclusie

Het aspect waterhuishouding staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

5.2

Ecologie

5.2.1

Wet- en regelgeving

Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming (WNB) van kracht. De Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet worden in deze wet geïntegreerd. In de WNB is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL) en de bescherming van houtopstanden. De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving. Een belangrijke bepaling van de WNB is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan

38

worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.” Onder de WNB wordt een aantal soorten planten en dieren beschermd. Er zijn vier categorieën met beschermde soorten. Twee categorieën bevatten de soorten die respectievelijk zijn beschermd onder de HRL en soorten genoemd in de VRL. Naast deze Europees beschermde soorten heeft de wetgever nog een extra categorie soorten toegevoegd, de 'andere soorten'. Per provincie is conform artikel 3.11 nog een vierde categorie opgesteld, die van de 'vrijgestelde soorten'. Alleen soorten uit de derde categorie kunnen worden vrijgesteld. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van ontheffingsplicht bij het overtreden van de verbodsbepalingen (zie Bijlage 1.2.2) bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer. De lijst van vrijgestelde soorten kan per provincie variëren. Daarnaast zijn Bosmuis, Veldmuis en Huisspitsmuis in of op gebouwen of daarbij behorende erven in alle gevallen vrijgesteld van de genoemde verboden in artikel 3.10. De WNB regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. In de WNB (art. 1.12) wordt ook verordend dat (provinciaal) gebieden aangewezen worden binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Tevens wordt aangegeven dat provincies mogelijkheden hebben ook andere belangrijke gebieden aan te wijzen vanwege hun landschappelijke- of natuurwaarden. Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het slopen, renoveren of bouwen van woningen, het dempen van wateren of het aanleggen bedrijventerreinen, kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de WNB verkregen worden. Als er beschermde soorten voorkomen die niet zijn vrijgesteld én verbodsbepalingen worden overtreden, dan is ontheffing vereist of moet, indien mogelijk, conform art. 3.31 gewerkt worden met een door het Ministerie van EZ goedgekeurde gedragscode. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen). Voor de bescherming van houtopstanden is in artikel 4.2 aangegeven dat het verboden is een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder daar melding van te doen bij Gedeputeerde Staten. Een houtopstand beslaat een oppervlakte van 10 are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting van meer dan twintig bomen, gerekend over het totaal aantal rijen.

In artikel 4.2 wordt een aantal uitzonderingen aangegeven. Vrijstellingen gelden er wanneer het vellen gebeurt middels een goedgekeurde gedragscode of de werkzaamheden voortvloeien uit instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden of nodig zijn voor aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen.

5.2.2

Situatie plangebied

In het kader van de bestemmingswijziging is ecologisch onderzoek uitgevoerd. De bevindingen zijn opgenomen in het rapport Quickscan flora en fauna Midgard Tuitjenhorn (Aveco de Bondt, 18 februari 2019). Dit rapport is opgenomen als bijlage 4 bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Ten opzichte van de quickscan is er inmiddels een bouwveld komen te vervallen. Dit heeft geen gevolgen voor de conclusies.

Soortbescherming In deze quickscan wordt ten aanzien van de beschermde soorten uit de WNB geconcludeerd dat er voor een aantal soorten nader onderzoek nodig is.

39

Vleermuizen Op basis van de geschiktheid van de diverse gebouwen is de aanwezigheid van een kraam-, zomer-, paar- en of (massa)winterverblijf voor soorten als de gewone dwergvleermuis en laatvlieger niet uit te sluiten. Omdat de plannen nog niet exact zijn is in de quickscan aangegeven welke gebouwen geschikt zijn als verblijfsfunctie voor vleermuizen. Wanneer er ingrijpende werkzaamheden zoals vernieuwing van het dak, spouwmuur isolatie, renovatie van de gevel, andere grote ingrepen of sloop van deze gebouwen aan de orde is, dient er een nader onderzoek uitgevoerd te worden. Op basis van de geschiktheid van de bebouwing is de aanwezigheid van een kraam-, zomer-, paar- en of (massa)winterverblijf voor boom bewonende soorten vleermuizen niet uit te sluiten. Voor de geplande werkzaamheden moeten er bomen worden gekapt. Omdat de plannen nog niet exact zijn is in de quickscan weergegeven in welke bosschages diverse holtebomen zijn aangetroffen. Wanneer kap van bomen met holtes binnen deze bosschages noodzakelijk is dient in kaart gebracht te worden waar holtebomen staan en welke bomen gekapt moeten worden. Wanneer er holtebomen gekapt moeten worden is een nader onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen binnen het plangebied noodzakelijk om het effect van de voorgenomen ingreep volledig te kunnen beoordelen.

Door de nieuwbouw gaat opgaande begroeiing en één vijver verloren, die dienst zou kunnen doen als essentieel foerageergebied omdat er in de omgeving geen vergelijkbare alternatieve gebieden aanwezig zijn. Een aanvullend onderzoek naar foerageergebieden dient hieromtrent uitsluitsel te geven. De bomen rondom het plangebied kan tevens dienstdoen als verblijfplaats voor boombewonende soorten vleermuizen. Door de werkzaamheden van de sloop en nieuwbouw kunnen verblijfplaatsen in de bebouwing buiten het plangebied verstoord worden. Door tijdens de uitvoering en in de eindsituatie het aanlichten van deze zone te voorkomen, is verstoring van een eventuele verblijfsfunctie niet aan de orde. De bomenrijen en de sloten langs de Midgard kunnen theoretisch dienst doen als verbinding tussen de bebouwde kom, waar zich verblijfplaatsen kunnen bevinden, en het buitengebied om te foerageren. Aangezien er geen bomen in deze bomenrijen gekapt worden, hebben de werkzaamheden geen direct effect op de vliegroute. Het aanbrengen van verlichting direct nabij deze bomenrijen of de sloten ten oosten, zuiden en westen heeft effect op deze potentiële vliegroute. Door tijdens de uitvoering en in de eindsituatie het aanlichten van deze mogelijke vliegroute te voorkomen, is verstoring ervan alsmede van indirect een eventuele verblijfsfunctie, niet aan de orde.

Kleine marterachtigen De houtwallen en de kleine ruigtes ten zuidoosten en zuidwesten van het plangebied kunnen dienst doen als leefgebied voor bunzing, hermelijn en wezel. Met de voorgenomen werkzaamheden worden bosschages en ruigtes gekapt die kunnen behoren tot functioneel leefgebied van de kleine marterachtige. Voorafgaand aan de ingrepen dient er een nader onderzoek plaats te vinden naar verblijfplaatsen en leefgebied van de bunzing, hermelijn en wezel. Zodoende kan het effect van de voorgenomen ingreep volledig worden getoetst.

Broedvogels Omdat alle vogels tijdens het broeden beschermd zijn, kunnen werkzaamheden tijdens het broedseizoen leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Geadviseerd wordt de

40

werkzaamheden uit te voeren of te starten buiten het broedseizoen.

Gierzwaluw De kopse kanten van de bebouwing bevatten openingen bij de nok en is geschikt voor de gierzwaluw om gebruik van te maken als nestlocatie. Ook zijn er krijtstrepen (uitwerpselen) aangetroffen bij enkele nokgevels. Op basis van de verspreidingsgegevens, waarnemingen en de potentie van de bebouwing is de aanwezigheid van een vast- rust of verblijfplaats van gierzwaluw niet uit te sluiten. Naast de sloop van twee gebouwen worden er gebouwen gerenoveerd. Omdat de plannen nog niet exact zijn is in de quickscan aangegeven welke gebouwen geschikt zijn als verblijfsfunctie voor gierzwaluwen. Wanneer er ingrijpende werkzaamheden zoals vernieuwing van het dak, renovatie van de gevel, andere grote ingrepen of sloop van deze gebouwen aan de orde is, dient er een nader onderzoek uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek dient uitsluitsel te geven of de werkzaamheden raakvlak hebben met beschermde nestlocaties van de gierzwaluw. Een aanvullend onderzoek in het broedseizoen zal hieromtrent uitsluitsel moeten geven. Door de voorgenomen ingreep is dan ook sprake van verlies van deze functie. Een aanvullend onderzoek naar gierzwaluw is noodzakelijk om de impact van de ingreep volledig in beeld te brengen. Hierbij zal het aantal nestparen in kaart worden gebracht.

Roofvogels De voorgenomen ingrepen voorzien in bomenkap, wijzigingen van terreingebruik, afname van groen en toename van verharding en bebouwing, waardoor deze effect kunnen hebben op de functionaliteit voor sperwer en steenuil. Met name steenuil heeft buiten de nestlocatie een functioneel leefgebied in de directe omgeving van het nest dat van groot belang is voor het functioneren van de nestlocatie. De voorgenomen ingrepen kunnen naast directe aantasting van een nestlocatie ook zorgen voor indirecte aantasten door veranderingen in de omgeving. Voor beide soorten geldt dat het plangebied onderzocht dient te worden op de aanwezigheid van nestlocaties en functioneel leefgebied van de soort. Een nader onderzoek naar sperwer en steenuil is noodzakelijk om de impact van de ingreep volledig in beeld te brengen.

Gebiedsbescherming Ten aanzien van de gebiedsbescherming wordt geconcludeerd dat het plangebied geen deel uitmaakt en niet in een gebied ligt dat beschermd is in het kader van de Wet natuurbescherming of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied ligt ongeveer 5,0 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Het betreft het Natura 2000-gebied de Schoorlse Duinen. Gebieden behorend tot het NNN liggen op ongeveer 2,5 kilometer afstand ten noordwesten van het plangebied. Het plangebied ligt op zodanige afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied waarbij de ingrepen van dusdanig beperkte aard zijn dat geen sprake is van (in)directe aantasting van instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Een toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Gezien de ligging buiten de begrenzing van het NNN is een toetsing in het kader van het NNN niet noodzakelijk omdat deze in de provincie Noord-Holland geen externe werking kent. Een ‘nee-tenzij’ toets in het kader van het NNN is niet nodig.

41

Stikstofdepositie Voor het plangebied is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (Berekening stikstofdepositie Midgard, Tritium Advies, 26 november 2020, bijlage 5). In de berekening wordt de projectbijdrage door de meest recente versie van de rekentool ‘Aerius’ (AERIUS Calculator 2020) op concrete rekenpunten exact berekend, waarbij ook vegetaties of Natura 2000-gebieden op meer dan 3 km afstand betrokken worden. De depositie op de meest nabijgelegen ‘stikstofgevoelige habitattypen’ (zoals gedefinieerd in Aerius) wordt doorgerekend om te onderzoeken of deze hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Bij de berekening van stikstofemissie zijn twee fases te onderscheiden, de aanlegfase (bouw) en de gebruikfase (gebruik ontwikkelde gebied na afloop van de aanlegfase inclusief aantrekking verkeer e.d.). In deze berekening zijn beide fases berekend. Hierbij is rekening gehouden met de aanleg in twee fases (2021 en 2025). De situatie met de hoogste projectbijdrage is bepalend voor de te verwachten gevolgen op Natura 2000-gebieden. Hoewel het planvoornemen voorziet in een gedeeltelijke sloop van enkele clientplaatsen, worden eveneens enkele cliëntplaatsen (Jonashuis) overgedragen aan de woningbouwcorporatie. Daarom is in de berekening geen rekening gehouden met salderen van verkeersbewegingen, maar worden de cliëntplaatsen en de dagbesteding volledig als nieuw c.q. toename gemodelleerd.

Ook moet worden opgemerkt dat de uitbreiding plaatsvindt in 2 fasen, waarbij de laatste 32 clientplaatsen pas in 2025 zullen worden gerealiseerd. Worst case is de gebruiksfase van de totale uitbreiding in één berekening (rekenjaar 2022) uitgevoerd. Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator 2020 blijkt dat er ten gevolge van de beoogde planontwikkeling geen stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Derhalve zijn ‘significante (negatieve) effecten’ op beschermde natuurgebieden ten aanzien van stikstofdepositie uit te sluiten. Bovendien moet worden opgemerkt dat er worst-case rekening is gehouden met eveneens relatief oud materieel én er geen rekening is gehouden met intern salderen. Een vergunning in het kader van de Wnb is derhalve niet aan de orde. De berekening toont aan dat het aspect stikstofdepositie geen beperkingen oplevert ten aanzien voor het beoogde planvoornemen.

Houtopstanden Met betrekking tot houtopstanden wordt geconcludeerd dat het plangebied binnen de 'bebouwde kom Boswet' van de Gemeente Schagen ligt waardoor aanwezige opstanden geen deel uitmaken van beschermde houtopstanden. Zoals aangegeven in paragraaf 3.5.4 Bomenverordening Schagen 2018 vallen de bomen aan de randen van het plangebied binnen de particuliere waardevolle boomstructuren. Bij het opstellen van het plan wordt de bestaande groene rand zoveel mogelijk intact gelaten. Als het nodig is voor de ontwikkeling bomen binnen de waardevolle boomstructuur te kappen zal hiervoor een omgevingsvergunning worden aangevraagd.

42

5.2.3

Conclusie

Binnen het plangebied is een aantal soorten (vleermuizen, kleine marterachtigen, gierzwaluw, sperwer en steenuil) aangetroffen die beschermd worden in de Wet natuurbescherming. Gezien het globale karakter van het bestemmingsplan is het uitvoeren van nader onderzoek pas zinvol als de plannen voor de nieuwbouw concreet zijn en de exacte ligging van de bebouwing en de ingrepen bekend is. Daarom is er in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat nader onderzoek uitgevoerd moet worden als er een omgevingsvergunning voor kap, sloop of bouw aangevraagd wordt. Voor bouwvelden 2 en 3 geldt dat deze onderzoeken opgestart worden. Er is in de regels van het bestemmingsplan en binnen de onderzochte locaties van de bouwvelden voldoende flexibiliteit om eventuele maatregelen te nemen of aanpassingen door te voeren als uit het nader onderzoek blijkt dat dit nodig is. Dit geldt zowel voor verblijfsplaatsen als voor leef- en foerageergebied. Binnen de bouwvelden zal circa een kwart of eenvijfde van het oppervlak nodig zijn voor de bebouwing, waarmee er voldoende ruimte is voor het nemen van maatregelen of aanpassing van bouwplannen.

5.3

Bodem

5.3.1

Wet- en regelgeving

In de bouwverordening is wettelijk geregeld dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Daarom moet bij iedere nieuwbouwactiviteit de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld worden gebracht. Het bodemonderzoek mag niet meer dan vijf jaar oud zijn en moet een vastgestelde informatiekwaliteit bieden. Indien aan die voorwaarden niet kan worden voldaan, dient aanvullend bodemonderzoek plaats te vinden. Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken.

5.3.2

Situatie plangebied

Op het perceel is een historisch bodemonderzoek conform NEN 5725 uitgevoerd (Aveco de Bondt, 3 april 2019). Het bodemonderzoek is opgenomen als bijlage 6 bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Ten opzichte van het onderzoek is er inmiddels een bouwveld komen te vervallen en zijn bouwveld 5 en 6 samengevoegd tot één bouwveld. Dit heeft geen gevolgen voor de conclusies. Volgens het onderzoek geeft de regionale bodemkwaliteitskaart aan dat de locatie de functieklasse wonen kent. Van de bodem op de locatie wordt verwacht dat deze voldoet aan de klasse wonen. Uit de resultaten van eerder uitgevoerde bodemonderzoeken komen in de bovengrond maximaal licht verhoogde gehalten met enkele zware metalen en vluchtige aromaten naar voren. De ondergrond is niet verontreinigd. In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde concentraties met arseen en plaatselijk met enkele overige metalen dan wel VOCl aangetoond. In een voorgaand onderzoek is sporadisch in de bodem asbest (< Interventiewaarde) aangetroffen. Nader onderzoek asbest wordt niet noodzakelijk geacht. Op basis van het historische kaartmateriaal zijn binnen de onderzoekslocatie twee slootdempingen aanwezig. De sloten zijn mogelijk gedempt met (verontreinigde) grond of ander dempingsmateriaal.

Ten aanzien van de chemische bodemkwaliteit is, op basis van de resultaten van het historisch onderzoek, voor de onderzoekslocaties de onderzoekshypothese van een onverdachte locatie van toepassing. Het is onbekend met wat voor materiaal de sloten zijn gedempt. Ook zijn er geen gegevens bekend van de kwaliteit van het dempingsmateriaal. Uitgangspunt voor de dempingen is dat sprake is van een mogelijk verdachte locatie met een diffuse bodembelasting. Aanbevolen wordt om in het kader

43

van de aanvraag van de omgevingsvergunningen een bodemonderzoek uit te voeren volgens de strategie van een onverdachte locatie volgens de NEN 5740. Verder wordt aanbevolen om de slootdempingen separaat te onderzoeken volgens een strategie op maat afgeleid van de strategie van een verdachte locatie met een heterogene verspreiding volgens de NEN 5740.

5.3.3

Conclusie

Bij het aanvragen van de omgevingsvergunningen zal een bodemonderzoek volgens NEN 5740 uitgevoerd worden. De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het voorliggende bestemmingsplan.

5.4

Cultuurhistorie en archeologie

5.4.1

Wet- en regelgeving

Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is op 1 september 2007 de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) in werking getreden. Deze nieuwe wet maakt deel uit van de (gewijzigde) Monumentenwet. De kern van de WAMZ is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. De WAMZ verplicht gemeenten bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden. Naast het inventariseren van de te verwachten archeologische waarde, zal het bestemmingsplan uiteindelijk, indien nodig (en mogelijk), een bescherming moeten bieden voor waardevolle gebieden. Dit kan bijvoorbeeld met een omgevingsvergunning.

In verband met een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 4 onder a.) moeten gemeenten vanaf 1 januari 2012 bij het maken van ruimtelijke plannen niet alleen rekening houden met cultuurhistorische waarden onder, maar ook boven de grond. Cultuurhistorie bestaat uit archeologie, historische gebouwen en historische geografie.

5.4.2

Situatie plangebied

Voor het plangebied is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase), BAAC, maart 2019). Het onderzoek is opgenomen als bijlage 7 bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Het plangebied ligt in het zeekleigebied. Door sedimentatieprocessen is in dit gebied een sterk gelaagd landschap ontstaan, waarin archeologische waarden uit verschillende perioden op verschillende dieptes aanwezig kunnen zijn. Vanaf circa 7500 tot 3050 jaar voor heden maakte het plangebied deel uit van een waddengebied met uitgestrekte wadplaten en getijdegeulen (Wormer Laagpakket). De mens zal dit gebied destijds gebruikt hebben voor de jacht, visserij en/of (tijdelijke) kampen, waardoor op de kreekruggen archeologische resten aanwezig zouden kunnen zijn. Later gevormd veen is ter plaatse van het plangebied geheel verdwenen. De latere kleiige afzettingen (Walcheren Laagpakket) waren te nat en moeilijk te bewerking en derhalve niet geschikt voor bewoning. Na de ruilverkaveling in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw en vervolgens de inrichting van het plangebied vanaf de jaren ’80 is het historisch gegroeide landschap sterk gewijzigd.

Vrijwel het hele plangebied is als gevolg van grondwerkzaamheden als egalisatie, het graven en dempen van sloten en greppels, afgraving en ophoging en de aanleg van infrastructuur en bebouwing vermoedelijk tot grote diepte verstoord. Uit historische kaartanalyse blijkt dat geen bewoning in het plangebied gesitueerd is geweest. De verwachting op het aantreffen van

44

archeologische resten uit het neolithicum/midden-bronstijd in de top van het Wormer Laagpakket (complextypen: takkenpad/lokale infrastructuur/houten fundering/nederzetting) is middelhoog. Uit andere perioden worden geen resten verwacht. Uit het veldonderzoek blijkt dat in delen van het plangebied de bovengrond is verwijderd en elders weer opgebracht. Een intacte (begraven) bouwvoor in het Walcheren Laagpakket is niet aangetroffen. Doorgaans gaan de kleiige afzettingen die geïnterpreteerd zijn als het Walcheren Laagpakket direct over in de oudere zandige afzettingen die zijn geïnterpreteerd als het Wormer Laagpakket. De top van het Wormer Laagpakket ligt in het westelijke deel van het plangebied tussen 1,2 en 2 m –NAP en in het oostelijke deel op meer dan 2 m –NAP. In één boring (10) is mogelijk een kreekrug aangeboord die gedurende het neolithicum/midden-bronstijd een goede basis bood voor (tijdelijke) vestiging. Juist boven de kreekafzetting is een fragment verbrande leem gevonden dat mogelijk door middel van bioturbatie omhoog is gebracht. Er zijn echter onvoldoende indicaties om een vervolgonderzoek uit te laten voeren. Archeologie West-Friesland adviseert de voorgenomen nieuwbouw vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie. Bij de ontwikkeling zijn geen cultuurhistorische waarden in het geding.

5.4.3

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie en archeologie staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Wet- en regelgeving

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die in een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere activiteiten moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het voor bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Voor het bepalen van de milieuzonering wordt gebruikgemaakt van de handreiking Bedrijven en milieuzonering (maart 2009) van de VNG. Richtafstanden gelden ten aanzien van de hinderaspecten geluid-, stof- en geurhinder en gevaar en kunnen worden gezien als de afstand waarbij onaanvaardbare hinder van een milieubelastende activiteit voor gevoelige functies kan worden uitgesloten. In gebieden waar een menging van functies voorkomt, wordt uitgegaan van een kleinere richtafstand.

5.5.2

Situatie plangebied

Volgens het vigerende bestemmingsplan is Tuitjenhorn te kenmerken als een omgevingstype ‘gemengd gebied’. Dit omgevingstype kent een matig tot sterke functiemenging. Voor dit omgevingstype is een reductie met één stap van de richtafstanden van toepassing. In de omgeving van het plangebied komt een aantal bedrijven en voorzieningen voor met een richtafstand. Deze worden hieronder genoemd met de bijbehorende richtafstand waar de reductie al is toegepast. Het Maarten van der Weijdenbad (met een buitenbad) aan de Oostwal ligt op ca. 240 meter afstand en de sporthal op ca. 115 meter van de nieuwe bouwvelden. Voor een niet overdekt zwembad is de richtafstand 100 meter, voor een sporthal is het 30 meter. De atletiekbaan bevindt zich op ca. 150 meter

45

en de ijsbaan op ca. 60 meter van het dichtstbijzijnde bouwveld. Deze voorzieningen zijn vergelijkbaar met een tennisbaan of veldsportcomplex (met verlichting) waar in de handreiking een richtafstand van 30 meter voor geldt. Aan deze afstanden wordt voldaan. Aan de Koorndijk 14 ligt een hoveniersbedrijf, op ca. 400 meter afstand tot het dichtstbijzijnde bouwveld. Voor een hoveniersbedrijf met b.o.> 500 m² is de richtafstand 50 meter. Tot slot ligt het dierenpark Blanckendaell Park meer dan 500 meter van Midgard. De richtafstand voor een dierentuin is 100 meter. Aan deze richtafstanden wordt ruim voldaan.

Een zorginstelling heeft zelf ook een richtafstand, met de reductie voor gemengd gebied is dit 10 meter. De bestaande woningen liggen op een grotere afstand tot het plangebied. Aan deze richtafstand wordt ruim voldaan.

5.5.3

Conclusie

Uit oogpunt van milieuzonering is ter plaatse van de woningen in het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect milieuzonering staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.6

Luchtkwaliteit

5.6.1

Wet- en regelgeving

De Wet luchtkwaliteit (Wlk) is op 15 november 2007 in werking getreden en vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005. De aanleiding tot het vervangen van het besluit Luchtkwaliteit is de maatschappelijke discussie die ontstond als gevolg van de directe koppeling tussen ruimtelijke ordeningsprojecten en luchtkwaliteit. Met de nieuwe Wet luchtkwaliteit en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De kern van de Wet luchtkwaliteit bestaat uit (Europese) luchtkwaliteitseisen. Verder bevat zij basisverplichtingen op grond van de richtlijnen, namelijk plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. De uitvoeringregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (amvb) en ministeriele regelingen (mr) die gelijktijdig met de Wet luchtkwaliteit in werking zijn getreden. Artikel 5.16 van de Wet milieubeheer geeft aan hoe en onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden kunnen uitoefenen in relatie tot luchtkwaliteitseisen. Als aannemelijk is dat aan één of een combinatie van de volgende voorwaarde wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering meer voor het uitoefenen van de bevoegdheid. a. b. c. d.

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; Een project draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de concentratie van een stof; Een project is genoemd of past binnen het NSL of binnen een regionaal programma van maatregelen.

De nieuwe wettelijke regels zijn uitgewerkt in de volgende regelingen: Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); De Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); De Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007;

46

De Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.

Projecten die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven niet meer getoetst te worden aan de grenswaarden zoals opgenomen in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer. In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd dat een ruimtelijke ontwikkeling die minder dan 3% van de grenswaarde bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) 'niet in betekenende mate' is. Dit komt overeen met een maximale toename van 1,2 µg/m3 voor de concentraties fijnstof en stikstofdioxide. Vanaf 1 januari 2015 dient tevens te worden getoetst aan de grenswaarde voor PM2,5. De grenswaarde voor de jaargemiddelde PM2,5 concentratie bedraagt 25 µg/m³. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn concrete situaties opgenomen die 'niet in betekenende mate' zijn. Blijft de ontwikkeling binnen de in deze regeling opgenomen grenzen, dan is het project per definitie 'niet in betekenende mate' en hoeft er geen toetsing aan de grenswaarden plaats te vinden. Voor de ontwikkeling van woningen geldt dat bij de realisatie van minder dan 1.500 woningen (met één ontsluitingsweg) het project per definitie niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

5.6.2

Situatie plangebied

Met dit project worden circa 30 wooneenheden toegevoegd ten opzichte van de bestaande situatie en blijft daarmee ruimschoots onder de grens van 1.500. Het zal dus niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plekke. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt inzicht gegeven in de luchtkwaliteit binnen het plangebied. In het bestemmingsplan 'Tuitjenhorn' is de luchtkwaliteit in de omgeving beschreven. Hierin wordt geconcludeerd dat er dat er binnen de gemeentegrenzen van de toenmalige gemeente Harenkarspel geen knelpunten met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn.

5.6.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

5.7

Geluid

5.7.1

Wet- en regelgeving

Wet geluidhinder De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) alsook de Luchtvaartwet. De Wet geluidhinder biedt geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Met de invoering van geluidproductieplafonds voor hoofd(spoor)wegen op 1 juli 2012 geldt de Wgh niet meer voor de aanleg/wijziging van hoofd(spoor)wegen, maar nog wel voor de bouw van gevoelige bestemmingen langs deze wegen. De Wet geluidhinder heeft een sterk verband met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Anders dan de naam van de Wet geluidhinder misschien suggereert, worden niet alle milieugerichte geluidsaspecten in de Wet geluidhinder geregeld. Volgens de Wet geluidhinder dient te worden getoetst aan de regelgeving en de grenswaarden van de Wet geluidhinder. De geluidbelasting op de gevels van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mag in principe niet hoger zijn dan de voorkeurgrenswaarde. Als de geluidbelasting op de gevel wel hoger is

47

dan de voorkeurgrenswaarde, kan onder bepaalde voorwaarden een verzoek worden gedaan tot vaststelling van hogere waarden. Hierbij mag de geluidsbelasting de uiterste grenswaarde echter niet overschrijden. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen kunnen per geluidsbron verschillen. Om voor vaststelling van een hogere grenswaarde in aanmerking te kunnen komen, moet aan de volgende wettelijke eis worden voldaan: het moet om een situatie gaan waarbij maatregelen om het verwachte geluidsniveau terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard stuiten.

Wegverkeerslawaai Langs alle wegen bevinden zich als gevolg van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, behalve bij woonerven en 30 km-gebieden. Nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen, binnen zones van wegen moeten worden getoetst aan de Wgh (artikel 74). De breedte van de zone langs wegen is afhankelijk van de ligging van een weg (in stedelijk gebied of buitenstedelijk) en van het aantal rijstroken, zie onderstaande tabel.

Bij nieuwe geluidgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen is akoestisch onderzoek nodig. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt veelal 48 dB(A). De uiterste grenswaarde bedraagt binnen de bebouwde kom 63 dB(A). Buiten de bebouwde kom bedraagt de uiterste grenswaarde 53 dB(A).

Spoorweglawaai De zonebreedte bij spoorwegen is volgens art. 106b van de Wet geluidhinder afhankelijk van het aantal sporen en de intensiteit van het gebruik. Bij nieuwe/gewijzigde geluidsgevoelige bestemmingen in de zone moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde bedragen respectievelijk 55 en 68 dB(A).

48

Industrielawaai Rond industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van bedrijven, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, de zogenaamde grote lawaaimakers, moet op grond van art. 41 van de Wet geluidhinder een geluidzone worden vastgesteld. In deze zone gelden regels ten aanzien van nieuwbouw van geluidsgevoelige bestemmingen. Door middel van zonebeheer moet worden voorkomen, dat de geluidbelasting ten gevolge van de geluidemissie van de bedrijven gezamenlijk buiten de zone hoger wordt dan de voorkeursgrenswaarde. Binnen de zone moeten zo nodig maatregelen worden getroffen en kan voor de geluidsgevoelige bestemmingen een hogere waarde worden vastgesteld. De voorkeursgrenswaarde en uiterste grenswaarde bedragen respectievelijk 50 en 60 dB(A).

5.7.2

Situatie plangebied

Indien in een bestemmingsplan geluidgevoelige bestemmingen mogelijk worden gemaakt, dient op grond van de Wet geluidhinder te worden beoordeeld of bij deze woningen aan de geluidnormen voor wegverkeerslawaai kan worden voldaan. Voor het project is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Akoestisch onderzoek Midgard-terrein te Tuitjenhorn, Aveco de Bondt, 7 maart 2019) naar de optredende geluidbelastingen ten gevolge van het wegverkeerslawaai. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 8 bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Ten opzichte van het onderzoek is er inmiddels een bouwveld komen te vervallen. Dit heeft geen gevolgen voor de conclusies. Het plangebied ligt binnen de zones van de Koorndijk en Noorderlicht. Ook De Regenboog, grenzend aan de noordelijke grens van het plangebied, is meegenomen in het onderzoek. De bouwvelden liggen niet binnen het aandachtsgebied van de Oostwal en Harenkarspelweg. De gemeente Schagen heeft aangegeven dat verkeersgegevens niet voorhanden zijn. Om uitgangspunten voor het akoestisch onderzoek op het gebied van verkeersgegevens te verkrijgen zijn plannen in de nabijheid van het plangebied geïnventariseerd waarvoor eveneens akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd. De verkeersgegevens in deze onderzoeken zijn vervolgens bewerkt voor het akoestisch onderzoek voor dit plangebied, waarbij uitgegaan is van de worst-case situatie.

Voor zowel de Koorndijk, Noorderlicht als De Regenboog wordt geconcludeerd dat de geluidbelasting op het plangebied als gevolg van deze wegen lager is dan 48 dB. Hiermee is voldaan aan de wettelijke voorkeurswaarde. De uitkomst wordt onderstreept door het gegeven dat de uitgangspunten in het akoestisch worst-case zijn genomen op het punt van de verkeersintensiteit en de rijsnelheid (geen 30 km/uur). Bovendien is er sprake van ruimschoots voldoen aan de voorkeurswaarde, de 48 dB-contour ligt voor alle wegen op geruime afstand van de zeven bouwvelden waar de woon- en zorgfuncties kunnen worden gerealiseerd. Hiermee is aangetoond dat ter plaatse van de bouwvelden voldaan is aan de Wet geluidhinder. Toetsing aan het gemeentelijk geluidbeleid en het aanvragen van hogere grenswaarden is verder niet aan de orde.

Overige geluidsaspecten, zoals spoorweglawaai, industrielawaai en/of vliegtuiglawaai, zijn voor het onderhavige plan niet van toepassing.

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning dient tevens te worden aangetoond dat wordt voldaan aan het Bouwbesluit. Het geluidniveau in het verblijfsgebied als gevolg van het geluid van buiten mag niet meer bedragen dan 33 dB. De nieuwe woningen dienen op basis van het Bouwbesluit 2012 te beschikken over voldoende gevelwering om het binnenniveau te halen.

49

5.7.3

Conclusie

Bij het indienen van de omgevingsvergunning zal worden voldaan aan de noodzakelijke maatregelen om aan het Bouwbesluit te voldoen voor wat betreft de geluidwering van de gevels. Het bestemmingsplan voldoet wat betreft het aspect geluid aan een goede ruimtelijke ordening.

5.8

Externe veiligheid

5.8.1

Wet- en regelgeving

Bij de invloed van de externe veiligheid binnen het bestemmingsplan wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico's door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico's door stationaire (inrichtinggebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico's door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als de kans per jaar die een persoon op een bepaalde plaats heeft om dodelijk getroffen te worden door enig ongeval ten gevolge van een bepaalde activiteit, indien de persoon zich continu maximaal blootstelt aan de schadelijke gevolgen van het ongeval. Het groepsrisico betreft de kans per jaar dat een bepaald aantal personen dodelijk getroffen wordt door enig ongeval ten gevolge van een bepaalde activiteit, waarbij van de feitelijke omgevingssituatie wordt uitgegaan. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de Wet milieubeheer.

Dit houdt onder meer in dat er sprake is van een resultaatsverplichting om te voldoen aan de norm. Voor het groepsrisico is geen wettelijke norm vastgelegd maar wordt uitgegaan van een oriënterende waarde. Dit houdt in dat er een inspanningsverplichting is om te voldoen aan de norm. Het bevoegd gezag kan zo nodig, mits gemotiveerd en na belangenafweging, afwijken van deze norm.

Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. De regelgeving zoals die in het Bevi is opgenomen, is gericht op het beperken van de risico's van een ongeval met gevaarlijke stoffen in inrichtingen (bedrijven) voor personen. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en de oriënterende waarde voor het groepsrisico zijn in het Bevi vastgesteld. Het externe veiligheidsbeleid met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke stoffen is in de Nota risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (nota Rnvgs) opgenomen. In de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen is dit beleid verder uiteengezet. Dit beleid is waar mogelijk overeenkomstig het Bevi. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In het Bevb is bepaald dat er bij buisleidingen (veiligheids)zones aanwezig zijn.

50

5.8.2

Situatie plangebied

Een zorginstelling valt onder de kwetsbare objecten. Daarom is het van belang het plangebied te toetsen op externe veiligheid. Op de risicokaart van de provincie Noord-Holland worden, in samenwerking met gemeenten, het Rijk en andere partijen, de gegevens van risicovolle inrichtingen onder bevoegd gezag van de gemeenten en het Rijk opgenomen. Uit de risicokaart blijkt dat de locatie niet in de invloedssfeer ligt van risicobronnen. De dichtstbijzijnde inrichtingen, zoals het LPG-tankstation aan de Cornelis de Vriesweg 53, liggen allen op meer dan 1 kilometer van het plangebied.

Uitsnede risicokaart (plangebied rood omkaderd), bron: www.risicokaart.nl

Binnen het plangebied bevindt zich een gasdrukmeet- en regelstation. Het gaat volgens Liander om een zogenaamd kaststation. Op dit station zijn de regels uit de Wet milieubeheer en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) van toepassing. Volgens artikel 3.12 lid 6 van het Activiteitenbesluit geldt met betrekking tot de opstelplaats van een gasdrukmeet- en regelstation ten opzichte van buiten de inrichting gelegen kwetsbare objecten (o.a. woningen) en beperkt kwetsbare objecten (o.a. bedrijfsgebouwen) een veiligheidsafstand van respectievelijk 6 m en 4 m. In het bestemmingsplan zal het gasdrukmeet- en regelstation zelf de bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' krijgen en wordt de gebiedsaanduiding 'Veiligheidszone - Activiteitenbesluit’ opgenomen op de verbeelding en in de regels. Zo wordt duidelijk in welk gebied precies de veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en het gasdrukmeet- en regelstation.

In de omgeving of het plangebied zijn verder geen relevante risicobronnen aanwezig. De beoogde ontwikkeling zal niet leiden tot het ontstaan van een plaatsgebonden risico of een verhoging van het groepsrisico. Alle nieuwe gebouwen zullen goed bereikbaar gemaakt worden voor de brandweer en andere hulpdiensten.

51

5.8.3

Conclusie

Het aspect externe veiligheid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

5.9

Milieueffectrapportage

5.9.1

Wet- en regelgeving

Per 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. Een belangrijk nieuw element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevals-definities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Vroeger kon worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was. Onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet op basis van dezelfde criteria als de m.e.r.-beoordeling. De diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Door Infomil wordt dit de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan de m.e.r. Dit kan zijn in de vorm van een motivering dat belangrijk nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten (en er dus geen m.e.r. (beoordeling) is uitgevoerd) of in de vorm van een beschrijving van de resultaten van de m.e.r. (beoordeling).

5.9.2

Situatie plangebied

Met dit project worden circa 30 wooneenheden toegevoegd ten opzichte van de bestaande situatie, een toename ten opzichte van de huidige situatie. Dit valt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage onder: 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterrein'. De drempelwaarden voor een m.e.r.- plichtige activiteit zijn hierbij: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. Een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het onderhavige plan voor circa 30 wooneenheden blijft hier ruimschoots onder. In de voorgaande paragrafen is het milieubelang van deze ontwikkeling in voldoende mate afgewogen. Geconcludeerd wordt dat belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten zijn. Het plan is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving, waardoor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.

5.9.3

Conclusie

Het aspect milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor het uitvoeren van het bestemmingsplan.

5.10

Kabels en leidingen

In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van kabels en leidingen die ruimtelijke relevantie hebben en/of van belang zijn in het kader van beheer, externe veiligheid of gezondheidsrisico's.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14679104/1