CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

Achtergrondrapport Natuur Bijlage 2 Soortenbeschemingstoets

Oordeelsvormende vergadering 12 oktober 2021, gemeente SchagenBij agendapunt: Vaststelling gecoördineerde bestemmingsplannen 'Pallas-Plot' en 'Partiële Herziening PALLAS-reactor, 2021'20.072 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020

34 van 68

SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR

Amfibieën Hoewel de kans klein is dat rugstreeppadden in het duingebied op de EHC worden aangetroffen, is incidentele aanwezigheid in het projectgebied uitgesloten. Geschikte aquatische biotopen zijn voorafgaand aan de werkzaamheden niet aanwezig binnen het projectgebied. Het is niet uitgesloten dat rugstreeppadden vanuit de omgeving het werkterrein koloniseren gedurende de uitvoering van werkzaamheden, in het bijzonder als waterplassen aanwezig zijn tijdens het voortplantingsseizoen. Het verwonden en doden van rugstreeppadden is niet uitgesloten. Reptielen Jaarrond is de kans aanwezig dat zandhagedissen gewond en gedood worden. In de winter zijn zandhagedissen niet mobiel. In het voorjaar en de zomer is de kans groot dat zandhagedissen in en nabij het projectgebied verder de duinen in vluchten, maar verwonden en doden is niet volledig uit te sluiten. Dit geldt niet alleen voor individuen, maar ook voor de eieren in het voortplantingsseizoen. Vleermuizen Voor vleermuizen zijn verschillende functies aanwezig. Het effect van de werkzaamheden is als volgt: • Verblijfplaatsen: Het pomphuis met paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis wordt niet aangetast. Bij start van de werkzaamheden bevinden zich in het overige deel van het projectgebied geen verblijfplaatsen van vleermuizen (het slopen van huidige bebouwing maakt geen onderdeel uit dit project).

Het vernielen van verblijfplaatsen, verwonden en doden van de daar aanwezige vleermuizen is uitgesloten. • Foerageergebieden en vliegroutes: Bij toepassen van verlichting mijden vleermuizen het projectgebied als de verlichting als hinderlijk worden ervaren. Dit effect is naar verwachting beperkt, want in de huidige situatie is ook verlichting op de EHC aanwezig. Verder blijft het voor vleermuizen mogelijk om door de duinvallei te vliegen die tussen de EHC en zee is gelegen. Tot slot moet ook buiten reguliere werktijden in de periode maart-oktober gewerkt worden en daarbij moet sprake zijn van activiteiten die daadwerkelijk leiden tot interactie met vliegende vleermuizen. Beide zaken zijn hier niet aan de orde. Het verwonden en doden van foeragerende en passerende vleermuizen als gevolg van het project is uitgesloten. Zeezoogdieren Voor aanvang van de werkzaamheden in zee, varen schepen richting de locatie van de nieuwe koelwateruitlaat. Als gevolg daarvan zullen eventueel aanwezige zeezoogdieren deze locatie ontvluchten voordat met de werkzaamheden wordt begonnen. De locatie van de nieuwe koelwateruitlaat heeft geen specifieke functie voor zeezoogdieren. Eventueel aanwezige soorten wijken bij verstoring uit naar andere delen van het bestaande leefgebied. Het verwonden en doden van zeezoogdieren tijdens de werkzaamheden is uitgesloten.

Grondgebonden zoogdieren De aanwezigheid van wezels is niet uitgesloten op de EHC. De soort is niet waargenomen, maar komt wel in de directe omgeving voor en de omstandigheden op de EHC zijn wel geschikt. Tijdens de werkzaamheden wordt het projectgebied wel vermeden door deze soort, maar het is mogelijk dat wezels zich ook terugtrekken in de holen. Het verwonden en doden van een incidenteel aanwezig exemplaar is niet uit te sluiten. Dagvlinders Het zwaartepunt van het voorkomen van de duinparelmoervlinder ligt in de duinvallei ten westen van de EHC. Op de EHC is echter wel een enkel exemplaar waargenomen. Dagvlinders zijn niet gevoelig voor verstoring, dus het is goed mogelijk dat een incidenteel exemplaar het werkterrein opkomt tijdens de werkzaamheden. De kans dat vlinders worden gedood is gering, maar het verwonden en doden van een enkel exemplaar is niet uitgesloten.

6.2.2

Oppervlakteverlies

Broedvogels met jaarrond beschermd nest Van verlies van nesten van vogels met een jaarrond beschermd nest is geen sprake, omdat deze nesten niet in het projectgebied liggen. Het projectgebied maakt in potentie wel deel uit van functioneel leefgebied van soorten met een jaarrond beschermd nest die in de omgeving voorkomen.

Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020

35 van 68

SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR

Verlies aan een groot deel van het functionele leefgebied kan leiden tot effecten op het broedsucces. In de volgende punten is voor de soorten met een jaarrond beschermd nest het effect van oppervlakteverlies beschreven: • Buizerd: Het biotoop van de buizerd bestaat in het ideale geval uit bos of bomen voor het nest, gecombineerd met open landschap om te foerageren. De buizerd is opportunistisch qua voedsel: kleine zoogdieren, jonge konijnen, regenwormen, kevers, amfibieën, jonge vogels en aas en soms ook vogels en volwassen konijnen.11 In de huidige situatie vormt het projectgebied een marginaal deel van het leefgebied van de buizerd. Het plangebied is momenteel reeds verstoord en deels verhard. Vooral de natuurlijke delen van de duinen en de polder vormen het foerageergebied. Bij oppervlakteverlies in het projectgebied blijft voldoende foerageergebied over voor deze soort. Het oppervlakteverlies leidt niet tot een effect op de buizerd. • Havik: De havik heeft vergelijkbare leefgebieden als de buizerd, maar is vooral aan bossen gebonden. Deze soort vooral op vogels, maar ook op konijn of eekhoorn.12 Dit maakt dat het projectgebied ook voor deze soort een beperkte functie heeft (vergelijkbaar met het punt van de buizerd). Bij oppervlakteverlies blijft vrijwel het hele foerageergebied voor deze soort intact. Het oppervlakteverlies leidt niet tot een effect op de havik.

• Huismus: Territoria van de huismus bevinden zich vooral nabij de nesten in de bebouwde kom van Sint Maartenszee en Sint Maartensvlotbrug. Gezien de afstand tot deze territoria leidt herinrichting van een deel van de EHC niet tot effecten op de huismus. • Ransuil: De biotoop van de ransuil bestaat uit de volgende delen: nest- en roestplaatsen zijn vooral in naaldbomen en foerageren vindt plaats in open gebieden. Hierbij richt de ransuil zich voornamelijk op kleinere zoogdieren en soms ook kleinere vogels.13 Het projectgebied heeft voor deze soort een beperkte functie (vergelijkbaar met het punt van de buizerd). Bij oppervlakteverlies blijft vrijwel het hele foerageergebied voor deze soort intact. Het oppervlakteverlies leidt niet tot een effect op de ransuil. • Sperwer: De sperwer heeft een leefgebied dat vergelijkbaar is met buizerd, havik en ransuil, maar is meer gebonden aan bos en halfopen omstandigheden. Buiten de broedtijd komt de soort vooral in open gebied voor.14 Het projectgebied heeft voor deze soort een beperkte functie (vergelijkbaar met het punt van de buizerd). Bij oppervlakteverlies blijft vrijwel het hele foerageergebied voor deze soort intact. Het oppervlakteverlies leidt niet tot een effect op de sperwer.

Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Als gevolg van oppervlakteverlies zijn voor broedvogels zonder jaarrond beschermde nest, twee effecten mogelijk tijdens het broedseizoen: 1) aantasting van de aanwezige nesten en 2) aantasting van de aanwezige leefgebieden wat gevolgen heeft voor het broedsucces. Aantasting van nesten treedt met name op bij het verwijderen van bomen en vegetatie voor soorten als ekster, koolmees, pimpelmees, tapuit (voor deze soort gaat het om oude konijnenholen), torenvalk, witte kwikstaart, zwarte kraai en mogelijk nog andere broedvogels. In de omgeving zijn voor de exploitatiefase voldoende alternatieven beschikbaar voor deze soorten. Voor leefgebieden geldt dat het projectgebied en de directe omgeving geen specifieke functie hebben voor vogels zonder jaarrond beschermd nest. Voor vogelsoorten zijn in de directe omgeving bovendien voldoende uitwijkmogelijkheden bij permanent verlies van het leefgebied binnen het projectgebied. Effecten door oppervlakteverlies op vogels zonder jaarrond beschermd nest zijn uitgesloten. Amfibieën Oppervlakteverlies vindt niet plaats in het aquatische milieu van de rugstreeppad. Het projectgebied ligt wel binnen potentieel, terrestrisch leefgebied.

Hier is in de huidige situatie voor een groot deel echter wel sprake van verharding en verstoring, in de directe omgeving van de poelen is voldoende alternatief en beter geschikt terrestrisch leefgebied. Effecten als gevolg van oppervlakteverlies op bestaande leefgebieden zijn voor de rugstreeppad uitgesloten. Tijdens de werkzaamheden is het risico op kolonisatie niet uitgesloten. Het is mogelijk dat tijdens de werkzaamheden geschikte leefgebieden ontstaan, bijvoorbeeld door stagnerend regenwater. In dat geval is

11 https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/buizerd, geraadpleegd juni 2020. 12 https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/havik#Leefwijze, geraadpleegd juni 2020. 13 https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/ransuil#Leefwijze, geraadpleegd juni 2020. 14 https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/sperwer#Herkenning, geraadpleegd juni 2020.

Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020

36 van 68

SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR

mogelijk sprake van oppervlakteverlies van deze nieuw ontstane leefgebieden en effecten op de aanwezige individuen. Reptielen Als gevolg van oppervlakteverlies zijn twee gevolgen voor de zandhagedis mogelijk: 1) verkleining van leefgebied en 2) versnippering van leefgebieden. Voor verkleining van het leefgebied geldt dat een deel hiervan tijdelijk is en een deel permanent. Leefgebieden van de zandhagedis bestaan niet alleen uit de delen met vegetatie (meer opgaande als winterverblijfplaats en lagere vegetatie als foerageergebied), maar ook kale delen met zand voor de eieren en om op te warmen.

*

= Huidige projectgrens. Hierbinnen kan leefgebied tijdelijk verdwijnen, maar dit herstelt na afronding van de werkzaamheden. = Projectie van “Inspiratieschets voor de buitenruimte” (uit Arcadis, 2020) over luchtfoto.

*

= Permanente afname van leefgebieden van zandhagedis. = Permanente toename van leefgebieden van zandhagedis.

Figuur 23 Ruimtelijke analyse van de verandering van leefgebieden van de zandhagedis. Hierbij is het nieuwe ontwerp over en luchtfoto geprojecteerd en is gekeken waar verharding wordt aangebracht en waar deze wordt verwijderd en herinrichting plaatsvindt. Wegen worden verlegd maar oppervlakte blijft bij benadering gelijk en deze zijn daarom in de analyse niet opgenomen. * Deze bebouwing en verharding is verdwenen volgens de projectbeschrijving. Dit is echter geen onderdeel van het project en de exacte herinrichting hier is niet bekend. Maar hier is wel sprake van een toename, omdat de nieuwe delen Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020

37 van 68

SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR

wel een potentiële functie hebben voor de zandhagedis en dat betekent dat per saldo geen sprake is van een afname van leefgebieden.

1a Tijdelijke verkleining van leefgebied Figuur 23 geeft aan dat leefgebieden binnen de projectgrens tijdelijk kunnen verdwijnen. Het gaat hier echter om een tijdelijk verlies in een uitgestrekt leefgebied (het duingebied van Den Helder tot Petten) waar een relatief klein deel tijdelijk van verloren gaat. Na afronding van de werkzaamheden is sprake van open zand en hagedissen kunnen dit in de lente en herfst gebruiken om op te warmen en om in het voortplantingsseizoen eieren te leggen en op termijn is ook sprake van vegetatieontwikkeling, waardoor de functie voor de zandhagedis verandert van opwarmplekken, naar meer foerageergebied en schuilmogelijkheid. 1b Permanente verkleining van leefgebied Figuur 23 laat zien dat sprake is van een permanente toename van het leefgebied en een permanente afname. In cumulatie is het belangrijk om ook naar mogelijke nadere projecten te kijken. Het Nuclear Health Centre (NHC) wordt ten noordoosten van het reactorgebouw gebouwd en leidt ook tot een toename en afname van leefgebieden. Als wordt gekeken naar de PALLAS-reactor, NHC en de sloop van gebouwen op de EHC, dan blijft per saldo een vergelijkbaar oppervlakte aan leefgebied over, dat (op termijn door natuurlijke ontwikkeling) vergelijkbaar is met andere leefgebieden op de EHC. 15 2 Versnippering Naast verkleining kan versnippering van leefgebieden optreden.

Dit is het gevolg van de nieuwe verbindingsweg, want daarmee wordt de duinenrij (Zijperzeedijk) onderbroken. In de vorige alinea is aangegeven dat het om een klein deel van het leefgebied gaat. Bovendien blijft het voor zandhagedissen mogelijk om via de EHC naar het “geïsoleerde” van de Zijperzeedijk te trekken. Hoewel op de EHC wel wegen lopen, rijdt hier niet permanent verkeer, zeker niet in het weekend. Effecten op de populatie door versnippering van leefgebieden zijn uitgesloten. Vleermuizen Ten aanzien van de functies voor vleermuizen heeft oppervlakteverlies de volgende gevolgen: • Verblijfplaatsen: geen van de verblijfplaatsen ligt binnen het oppervlakteverlies. Effecten op verblijfplaatsen zijn uitgesloten. • Vliegroutes: het duingebied wordt door verschillende vleermuissoorten gebruikt als vliegroute. Vleermuizen vliegen verspreid door het duingebied tussen foerageergebieden en verblijfplaatsen. Deze functie wordt niet aangetast. Oppervlakteverlies leidt niet tot verlies van geleidende elementen als duinenrijen. De nieuwe toegangsweg zorgt wel voor een opening in de duinenrij, maar de Figuur 22 laat zien dat vleermuizen verspreid in het duingebied voorkomen en dat ook de huidige toegangsweg geen belemmering vormt. Effecten op vliegroutes zijn uitgesloten. • Foerageergebieden: de duinen vormen voor verschillende vleermuissoorten foerageergebied.

Foeragerende vleermuizen lijken zich te concentreren rond de poelen: hier is de hoeveelheid insecten het grootst. Hier vindt geen ruimtebeslag plaats. Ruimtebeslag beperkt zich tot een klein deel van het duingebied: in de directe omgeving zijn vergelijkbare (en over het algemeen vanwege ontbreken van verharding ook meer geschikte) leefgebieden aanwezig. Effecten op foerageergebieden zijn uitgesloten. Uit bovenstaande volgt dat effecten door oppervlakteverlies op vleermuizen zijn uitgesloten. Zeezoogdieren De koelwateruitlaat leidt mogelijk tot een oppervlakteverlies van 50 m2 permanent overstroomde zandbanken. Het totale oppervlak van dit habitat in de Noordzee is van de kust van Bergen aan Zee tot aan Rottumerplaat 140.000 ha (Ministerie van IenM, Rijkswaterstaat, 2015). Het oppervlakteverlies van de koelwateruitlaat heeft geen specifieke betekenis als leefgebied voor zeezoogdieren. Deze soorten hebben allen een groot leefgebied, en kunnen daarom uitwijken naar andere delen van het leefgebied. Effecten als gevolg van oppervlakteverlies op zeezoogdieren zijn uitgesloten.

15 Let op: het is niet goed mogelijk om een exacte inschatting van leefgebieden te maken. Dit zorgt voor een schijnnauwkeurigheid

omdat de samenstelling van de vegetatie en de aanwezigheid van zandige oppervlaktes. Omdat het hier niet om de meest geschikte leefgebieden gaat vanwege verstoring en predatie, is hier alleen globaal een inschatting gemaakt of er geen sprake is van een afname van leefgebieden Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020

38 van 68

SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR

Grondgebonden zoogdieren De wezel komt incidenteel voor in het projectgebied. Voor wezels die eventueel in het projectgebied voorkomen zijn voldoende uitwijkmogelijkheden aanwezig. Effecten van oppervlakteverlies op de wezel zijn uitgesloten. Dagvlinders Het projectgebied is wel geschikt voor de duinparelmoervlinder vanwege de lokale aanwezigheid van bloeiende planten, maar heeft geen bijzondere functie gezien de verharding en het gegeven dat het leefgebied van deze soort vooral in de duinvallei bevindt. Effecten van oppervlakteverlies op de duinparelmoervlinder zijn uitgesloten.

6.2.3

Verstoring

Relevante verstoring Niet iedere verstoring in het kader van de wet is relevant is. Het moet gaan om verstoring die voor soorten in potentie wezenlijke gevolgen heeft. Een tijdelijke verandering van gedrag valt hier niet zonder meer over. Zie voor meer informatie het volgende tekstkader. Juridisch kader verstoring beschermde soorten Niet iedere toename van verstoringsbronnen leidt tot een daadwerkelijk effect dat in het kader van de wet is voorzien als verstoring. Voor een individu geldt dat sprake is van opzettelijke verstoring als niet in de directe omgeving (tijdelijk) uitwijkmogelijkheden voor handen zijn en de functionaliteit van het leefgebied door verstoring wordt aangetast. Dit is verschillende keren bevestigd door de Raad van State. Hieronder staan twee delen van uitspraken waarin dit bevestigd is: ECLI:NL:RVS:2009:BI3701: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 november 2007 in zaak nr.

200607283/1) geldt als uitgangspunt dat niet ieder plan dat tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderde omgeving, moet worden aangemerkt als een opzettelijke verontrusting in de zin van artikel 10 van de Ffw.” ECLI:NL:RVS:2020:1125: “Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 23 juni 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM8836), geldt bij de uitleg van artikel 10 van de Flora- en faunawet als uitgangspunt dat niet ieder plan dat tot gevolg heeft dat een beschermde diersoort zich moet aanpassen aan de veranderde omgeving een opzettelijke verontrusting is in de zin van die bepaling. Het tijdelijk (doen) wegvluchten voor werkzaamheden naar een rustiger plek kan niet worden aangemerkt als opzettelijke verontrusting in de zin van deze bepaling. De Afdeling volgt deze interpretatie eveneens ten aanzien van het in het vierde lid van artikel 3.1, vierde lid, van de Wnb neergelegde verbod van opzettelijke storing.”

Maatgevende effecten In dit onderzoek is voor de effecten in het duingebied, mede in relatie tot het relatief besloten en geaccidenteerde gebied, geluid als maatgevende storingsfactor beschouwd, behalve voor de soorten die in zee voorkomen. Voor verstoring door geluid is het plaatsen van damwanden het meest bepalend, maar het plaatsen van diepwanden, storten van onderwaterbeton en aanbrengen van compressielaag leiden ook tot een aanzienlijke verstoring. In de exploitatiefase vindt in beperkte mate geluidsemissie plaats als gevolg van verkeersbewegingen. Dit is niet wezenlijk anders dan de huidige situatie. Voor vleermuizen wordt behalve naar geluid, ook naar licht gekeken vanwege de gevoeligheid van deze soortgroep voor deze vorm van verstoring. Broedvogels met jaarrond beschermd nest Nesten van broedvogels met een jaarrond beschermd nest bevinden zich niet in het projectgebied, maar kunnen wel verstoord worden door geluid. Met name het aanbrengen van damwanden zorgt voor een verstoring op grotere afstand. Buizerd, havik, ransuil en sperwer hebben hun nest in de omgeving van het projectgebied. Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden in het broedseizoen, is verstoring van broedende vogels mogelijk aan de orde, omdat in dat geval vogels niet zonder meer kunnen uitwijken.

Voor de overige werkzaamheden geldt dat geen sprake is van een wezenlijke toename van verstoring in vergelijking met de huidige situatie. Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020

39 van 68

SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR

Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Bij het uitvoeren van werkzaamheden in het broedseizoen, is verstoring van broedende vogels mogelijk aan de orde. Hierbij gaat het om soorten als (maar niet uitsluitend) boomklever, ekster, gekraagde roodstaart, grote bonte specht, koekoek, koolmees, pimpelmees, tapuit, torenvalk, witte kwikstaart, zwarte kraai en nog andere soorten. Effecten door verstoring zijn niet uitgesloten. Amfibieën Rugstreeppadden zijn in twee categorieën in te delen: 1) rugstreeppadden die reeds aanwezig zijn nabij het projectgebied en 2) rugstreeppadden die tijdens de werkzaamheden het projectgebied koloniseren. Voor rugstreeppadden die reeds aanwezig zijn: Het projectgebied ligt binnen potentieel, terrestrisch leefgebied. De werkzaamheden zorgen voor een toename van de activiteit in vergelijking met de huidige situatie. Verstoring van reeds aanwezige rugstreeppadden is niet zonder meer uitgesloten. Als rugstreeppadden het projectgebied koloniseren, is het mogelijk dat verstoring van individuen en leefgebieden plaatsvindt door de werkzaamheden. Reptielen De zandhagedis komt voor van de zeereep tot de binnenste duinenrij, vrijwel het hele duingebied is geschikt voor deze soort. Verstoring is aan de orde voor voortplantingsplaatsen en overwinteringsplaatsen op het moment dat werkzaamheden worden uitgevoerd.

Vleermuizen Voor vleermuizen geldt dat verstoring door geluid en licht kunnen leiden tot het mijden van het projectgebied en de directe omgeving voor de duur van de werkzaamheden. Met name de effecten van verlichting zijn bepalend. De werkzaamheden vinden grotendeels overdag plaats. Vleermuizen zijn relatief ongevoelig voor geluid. Gebieden met veel geluid (bijvoorbeeld snelwegen) worden minder gebruikt om te foerageren, maar zijn niet volledig ongeschikt: vleermuizen blijven ook bij veel geluid foerageren. Hoewel uit onderzoek blijkt dat vleermuizen geluidsintensieve plaatsen als snelwegen mijden, worden ook bepaalde geluidsbronnen van natuurlijke oorsprong gemeden. “Vegetation noise”, het geluid van vegetatie als het ritselen van bladeren, is minder intensief dan het geluid van een snelweg, maar heeft overeenkomsten met geluid van insecten en wordt gemeden omdat vleermuizen geen onderscheid tussen het achtergrondgeluid en prooien kunnen maken (Schaub et al., 2008). Kortom: het mijden van foerageergebieden door zwermende vleermuizen vindt plaats bij zeer hoge geluidsniveaus, maar is vooral afhankelijk van de specifieke bron. Dit betekent dat de locatie waar ’s nachts wordt doorgewerkt wordt gemeden, maar de omgeving van het projectgebied blijft geschikt voor foeragerende vleermuizen. Dit verschilt niet wezenlijk van de huidige situatie op de EHC.

Effecten van een toename van geluid zijn uitgesloten. Ten aanzien van kunstlicht: • Verblijfplaatsen: de meeste paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis bevinden zich op enige afstand van het projectgebied. Een toename van verlichting is beperkt en heeft op de meeste paarverblijfplaatsen dan ook geen effect. Daarnaast bevinden zich paarverblijfplaatsen in het pomphuis van de HFR en het poorthuis. Bij werkzaamheden na zonsondergang en voor zonsopkomst, worden mogelijk wel dieren op deze locaties verstoord bij gebruik van kunstlicht. Effecten op deze verblijfplaatsen zijn niet uitgesloten. • Vliegroutes: het duingebied wordt door verschillende vleermuissoorten gebruikt als vliegroute. In het duingebied zijn geen specifieke elementen aanwezig waar vleermuizen langs vliegen: de gehele breedte van het duingebied wordt gebruikt en deze blijft ook beschikbaar. Bij het mijden van het projectgebied blijven genoeg vliegroutes beschikbaar. Bovendien zijn slechts enkele dieren passerend of foeragerend waargenomen nabij het huidige projectgebied, zie Figuur 22. Effecten op vliegroutes door verstoring zijn uitgesloten. • Foerageergebieden: de duinen vormen voor verschillende vleermuissoorten foerageergebied. Foeragerende vleermuizen concentreren zich rond de poelen: hier is de hoeveelheid insecten het grootst.

Het is mogelijk dat een deel van de poelen tijdelijk verstoord wordt door licht en geluid, maar dit is beperkt tot een klein deel van het duingebied: in de directe omgeving blijven foerageergebieden beschikbaar. Effecten op foerageergebieden zijn uitgesloten. Concluderend worden verblijfplaatsen van vleermuizen mogelijk verstoord door kunstlicht na zonsondergang en voor zonsopkomst. Effecten op vliegroutes en foerageergebied zijn uitgesloten. Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020

40 van 68

SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR

Zeezoogdieren Effecten van onderwatergeluid Bij de uitvoering van de werkzaamheden worden onder water geen sterke impulsgeluiden veroorzaakt die een hoge geluidsbelasting opleveren en een grote reikwijdte hebben. Het continue geluid in de realisatiefase dat veroorzaakt wordt door boren vanaf de EHC, de aanwezige schepen en het storten van het materiaal zorgen voor dat in een straal van maximaal 5 km vissen en zeezoogdieren verstoord worden. Omdat de geluidsbelasting beperkt is en geen sprake is van harde impulsgeluiden, treedt geen tijdelijke of permanente gehoorschade op bij zeezoogdieren. De eventueel aanwezige dieren verlaten het verstoorde gebied of vertonen tijdelijk gedragsaanpassingen. Het bij de werkzaamheden veroorzaakte geluid wijkt niet af van geluiden die door andere schepen in de Noordzee veroorzaakt wordt. De bijdrage van de werkschepen aan de geluidsbelasting onder water is daarom beperkt in vergelijking met de bestaande geluidsbelasting door de al aanwezige schepen op de drukbevaren Noordzee. Het tijdelijk wegvluchten voor werkzaamheden naar een rustiger plek, is niet aan te merken als opzettelijke verontrusting. Daarbij speelt mee dat voldoende foerageer- en leefgebied in de omgeving overblijft. Omdat de verstoring in duur beperkt is, keren dieren na afloop van het werk weer terug en/of hervatten hun normale gedrag. Effecten van verstoring zijn uitgesloten.

Visuele effecten en geluid boven water Bij verstoring boven water is bij varende schepen de visuele verstoring maatgevend boven de verstoring door geluid. Deze visuele hinder is beperkt in omvang en tijd. Zeezoogdieren maken incidenteel gebruik van het projectgebied, als doortrekgebied of foerageergebied. Zij kunnen bij visuele hinder het gebied gemakkelijk mijden en andere routes of foerageergebieden kiezen. Zwemmende zeehonden en bruinvissen worden veelvuldig in de nabijheid van schepen waargenomen: op platen zijn zeehonden sneller verstoord omdat ze daar kwetsbaarder zijn dan in het water. Het gebied van de koelwateruitlaat heeft geen specifieke functie en in de omgeving zijn in ruimte mate alternatieve leefgebieden aanwezig als de werkzaamheden of koelwateruitlaat toch als hinderend wordt ervaren. Effecten op de aanwezige populaties van zeezoogdieren zijn daarmee uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren De wezel komt incidenteel voor in het projectgebied. De verwachting is dat incidenteel aanwezige wezels bij aanvang van de werkzaamheden wegtrekken uit het projectgebied. Deze wezels worden bij de werkzaamheden verstoord. Dagvlinders Dagvlinders zijn niet bijzonder gevoelig voor de vormen van verstoring die optreden door de aanleg.

Dit gegeven in combinatie met dat de duinparelmoervlinder vooral in de duinvallei voorkomt en niet op de EHC, maakt dat verstoring op de lokale populatie is uitgesloten.

6.3

Effecten in overgangs- en exploitatiefase

6.3.1

Oppervlakteverlies

De effecten van oppervlakteverlies treden op in de realisatiefase en zijn daarom daar behandeld.

6.3.2

Verstoring

Relevante verstoring en maatgevende effecten Niet iedere verstoring is relevant in het kader van de wet, zie hiervoor de tekst onder § 6.2.3. In dit onderzoek is voor de effecten in het duingebied, mede in relatie tot het relatief besloten en geaccidenteerde gebied, geluid als maatgevende storingsfactor beschouwd. Alleen neemt geluid in de exploitatiefase niet wezenlijk toe in vergelijking met de huidige situatie, omdat alleen sprake is van verkeer op bestaande infrastructuur en een nieuw in- en uitlaatpunt voor koelwater. Verder is voor vleermuizen de aanwezigheid van nieuwe verlichtingsbronnen relevant. Omdat in de huidige situatie al sprake is van verkeer, wordt alleen gekeken naar de nieuwe in- en uitlaatpunten voor relevante soorten en naar verlichting. Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020

41 van 68

SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR

Vleermuizen Voor vleermuizen geldt dat verstoring door licht kan leiden tot het mijden van het projectgebied en de directe omgeving voor tijdens de exploitatie: • Verblijfplaatsen: de meeste paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis bevinden zich op enige afstand van het projectgebied. Een toename van verlichting is beperkt en heeft op de meeste paarverblijfplaatsen dan ook geen effect. Daarnaast bevinden zich paarverblijfplaatsen in het pomphuis van de HFR en het poorthuis. Deze liggen echter buiten de reikwijdte van de toename van verlichting (zie Figuur 20). • Vliegroutes: het duingebied wordt door verschillende vleermuissoorten gebruikt als vliegroute. In het duingebied zijn geen specifieke elementen aanwezig waar vleermuizen langs vliegen: de gehele breedte van het duingebied wordt gebruikt en deze blijft ook beschikbaar. Bij het mijden van het projectgebied blijven genoeg vliegroutes beschikbaar. Bovendien zijn slechts enkele dieren passerend of foeragerend waargenomen nabij het huidige projectgebied, waar al sprake is van verlichting, zie Figuur 22. Effecten op vliegroutes door verstoring zijn uitgesloten. • Foerageergebieden: de duinen vormen voor verschillende vleermuissoorten foerageergebied. Foeragerende vleermuizen concentreren zich rond de poelen: hier is de hoeveelheid insecten het grootst.

De poelen liggen buiten de reikwijdte van de toename van verlichting (zie Figuur 20). Effecten op foerageergebieden zijn uitgesloten. Concluderend: effecten op vleermuizen als gevolg van verlichting in de exploitatiefase zijn uitgesloten. Zeezoogdieren Effecten van onderwatergeluid De bijdrage van het nieuwe uitlaatpunt aan de geluidsbelasting onder water is daarom beperkt in vergelijking met de bestaande geluidsbelasting door de al aanwezige schepen op de drukbevaren Noordzee. Omdat de verstoring beperkt is, behouden dieren hun normale gedrag. Effecten van verstoring zijn uitgesloten.

6.4

Samenvatting

Tabel 7 geeft een samenvatting van de soorten en relevante effecten. Een effect is relevant als de soort gevoelig is en het effect optreedt door het project (rood in tabel weergegeven). Tabel 7 Overzicht van de aanwezige beschermde soorten en de gevoeligheid voor een effect (x = gevoelig, - = niet gevoelig) en of het effect optreedt (rood = wel, groen = niet, grijs -= niet relevant).

Soortgroep Broedvogels met jaarrond beschermd nest

Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest

Amfibieën Reptielen Vleermuizen

Soort Buizerd Havik Huismus Ransuil Sperwer Boomklever Ekster Gekraagde roodstaart Grote bonte specht Koekoek Koolmees Pimpelmees Tapuit Torenvalk Witte kwikstaart Zwarte kraai Overige broedvogels Rugstreeppad Zandhagedis Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis

Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020

Doden x x x x x x x x x x x x x x x x x x x

Oppervlakteverlies x x x x x x x x x x x x x x x x x x x

Verstoring x x x x x x x x x x x x x x x x x x x

x

x

x

x x x

x x x

x x x 42 van 68

SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR

Soortgroep

Zeezoogdieren Grondgebonden zoogdieren Dagvlinders

Soort Watervleermuis Gewone zeehond Grijze zeehond Bruinvis Boommarter Wezel Duinparelmoervlinder

Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020

Doden x x x x x x x

Oppervlakteverlies x x x x x x x

Verstoring x x x x x x x

43 van 68

SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR

7

TOETSING

7.1

Inleiding

Tabel 8 geeft een overzicht van de relevante beschermde soorten en de bijbehorende beschermingscategorieën. Een soort is relevant als in het vorige hoofdstuk is vastgesteld dat mogelijk een effect optreedt. Tabel 8 Overzicht van relevante beschermde soorten en bijbehorende beschermingscategorieën.

Beschermingscategorie

Amfibieën

Soort Buizerd Havik Ransuil Sperwer Boomklever Ekster Gekraagde roodstaart Grote bonte specht Koekoek Koolmees Pimpelmees Tapuit Torenvalk Witte kwikstaart Zwarte kraai Overige broedvogels Rugstreeppad

Reptielen

Zandhagedis

Habitatrichtlijnsoort

Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis

Habitatrichtlijnsoort

Grondgebonden zoogdieren

Wezel

Andere soort zonder vrijstelling

Dagvlinders

Duinparelmoervlinder

Andere soort zonder vrijstelling

Soortgroep Broedvogels met jaarrond beschermd nest

Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest

7.2

Vogelrichtlijnsoort

Habitatrichtlijnsoort

Vogelrichtlijnsoorten

Tabel 9 geeft de mogelijke overtredingen van verbodsbepalingen voor Vogelrichtlijnsoorten. Tabel 9 Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.1 ten aanzien van soorten van de Vogelrichtlijn.

Soort Buizerd, havik, ransuil, sperwer Ransuil Boomklever, ekster, koekoek*, koolmees, pimpelmees, torenvalk, witte kwikstaart, zwarte kraai Tapuit Overige broedvogels zonder jaarrond beschermde nest)

Lid 1

Lid 2

Lid 3

Lid 4

X X

Lid 5 X

Als gevolg van: Alle werkzaamheden die leiden tot een aanzienlijke toename van geluid ter plaatse van het nest.

X Verwijderen van vegetatie, alle werkzaamheden die leiden tot een aanzienlijke toename van geluid ter plaatse van het nest.

X

X

X X

X

X

* Deze soort bouwt geen nest, maar legt eieren in de nesten van andere soorten die op de EHC voorkomen

X X

Kappen van bomen, verwijderen van vegetatie, alle werkzaamheden die leiden tot een aanzienlijke toename van geluid ter plaatse van het nest.

Het is verboden om: Lid 1: te doden of te vangen; Lid 2: opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020

44 van 68

SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR

Soort

Lid 1

Lid 2

Lid 3

Lid 4

Lid 5

Als gevolg van:

Lid 3: eieren te rapen en deze onder zich te hebben; Lid 4: opzettelijk te verstoren; Lid 5: het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

De werkzaamheden kunnen leiden tot verstoring van broedende vogels, verstoring en vernieling van nesten en broedsels en het doden van jonge vogels. De verbodsbepaling in art. 3.1, lid 4 is niet van toepassing, als de storing niet van wezenlijk invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende soort (conform art. 3.1, lid 5). Bij broedvogels zonder jaarrond beschermd nest gaat het om algemeen voorkomende soorten, ook in de omgeving van het projectgebied. De soorten zijn niet afhankelijk van het projectgebied voor instandhouding van de populatie. Art. 3.1, lid 4 is daarom niet van toepassing voor deze soorten. Uitzondering hierop is de tapuit: voor deze soort is de landelijke staat van instandhouding als broedvogel zeer ongunstig.16 De tapuit komt in de provincie maar beperkt voor en hoewel de laatste jaren geen sprake is geweest van een aantalsverandering is het aantal sinds 1990 wel sterk afgenomen.17 Voor vogels met een jaarrond beschermd nest is in het volgende tekstkader aangegeven wat de staat van instandhouding is. Voor buizerd, havik en sperwer is de staat van instandhouding gunstig, verstoring van een enkele vogel leidt niet tot achteruitgang van de staat van instandhouding. Dit geldt echter niet voor de ransuil.

Verstoring kan invloed hebben op de staat van instandhouding van deze soort, daarom is mogelijk sprake van overtreding van de verbodsbepaling in lid 4. Staat van instandhouding vogels met jaarrond beschermd nest In de Wnb is geen definitie opgenomen van de staat van instandhouding in het kader van soortbescherming. In de memorie van toelichting18 is hierover het volgende opgenomen: “Het verbod op het storen van vogels ziet alleen op verstoringen die van wezenlijke negatieve invloed zijn op de staat van instandhouding van een vogelsoort in het licht van de doelstellingen als neergelegd in artikel 1 van de Vogelrichtlijn: het duurzaam instandhouden van de populaties van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten.” Dit geeft geen uitsluitsel, hieronder wordt naar de landelijke staat van instandhouding en daarna op meer lokaal (passend bij de populatie van de soort) gekeken. Buizerd: Landelijk is de staat van instandhouding als broedvogel en niet-broedvogel gunstig. 19 De buizerd komt verspreid over de hele provincie voor, maar de dichtheid in de kop van Noord-Holland is lager dan in de rest van de provincie. De dichtheid van broedvogels ligt in de regio tussen de 1 en 10 broedvogels per kilometerhok in de periode 2013-2015.

De trend van de laatste jaren is neutraal20 Havik: landelijk is de staat van instandhouding als broedvogel en niet-broedvogel gunstig.21 De havik komt in de duinen vrij beperkt voor, de dichtheid ligt tussen de 0-3 broedparen per kilometerhok in de periode 2013-2015. Van een echte positieve of negatieve trend is de laatste jaren geen sprake.22 Ransuil: Landelijk is de staat van instandhouding van de broedvogels zeer ongunstig. Voor niet-broedvogels is de staat van instandhouding onbekend.23 De soort komt verspreid door de provincie voor. Hoewel de laatste jaren geen trend is aangetoond, heeft de soort sinds 1990 een dalende trend laten zien.24 Sperwer: Landelijk is de staat van instandhouding als broedvogel en niet-broedvogel gunstig.25 De soort komt verspreid in de omgeving voor met een dichtheid van 1-3 broedvogels per kilometerhok. Voor een trendanalyse zijn onvoldoende gegevens beschikbaar.26

16 https://www.sovon.nl/nl/soort/11460, geraadpleegd op 01-07-2020. 17 https://www.sovon.nl/nl/provincies#euring=11460&prov=NH&lang=nl, geraadpleegd op 01-07-2020. 18 https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20120820/memorie_van_toelichting/document3/f=/vj2rfj7cc9xd.pdf 19 https://www.sovon.nl/nl/soort/2870, geraadpleegd op 01-07-2020. 20 https://www.sovon.nl/provincies#euring=2870&prov=NH&lang=nl, geraadpleegd op 01-07-2020. 21 https://www.sovon.nl/nl/soort/2670, geraadpleegd op 01-07-2020. 22 https://www.sovon.nl/provincies#euring=2670&prov=NH&lang=nl, geraadpleegd op 01-07-2020. 23 https://www.sovon.nl/nl/soort/7670, geraadpleegd op 01-07-2020. 24 https://www.sovon.nl/provincies#euring=7670&prov=NH&lang=nl, geraadpleegd op 01-07-2020. 25 https://www.sovon.nl/nl/soort/2690, geraadpleegd op 01-07-2020. 26 https://www.sovon.nl/provincies#euring=2690&prov=NH&lang=nl, geraadpleegd op 01-07-2020.

Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020

45 van 68

SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR

7.3

Habitatrichtlijnsoorten

Tabel 10 geeft de mogelijke overtredingen aan ten aanzien van Habitatrichtlijnsoorten. Tabel 10 Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.5 ten aanzien van soorten van de Habitatrichtlijn

Soort Gewone dwergvleermuis Rugstreeppad Zandhagedis

Lid 1

Lid 2 X

Lid 3

Lid 4

X

X

X

X

X

X

X

X

Lid 5

Als gevolg van: Verlichting van het pomphuis en het poortgebouw tijdens de aanleg. Bij kolonisatie leiden de werkzaamheden tot effecten op individuen en voorplantingsplaatsen. Verwijderen van vegetatie en vergravingen, vooral in het duingebied.

Het is verboden om: Lid 1: opzettelijk te doden of te vangen; Lid 2: opzettelijk te verstoren; Lid 3: eieren van dieren opzettelijk te vernielen of te rapen; Lid 4: voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; Lid 5: opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

7.4

Andere soorten

Tabel 11 geeft de mogelijke overtredingen van verbodsbepalingen voor Andere soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Tabel 11 Mogelijke overtreding van de verbodsbepalingen van artikel 3.10 lid 1 ten aanzien van Andere soorten

Soort Wezel

a X

Duinparelmoervlinder

X

b X

c

Als gevolg van: Vooral werkzaamheden op die locaties waar vegetatie aanwezig is. Vooral verwijderen van vegetatie als soort incidenteel aanwezig is.

Het is verboden om: a: opzettelijk te doden of te vangen; b: vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen c: opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen

Voor de wezel geldt dat de kans op aanwezigheid beperkt is, maar leefgebieden zijn op de EHC mogelijk wel aanwezig daar waar opgaande vegetatie aanwezig is. Derhalve zijn effecten als doden en vernielen van verblijfplaatsen niet uitgesloten. Voor de duinparelmoervlinder geldt dat alleen effecten zijn voorzien als de soort incidenteel voorkomt. Van aantasting van leefgebieden is geen sprake.

Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020

46 van 68

SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR

8

ECOLOGISCH WERKPROTOCOL

8.1

Inleiding

Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden, is sprake van negatieve effecten op beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). Door de werkzaamheden worden mogelijk verschillende verbodsbepalingen van de Wnb overtreden. In dit hoofdstuk zijn mitigerende maatregelen opgenomen die zorgen dat negatieve effecten op beschermde soorten zoveel mogelijk worden voorkomen. Als het niet volledig mogelijk is om overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen moet bij het bevoegd gezag, provincie Noord-Holland, een ontheffing in het kader van de Wnb worden aangevraagd bij de relevante uitvoeringsdienst: Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (ODNHN).

8.2

Coördinatie

8.2.1

Deskundig ecoloog

Bij verschillende maatregelen genoemd dat deze onder begeleiding van een ecoloog moeten plaatsvinden. Hier wordt telkens een “ecologisch deskundige” bedoeld, zoals door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) wordt toegelicht: “een persoon die in een bepaalde situatie en voor specifieke soorten gevraagd wordt te adviseren en/of begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie.” De persoon moet voldoen aan een van de punten zoals genoemd door RvO: • Afgeronde hbo- of universitaire opleiding, met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie. • Afgeronde mbo-opleiding, met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten. • Werkzaam voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus. • Aantoonbaar actief in op het gebied van de soortenbescherming en is werkzaam of aangesloten bij de volgende Nederlandse organisaties: Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied. • Aantoonbaar actief in op het gebied van de monitoring en/of bescherming.

De uitvoerende partij maakt een werknemer verantwoordelijk voor de coördinatie op het gebied van ecologie tijdens de uitvoeringsfase. Deze medewerker is verantwoordelijk voor het toezicht op het naleven van de richtlijnen en de uitvoering van het ecologisch werkprotocol tijdens de uitvoeringsfase. De coördinatietaken en -verantwoordelijkheden omvatten de totale uitvoeringsduur en alle activiteiten samenhangend met de werkzaamheden.

8.2.2

Borging, toezicht en handhaving

Borging Om effecten op beschermde soorten tijdens de werkzaamheden te voorkomen, is een goede samenwerking, afstemming en coördinatie tussen betrokken partijen vereist. Om de uitvoering van de mitigerende maatregelen te waarborgen, moet tijdens de werkzaamheden te allen tijde worden aangetoond dat gewerkt wordt volgens het ecologisch werkprotocol, waarvan is ook bewezen kan worden dat de werknemers hierop gericht zijn (door middel van deelname aan een toolboxmeeting, zie § 8.2.4). Het werkprotocol is tijdens de werkzaamheden aanwezig op de locatie. Op verzoek moet deze worden getoond aan de daartoe bevoegde toezichthouders of opsporingsambtenaren. Toezicht Regelmatig vindt een controle door een ter zake deskundig ecoloog plaats. Hierbij wordt gekeken of de werkzaamheden daadwerkelijk worden uitgevoerd op de manier als aangegeven in de mitigerende maatregelen. Tijdens de werkzaamheden is ecologische begeleiding beschikbaar. Wanneer tijdens de werkzaamheden twijfel bestaat over de uitvoering of beschermde soorten op een onverwachte plaats worden aangetroffen, moet het mogelijk zijn contact op te nemen met een deskundig ecoloog. Wanneer volgens de ecoloog de werkzaamheden op een locatie in conflict met uitvoering zijn, moet het advies als dwingend worden gezien en moet direct actie worden ondernomen.

Handhaving Wanneer wordt afgeweken van onderliggend ecologisch werkprotocol of de planning of wijze van uitvoering Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020

47 van 68

SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR

van de werkzaamheden worden aangepast, dan is mogelijk sprake van een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb. Bij afwijking van de uitvoeringsperiode, de voorgeschreven middelen of de voorgenomen handelingen is een nieuwe beoordeling noodzakelijk van de effecten op beschermde soorten. Alleen na toestemming van de ecoloog, en indien nodig de ODNHN, is de voorgenomen afwijking toegestaan. Indien niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, kan de ODNHN het werk stilleggen, waarna eerst de situatie hersteld moet worden of de effecten zoveel als mogelijk ongedaan wordt gedaan. Het is mogelijk dat strafrechtelijke sancties worden opgelegd. Daarnaast kan een boete worden opgelegd.

8.2.3

Voorbereiding voorafgaand aan werkzaamheden

Het ecologisch werkprotocol duidt perioden wanneer bepaalde maatregelen moeten worden genomen. Vroegtijdig aan deze activiteiten, moet een deskundige ecoloog worden ingeschakeld om mitigerende maatregelen te begeleiden. De verantwoordelijkheid ligt hier bij de werkvoorbereiders en de directievoering.

8.2.4

Instructie van medewerkers

Toolboxmeeting Voordat de werkzaamheden beginnen op locaties met beschermde soorten wordt een zogenaamde “toolboxmeeting” gehouden. In deze bijeenkomst licht de uitvoerende partij met een deskundig ecoloog de medewerkers voor: op welke manier de werkzaamheden worden uitgevoerd, welke mitigerende maatregelen en faseringen van toepassing zijn, op welke locaties moet rekening worden gehouden met beschermde soorten en ook welke uitgangspunten en grenzen bij de werkzaamheden moeten worden aangehouden. Centraal hierbij staat het ecologisch werkprotocol in dit hoofdstuk en aanvullende maatregelen uit een eventuele ontheffing. Instructie Wanneer nieuwe medewerkers gedurende de uitvoering worden ingezet, worden deze voorafgaand aan de werkzaamheden geïnstrueerd over het bestaan van het ecologisch werkprotocol. Daarbij wordt aangegeven dat niet kan worden afgeweken van de maatregelen die zijn voorgeschreven in het ecologisch werkprotocol.

8.3

Calamiteiten

Het is mogelijk dat naast de beschermde soorten die zijn beschreven in dit rapport, ook “nieuwe” beschermde soorten onverwacht worden aangetroffen op het werk. In dat geval worden de werkzaamheden stilgelegd en contact opgenomen met de ecoloog. Deze maakt een beoordeling van de werkzaamheden en geeft aan wat gedaan moet worden. Wanneer volgens de ecoloog de werkzaamheden op een locatie in conflict met uitvoering zijn, moet het advies als dwingend worden gezien en moet direct actie worden ondernomen.

8.4

Zorgplicht

Naast alle beschermde soorten, komen in het projectgebied ook verschillende soorten voor die niet beschermd zijn of waarvoor geen vrijstelling geldt. Hierbij gaat het om soorten als veldmuis en konijn. Als gevolg van de werkzaamheden worden mogelijk verblijfplaatsen en leefgebied van deze algemeen voorkomende vrijgestelde of niet-beschermde soorten aangetast. Daarnaast worden mogelijk individuen onopzettelijk gedood of verwond. In het kader van de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb) zijn daarom mitigerende maatregelen voorzien, zie Tabel 12.

8.5

Mitigerende maatregelen

Op de volgende pagina zijn per soort(groep) waarvoor mogelijk verbodsbepalingen worden overtreden, de mitigerende maatregelen uitgewerkt. Tabel 12 geeft een overzicht van de maatregelen.

Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020

48 van 68

SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR

Tabel 12 Overzicht mitigerende maatregelen. # Soort Maatregel 1

Alle broedvogels Zandhagedis Tevens voor: Wezel Duinparelmoervlinder Overige soorten

1a

Alle broedvogels Zandhagedis

Alle broedvogels

1b

Zandhagedis

2

Zandhagedis

Bereid de delen van het werkgebied met vegetatie voor op de werkzaamheden door deze gefaseerd ongeschikt te maken voor beschermde soorten. De mogelijkheden voor werkzaamheden buiten de gevoelige periodes zijn beperkt. De gevoelige periodes zijn: • Broedvogels: 15 maart tot 15 juli maar kan eerder beginnen of uitlopen afhankelijk van het weer. • Zandhagedis: voortplantingsperiode: 15 april tot 1 september en winterperiode van 15 september tot 1 april. Bovenstaande betekent dat jaarrond beperkingen gelden. In overleg met de ecoloog kan gekeken worden wat mogelijk is. In principe geldt dat door gefaseerd het projectgebied ongeschikt te maken, effecten op beschermde soorten zoveel mogelijk worden voorkomen en zijn werkzaamheden na het ongeschikt maken voor beschermde soorten op ieder moment uit te voeren. a. Verwijder het merendeel van de vegetatie eerst buiten voortplantingsperiode van zandhagedis en vogels, zie 1a voor meer detaillering. b. Voer vervolgens buiten de winterrustperiode van de zandhagedis grondwerkzaamheden in de duinen uit, zie 1b voor meer detaillering. Begin vervolgens de overige werkzaamheden en blijf het gebied ook ongeschikt houden voor de duur van de werkzaamheden. Aanpassingen op bovenstaande zijn in overleg met ecoloog mogelijk, maar het principe blijft dat leefgebieden op de geschikte momenten ongeschikt worden gemaakt, voordat werkzaamheden beginnen.

Verwijder in de periode 1 september tot 15 maart de aanwezige vegetatie tot 10 cm boven de grond. Voorkom in deze periode dat de bodem wordt aangetast bij uitvoering van deze maatregel vanwege overwintering van de zandhagedis: • Voer geen graafwerkzaamheden uit. • Laat stronken zitten. Maak bij het verwijderen van de vegetatie in de duinen gebruik van materieel dat met de hand bediend wordt, om zo de aanwezigheid van zwaar materieel dat de grond beroerd te beperken. Als dit niet mogelijk is, verwijder vegetatie met de hand. Verwijder in de periode 1 september tot 15 maart de aanwezige vegetatie tot maximaal 10 cm boven de grond.

Verwijder de rest van de vegetatie (inclusief stronken) in de periode 15 april – 15 september. Het is zaak dat de zandhagedis het projectgebied verlaat om zich voort te planten. In de periode tussen het verlaten van winterrustplaatsen en de voortplanting verplaatsen zandhagedissen zich dan naar buiten het projectgebied omdat dit door het ontbreken van niet geschikt is. De periode moet wel in overleg met een ecoloog bepaald worden: als het nog koud is, kan het langer duren voordat de zandhagedis uit winterrust komt. Plaats een scherm langs de locatie van de nieuwe toegangsweg. Hiermee wordt de aanwezigheid van zandhagedissen tijdens aanleg van de weg voorkomen. Eisen van het scherm komen uit het kennisdocumenten van de rugstreeppad en zandhagedis (BIJ12, 2017a; 2017b): “schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het

Locatie

Periode27

Delen van werkgebied met vegetatie in het duingebied

Zie onderdelen a en b, zie ook Tabel 13.

Delen van werkgebied in de duinen met vegetatie

Voer maatregel uit in periode 1 september tot 15 maart.

Delen van werkgebied buiten de duinen met vegetatie Delen van werkgebied in de duinen met vegetatie Zie Figuur 24.

Voer maatregel uit in periode 1 september tot 15 maart. Voer maatregel uit vanaf 1 april in overleg met ecoloog. Na grondwerkzaamheden.

27 Alle aangegeven periodes zijn indicatief en afhankelijk van weersomstandigheden. De ecoloog heeft bij het bepalen of een maatregel wel of niet genomen moet worden het laatste woord.

Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020

49 van 68

SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR

#

Soort

Locatie

Periode27

Delen van werkgebied waar werkzaamhe den die hiervoor genoemd zijn

Beperking voor periode 15 maart tot 15 juli.

Polder

Alle werkzaamheden in periode 15 maart tot 15 juli.

Bij (start van) werkzaamheden in het broedseizoen of als de werkzaamheden langer dan twee werkdagen hebben stilgelegen: laat een ecologisch deskundige voorafgaand aan de werkzaamheden een veldcontrole uitvoeren in het projectgebied om na te gaan of zich broedende vogels ophouden in het projectgebied. Bij aanwezigheid van broedende vogels wordt in overleg met de ecoloog bepaald welke werkzaamheden wel en welke geen doorgang kunnen vinden. Mogelijk moet het nest worden afgezet. Beperk het gebruik van kunstlicht na zonsondergang en voor zonsopkomst en voorkom uitstraling zoveel mogelijk: • Gebruik het absolute minimum aan vereiste verlichting nabij het pomphuis. • Scherm verlichting af en richt de lampen naar de grond om uitstraling naar de omgeving te beperken tot een minimum (alleen het werkgebied wordt verlicht). Dit geldt zeker voor uitstraling naar het pomphuis en poortgebouw, uitstraling naar deze locaties moet voorkomen worden.

Overal

Alle werkzaamheden in periode 15 maart tot 15 juli.

Nabij het pomphuis en poortgebouw

Tijdens de werkzaamheden geldt deze maatregel van 1 april tot 1 november

Zie Figuur 25

Eenmalige actie rond 1 mei van het eerste jaar van uitvoering, maar afhankelijk van wat de ecoloog adviseert.

Overal

Voer maatregel uit in periode 15 april tot 1 oktober.

Zie maatregel 2 en 6

Als schermen aanwezig zijn.

Maatregel gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Controleer dit regelmatig op kieren en op overhangende vegetatie”. Voer de volgende werkzaamheden uit buiten het broedseizoen om te voorkomen dat broedende vogels verstoord worden: • Plaatsen van damwanden; • Plaatsen van diepwanden; • Storten van onderwaterbeton; • Aanbrengen van compressielaag. Als voorgaande niet mogelijk is: • Voer de werkzaamheden geluidsarm uit zodat de effecten beperkt worden, in dat geval moet opnieuw beoordeeld worden of de werkzaamheden in dat geval in het broedseizoen kunnen beginnen. • Begin (deel van de) voorgenoemde werkzaamheden in het broedseizoen en werk onafgebroken door in het broedseizoen totdat de werkzaamheden zijn afgerond. Ook is het mogelijk om de werkzaamheden aansluitend achter elkaar uit te voeren. • Voer de werkzaamheden in de polder uit buiten het broedseizoen. • Als het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren: begin de werkzaamheden voorafgaand in het broedseizoen en werk onafgebroken door in het broedseizoen totdat de werkzaamheden zijn afgerond.

3

Alle broedvogels

4

Alle broedvogels

5

Alle broedvogels

6

Vleermuizen

7

Rugstreeppad

8

Rugstreeppad

Voorkom dat rugstreeppadden tijdens de werkzaamheden het projectgebied koloniseren: zet het gebied tussen EHC en de poelen af met een scherm (zie maatregel 1c voor specificaties). Doe dit rond 1 mei in het eerste jaar dat werkzaamheden worden uitgevoerd (ecoloog bepaalt geschikt moment), nadat de dieren het voortplantingswater hebben bereikt vanuit het winterhabitat. Maar hiermee moet niet te lang worden gewacht, want er moet worden voorkomen dat rugstreeppadden terugtrekken vanuit voortplantingswater naar het projectgebied. Het meest geschikte moment is afhankelijk van het weer: de ecoloog bepaalt het geschikte moment. Het scherm moet zodanig geplaatst en beheerd worden dat deze de functie ten allen tijden kan vervullen. Het scherm blijft staan tot de werkzaamheden zijn afgerond. Voorkom ondiepe plassen in het projectgebied. Dit is in het bijzonder van belang na regenbuien.

9

Zandhagedis Rugstreeppad

Controleer aanwezige schermen op kieren en op overhangende vegetatie. Dit moet minstens één keer per week worden gedaan en daarnaast na regenbuien om te zien of geen grond onder het scherm is weggespoeld.

Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020

50 van 68

SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR

#

Soort

Maatregel

Locatie

Periode27

10

Hele jaar

Overal

Hele jaar

Overal

Hele jaar

13

Konijn (zorgplicht)

Gebruik het materieel deskundig en voorkom dat meer schade aan de omgeving wordt veroorzaakt dan nodig is voor het uitvoeren van de werkzaamheden. Voer de werkzaamheden zodanig uit dat soorten niet worden ingesloten. Sluit dieren niet in en blokkeer niet de vluchtmogelijkheden naar de omgeving. Voer de werkzaamheden bij verblijfplaatsen (holen) van konijn langzaam uit. Begin aan de rand van de verblijfplaats met werkzaamheden en werk langzaam naar de verblijfplaatsen toe zodat dieren kunnen vluchten en niet bedolven raken. Voer de werkzaamheden bij verblijfplaatsen (holen) van konijnen overdag uit.

Overal

12

Alle soorten (zorgplicht) Alle soorten (zorgplicht) Konijn (zorgplicht)

Overal

Hele jaar

11

Tabel 13 Tijdschema van de maatregel 1. Onderstaande geldt alleen voor die delen van het werkgebied met vegetatie in het duingebied. Maatregel

aug

sep

okt

nov

dec

jan

feb

maa

apr

mei

jun

jul

aug

sep

*

*

*

*

*

okt

nov

dec

jan

feb

maa

apr

mei

1a 1b Werkzaamheden

* Werkzaamheden kunnen plaatsvinden als de werkzaamheden rond 1b zijn uitgevoerd en voldoende zekerheid is dat zandhagedissen het werkgebied hebben verlaten.

Ad maatregel 1b en 2: Bij het opstellen van maatregelen is ook het wegvangen afvangen van zandhagedissen en het grootschalig afschermen overwogen. Beide maatregelen zijn echter niet voorzien: • Het wegvangen van individuen is niet voorzien om de volgende reden: het bouwterrein is tijdens de werkzaamheden ongeschikt. Door het nemen van maatregelen trekken zandhagedissen zich terug in geschikte gebieden. Het grootste deel van het duingebied vormt geschikt leefgebied. Derhalve is het actief vangen van zandhagedissen niet voorzien. Bovendien is het bij het vangen noodzakelijk om het projectgebied ook effectief af te schermen. Dit kan echter niet: zie volgende punt. • Terugkeer van individuen wordt voorkomen door het ongeschikt houden het werkterrein tijdens de werkzaamheden. Het plaatsen van schermen is overwogen, maar dit is niet gedaan om de volgende redenen: • Geschikte leefgebieden van zandhagedissen liggen verspreid in de omgeving. Individuen kunnen eigenlijk van alle kanten komen. • De opzet van het terrein (ligging van andere gebouwen en wegen die continu gebruikt worden) is dusdanig dat het isoleren van het werkterrein niet mogelijk is. Bij een poging dit toch te doen zouden aanzienlijke lengtes schermen moeten worden geplaatst.

Maar aangezien overal ook vegetatie aanwezig is (die over het scherm kan hangen en het in het kader van de aanwezige natuurwaarden ook niet wenselijk is om overal langs het scherm de vegetatie te verwijderen) en in de duinen mul zand aanwezig is, is permanente effectiviteit van een scherm over grote lengtes niet te garanderen.

Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020

51 van 68

SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR

Figuur 24 Globale locatie schermen voor zandhagedis (blauwe onderbroken lijn). De afstand tot de weg moet dusdanig zijn dat het scherm niet per ongeluk beschadigd kan raken. Verder is het belangrijk dat het scherm lang genoeg doorloopt om de kans op “omlopende” dieren te beperken.

Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020

52 van 68

SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR

Figuur 25 Luchtfoto van het zuidelijk deel van de EHC met de locatie het scherm voor de rugstreeppad weergegeven. De locatie is bij benadering, maar het is wel belangrijk dat het aangegeven tracé over de hele lengte afgesloten wordt om trek van rugstreeppadden vanuit het water naar het projectgebied te voorkomen.

Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020

53 van 68

SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR

8.6

Effect van de mitigerende maatregelen

Met inachtneming van de mitigerende maatregelen zoals deze in paragraaf 8.5 zijn uitgewerkt, wordt overtreding van een aantal verbodsbepalingen voorkomen. Soort(groep)

Maatregelen

Alle broedvogels

1a, 3, 4, 5

Rugstreeppad

7, 8, 9

Zandhagedis

1a, 1b, 2, 9

Vleermuizen

7

Wezel

1

Duinparelmoervlinder

1

Alle

1, 10 t/m 13

Effect maatregelen op overtreden verbodsbepalingen Effecten worden volledig voorkomen omdat leefgebieden ongeschikt worden gemaakt zodat dieren uitwijken of werkzaamheden niet plaatsvinden als vogels broeden. Vogels hebben op deze manier de mogelijkheid om uit te wijken. Overtreding van Artikel 3.1, lid 1, 2 en 4 wordt voorkomen. Door de maatregelen worden vooral effecten op de nieuwe voortplantingsplaatsen voorkomen. Ook effecten op eieren worden voorkomen. Het doden van een enkel exemplaar is echter niet volledig te voorkomen, maar alles wat redelijkerwijs mogelijk is om doden te voorkomen is gedaan. Daarmee is geen sprake meer van opzettelijk doden. Overtreding van artikel 3.5, lid 1 tot en met 4 wordt voorkomen. Door de maatregelen worden vooral effecten op de voortplantingsplaatsen en eieren voorkomen door dieren in de gunstige periode uit het leefgebied te jagen. Bovendien wordt alles wat redelijkerwijs mogelijk is gedaan om doden te voorkomen. Daarmee is geen sprake meer van opzettelijk doden. Overtreding van artikel 3.5, lid 1, 2 en 3 wordt voorkomen. Maar marginale leefgebieden van de zandhagedis worden tijdelijk verkleind en hier blijft sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Effecten worden volledig voorkomen omdat verstoring wordt beperkt, in bijzonder op de locatie van de verblijfplaatsen. Overtreding van artikel 3.5, lid 2 wordt voorkomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14683094/1