CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

094c bijlage Startversie en analyse document PPLG

Oordeelsvormende vergadering 28 november 2023, gemeente SchagenBij agendapunt: Geagendeerd op verzoek van de PvdA: Raadsinformatiememo 094 Provinciaal Programma Landelijk Gebied (PvdA is benieuwd hoe alle sectoren worden betrokken, behalve landbouw ook industrie en gebouwde omgeving om tot lagere stikstof uitstoot te komen)45.242 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

belemmert ook het behalen van de Natura 2000-doelen.

actie nodig. Dat is zowel in het belang van de natuur

Omdat de hoogte van de beheervergoedingen landelijk

zelf, als van de voedsel­productie. Agrarische gewassen

uniform geregeld is, pleiten wij in IPO-verband voor

zijn immers evenzeer afhankelijk van een vruchtbare

verhoging van deze vergoedingen en een bijdrage van het

bodem, voldoende zoet water en natuurlijke processen.

Rijk. Ook pleiten we ervoor dat, in geval van verpachte

We vinden de recente ideeën over een ‘basiskwaliteit

grond, de beheervergoeding terecht moet komen bij

natuur’ inspirerend. We gaan graag met alle betrokken

degenen die het daadwerkelijk beheer uitvoeren.

partijen in het landelijk gebied in gesprek hoe deze

Ook ondersteunen we beheerders met monitoring,

basiskwaliteit bereikt kan worden, in samen­hang met

behalen van de natuurbeheertypen die we jaarlijks voor

11 Successie is de natuurlijke opeenvolging van verschillende typen natuur binnen een dynamisch ecosysteem, zoals het ontstaan van duingraslanden vanuit een stuifvlakte in de duinen. Rewilding is een vorm van natuurbescherming die erop is gericht om natuurlijke processen waar mogelijk te herstellen en de natuur zo veel mogelijk zijn eigen gang te laten gaan. 12 Natuurdoelanalyses geven aan hoe het gaat met de natuur in een stikstofgevoelig natuurgebied en wat de verwachte effecten van vastgestelde maatregelen zijn. Wij hebben onze natuurdoelanalyse vastgesteld op 28 maart 2023. De Ecologische Autoriteit toetst of de natuurdoelanalyses volledig zijn en voldoende onderbouwing bieden voor de voorgestelde maatregelen om de natuur te verbeteren.

Buitengewoon Noord-Holland!

21

Provincie Noord-Holland

de transitie naar kringlooplandbouw. We zien al vele

leveren aan de opgaven in dit PPLG. Daarnaast herstellen

mooie initiatieven van agrarische ondernemers om de

we als eerste de reeds aanwezige, maar aangetaste of

biodiversiteit in en om hun bedrijven te versterken.

geïsoleerd geraakte landschapselementen. We zien

Groenblauwe dooradering

koppelkansen met de aanleg van natuurverbindingen, maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water en Bossen­

Onder groenblauwe dooradering verstaan we kleine

strategie en versterking van het recreatief aanbod en het

landschapselementen, zoals bomenrijen, houtwallen,

leefgebied van boerenlandvogels. Van belang is een

heggen, hagen, knotbomen en hoogstamboomgaarden.

goede spreiding, die recht doet aan de specifieke land­

Of natte elementen zoals sloot­kanten, natuurvriende­lijke

schaps­t ypen: het juiste element in elk landschap.

oevers en poelen. Ecologisch beheerde sloten kunnen ook

Hiermee wordt de landschapskarakteristiek versterkt.

tot groenblauwe dooradering worden gerekend, evenals

Er moeten geen grote gaten ontstaan in de ruimtelijke

keverbanken of kruidenrijke akkerranden. De kracht van

verdeling. Daarnaast moet de invulling van de groen­

de groenblauwe dooradering is dat deze bijdraagt aan veel

blauwe dooradering qua soortensamenstelling en

verschillende opgaven in dit PPLG, zoals versterking van

ruimtelijke verdeling passen bij de bodem en de aanwe­

de biodiversiteit en land­schaps­kwaliteit, verbeteren van

zig­heid van water in een gebied. Zo vragen waterrijke

de water-, bodem- en luchtkwaliteit, natuurlijke

gebieden (met meer sloten en watergangen) meer

plaagbestrijding en recrea­tieve voorzieningen.

natuurlijke oevers of ecologisch slootbeheer dan de hoge zandgronden. We sluiten zoveel mogelijk aan bij natuur­

De opgave is dat in 2050 10% van het landelijk gebied

kernen en bestaande ecologische stapstenen in het land­

buiten het NNN uit groenblauwe dooradering bestaat,

schap. Bij de aanleg houden we rekening met weide­

waarvan de helft in 2030 bereikt moet zijn. Wij verwach­

vogel­leefgebieden.

ten dat deze opgave kan worden gerealiseerd, maar hij is zeer omvangrijk. Er is dan ook een stevige impuls nodig,

De praktijkervaring is dat de groenblauwe dooradering

zowel kwantitatief als kwalitatief. We werken aan een

meestal wordt opgepakt als zich kansen voordoen.

inventarisatie van alle elementen die vallen binnen de

Daarom is de uitwerking van de groenblauwe doorade­

richtlijnen van het Rijk. Behalve elementen op landbouw­

ring een belangrijk onderdeel van de uitvoeringspro­

grond betreft de groenblauwe dooradering ook grond

gramma’s.

zonder landbouwfunctie, die in eigendom is van overheden en particulieren, niet zijnde agrarische

Boerenlandvogels

ondernemers. Deelname is op vrijwillige basis.

Boerenlandvogels zijn de trots van vele agrarische ondernemers. De Boerenlandvogelbalans van 2020 laat

We vertalen de opgave van 10% ongewijzigd door naar de

zien dat verdroging en teruglopend voedselaanbod de

vijf programmagebieden. Op basis van de hiervoor

stand van veel soorten negatief beïnvloedt.13 De resul­

genoemde inventarisatie concretiseren we de exacte

taten van onze weide­vogelmonitoring van de afgelopen

opgave per programmagebied. De ervaring is dat de

40 jaar laten een vergelijkbaar beeld zien.14 Deze achter­

groenblauwe dooradering meestal wordt opgepakt als

uitgang speelt op provinciaal en landelijk niveau. We

zich kansen voordoen. Daarom is de uitwerking ervan

willen deze trend keren, maar dat is niet eenvoudig. De

een belangrijk onderdeel van de uitvoeringsprogramma’s

oplossing moet zowel in het agrarisch gebied als in het

(zie hoofdstuk 5). We realiseren ons dat de opgave alleen

NNN worden gezocht. Om de weidevogelpopulatie te

kan worden gerealiseerd als er voldoende financieel

versterken werken we aan een optimale inrichting en

aantrekkelijke instrumenten beschikbaar zijn voor

beheer in de weidevogelgebieden. Op basis van de

agrarische ondernemers. Financiering gebeurt waar

monitoringsresultaten identificeren we knelpunten, die

mogelijk via (bij voorkeur langjarige) subsidies voor

we bespreken met beheerders. Gezamenlijk bepalen we

agrarisch natuur- en landschapsbeheer, het Gemeen­

welke maatregelen nodig zijn. Met de andere weidevogel­

schappelijk Landbouwbeleid en het Landbouwportaal.

provincies werken we samen aan het Aanvalsplan grutto.

Wij vragen uit het Transitiefonds middelen aan. Bij de invulling van de groenblauwe dooradering zetten we met name in op lijnvormige elementen, die een netwerk vormen. Waar dat een bijdrage levert richten we ons ook op andere elementen zoals poelen en erven. Indien prioritering nodig is beginnen we in de nabijheid van natuurgebieden, om zo de meest directe bijdrage te 13 E. Kleyheeg, T. Vogelzang, I. van der Zee & M. van Beek (2020). Boerenlandvogelbalans 2020. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen/ LandschappenNL, De Bilt. 14 F.M. van Groen, D.M. Hoogeboom en W. Non (2021). Weidevogels in Noord-Holland. Analyse van de gegevens 1988-2021. G&G-rapport 2022-111, NZ M-22-50560.

Buitengewoon Noord-Holland!

22

Provincie Noord-Holland

We ondersteunen de daarin genoemde speerpunten:

aan. De middelen die vrijvallen vanwege het niet-

• Omvang. We sturen op kansrijke gebieden van

continueren van agrarisch natuur- en landschapsbeheer

voldoende omvang: rond 1.000 hectare met een kern

in het NNN zetten we in voor uitbreiding van dit beheer

van 200 hectare natuurreservaat. Rondom die kern

buiten het NNN.

vindt extensieve, natuurvriendelijke landbouw plaats, voornamelijk melkveehouderij. De Ronde Hoep is een

Bossenstrategie

goed voorbeeld. Planologische bescherming van deze

Bos is belangrijk, zowel voor de natuur als voor onze

gebieden regelen we in de Omgevingsverordening.

bewoners en bezoekers. Het planten van bos draagt bij

• Grondwaterpeil. De kansrijke gebieden hebben een

aan versterking van de biodiversiteit, het vastleggen van

hoog grondwaterpeil. Tijdens het broedseizoen staat

koolstof, klimaatadaptatie, landschappelijke kwaliteit

het water maximaal 10-20 centimeter onder het

en leefbaarheid van steden. Daarom werken we aan de

maaiveld, met tijdelijke plasdrasgebiedjes. Dit leidt tot

uitvoering van de Bossenstrategie. In deze strategie

een betere voedselbeschikbaarheid, een minder dichte

benoemen Rijk en provincies gezamenlijk ambities voor

grasmat en minder toegankelijkheid voor predatoren.

bossen in Nederland. Wij richten ons op vier pijlers:

• Beheer. In de agrarische weidevogelgebieden streven

1. Meer bos.

we naar meer zwaar beheer op de juiste locaties.

2. Meer vitaal bos.

Speciaal in de periode tot half juli gaat het om: maaien

3. Meer bomen buiten het bos.

en begrazing na eind juni; beperking van de mestgift

4. Duurzaam gebruik van het bos.

en alleen ruige mest (geen drijfmest); 1 GVE per hectare15; meer kuikenland door de realisatie van

Pijler 1. Meer bos

kruidenrijk grasland en langdurige borging van het

In Noord-Holland is 14.784 hectare bos.16 De Bossenstra­

beheer, bijvoorbeeld door beheerpakketten voor

tegie bevat een opgave van 10% toename in 2030, oftewel

minstens 12 jaar. Samen met de andere weidevogel­

1.478 hectare. Aanvullend compenseren wij het bos dat

provincies en het Rijk zoeken we manieren om dit

sinds 2017 is gekapt vanwege natuurherstelmaatregelen,

duurzaam beheer mogelijk te maken.

bijvoorbeeld om verstuiving in de duinen op gang te

• Predatoren. We stimuleren preventie, zoals inrichting

brengen. Dit doen we buiten het NNN. Als alle herstel­

van de gebieden met zo min mogelijk opgaande

maat­regelen in Natura 2000-gebieden de komende jaren

elementen, een hoog waterpeil en waar nodig een

doorgang vinden is onze opgave voor compensatiebos

raster. Bij het maaien wordt herkenbaarheid van

60 hectare. In schema 3 maken wij de beoogde bosuit­

nesten door predatoren vermeden. Daar waar preventie

breiding per programmagebied inzichtelijk.

onvoldoende werkt en de schade te groot wordt, kunnen we binnen de wettelijke kaders het beheer door middel

Pijler 2. Meer vitaal bos

van dodelijke methoden mogelijk maken.

We revitaliseren onze bossen, zodat deze weerbaarder zijn. Dit is nodig, omdat de bossen in Noord-Holland

Ten slotte bevorderen we kennisdeling over goed weide­

over het algemeen een matige vitaliteit laten zien.17 Wij

vogelbeheer. In de Leidraad weidevogels beschrijven we

bevorderen maatregelen zoals hydrologisch herstel, het

hoe (onder andere) gemeenten het beste kunnen omgaan

(onderling) verbinden van bossen, het aanplanten van

met weidevogelgebieden. Voor akkervogels zoals patrijs

mengboomsoorten en/of rijkstrooiselsoorten, het

en gele kwikstaart zetten we samen met de agrarische

creëren van dood hout en het behoud van dikke bomen

collectieven de inrichting en beheer van akkerranden

in het bos. Wij streven ernaar om tot 2035 in 25% van ons

door. We sluiten de groenblauwe dooradering hierop

bosareaal revitaliserings­maatregelen te nemen.

Binnen NNN

Buiten NNN

Wadden, Kop van Noord-Holland en West-Friesland

29 hectare

292 hectare

Noord-Kennemerland

77 hectare

5 hectare

Laag Holland

2 hectare

61 hectare

Zuid-Kennemerland en Amstel-Meerlanden

32 hectare

1.010 hectare

Gooi en Vechtstreek

-

30 hectare

TOTAAL:

140 hectare

1.398 hectare

(versterken van het Natuurnetwerk)

(uitbreiding- en compensatie)

Schema 3. Beoogde bosuitbreiding per programmagebied 15 Het aantal grootvee-eenheden (GVE) per hectare op een bedrijf is de optelsom van het aantal melkkoeien en vrouwelijk jongvee op het bedrijf, omgerekend naar de fosfaatproductie van één melkkoe. De fosfaatproductie van één melkkoe is op 1 gesteld (CBS). 16 Wageningen Environmental Research (2022). Nederlandse Bosinventarisatie (NBI-7). 17 L. Kampherbeek, E. Roest, Y. Leunisse & P. van Wijhe (2023). Revitaliseringsplan Noord-Holland.

Buitengewoon Noord-Holland!

23

Provincie Noord-Holland

Pijler 3. Meer bomen buiten het bos

ontwikkeling van zonneparken. Ook voor windenergie is

Wij ondersteunen maatschappelijke initiatieven voor

een ruimtelijk kader. Om onze kennis te vergroten lopen

boomaanplant buiten de bossen, zoals plantacties in

er verschillende onderzoeken, onder meer via het

stedelijke omgevingen. Daarnaast werken we aan een

consortium ‘Zon in landschap’, waarin wij participeren.

uitbreiding van 300 hectare agroforestry en 50 hectare nieuw voedselbos.18 We maken inzichtelijk welke

Nieuwe kennis verwerken wij in de ruimtelijke kaders.

gebieden hiervoor geschikt zijn en zetten hier in op

Actieve soortenbescherming

realisatie van deze opgave. Deze opgave verdelen we niet

De Wet natuurbescherming bepaalt dat wij soorten niet

per programmagebied. Pijler 4. Duurzaam gebruik van het bos

alleen passief moeten beschermen (door het wettelijk

stelsel van vergunningverlening en handhaving), maar ook actief. Dit doen we door maatregelen uit te (laten)

Door uitvoering van de Bossenstrategie verwachten

voeren voor kwetsbare soorten. Omdat veel soorten

wij een lichte toename van de houtproductie in Noord-

profiteren van het systeemherstel dat het gevolg is van

Holland. In de Green Deal Houtbouw hebben wij ambities

herstelmaatregelen in de Natura 2000-gebieden en de

uitgesproken voor het verduurzamen van de bouwsector

afronding van het NNN, is dit ‘gebiedenbeleid’ ons

door het gebruik van hout te stimuleren. Daarbij hebben

uitgangspunt. Buiten deze natuur­gebieden treffen we

we beloofd om ons in te zetten om meer multifunctioneel

aanvullende maatregelen voor soorten die een negatieve

bos te realiseren.

trend vertonen – waaronder Rode Lijst-soorten – en

2.2.5 Natuurinclusief ruimtegebruik

waarvoor Noord-Holland een belangrijk deel van het verspreidingsgebied is. Hiervoor hebben we het

Natuur is overal aanwezig: zowel binnen als buiten de

Werkprogramma Actieve Soortenbescherming, dat we

beschermde natuurgebieden. Ook langs wegen en in het

uitvoeren in samenwerking met diverse partners.

stedelijk gebied: in bermen, parken en zelfs rond onze woningen. Ons uitgangspunt is dat bij alle ruimtelijke

Om de klimaatopgave te realiseren is isolatie van wonin­

ontwik­kelingen rekening wordt gehouden met natuur.

gen van belang. Dit moet echter zorgvuldig gebeuren,

Deze koers was al ingezet in de Omgevingsvisie NH2050

omdat bijvoorbeeld vleermuizen en gierzwaluwen hun

en is verder uitgewerkt in de Agenda Natuurinclusief,

voortplantings- of overwinteringsplekken vinden in

waar wij partner in zijn. Door natuurinclusief ruimte­

spouwmuren en onder dakpannen. Om een isolatiepro­

gebruik verbeteren we de omstandigheden voor zowel

ject te kunnen uitvoeren is nu nog vaak voor elke woning

kwetsbare als algemene soorten. Dit kan bijvoor­beeld

een aparte ontheffing van de Wet natuurbescherming

door natuurinclusief te bouwen en door te zorgen voor

nodig. Voor woningeigenaren is dit kostbaar en tijd­

voldoende ruimte voor (recreatief) groen en water in de

rovend. Daarom werken we samen met de Omgevings­

stad. We steunen de ideeën van het Rijk over een

dienst Noord-Holland Noord en gemeenten aan het

groennorm bij binnenstedelijk bouwen. We geven zelf

mogelijk maken van zogenoemde ‘gebiedsgerichte

het goede voorbeeld in ons eigen areaal, in het bijzonder

ontheffingen’, waarbij hele wijken in één ontheffing te

onze (vaar)wegen. Daar waar een (water)weg een natuur­

vatten zijn. Deze gebiedsgerichte ontheffingen moeten

verbinding of een natuurgebied kruist onder­steunen we

uiteraard zijn gebaseerd op duidelijke regelgeving en

maatregelen voor ‘ontsnippering’. Via ons mobiliteits­

zorgvuldig ecologisch onderzoek. De Omgevingsdienst

beleid geven we zelf het goede voorbeeld.19 Daarnaast

ondersteunt initiatiefnemers hierbij.

investeren we in kennisontwikkeling, samen met gemeenten, waterschappen en kennisinstellingen.

Groene vrijwilligers

Goede voorbeelden en interessante netwerken delen

‘Groene vrijwilligers’ zijn van onschatbare waarde voor het

we via de Aanpak Groen Kapitaal.

natuur- en landschapsbeheer. We onderscheiden tellers (die monitoringsactiviteiten verrichten), herstel­lers (die

In de Regionale Energiestrategieën staat waar hernieuw­

natuurgebieden opknappen en beheren) en vertellers (die

bare energie opgewekt kan worden. Van groot belang

natuur- en milieueducatie verzorgen). Wij ondersteunen

zijn echter de exacte locatie en inrichting daarvan. Bij

hen via ons programma Betrekken bij Groen, dat wordt

de plaatsing van windmolens moet goed gelet worden op

uitgevoerd in een samenwerking van alle terreinbeheer­

trek- en foerageer­routes van vogels en vleermuizen. In

ders. Een mooi voorbeeld in dit programma is de Groene

het algemeen geldt: hoe eerder het belang van biodiver­

Academie, die opleidingen, kennisuitwisseling en mate­

siteit betrokken wordt bij de afwegingen, hoe groter de

riaal verzorgt. Wij zetten het programma Betrekken bij

kansen zijn om een positief effect te bewerkstelligen.

Groen voort.

Wij hebben ruimtelijke voorwaarden uitgewerkt voor de

18 Een voedselbos is een door mensen ontworpen productief ecosysteem naar het voorbeeld van een natuurlijk bos, met een hoge diversiteit aan meerjarige en/of houtige plantensoorten, waarvan delen (vruchten, zaden, bladeren, stengels, wortels, ed.) voor de mens als voedsel dienen. 19 Wageningen University & Research (2021). Ontsnipperingsbeeld Provincie Noord-Holland. Een knelpuntenanalyse en advies voor ontsnip-pering van het provinciale wegennet voor fauna.

Buitengewoon Noord-Holland!

24

Provincie Noord-Holland

Nationale Parken

Monitoring natuurwaarden

De Nationale Parken Duinen van Texel en Zuid-

We vinden het van belang om de ontwikkeling de

Kennemerland vormen het visitekaartje van de Noord-

biodiversiteit te volgen en hebben hier een rijke traditie

Hollandse natuurgebieden en richten zich op natuur­

in. Monitoring vindt plaats voor gebieden (bijvoorbeeld

bescherming, recreatie, educatie, promotie en onderzoek.

broedvogelinventarisatie in een Natura 2000-gebied) en

Bovendien helpen de Nationale Parken om bewoners en

voor soorten (bijvoorbeeld voor de zandhagedis). De

bezoekers van Noord-Holland te betrekken bij hun groene

resultaten zijn zowel binnen als buiten het NNN

leefomgeving. Daarom participeren wij in de overleg­

bruikbaar. De gegevens worden gedeeld via de Nationale

organen en leveren wij een financiële bijdrage aan de

Databank Vegetatie- en Habitatkartering en de Nationale

Nationale Parken. Sinds 2020 zijn beide parken aange­

Databank Flora en Fauna. Naast gebiedsmonitoring en

sloten op het rijksproject Nationale Parken Nieuwe Stijl,

soortgerichte monitoring worden door veel verschillende

dat beoogt de parken toekomst­bestendig te maken. Wij

individuen en organisaties natuurgegevens verzameld.

steunen deze aanpak, leveren cofinanciering in de vorm

Deze worden veelal gedeeld via waarneming.nl en zijn

van ambtelijke inzet en sluiten deze aanpak zo goed

daarmee openbaar toegankelijk. We analyseren onze

mogelijk aan op de gebiedsprocessen. Inspirerende

natuurdata (onder andere) voor de evaluatie van de

voorbeelden zoals de Duintuinen en de Tuinen van Texel

Natura 2000-beheerplannen en rapportages over de

geven we een platform via onze Aanpak Groen Kapitaal.

provinciale biodiversiteit.

Santpoort-Noord

25

Buitengewoon Noord-Holland!

Provincie Noord-Holland

2.3 Minder stikstofuitstoot

De optelsom van het doelbereik in gebiedsprocessen, in het provinciebrede spoor en in de sectoren waarvoor het

2.3.1 Inleiding

Rijk verantwoordelijk is, moet leiden tot het realiseren van de totale opgave. We monitoren de resultaten van de

havens, industrie, landbouw en recreatie zorgen voor

stikstofaanpak. Gegevens over de depositie op kwetsbare

stikstofuitstoot. In twaalf van onze negentien Natura

natuur komen beschikbaar via AERIUS Monitor. Voor de

2000-gebieden liggen leefgebieden die gevoelig zijn voor

monitoring van emissie baseren wij ons op gegevens van

stikstof: een te grote neerslag van stikstof leidt hier tot

het Rijk. Hierbij moeten we rekening houden met een

verslechtering van de natuurkwaliteit.20 Deze twaalf

na-ijleffect van twee jaar voordat de effecten van huidig

gebieden staan centraal in onze stikstofaanpak. Ons

beleid in het model zijn terug te zien.

­

­

Onze provincie is dichtbevolkt. Wonen, mobiliteit,

primaire doel is het bereiken van een gunstige staat van instandhouding van de Natura 2000-gebieden. De

Oostelijke Vechtplassen

stikstofaanpak werkt volgens de strategie ‘twee doelen,

Landbouw Wegverkeer Buitenland Industrie Scheepvaart Vervoer en overig verkeer Overige sectoren

Naardermeer

twee sporen’. Met vermindering van de stikstofuitstoot ­

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

bereiken we twee doelen: enerzijds natuurherstel en

Polder Westzaan Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder

anderzijds het weer mogelijk maken van economische

Eilandspolder

ontwikkelingen, die nu vaak worden beperkt omdat

Kennemerland-Zuid

nieuwe vergunningen niet kunnen worden afgegeven.

Noordhollands Duinreservaat

Om deze twee doelen te bereiken volgen we twee sporen:

Schoorlse Duinen Zwanenwater & Pettemerduinen

1. Een spoor in de gebiedsprocessen, waarin we kijken naar

Duinen Den Helder-Callantsoog ­

de problematiek per Natura 2000-gebied. Deze gebieds processen richten zich primair op stikstofreductie in

Duinen en Lage Land Texel 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100%

de agrarische sector en op natuurherstelmaatregelen. Deze wordt uitgewerkt in de paragraaf 2.3.3.

2. Een provinciebreed spoor voor de sectoren havens en industrie, wonen en mobiliteit. Deze wordt uitgewerkt in paragraaf 2.3.4.

Gebiedsproces (landbouw natuurherstel)

Provinciebrede aanpak (industrie, wonen, mobiliteit en provinciebrede regelingen voor landbouw)

Bij het verminderen van stikstofdruk richten we ons zowel op vermindering van de stikstofuitstoot (emissie)

Rijk (landelijk vervoer, buitenland, meetcorrectie)

door verschillenden bronnen, als op het herstellen en

Afbeelding 6. Herkomst stikstofdepositie per sector, per Natura

weerbaarder maken van onze natuurgebieden tegen te hoge neerslag van stikstof (depositie). Alle sectoren moeten hun steentje bijdragen om de emissie te verminderen. Concreet: wij rekenen op een evenredige bijdrage van

2000-gebied (bron: AERIUS Monitor 2022, zichtjaar 2020)

Afbeelding 7. Visualisatie verantwoordelijkheidsverdeling stikstofaanpak

Op grond van Europese en nationale wet- en regelgeving

2000-gebieden. Stikstofemissie die buiten onze provin

is het Rijk systeemverantwoordelijk voor de verminde

ciale beïnvloedingssfeer ligt, zoals in het landelijk

ring van de stikstofemissies. Er is op dit moment nog

vervoer, internationale scheepvaart, luchtvaart, het

geen helderheid over de tijdshorizon van de opgave.

buitenland en de ‘meetcorrectie’ in het stikstofmodel,

Enerzijds stelt de wet dat in 2025 in tenminste 40% van

beschouwen wij niet als deel van onze provinciale

de stikstofgevoelige leefgebieden de kritische depositie

opgave.21 In afbeelding 7 hebben wij deze verantwoor

waarde (KDW) niet meer mag worden overschreden. In

delijkheidsverdeling gevisualiseerd.

2030 moet dit 50 procent zijn en in 2035 74%.22 Anderzijds

­

­

­

2.3.2 Concretisering van de opgave

depositie op onze twaalf stikstofgevoelige Natura ­

elke sector. In afbeelding 6 staat de herkomst van de

noemt het Nationaal Programma Landelijk Gebied de tijdshorizon van 2030 om dit doel te bereiken. Een definitieve keuze hierover is aan het Rijk en kan in een







20 De twaalf Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige leefgebieden zijn de duingebieden Duinen en Lage Land Texel, Duinen Den HelderCallantsoog, Zwanenwater & Pettemerduinen, Schoorlse Duinen, Noordhollands Duinreservaat, Kennemerland-Zuid (deels in Zuid-Holland) en de veenweidegebieden Eilandspolder, Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske, Polder Westzaan en Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder, Naardermeer en Oostelijke Vechtplassen (deels in Utrecht). 21 De meetcorrectie is het verschil tussen de metingen van de depositie van ammoniak en de modelberekening in AERIUS. In Noord-Holland loopt de meetcorrectie aan de kust op tot boven de 30%. Het RIVM doet op verzoek van de minister voor Natuur en Stikstof onderzoek naar de herkomst van de meetcorrectie. 22 Dit percentage wordt de ‘omgevingswaarde’ genoemd. De kritische depositiewaarde (KDW) is de hoeveelheid stikstof in mol per hectare per jaar waarboven verslechtering van de kwaliteit van de natuur niet op voorhand is uit te sluiten. Voor elk type natuur is wetenschap-pelijk bepaald wat de KDW is: hoe stikstofgevoeliger de natuur, hoe lager de waarde. De minister voor Natuur en Stikstof verkent of er alternatieven zijn voor de KDW.

26

Buitengewoon Noord-Holland!

Provincie Noord-Holland

actualisatie van het PPLG worden verwerkt. Wij richten

aanzien van stikstofemissies die buiten onze provinciale

ons nu op de beleidsmatige keuzes en maatregelen die

invloed liggen – dat voor negen van de twaalf stikstof­

wij in alle gevallen nodig achten om de stikstofdruk te

gevoelige Natura 2000-gebieden de omgevingswaarde

verminderen. De evaluatiemomenten die het Rijk in 2025

in 2030 redelijkerwijs haalbaar is. Dit is een wenkend

en 2028 inbouwt zijn voor ons belangrijke ijkmomenten.

perspectief. Tegelijkertijd valt uit de grafieken af te leiden dat, ook bij behalen van de omgevingswaarde, de

Omdat de omgevingswaarde een landelijke opgave is,

zeer stikstofgevoelige leefgebieden onder druk blijven

doet deze geen uitspraak waar de stikstofreductie moet

staan. Voor het bereiken van een gunstige staat van

worden behaald. Dit is echter wel van belang: stikstof­

instandhouding is verdere (lokale) reductie van

bronnen nabij kwetsbare Natura 2000-gebieden zijn

stikstofdepositie noodzakelijk.

schadelijker dan bronnen verder weg. Het Rijk vraagt daarom van ons een ruimtelijke vertaling en regie op de

2.3.3 Aanpak in gebiedsprocessen

uitvoering via integrale gebiedsprocessen in het lande­

In de gebiedsprocessen richten we ons op de evenredige

lijk gebied. Ons doel is het behalen van de beoogde

bijdrage aan stikstofreductie door de landbouw. Omdat

omgevings­waarde in elk van onze twaalf stikstof­

met name de melkveehouderij een groot aandeel heeft

gevoelige Natura 2000-gebieden. Onderstaande

in de depositie zijn de gebiedsprocessen een belangrijk

grafieken tonen de huidige mate van overbelasting van

onderdeel van onze stikstofaanpak. Het aandeel van de

onze stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. In acht

agrarische sector aan de depositie op de twaalf stikstof­

van de twaalf gebieden is de doelstelling van 74%

gevoelige Natura 2000-gebieden varieert van 22,5% op

stikstof­gevoelig leefgebied onder de KDW nog niet

het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel,

gehaald (afbeelding 8). Daarnaast is de mate van

tot 40,4% op de Oostelijke Vechtplassen (zie schema X).

stikstofoverschrijding in alle gevallen zeer aanzienlijk

Stikstofemissies uit agrarische bronnen komen vooral

(afbeelding 9). Ter illustratie: in het Noordhollands

als ammoniak (NH 3) in het milieu terecht. In de melk­

Duinreservaat ligt 59% van het stikstof­gevoelig leef­

veehouderij ontstaat ammoniak zodra vaste en vloeibare

gebied onder de kritische depositiewaarde, en 41% dus

mest bij elkaar komen. Ammoniak ontsnapt op drie

niet. Op die 41% is de overschrijding gemiddeld maar

plekken: in de stal, tijdens de mestopslag, en tijdens

liefst 325 mol per hectare per jaar. In de Oostelijke Vecht­

het uitrijden van de mest op het veld. De totale bedrijfs­

plassen (OVP) is dit effect nog sterker te zien. Hier ligt

emissies bestaan voor de helft uit stalemissies (stal en

slechts 4% van het stikstofgevoelig leefgebied nog niet

opslag) en de andere helft uit veldemissies. Tijdens

onder de KDW, maar worden het zeer stikstofgevoelige

beweiding komen vaste en vloeibare fractie nauwelijks

leefgebied gemiddeld met 413 mol stikstof per hectare per

bij elkaar en ontstaat er dus weinig ammoniak.

jaar overbelast. De agrarische sector heeft een richtinggevende generieke reductieopgave tot 2030 van 41% oftewel 1.797 kiloton

0

Eilandspolder

ammoniak ten opzichte van 2018. Daaronder vallen alle

9

Wormer- en Jispervel & Kalv.

25

IVOT

door de sector genomen maatregelen in Noord-Holland,

56

Schoorlse Duinen Noordhollands Duinreservaat

59

Duinen Den Helder-Callantsoog

59

Pold. Westzaan

60

Zwanenwater & Pet'duinen

waaronder ook huidig beleid voor afbouw van de deroga­ tie, de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland en

63

de uitkoop van stoppers. Alle agrarische bedrijven hebben

75

Ken. Zuid Texel

82

Naardermeer

echter een reductieopgave; niet alleen bedrijven in de

86 96

OVP 0

10

20

30

40

50

60

70

80

90

100

% oppervlak stikstofgevoelig habitat onder de kritische depositie waarde

Eilandspolder

287

Wormer- en Jispervel & Kalv.

293

agrarische sector. Een meer exacte opdracht per program­ magebied wordt in de komende maand geformuleerd.

270 325

Noordhollands Duinreservaat

In het gebiedsproces richten we ons primair op de meest

98

Duinen Den Helder-Callantsoog

doelmatige maatregelen, dat wil zeggen vermindering

300

Pold. Westzaan 109

Zwanenwater & Pet'duinen

van uitstoot die tot de grootste natuurwinst leidt. Dit

285

Ken. Zuid 180

Texel

482

Naardermeer 413

OVP 0

50

100

150

200

250

300

van de vijf programmagebieden heeft in de kern dezelfde opdracht om te komen tot doelmatige maatregelen in de

342

IVOT Schoorlse Duinen

buurt van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Elk

350

400

450

500

Gemiddelde overschrijding in mol N/ha/jr

Afbeelding 8 en 9. Stikstofoverbelasting per Natura 2000-gebied (Bron: AERIUS Monitor ‘22 over het jaar 2020)

doen we op basis van een analyse van de natuuropgave, de bronnen en de instrumenten. Uiteraard werken we, zeker ten aanzien van Natura 2000-gebieden aan de provinciegrenzen, samen met onze buurprovincies. Wij onderzoeken de stikstof­reductie en het effect op de omgevingswaarde van de afronding van het NNN en het

Wij verwachten – mits het Rijk voldoet aan een aantal

vervallen van de derogatie. Dit onderzoek is najaar 2023

randvoorwaarden zoals voldoende toepasbaar instrumen­

afgerond. Effectonderzoek op andere maatregelen (zie

tarium, data, financiële middelen en rijksbeleid ten

hierna) volgt.

27

Buitengewoon Noord-Holland!

Provincie Noord-Holland

Overgangszones

bij het ontwikkelingsperspectief van hun bedrijf passen,

Kenmerkend voor ammoniak – en daarmee voor de stik­

kunnen agrarische ondernemers de stikstofopgave

stofbelasting uit de agrarische sector – is de neerslag

combineren met de overgang naar kringlooplandbouw

dicht bij de bron, grotendeels binnen 500 meter.

en andere opgaven in dit PPLG. In paragraaf 2.6 en

Daarom richten wij ons in het gebiedsproces met

hoofdstuk 6 staat hoe wij hen hierbij ondersteunen.

voorrang op ver­mindering van stikstofemissie binnen

Enkele concrete maatregelen waarvoor wij financiering

500 meter van het stikstofgevoelig Natura 2000-leef­

uit het Transitiefonds aanvragen zijn:

gebied. Agrarische ondernemers met (een deel van) de

1. Emissiearme huisvesting van melkvee. Samen met de

bedrijfsvoering in deze overgangszone worden door ons

provincies Utrecht en Zuid-Holland zijn we gestart met

actief benaderd. De overgangszone kan dus deels

het Field Lab Groene Hart. Dit Field Lab richt zich op

binnen, en deels buiten het Natura 2000-gebied liggen,

maatregelen zoals bronscheiding om ruige mest te

afhankelijk van de exacte ligging van het stikstof­

produceren, vermindering van stal- en veldemissies

gevoelig leefgebied. Deze agrarische ondernemers

met 50 tot 70% en mozaïekbeheer om de condities voor

23

worden maximaal ondersteund met instrumenten ten behoeve van de emissiereductie. De overgangszones

weidevogelbeheer te optimaliseren.

2. Emissiearm bedrijfsmanagement. Er bestaan diverse no

zijn geen planologisch instrument. Overigens worden

regret-maatregelen die weinig investering vragen en toch

ook buiten de overgangszones agrarische ondernemers

tot aanzienlijke emissiereducties leiden. Voorbeel­den

ondersteund met emissiereductie en een transitie naar

zijn weidegang, vermindering van het eiwitgehalte in

kringlooplandbouw (zie paragraaf 2.6) en stellen wij

veevoer en het verdunnen, aanzuren en koelen van

hiervoor instrumenten beschikbaar.

mest. Door de systematiek van kritische prestatie-

NNN-realisatie In veel gebieden liggen (nog te realiseren) NNN-percelen in de directe nabijheid van stikstofgevoelig leefgebied.

indicatoren (zie hoofdstuk 6) willen we deze maatrege­ len stimuleren. We verwachten dat met dergelijke maat­ regelen de emissie per bedrijf met circa 20% kan dalen. 3. Systeemaanpak mestverwerking en agrarische

Daarom zal afronding van het NNN in de buurt van

nutriëntenkringlopen. Door het vergisten van mest

stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden leiden tot een

wordt het ammoniakgehalte in de mest minder en

gerichte depositievermindering. Doordat op deze

ontstaat methaan. Dit is een energiebron voor groen

percelen wordt omgeschakeld naar natuurbeheer neemt

gas. Wat overblijft kan verwerkt worden tot organische

de bemesting nabij stikstofgevoelig leefgebied af. In het

korrels en kunstmest. Met deze installaties wordt dus

kader van de NNN-realisatie worden stoppers opgekocht

tegelijkertijd de ammoniakuitstoot verminderd, de

en bedrijven verplaatst. De gronden die beschikbaar

methaanuitstoot gereduceerd, de bodem verbeterd en

komen worden waar mogelijk – via een ruilproces –

een bijdrage geleverd aan de productie van groengas.

ingezet om de bedrijven die in het gebied blijven te

Nader onderzoek is nodig om de beste toepassingen

extensiveren. De beheer­checks (zie paragraaf 6.4) laten

voor de extensieve en grondgebonden Noord-Hollandse

zien dat de NNN-realisatie leidt tot een geschatte

melkveesector te identificeren.

extensivering van 1,9 GVE per hectare naar 1,2 tot 0,8

4. Natuurinclusieve mestbehandeling. Micro-organismen

GVE per hectare. Gemiddeld genomen – afhankelijk van

kunnen stikstof en koolstoffen in organische verbin­

het beoogde natuurdoel – achten wij verdergaande

din­gen vastleggen. In de praktijk gebeurt dat bijvoor­

extensivering onwenselijk, gelet op de minimale

beeld door verneveling in de stal of door het toedienen

veebezetting die nodig is voor het beheer van natuur en

van bacteriën en koolstof in de mestkelder. Samen met

landschap, en behoud van een gezond agra­r isch

bedrijven die deze maatregel al toepassen willen we het

verdienmodel. Ook van verplaatsers verwachten we

reductiepotentieel in beeld brengen.

inspanningen om hun stikstofemissies te verminderen. De Natura 2000- en NNN-gebieden achten wij ongeschikt

Agrarische ondernemers moeten erop kunnen vertrouwen

als vestigingslocatie bij verplaatsing.

dat als zij hun bedrijf hebben aangepast, dat niet binnen

Maatregelen op agrarische bedrijven

enkele jaren opnieuw moet. Daarom is het waarborgen van de emissiereducties van maatregelen erg belangrijk.24

Alle agrarische bedrijven hebben een reductieopgave.

Wij bieden steun voor maatregelen die voldoende weten­

Door concrete maatregelen te treffen op agrarische

schappelijk onderbouwd zijn en die we kunnen waar­

bedrijven kunnen zowel stalemissies als veldemissies

borgen, monitoren en handhaven. Waar dit nog niet

worden teruggebracht. Door maatregelen te kiezen die

mogelijk is, werken wij eraan om dit mogelijk te maken.

23 Zie de website van het RIVM, waarop enkele veelgestelde vragen over stikstof worden beantwoord. 24 Een belangrijke hobbel voor de grootschalige uitvoering van stikstofreducerende maatregelen op agrarische bedrijven is het gegeven dat niet alle maatregelen over een zogenoemde RAV-code of emissiefactor beschikken. Dat betekent dat de reducties die door deze maatregelen worden bereikt niet als bijdrage van een individueel bedrijf of de sector worden geregistreerd. Ze komen in het meetmodel AERIUS alleen terug als reductie van de ‘achtergronddepositie’. Dit maakt deze maatregelen minder aantrekkelijk voor agrarische onder­nemers. Wij bevorderen, samen met andere provincies en het Rijk, dat deze maatregelen alsnog geborgd en geregistreerd worden.

28

Buitengewoon Noord-Holland!

Provincie Noord-Holland

PAS-melders

evenredige deel levert in de provinciale stikstofopgave.

We helpen het Rijk met het vinden van een oplossing

Eventuele investerings­kosten kunnen ten laste komen

voor de PAS-melders. Legalisering is onze hoogste

van het Klimaatfonds van het ministerie van

prioriteit en kan onder andere door opkoop van

Economische Zaken en Klimaat.

stoppende bedrijven. De instrumenten die het Rijk hiervoor beschikbaar stelt zijn voor onze provincie

Wonen

onvoldoende. Waar nodig verzorgen we voorfinanciering

Zowel het bouwen van woningen als het wonen zelf leidt

met provinciale middelen. Als een stikstofbank nodig is

tot stikstofuitstoot. Onze ambitie is om 184.000 nieuwe

voor vergunningverlening aan PAS-melders, en het Rijk

woningen te bouwen tot en met 2030. Dit is 20 procent

hier niet in voorziet, verkennen wij de inrichting van

van de nationale opgave. Hoewel wonen relatief beperkt

een provinciale stikstofbank voor dit doel. Het Rijk blijft

bijdraagt aan stikstofdepositie, kunnen zonder stikstof­

eindverantwoordelijk voor een blijvende oplossing en de

ruimte veel woningbouwplannen niet doorgaan, vooral

financiering daarvan. We pleiten er bij het Rijk voor

wanneer het plan in de buurt van een Natura 2000-gebied

PAS-melders en zogeheten interimmers gelijk te

ligt. Gemeenten en ontwikkelaars zijn genoodzaakt om

benaderen.25

zelf oplossingen te bedenken om woningbouw mogelijk te

2.3.4 Provinciebrede aanpak Extern salderen

maken, zoals het gebruik van elektrische werktuigen en bouwmaterieel, bouwhubs en industrieel bouwen. Het Rijk heeft toegezegd om een deel van de stikstofruimte

Gemiddeld bevat een vergunning voor stikstofemissie

die met rijksbeleid ontstaat, te reserveren voor woning­

30% ongebruikte stikstofruimte. Daarmee is het huidige

bouwprojecten. Daarnaast steunt het Rijk gemeenten en

afromingspercentage van 30% niet te beschouwen als een

ontwikkelaars met het program­ma Schoon en Emissie­

maatregel die ten gunste komt van de natuur; hooguit

loos Bouwen. Wij delen kennis – bijvoorbeeld met onze

voorkomt het een feitelijke stijging van stikstofemissie.

de Handreiking stikstofvrij bouwen en stimuleren

In de komende periode houden wij de huidige beleids­

duurzame mobiliteit in nieuwe en bestaande wijken. Ook

regels tegen het licht om te bekijken of aanpassingen

voor de bestaande woningbouw zijn er maatregelen die

nuttig zijn.

bijdragen aan stikstofreductie, zoals het van het gas halen van woningen in het kader van de energietransitie.

Havens en industrie

Wij brengen de stikstofbehoefte voor het bouwen van

De bijdrage van industriële sectoren aan de totale stik­

woningen in beeld, zodat we met deze kennis knelpunten

stof­depositie op Noord-Hollandse Natura 2000-gebieden

in de woningbouwopgave kunnen aanpakken en, indien

ligt tussen de 1,6% en 5%. De meeste depositie komt

nodig, bij het Rijk onder de aandacht brengen.

terecht in de Natura 2000-gebieden nabij het Noordzee­ kanaalgebied. Met onze provinciebrede aanpak sluiten

De toename van het aantal inwoners in Noord-Holland

wij aan bij landelijke maatregelen, om zo te komen tot

vergt onder meer uitbreiding van productielocaties voor

de nationale opgave van 38% reductie aan samengestelde

drinkwater en aanleg van de daarbij benodigde infra­

stikstofemissie NOX en NH 3. De Roadmap industriële 26

piekbelasters stikstof brengt voor de dertien industriële

structuur. Wij delen de zorg van de drinkwaterbedrijven dat deze activiteiten op sommige plaatsen kunnen stag­

piekbelasters in Noord-Holland de geprognosticeerde

neren door het ontbreken van voldoende stikstof­r uimte.

stikstofreductie in beeld.27 Hierbij is gekeken naar

Wij brengen dit met het PPLG onder de aandacht van

verplichtingen die volgen uit bestaand beleid, zoals het

het Rijk.

gebruik van ‘best beschikbare technieken’ (verplicht in de milieuwetgeving), het Schone Luchtakkoord en de

Mobiliteit

energietransitie (zoals de bouw van windparken op zee).

De mobiliteit in Nederland is verantwoordelijk voor 11%

De Roadmap voorspelt een daling van 70-80% ammoniak

van de gemiddelde depositie van stikstofoxiden op

en 40-45% stikstofoxiden, die voor ongeveer de helft

natuurgebieden: 6% door het wegverkeer en 5% door de

‘zeker’ is en voor de andere helft afhankelijk van rand­

scheepvaart. In het wegverkeer is al veel winst geboekt:

voorwaar­den zoals verbetering van de energie-infra­

een daling van ruim 30% tussen 2010 en 2018, dankzij

structuur. Voor de Natura 2000-gebieden zou dit een

bronmaatregelen zoals verlaging van de maximum­

potentiële samengestelde reductie van 45-50%

snelheid op rijkswegen, elektrificatie van zowel

betekenen, waarmee de industrie ruimschoots zijn

wegverkeer als de binnenvaart en het stimuleren van

25 PAS-melders zijn bedrijven en ondernemers die onder het Programma Aanpak Stikstof (PAS) een melding deden bij de rijksoverheid, bijvoorbeeld van een uitbreiding (met geringe (extra) stikstofuitstoot). Zij hoefden daarvoor geen vergunning aan te vragen, een melding van de berekende stikstofbelasting op kwetsbare natuur was voldoende. Interimmers zijn agrarische ondernemers 1) met een bedrijf of activiteit, gestart of gewijzigd na de datum waarop artikel 6, lid 3, van de Habitatrichtlijn is gaan gelden voor het betrokken Natura 2000-gebied en voor 1 februari 2009 en 2) die tot op heden geen volledige geldende natuurtoestemming voor de activiteit verleend hebben gekregen. 26 Kamerbrief DGLGS / 26174881 10 februari 2023. 27 De Roadmap is nog in ambtelijke voorbereiding. Zodra deze beschikbaar is, wordt een link opgenomen.

29

Buitengewoon Noord-Holland!

walstroom in havens. De verwachting is dat de mobili­

Provincie Noord-Holland

Natura 2000-gebied. Dit lijkt enkel het geval op de N502,

teit tot 2030 aan het stikstofreductiedoel van 25% kan

waar snelheids­verlaging zou leiden tot een depositie­

voldoen vanwege de autonome ontwikkeling naar

reductie van maximaal 2,78 mol per hectare per jaar op

schonere motoren en elektrificatie. Ook in ons provin­

het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemer­

ciaal beleid voor slim, schoon en veilig reizen leveren we

duinen. Wij nemen uiterlijk eind 2023 een besluit over

een bijdrage. Door het verminderen, veranderen en

een eventuele snelheidsverlaging. Ook sluiten we aan

verbeteren van mobiliteit zorgen we voor meer duurzame

bij de landelijke afspraak dat in 2030 uitstootvrij wordt

en betaalbare mobiliteit. De hoofdlijnen van dit beleid

gereden in het streekvervoer. De uitstoot van stikstofoxiden

zijn samengevat in het Perspectief Mobiliteit, dat is

door regionale bussen neemt de komende jaren verder af

uitgewerkt in uitvoeringsprogramma’s. De maatregelen

omdat in onze concessies het rijden met elektrisch

in deze programma’s leiden aanvullend tot een emissie­ reductie van 12% NOX in 2030 ten opzichte van 2018.

28

Daarnaast doen we nader onderzoek naar snelheidsverla­

ging van het wegverkeer op provinciale wegen. Een verlaging van

bussen is opgenomen. Tot slot zetten we in op duurzame

binnenvaart en elektrisch varen. De stikstofdepositie als gevolg van de binnen­vaart in Noord-Holland is laag ten opzichte van andere provincies, omdat de drukste wateren in Noord-Holland niet direct grenzen aan Natura

80 km/u naar 60 km/u leidt alleen tot een significante

2000-gebieden. Hierdoor is het effect van de landelijke

daling van stikstofuitstoot als hierdoor minder auto’s

maatregelen voor de binnenvaart in Noord-Holland

gaan rijden in de nabijheid van het desbetreffende

relatief beperkt.

Castricum - N513 28 CE-Delft (2021). Effectbepaling duurzame mobiliteitsopties provincies Noord-Holland en Flevoland.

Buitengewoon Noord-Holland!

30

◆ Geen nieuwe landaanwinning (eilanden) in het ijsselmeergebied, behalve voor overstroombare ­

2.4 Water en bodem sturend

Provincie Noord-Holland

2.4.1 Inleiding De maakbaarheid en de draagkracht van ons wateren bodemsysteem bereiken steeds vaker hun grenzen. ­

Bodemdaling en lage grondwaterstanden zorgen voor schade. De waterkwaliteit is allesbehalve op orde. De verdeling van zoet grond- en oppervlaktewater bij

natuur en om te voldoen aan de natura 2000- en krw-doelen. ◆ Actualisering van de huidige reserveringszones rond primaire waterkeringen. ◆ Vooralsnog geen kustuitbreiding. • Een vitale en efficiënt geordende bodem

droogte wordt steeds lastiger. Het veranderende klimaat

Dit houdt onder meer een sterkere regie op de

zet alles op scherp, ook het houden van droge voeten.

inrichting van de ondergrond in, en tevens een meer

Hierdoor wordt het water- en bodemsysteem bepalender

efficiënt gebruik van de ruimte, behoud van organisch

bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het Rijk heeft met de

rijke landbouw- en natuurbodems, zo min mogelijk

Kamerbrief Water en Bodem Sturend (WBS) het initiatief

afdekking van de bodem en herstel van de bodem waar

verankeren, mede met het oog op de provinciale PPLG’s.

dat mogelijk is. • Laagveengebieden: bewegen naar een grondwater

­

genomen om dit uitgangspunt beter in het beleid te De brief onderscheidt algemene uitgangspunten en

stand van 20 centimeter tot 40 centimeter onder

‘structurerende keuzes’.

maaiveld, zodat bodemdaling wordt geminimaliseerd en de uitstoot van broeikasgassen wordt gereduceerd.

De algemene uitgangspunten zijn de volgende:

• Verziltende kustgebieden: op termijn zal vaker sprake zijn van tijdelijke en regionale verzilting in kust

gebieden of functies of van privaat naar publiek.

gebieden en polders in het westen van Nederland,

• Meer rekening houden met weersextremen en ons er

­

• Niet afwentelen op toekomstige generaties, andere

omdat zoute kwel door de zeespiegelstijging toeneemt

bewust van zijn dat niet alle schade te voorkomen

en de aanvoer van zoet water niet langer altijd en

zal zijn.

overal gegarandeerd kan worden. Zoet water ter plekke

• In samenhang omgaan met wateroverlast, droogte en

vasthouden en benutten zal keuzes vergen. Op termijn

de bodem. Hierbij past de metafoor ‘nederland moet

kunnen ook de nu op zoet water gebaseerde ecologische

van vergiet weer een spons worden’.

KRW-doelen in het gedrang komen. Waterverbruikers

• ‘Meerlaagsveiligheid’. Dat wil zeggen: naast preventie

moeten zelf maatregelen nemen om beter bestand te zijn tegen periodes van extreme droogte, water

door ruimtelijke inrichting en crisisbeheersing, en

tekorten en verzilting en rekening houden met

voor snel en klimaatrobuust herstel van schade.

verstrekkender gevolgen op lange termijn.

• Minder afdekken, minder vergraven en niet

­

ook aandacht voor het verminderen van kwetsbaarheid

• Hogere zandgronden: herstellen van de sponswerking

verontreinigen van de bodem (om de natuurlijke

van de bodem en het bereiken van een robuust

kracht van de bodem te benutten).

grondwatersysteem.

• Een integrale aanpak in de leefomgeving. • Comply or explain (‘pas toe of leg uit’).

De WBS-principes zijn niet volledig nieuw en deels al in beleid verankerd. Al veel langer houden we rekening met

Voor het PPLG en de gebiedsprocessen zijn de meest

water en bodem in de ruimtelijke ontwikkeling en

relevante structurerende keuzes:

nemen we maatregelen om water en bodem te

• Voldoende, zoet en schoon water. Dit betekent met

beschermen en te herstellen. We verwachten echter dat

name:

door de WBS-principes de werkwijze zal veranderen en de

◆ Het hoofdwatersysteem weerbaar maken tegen

impact zal toenemen: van functiegericht, korte termijn

droogte. ◆ Toewerken naar een robuust grondwatersysteem,

en reactief naar systeemgericht, langere termijn en proactief. We onderschrijven de inhoud van de WBS-

diversificatie van drinkwater-bronnen en 20%

brief, zowel de algemene uitgangspunten als de

minder drinkwaterverbruik.

‘structurerende keuzes’. We gebruiken ze voor dit PPLG

◆ Maatregelen voor de kaderrichtlijn water uiterlijk in 2027 uitvoeren. ◆ Ruimte creëren voor het vasthouden, bergen en

als beleidsuitgangspunten, uiteraard voor zover ze betrekking hebben op ons landelijk gebied en passen binnen de reikwijdte van dit PPLG. Een meer concrete

afvoeren van water in onze ruimtelijke inrichting,

vertaling naar wat WBS voor Noord-Holland betekent zal

landgebruik en landbeheer. Hierbij past het waar

deels in volgende PPLG’s plaatsvinden, ook omdat WBS

mogelijk inzetten 5-10% van diepe polders voor

zelf nog nadere uitwerking behoeft, zowel inhoudelijk,

waterberging.

juridisch als qua governance. Wij zullen daar in 2023 en

◆ De zoetwatervoorziening borgen door rekening te

2024 stevig op inzetten, samen met Rijk, gemeenten en

houden met grotere peilfluctuaties en mogelijk

waterpartners. We benutten al wel kansen waar WBS in

peilaanpassingen van het ijsselmeer en het

beleid en regelgeving is geborgd. Om WBS zo goed

markermeer.

mogelijk toe te passen bij het maken van ruimtelijke

31

Buitengewoon Noord-Holland!

Provincie Noord-Holland

gebied naar alle water- en bodemthema’s. Hierbij maken

dat 56 van de 89 waterlichamen (63%) voldoen. In slechts

wij ook de invloed van klimaatverandering zichtbaar.

14 van de 89 waterlichamen (16%) voldoen beide nutriën

De kaarten ontwikkelen we door naar het instrument

ten aan de norm (niet in de tabel).

­

­

45% en 81% van de waterlichamen. Voor 2022 betekent dit

­

kwartier en Amstel, Gooi en Vecht voldoet respectievelijk

kaarten’) in samenwerking met de waterpartners per

­

voor nutriënten aan de norm. Voor Hollands Noorder

en 2024 de bestaande geschiktheidskaarten (‘signaal ­

keuzes in PPLG en gebiedsprocessen verbreden wij in 2023

‘gebiedsprofiel water, bodem en klimaatadaptatie Noord-Holland’.

De in de KRW-periode 2022-2027 door de waterschappen ­

en andere overheden geprogrammeerde verbetermaat

regelen zullen leiden tot meer doelbereik voor nutriënten

op basis van de huidige nog niet volledige kennis, een

in 2027. Voor een aantal maatregelen zijn de waterbe

beschrijving op van het water- en bodemsysteem in

heerders daarbij mede afhankelijk van andere partijen.

Noord-Holland en de klimaatbestendigheid daarvan.

Het versneld afbouwen van de derogatie en de invoering

­

In de definitieve startversie van het PPLG nemen we,

van de bufferstroken, beide landelijke maatregelen om

2.4.2 Water- en bodemdoelen in het NPLG

de emissies naar het grond- en oppervlaktewater te

Er zijn vier nationale NPLG-doelen die betrekking

verminderen, zullen naar verwachting de kans vergroten

hebben op water en bodem, te weten:

dat de doelen voor stikstof en fosfaat worden gehaald, al is de mate waarin dat zal gebeuren nog niet bekend. Ook

1. Concentraties nutriënten (stikstof en fosfaat) in 

de, hoe dan ook positieve, effecten van de verduurzaming

grond- en oppervlaktewaterlichamen voldoen aan

van de landbouw, de verbetering van hydrologische

wettelijke normen (2027)

condities in de Natura 2000-gebieden en de groenblauwe

en fosfaat. Uitzondering is het grondwaterlichaam duin

negatieve effect van de beoogde vernattingsmaatregelen

Rijn-west, dat voor een deel is gelegen in Noord-Holland.

in de veenweidegebieden. Hierbij kan fosfaat vrijkomen

In 23% van de meetpunten wordt hier de drempelwaarde

uit de bodem, hetgeen tientallen jaren kan aanhouden.

voor fosfaat overschreden, terwijl voor het KRW-oordeel

Overigens zal de beoogde verlaging van de nutriënten

‘goed’ dit minder dan 20% moet zijn. We doen samen met

niveaus niet altijd tot een toestand van helder water

de provincie Zuid-Holland onderzoek naar dit probleem

leiden. In een flink aantal waterlichamen blijven de

en mogelijke maat regelen. Het Noord-Hollandse grond

niveaus namelijk boven de kritische grens voor de omslag

water voldoet aan de verplichtingen van de Nitraatricht

van troebel naar helder water, waardoor geen verbetering

lijn (maximaal 50 mg/l nitraat en geen verslechtering).

van de ecologische waterkwaliteit zal optreden.

­

­

­

zijn nog niet te kwantificeren. Dit geldt ook voor het

­

dooradering die met dit PPLG een impuls zullen krijgen,

aan de wettelijke KRW-kwaliteitsnormen voor stikstof

­

De KRW-grondwaterlichamen (zie kaart 6) voldoen al

De regionale KRW-oppervlaktewaterlichamen (zie kaart 7) voldoen ten dele aan de normen voor stikstof

Met de recent aangekondigde KRW Impuls wil de

en fosfaat, zoals blijkt uit onderstaande tabel.

minister van I&W extra inzetten op het voldoen aan de eisen van de KRW. De komende maanden wordt de impuls

Stikstof en fosfaat zijn ondersteunende parameters voor

verder uitgewerkt tot een concreet actieprogramma, dat

de ecologie. Deze moeten op orde zijn voor het halen van

mogelijk nog gevolgen gaat hebben voor NPLG en PPLG. In

de doelen. Voor de KRW wordt voor de totaalbeoordeling van een waterlichaam het one-out-all-out-principe

gehanteerd maar voor de beoordeling van de nutriënten

het one-in all-in-principe. Dat wil zeggen dat als een van

het kader van het project Joint factfinding van het ministerie van I&W is het huidige KRW-beleid van Rijkswaterstaat, provincies en waterschappen tegen het licht gehouden. Hieruit en uit de landelijke KRW-Tussenevaluatie 2024 zal

de nutriënten (stikstof of fosfaat) aan de norm voldoet,

duidelijk worden of er voor 2027 nog aanvullende

het waterlichaam voor nutriënten op groen komt en dus

maatregelen nodig zijn om doelbereik in 2027 te halen.

voldoet. Alleen bij Rijnland voldoen alle waterlichamen

Aantal waterlichamen waarbij nutriënten voldoen aan norm Fosfaat voldoet

Stikstof voldoet

Fosfaat en/of stikstof voldoet (one-in, all-in)

Totaal aantal waterlichamen

HHNK

6

20

23 (45%)

51

Rijnland

9

8

11 (100%)

11

AGV

5

22

22 (81%)

27

Totaal

20

50

56 (63%)

89

Schema 4. Aantallen Noord-Hollandse KRW-oppervlaktewaterlichamen in beheer bij de waterschappen, die voldoen aan de normen voor stikstof en fosfaat (toestand 2022)

Buitengewoon Noord-Holland!

32

Provincie Noord-Holland

Bij de uitvoering van de vijf uitvoeringsprogramma’s

Aandeel stoffen met overschrijding volgens jaargemiddelde milieukwaliteitsnorm en maximaal toelaatbaar risico per meetpunt (%)

zullen wij waar nodig rekening houden met de ruimte­ lijke impact van de door de waterschappen uit te voeren

10 25 10 of minder

KRW-maatregelen, zoals opgenomen in het stroom­

Geen overschrijding

gebieds­beheerplan 2022-2027. Op ons verzoek hebben de

Onvoldoende stoffen gemeten

waterschappen hun maatregelen op ruimtelijke impact gescreend. HHNK verwacht een ruimtelijk afwegings­ vraagstuk ten aanzien van mogelijke isolatie- en herinrichtingsmaatregelen (Waterland, Assendelft), mogelijke kavelruil (Waterland) en de verbrakking in de polder Westzaan. AGV ziet een reeks afwegingsvraag­ stukken, waaronder die met betrekking tot de aanpak van de zuivering Amstelveen, het herinrichtingsplan voor ‘t Hol, het instellen van een flexibel peil in het

PBL/dec22 www.clo.nl/nl054709

Afbeelding 10. Normoverschrijding gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater, 2021 (Bron: www.bestrijdingsmiddelenatlas.nl (databankversie 18-10-2022)

Naardermeer en het omleiden/scheiden van water­ stromen in de Amstellandboezem. Rijnland tenslotte

De maatregelen om emissies te verminderen zijn echter

verwacht dat de ruimtelijke afweging zich zal beperken

vooral landelijke (generieke) maatregelen. De invloed

tot de maatregel om de vaarbewegingen in het water­

van regionale waterbeheerders is beperkt. ​Door middel

lichaam Trekvaartsysteem te zoneren en het instellen

van het Landbouwportaal Noord-Holland (zie ook hoofd­

van een natuurlijk waterpeil in de vaarten van de

stuk 6) worden agrarische ondernemers gestimuleerd

Haarlemmermeer.

maatregelen te nemen die emissies beperken. Binnen

2. Concentraties gewasbeschermingsmiddelen in

grond- en oppervlaktewaterlichamen voldoen aan wettelijke normen (2027)

het thema ‘Gewasbeschermingsmiddelen’ in het Land­ bouwportaal wordt aangegeven wat het belang is om emissie van deze middelen naar het oppervlaktewater te voorkomen en is er veel informatie beschikbaar over

In de KRW-grondwaterlichamen in Noord-Holland

mogelijke maatregelen en subsidie. Bedrijven kunnen er

komen bestrijdingsmiddelen voor. Echter, voor geen van

gratis en scan laten uitvoeren van hun erf en perceel.

de waterlichamen is dit zodanig dat de toestand, volgens

Ook kan er kosteloos advies ingewonnen worden bij een

de KRW-beoordelingssystematiek, niet goed is.29

gewasbeschermingscoach die dan per bedrijf gerichter aanbevelingen kan doen.

In het eerste kwartaal van 2023 is een onderzoek gepubli­ ceerd naar het vóórkomen van gewasbeschermings­mid­

De verduurzaming van de landbouw die met dit PPLG een

delen in oppervlaktewater in de periode 2013-2021.30

impuls krijgt draagt bij tot verdere emissievermindering.

Dit onderzoek gaat over zowel KRW-oppervlaktewater­

De provincie en de waterbeheerders onderstrepen in de

lichamen als over het zogeheten ‘overige water’. De

gesprekken met koepelorganisaties als KAVB, LTO en

algemene conclusie van het onderzoek is dat het aantal

Glastuinbouw Nederland het belang van (verdere)

gemeten overschrijdingen van de waterkwaliteitsnormen

emissiereductie. Organisaties als deze zijn ook betrokken

voor gewasbeschermingsmiddelen vanaf 2013 is afgeno­

bij gebiedsgerichte pilots om de waterkwaliteit te

men, maar dat het tempo van de daling afvlakt. Om het

verbeteren, waarin het verminderen van emissie van

landelijke doel van de Toekomstvisie Duurzame Gewas­

gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater

bescherming 2030 te halen – geen normoverschrijdingen

een van de opgaven is. De ervaringen die uit dergelijke

in 2027 en nagenoeg geen emissies naar het milieu in

pilots komen, worden daarna breder gedeeld in andere

2030 – is een aanzienlijke inspanning noodzakelijk. Voor

gebiedsprocessen van de provincie.

het jaar 2021 geeft het onderstaande kaartje een beeld van de norm­overschrijdingen op de meetpunten in het

Voor het halen van KRW-doelen is het belangrijk dat

oppervlakte­water, en de situatie in Noord-Holland ten

het Landbouwportaal gecontinueerd wordt (voor boven­

opzichte van de rest van Nederland. In de Kop van Noord-

wettelijke maatregelen tegen o.a. afspoeling van mest

Holland zijn de open bollenteelt en akkerbouw een

en gewasbeschermingsmiddelen) met inzet vanuit de

belangrijke oorzaak van de gecon­stateerde overschrij­

provincie en financiële middelen van Rijk en EU. Hier­

dingen en in de Haarlemmermeer­polder de akkerbouw.

voor doen we een beroep op het Transitiefonds. We werken toe, samen met de waterschappen, naar verbre­ ding van het Landbouwportaal met andere thema’s zoals groenblauwe dooradering, klimaatmitigatie en zoetwaterbeschikbaarheid.

29 Voor individuele bestrijdingsmiddelen is de KRW-norm 0,1 µg/l, voor de som van bestrijdingsmiddelen is de norm 0,5 µg/l. Zolang deze normen op minder dan 20% van de meetpunten in een grondwaterlichaam worden overschreden, wat het geval is, is de toestand goed. 30 Zie artikel in het compendium voor de leefomgeving d.d. 1 maart 2023.

Buitengewoon Noord-Holland!

33

Provincie Noord-Holland

De chemische kwaliteit van (grond- en oppervlakte)

die nog moet plaatsvinden (zie hiervoor). Zo heeft de

water is verbonden met die van de bodem. De wijze

nagestreefde vermindering van de drooglegging in veen­

waarop in Nederland wordt omgegaan met grondverzet

weidegebieden impact op de watervraag en de kans op

en de aanwezigheid van diffuse verontreinigingen in de

wateroverlast. Dat het beleid voor een deel nog ontwik­

bodem kan spanning opleveren met de KRW, als het

keld moet worden – niet in de laatste plaats ook voor het

stoffen betreft die mobiel zijn en zich makkelijk

thema ‘bodem’ (zie paragraaf 2.4.6), impliceert dat de

verplaatsen naar grondwater. Het is nodig dat de

(gebieds)keuzes in dit PPLG noodzakelijkerwijs nog als

landelijke bodem- en waterregelgeving hier beter op

richtinggevend moeten worden gekwalificeerd.

elkaar aansluiten. Dit is vooral een probleem bij persistente en giftige stoffen. Voorbeelden zijn stoffen

Voor klimaatadaptatie heeft de provincie een uitvoerings­

uit de PFAS-groep en bepaalde bestrijdingsmiddelen.

programma opgesteld rond de thema’s bebouwde omge­ ving, vitale en kwetsbare infrastructuur en landelijk

Overigens geldt voor veel chemische stoffen dat ze niet

gebied. Dit programma loopt eind 2023 af. Over de ver­

binnen de reikwijdte van de KRW-beoordeling vallen.

volg­aanpak nemen wij nog een besluit, mede in relatie

Dit geldt bijvoorbeeld voor stoffen uit de genoemde PFAS-

tot de uitwerking van WBS. Het huidige programma is

groep en voor de medicijnresten, die in niet geringe

opgezet met de bedoeling de opgaven voor klimaat­

hoeveelheden in het water voorkomen. In de paragrafen

adaptatie in het eigen beleid en handelen te borgen. We

2.4.3 en 2.4.4 wordt verder op de kwaliteit van respectie­

houden meer rekening met vitale en kwetsbare functies

velijk oppervlakte- en grondwater ingegaan. In para­

en bereiden ons beter voor op extreme weerssituaties om

graaf 6.2 wordt de ontwikkeling toegelicht van de

maatschappelijke ontwrichting te voorkomen. In onze

zogeheten kritische prestatie-indicatoren (kpi’s), binnen

Omgevingsverordening is opgenomen dat nieuwe ont­

het kader van de transitie naar kringlooplandbouw.

wikkelingen in overleg met het desbetreffende water­

Onderdeel van de kpi-systematiek is de score op water­

schap moeten worden getoetst aan de effecten van

kwaliteit, in het bijzonder de vermindering van de

klimaatverandering.

emissie van gewasbeschermingsmiddelen. 3. Grondwaterlichamen voldoen aan de norm voor een goede kwantitatieve toestand (2027)

De stand van zaken per klimaatadaptatie-thema is als volgt.

Dit KRW-vereiste hebben wij getoetst in het kader van

a. Waterveiligheid

het Regionaal Waterprogramma 2022-2027. Alle grond­

Het centrale doel is om in 2050 klimaatbestendig inge­

water­l ichamen voldoen eraan. Het behouden van de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14628082/1