CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

094c bijlage Startversie en analyse document PPLG

Oordeelsvormende vergadering 28 november 2023, gemeente SchagenBij agendapunt: Geagendeerd op verzoek van de PvdA: Raadsinformatiememo 094 Provinciaal Programma Landelijk Gebied (PvdA is benieuwd hoe alle sectoren worden betrokken, behalve landbouw ook industrie en gebouwde omgeving om tot lagere stikstof uitstoot te komen)45.242 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

richt te zijn. Hiervoor hanteren we aantal belangrijke

goede kwantitatieve toestand vergt blijvende aandacht

pijlers. In de eerste plaats de zogeheten ‘meerlaagse

in het Gooi en de duinen, in verband met de drinkwater­

veiligheid’, waarvan de lagen zijn: 1) voorkomen van

winningen aldaar.

overstromingen, 2) duurzame ruimtelijke planning en 3) rampbeheersing. We breiden deze lagenbenadering

Het is belangrijk om in Natura 2000-gebieden het

uit met laag 4 (herstel) en laag 5 (waterbewustzijn). Een

gebiedseigen water (kwel en neerslag) van goede

tweede pijler is ‘van lijn naar zone’. Dit betekent dat we

kwaliteit zo lang mogelijk vast te houden. Zo gaan we

anticiperen op toekomstige ruimtebehoefte rond de

verslechtering van de waterkwaliteit door het inlaten

keringen en inzetten op functiecombinaties. We hebben

van gebiedsvreemd water tegen. De mogelijkheden

de ambitie om samen met de waterschappen eind 2024 de

hiervoor zijn het herstellen van kwel in het gebied, het

ruimtebehoefte geïnventariseerd te hebben. Daarna zal

verminderen van wegzijging en het vasthouden van

juridische borging kunnen plaatsvinden, in onze

water door natuurlijke peilfluctuatie.

Omgevingsverordening. Ook met de derde pijler

4. Klimaatadaptatie: beleid, inrichting en beheer

aangepast aan het veranderende klimaat. Schade en ontwrichting door weersextremen zoveel mogelijk beperken (2050)

anticiperen we op de toekomst. Samen met andere overheden stellen we scenario’s rond klimaatverandering en zeespiegelstijging op. Op basis daarvan sturen we op gevolgenbeperking bij overstromingen (locatiekeuze en klimaatrobuuste inrichting). Tenslotte, de vierde pijler,

Dit doel omvat de thema’s waterveiligheid, waterbeschik­

hebben we ook meer aandacht voor de risico’s rond vitale

baarheid/droogte/verzilting en wateroverlast. Deze

en kwetsbare objecten en infrastructuur, zowel bij het

thema’s komen hieronder achtereenvolgens aan de orde.

normeren van de keringen als bij het klimaatbestendig

De provinciale beleidsdoelen en maatregelen voor water­

inrichten van het landelijk gebied.

veiligheid zijn concreet geformuleerd en opgenomen in het Regionaal Waterprogramma 2022-2027. Voor de

De concrete subdoelen voor waterveiligheid zijn:

andere genoemde thema’s is het beleid nog voor een

• Primaire waterkeringen voldoen in 2050 aan de

belangrijk deel in ontwikkeling. Uiteraard is er een

wettelijke normen en hebben een hoogwaardige

relatie tussen deze thema’s en de nadere WBS-uitwerking

ruimtelijke kwaliteit.

Buitengewoon Noord-Holland!

34

• Regionale keringen die in de tweede toetsronde

Provincie Noord-Holland

• Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen met een water­

(afgerond in 2024) worden afgekeurd, voldoen uiterlijk

vraag zullen gepaard moeten gaan met maatregelen

in 2030 weer aan de norm.

om (zelfvoorzienend) droge perioden te overbruggen.

• Veiligheid voor overstromingsgevoelige gebieden

Daarnaast dient de zoetwatervraag zoveel mogelijk te

(kustplaatsen, buitendijkse gebieden, diepe polders

worden beperkt door middel van innovatie en dient er

en verstedelijkte gebieden) door het treffen van

te worden voorkomen dat er afwenteling plaatsvindt

klimaatadaptieve maatregelen.

door om te schakelen naar een andere zoetwaterbron. Zelfvoorzienendheid voor de eigen watervraag zal in

Om de waterveiligheid in bestaande buitendijkse gebieden beter te waarborgen gaan we in 2024 in overleg met Rijk, gemeenten en waterpartners om ons beleid restrictiever te maken, dus minder toe te laten.

het beleid verder worden uitgewerkt en daarbij zullen we inzetten op stimuleringsmaatregelen. • Bebouwd gebied kan te maken krijgen met lagere grondwaterstanden, bodemdaling en paalrot.

b. Waterbeschikbaarheid, droogte en verzilting

We houden er rekening mee dat vernatting/peilverhoging

Over het hele jaar gemeten heeft de provincie nog altijd

in veenweidegebieden om bodemdaling en CO2-uitstoot

een neerslagoverschot. Echter, als gevolg van klimaat­

tegen te gaan veel water vraagt. Als dit zoet water

veran­dering en door toenemende watervraag zijn er

betreft, betekent dit dat er voor andere functies minder

vaker perioden van watertekorten en droogte. Het

zoet water beschikbaar is. De keuze die voor de Noord-

noordelijk deel van Noord-Holland is sterk afhankelijk

Hollandse veengebieden wordt gemaakt heeft hiermee

van het water uit het IJsselmeer. Een recente stresstest

ook implicaties op andere gebieden/watergebruikers.

heeft uitgewezen dat deze buffervoorraad veel korter dan

Dit betreft zowel gebieden/watergebruikers in Noord-

gedacht toereikend is. Het zuidelijk deel van de provincie

Holland als daarbuiten. Daarom is er bovenregionale en

kent een verziltingspro­bleem dat ontstaat door indrin­

nationale afweging en afstemming nodig. Als het gaat

ging van zout zeewater. In onze Omgevingsverordening

om vernatting is, binnen de doelen, maatwerk per gebied

hebben wij verdringings­reeksen vastgesteld, waarmee

noodzakelijk. Dit betekent dat we samen met de agra­

in tijden van droogte de verdeling van het water wordt

rische sector, de waterbeheerders en andere betrokkenen

geregeld. Echter, door de recente droge jaren zijn vragen

bepalen wat en wanneer nodig is om deze doelen te

gerezen over de huidige en toekomstige verdeling. Veel

halen. Hierbij zijn participatie en een zorgvuldige voor­

van die vragen worden nationaal opgepakt in het kader

bereiding van groot belang. We vragen de waterbeheer­

van het Deltaplan zoet water, waaraan wij deelnemen

ders water vast te houden waar het kan en water aan te

via twee zoetwaterregio’s. Omdat de watervraag verder

voeren waar en wanneer het moet. Waar waterkwali­

zal toenemen, onder meer door vernatting van veen­

teits­doelen en klimaatdoelen strijdig zijn, geven we

weide­gebieden en waterstof- en drinkwaterproductie, is

prioriteit aan de klimaatdoelen.

het beleid op dit thema nog erg in ontwikkeling. Er lopen nog diverse onderzoeken, zoals naar de verdeling

c. Wateroverlast

van het water uit het hoofdwatersysteem en de gevolgen

Voor de opgave wateroverlast zijn de provinciale ambities

van zeespiegelstijging. Uiteraard speelt ook de nadere

voor een deel opgenomen in het eerdergenoemde uitvoe­

uitwerking van de WBS-uitgangspunten een rol.

rings­programma Klimaatadaptatie, maar er zijn nog

Duidelijk is dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening

geen concrete beleidsdoelen vastgelegd, waarop meer­

moet worden gehouden met afnemende zoetwaterbe­

jarig uitvoerings­beleid en instrumenten gebaseerd

schik­baarheid en bovenregionale verdelingsvraag­

kunnen worden. Wateroverlast is wel in de Omgevings­

stukken. Verzilting zal op termijn meer geaccepteerd

verordening opgenomen in de vorm van een normering

moeten worden, ook bij bestaande functies.

per gebruiksfunctie voor wateroverlast, zoals bijvoor­ beeld voor grasland. Omdat door klimaat­verandering

We houden er rekening mee dat droge periodes in de

vaker extreem weer zal voorkomen, zal deze waarschijn­

toekomst vaker voorkomen en langer duren waardoor er

lijk geactualiseerd moeten worden.

dan minder zoet water beschikbaar is: • Minder water voor doorspoeling om (interne) verzilting

Bij de ontwikkeling van beleid op het gebied van water­

tegen te gaan betekent dat we alert zijn op

overlast zullen wij rekening houden met de aanbevelingen

doelstellingen en teelten in gebieden en wellicht

van de beleidstafel Wateroverlast en Overstromingen:

scherpere keuzes maken tussen gebieden onderling.

• Verbreed, uiterlijk in 2027, de aanpak van normering

Dit geeft echter ook kansen: in de ene polder kan een bewuste keuze voor verzilting (met bijbehorende brakke natuurdoelstellingen en voor zover mogelijk meer zouttolerante teelten) leiden tot meer zoet water in een andere polder.

wateroverlast naar een meer risicogerichte benadering. • Voer in 2024 bovenregionale stresstesten uit voor extreme clusterbuien. • Neem in de provinciale uitvoeringsprogramma’s ruimte op voor regionale waterbergingen.

Buitengewoon Noord-Holland!

35

Provincie Noord-Holland

We streven ernaar de laatste aanbeveling uiterlijk in 2024

waterlichamen (in het zogeheten ‘overig water’) de

uit te werken en vervolgens verder te concretiseren in de

gestelde kwaliteitsdoelen te realiseren. Voor zwemwater

PPLG-gebiedsprocessen. Daarbij hanteren we, voor zover

is het doel om het aantal zwemlocaties uit te breiden en

dat mogelijk is, het WBS-uitgangspunt om 5% tot 10% van

de kwaliteit te verbeteren. De waterbeheer­ders in Noord-

diepe polders voor waterberging in te zetten. Het simpel­

Holland werken hard aan maatregelen om de KRW-doelen

weg reserveren van de diepste delen van een polder

te bereiken. De rol van de provincie is relatief beperkt.

achten wij niet altijd adequaat. De functie van een gebied

Wij houden in de gebiedsprocessen de samen­hang met

laat dat niet altijd toe en het watersysteem bepaalt boven­

de KRW-maatregelen van de waterschappen in het oog.

dien samen met de hoogteligging en de ruimtelijke inrichting waar bij extreme buien het meeste water op

In het Regionaal Waterprogramma 2022-2027 zijn de

maaiveld komt te staan. Naast waterberging in 5 tot 10%

maatregelen van de provincie opgenomen om de doelen

van de diepe polders om piekbuien op te vangen kijken we

te bereiken. De belangrijkste zijn:

ook naar ruimte in of uitbreiding van het watersysteem

• Uitvoeren van 24 KRW-maatregelen waarvoor de

(boezemberging en noodoverloopgebieden). Tevens zullen

provincie (mede)initiatiefnemer is. Deze maatregelen

we de sponswerking van de bodem bevorderen waardoor

hebben een relatie met de natura 2000- of NNN-

water beter kan worden vastgehouden en de bodem daarmee ook bijdraagt aan het voorkomen van watertekort.

opgaven. • Vaststellen van ecologische doelen voor het ‘overig water’ (voor de periode tot en met 2027 is dat reeds gebeurd).

Aan de randen van polders zoeken we naar ruimte voor

• Provinciale schutsluizen beter vispasseerbaar maken.

voorraadberging (ook wel seizoensberging genoemd). Dit

• Natuurvriendelijke oevers aanleggen in provinciale

om enerzijds zoet water vast te houden voor tijden van droogte en anderzijds wegzijging tussen polders te verminderen.

vaarwegen. • KRW-pilot uitvoeren, onder meer in het waterlichaam Uitgeester- en Heemskerkerbroek. • Het vergunning-, toezicht- en handhavingsbeleid voor

Ook streven we ernaar, de wateroverlastnormering voor veenweiden aan te passen, met het oog op de klimaat­ maat­regelen voor veenweidegebieden. Peilopzet en/of grondwaterstandsverhogingen kunnen in veenweide­

Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) intensiveren. • Subsidiëren van integrale projecten die waterkwaliteit koppelen aan andere beleidsdoelen. • Stimuleren van de verbetering van zwemwaterkwaliteit.

gebieden alleen tot stand worden gebracht in combinatie met aangepaste normen voor wateroverlast, omdat in

Bufferstroken, teeltvrije zones en natuurvriendelijke en

veenweide­polders de uitbreiding van de waterbergings­

natuurlijke oevers worden zoveel mogelijk in samenhang

ruimte of het oppervlak open water qua ruimtebeslag

gerealiseerd. Voor het halen van KRW-doelen is het

anders onrealis­t isch groot zal zijn. Uiteraard zullen

aanleggen van meer groenblauwe dooradering

we bij de aanpassing van de normen goed kijken naar

belangrijk (zie paragraaf 2.2.4).

de gevolgen, waaronder de juridische en financiële gevolgen. Ook hier zijn participatie en een zorgvuldige

Optimaliseren van hydrologische systemen

voorbereiding van groot belang.

Verdroging en verstoring van de oorspronkelijke (grond)

2.4.3 Oppervlaktewater: KRW-doelen en zwemwater

waterstromen is vaak een knelpunt voor natuurherstel. Voor onze deltanatuur is water een van de meest sturende factoren. Specifiek voor natuurherstel willen

Naast de in paragraaf 2.4.2 besproken NPLG-doelen zijn

we de hydrologische systemen in en om de Natura 2000-

er nog andere water- en bodemdoelen waar wij, samen

en NNN-gebieden in de binnenduinrand, Laag Holland,

met andere overheden, aan werken. Deze komen in de

het Vechtplassengebied en het Gooi optimaliseren.

resterende subparagrafen van 2.4 aan de orde.

Concreet gaat het om de volgende maatregelen: • Vernatting van laagveengebieden, ook om de uitstoot

Het doel is om de KRW-doelen voor ecologie en chemie in 2027 te halen, of in ieder geval de vereiste maatregelen tijdig uit te voeren. Deze doelen zijn breder dan de in

van CO2 te verminderen. Deze maatregel wordt nader

uitgewerkt in paragraaf 2.5.

• Herstel en benutting van kwelstromen, zowel in de

paragraaf 2.4.2 benoemde NPLG-doelen, die alleen

binnenduinrand als op de overgang van het Gooi naar

betrekking hebben op nutriënten en gewas­beschermings­­

de Vechtplassen.

middelen. Momenteel zijn nog in geen van de 89 regionale

• Op sommige plekken in de binnenduinrand, Laag

waterlichamen in Noord-Holland de KRW-doelen volledig

Holland en rondom het Amstelmeer en Wieringen is

bereikt.31 Daarnaast is het doel om ook buiten de KRW-

verzilting onomkeerbaar. Dit kan leiden tot aangepast

31 De meest recente informatie over het doelbereik in elk van de KRW-waterlichamen is te vinden in het waterkwaliteitsportaal van het Informatiehuis Water.

Buitengewoon Noord-Holland!

36

Provincie Noord-Holland

grondgebruik, zowel ten aanzien van eerder geformu­

2. Goede kwantitatieve toestand

leerde natuur­a mbities als het landbouwkundig

De kwantitatieve toestand van het grondwater in Noord-

gebruik. We voorzien door verzilting geen strijdigheid

Holland is goed. Er vindt geen uitputting plaats. Echter,

met de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn. In

in droge perioden kunnen tijdelijk tekorten ontstaan.

Laag Holland is brak water juist een kans voor de

Deze tekorten kunnen toenemen als gevolg van klimaat­

instandhouding van zeldzame natuurwaarden. Daar

verandering en toenemend gebruik van grondwater.

waar het kansrijk is zoeken we ruimte voor de ontwik­

Daarom zijn zeven verbetermaatregelen gepland, waar­

keling van brakke natuur. Er kan door verzilting wel

onder de aanleg van bufferzones rond het Naardermeer

strijdigheid met de huidige KRW-doelen ontstaan.

en de Kortenhoefse Plassen, het stimuleren van het

• Met name in de waterrijke natuurgebieden, Laag

vasthouden van kwelwater in het Vechtplassengebied,

Holland en Oostelijke Vechtplassen bevorderen we

een onderzoek naar het benutten van kwelwater in de

een natuurlijk peilbeheer dat bijdraagt aan de natuur­

binnenduinrand en een onderzoek naar het verhogen

doelen. Een natuurlijk peilbeheer in Noord-Holland

van de grondwaterstand in de veengebieden. De meeste

betekent een hoog peil in de winter, een lager peil in de

maatregelen zijn in uitvoering of voorbereiding; de laatste

zomer en een meer geleidelijke overgang daartussen.

twee onderzoeken moeten nog worden uitgevoerd. Wij

In het veenweidegebied vergt dit specifieke keuzes.

leggen bij deze onderzoeken en de maatregelen die eruit

Daar waar wordt ingezet op ‘groeiend veen’, zal de

voortvloeien, een koppeling met de gebiedsprocessen.

sponswerking van het veenmos hieraan bijdragen. • We streven naar het zo veel mogelijk vasthouden van

3. Duurzaam gebruik

gebiedseigen water in elk gebied. We beogen hiermee

Bij het gebruik van grondwater mag geen uitputting,

het water minder snel af te voeren. Dat doen we door

verontreiniging of verzilting plaatsvinden. Dit geldt

natuurherstel- en inrichtingsmaatregelen indien

algemeen en is vooral een aandachtspunt bij het gebruik

mogelijk te combineren met waterberging. Landbouw­

van grondwater voor het produceren van drinkwater en

bodems met een goede sponswerking – door onder

bodemenergie. Drinkwater komt hierna apart aan de orde.

meer een hoog organische stofgehalte in de bodem –

Wat bodemenergie betreft nemen wij drie maat­regelen:

spelen hierbij een belangrijke rol.

het opstellen van bodemenergieplannen, een onderzoek

• De Kaderrichtlijn Water is onder meer gericht op het

naar rendementsverhoging van bodemener­gie­systemen

verbeteren van de waterkwaliteit in zogeheten

en een onderzoek naar Hoge Temperatuur­opslag. De

beschermde gebieden, waartoe onder meer de Natura

maatregelen zijn in uitvoering of voorbereiding.

2000-gebieden worden gerekend. Soms moeten bij het nemen van maatregelen keuzes worden gemaakt

Wij verwachten niet dat de EU-richtlijn voor hergebruik

omdat natuurdoelen en waterkwaliteitsdoelen niet

van het effluent van rioolwaterzuiveringsinstallaties

goed verenigbaar zijn.

consequenties voor het grondwater zal hebben. Het

2.4.4 Grondwater: KRW

effluent zal, naar wij aannemen, niet voor grondwater­ aanvulling worden gebruikt.

De KRW-grondwaterdoelen zijn breder dan de in para­ graaf 2.4.2 benoemde NPLG-doelen (betrekking hebbend

De Studiegroep Grondwater heeft een rapport uitgebracht

op nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen en water­

over het voorkómen van uitputting, verdroging en ver­

kwantiteit). De doelen zijn vastgelegd in het Regionaal

vuiling.32 De resultaten betrekken wij bij de uitwerking

Waterprogramma 2022-2027, en zijn drieledig:

van de desbetreffende WBS-uitgangspunten. Via die weg

1. Goede kwaliteit In Noord-Holland is het grondwater naar KRW-maat­

zal het van invloed zijn op ruimtelijke ontwikkelingen in de nabije toekomst, en dus op komende PPLG’s.

staven in een goede toestand, met de eerdergenoemde

2.4.5 Drinkwater

uitzondering van een teveel aan fosfaat in het grond­

De drinkwatervoorziening in Nederland is in toenemende

waterlichaam duin Rijn-West. Naar de oorzaken

mate een zorg.33 Naast bevolkingsgroei en economische

daarvan zal een onderzoek plaatsvinden. Om de

groei zet klimaatverandering zowel bronnen als distri­

kwaliteit van het grondwater te waarborgen zijn

butie­systemen steeds meer onder druk. Voor­beelden zijn

maatregelen in uitvoering, waaronder de aanpak van

langdurige droge perioden, verzilting en de invloed van

verontreinigingen met onaanvaardbaar verspreidings­

de zeespiegelstijging op de infiltratie en terugwinning

risico, een onderzoek naar ammonium uit stortplaatsen

van drinkwater. Bovendien zijn drink­water en natuur

en de aanleg van een early warning meetnet.

onlosmakelijk met elkaar verbonden. Als de natuur onder druk staat betekent dat een risico voor de bronnen, zowel in kwalitatief als kwantitatief opzicht.

32 Studiegroep Grondwater (2020). Grondwater: onzichtbaar en onmisbaar. 33 RIVM (2023). Waterbeschikbaarheid voor de bereiding van drinkwater tot 2030 – knelpunten en oplossingsrichtingen.

37

Buitengewoon Noord-Holland!

Provincie Noord-Holland

De provincie heeft op grond van de Drinkwaterwet een

onderzoek uitgevoerd door Vitens, PWN en Waternet.

zorgplicht voor de duurzame veiligstelling van de

Op kaart 8 in de bijlage is een en ander aangegeven.

­

openbare drinkwater voorziening, net als andere PWN verkent in overleg met publieke partijen de aanleg

van de zuiveringsinspanning mag plaatsvinden en dat

van ‘klimaatbuffer’ in het IJsselmeergebied. De buffer is

deze op termijn moet verminderen. Wij zijn onder andere

een klimaatadaptieve maatregel om de kwaliteit van het

verantwoordelijk voor de vergunningverlening bij grond

innamewater in Andijk zeker te stellen en te verbeteren

waterwinningen en het aanwijzen van grondwater

en zo de leveringszekerheid voor het grootste deel van

beschermingsgebieden.

Noord-Holland te vergroten. Bovendien levert de

­

­

­

overheden overigens. De KRW bepaalt dat geen toename

­

klimaatbuffer verder onder meer een bijdrage aan de In Noord-Holland zijn drie drinkwaterbedrijven actief:

noodzakelijke verbetering van ecologische kwaliteit in

PWN, Waternet en Vitens. PWN gebruikt voornamelijk

het IJsselmeer. Momenteel is er nog onvoldoende zicht

oppervlaktewater uit het IJsselmeer en in mindere mate

op financiering.

het Lekkanaal. Naast oppervlaktewater wordt (beperkt) hollands Duinreservaat en grondwater uit het Gooi. De

dossiers’ de risico’s geïnventariseerd en op basis hiervan

belangrijkste bron van Waternet is het Lekkanaal en in

zijn uitvoeringsprogramma’s opgesteld. De provincie

mindere mate kwelwater uit de Bethunepolder (provincie

is verantwoordelijk voor de evaluatie en zo nodig actua

Utrecht) en natuurlijk duinwater uit de Amsterdamse

lisatie van de dossiers en programma’s voor de grond

­

­

­

Voor de bestaande winningen zijn in zogeheten ‘gebieds

­

gebruik gemaakt van natuurlijk duinwater uit het Noord

water winningen in Noord-Holland, in de periode

Holland levert is voornamelijk afkomstig uit grondwater

2022-2027.

­

Waterleidingduinen. Het drinkwater dat Vitens in Noordin Noord-Holland en Utrecht. Het drinkwaterverbruik

De ontwikkeling en bescherming van drinkwaterwin

­

bedroeg in 2020 totaal 212,5 miljoen m 3.

ningen is een belangrijke opgave in de komende jaren, waaraan wij met de drinkwaterbedrijven blijven samen

vermindering van dit verbruik met 20% in 2035, houden

werken. Deze samenwerking richt zich onder andere op de

de drinkwaterbedrijven vooralsnog rekening met een

ruimtelijke ordening. Het Rijk heeft aangekondigd dat

toename, voornamelijk in verband met bevolkingsgroei

drinkwaterbeschikbaarheid (op lange termijn) onderdeel

en economische groei.De prognose tot 2050 is

wordt van een nieuw te ontwikkelen afwegingskader voor

weergegeven in schema 5.

de locatiekeuze van woningbouw. Ook het effect op de

­

­

Hoewel volgens de WBS-principes gestreefd wordt naar

­

drinkwatervoorziening van de ruimtevraag, boven- en ondergronds, van de energietransitie is een belangrijk

drinkwaterbedrijven naar extra productiemogelijkheden

ruimtelijk vraagstuk. Gezamenlijk moet verkend worden

op de locaties Overveen, Laarderhoogt, Heemskerk,

wat de consequenties zijn voor Noord-Holland. Andere

Haarlemmermeer, Horstermeerpolder, Amsterdamse

vraagstukken zijn de mogelijke inpassing van nieuwe

Waterleidingduinen en Weesperkarspel. Mogelijk kan

productielocaties en de aansluiting van waterkwantiteit

plaatselijk meer water worden geproduceerd door

en -kwaliteit (met betrekking tot zeer zorgwekkende

uitbreiding van bestaande systemen, maar er wordt ook

stoffen in de bronnen, zoals medicijnresten en persistente,

onderzoek gedaan naar nieuwe winningen. Omdat de

mobiele, toxische stoffen zoals die uit de PFAS-groep).

­

­

Om voldoende water te kunnen blijven leveren zoeken

hoeveelheid zoet water in Noord-Holland beperkt is wordt Drinkwater 2030 samen met drinkwaterbedrijven en het

­

Wij brengen in het beoogde Actieplan Leveringszekerheid

Horstermeerpolder en in de Haarlemmermeer. ­

ook gekeken naar de winning van brak water, zoals in de

Rijk knelpunten bij de drinkwatervoorziening in beeld, zodat wij deze kunnen aanpakken. Een van

innovatieve karakter en de betekenis voor het grondwater

de knelpunten is stikstof. De bouw en uitbreiding van

beleid. Naast het winnen van extra water wordt onder

productielocaties voor drinkwater en de aanleg van de

zoek gedaan naar opslag van water in de ondergrond, dat

benodigde infrastructuur vraagt ook stikstofruimte. De

gebruikt kan worden als (in de zomer) de vraag groter is.

productielocaties bevinden zich vaak noodzakelijkerwijs

PWN is een proef gestart in Hoorn en in het Gooi wordt

nabij of in Natura 2000-gebied (bijvoorbeeld in verband

­

­

Wij participeren in deze onderzoeken vanwege het

2030

2040

2050

PWN

127,8

132,6

135,4

Waternet

107,0

114,0

122,0

Vitens

6,8

nb

nb

Totaal

241,6

246,6+nb

257,4+nb

Schema 5. Prognose drinkwatervraag (miljoenen m 3/jaar), incl. gewenste reservecapaciteit. Bron: drinkwaterbedrijven

Buitengewoon Noord-Holland!

38

Provincie Noord-Holland

met filtering in het duingebied). Geringe stikstofemis­sies

in een goede chemische, biologische en fysische conditie

in de bouw-, aanleg- en gebruiksfase kunnen tot een hoge

zijn en zo in staat zijn om continu zoveel mogelijk

depositiewaarde in het omliggende gebied leiden,

ecosysteem­d iensten te leveren. Onderdelen van deze

waardoor de noodzakelijke uitbreiding van drinkwater­

strategie zijn reeds herkenbaar in de structurerende

productie problematisch wordt. Drinkwaterbedrijven

WBS-keuzes.

hebben een wettelijke leveringsplicht en overheden hebben zoals gezegd een wettelijke zorgplicht voor de

Wij stellen in 2023 provinciaal beleid voor bodem en

drinkwatervoorziening. Leveringszekerheid van drink­

ondergrond op, met een looptijd tot 2030. Dit beleid nemen

water borgen is van groot belang, ook om de gewenste

we indien mogelijk op in het definitieve PPLG of anders in

uitbreiding van de woningvoorraad te kunnen borgen.

het volgende PPLG. Een uitgangspunt voor dit nieuwe beleid is dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening

Het komende nationale plan voor drinkwaterbesparing

wordt gehouden met de ondergrond (‘3D-ordening’) en in

zal aanknopingspunten bieden voor een nadere verken­

tijd (‘4D-ordening’). Dit vraagt een aanpassing en

ning van de rol van de provincie en de waterpartijen in

verbreding van de visie op de ondergrond zoals opgenomen

deze aanpak. In dit verband zal de discussie toenemen

in onze Omgevingsvisie NH2050. We maken kansen en

over het gebruik van drinkwater in woningen (inzet

knelpunten in de ondergrond inzichtelijk en maken

‘grijs’ water) en door de industrie.

keuzes, bijvoorbeeld door het reserveren van ondergrondse

2.4.6 Bodem

ruimte voor toekomstige ontwikkelingen. Maar ook door het reserveren van ruimte voor de bodem als onderdeel van

Een gezonde en vitale bodem heeft een goede structuur,

het natuurlijk systeem. Hierbij staan sponswerking,

chemie, organische stofgehalte en biodiversiteit. Het

natuurlijke zuivering en bodembiodiversiteit centraal. Bij

bodembeleid in Nederland – en ook in Noord-Holland –

ruimtelijke ontwikkelingen, herinrichting en beheer van

is voornamelijk gericht geweest op de aanpak en beheer­

een gebied zetten we in op:

sing van spoedeisende bodemverontreiniging en de

• Het herstel van de kwaliteit van de bodem, beschouwd

bescherming van aardkundige waarden (via het beschermingsregime Bijzonder Provinciaal Landschap). De structurerende WBS-keuzes op het gebied van bodem zijn nog niet geborgd in landelijk of provinciaal beleid.

vanuit vier bodemeigenschappen: bodemstructuur, bodemchemie, organische stof en bodembiodiversiteit. • Efficiënt gebruik van de ruimte bovengronds en ondergronds.

Wel hebben Rijk, IPO, VNG en UvW eind 2022 bestuur­

• Minder afdekking, minder grondverzet, hoogwaardig

lijke afspraken gemaakt over bodem en ondergrond voor

hergebruik en het behoud van waardevolle bodems

de periode tot 2030. Geconstateerd is dat een vitale

voor landbouw en natuur.

bodem en ondergrond van belang zijn voor veel maat­ schappelijke opgaven, zoals een gezonde fysieke leefom­

• Ruimte voor gebiedsgerichte aanpak van bestaande bodemverontreiniging.

geving, klimaatadaptatie, energietransitie, kringloop­ landbouw en schoon drinkwater. Het bodemsysteem is

Ons bestaande beleid gericht op het voorkomen van ver­

daardoor niet los te zien van het watersysteem. In 2023

ontreiniging van de bodem zetten we voort. De aanwe­

wordt een adaptieve, interbestuurlijke samenwerkings­

zigheid van diffuse verontreinigingen in de bodem en

agenda opgesteld, gericht op de brede bodemopgaven. In

‘nieuwe’ opkomende stoffen vraagt dat verplaatsing van

Europees verband wordt in 2023 de publicatie verwacht

verontreini­gende stoffen naar en vanuit het bodem­

van de Bodemgezondheidsrichtlijn. Deze volgt op de

domein naar het water- en luchtdomein in samen­hang

EU-bodemstrategie (2021) met de ambitie dat tegen 2030

wordt bekeken. Overigens wordt de bodemkwaliteits­zorg

75% van de bodem in de Europese Unie gezond is en in

onder de Omgevingswet grotendeels de verantwoorde­

2050 de bodemverontreiniging tot nul is teruggebracht.

lijkheid van gemeenten.

Volgens de EU-bodemstrategie zijn bodems gezond als ze

Buitengewoon Noord-Holland!

Amsterdamse Waterleidingduinen - Vogelenzang

39

Provincie Noord-Holland

40

Buitengewoon Noord-Holland!

Provincie Noord-Holland

2.5 Een beter klimaat en minder bodemdaling

Een deel van de landelijke opgave is door het Rijk vertaald naar een provinciale opgave; een deel (nog) niet. Dat maakt het lastig om te bepalen wat de Noord-

2.5.1 Inleiding

Hollandse bijdrage aan de landelijke opgave zou moeten emissies van broeikasgassen te verminderen – bijvoor

dringen van de emissies van broeikasgassen, om zo de

beeld voortvloeiend uit nieuwe landelijke ontwikke

opwarming van de aarde en de verandering van het

lingen met betrekking tot de landbouw – en provinciale

klimaat te beperken. Het Rijk richt zich op klimaat

maatregelen onderling communicerende vaten zijn.

neutraliteit in 2050 en een netto-reductie van broeikas

Alles wat op nationale schaal gebeurt, hoeft niet op

­

­

­

­

­

zijn. Daarbij komt dat het generiek rijksbeleid om de

Parijs (2015) aan het onomkeerbaar en stapsgewijs terug

­

Nederland werkt op grond van het Klimaatakkoord van

provinciale schaal te gebeuren, en vice versa. Het

Om de opgave voor 2030 te realiseren zijn doelen

generieke rijksbeleid is nog beperkt uitgekristalliseerd.

geformuleerd voor de sectoren industrie, elektriciteit,

Dit hindert de uitwerking van ons provinciaal beleid.

gebouwde omgeving, mobiliteit, landbouw en land

Desondanks geven we in dit PPLG zoveel mogelijk

gebruik. De opgave na 2030 is nu nog niet uitgewerkt.

richting, met name ten aanzien van de veenweiden-

­

­

gassen van minstens 55% in 2030 ten opzichte van 1990.

en bodemdalingsproblematiek. In het NPLG wordt de opgave voor de sectoren landbouw

stoten (emissiereductie) en anderzijds door koolstof vast

voor de gehele landbouwsector. Het zwaartepunt is de

te leggen. Meer specifiek gaat het om de veehouderij en

methaanuit stoot in de veehouderij. Het grootste deel

akkerbouw, de veenweidegebieden, landbouwbodems en

hiervan wordt gevormd bij verteringsprocessen van

bomen, bossen en natuur. Omdat bij de oxidatie van

dieren. De rest komt vrij door fermentatie van

veen het veenpakket minder dik wordt, heeft deze para

opgeslagen mest.34 Ook in de akkerbouw ontstaat in

graaf ook betrekking op het vraagstuk van bodemdaling

beperkte mate uitstoot van broeikasgassen door het

in de veenweidegebieden.

gebruik van dierlijke mest en kunstmest. De Noord-

­

De reductie van broeikasgasemissies is een opgave

­

2.5.3 Emissiereductie landbouw

worden behaald door minder broeikasgassen uit te

­

en landgebruik uitgewerkt. Deze opgave kan enerzijds

Hollandse opgave is een vermindering van 0,3 megaton

2.5.2 Concretisering van de opgave

CO2-equivalenten in 2030. Onze maatregelen voor

koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4) en distikstofmo

• Verkleining van de veestapel via agrarische onder

noxide (N 2O, ook wel lachgas genoemd). Omdat deze

­

emissiereductie richten zich op:

­

Er zijn verschillende broeikasgassen. De bekendste zijn

nemers die stoppen, bijvoorbeeld vanwege de realisatie • Innovaties in stal- en mestopslag in de melkveehouderij.

equivalenten’. De opgave voor de sectoren landbouw en

Voorbeelden daarvan zijn emissiearme stallen, mono

landgebruik staat in schema 6.

vergisters en meststrippers.

Klimaatopgave sectoren landbouw en landgebruik

Landgebruik (landbouwbodems, bomen/bossen/

Landbouw (veehouderij en mestaanwending in de

natuur en veenweiden)

akkerbouw)

• Landbouwbodems

CO2-equivalenten in 2030. De methaanemissie

­

• Landelijke emissiereductieopgave van 5 megaton reductie is hier onderdeel van. Om te voldoen aan de Global Methane Pledge dient in de veehouderij en

Landelijke opgave koolstofvastlegging van 0,5 megaton CO2-equivalenten in 2030.

Deze verdeling blijft landelijk. • Bomen/bos/natuur

Landelijke opgave koolstofvastlegging van

minimaal 3,82 megaton CO2-equivalenten te worden

0,4 – 0,8 megaton CO2-equivalenten in 2030.

­

akkerbouw een methaanemissiereductie van gerealiseerd in 2030. Voor Noord-Holland is de reductieopgave in februari 2023 door het Rijk vastgesteld op 0,3 megaton CO2-equivalenten in

2030.

­

van het Natuurnetwerk Nederland of de stikstofaanpak.

ming van de aarde, worden ze omgerekend naar ‘CO2-

­

gassen in verschillende mate bijdragen aan de opwar

Deze verdeling blijft landelijk. • Veenweiden

Landelijke emissiereductieopgave (= voor de zes veenweideprovincies) van 1 megaton CO2-

equivalenten in 2030. Voor Noord-Holland is de opgave 0,09 megaton CO2-equivalenten in 2030.

Schema 6. Klimaatopgaven landbouw en landgebruik



34 Planbureau voor de Leefomgeving (2022). Systematiek klimaatopgave. Gebiedsgerichte vertaling van klimaatdoelen voor landbouw en landgebruik.

41

Buitengewoon Noord-Holland!

Wij verwachten vooralsnog dat dit voldoende zal zijn.

Provincie Noord-Holland

vitale grondgebonden landbouw, met een goed

Generiek rijksbeleid zoals de afbouw van de derogatie

toekomstperspectief. • Zorgen dat het veenweidegebied in 2050 waterrobuust

­

(waardoor het gebruik van dierlijke mest daalt), regel

­

geving ten aanzien van veevoer (waardoor methaanvor ming bij verteringsprocessen vermindert) en het

en toekomstbestendig is ingericht. • Het verminderen, stoppen en waar mogelijk herstellen van de bodemdaling. De dikke veenpakketten

bereik. Wanneer het generieke rijksbeleid meer vorm

geven we prioriteit.

­

Europees landbouwbeleid dragen ook bij aan het doel

heeft gekregen, verkennen we of aanvullende provinciale maatregelen nodig zijn.

2.5.4 Emissiereductie landgebruik (inclusief bodemdaling) De opgave voor landgebruik kent drie componenten: landbouwbodems, bomen-bos-natuur en veenweiden. De opgaven voor landbouwbodems en voor bomen-bos­

natuur richten zich op koolstofvastlegging door bijvoor

beeld bosgroei en het gebruik van groenbemesters in de landbouw. Deze opgaven blijven landelijk. Wij geven hier invulling aan door natuurherstel en -ontwikkeling, zoals ­

bosaanplant, realisatie van de groenblauwe dooradering, ­

verbetering van de water- en bodemkwaliteit en maat

Afbeelding 11. Uitstoot van broeikasgassen door veenafbraak

regelen om veengroei te bevorderen. Wij gaan ervan uit Om te concretiseren welke opgave de vijf programma

­

dat we hiermee ons aandeel in voldoende mate leveren.

gebieden moeten realiseren, hebben we de provinciale Ten slotte vormt, zowel in Noord-Holland als in de andere veenweide-provincies, veenoxidatie een ­

probleem. Bij veenoxidatie komen veel broeikasgassen vrij: 0,17 megaton CO2-equivalenten per jaar.35 Door de

opgave van 0,09 megaton CO2-equivalenten verdeeld.

Deze is gebaseerd op de oppervlakte veenweidegebied in elk van de programmagebieden.

oxidatie verdwijnt het veen en daalt de bodem (zie

Het remmen van de veenoxidatie en bodemdaling in het

afbeelding 11). De Noord-Hollandse veenweidegebieden

veenweidegebied is cruciaal. Als we niets doen zal de CO2-

uitstoot uit veen de totale uitstoot van Nederland in 2050

centimeter, afhankelijk van het gebied (zie kaart 9).36

domineren.37 Om de uitstoot van broeikasgassen te

Samen met de andere veenweideprovincies hebben we

reduceren en bodemdaling tegen te gaan zetten we in de

doelen geformuleerd om veenoxidatie en bodemdaling

veengebieden in op peilverhoging richting grondwater

tegen te gaan. Voor onze provincie luiden die:

standen van 20 tot 40 centimeter onder maaiveld. Hierbij

• Vermindering van de emissie uit veenweidebodems

zijn participatie en een zorgvuldige voorbereiding van

­

dalen tot 2050 naar verwachting tussen 2 en 60

met 0,09 megaton CO2-equivalenten in 2030.

groot belang. Om het doel te realiseren zijn diverse

• In de veenweidegebieden werken aan een duurzame en

maatregelen inzetbaar.

PPLG-programmagebied

Oppervlakte veenweide

Huidige emissie (in Reductieopgave 2030 megaton CO2-eq./jr) (in megaton CO2-eq./jr)

Wadden, Kop van Noord-Holland en West-Friesland

205 hectare

0,002 megaton

0,001 megaton

Noord-Kennemerland

21 hectare

0,0002 megaton

n.v.t. (te geringe oppervlakte)

Laag Holland

10.800 hectare

0,12 megaton

0,066 megaton

Zuid-Kennemerland en AmstelMeerlanden

2.096 hectare

0,03 megaton

0,014 megaton

Gooi & Vechtstreek

1.405 hectare

0,02 megaton

0,009 megaton

0,17 megaton (afgerond)

0,09 megaton

Totaal Schema 7. Verdeling opgave CO2-reductie over programmagebieden







35 De monitoring van CO2-uitstoot in het veenweidegebied gebeurt met het registratiesysteem SOMERS (Subsurface Organic Matter Emission Registration System). 36 Planbureau voor de Leefomgeving (2016). Dalende bodems, stijgende kosten. Mogelijke maatregelen tegen veenbodemdaling in het landelijk en stedelijk gebied. PBL-publicatie 164. 37 Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (2020). Stop bodemdaling in veenweidegebieden. Het Groene Hart als voorbeeld.

42

Buitengewoon Noord-Holland!

Provincie Noord-Holland

Voorbeelden zijn: het aanleggen van waterinfiltratiesys­

uitbreiding van de waterbergingsruimte of het oppervlak

temen (onderwaterdrainage, zowel actief als passief,

open water qua ruimtebeslag onrealistisch groot zal zijn.

druppel- en greppelinfiltratie), de aanleg van natuur­

Uiteraard zullen we bij de aanpassing van de normen

vriendelijke oevers (onderdeel van de groenblauwe door­

goed kijken naar de gevolgen, waaronder de juridische

adering), extensiever grondgebruik, goed slootbeheer en

en financiële gevolgen. Ook hier zijn participatie en een

het tegengaan van afkalving van slootkanten, natte

zorgvuldige voorbereiding van groot belang.

teelten en het inbrengen van klei in de veengrond. Op dit moment is alleen voor onderwaterdrainage het effect op

Het verhogen van het waterpeil in de veenweidegebieden

broeikasgasreductie wetenschappelijk gevalideerd. Voor

kan leiden tot het vrijkomen van fosfaat, dat zich vanuit

de overige maatregelen wordt gewerkt aan reken­regels

meerdere bronnen jarenlang in de bodems heeft opge­

en de validatie daarvan. Om toch voortvarend aan de

hoopt. Die nalevering kan decennia duren en heeft een

slag te gaan kiezen we nu voor een richtinggevend

negatief effect op de waterkwaliteit en het KRW-

maatregel­pakket (zie schema 8). Voor de financiering

doelbereik. Dit effect accepteren we omdat we het

benutten we bestaande budgetten, zoals de Impuls­

remmen van de CO2-uitstoot zwaarwegender vinden.

gelden bodemdaling, en vragen we aanvullende middelen uit het Transitiefonds, ook voor het beheer.

Fosfaatnalevering is immers eindig, terwijl bodem­

daling doorgaat (tot de het veen geheel geoxideerd is) en de gevolgen voor het klimaat onomkeerbaar kunnen

Vernatting is een goede methode om de emissie van broei­

blijken. De bodemdaling heeft tevens een vermindering

kasgassen te verminderen. Het leidt echter tot een grotere

van de waterveiligheid tot gevolg. Gezamenlijk staan we

zoetwatervraag. Daarnaast zijn er andere waterstaat­

voor de uitdaging om de bodemdaling zo te remmen, dat

kundige vraagstukken, zoals extra ruimte die nodig is

de fosfaatuitspoeling zo gering mogelijk is. Dit kan door

voor water­berging. Immers, als het grondwaterpeil wordt

peilverhogingen getrapt door te voeren of door inundatie­

verhoogd kan de bodem minder regenwater opnemen en

water langzaam in het maaiveld weg te laten zakken.

ontstaat sneller wateroverlast. Deze vraagstukken

We steunen onderzoek naar de mogelijkheden om fosfaat

pakken we tegelijk aan. We streven ernaar de water­

via actieve drainage af te vangen met ijzerzand of andere

overlast­normering voor veenweiden aan te passen, met

adsorbens, of om het te fixeren met ijzerzouten of alumi­

het oog op de klimaatmaatregelen voor veenweide­

vnium. Waar vernatting uiteindelijk blijkt te

gebieden. Alleen dan kunnen peilopzet en/of grondwater­

conflicteren met KRW-doelbereik verwachten wij steun

standsverhogingen in veenweidegebieden tot stand

van het Rijk bij de onderbouwing en motivering van onze

worden gebracht, omdat anders in veenweidepolders de

keuze, ook richting de Europese Commissie.

Maatregel

Oppervlakte en locatie

Waterinfiltratie (actief en passief).

4.000 hectare in Laag Holland, 500 hectare in Gooi & Vechtstreek en 300 hectare in Zuid-Kennemerland en Amstel-Meerlanden.

Druppelinfiltratie.

100 hectare in vooral kwelgevoelige veenweidegebieden.

Greppelinfiltratie.

50 hectare (gehele provincie).

Hoog peil.

500 hectare. Om het verhogen van de grondwaterstanden mogelijk te maken is aanpassing aan de inlaten van de waterschappen nodig.

Natte teelten.

200 hectare (gehele provincie).

Klei-in-veenmaatregelen.

300 hectare (gehele provincie).

Bodembeheermaatregelen (stromest in plaats van kunstmest en beweiding).

2.000 hectare (gehele provincie).

Schema 8. Maatregelen bodemdaling

43

Buitengewoon Noord-Holland!

Provincie Noord-Holland

2.6 Op weg naar kringlooplandbouw

systeem voordelig moet zijn voor dierenwelzijn. Hierbij ­

gaan we uit van de wettelijke rolverdeling tussen provin

cies en Rijk. Onze doelstellingen sluiten goed aan bij het

­

Wanneer zich op nationaal niveau relevante beleids

Nationaal Strategisch Plan voor het Europese

perspectief voor de landbouw zullen deze in het PPLG

Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB-NSP). Ons

worden verwerkt.

Platform Voedsel Verbindt agendeert, verbindt onder

­

ontwikkelingen voordoen met betrekking tot het

nemers en ondersteunt hen met het verduurzamen van

2.6.1 Inleiding

hun bedrijven. Andere instrumenten, zoals de sturing op doelbereik via kritische prestatieindicatoren (kpi’s) en de

teeltproducten heeft de landbouw ons landschap mede

daarbij behorende maatregelen en subsidieregelingen,

gevormd en speelt zij een belangrijke rol in het beheer

lichten we toe in hoofdstuk 6.

­

Als producent van voedsel, uitgangsmaterialen en sier

­

ervan. In 2021 telde Noord-Holland 3.455 land- en tuin

bouwbedrijven.38 De sector heeft een grote economische

We onderscheiden de volgende niveaus van

­

en sociale betekenis voor het landelijk gebied. De land

natuurinclusiviteit van de bedrijfsvoering:

bouwbedrijven vormen weer een belangrijk onderdeel van het totale agrocomplex. In Noord-Holland zal daarom altijd ruimte zijn voor een sterke, duurzame en

Niveau 0: er wordt minimaal gebruik gemaakt

innovatieve landbouw die gezond en betaalbaar voedsel

van biodiversiteit op het bedrijf. Alleen aan wettelijke verplichtingen wordt voldaan.

economisch gezond en toekomstbestendig bedrijfs

Voorbeeld: weidegang volgens de daarvoor

­

produceert. Agrarische ondernemers behoren een perspectief te hebben in de gehele voedselketen.

geldende minimumeisen.

Een transitie naar kringlooplandbouw in 2040 is onze

Niveau 1: door op een deel van het bedrijf

maatregelen te treffen voor specifieke soorten

hoofddoelstelling. Wij volgen de omschrijving die het

wordt biodiversiteit bevorderd. Voorbeelden: een

natuurinclusiviteit vervat. Kringlooplandbouw is

deel van het land afschermen en onbeheerd laten,

landelijk uitgewerkt in zeven doelen: het herstellen van

aanleg van plas-dras of akkerranden, via een

biodiversiteit, verbeteren van waterkwaliteit en -beheer,

mozaïekstructuur rekening houden met maaien en

bodemkwaliteit, plant- en diergezondheid, circulariteit,

bemesten, beheer van slootkanten, nestkastjes

het tegengaan van en omgaan met klimaatverandering

ophangen, erfbeplanting aanbrengen. Praktijk

en het verbeteren van de sociaaleconomische positie van

voorbeeld: niveau 1 wordt eigenlijk ingevuld door

agrarische ondernemers. Voor veel van deze doelen zijn

gangbare bedrijven die op dit moment aan

in de vorige paragrafen concrete opgaven en maatregelen

agrarisch natuurbeheer doen en maatregelen

benoemd, zoals het verminderen van emissies van

nemen om soorten te behouden of te bevorderen.

beschermingsmiddelen. De eiwittransitie – het vergroten van de beschikbaarheid, diversiteit en acceptatie van

Niveau 2: dit is een stap richting grondgebonden

­

­

ammoniak, koolstofdioxide, meststoffen en gewas

­

Rijk hanteert (zie kader). Hierin is ook een transitie naar

heid. Op het bedrijf wordt gestuurd op verbetering

van de functionele biodiversiteit door verbetering

onlosmakelijk hiermee verbonden. Die transitie in ons

van bodem-, gewas- en diercycli, het ruimte geven

voedselsysteem draagt mede bij aan de doelen van

voor natuurlijk gedrag van dieren, beheer van land

kringlooplandbouw. Vanuit de Voedselvisie zetten wij in

schapselementen en maatregelen ten aanzien van

op regeneratieve landbouw, een productiesysteem dat

specifieke soorten.

­

­

bestaande en nieuwe eiwitbronnen – beschouwen wij als

vóór de natuur werkt. Hieronder valt natuurinclusieve

Niveau 3: het bedrijf heeft een adaptief systeem en

landbouw, biologische landbouw, agroforestry en agro-

is volledig grondgebonden, waarbij kringlopen

landbouw in 2030 natuurinclusief niveau 2 is. Daarmee

geoptimaliseerd zijn en er aandacht is voor bijvoor

leggen we de lat hoger dan het Rijk. De doelen voor

beeld kruidenrijk grasland en robuuste koeien

natuurinclusieve landbouw krijgen onder kringloopland

rassen. Daarbij is er oog voor de aanleg en het

bouw hun uitwerking in het vaststellen van de kpi-

onderhoud van landschapselementen en maat

drempelwaarden en -streefwaarden (zie paragraaf 6.2).

regelen voor specifieke soorten. Deelname in een

Aanvullend hierop willen wij dat in 2030 25% van onze

gebiedscollectief met ambitieuze gebiedsbeheer

­

­

­

­

­

­

ecologie. Onze ambitie is dat alle grondgebonden

adering en soortenbeheer kunnen de resultaten

wikkeling. Wat dierenwelzijn betreft houden we vast aan

versterken. Bedrijven die zich kwalificeren als

de uitgangspunten zoals benoemd in onze Voedselvisie.

niveau 3 zijn schaars.

­

­

Dit betekent onder meer dat de transitie van ons voedsel



38 Bron: CBS Landbouwtelling

­

plannen ten aanzien van een groenblauwe door

­

voedselconsumptie uit de regio afkomstig is. Deze ‘korte ketens’ bevorderen wij door kennisdeling en netwerkont

Buitengewoon Noord-Holland!

44

Provincie Noord-Holland

Die transitie van ons voedselsysteem draagt mede bij

voor de voedselproductie in de gehele wereld. Ook in de

aan de doelen van kringlooplandbouw. Wij nemen de

toekomst staan wij voor deze kwaliteit en innovatie­

Voedselvisie 2030 en de doelen hieruit, ongewijzigd over

kracht. Daarbij moet worden aangetekend dat de

in het PPLG. Onze ambitie vanuit de Voedselvisie is dat

ketenpartijen een cruciale rol hebben om de transitie

alle grondgebonden landbouw in 2030 natuurinclusief

naar kringloopland­bouw te laten slagen. Het is aan hen

niveau 2 is. Dit houdt in dat wordt gestuurd op zogeheten

om agrarische ondernemers langjarige zekerheid en

functionele biodiversiteit.39 Daarmee hebben we de lat

eerlijke prijzen te bieden voor hun producten en een

hoger gelegd dan wettelijk is vereist (zie kader).

duurzame consumentenvraag te bevorderen. Ontwik­ keling van het beleid op nationaal en Europees niveau

De doelen voor natuurinclusieve landbouw maken deel uit

zijn hierbij van doorslaggevend belang.

van de hiervoor genoemde zeven doelen van kringloop­ landbouw. Deze doelen krijgen hun uitwerking in het

De gunstige uitgangspositie wordt versterkt door relatief

vaststellen van de drempelwaarden en -streefwaarden

hoogopgeleide ondernemers die het ondernemerschap

van de zogeheten kritische prestatie-indicatoren (kpi’s).

goed in de vingers hebben. Dit gebeurt in een steeds veelzijdiger bedrijfsstructuur. We zien vaker een tweede

Voor de vaststelling van deze kpi-waarden ten aanzien

vestiging elders of verbanden met andere, ook niet-

van dierenwelzijn en diergezondheid hebben wij het

agrarische bedrijven. Hierdoor sluiten kringlopen zich en

voornemen om het convenant dierwaardige veehouderij

raakt de land- en tuinbouw steeds meer verweven met

als uitgangspunt te nemen. De verwachting is dat dit

andere economische activiteiten en maatschappelijke

convenant in de loop van 2023 aan de orde komt.

behoeften. Dit biedt mogelijk­heden om landbouwproduc­ ten of reststromen een hoogwaardigere bestemming te

Een van de andere ambities uit de Voedselvisie is dat in

geven. Zo kan de land- en tuinbouw vaker een oplossing

2030 25% van onze voedselconsumptie uit de regio Noord-

zijn voor de natuur-, klimaat- en wateropgaven. Ten slotte

Holland afkomstig is. Onze doelstellingen sluiten goed

zien we dat agrarische ondernemers in Noord-Holland

aan bij het Nationaal Strategisch Plan voor het Europese

vaak kansrijke opties hebben voor bedrijfsontwikkeling

Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB-NSP). Ons

en nieuwe verdienmodellen. Dit komt door de relatieve

platform Voedsel Verbindt agendeert, verbindt onder­

kleinschaligheid: de stad, andere agrarische bedrijven en

nemers en ondersteunt hen met het verduurzamen van

natuur- en recreatiegebieden liggen vaak op relatief korte

hun bedrijven. De instrumenten, zoals de sturing op

afstand. Kortom: wij zien volop mogelijkheden voor

doelbereik via kpi’s en de daarbij behorende maatregelen

ondernemerschap, ook voor de nieuwe generatie.

en subsidieregelingen, lichten we toe in hoofdstuk 6.

2.6.3 Ontwikkelrichting melkveehouderij

In de wereld van de verduurzaming van de landbouw zien

Op veel plaatsen in de provincie bevinden zich melkvee­

wij een bonte waaier van begrippen, terminologieën en

houderijbedrijven, met het zwaartepunt in de veenweide­

aanpakken. Wij vinden het belangrijk dat er zoveel

gebieden. De druk op de ruimte is echter groot. Deze druk

mogelijk een uniforme aanpak en eenduidigheid van

komt voort uit de opgave tot extensivering en de transitie

begrippen tot stand komt. Dit maakt de communicatie

naar kringlooplandbouw. Daarnaast vragen ook niet-

immers eenvoudiger en beperkt de administratieve lasten.

agrarische functies ruimte, zoals woningbouw, energie­

2.6.2 Gunstige uitgangspositie

transitie, groenblauwe dooradering en natuurontwikke­ ling. Hoewel ook in de veenweidegebieden veel (broeikas)

We zien de transitie naar kringlooplandbouw met

opgaven moeten worden gerealiseerd, is de melkvee­

vertrouwen tegemoet, omdat de uitgangspositie van

houderij al relatief extensief. Met de afronding van het

onze land- en tuinbouw gunstig is. Dat geldt zowel voor

NNN zal, met name bij de Natura 2000-gebieden, een

de primaire productie, als voor het hoogwaardig netwerk

verdere extensivering plaatsvinden. Voor deze bedrijven

van agrologis­t iek, verwerking, innovatie en kennisont­

ligt er een uitdaging om invulling te geven aan opgaven

wikkeling en -deling. De Noord-Hollandse landbouw

zoals het terugdringen van emissies, peilverhoging en

speelt een belangrijke rol in het nationale agro-food­

natuurrealisatie, en tegelijkertijd een gezond verdien­

complex, dat wereldwijd toonaangevend is. Zo herbergt

model te behouden. In de gebiedsprocessen helpen we hen

onze provincie de twee grootste groenteverwerkers van

met subsidiemogelijk­heden voor investeringen ten

Nederland en de grootste bloemenveiling ter wereld. Met

behoeve van het terug­dringen van emissies, het vergroten

Greenport Noord-Holland Noord, inclusief Seed Valley,

van de biodiversiteit en het verhogen van het grondwater­

en Greenport Aalsmeer hebben wij sterke bedrijven­

peil. Daarnaast bieden we mogelijkheden voor

clusters binnen onze grenzen. Met name op het gebied

bedrijfsverplaatsing en -beëindiging, waarmee er ruimte

van zaadveredeling en uitgangsmateriaal zoals poot­

ontstaat voor de ‘blijvende’ bedrijven.

aardappelen is Noord-Holland van strategisch belang 39 http://www.louisbolk.org/downloads/3260.pdf

Buitengewoon Noord-Holland!

45

Provincie Noord-Holland

We voorzien in de gebiedsprocessen een aanzienlijke

plaats in het kader. Het kader zal het realiseren van de

grondmobiliteit en daarmee het risico van achteruitgang

opgaven die in de voorgaande paragrafen zijn

van de verkaveling. Daarom zetten we in op agrarische

beschreven, niet belemmeren.

structuurverbetering, waarbij de verkavelingssituatie wordt geoptimaliseerd (grote huiskavel, zo min mogelijk

2.6.5 Ontwikkelrichting bloembollenteelt

veldkavels) en gronden van stoppende bedrijven worden

Ruim de helft van het landelijk areaal bloembollenteelt

toebedeeld aan de blijvers (in pacht en/of eigendom).

ligt binnen Noord-Holland. De van oudsher meest

Daarbij houden we rekening met het behoud van de

geschikte bollengronden zijn de zeezandgronden in de

landschappelijke waarde van het gebied. Om een gezond

binnenduinrand. Veel specifieke bloembollensoorten

verdienmodel met voldoende ontwikkelingsmogelijk­

kunnen alleen op deze grondsoort worden geteeld. De

heden te realiseren kan schaalvergroting aan de orde

ontwikkeling van de bloembollenteelt op zand is plano­

zijn, waarbij bedrijven uitbreiden in zowel grondposities

logisch begrensd (circa 11.000 hectare). De achtergrond

als in vee. De veedichtheid per hectare zal echter

hiervan is dat milieu-investeringen rendabeler en

afnemen: intensivering is niet aan de orde.

effectiever zijn wanneer ze op gebiedsniveau worden

2.6.4 Bescherming landbouwgrond

gedaan, dan op (verspreid gelegen) individueel bedrijfs­ niveau. Ook voor de bloembollensector is de transitie

Binnen het agro-foodcomplex is er veel samenhang en

naar kringlooplandbouw ons doel. Dit kan bijvoorbeeld

onderlinge afhankelijkheid tussen de primaire

door ruimere teeltwisseling en biologische teelt of juist

productie, de handelshuizen, verwerkende bedrijven,

meer gesloten teeltsystemen. Omdat voor de verduur­

agrarische natuurverenigingen en kennis- en

zaming ruimte nodig is, willen wij het begrensde areaal

onderzoeksorganisa­t ies. Al deze partijen hebben een rol

voor bloembollenteelt op zand behouden. Echter, waar

in de transitie naar kringlooplandbouw. De

percelen of bedrijven door hun ligging tot een complexe

beschikbaarheid van landbouw­g rond is daarbij van

milieuopgave leiden – wat gelet op het watersysteem,

belang. Daarom stellen we een afwegingskader op voor

kwetsbare natuur of functieverandering met name in de

de bescherming van landbouw­g rond. De zekerheid die

binnenduinrand het geval is – zetten wij in op herschik­

dit aan de land- en tuinbouw biedt stelt de sector in staat

king van functies of verplaatsing. Waar verzilting een

zich maximaal te richten op de transitie naar

risico vormt zetten we, mits kansrijk en ook op lange

kringlooplandbouw. We houden rekening met eventuele

termijn mogelijk in op zoetwater-zelfvoorzienendheid

beleidsontwikkelingen op nationaal niveau. In alle

en precisietechnologie gericht op slim omgaan met

gevallen geven we de beheer­check (zie hoofdstuk 6) een

zoet water.

Schermerhorn (fotograaf: Bas Beentjes)

46

Buitengewoon Noord-Holland!

Provincie Noord-Holland

2.7 Een beleefbaar landelijk gebied

vóór de oude zeedijk een nieuw strand en duinen zijn gerealiseerd.

2.7.1 Inleiding

Bij elke ruimtelijke ontwikkeling is de bescherming en

divers. We wonen, werken en recreëren er, genieten van

ontwikkeling van landschappelijke waarden en erfgoed

de mooie uitzichten en reizen erdoorheen. Ze herbergen

ons uitgangspunt. We beschermen onze meest waarde

onze geschiedenis en vormen een deel van onze identiteit.

volle landschappen en natuurgebieden in onze

­

Onze Noord-Hollandse landschappen zijn prachtig en

Waddenzee, Droogmakerij de Beemster en de Hollandse

voldoende recreatiemogelijkheden is onmisbaar voor een

Waterlinies, het Natuurnetwerk Nederland, het Bijzonder

gezonde leefomgeving waar mensen zich thuis voelen.

provinciaal landschap (zie kaart 5) en de rijks-, provinciale

­

Omgevingsverordening: de UNESCO-werelderfgoederen

cultuurhistorisch erfgoed, agrarische bedrijvigheid en

­

Een mooi landschap, met waardevolle natuurgebieden,

­

­

en gemeentelijke monumenten. Dat betekent niet dat hier

meer en ruimere mogelijkheden. De ruimtelijke

gebied. Bovenop de jaarlijkse 114 miljoen vrijetijds

kwaliteitseis en de Leidraad Landschap en Cultuur

activiteiten (2018) verwachten we er in 2030 nog 43 miljoen

historie borgen dat ruimtelijke ontwikkelingen passend

extra, waarvan zo’n 10 miljoen als ‘buitenrecreatie’ en

zijn en voortbouwen op de karakteristieken en waarden

nog eens 10 miljoen als ‘sportieve buitenactiviteit’ te

van het landschap. Ons erfgoedbeleid is gericht op

kwalificeren zijn. Het aantal toeristische overnachtingen

bescherming, behoud en ontwikkeling van het gebouwde

stijgt naar verwachting met 17,2 miljoen: bijna 33%

en groene erfgoed, bescherming van het ondergrondse

extra.40 Kortom: de recreatieve druk neemt toe, ook op

erfgoed en historische structuren. We gaan uit van

onze natuurgebieden. Dit onderstreept de noodzaak van

‘erfgoedinclusiviteit’: niet de bevriezing van het erfgoed,

voldoende groene recreatieruimte.

maar ontwikkelingsgericht meebewegen op basis van

­

­

­

­

­

buiten een planologisch beschermingsregime vallen zijn

groene stadsranden maar ook elders in het landelijk

­

geen ontwikkelingen mogelijk zijn, maar in gebieden die

de recreatiebehoefte en komt er meer drukte, zeker in de

­

Het aantal Noord-Hollanders groeit. Hierdoor groeit ook

erfgoedwaarden en hierbij de tijdlagen in het landschap

2.7.2 Landschap en erfgoed

herkenbaar houden.

Ons landschap verandert de komende decennia. Dat concreet door instrumenten te gebruiken zoals een

wasdom te komen. Daarom bevestigt onze Omgevings

landschapshistorische analyse (bijvoorbeeld een land ­

­

Bij de uitvoering van gebiedsprocessen maken we dit

soms eeuwenoud en heeft natuur decennia nodig om tot ­

vraagt flexibiliteit. Tegelijkertijd zijn onze landschappen

schapsbiografie) of ontwerpend onderzoek aan toekomst

van landschap, natuurgebieden en ruimtelijke kwaliteit.

perspectieven. Met het beschikbare Investeringsbudget

Onze beschermde landschappen en natuurgebieden

Landschapsversterking versterken wij het landschap en

vormen een duurzaam groenblauw raamwerk. Met de

de toegankelijkheid ervan voor inwoners en bezoekers.

afronding van het Natuur netwerk Nederland, de aanleg

Recente voorbeelden zijn de Westeinderscheg, de

van bos, groenblauwe dooradering en recreatief groen

Amstelscheg, de liniedijken van de Stelling van

werken we door aan de ontwik keling van dit raamwerk.

Amsterdam, het landschap van het Oer-IJ en de

­

­

­

­

visie NH2050 het belang van behoud en ontwikkeling

omgeving van Schagen. Door te investeren in het behoud In het verleden, zoals bij de ruilverkavelingen vanaf de

en versterking van ons erfgoed (zoals stolpenlinten,

jaren ’50, is soms te lichtzinnig omgesprongen met het

historische dijken, monumentale ensembles en

landschap. De transitie die voor ons ligt biedt kansen om

monumenten) vergroten we de beleefbaarheid van

het beter te doen. Want hoewel landschappelijke waarden

het landschap.

niet in een kwantitatieve opgave zijn te vatten, zien we

open (weidevogel)landschappen. Er kan spanning

aanleg van waterbergingen door historische waterlopen

bestaan tussen de aanleg van recreatieve voorzieningen

in ere te herstellen of inundatievelden te benutten. Of

en het verbod op nieuwe stedelijke ontwikkelingen in

agrarische verbreding met natuur- en landschapsbeheer,

beschermd landschap. Fluctuerende waterstanden en

recreatieve voorzieningen en de herbestemming van

verzilting beschadigen archeologisch en (funderings

gebouwd erfgoed, zoals de typisch Noord-Hollandse stolp

palen van) gebouwd erfgoed. Historische kavelpatronen

boerderijen. Soms kunnen zelfs geheel nieuwe, waarde

­

bosgroei op gespannen voet staan met het behoud van de

van) het landschap. Een aansprekend voorbeeld is de

­

Naast kansen zijn ook schuurpunten denkbaar. Zo kan

een versterking en verbetering van (de toegankelijkheid

­

veel kansen om de opgaven in dit PPLG te gebruiken voor

kunnen verdwijnen bij de aanleg van water en nieuwe

volle landschappen ontstaan. Een mooi voorbeeld

natuur. Wij sluiten nieuwe ontwikkelingen niet uit,

daarvan is de nieuwe Hondsbossche Zeewering, waar

maar verwachten altijd een zorgvuldige afweging. Onze



40 Bureau BUITEN en Bureau voor Ruimte & Vrije Tijd Onderzoek (2022). Natuur- en Recreatiegebieden Noord-Holland. Prognose op basis van gegevens van CBS, NBTC en CVTO.

Buitengewoon Noord-Holland!

47

Provincie Noord-Holland

ruimtelijke-ordeningsprocedures zijn hierop ingericht:

combinaties met andere opgaven in dit PPLG. Een nauwe

wij gaan vroegtijdig met gemeenten in gesprek over

samenwerking met de recreatie­schappen en terrein­

aankomende ontwikkelingen. Vaak zal een zorgvuldige

beherende organisaties is geboden, zodat we optimaal

afweging in het gebiedsproces gemaakt kunnen worden;

gebruik maken van de recreatieruimte die er is.

in sommige gevallen is misschien sprake van beleidskeuzes. Hierop lopen wij nog niet vooruit.

2.7.3 Recreatie

In alle natuur- en recreatiegebieden zijn een goede inrichting en zonering van de recreatieve activiteit – inclusief heldere communicatie hierover – en optimaal

Recreatie speelt een onmisbare rol in ons welzijn. In

beheer van belang. Daarnaast is een goede ontsluiting

onze Visie Recreatie & Toerisme 2030 en Visie op de

van, en verbinding tussen de gebieden behulpzaam. Dit

Waterrecreatie 2030 formuleren we ons recreatief en

vraagt aandacht voor de natuur- en belevingswaarden

toeristisch beleid. We willen optimaal kunnen profite­

van de huidige natuur- en recreatiegebieden, die nu al

ren van de sociale en economische waarde van recreatie

onder druk staan. Het spreekt voor zich dat in een

en toerisme, zowel nu als in de toekomst. Om dit doel te

Natura 2000-gebied intensieve recreatievormen die

bereiken is werk aan de winkel. Door bevolkingsgroei,

afbreuk doen aan de natuurwaarden, onwenselijk zijn.

veranderingen in ons vrijetijdsgedrag en de groei van het

Mogelijk is extensieve recreatie, zoals kanoën of fluister­

toerisme staan zowel de beleving van natuur, ruimte en

boten, wel haalbaar. Mits zorgvuldig ecologisch

rust, als de draagkracht van de natuur zelf onder druk.

gemotiveerd kunnen we besluiten tot aanpassing van

Natuur- en recreatiegebieden hebben onvoldoende

de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland om

capaciteit om de groeiende vraag naar recreatiemogelijk­

in de recreatiegebieden passende ontwikkelmogelijk­

heden – inclusief nieuwe vormen zoals e-bikes,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14628082/1