Achtergrondrapport Natuur Bijlage 2 Soortenbeschemingstoets
Tekst van het document
ACHTERGRONDRAPPORT NATUUR
BIJLAGE 2 SOORTENBESCHERMINGSTOETS In deze bijlage zijn een rapport en memo bijgevoegd: • Rapport met titel “Soortenbeschermingstoets PALLAS-reactor” met kenmerk D10007017:143, d.d. 21 oktober 2020. • Memo met titel “Aanvullende gegevens OD.326535 (ontheffingsaanvraag Wnb Pallas)” met kenmerk D10021939:37, d.d. 8 februari 2021.
Onze referentie: D10016035:100 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public
25 van 31
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR Toetsing aan de Wet natuurbescherming Stichting Voorbereiding PALLAS-Reactor
21 OKTOBER 2020
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
Contactpersoon GIJS KOS
Arcadis Nederland B.V. Postbus 1018 5200 BA 'sHertogenbosch Nederland
Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
2 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
INHOUDSOPGAVE 1
2
INLEIDING
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Methodiek
6
1.3
Leeswijzer
6
PROJECTBESCHRIJVING
8
2.1
Inleiding
8
2.2
Wat is de PALLAS-reactor?
8
2.3
Inrichting
9
2.3.1
Huidige situatie
9
2.3.2
Toekomstige inrichting
9
2.4
Projectfasen
11
2.5
Realisatiefase
12
2.5.1
Inrichting tijdens realisatiefase
12
2.5.2
Activiteiten realisatiefase
13
2.6
Exploitatiefase
15
2.7
Overige uitgangspunten
15
3
JURIDISCH KADER: WET NATUURBESCHERMING
17
4
AFBAKENING
18
4.1
Inleiding
18
4.2
Aard en reikwijdte van mogelijke effecten
19
4.2.1
Verwonden en doden
19
4.2.2
Oppervlakteverlies
19
4.2.3
Mechanische effecten
20
4.2.4
Verstoring
20
4.2.4.1
Aard van het effect
20
4.2.4.2
Reikwijdte van het effect
21
4.3
Samenvatting
28
5
AANWEZIGHEID BESCHERMDE SOORTEN
Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
29 3 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
6
7
8
9
EFFECTBESCHRIJVING
34
6.1
Inleiding
34
6.2
Effecten in realisatiefase
34
6.2.1
Verwonden en doden
34
6.2.2
Oppervlakteverlies
35
6.2.3
Verstoring
39
6.3
Effecten in overgangs- en exploitatiefase
41
6.3.1
Oppervlakteverlies
41
6.3.2
Verstoring
41
6.4
Samenvatting
42
TOETSING
44
7.1
Inleiding
44
7.2
Vogelrichtlijnsoorten
44
7.3
Habitatrichtlijnsoorten
46
7.4
Andere soorten
46
ECOLOGISCH WERKPROTOCOL
47
8.1
Inleiding
47
8.2
Coördinatie
47
8.2.1
Deskundig ecoloog
47
8.2.2
Borging, toezicht en handhaving
47
8.2.3
Voorbereiding voorafgaand aan werkzaamheden
48
8.2.4
Instructie van medewerkers
48
8.3
Calamiteiten
48
8.4
Zorgplicht
48
8.5
Mitigerende maatregelen
48
8.6
Effect van de mitigerende maatregelen
54
VOORWAARDEN VOOR ONTHEFFING
55
9.1
Ontheffing en belang
55
9.2
Andere bevredigende oplossing
55
9.3
Staat van instandhouding
56
10 CONCLUSIE
57
GERAADPLEEGDE BRONNEN
59
Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
4 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
BIJLAGEN BIJLAGE A : WET NATUURBESCHERMING: SOORTBESCHERMING
60
BIJLAGE B : INVENTARISATIE BESCHERMDE SOORTEN
63
BIJLAGE C : BEPALING HYDROLOGISCH E EFFECTEN
64
BIJLAGE D : BEREKENING GELUIDSBELASTING
65
BIJLAGE E : BEREKENING VERLICHTING
66
BIJLAGE F : THERMISCHE EFFECTEN KOELWATER
67
COLOFON
68
Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
5 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding
De Stichting Voorbereiding PALLAS-reactor, verder PALLAS genoemd, heeft het voornemen om een multifunctionele nucleaire reactor te realiseren, die geschikt is voor het produceren van medische isotopen, industriële isotopen en het uitvoeren van nucleair technologisch onderzoek. Deze reactor, verder de PALLAS-reactor genoemd, dient ter vervanging van de huidige Hoge Flux Reactor (HFR) in Petten, die in 2020 59 jaar operationeel is en tegen het einde van zijn economische levensduur loopt. De nieuwe PALLAS-reactor wordt gebouwd in duingebied. Het duingebied vormt leefgebied voor verschillende beschermde soorten. Bij effecten op beschermde soorten is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) een benodigd besluit. Voor deze ontheffing is een beoordeling nodig, op grond waarvan het bevoegde gezag (het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland) kan vaststellen dat realisatie en exploitatie van de PALLAS-reactor niet leidt tot achteruitgang van de staat van instandhouding van populaties van beschermde soorten. Deze soortenbeschermingstoets geeft invulling aan deze beoordeling. Naast deze soortenbeschermingstoets is een passende beoordeling opgesteld (Arcadis, 2020) voor de beoordeling van de effecten op Natura 2000-gebieden. Het aspect gebiedsbescherming wordt niet behandeld in deze soortenbeschermingstoets.
1.2
Methodiek
In het rapport worden een aantal stappen gezet om te komen tot een conclusie ten aanzien van beschermde soorten en de mogelijkheid om hiervoor een ontheffing te verlenen: 1. Projectbeschrijving: beschrijving van de voorgenomen activiteit: de realisatie en de exploitatie van de PALLAS-reactor. Uitgewerkt is wat de PALLAS-reactor is, hoe het projectgebied ingericht wordt, op welke wijze de PALLAS-reactor en bijbehorende faciliteiten worden gerealiseerd, en op welke wijze de PALLAS-reactor wordt geëxploiteerd. 2. Afbakening van effecten: selectie van type effecten dat op voorhand op basis van het project te verwachten is en bepaling van de maximale ruimtelijke reikwijdte van deze effecten. De uitkomsten van deze stap bepalen de onderzoeksopgave van deze studie en de omvang van het studiegebied voor de verschillende typen effecten. 3. Aanwezigheid van beschermde soorten: beschrijving van de aanwezigheid van beschermde soorten binnen de reikwijdte van mogelijke effecten. 4. Effectbeschrijving: beschrijving van de effecten van realisatie en exploitatie op beschermde soorten die voorkomen binnen de reikwijdte van de effecten. 5. Toetsing aan Wet natuurbescherming: effectbeoordeling in de vorm van een toetsing van de verwachte effecten aan de verbodsbepalingen van de Wnb. 6.
Ecologisch werkprotocol: beschrijving van mitigerende maatregelen om effecten op beschermde soorten te voorkomen. Ook wordt gekeken of hiermee overtreding van verbodsbepalingen te voorkomen is. 7. Informatie voor ontheffing: voor de soorten waarvoor overtreding van verbodsbepalingen niet te voorkomen is, wordt gekeken of ook aan de voorwaarden voor een ontheffing wordt voldaan. 8. Tot slot de conclusie waarin wordt samengevat en een oordeel wordt gegeven over de vergunbaarheid in het kader van de Wet natuurbescherming, aspect soortbescherming.
1.3
Leeswijzer
De inhoud van deze Soortenbeschermingstoets is als volgt: • Hoofdstuk 2: Projectbeschrijving (stap 1 vorige paragraaf). • Hoofdstuk 3: Kort juridisch kader van de Soortenbeschermingstoets. • Hoofdstuk 4: Afbakening van effecten (stap 2 vorige paragraaf). • Hoofdstuk 5: Aanwezigheid van beschermde soorten (stap 3 vorige paragraaf). • Hoofdstuk 6: Effectbeschrijving (stap 4 vorige paragraaf). • Hoofdstuk 7: Toetsing aan Wet natuurbescherming (stap 5 vorige paragraaf). • Hoofdstuk 8: Ecologisch werkprotocol (stap 6 vorige paragraaf). • Hoofdstuk 9: Informatie voor ontheffing (stap 7 vorige paragraaf). • Hoofdstuk 10: Conclusie (stap 8 vorige paragraaf). Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
6 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
• • • • • •
Bijlage A: Uitgebreider kader Wet natuurbescherming aspect soortbescherming Bijlage B: Inventarisatierapport van beschermde soorten. Bijlage C: Bepaling van de hydrologische gevolgen. Bijlage D: Bepaling van de geluidsbelasting. Bijlage E: Berekening van de verlichtingscontour van 0,1 lux voor de exploitatiefase. Bijlage F: Berekening van de thermische effecten van koelwater.
Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
7 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
2
PROJECTBESCHRIJVING
2.1
Inleiding
In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van de activiteiten rond bouw- en exploitatie van de PALLASreactor en bijbehorende faciliteiten. Deze activiteiten vormen het uitgangspunt voor de effectbeschrijving en toetsing in dit rapport.
2.2
Wat is de PALLAS-reactor?
Aard en doel van de reactor De PALLAS-reactor wordt een pool-type onderzoeksreactor. Bij dit ontwerp is de reactorkern, bestaande uit splijtstofelementen en regelstaven, gelegen in een tank die is aangesloten op een koelsysteem, maar die ook een open verbinding heeft met een waterbassin, zie Figuur 1.
Figuur 1: Schematische weergave pool-type reactor
De PALLAS-reactor wordt voornamelijk gebruikt voor medische isotopenproductie. Daarnaast zullen in de reactor in beperkte schaal industriële isotopen worden gemaakt, bijvoorbeeld isotopen om naden in pijpleidingen te controleren. Ook speelt de reactor een rol in onderzoek op het gebied van kernenergie.
Onderdelen De PALLAS-reactor en faciliteiten zijn onder te verdelen in: • Het nucleaire eiland met: Reactorgebouw (afmetingen: maximaal 63 meter bij 43,5 meter, 24 meter boven het maaiveld bij oplevering en 17 meter onder maaiveld) met logistiek gebouw (lager en komt als een L om het reactorgebouw te liggen). Gebouw voor ondersteunende diensten (Supportgebouw). • Pompstation voor secundaire koeling (“SCS building”) met watertoren (surgetower) en behorende infrastructuur. • Kantoorgebouw. • Stikstofgebouw geïntegreerd met onderstation elektriciteit. • Parkeerplaats. • Onderdelen van de secundaire koeling buiten de Energy Health Campus (EHC) 1: innameconstructies aan en filterhuis nabij het Noordhollandsch Kanaal, leidingen en uitlaatpunt in de Noordzee.
1 Voorheen OLP, zie voor meer informatie https://nhn.nl/project/olp-petten/.
Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
8 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
2.3
Inrichting
2.3.1
Huidige situatie
De locatie voor de PALLAS-reactor ligt binnen de EHC (Energy and Health Campus, voormalige Onderzoekslocatie Petten, OLP). Figuur 2 laat de huidige situatie op de EHC zien. De EHC bestaat uit een bedrijventerrein in duingebied. Bestratingen en gebouwen worden afgewisseld met duinvegetaties.
Figuur 2: Luchtfoto van de huidige situatie. Bron: https://maps.noord-holland.nl/WebViewer/index.html?viewer=nbp. Het projectgebied is aangegeven met een oranje lijn.
2.3.2
Toekomstige inrichting
Inrichting binnen EHC In Figuur 3 is de inrichting van het PALLAS-terrein op de EHC weergegeven.
Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
9 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
Reactorgebouw Parkeerplaats
Kantoorgebouw
Support gebouw
Logistiek gebouw
Figuur 3: Impressie van de inrichting van het terrein op de EHC (bron: Ichos).
Inrichting buiten EHC De volgende afbeeldingen laten de ligging en de inrichting zien van de onderdelen die buiten de EHC zijn gelegen. Figuur 4 laat het tracé van de koelwaterleidingen zien.
Figuur 4: Koelwaterleidingentracé. De rode onderbroken lijn geeft het te boren deel aan, de paarse onderbroken lijn het deel dat met open ontgraving wordt aangelegd. Aan het meest oostelijke uiteindelijke komt het filterhuis met innameconstructies en aan de meest westelijke uiteinde het uitlaatpunt 650 meter uit de Rijksstrandpalenlijn (RSP).2
Figuur 5 laat schematisch zien wat de relatie is tussen het filterhuis aan het Noordhollandsch Kanaal en het pomphuis op de EHC.
2 De RSP wordt door Rijkswaterstaat gehanteerd om de bodemligging tegen af te zetten.
Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
10 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
Figuur 5: Schematische weergave zijaanzicht van het pomphuis op de EHC en van het filtergebouw met inlaatconstructie bij het Noordhollandsch kanaal.
Figuur 6 laat schematisch de uitlaat in de Noordzee zien.
Figuur 6: Schematische weergave van de uitlaat in de Noordzee. Het uitlaatpunt ligt op -7 meter NAP, 2 meter boven de zeebodem.
2.4
Projectfasen
Het realiseren en bedrijven van de PALLAS-reactor is op te delen in een aantal projectfasen: de realisatiefase, de overgangsfase en de exploitatiefase. Realisatiefase In deze fase worden de PALLAS-reactor, bijbehorende systemen en de bijbehorende infrastructurele aanpassingen gerealiseerd. De realisatiefase duurt in totaal ongeveer zes jaar en op hoofdlijnen worden de volgende activiteiten uitgevoerd: 1. Inrichting Lay Down Area (LDA, dit is het tijdelijke bouwterrein voor opslag van benodigd materieel en materiaal) met tijdelijke toegangsweg. 2. Constructie secundaire koeling. 3. Bouwkuip, fundering en constructie reactorgebouw. 4. Constructie gebouwen, installatie en infrastructuur. 5. Afronding LDA en inrichting terrein. 6. Testen.
Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
11 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
Overgangsfase Zodra de PALLAS-reactor gereed is voor exploitatie, is het waarschijnlijk dat de HFR haar activiteiten afbouwt. Het moment van uitfasering van de HFR is nog niet bekend, dus er zal sprake zijn van een situatie waarin beide reactoren in bedrijf zijn. Exploitatiefase In deze fase is de PALLAS-reactor in bedrijf genomen.
2.5
Realisatiefase
2.5.1
Inrichting tijdens realisatiefase
Tijdens de realisatiefase is sprake van een inrichting van het werkterrein, de zogenoemde Lay Down Area, (hierna LDA) met opslag van zand en grond en aanleg van halfverharding, afvoer van regenwater, parkeerplaatsen en tijdelijke voorzieningen. Verdere activiteiten bestaan uit het graven van bouwputten en de aanleg van de tijdelijke toegangsweg. In de volgende afbeeldingen is aangegeven welke veranderingen zijn voorzien in en rond het projectgebied. Figuur 7 geeft de ligging van het werkgebied op en rond de EHC.
Figuur 7: Ligging LDA (oranje) en tijdelijke toegangsweg (grijs).
Figuur 8: Verplaatsing van zand in het projectgebied (grondstromenplan). Rood geeft aan waar zand wordt afgegraven, groen waar zand wordt aangebracht. De onderbroken, paarse lijn geeft het totale werkgebied aan waar grondverzet mogelijk is. Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
12 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
De werkzaamheden gaan gepaard met vergravingen. Het plaatsen van damwanden voorkomt dat buiten het werkgebied grote delen van de aanwezige Zijperzeedijk en duinen moeten worden afgegraven. In Figuur 8 is met een onderbroken, paarse lijn het totale werkgebied aangegeven waar grondverzet mogelijk is. Figuur 9 laat de situatie nabij het Noordhollandsch Kanaal zien. De werkzaamheden zijn voorzien binnen de paarse, onderbroken lijn: tussen de uittredepunten van de koelleidingen en het Noordhollandsch Kanaal en de berm 1200 meter langs de Parallelweg naar het zuiden, waar de koelwaterleiding wordt uitgelegd.
Uitlegtracé (en daarmee werkgebied) loopt nog 1100 meter door
↓
Figuur 9: Schematische weergave van de situatie bij de aanleg van de koelleiding nabij het Noordhollandsch Kanaal. Vanaf de uittredepunten tot aan de N9 worden de leidingen met een open ontgraving neergelegd. Onder de N9 wordt doorgeboord. Het uitlegtracé is langs een afstand van ongeveer 1200 meter naar het zuiden langs de Parallelweg gelegen. Uitgangspunt is dat werkzaamheden binnen de onderbroken, paarse lijn plaatsvindt.
2.5.2
Activiteiten realisatiefase
Figuur 10 geeft een overzicht van de activiteiten van de realisatiefase. Voor de realisatie zijn de volgende uitgangspunten relevant: • Voor de aanleg van de tijdelijke toegangsweg is het nodig om een deel van de Zijperzeedijk af te graven. Om het hoogteverschil te overbruggen worden langs de weg damwanden aangebracht. Dit beperkt de afgraving van het aangrenzende duin. • De tijdelijke toegangsweg neemt voor de werkzaamheden de functie over van de huidige toegangsweg naar de EHC, die verder naar het zuidwesten is gelegen. De tijdelijke toegangsweg heeft geen aantrekkende werking op verkeer in exploitatiefase. • De leidingen voor het secundaire koelingssysteem worden voor een deel door een open ontgraving uitgevoerd en een deel door een boring (zie Figuur 4). De boorinstallatie staat op de EHC. De leidingen wordt vervolgens bij het filterhuis of Noordzee uitgelegd en daarna het boorgat ingetrokken richting de EHC. Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
13 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
• •
In de constructie van de bouwput voor de reactor worden groutankers aangebracht. Alle verdiepte gebouwen worden zonder bemaling van het grondwater aangelegd.
Figuur 10: De verschillende bouwactiviteiten van de realisatiefase. Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
14 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
• • •
•
• •
• •
Alle funderingspalen op de EHC worden geboord en niet geheid. Op de site komt geen betonfabriek, alle beton wordt aangevoerd. Door de grondwaterstroming op de locatie is het nodig om ten westen van het gerealiseerde reactorgebouw twee drains te plaatsen op een diepte van circa 0,0 m NAP, en ten oosten een infiltratiedrain. Dit is nodig om het huidige grondwaterniveau te handhaven. Met uitzondering van het reactorgebouw worden de overige gebouwen op gangbare wijze gebouwd met materialen als staal, beton, hout, glas en steen. Toepassing van geprefabriceerde elementen is een optie. Nutsvoorzieningen worden op gangbare wijze uitgevoerd door ingraven van benodigde buisleidingen en kabels. Wegen, verhardingen en parkeerplaatsen worden eveneens op gangbare wijze aangelegd d.m.v. asfalt of steenverhardingen. Daarnaast worden hekwerken, verlichting, bewakingscamera´s en signalering aangebracht. Het verkeer tijdens de realisatiefase bestaat uit vrachtverkeer ten behoeve van de aan- en afvoer van bouwmateriaal en het personenverkeer ten behoeve van de werknemers. Voor de werkzaamheden worden verschillende vrachtwagens ingezet. Hierbij wordt uitgegaan van de volgende categorieën: • Zware motorvoertuigen: grote vrachtwagens/dumpers. • Middelzwaar voertuigen: middelgrote vrachtwagens. • Lichte motorvoertuigen: autobusjes. Materieel kan zich vrij verplaatsen binnen het projectgebied.
Buiten het projectgebied wordt gebruik gemaakt van bestaande infrastructuur en een tijdelijke toegangsweg vanaf de N502 (Westerduinweg). Er wordt zeven dagen per week overdag gewerkt, met een maximale duur van 12 uur (inclusief opstarten en afsluiten motoren en installaties). Werkzaamheden kunnen jaarrond plaatsvinden.
2.6
Exploitatiefase
In deze paragraaf zijn voor natuur de relevante activiteiten van de PALLAS-reactor omschreven. Zowel in de overgangs- als de exploitatiefase zijn de activiteiten van de PALLAS-reactor gelijk, het verschil tussen overgang en exploitatie is dat in de overgangsfase de HFR ook nog actief is. Reactor en bijbehorende faciliteiten Ten aanzien van de reactor en bijbehorende faciliteiten zijn de volgende zaken relevant tijdens de exploitatie: • De te realiseren gebouwen worden niet aangesloten op het aardgasnet (art 23.3 onder i van het bestemmingsplan “PALLAS-reactor”). • Dagelijks vinden verkeersbewegingen plaats van het personeel en wordt materiaal aan- en afgevoerd met vrachtwagens. Binnen het projectgebied komen ongeveer 250 parkeerplaatsen. Secundaire koeling Ten aanzien van de secundaire koeling zijn de volgende zaken relevant tijdens de exploitatie: • Onttrekking en lozing zijn maximaal 3.00 m3/uur. • Het ontwerp maakt een visretoursysteem overbodig: voor de inlaat komt een grof inlaatscherm. • Aan het koelwater wordt in het filterhuis gedoseerd vrij chloor toegevoegd om biologische aangroei in het koelsysteem te voorkomen. Dit wordt gedaan door electrolyse van zout. • Het water komt van het filterhuis naar de EHC door vrij verval. • Het water komt van de EHC via de reactor naar de Noordzee door actief verpompen. • Bij lozing is het water maximaal 40 °C en incidenteel 45°C.
2.7
Overige uitgangspunten
De volgende algemene uitgangpunten worden gehanteerd bij het project: • De sloop van bebouwing maakt geen onderdeel uit van dit project. De sloop van gebouwen heeft al plaatsgevonden of is afgerond als met de aanleg van het bouwterrein wordt begonnen. • Tijdens de werkzaamheden vindt geen bronbemaling plaats. Alleen lek- en regenwater uit bouwputten wordt weggepompt. • Tijdens de realisatiefase wordt verlichting gericht op de bouwplaats, op een dusdanige manier dat uitstraling naar omgeving zoveel mogelijk beperkt blijft. Dit kan worden gedaan door het aanbrengen van Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
15 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
• •
kappen en verlichting op palen niet te hoog te plaatsen. Het is de bedoeling om alleen de bouwplaats en niet de omgeving te verlichten. Binnen de aangegeven projectbegrenzingen is het mogelijk dat de huidige situatie verdwijnt en niet meer wordt hersteld, tenzij dit expliciet is aangegeven in de beschrijving. Voor de realisatie van de PALLAS-reactor is het consortium ICHOS gekozen dat bestaat uit het Argentijnse Invap en het Nederlandse TBI. ICHOS bouwt zowel het Nuclear Island als de OPSgebouwen. Zij is verantwoordelijk voor het ontwerp en de uitvoering. PALLAS treedt op als opdrachtgever met controlerende taken tijdens de het ontwerp en de realisatie op het gebied van voortgang, kosten, veiligheid, security en kwaliteitszorg. Na afronding van de realisatie wordt de PALLAS-reactor geëxploiteerd door (een) nader te bepalen private partij(en).
Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
16 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
3
JURIDISCH KADER: WET NATUURBESCHERMING
In dit hoofdstuk is een korte beschrijving van het juridisch kader gegeven. Een meer uitgebreide beschrijving van het wettelijk kader is opgenomen in Bijlage A. De soortbescherming van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van in het wild voorkomende planten en dieren. De Wnb kent drie verschillende beschermingscategorieën: • Vogelrichtlijnsoorten. • Habitatrichtlijnsoorten. • Andere soorten. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en beschermde planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld. Daarnaast is het niet toegestaan om de directe leefomgeving van beschermde soorten, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. Dit is opgenomen in Artikel 3.1 van de Wnb voor de Vogelrichtlijnsoorten, Artikel 3.5 van de Wnb voor de Habitatrichtlijnsoorten en Artikel 3.10 van de Wnb voor de Andere soorten. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren, wat is opgenomen in de algemene zorgplicht in Artikel 1.11 van de Wnb. De provincies en het Rijk hebben in haar verordeningen uit de lijst van ‘Andere soorten’ diersoorten aangewezen waarvoor een vrijstelling geldt en geen ontheffing van verbodsbepalingen voor hoeft te worden aangevraagd bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Deze lijst met vrijgestelde soorten is per provincie verschillend. Voor de provincie Noord-Holland zijn deze opgenomen in de ‘Verordening vrijstellingen soorten NoordHolland’.3 Het gaat hierbij om de volgende soorten: • Aardmuis • Bosmuis • Dwergmuis • Dwergspitsmuis • Egel • Gewone bosspitsmuis • Haas • Huisspitsmuis • Konijn • Ondergrondse woelmuis • Ree • Rosse woelmuis • Tweekleurige bosspitsmuis • Veldmuis • Vos • Woelrat • Bruine kikker • Gewone pad • Kleine watersalamander • Meerkikker • Middelste groene kikker Voor beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, moet -wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt- een ontheffing worden aangevraagd wanneer een handeling wordt uitgevoerd waardoor een of meerdere verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb voor respectievelijk Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en Andere soorten worden overtreden. Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af of aan de voorwaarden wordt voldaan. Deze voorwaarden zijn: • Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. • Het project is noodzakelijk vanwege wettelijk belang (relevante belangen verschillen voor beschermingscategorieën). • De staat van instandhouding van de soort wordt niet aangetast.
3
Besluit van Provinciale Staten van Noord-Holland van 3 oktober 2016 tot vaststelling van de Verordening vrijstellingen soorten NoordHolland. Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
17 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
4
AFBAKENING
4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk is beoordeeld welk type effecten op beschermde soorten in het projectgebied kunnen optreden door de voorgenomen activiteiten en welke effecten niet relevant zijn voor de effectbeoordeling. Hierbij is uitgegaan van de verschillende milieuveranderingen die tot stand kunnen worden gebracht door de voorgenomen activiteiten. Deze milieuveranderingen hebben invloed op ecologische relaties, de fysiologische toestand van planten en dieren en het gedrag van dieren. In veel gevallen is binnen ecosystemen sprake van een complex stelsel van relaties, waarbij meerdere milieuveranderingen tegelijkertijd invloed uitoefenen op habitats en soorten. Bovendien hebben die veranderingen in habitats en soorten zelf ook weer invloed op de toestand van het milieu, zie voor een schematische weergave hiervan Figuur 11.
Figuur 11: Schematisch overzicht van (mogelijke) effectketen.
Naar aanleiding van bovenstaande is uitgegaan van de volgende mogelijke effecten: • Verwonden en doden van aanwezige individuen (bijvoorbeeld tijdens bouw door werkzaamheden en tijdens exploitatie door inzuiging van vis). • Oppervlakteverlies door ruimtebeslag. • Mechanische veranderingen. • Verstoring. Effecten als gevolg van veranderingen in hydrologie, watertemperatuur en chloorhoudende stoffen zijn uitgesloten. Deze effecten zijn zeer beperkt en hebben geen invloed op beschermde soorten. Tabel 1 geeft een overzicht van de verschillende activiteiten in de realisatiefase en de exploitatiefase en de effecten die deze activiteiten mogelijk veroorzaken.
Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
18 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
Mechanische effecten
Verstoring
X X X X
Oppervlakteverlies
Activiteiten Realisatiefase Aanleg tijdelijke werkterrein en ontsluitingsweg Constructie van gebouwen Aanleg van het secundaire koelwatersysteem Aanleg van nutsvoorzieningen en civieltechnisch werk Exploitatiefase Operaties binnen de PALLAS-reactor; Activiteiten binnen het gebouwen (kantoren, pomp- en elektriciteitsgebouw, bewaking, faciliteiten e.d.) Secundaire koeling, inclusief het tegengaan van biofouling door spoelen met chloorhoudende stoffen Aan- en afvoer van materiaal en producten en personeel
Verwonden en doden
Tabel 1 Overzicht van de fases, activiteiten en mogelijke effecten.
X X X X
X X X X
X X X X
X X
Wanneer een effect op een beschermde soort niet is uit te sluiten, is in dit hoofdstuk aangegeven wat de verwachte ruimtelijke reikwijdte is van deze mogelijke effecten. Het resultaat van deze afbakening bepaalt de onderzoeksopgave op twee manieren: 1) de vormen van verstoring die onderzocht worden omdat ze mogelijk leiden tot effecten op beschermde soorten en 2) de reikwijdte van deze vormen van verstoring. De maximale reikwijdte is bepalend voor de omvang van het studiegebied voor de effectbeschrijvingen in hoofdstuk 6.
4.2
Aard en reikwijdte van mogelijke effecten
4.2.1
Verwonden en doden
Aard van het effect Op het moment dat planten of dieren zich dicht bij werkend materieel bevinden, bestaat de kans dat dieren verwond of gedood worden door de handelingen die uitgevoerd worden. Een verhoogde kans op verwonding of sterfte is een effect dat alleen voor de duur van de werkzaamheden aan de orde is. Reikwijdte van het effect Een toename van de kans op verwonding en sterfte vindt plaats daar waar ingrepen binnen het projectgebied overlappen met leefgebieden van beschermde soorten. De reikwijdte van het effect is het gebied waar fysieke ingrepen plaatsvinden in de realisatiefase. Dit zijn werkgebieden die zijn aangegeven in hoofdstuk 2.
4.2.2
Oppervlakteverlies
Aard van het effect Oppervlakteverlies leidt tot verkleining en/of versnippering van habitats en/of leefgebieden van dieren. Hierdoor worden populaties kwetsbaar voor veranderingen van bijvoorbeeld predatie, extreme seizoensinvloeden of ziekten. Wanneer sprake is van tijdelijke aantasting van habitats of leefgebieden, bijvoorbeeld door het graven van leidingen, is eigenlijk sprake van mechanische effecten (zie § 4.2.3), maar dit wordt behandeld als tijdelijk ruimtebeslag. Reikwijdte van het effect Oppervlakteverlies vindt plaats op die delen waar ingrepen binnen het projectgebied overlappen met leefgebieden van beschermde soorten. De reikwijdte van het effect is direct gerelateerd aan het gebied waar Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
19 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
fysieke ingrepen plaatsvinden in de realisatiefase. Na afronding van de reikwijdte is het, met name in het duingebied, weer mogelijk leefgebieden te herstellen. Omdat deze ontwikkeling niet vaststaat, is hier niet van uitgegaan, tenzij anders aangegeven en in dat geval is onderbouwd waarom dit uitgangspunt niet van toepassing is. Dit zijn werkgebieden die zijn aangegeven in hoofdstuk 2.
4.2.3
Mechanische effecten
Aard van het effect Mechanische effecten treden op wanneer fysieke veranderingen aangebracht worden in bodems, vegetaties en leefgebieden. De aanleidingen voor deze effecten kunnen divers zijn, en bijvoorbeeld optreden door vergraving, het rijden met (zwaar) materieel en betreding. Reikwijdte van het effect Mechanische effecten treden op wanneer met machines gereden of gewerkt wordt. Dit is echter niet voorzien buiten de grenzen van het projectgebied: werkzaamheden vinden plaats in het projectgebied of op nieuwe of bestaande infrastructuur. Eventuele mechanische effecten vallen derhalve onder oppervlakteverlies en worden in dit rapport niet separaat behandeld.
4.2.4
Verstoring
4.2.4.1
Aard van het effect
Diersoorten kunnen in hun gedrag gestoord worden door aanwezigheid van door mensen veroorzaakte verstoringsbronnen. Een toename van geluid, trillingen, licht en visuele verstoring kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Bij langdurige verstoring van natuurlijk gedrag treedt vermindering van de fitheid van dieren op (te weinig voedselopname, verhoogd energieverlies, verlaten van geschikt leefgebied), wat kan leiden tot sterfte en verminderde reproductie. Uiteindelijk kan dit nadelige gevolgen hebben voor de populatie van een soort. Gewenning kan ook optreden wanneer dieren leren dat van de verstoringsbron geen gevaar uitgaat (Broekmeyer et al., 2005). Van gewenning wordt niet uitgegaan, tenzij er een onderbouwing is waarom sprake is van een zekere mate van gewenning. Bij het beoordelen van de effecten door verstoring kan onderscheid worden gemaakt in verstoring door: • Geluid boven water; • Geluid onder water; • Trillingen; • Licht; • Visuele verstoring door aanwezigheid en beweging van materieel en mensen. Wanneer een dier reacties vertoont die wijzen op verstoring, is vaak niet goed te onderscheiden of de verstoring wordt veroorzaakt door beweging, geluid, trilling of licht. Deze vormen van verstoring treden vaak tegelijkertijd op, omdat ze afkomstig zijn van eenzelfde bron.
De veroorzaakte verstoring is dan ook een resultante van geluid, trilling, licht en beweging van materieel en mensen, waarbij de meest verreikende of ernstigste factor als maatgevend kan worden gehanteerd. In dit onderzoek is voor de effecten in het duingebied, mede in relatie tot het relatief besloten en geaccidenteerde gebied, geluid als maatgevende storingsfactor beschouwd. Specifieke dosis-effectrelaties voor de verstorende activiteiten van dit project zijn niet beschikbaar. Wel zijn onderzoeken gedaan naar de effecten van geluid op de aanwezigheid van vogels (Reijnen & Foppen, 1991) en verstoringsafstanden van vogels bij recreatie (Krijgsveld et al., 2004; 2008). Vogels worden hier gebruikt als indicatorsoort om de reikwijdte van effecten te bepalen. Bij gebrek aan informatie over ingreep-effect-relaties voor andere soortgroepen wordt de drempelwaarde van vogels ook gebruikt voor de reikwijdte. Hiermee zijn echter nog geen uitspraken gedaan over het effect dat naar verwachting optreedt, alleen naar de afstand waarover gekeken wordt. Aangenomen wordt dat verstoring van andere soortgroepen in mindere mate optreedt dan de verstoring van vogels, gezien de sterke afhankelijkheid van vogels van vocale communicatie en zicht. Met andere woorden: geluid en optische prikkels zijn zaken waar vogels snel verstoord door worden.
Deze aanpak leidt daarmee voor andere soortgroepen tot een overschatting van de effecten, deze soorten hebben minder goed zicht en/of zijn minder afhankelijk van vocale communicatie. Het gebruik van vogels als indicatorsoort voor deze ingreepeffect-relatie betreft een worst case benadering. Daar waar mogelijk, of noodzakelijk, wordt in deze toetsing wel gekeken voor specifieke soorten welke vormen van verstoring zorgen voor een effect. Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
20 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
Voor activiteiten die op zee plaatsvinden kunnen zowel beweging (visuele verstoring) als geluid (ook onder water) maatgevend zijn. Daar waar mogelijk wordt gekeken naar specifieke vormen van verstoring voor verschillende soort(groep)en, zie de volgende paragraaf.
4.2.4.2
Reikwijdte van het effect
Geluid boven water Voor verschillende groepen van vogelsoorten zijn verschillende drempelwaarden vastgesteld, waarboven negatieve effecten kunnen optreden van (continue) geluidverstoring (Reijnen & Foppen, 1991). Deze drempelwaarden zijn: • 51 dB(A) voor niet-broedvogels; • 47 dB(A) voor broedvogels in open gebieden; • 42 dB(A) voor broedvogels in bebost gebied. Boven deze waarden neemt de dichtheid van vogels geleidelijk af naarmate de geluidsbelasting hoger wordt. Hieronder volgen de dosis-effect-relaties voor broedvogels van bos en van open gebied (Tabel 2) en nietbroedvogels (Tabel 3). Deze waarden geven een indicatie van de mogelijk omvang van de afname van de dichtheid van vogels bij bepaalde geluidniveaus. De werkelijk optredende effecten zijn sterk afhankelijk van de soort en van de situatie. De gevoeligheid van verstoring van verschillende vogelsoorten verschilt sterk. Met name soorten die voorkomen in stedelijk gebied zijn gewend aan hoge geluidniveaus. De reactie op geluidsbelasting afkomstig van een specifieke bron hangt daarnaast af van de mate waarin in het leefgebied al geluidsbelasting vanuit andere (al dan niet natuurlijke) bronnen optreedt. In deze studie is als ondergrens waarbij voor vogels verstoring als gevolg van geluid optreedt, de 47 dB(A)geluidscontour gehanteerd.
Dit geluidsniveau geldt als de grens vanaf waar er sprake is van een effect op broedvogels in open gebieden. Het studiegebied heeft een overwegend open karakter (met uitzondering van het dennenbos ten westen van de EHC). Tabel 2 Ingreep-effectrelatie geluid broedvogels van bebost gebied en open gebied (Reijnen & Foppen, 1991). Geluidsniveau in dB(A) Afname dichtheid Geluidsniveau in dB(A) Afname dichtheid broedvogels van bos (etmaalwaardes op 1,5 broedvogels van open meter hoogte) gebied < 42 Geen effect < 42 Geen effect 42-45 Afname 0 – 5% 42-47 Geen effect 45-48 Afname 5 – 14% 47-48 Afname 0 – 3% 48-51 Afname 14 – 24% 48-51 Afname 3 – 16% 51-55 Afname 24 – 35% 51-55 Afname 16 – 30% 55-60 Afname 35 – 48% 55-60 Afname 30 – 43% 60-65 Afname 48 – 60% 60-65 Afname 43 – 56% >65 Afname 70% >65 Afname 70% Tabel 3 Ingreep-effectrelatie geluid voor niet-broedvogels (Reijnen & Foppen, 1991). Geluidsniveau in dB(A) Afname dichtheid niet-broedvogels <51 dB(A) Geen effect 51-55 dB(A) Afname 0-20% 55-60 dB(A) Afname 20-40% 60-65 dB(A) Afname 40-60% 65-70 dB(A) Afname 60-70%
Geluidsbelasting in de realisatiefase Voor de realisatiefase zijn de geluidsbelastingen in de omgeving van de planlocatie berekend. Dit is gedaan voor de meest verstorende activiteiten om daarmee de reikwijdte van het effect te bepalen, zie voor de uitgangspunten en resultaten Bijlage D. De activiteiten die leiden tot het meeste geluidsverstoring zijn: 1. Werkzaamheden langs het kanaal; 2. Aanleg van een pompput; 3. Plaatsen van damwanden; 4. Plaatsen van diepwanden; 5. Storten van onderwaterbeton; 6. Aanbrengen van compressielaag.
Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
21 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
Figuur 12 t/m Figuur 18 geven de LAeq 24 uurs-contouren4 van 42, 47 en 50 dB(A) in het studiegebied als gevolg van voorgenoemde activiteiten tijdens de realisatiefase. Uit de afbeeldingen volgt dat op de EHC het plaatsen van damwanden leidt tot de verstoring met de grootste reikwijdte en dat de geluidscontouren van de andere activiteiten hierbinnen vallen. In de polder zijn nog andere werkzaamheden die leiden tot verstoring door geluid.
Figuur 12: Geluidscontouren voor de werkzaamheden aan het filterhuis (werkzaamheden langs kanaal).
4 Definitie van het RIVM Milieu en Natuur Planbureau: “Equivalent A-weighted Level. In deze geluidmaat zijn over een periode
variërende geluidniveaus gemiddeld tot één waarde. Zowel de hoogte als het verloop van het geluidniveau spelen hierbij een rol. De Aweging houdt rekening met de gevoeligheid van het menselijk oor voor de toonhoogte van het geluid. De eenheid wordt gegeven in dB(A).” Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
22 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
Figuur 13: Geluidscontouren voor werkzaamheden in de polder (werkzaamheden langs kanaal).
Figuur 14: Geluidscontouren voor het bouwen van de pompput voor de secundaire koeling.
Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
23 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
Figuur 15: Geluidscontouren voor het plaatsen van damwanden.
Figuur 16: Geluidscontouren voor het plaatsen van diepwanden.
Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
24 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
Figuur 17: Geluidscontouren voor het storten van onderwaterbeton.
Figuur 18: Geluidscontouren voor het aanbrengen van compressielaag.
Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
25 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
Geluidsbelasting in de exploitatiefase Figuur 19 laat de geluidsbelasting in de exploitatiefase zien. De geluidscontour beperkt zich tot de EHC en de directe omgeving. In de figuur is niet de invloed van het huidige gebruik van de EHC te zien en de provinciale weg. Als deze factoren worden meegenomen dan is geen sprake van een wezenlijke toename van geluidsverstoring. Leefgebieden van beschermde soorten komen dan ook niet in gevaar. Gevolgen van een toename van geluid op beschermde soorten zijn uitgesloten.
Figuur 19: Geluidscontouren in de exploitatiefase.
Geluid onder water Bij de aanleg van de koelwateruitlaat worden schepen gebruikt op de Noordzee. Bij het uitvoeren van werkzaamheden onder water ontstaat een toename van de geluidsbelasting in het water. Voor de bepaling van de maximale effectafstand voor zeehonden en bruinvissen (beschermd in het kader van de Wnb) van continu geluid is uitgegaan van de analyse van Verboom die als bijlage VIII is opgenomen in de ‘Ronde 2’ passende beoordelingen voor Windenergie op Zee uit 2009 (Arends et al., 2009). Op basis van meetgegevens van een zestal koopvaardijschepen van 100 m, die met een snelheid van 13 – 16 mijl per uur (op diep water) varen, komt hij uit op maximale verstoringsafstanden voor geluid onder water van 4.800 meter voor zeehonden en 2.800 meter voor bruinvissen. De werkzaamheden die continu geluid produceren zullen langs de kust plaats vinden, waar het ondiep is. Effecten van onderwatergeluid reiken daarom zeker niet verder dan 5 km. Deze afstand geeft daarom de worst-case situatie weer en wordt aangehouden als reikwijdte in dit rapport. Trillingen Trillingen kunnen ontstaan bij gebruik van zwaar materieel, en bij activiteiten als boren en intrillen van damwanden. Bij de bouw van de PALLAS-reactor en bijbehorende faciliteiten kunnen lokaal trillingen ontstaan op de EHC.
Deze trillingen hebben een beperkte afstand waarover ze waarneembaar zijn Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
26 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
(maximaal enkele tientallen meters). Deze trillingen gaan echter ook gepaard met geluid. Geluid is bij dergelijke activiteiten meer bepalend dan de trilling. De effecten van trillingen worden niet separaat meegenomen in de toetsing, maar vallen binnen de reikwijdte van geluid op het land. Licht In het verleden is onderzoek gedaan naar het effect van kunstlicht (wegverlichting) op fauna (De Molenaar, 2003). In dit onderzoek werd een grenswaarde van 0,1 lux vastgesteld als referentiewaarde voor nietverlichte situaties waarbij er geen effecten zijn voor zoogdieren, die als meest gevoelig voor licht kunnen worden beschouwd. Realisatiefase In de realisatiefase wordt in beginsel gewerkt van 7.00 – 19.00 uur. Alleen in de winterperiode is in de ochtend (7.00 – 8.30 uur) en in de namiddag en vroege avond (16.00 – 19.00 uur) bouwverlichting nodig. Daarbij zal de bouwplaats verlicht worden met bouwverlichting. Buiten werktijden staat gedurende de schemering en de nacht veiligheidsverlichting met een beperkte lichtsterkte aan. Dit laatste geldt ook voor de exploitatiefase, wanneer de verlichting van de nieuwe bebouwing en omgeving hetzelfde niveau heeft als alle andere gebouwen op het terrein (inclusief de nu nog aanwezige gebouwen op de locatie voor de PALLAS-reactor). In § 2.7 zijn uitgangspunten ten aanzien van verlichting in de realisatiefase opgenomen.
Hieruit volgt dat uitstraling beperkt blijft tot de EHC in de realisatiefase. In de huidige situatie zijn al verschillende verlichtingsbronnen aanwezig op de EHC. Exploitatiefase In Bijlage E is een berekening van de verlichtingscontour van 0,1 lux in de exploitatiefase opgenomen. De reikwijdte is weergegeven in Figuur 20. De verlichting op een groot deel van de EHC neemt toe. De beoordeling richt zich op deze grens. Binnen deze reikwijdte bevinden zich op de EHC al verschillende verlichtingsbronnen.
Figuur 20: De lichtcontour van maximaal 0,1 lux toename. De afbeelding is een uitsnede van de afbeelding opgenomen in Bijlage E. In de afbeelding zijn andere lichtbronnen die aanwezig zijn op de EHC niet meegenomen.
Visuele verstoring op het land Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
27 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
Visuele verstoring is het gevolg van de aanwezigheid en bewegingen van mensen en materieel op de locaties en aanvoerroutes. Deze verstoring beperkt zich tot wat gevoelige soorten kunnen zien. Visuele verstoring is alleen aan de orde in de realisatiefase, in de exploitatiefase zijn visuele prikkels afkomstig van verkeersbewegingen vergelijkbaar met de huidige situatie en daarom zijn effecten uitgesloten. In de realisatiefase zal sprake zijn van meer visuele prikkels, omdat meer activiteiten plaatsvinden en meer personeel aanwezig is in het plangebied dan in de huidige situatie. Veel van de activiteiten zijn ook minder voorspelbaar dan de bestaande en reguliere exploitatie. Het plangebied zelf is echter wel omsloten door verschillende bedrijven waar activiteiten plaatsvinden. Verder is het gebied ingesloten door duinen, waardoor de zichtbaarheid van mensen en materieel beperkt wordt. Visuele prikkels treden vrijwel altijd in combinatie op met geluid en trilling. De reikwijdte van geluid reikt naar verwachting verder dan die van visuele prikkels en trilling. Daarom wordt dit effect niet separaat behandeld voor activiteiten op land. Visuele verstoring op zee Verstoringsgevoelige soorten op de Noordzee zijn zeezoogdieren en foeragerende of rustende nietbroedvogels. Vooruitlopend op de toetsing in hoofdstuk 7, geldt dat alleen sprake is van een overtreding van verbodsbepalingen.
Aangezien het hier alleen om niet-broedvogels gaat en de Noordzee een uitgebreid gebied is, waar slechts een klein gebied verstoord wordt en er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn Uit Brasseur en Reijnders (1994) blijkt dat voor verstoringsafstanden van activiteiten op rustende zeehonden uitgegaan kan worden van een afstand van 1.200 meter. Meer recent is een aantal meer specifieke onderzoeken gedaan naar verstoring van zeehonden door langsvarende baggerschepen en suppletiewerkzaamheden (Bouma et al., 2010; 2012; Bouma & Van den Boogaard, 2011). Afstanden waarop verstoring (verandering van gedrag) door baggerschepen is waargenomen variëren hierbij van 300 tot 1.500 meter, waarbij tot een afstand van maximaal 700 meter sterke gedragsveranderingen, zoals het water ingaan vanaf droogvallende platen, zijn waargenomen. Uit deze onderzoeken blijkt dat ook gewenning optreedt aan verstoringsbronnen die een repeterende en niet-bedreigende bewegingen maken. In situaties waarin zeehonden gewend zijn aan verstoring van onder andere voorbijvarende (bagger)schepen treedt veel minder snel verstoring op. In de Noordzee ter hoogte van het plangebied zijn geen droogvallende platen aanwezig. Zeehonden komen hier alleen zwemmend voor. In die situatie zijn de dieren minder verstoringsgevoelig, omdat ze gemakkelijker en sneller kunnen wegzwemmen. Dat geldt ook voor bruinvissen.
Zeehonden en bruinvissen worden regelmatig op korte afstand van schepen waargenomen. De verstoringsafstand voor zwemmende zeehonden en bruinvissen is daarom maximaal enkele honderden meters. Bij verstoring zullen ze dit gebied ontwijken.
4.3
Samenvatting
Tabel 4 geeft een samenvatting van de afbakening. Uit de tabel blijkt welke effecten relevant zijn, wat de reikwijdte van deze effecten is en welke Natura 2000-gebieden binnen die reikwijdte vallen. Tabel 4: Samenvatting van effecten en reikwijdte en de relevante Natura 2000-gebieden.
Effect Verwonden en doden Oppervlakteverlies Mechanische effecten Verstoring
Reikwijdte Binnen de begrenzing van het werkgebied. Binnen de begrenzing van het werkgebied. Hangt samen met oppervlakteverlies. • geluid boven water: 47 dB(A)-contour. Deze ligt tot ongeveer 1.500 meter van de EHC en tot 200 meter van verstoringsbronnen in de polder. • geluid onder water: tot 5 km. • trillingen: enkele tientallen meters • licht: toename van 0,1 lux, hierbij gaat het om een groot deel van de EHC. • visuele verstoring op land: valt binnen effecten van geluid boven land • visuele verstoring op zee: enkele honderden meters
Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
28 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
5
AANWEZIGHEID BESCHERMDE SOORTEN
In 2018 is een (derde ronde) natuuronderzoek flora en fauna uitgevoerd, waarbij aanwezige beschermde soorten zijn geïnventariseerd. Het onderzoeksgebied van de inventarisatie is gebaseerd op de inzichten die er destijds waren over de maximale reikwijdte van de effecten van bouw en exploitatie van de PALLASreactor. Zie voor meer informatie over eerdere onderzoeken, de methodieken van onderzoek en resultaten het rapport van de inventarisatie in Bijlage B. Figuur 21 geeft de verspreiding van beschermde soorten in en nabij het projectgebied. Algemene soorten (veldmuis, konijn, gewone pad) waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt bij ruimtelijke ontwikkeling5, zijn niet meegenomen in het onderzoek. Uitgangspunt voor deze soorten is dat deze overal in het onderzoeksgebied kunnen voorkomen. Voor deze (algemeen voorkomende) soorten met vrijstelling is kort in § 6.1 aangegeven wat de effecten zijn, in hoofdstuk 8 zijn vervolgens maatregelen opgenomen om effecten te voorkomen. Voor de overige beschermde soorten geldt dat niet alle delen van het projectgebied even geschikt zijn als leefgebied. De aanwezigheid en functie voor deze soorten is hieronder kort beschreven: • Voor de broedvogels met jaarrond beschermd nest: geschikte broedlocaties zijn in het projectgebied vanwege het ontbreken van grotere bomen niet aanwezig, zie Figuur 21.
Foerageergebied is wel aanwezig binnen het projectgebied. Dit geldt dan met name voor de buizerd en mogelijk incidenteel ook sperwer en havik. Voor andere soorten geldt dat deze op aanzienlijke afstand in Sint Maartenszee nesten hebben (huismus) of meer aan bossen zijn gebonden (ransuil). Deze soorten zijn incidenteel in het projectgebied te verwachten. • Voor broedvogels zonder jaarrond beschermd nest: vogels zonder jaarrond onderzocht nest zijn onder te verdelen in twee categorieën: 1) onderzochte soorten en 2) niet-onderzochte soorten. Voor onderzochte soorten: de functie van met name de bebouwde delen van het projectgebied als leefgebied voor vogels is beperkt. Nesten van ekster, koolmees, tapuit, witte kwikstaart6 en zwarte kraai zijn niet uitgesloten binnen de natuurlijke delen van het projectgebied. Voor andere soorten geldt dat nesten op afstand van het projectgebied voorkomen. Voor vrijwel alle waargenomen soorten geldt echter wel dat (delen van) het projectgebied geschikt foerageergebied vormt. De functie is echter beperkt: in de huidige situatie is sprake van een aanzienlijk oppervlak bestrating, aanwezigheid van gebouwen en menselijke activiteit. Uit de inventarisatie blijkt dat de onderzochte vogelsoorten met name voorkomen in de omgeving van de EHC en minder op de EHC zelf. In de omgeving zijn vergelijkbare en vaak ook betere leefgebieden aanwezig.
Het projectgebied vormt voor de meeste soorten een marginaal deel van een groter leefgebied. Voor niet-onderzochte soorten: Alle delen van het projectgebied vormen broedgebieden voor vogels. Hierbij gaat het vooral om de delen met opgaande vegetatie, maar ook de daken van de gebouwen op de EHC vormen broedplaatsen van zilvermeeuwen, kleine mantelmeeuwen en stormmeeuwen. • De rugstreeppad is een soort die voorkomt in het duingebied. De soort maakt gebruik van twee typen leefgebieden 1) aquatische milieus als voortplantingslocaties: ondiepe wateren, in dit geval duinpoelen, en 2) terrestrische milieus: hoogwatervrije terreinen met bestaande ruimtes (muizenholen), goed vergraafbare bodem en/of losliggende elementen om onder te schuilen als tegels en pellets. Het betreft een pioniersoort die kale, zanderige gronden zoals bouwterreinen snel kan koloniseren. Aquatisch leefgebied, voor voortplanting, ligt nabij het huidige projectgebied in de vorm van poelen. Landhabitat bevindt zich vooral in de directe omgeving van dit water, en op de EHC grenst geschikt landhabitat aan de poelen. Het projectgebied vormt ook potentieel terrestrisch leefgebied, maar is verder weg gelegen en daarom is incidentele aanwezigheid van deze soort niet uitgesloten. Rugstreeppadden zijn mobiele soorten die zich over aanzienlijke afstanden kunnen verplaatsen (BIJ12, 2017a).
Wanneer bij de werkzaamheden geschikte omstandigheden ontstaan (bijvoorbeeld ondiepe plassen), is het mogelijk dat de rugstreeppad het projectgebied koloniseert. • De zandhagedis komt voor in duin- en heidegebieden. De soort is gebonden aan de delen met vegetatie, maar heeft ook zonnige, onbegroeide zandige plekken nodig waar de eieren in worden gelegd en die daar verder kunnen ontwikkelen door de warmte van de zon.7 De zandhagedis is verspreid in het
5 Zie Bijlage A voor meer informatie over deze vrijstelling. 6 Deze soort is abusievelijk in het onderzoek meegenomen. Alleen categorie 5-soorten zijn onderzocht, maar deze soort is ook
meegenomen. 7 https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/zandhagedis Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
29 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
•
•
•
•
•
duingebied te verwachten. Gezien het projectgebied in het duingebied is gelegen en heidevegetatie en zandige open plekken aanwezig zijn, vormen de natuurlijke delen geschikt leefgebied voor de zandhagedis en is aanwezigheid niet uit te sluiten. De aanwezigheid van de zandhagedis is echter beperkt: bij de verschillende onderzoeksrondes op de EHC zijn slechts op één locatie zandhagedissen waargenomen. Het EHC zelf is minder belangrijk leefgebied is en vooral het echte duingebied het belangrijke leefgebied vormt, hier zijn (hoewel niet wijd verspreid) op meerdere locaties zandhagedissen waargenomen. Verschillende soorten vleermuizen maken op verschillende manier gebruik van het projectgebied en de omgeving, zie Figuur 22 voor een kaart met de verspreiding van vleermuissoorten en de gebiedsfuncties voor vleermuizen: Gewone dwergvleermuis: in het pomphuis en poortgebouw zijn paarverblijfplaatsen (en ook baltsplaatsen) aanwezig. Verder zijn een aantal bestaande gebouwen op het terrein ook baltsplaatsen. Gewone dwergvleermuizen foerageren zowel op de EHC als in de omliggende duinen. Passerende individuen zijn incidenteel waargenomen. Laatvlieger en ruige dwergvleermuis: verblijfplaatsen van deze soort zijn niet aanwezig in het projectgebied. Beide soorten gebruiken vooral het duingebied om te foerageren maar foerageren incidenteel ook op de EHC.
Passerende individuen zijn incidenteel waargenomen. Rosse vleermuis: van deze soort zijn enkele individuen waargenomen: foeragerend en passerend in het duingebied. Het projectgebied heeft voor deze soort geen specifieke functie. Watervleermuis: deze soort is een enkele keer foeragerend ten zuiden van de EHC in het duingebied waargenomen. Het projectgebied heeft geen specifieke functie voor deze soort. Zeezoogdieren: voor de kust van Petten komen soorten voor als gewone zeehond, grijze zeehond en bruinvis. Vanwege het ontbreken van zandbanken of andere specifieke leefgebieden, is voor deze soorten geen specifieke functie (als rust- en ligplaatsen) voor de kust van Petten aanwezig. De zee voor Petten maakt deel uit van het grotere leefgebied in de Noordzee. Grondgebonden zoogdieren: hierbij ligt de focus op marterachtigen omdat uit eerder onderzoek 8 blijkt dat deze soorten voorkomen en deze niet zijn vrijgesteld van verbodsbepalingen bij ruimtelijke ontwikkelingen: Boommarter: de soort is waargenomen bij het bos ten zuiden van de EHC. De boommarter is een bosbewoner.9 De EHC heeft geen specifieke functie voor deze soort. Wezel: de wezel is in het duingebied waargenomen, maar niet op de EHC.
De wezel maakt gebruik van verschillende soorten leefgebied in het open, droge natuur- en cultuurlandschap en komt voor in bossen, duinen, wei- en akkerland.10 Het duingebied en EHC vormen geschikt leefgebied, alleen is de wezel op de EHC niet waargenomen en wel in het duingebied. Gezien de aanwezigheid van geschikt leefgebied komt de wezel naar alle waarschijnlijkheid incidenteel voor in het projectgebied. De duinparelmoervlinder is in de duinvallei aangetroffen. Mogelijk dat de duinparelmoervlinder vanuit de duinvallei incidenteel de EHC bezoekt, zie ook Figuur 21. Vanwege de ligging van gebouwen en verhard terrein in het projectgebied en de beperkte aanwezigheid van waardplanten en nectarplanten als slangenkruid, koninginnekruid en akkerdistel, vormt de EHC geen geschikt leefgebied. Omdat de duinparelmoervlinder wel nabij het projectgebied voorkomt is niet uitgesloten dat de soort ook incidenteel in het projectgebied voorkomt. Vissoorten beschermd onder de Wet natuurbescherming zijn in het Noordhollandsch kanaal niet aangetroffen (Arcadis, in prep.).
8 Uit eerdere inventarisatierondes, zie voor meer informatie Bijlage B. 9 https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/boommarter 10 https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/wezel
Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
30 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
Figuur 21: Aanwezigheid van beschermde soorten in en rond het projectgebied. De delen langs het kanaal zijn niet opgenomen: hier zijn alleen de gewone dwergvleermuis en de witte kwikstaart waargenomen. Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
31 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
Figuur 22: Aanwezigheid van vleermuizensoorten in en rond het projectgebied. De sloop van gebouwen binnen het projectgebied vindt voorafgaand aan de werkzaamheden plaats en maakt geen onderdeel uit van het project: de aangegeven zomerverblijfplaats is derhalve bij aanvang van dit project niet aanwezig. De delen langs het kanaal zijn niet weergegeven, hier zijn alleen foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen.
Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
32 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
Tabel 5 geeft een samenvatting van dit hoofdstuk. Tabel 5 Overzicht van de beschermde soorten die op en rond het projectgebied zijn aangetroffen. Soortgroep Soort Mogelijk aanwezig binnen Leefgebied projectgebied Broedvogels met jaarrond beschermd nest
Buizerd
Territorium deels in de duinen, nesten in bossen
Boomklever
Ja, nesten niet aanwezig in projectgebied, gebruikt projectgebied als foerageergebied. Ja, maar incidenteel: nest is aanwezig in het bos ten zuiden van EHC. Het projectgebied maakt deel uit van groter leefgebied. Nee, hoogstens incidenteel vanuit de aangrenzende dorpen. Ja, nesten niet aanwezig in projectgebied, gebruikt projectgebied als foerageergebied. Incidenteel: nest is aanwezig in het bos ten zuiden van EHC. Het projectgebied maakt deel uit van groter leefgebied. Nee
Ekster
Ja, EHC vormt deel van het leefgebied.
Duinen, bossen
Gekraagde roodstaart
Nee
Bossen
Grote bonte specht
Nee
Bossen
Koekoek
Ja, EHC vormt deel van het leefgebied.
Duinen, bossen
Koolmees
Ja, EHC vormt deel van het leefgebied.
Bossen
Pimpelmees
Nee
Bossen
Tapuit
Ja, EHC vormt deel van het leefgebied.
Duinen
Havik
Huismus Ransuil Sperwer Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest
Vleermuizen
Bossen
Bebouwde kom Duinen, bossen Bossen Bossen
Torenvalk
Nee
Bossen
Witte kwikstaart
Ja, EHC vormt deel van het leefgebied.
Polder, duinen
Zwarte kraai
Ja, EHC vormt deel van het leefgebied.
Vooral, maar niet uitsluitend in de bossen
Niet-geïnventariseerde soorten
Ja, EHC vormt deel van het leefgebied.
EHC, duinen, bossen, polder (inclusief uitlegtracé)
Gewone dwergvleermuis
EHC, duinen, bossen, polder
Grondgebonden zoogdieren
Boommarter
Ja, paarverblijfplaatsen (en baltsplaatsen) in pompgebouw en poorthuis, verder vormt EHC deel van het foerageergebied. Ja, maar slechts incidenteel, soort komt vooral foeragerend voor in duingebied. Nee, soort alleen waargenomen in duingebied. Ja, maar slechts incidenteel, soort komt vooral foeragerend voor in duingebied. Nee, een enkel exemplaar is foeragerend ten zuiden van de EHC in het duingebied waargenomen. Nee
Wezel
Incidenteel.
Duinen
Zeezoogdieren
Gewone zeehond
Ja, soort kan voorkomen bij de koelwatertuitlaat. Ja, soort kan voorkomen bij de koelwatertuitlaat. Ja, soort kan voorkomen bij de koelwatertuitlaat. Ja, in de huidige situatie incidenteel, maar kolonisatie tijdens werkzaamheden is niet uitgesloten. Ja
Kust bij Petten vormt leefgebied, maar heeft geen specifieke functie
Ja, maar incidenteel, soort komt vooral voor in de duinvalleien.
Duinen (met name duinvalleien vanwege aanwezigheid waardplanten)
Laatvlieger Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Watervleermuis
Grijze zeehond Bruinvis Amfibieën
Rugstreeppad
Reptielen
Zandhagedis
Dagvlinders
Duinparelmoervlinder
Onze referentie: D10007017:143 - Datum: 21 oktober 2020
Vooral duinen en bossen, incidenteel EHC Duinen, bossen Vooral duinen en bossen, incidenteel EHC Duinen Bossen (Korfwater)
Poelen in de duinen en aanliggende duinen Duinen
33 van 68
SOORTENBESCHERMINGSTOETS PALLAS-REACTOR
6
EFFECTBESCHRIJVING
6.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de effecten op beschermde soorten. In de vorige hoofdstukken is de afbakening van effecten (hoofdstuk 4) en de aanwezigheid van soorten (hoofdstuk 5) beschreven. Tabel 6 geeft een overzicht van de soorten en de relevante effecten. Een effect is relevant als deze direct invloed heeft op individuen van een beschermde soort of als het functionele leefgebied wordt aantast. In de volgende paragrafen wordt per effect ingegaan op de soort(groep)en waarvoor het effect relevant is.
Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren Zeezoogdieren
Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Ruige dwergvleermuis Wezel
Verstoring
Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest
Soort Buizerd Havik Ransuil Sperwer Alle soorten
Oppervlakteverlies
Soortgroep Broedvogels met jaarrond beschermd nest
Doden en verwonden
Tabel 6 Overzicht van de aanwezige beschermde soorten en de gevoeligheid voor een effect (x = gevoelig, - = niet gevoelig en derhalve niet relevant).
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Amfibieën
Gewone zeehond Grijze zeehond Bruinvis Rugstreeppad
Reptielen
Zandhagedis
x
x
x
Dagvlinders
Duinparelmoervlinder
x
x
x
Soorten waarvoor een vrijstelling geldt bij ruimtelijke x x x ontwikkeling* * Voor deze soorten geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen, de effecten en toetsing zijn voor die soorten niet relevant. In § 8.5 zijn wel maatregelen opgenomen in het kader van de zorgplicht, daarom is deze soortgroep wel toegevoegd aan de tabel.
6.2
Effecten in realisatiefase
6.2.1
Verwonden en doden
Broedvogels met jaarrond beschermd nest Het doden en verwonden van volwassen vogels is niet aan de orde: bij de start van werkzaamheden ontvluchten deze het projectgebied. Nesten van broedvogels met een jaarrond beschermd nest bevinden zich niet in het projectgebied. Effecten op jaarrond beschermde nesten en de daarin aanwezige eieren of jongen zijn uitgesloten. Verwonding en doden van vogels met een jaarrond beschermd nest is uitgesloten. Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Het doden en verwonden van volwassen vogels is niet aan de orde: bij de start van werkzaamheden ontvluchten deze het projectgebied. Mogelijk zijn nesten aanwezig in het projectgebied, hierbij gaat het om soorten als ekster, koolmees, pimpelmees, tapuit, torenvalk, witte kwikstaart, zwarte kraai en mogelijk nog andere soorten. Nesten, inclusief eieren en jongen, kunnen door de werkzaamheden worden vernield. Verwonden en doden is in dat geval niet uitgesloten.