4. Toelichting
Tekst van het document
Conclusie
Gezien de kenmerken van de potentiële effecten van het voornemen in combinatie met de kenmerken/gevoeligheid van de omgeving waarin deze optreden, is de impact van het plan op het milieu gering te noemen. Het is dus niet noodzakelijk om een mer op te starten.
4.2
Milieuzonering
4.2.1
Beleidskader
Milieuzonering legt een relatie tussen de milieuaspecten van een bedrijf - geluid, geur, gevaar en stof - en de omgeving. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personenof goederenverkeer genereert mede bepalend voor de mate van hinder, en dus voor de mogelijkheid tot vestiging of uitbreiding. Bij milieuzonering staan vier vragen centraal: 1. Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en nieuwe woningen? 2. Welke afstand is aanvaardbaar tussen nieuwe bedrijven en bestaande woningen? 3. Welke afstand is aanvaardbaar tussen bestaande bedrijven en nieuwe woningen? 4. Mag een concreet bedrijf zich op een bepaalde locatie vestigen? Voor het opstellen van een milieuzonering kan de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering', worden gebruikt. Met behulp van richtafstanden wordt bepaald welke afstand tussen bedrijven en gevoelige functies (zoals woningen) aanvaardbaar is. De richtafstanden in de volgende tabel zijn van toepassing bij verschillende milieucategorieën. Tabel 4-2: Overzicht milieucategorieën Milieucategorie Gemengd gebied Rustige woonwijk (meter) (meter) 1 0 10 2
10
30
3.1
30
50
3.2
50
100
4.1
100
200
4.2
200
300
Op basis van omgevingskenmerken kan worden bepaald of een omgeving waartoe een plangebied behoort kan worden beschouwd als 'rustige woonwijk' of als 'gemengd gebied'. In de VNG-brochure wordt het omgevingstype gemengd gebied als volgt omschreven: "Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan
30
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend." 4.2.2
Analyse
Bij de voorliggende planontwikkeling wordt uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vanwege de duidelijke functiescheiding tussen het bedrijventerrein en de te realiseren woningbouw. Op de navolgende afbeelding zijn de relevante richtafstanden vanuit de verschillende bedrijfsfuncties uit de omgeving weergegeven. Te zien zijn de richtafstanden als gevolg van de bedrijvigheid op het bedrijventerrein De Witte Paal en de richtafstand als gevolg van het agrarische bedrijf aan de Bonkelaarsdijk 4a. Voor de bedrijven op De Witte Paal is geluid het maatgevende aspect bij de totstandkoming van de richtafstand. In paragraaf 4.9.4 wordt nader ingegaan op de invloed van de bedrijven op de planontwikkeling en andersom. Daar wordt geconcludeerd dat het bouwen van woningen binnen de richtafstanden van het bedrijventerrein mogelijk is. Voor het agrarische bedrijf aan de Bonkelaarsdijk 4a is geur het maatgevende aspect. Ook hierop wordt ingegaan, zie paragraaf 4.10. Er is vanwege geur een milieucontour in dit bestemmingsplan opgenomen zodat er geen woningen binnen deze contour worden gebouwd.
31
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
Figuur 4-1: Weergave richtafstanden van omliggende bedrijvigheid Basisschool Aan de noordwestzijde van het plangebied, tussen de meest noordwestelijke terp en een woonveld wordt de mogelijkheid geboden om een basisschool te realiseren. Er is gekozen voor deze plek om een aantal redenen. Ten eerste biedt deze plek een snelle ontsluiting richting de N245 en geeft hierdoor minimale overlast aan woningen binnen het plangebied. Ten tweede is de basisschool op deze plek dicht gelegen bij de speelterp ten westen van de school. Tijdens en na schooluren kan er gebruik worden gemaakt van deze locatie. Daarnaast geeft deze locatie het minste overlast voor woningen bezien vanuit het geluidsaspect en is er voldoende afstand tot de provinciale weg op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen. Een basisschool kent op grond van de VNG-Brochure Bedrijven en milieuzonering een
32
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
richtafstand van 30 meter (rustige woonwijk). Bepalend voor de belasting op de omgeving is het geluid dat kinderen maken op een schoolplein. In het bestemmingsplan wordt rekening gehouden met deze afstand tot woningen die aan de oostzijde aanwezig zijn. Dit zijn de woningen die op de kortste afstand aanwezig zijn. Het schoolplein wordt op grotere afstand dan 30 meter van woningen gerealiseerd. Dit wordt gedaan door een functieaanduiding in de maatschappelijke bestemming op te nemen waarmee wordt vastgelegd dat uitsluitend daar het schoolplein mogelijk is. Hiermee is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Gezien het feit dat de school en de te realiseren woningen dicht langs de N245 zijn gelegen kan bovendien worden beargumenteerd dat een gereduceerde afstand van 10 meter aanvaardbaar is, omdat de omgeving kan worden beschouwd als 'gemengd gebied'. Desalniettemin wordt voldaan aan de richtafstand voor een 'rustige woonwijk'. Aangezien het hier de vestiging van één basisschool betreft met acht klassen en de bestemming niets anders (geen andere maatschappelijke functies zoals een ziekenhuis of een huisartsenpraktijk) toelaat, wordt een afstand van 30 meter voldoende geacht. 4.2.3
Conclusie
Voor het onderhavige bestemmingsplan vormt milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid.
4.3
Archeologie
4.3.1
Beleidskader
Rijksbeleid archeologie en cultuurhistorie De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2024 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2024. Het betreft dan: 1. Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten 2. Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie 3. Bescherming van stads- en dorpsgezichten Zaken zoals het certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten blijven in de Erfgoedwet. Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenwet doorgevoerd via een wijziging van artikel 3.6. lid 2 van Besluit ruimtelijke ordening.
In de toelichting van een bestemmingsplan moet voortaan het volgende worden opgenomen: Een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierdoor dienen cultuurhistorische waarden dus uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle
33
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied, dus niet alleen de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. Dit is één van de pijlers van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). De Rijksdienst helpt gemeenten om hieraan te voldoen met de Handreiking erfgoed en ruimte. Hierin staat hoe gemeenten zo'n inventarisatie en analyse kunnen uitvoeren. Ook wordt in deze handreiking aangegeven op welke wijze gemeenten cultuurhistorische waarden kunnen opnemen in een bestemmingsplan, compleet met voorbeeldbepalingen. Gemeentelijk archeologiebeleid Op 22 december is de beleidskaart Archeologie en de cultuurhistorische elementenkaart vastgesteld door de gemeenteraad. Ruimtelijke ontwikkeling zullen hieraan getoetst worden. Dit betreft een update van de beleidskaart archeologie uit 2009. Gelijktijdig is een cultuurhistorische elementenkaart vervaardigd. Deze kaarten met toelichting zijn op 20 december 2022 vastgesteld door de gemeenteraad van Schagen. Nabij de Westerweg/Provinciale weg bevinden zich twee huisterpen uit de Late Middeleeuwen, waarvan de meest zuidelijk een Archeologisch Rijksmonument is (rijksmonumentnummer 45932: beschermd sinds 14 oktober 1977). Bij bodemingrepen ter plaatse van het Rijksmonument is een monumentenvergunning noodzakelijk.
Deze dient te worden aangevraagd bij de RCE. In de uiterste noordoosthoek van het bestemmingsplan Muggenburg Zuid ligt een terp van zeer hoge archeologische waarde. De noordelijke terp is een terrein van hoge archeologische waarde (monumentnummer 10598). Hieraan is een vrijstellingsgrens van 100 m 2 aan gekoppeld. Tot slot staan de Muggenburgerweg en de Bonkelaarsdijk aangegeven. Hiervoor geldt eveneens een vrijstellingsgrens van 100 m 2. Voor de bekende waarden geldt dat duurzaam behoud in de bodem in principe de voorkeur heeft. Langs de Bonkelaarsdijk bevindt zich een terp die zich binnen het plangebied bevindt. Voor de rest van het plangebied geldt een zeer hoge archeologische verwachting voor resten uit de periode Late IJzertijd t/m Vroege Middeleeuwen. Deze bevinden zich onder een laatmiddeleeuws kleidek. Aan het oppervlak kunnen resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd aanwezig zijn. Aan deze zone is een vrijstellingsgrens van 500 m 2 v erbonden. Om de aanwezige of te verwachte waarden te behouden is een dubbelbestemming Waarde-Archeologie opgenomen in het bestemmingsplan.
34
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
Afbeelding: Ligging bestemmingsplangebied Muggenburg Zuid op de beleidskaart archeologie
4.3.2
Analyse
Om de actule archeologische verwachting te toetsen aan de voorliggende ontwikkeling is een bureauonderzoek uitgevoerd waarvan de rapportage is bijgevoegd als Bijlage 4. Bureauonderzoek Volgens de gemeentelijke beleidskaart is het grootste deel van het plangebied gelegen in een zone met een zeer hoge archeologische verwachting met een maximale verstoringsgrens van 500 m 2 en 40 cm onder maaiveld. Daarnaast zijn twee zones met een hoge tot zeer hoge waarde aanwezig waarbij alle bodemroeringen onderzoeksplichtig zijn, en waarvan voor één locatie zelfs een vergunning aangevraagd moet worden bij de Minister bij bodemroering. Deze locatie is tevens een Rijksmonument. Op basis van de tijdens het bureauonderzoek verzamelde gegevens is een gespecificeerd verwachtingsmodel opgesteld. Binnen het plangebied zijn twee terpen aanwezig van hoge tot zeer hoge archeologische waarde. Dit zijn archeologische vindplaatsen waar archeologische resten aangetoond zijn daterend uit de 8e tot en met de 16e eeuw. Deze archeologische waarden zijn mogelijk direct onder de bouwvoor aanwezig. Hier wordt een vlaknederzetting uit de 8e eeuw op een dieper niveau afgedekt door een ophooglaag, waarschijnlijk uit de late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. In de rest van het plangebied is bewoning mogelijk geweest in het Laat Paleolithicum en Mesolithicum in de top van het dekzand. Dit dekzand is echter op ca.
15 tot 20 meter onder maaiveld gelegen. Dit niveau zal met de geplande ingrepen niet worden bereikt. Vanaf de
35
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
Bronstijd tot en met de Nieuwe tijd is er bewoning mogelijk geweest in het plangebied. Voor de periode Bronstijd t/m vroege Middeleeuwen geldt gezien de vele vondsten uit de directe omgeving een hoge verwachting. Archeologie uit de IJzertijd tot en met de Romeinse tijd kan verwacht worden in de top van het veen, indien dit nog aanwezig is. Uit de opgraving Muggenburg en Witte Paal III blijkt echter dat archeologische waarden ook aanwezig kunnen zijn indien het veen niet meer aanwezig is. Deze resten zijn waarschijnlijk afgedekt door een laatmiddeleeuws kleidek. Archeologische waarden uit de late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen vanaf het maaiveld aanwezig zijn. Deze bestaan waarschijnlijk uit sporen van landgebruik en ophogingslagen. Daarnaast heeft het plangebied een hoge cultuurhistorische waarde. Het plangebied ligt in de polder De Meer en is deel van een groter vroegmiddeleeuws landschap gekenmerkt door oost-west georiënteerde onregelmatige blokverkaveling met dijken, wegen en verhoogde woonplaatsen (terpen) en heeft een zeer hoge historisch-geografische waarde. Het stelsel van verschillende kleinere lokale dijken en waterlopen is kenmerkend voor dit landschap in en rond Schagen en is nog in hoge mate oorspronkelijk. De twee huisterpen zijn zowel cultuurhistorisch als archeologische aangeduid als van hoge waarde waarvan één Rijksbeschermd.
Op basis van de resultaten wordt geadviseerd een vervolgonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. Doel van het verkennend booronderzoek is het verkrijgen van inzicht in de bodemopbouw om de archeologische verwachting nader te specificeren. Dit booronderzoek strekt zich uit over het gehele plangebied, met uitzondering van de bekende archeologische terreinen. Op basis van ca. 4 boringen per hectare worden 135 boringen geadviseerd. Het advies tot vervolgonderzoek is goedgekeurd door de bevoegde overheid. Indien het booronderzoek pas wordt uitgevoerd na het vaststellen van het bestemmingsplan dan kunnen de vrijstellingsgrenzen conform de huidige archeologische beleidskaart van de gemeente Schagen worden overgenomen. Op basis van archeologische, geo(morfo)logische, bodemkundige en historische bronnen is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Voor vindplaatsen uit de Late IJzertijd t/m Vroege Middeleeuwen geldt een zeer hoge archeologische verwachting. Deze resten bevinden zich onder het laatmiddeleeuwse kleidek (al dan niet in een dunne veenlaag). Voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd geldt een middelhoge verwachting voor sporen van landgebruik en ophogingslagen. Deze sporen tekenen zich vanaf het maaiveld of juist onder de bouwvoor af.
Aanwijzingen voor bewoning uit de prehistorie op het Laagpakket van Wormer zijn in de directe omgeving van het plangebied nog niet aangetroffen. Booronderzoek Op basis van de gespecificeerde verwachting is een PvA opgesteld als basis voor een inventariserend veldonderzoek (IVO-O) door middel van verkennend booronderzoek. Dit booronderzoek is uitgevoerd en de rapportage is bijgevoegd als Bijlage 5. Om de verwachtingen uit het bureauonderzoek voor het plangebied te toetsen zijn 136 handmatige grondboringen verricht met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm en een guts van 3 cm. De boringen zijn uitgevoerd tot een maximale diepte van 3 m beneden maaiveld. De boringen zijn gezet in een grid van 40 bij 45 m. De boorpunten en hoogte zijn ingemeten met behulp van een GPS.
36
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
Op basis van het booronderzoek blijkt dat in het plangebied een bodemopbouw aanwezig is bestaande uit een getijdenlandschap met afzettingen van het Laagpakket van Wormer. Dit getijdenlandschap bestaat uit wadden en kwelders, plaatselijk slappe tot matig stevige afzettingen. Dit niveau is afgedekt door Hollandveen, wat plaatselijk nog bewaard is gebleven onder terpen of diepere delen in het landschap. Op het niveau van het veen waar gewoond is, is het veenpakket geoxideerd tot het punt dat er enkel een humeuze vegetatiehorizont (laklaag) is overgebleven in de top van de getijdenafzettingen. Deze laklaag is ook het niveau waarvoor een archeologische verwachting geldt. Bij een dunne laklaag (5 cm of minder) of heel vlekkerig en een laklaag die licht boven een slappe kleilaag, geldt dat de hoge archeologische verwachting naar beneden toe kan worden bijgesteld naar laag. Bij een slecht ontwikkelde laklaag of slappe ondergrond is het onwaarschijnlijk dat de locatie geschikt was voor bewoning. De hoge verwachting kan gehandhaafd blijven voor de laklaag of venige laag, laklagen van meer dan 5 cm dikte en indicatoren zoals houtskool. Het niveau van de laklaag is afgedekt met kleiige dekafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Plaatselijk is het niveau van het veen afgedekt met terplagen in het noordwesten van het plangebied.
Mogelijk is er rondom boring 83 ook een dergelijk opgebracht pakket aanwezig die het onderliggende veen heeft afgedekt en gepreserveerd. Mogelijk gaat het hier om een restant van een terp. Voor de terplagen geldt een archeologische waarde. Deze lagen bestaan uit opgebracht klei met fragmenten verbrande klei, houtskool en baksteenpuin. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek geldt in grote delen van het plangebied een middelhoge tot hoge archeologische verwachting. Voor de reeds bekende archeologische waarden (twee terpen in het noordwesten van het plangebied en een historische dijk in het midden van het plangebied) wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd, aangezien de plannen voor graafwerkzaamheden deze locaties ontzien. Bovendien is de zuidelijk terp een archeologisch Rijksmonument. De middelhoge tot hoge archeologische verwachting is gebaseerd op de aanwezigheid van een potentieel archeologische laag in de vorm van een humeuze vegetatiehorizont (laklaag) die verspreid over het gehele plangebied voorkomt. Mogelijk houdt dat niveau verband met een historische veenlaag die nog onder de bekende terpen aanwezig is en met een archeologische laag die bekend is van een vindplaats uit de Romeinse tijd (Muggenburg III) op circa 200 m ten noorden van het plangebied.
Daarnaast is er mogelijk een terp aanwezig op de locatie van boring 83, waar een bocht in de historische dijk aanwezig is. Geadviseerd wordt om het potentieel archeologische niveau op een aantal plaatsen te onderzoeken met een inventariserend veldonderzoek door middel van zoeksleuven (IVO-P). Deze tussenstap in IVO-P is in overleg met de adviseur van het bevoegd gezag tot stand gekomen. Het doel van een dergelijk onderzoek is de bodemopbouw van het plangebied door middel van lengteprofielen in kaart te brengen. Daarnaast is het doel om eventuele nog niet bekende vindplaatsen op te sporen. Verspreid over het plangebied kunnen vindplaatsen worden verwacht uit de periode IJzertijd/Romeinse tijd, Vroege Middeleeuwen en Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd. Het proefsleuvenonderzoek wordt geadviseerd uit te voeren rondom de boringen waar archeologisch indicatoren zijn waargenomen (boringen 65 en 83) en in het noorden van het plangebied dat hemelsbreed het dichtst bij de vindplaats Muggenburg III ligt (rondom boring 2). Deze zones zijn in blauw aangegeven op de advieskaart (Bijlage 6 rapportage en navolgende afbeelding). Alvorens een dergelijk proefsleuvenonderzoek kan worden uitgevoerd, dient eerst een Programma van Eisen te zijn opgesteld en door het bevoegd
37
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
gezag te zijn goedgekeurd. Wanneer er tijdens het vervolgonderzoek aanwijzingen zijn voor een archeologische vindplaats, kan het noodzakelijk worden geacht om in andere delen binnen het plangebied (binnen de lichtoranje zone; Bijlage 6 en navolgende afbeelding) ook een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uit te voeren. Het is mogelijk dat delen van het plangebied niet onderzocht hoeven te worden, aangezien deze worden opgehoogd. Op basis van het vervolgonderzoek kan de uitkomst ook zijn dat het gebied, buiten de reeds bekende archeologische waarden, vrijgegeven kan worden.
Afbeelding: Advieskaart booronderzoek
4.3.3
Conclusie
Uit het uitgevoerde archeologische bureauonderzoek volgt dat de terpen niet geroerd of opgehoogd mogen worden. Uit het booronderzoek volgt dat een deel van het plangebied geen archeologische waarde heeft. Een deel heeft dat wel en daarom wordt voor een drietal locaties proefsleuvenonderzoek geadviseerd. Ter zekerstelling zijn (eventueel) aanwezige archeologische waarden geborgd middels een dubbelbestemming Waarde-Archeologie waarbij de vrijstellingsgrenzen uit de huidige beleidskaart zijn gebruikt.
4.4
Cultuurhistorische waarden
4.4.1
Beleidskader
Conform artikel 3.6, lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening dienen naast archeologische waarden ook cultuurhistorische waarden te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmings- of inpassingsplannen. In 2013 is een Toelichting op de historisch-geografische waardenkaart vervaardigd. Deze dient gehanteerd te worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. De beschrijving van de ontginningsblokken is in samenspraak met dhr. Diederik tot stand
38
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
gekomen, zie navolgende afbeelding. De polder de Meer behoort samen met de polder Schagen en de Oude Kaag tot de gebieden met een oorspronkelijke vroegmiddeleeuwse west-oost georiënteerde verkaveling. Deze onregelmatige blokvormige verkaveling is nog goed te herkennen op de kadastrale minuut uit 1819. De relatie met de koogdijken (de Bonkelaarsdijk en de Muggenburgerweg) is nog zeer sterk aanwezig. Ook de relatie met de Tjallewallervaart en de Meersloot die het ontginningsblok aan respectievelijk west- en oostzijde begrenzen is nog aanwezig. De N245 heeft een deel van het oorspronkelijk ontginningsblok doorsneden.
Afbeelding: uitsnede uit de cultuurhistorische waardenkaart (2013)
In december 2022 is de cultuurhistorische elementenkaart vastgesteld door de gemeenteraad. Hierbij is de historisch geografische waardenkaart als uitgangspunt gebruikt, zie navolgende afbeelding.
39
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
Afbeel ding: historisch geografische waardenkaart
Op basis van de cultuurhistorische elementenkaart is een cultuurhistorische analyse vervaardigd (zie Bijlage 6). 4.4.2
Analyse
Er is een cultuurhistorische analyse uitgevoerd ten behoeve van het plan. Deze is toegevoegd in Bijlage 6 van de toelichting. Uit de analyse komen de volgende aanbevelingen naar voren: Geef de historische terpen de ruimte, zodat deze als zichtbare elementen in het landschap komen te liggen. Potentieel vormen de terpen samen met Avendorp een ensemble en een herkenbare entree van Schagen. Houd de Bonkelaarsdijk en Muggenburgerweg zichtbaar en geef ze continuiteit binnen en buiten het plangebied. Behoud doorzichten vanaf de Bonkelaarsdijk naar het omliggende landschap, door bijvoorbeeld zichtlijnen of toegangswegen. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is de verkaveling tussen Muggenburgerweg en Bonkelaarsdijk verstoord. Hier is meer ruimte om de structuur van het woongebied een eigen inrichting te geven. Daartegenover is de verkaveling ten noorden van de Muggenburgerweg intact. Het waterpatroon in combinatie met het microreliëf op de percelen verdient het om opgenomen en als mogelijk behouden te worden in het plan. In deel 2 van de analyse is toegelicht hoe de aanbevelingen mee worden genomen in de uitwerking van de plannen. In voorliggend bestemmingsplan is een dubbelbestemming opgenomen waarmee de cultuurhistorisch waardevolle elementen zijn beschermd. Het gaat om de terpen, de Muggenburgerweg en de historische sloten.
Het stedenbouwkundig ontwerp houdt rekening met de waardevolle elementen.
40
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
4.4.3
Conclusie
Uit de cultuurhistorische analyse volgt dat er met respect voor de cultuurhistorische waarden binnen het plangebied kan worden gekomen tot planvorming. De waardevolle elementen zijn beschermd via een dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie.
4.5
Bodemkwaliteit
4.5.1
Beleidskader
Wet bodembescherming Het doel van de Wet bodembescherming (Wbb) is in de eerste plaats het beschermen van de land- of waterbodem zodat deze nu en in de toekomst kan worden benut door mens, dier en plant. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor de beoogde functie. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Wabo, Wbb en Woningwet Op grond van de Wabo geldt een uitgestelde inwerkingtreding van de omgevingsvergunning bij een redelijk vermoeden van ernstige bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen.
Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem en de aard, omvang en opbouw van het op te stellen onderzoek. 4.5.2
Analyse
In het voorliggende geval is sprake van een functiewijziging van agrarisch gebruik naar woongebied. Er is derhalve een vooronderzoek bodem uitgevoerd waarvan de rapportage is bijgevoegd als Bijlage 7. Het vooronderzoek is de eerste fase van bodemonderzoek. Uit het vooronderzoek volgt of sprake is van een verdachte locatie of niet. In combinatie met de aanleiding tot het onderzoek, bepaalt dit of een verkennend bodemonderzoek nodig is, de tweede fase. In de rapportage wordt beschreven of hiervoor een aanleiding aanwezig is. Met het vooronderzoek worden de onderzoeksvragen zoals benoemd in de NEN 5725 beantwoord. Naast een historisch bureauonderzoek is de planlocatie tevens bezocht op 14 juli 2021. Uit de rapportage komt naar voren dat er geen grootschalige bodemverontreinigingen worden verwacht die een belemmering zouden kunnen vormen voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan. Wel dienen de in het plangebied aanwezige dammen nader te worden onderzocht. Ook zijn er in de jaren 1970 een aantal slootjes gedempt die
41
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
nader dienen te worden onderzocht op plaatselijke verontreinigingen. Een kleine storthoop en een baggerdepot aan de zuidgrens van het plangebied dienen tevens nader te worden onderzocht. 4.5.3
Conclusie
Op basis van de resultaten uit het milieuhygiënisch vooronderzoek worden geen belemmeringen verwacht voor de ontwikkeling van de onderzoekslocatie tot woningbouw. Voorafgaand aan de verdere locatieontwikkeling dient milieukundig bodemonderzoek te worden uitgevoerd ter plaatse van de in het rapport aangegeven locaties. De bodemkwaliteit is van dien aard dat deze de realisering van het onderhavige bestemmingsplan niet in de weg staat.
4.6
Gebruik gewasbeschermingsmiddelen
4.6.1
Algemeen
Vanuit een goede ruimtelijke ordening moet het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen worden meegewogen bij de realisatie van gevoelige bestemmingen als woningen. In voorliggend geval is ten zuidwesten van het plangebied van dit bestemmingsplan een agrarische bestemming aanwezig. Binnen deze agrarische bestemming is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet uitgesloten. Het voorliggend bestemmingsplan wordt tegen deze agrarische bestemming aan geprojecteerd. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk wordt geacht. Op grond van diezelfde rechtspraak is het mogelijk om deze afstand te verkleinen indien daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. 4.6.2
Analyse
Er is voor het plan een onderzoek naar de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en spuitzones uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 8. Het onderzoek is enerzijds om voor de nieuwe woonbestemmingen te beoordelen of sprake is van een ruimtelijk aanvaardbare situatie en anderzijds om te beoordelen of sprake is van een vergroting van het risico op toekomstige beperkingen voor toepassing van gewasbeschermingsmiddelen ten opzichte van de bestaande situatie. Secundair is de blootstelling beoordeeld die zou kunnen optreden aan de hand van het EFSA-model, dat strekt ter uitvoering van Verordening 528/2012/EU. Het model is robuust in die zin dat eerder een overschatting (worst case) dan een onderschatting van de driftblootstelling wordt geprognosticeerd (o.m. meewind, opname van stoffen door het lichaam en lichaamsgewicht). Rekening houdend met de bestemde situatie is uitgegaan van akkerbouw, tuinbouw en beperkt bloem(bollen)teelt als representatief in die zin dat dit teelten zijn waarbij het risico op driftblootstelling het hoogste zal zijn. Aanvullend hierop zijn worst case uitgangspunten gehanteerd om de driftblootstelling niet te onderschatten. Op deze grondslag wordt blijkens het EFSA-model geen te hoge blootstelling verwacht op een afstand vanaf 2-3 meter.
Uit voorzorg wordt geadviseerd om een grotere afstand aan te houden van 2 tot 3 maal deze afstand op het moment dat geen afscherming zal worden
42
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
toegepast. In het ontwerpbestemmingsplan werd reeds rekening gehouden met een minimale onderlinge afstand van 12,50 meter, kortom ruim vier maal de afstand welke vanuit het EFSA model als veilig wordt beschouwd. Naar aanleiding van de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan en een ingediende zienswijze van de eigenaren en/of gebruikers van de zuidelijk gelegen agrarische gronden is er overleg geweest. Er is ervoor gekozen om aan te sluiten bij de huidige jurisprudentie die stelt dat een afstand van 50 meter moet worden aangehouden. Daarom is het bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerp aangepast door 50 meter afstand aan te houden tussen de gronden waarop gewasbescherminsmiddelen kunnen worden gebruikt en de woonpercelen binnen het plangebied Muggenburg Zuid. Bovendien is in de regels van de openbare bestemmingen (verkeer en groen) binnen voorliggend bestemmingsplan opgenomen dat langdurig verblijf of recreatie niet is toegestaan. Het voornemen bestaat om in de toekomst via een separate procedure omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan/omgevingsplan alsnog de realisatie van de woningen mogelijk te maken wanneer jurisprudentie helderder is.
Gelet op dit alles kan worden geconcludeerd dat geen sprake is van een risico op onaanvaardbare blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen welke kan leiden tot (aanvullende) beperkingen voor het agrarische grondgebruik zoals dat door het geldende bestemmingsplan wordt toegelaten op de gronden rondom de nieuwe woonbestemmingen. Om te beoordelen wat de effecten zijn van de planaanpassing op de verschillende omgevings- en milieuaspecten en de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is een notitie opgesteld welke is bijgevoegd als Conclusie In het kader van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is het plan haalbaar.
4.7
Klimaatadaptatie
In het plan wordt rekening gehouden met het veranderende klimaat. Omdat er steeds extremere weersituaties voorkomen (denk aan neerslag en langdurige hitte) moeten er maatregelen worden genomen om deze situaties het hoofd te bieden. De opzet van het plan is dat er zoveel mogelijk de bestaande waterstructuur behouden blijft. Daarnaast wordt er water gerealiseerd dat als open waterberging fungeert. Rond de waterpartijen worden ook gronden groen ingericht. Zowel het water als het groen wordt zodanig bestemd dat deze voorzieningen in stand blijven. Het realiseren van water en groen zorgt ook voor vermindering van hittestress in de wijk. Los van de open waterberging wordt er tevens alternatieve waterberging toegepast in de vorm van waterbergende funderingen onder wegen en via wadi's. De waterbergende funderingen worden aangebracht onder de wegen binnen de woonvelden (niet de hoofdontsluitingsstructuur), de parkeerplaatsen en de wandel-/fietspaden.
43
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
4.8
Externe veiligheid
4.8.1
Beleidskader
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid, moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft. Ook dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Plaatsgebonden risico Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen gemotiveerd toegestaan. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.
Groepsrisico Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. Verantwoording groepsrisico Binnen het invloedsgebied geldt dat voor ieder ruimtelijk plan groepsrisicoverantwoording verplicht is. Een verantwoording is een kwalitatieve beschrijving over de waarde van het groepsrisico, maatregelen, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het advies van de veiligheidsregio speelt hierbij een belangrijke rol. Bij complexe projecten ligt doorgaans een proces van overleg met veiligheidsdeskundigen ten grondslag. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) uit 2004 legt veiligheidsnormen op aan overheden die besluiten nemen over bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren.
Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij (beperkt) kwetsbare objecten waaronder woningen, ziekenhuizen, scholen, winkels, horecagelegenheden en sporthallen. Hierdoor ontstaan risico's voor mensen die in de buurt ervan wonen of werken. Het besluit verplicht ook om gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen waar kwetsbare objecten worden mogelijk gemaakt, zoals woningen, rekening te houden met externe veiligheid. Dit betekent bijvoorbeeld dat de woningen op een bepaalde afstand moeten staan van een risicovol bedrijf dat werkt met grote hoeveelheden aan gevaarlijke
44
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
stoffen. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen die gevaarlijke stoffen vervoeren onder hoge druk. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarmee zijn nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen) binnen de PR 10-6 contour niet toegestaan. Ook is geldt dat wanneer binnen het invloedsgebied van een buisleiding een nieuwe kwetsbare functie wordt mogelijk gemaakt, de verantwoordingsplicht van toepassing is. Het Bevb gaat uit van een belemmerde strook van 4 of 5 meter, afhankelijk van de druk in de leiding. Binnen deze strook mag er niet gebouwd worden. Er kan bij omgevingsvergunning van worden afgeweken voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In het Bevt staan regels voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen waar vervoer over plaatsvindt van gevaarlijke stoffen.
Het Bevt hanteert een vaste grens van 200 meter, vanaf de buitenrand van de transportroute, waarbuiten in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buiten de 200 meter is een verantwoording niet noodzakelijk als er een toename van het aantal mensen wordt toegestaan. Wel geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maken, buiten de 200 m, in de toelichting aandacht moet worden besteed aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor zover het binnen het invloedsgebied van de transportroute is gelegen. Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt, net als bij het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Een volledige verantwoording kan achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden.
Indien sprake is van een volledige verantwoording dienen maatregelen ter beperking van het GR, alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van de omvang van een calamiteit te worden overwogen. Een beperkte verantwoording houdt wel rekening met de effecten van een calamiteit en vindt alleen plaats als het plangebied binnen het invloedsgebied (effectgebied) van transportassen is gelegen. In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Een PAG is een zone, waarbinnen bij het realiseren van nieuwe kwetsbare objecten aandacht besteed moet worden aan de effecten van een plasbrand. Het kan zijn dat er extra bouwkundige maatregelen nodig zijn om de zelfredzaamheid van de personen te verhogen. 4.8.2
Analyse
In het kader van externe veiligheid is een de Risicokaart Noord-Holland geraadpleegd. Het gebied Muggenbrug-Zuid is gelegen aan de zuidkant van Schagen en is ingesloten door de N245 aan de westzijde en het spoor Heerhugowaard - Den Helder aan de oostzijde.
45
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
De spoorlijn Alkmaar- Den Helder is geen onderdeel van het basisnet en hier vindt dan ook geen transport van gevaarlijke stoffen over plaats. Daarnaast is het plan gelegen buiten het invloedsgebied van inrichtingen en buisleidingen. De N245 is weliswaar geen onderdeel van het basisnet, toch vindt hier in geringe mate transport van gevaarlijke stoffen over plaats. Omdat het aantal personen binnen het voorliggende plangebied toeneemt als gevolg van de realisatie van woningen en een basisschool is een groepsrisicoberekening uitgevoerd als gevolg van de N245. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 10. Plaatsgebonden risico Uit de resultaten komt naar voren dat de normen voor het plaatsgebonden risico en plasbrandaandachtsgebieden geen belemmering vormen voor de ontwikkeling in het plangebied. Groepsrisico Het groepsrisico is voor de N245 met RBM II berekend voor de bestaande (bestemde) situatie en de nieuw te bestemmen situatie. In de bestaande bestemde situatie en nieuw te bestemmen situatie bedraagt het hoogste groepsrisico per km maximaal 0,472 maal de oriëntatiewaarde. De ontwikkelingen in het plangebied hebben geen gevolgen voor het groepsrisico langs de N245.
Omdat in de nieuw te bestemmen situatie er geen sprake is van een toename van het groepsrisico (en het groepsrisico minder bedraagt dan 1 maal de oriëntatiewaarde) is een verantwoording van het groepsrisico in het ruimtelijk besluit op grond van het Bevt niet noodzakelijk. De hoogte van het groepsrisico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied. De veiligheidsregio moet wel in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen ten aanzien van de aspecten rampbestrijding en zelfredzaamheid. Voor wat betreft de zelfredzaamheid van de kinderen die aanwezig zijn bij de school kan worden gesteld dat deze verminderd zelfredzaam zijn. Gezien het feit dat de ontsluitingsweg van de school van de N245 af is gericht, betekent dat dat er goede vluchtmogelijkheden zijn waarbij kan worden gevlucht in tegengestelde richting van de plek van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Ook is er een voetgangersbrug gepland die direct vanaf het schoolplein in dezelfde richting (weg van de plek van een ongeval) leidt. 4.8.3
Conclusie
De wetgeving omtrent externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor het onderhavige bestemmingsplan.
46
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
4.9
Geluid
4.9.1
Wegverkeerslawaai
4.9.1.1 Beleidskader Eén van de grondslagen voor de ruimtelijke afweging is de Wet geluidhinder (Wgh). De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. Op grond van de Wet geluidhinder gelden zones rond geluidbronnen met een grote geluiduitstraling, zoals (spoor)wegen en industrieterreinen. De belangrijkste bestaande geluidzones bevinden zich langs bestaande wegen en spoorwegen en rond grote bestaande industrieterreinen. Volgens de wet mag de geluidbelasting op de gevel van een nieuwe gevoelige bestemming binnen stedelijk gebied niet hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai. Op plaatsen waar door omstandigheden niet aan de hiervoor genoemde grenswaarde kan worden voldaan, kan een hogere grenswaarde worden vastgesteld met een maximum van 63 dB voor binnenstedelijke situaties (68 dB voor vervangende nieuwbouw). Op basis van de Wgh dient bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarde het effect van maatregelen te worden beschreven. Door het treffen van maatregelen kunnen de geluidsbelastingen worden gereduceerd. De systematiek in de Wgh is zodanig dat eerst moet worden beoordeeld of maatregelen aan de geluidsbron mogelijk zijn en daarna in het overdrachtsgebied tussen de bron en de woning.
Blijken de maatregelen op zwaarwegende bezwaren te stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard dan is het college van burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. Bij het ontwerpen van geluidreducerende maatregelen dienen achtereenvolgens de volgende aspecten onderzocht te worden: maatregelen aan de bron; maatregelen in de overdrachtsweg; maatregelen bij de ontvanger. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd waarvan de rapportage is bijgevoegd als Bijlage 11. 4.9.1.2 Analyse De geluidbelasting ten gevolge van het verkeer over de N245 en nieuwe ontsluitingsweg leidt tot een overschrijding van de hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB. De hoogst berekende waarde bedraagt respectievelijk 56 dB en 57 dB. Deze waarden zijn inclusief correctie art. 3.4 uit het RMG 2012. Om deze reden is aanvullend onderzoek naar geluidreducerende maatregelen uitgevoerd. Het toepassen van een bronmaatregel is in de nieuwe situatie niet mogelijk. Het toepassen van een dunne deklaag is namelijk niet geschikt bij kruispunten. Het aanpassen van de snelheid zal stuiten op bezwaren van verkeerskundige aard. Om deze reden kan een bronmaatregel niet worden toegepast. Het plaatsen van een scherm binnen het plangebied is niet doelmatig en niet mogelijk vanwege bezwaren van stedenbouwkundige aard.
Hierom is het benodigd om hogere waarden aan te vragen. Voor het overzicht van de aan te vragen hogere waarden wordt verwezen naar de bijgevoegde rapportage. Voor de nieuwe ontsluitingsweg hoeven geen hogere waarden aangevraagd te worden omdat
47
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
de maximum snelheid hier 30 km/uur bedraagt. De geluidsbelasting is hoger dan de maximaal toelaatbare waarde van 48 dB. Daarom moet voor de realisatie van de woningen bij de aanvraag om een omgevingsvergunning aangetoond worden dat wordt voldaan aan het Bouwbesluit afdeling 3.1 Bescherming tegen geluid van buiten. De binnenwaarde mag de 33 dB niet overschrijden. Concreet betekent dit dat ter plaatse van geluid belaste gevels wellicht geluiddempende ventilatievoorzieningen (susroosters) en akoestische beglazing toegepast moet worden. Dit in combinatie met een goede naad- en kierdichting. In het akoestisch onderzoek is de beoogde maatschappelijke bestemming waar de basisschool moet komen, meegenomen als woonveld. Voor de beoordeling maakt dit geen verschil: het zijn beide geluidsgevoelige bestemmingen waarvoor hetzelfde toetsingskader geldt. 4.9.2
Reconstructie
4.9.2.1 Beleidskader In de Wet geluidhinder staat aangegeven dat wanneer fysieke wijzigingen plaatsvinden aan een bestaande weg onderzocht dient te worden of deze leiden tot een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Wanneer sprake blijkt van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder, dient nader onderzoek te worden verricht naar het effect van maatregelen en treedt een regime van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting en uiterste grenswaarde in werking. 4.9.2.2 Analyse Uit de berekeningen blijkt dat de fysieke wijziging van de N245 leidt tot een toename van maximaal 2 dB (onafgerond 1,56 dB) bij twee woningen die al een geluidbelasting hebben van 48 dB of hoger. De hoogste toename is minstens 2 dB, dus er is sprake van een gering reconstructie-effect in de zin van de Wet geluidhinder. Deze toename wordt veroorzaakt door de fysieke wijziging maar ook door de autonome groei van het verkeer. De toename van 2 dB vindt plaats op twee woningen, de Gebr. Luiderstraat 20 en 22. Bron- of overdrachtsmaatregelen zijn niet toepasbaar of stuiten op bezwaren van technische, stedenbouwkundige, archeologische, ruimtelijke of financiële aard. Hierom is het nodig om hogere waarden aan te vragen voor deze twee woningen. Gebr. Luiderstraat 20: 50 dB Gebr. Luiderstraat 22: 51 dB De toename van de geluidbelasting is groter dan de maximaal toename van 2 dB.
Daarom moet voor de bestaande 2 woningen aangetoond worden dat blijvend wordt voldaan aan het Bouwbesluit afdeling 3.1 Bescherming tegen geluid van buiten. Concreet betekent dit dat ter plaatse van geluid belaste gevels wellicht geluiddempende ventilatievoorzieningen (susroosters) en akoestische beglazing toegepast moet worden. Dit in combinatie met een goede naad- en kierdichting.
48
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
4.9.3
Spoorweglawaai
4.9.3.1 Beleidskader Indien nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de onderzoekszone van een spoorweg mogelijk worden gemaakt, moet onderzoek plaatsvinden naar de geluidsbelasting vanwege deze spoorweg. De zone is afgebeeld op de geluidkaart, te vinden op www.geluidregisterspoor.nl. Grondslag hiervoor is artikel 4.3 Besluit geluidhinder (Bgh). Binnen deze zone gelden voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden voor spoorweglawaai (art. 4.9 t/m 4.12 Bgh). Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarden is vaststelling van een hogere waarde mogelijk, mits de maximale grenswaarde daarbij niet wordt overschreden (art. 4.10 t/m 4.12 Bgh). Hogere grenswaarden worden alleen verleend als maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. 4.9.3.2 Analyse De berekende geluidsbelasting ter plaatse van randen van de woonvlakken ten gevolge van railverkeer bedraagt ten hoogste 66 dB (Lden). De ten hoogste toelaatbare waarde van Lden 55 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Om deze reden is aanvullend onderzoek naar geluidreducerende maatregelen nodig voor het railverkeer. Uit het maatregelenonderzoek blijkt dat bronmaatregelen niet mogelijk zijn.
Raildempers kunnen enkel geplaatst worden op betonnen onderleggers, de onderleggers van het nabij liggend spoor zijn van hout. In de toekomst kunnen de houten onderleggers worden vervangen door betonnen onderleggers. Omdat niet duidelijk is wanneer dit zou kunnnen plaatsvinden kan er nu geen rekening worden gehouden met raildempers. Het toetsingskader is immers het Geluidregister. Het toepassen van raildempers kan een geluidreductie van 1 á 2 dB realiseren. Deze reductie is lang niet voldoende om de geluidbelasting terug te brengen tot onder de maximaal toelaatbare waarde. Het plaatsen van overdrachtsmaatregelen, zoals schermen, zijn niet doelmatig volgens de Wet geluidhinder en stuit op bezwaren van stedenbouwkundige en financiële aard. Het plaatsen van doelmatige schermen is technisch niet inpasbaar met de huidige stedenbouwkundige invulling van het plangebied. Hierom zijn hogere waarden benodigd. Voor het overzicht van de aan te vragen hogere waarden wordt verwezen naar de bijgevoegde rapportage. De geluidsbelasting is hoger dan de maximaal toelaatbare waarde van 55 dB. Daarom moet voor de realisatie van de woningen bij de aanvraag om een omgevingsvergunning aangetoond worden dat wordt voldaan aan het Bouwbesluit afdeling 3.1 Bescherming tegen geluid van buiten. De binnenwaarde mag de 33 dB niet overschrijden.
Concreet betekent dit dat ter plaatse van geluid belaste gevels wellicht geluiddempende ventilatievoorzieningen (susroosters) en akoestische beglazing toegepast moet worden. Dit in combinatie met een goede naad- en kierdichting.
49
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
4.9.4
Industrielawaai
Aan de oostzijde van het plangebied, ten oosten van het spoortraject, is een bedrijventerrein De Witte Paal aanwezig. Hier zijn bedrijven aanwezig waarvan de richtafstand vanuit de VNG binnen het plangebied reiken. Beoordeeld dient daarom te worden of de bedrijven in hun bedrijfsvoering worden belemmerd en of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen. 4.9.4.1 Analyse Naar de aanwezige bedrijven op De Witte Paal is ook onderzoek gedaan. Verwezen wordt naar Bijlage 11. Van de bedrijven die aanwezig zijn op het bedrijventerrein zijn alle milieuvergunningen of -meldingen opgevraagd. Uit de vergunningen en meldingen is gebleken dat er bestaande bedrijfswoningen aanwezig zijn op het bedrijventerrein waarmee de bedrijven rekening dienen te houden. Deze bedrijfswoningen liggen op kortere afstand van de bedrijven op het bedrijventerrein dan de nieuwe woningen. Er kan daarom geconcludeerd worden dat de voorliggende planontwikkeling geen bedrijven in hun bedrijfsvoering belemmert en dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen het plangebied. 4.9.5
Conclusie
Als gevolg van het wegverkeerslawaai en spoorweglawaai dienen hogere waarden te worden aangevraagd. De reconstructie van de weg zorgt tevens voor te hoge waarden op de gevels van bestaande woningen. Hiervoor dienen ook hogere waarden te worden aangevraagd en gebeurt via een losse procedure van het bestemmingsplan. Daarom moet voor de realisatie van de woningen bij de aanvraag om een omgevingsvergunning aangetoond worden dat wordt voldaan aan het Bouwbesluit afdeling 3.1 Bescherming tegen geluid van buiten. Concreet betekent dit dat ter plaatse van geluid belaste gevels wellicht geluiddempende ventilatievoorzieningen (susroosters) en akoestische beglazing toegepast moet worden. Dit in combinatie met een goede naad- en kierdichting. Dit is in de fase van het bestemmingsplan nog niet nodig. Voor het bestemmingsplan is voldoende onderzoek op het gebied van geluid verricht. Het geluidsniveau op en rond de bebouwing langs het spoor is hoger dan de voorkeursgrenswaarde. Gezien de ruime opzet van het plangebied waar veel aandacht is voor groen, water, cultuurhistorie en voet- en fietspaden, wordt afgewogen dat deze aspecten ondanks dat het geluidklimaat hoog is, er per saldo voor zorgen dat er een voldoende goed woon- en leefklimaat aanwezig is. Het geluidsaspect vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.10
Geur
4.10.1 Beleidskader De veehouderij speelt bij de planologische ontwikkelingen in en nabij het buitengebied, in relatie tot het aspect geur, meestal een rol in Nederland. Bij besluitvorming over ruimtelijke plannen moet voor het aspect geur getoetst worden aan de omgekeerde werking. Hierbij wordt bepaald of het plan niet in strijd is met de wet en of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voor het aspect geur en veehouderijen is de normering vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Deze wet bevat afstandsnormen en geurbelastingsnormen die in acht moeten worden genomen bij de besluitvorming. Hierbij geldt dat geurgevoelige objecten die binnen de contouren van de geldende geurnormen (afstandsnormen en
50
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
geurbelastingsnormen) zijn geprojecteerd in beginsel niet toelaatbaar zijn. Een object binnen deze contouren zal namelijk mogelijk hinder ondervinden van de veehouderij. Ook zou het ontstaan van een nieuw object binnen deze contouren van een veehouderij een beperking op kunnen leveren bij eventuele wijziging van deze veehouderij. Het bouwen buiten de contouren van de geldende geurnormen van een veehouderij betekent daarentegen niet zonder meer dat kan worden uitgegaan dat ter plaatse geen geurhinder wordt ondervonden. Om aan te tonen dat er geen geurhinder wordt ondervonden en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gerealiseerd, dient de geurbelasting ter plaatse van het geurgevoelige object te worden bepaald (voorgrondbelasting en achtergrondbelasting). De geurhinder die ter plaatse van de geurgevoelige objecten ondervonden wordt, wordt uitgedrukt in een hinderpercentage. Het hinderpercentage is het percentage mensen dat de geur ten gevolge van de veehouderij(en) als hinderlijk ervaart. Deze hinder-percentages kunnen vervolgens worden vertaald naar een milieukwaliteit. De gemeenteraad maakt zelf de afweging welk hinderniveau of milieukwaliteit acceptabel is voor een goed woon- en leefklimaat. 4.10.2 Analyse Er is een onderzoek uitgevoerd naar de mate van geurbelasting vanuit het agrarisch bedrijf op het plangebied. De rapportage ervan is bijgevoegd als Bijlage 12.
Uit de rapportage blijkt het volgende. Uit het geuronderzoek blijkt dat in de vergunde/gemelde situatie het plangebied is gelegen binnen de geurcontour van een naastgelegen veehouderij (Bonkelaarsdijk 4a). De maximale geurbelasting op de rand van het plangebied bedraagt 7,2 oue/m3; P98. Dit is gebaseerd op de worst-case aanname van de stal emissies. In het geval van een omschakeling naar een paardenfokkerij wordt er rekening gehouden met een contour van 100 meter vanaf de stal. Deze contour is weergegeven in figuur 4-4 hieronder. In het oranje gebied mogen geen geurgevoelige gebouwen worden gerealiseerd.
51
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
Figuur 4-4: Geurcontouren rondom de stal aan de Bonkelaarsdijk 4a. Het nieuw te bouwen woongebied zal door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijfsfunctie hebben. Dat maakt dat er in de toekomstige situatie in het plangebied sprake is van een bebouwde kom. Dit betekent dat er in het woongebied een afstandseis van 100 meter ontstaat ten opzichte van de stal aan de Bonkelaarsdijk 4A. Hier is in voorliggend bestemmingsplan rekening mee gehouden door middel van een geurcontour. Hierbinnen mogen geen geurgevoelige objecten (zoals woningen) worden gebouwd. Een tuin is wel toegestaan.
52
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
4.10.3 Conclusie Bij alle woningen in het plangebied zal sprake zijn van minimaal een redelijk goed woon- en leefklimaat op het gebied van geur. Het agrarisch bedrijf wordt niet beperkt in de bedrijfsvoering. Binnen de geurzone van 100 meter waar een matige milieukwaliteit heerst worden geurgevoelige objecten niet toegestaan. Het aspect geur vormt daarom geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
4.11
Luchtkwaliteit
4.11.1 Beleidskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een uit een oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit (titel 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer) is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Het doel van het NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 ìg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 ìg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Het begrip “niet in betekenende mate bijdragen” (NIBM) is een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit als zowel de jaargemiddelde grenswaarde NO2 als PM10 niet meer toeneemt dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde van die stof.
Dit betekent, kortweg, dat als de toename van de beide jaargemiddelde concentraties kleiner is of gelijk is aan 1,2 ìg/m3 een ontwikkeling kan worden beschouwd als een project dat NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Bijlage 3A van de Regeling NIBM geeft aan, in welke gevallen een nieuwe woningbouwlocatie in ieder geval NIBM is: 1. maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 2. maximaal 3.000 woningen (netto) bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Voor ruimtelijke projecten geldt uiteraard ook het principe van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast kan de amvb Gevoelige bestemmingen relevant zijn. Met het Besluit gevoelige bestemmingen van 1 december 2008, gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer, wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen'zoals een school of een verzorgingstehuis- in de nabijheid van provinciale en rijkswegen beperkt. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek noodzakelijk is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg.
53
bestemmingsplan Muggenburg Zuid
Waar in de onderzoekszone de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op een dergelijke plek de vestiging van bijvoorbeeld een school niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10% van het totale aantal blootgestelden toegestaan. 4.11.2 Analyse In voorliggend geval is overwegend sprake van woningen, welke geen gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen zijn. Op de woningen is het besluit daarom niet van toepassing. Bij het mogelijk maken van een basisschool is het besluit wel van toepassing. De basisschool wordt echter gerealiseerd buiten de 50 meter zone vanaf de N-weg, op circa 100 meter. Er is daarom geen strijd met dit besluit. Bij de voorliggende ontwikkeling blijft het aantal te realiseren woningen ruim onder de 1.500. Hierdoor kan gesteld worden dat de planontwikkeling NIBM is. Bovendien is in het kader van een goede ruimtelijke ordening met behulp van Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie I&M en RIVM) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2021 geven de volgende waarden: 11 13 µg/m³ NO2, 13 - 14 µg/m³ PM10 en 6 - 7 µg/m³ PM2,5.