CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

7 b&w BIJLAGE Het-Windmolendrama

commissie Economie Ruimtelijke Ordening en Milieu 26 november 2025, gemeente RucphenBij agendapunt: Ingekomen stukken43.744 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Wat opvalt aan deze bevindingen, is dat de concrete problemen die mensen ervaren nabij de industriële windturbines – slaaptekort, hoofdpijn, stress – van de hand worden gedaan als een gevolg van een subjectieve ervaring, ‘hinder’ of ‘annoyance’. Dit wordt in de wetenschappelijke literatuur ook wel het ‘nocebo’-effect genoemd. Dit is een soort omgekeerd placebo, waarbij mensen ziek worden bij het zien van de windturbines, omdat ze denken dat ze er ziek van worden. Kortom, de focus ligt niet op de omstandigheden die klachten veroorzaken, zoals aanhoudend lawaai, ook in de nacht, maar op de beleving van omwonenden. Die focus komt ook sterk naar voren in andere rapporten, zoals in het onderzoek ‘Windturbines: invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden’ door het RIVM in 2013, of het TNO-onderzoek uit 2022, ‘Beleving windenergie op land; inzichten uit vier windparken’. Omdat de oorzaak subjectief zou zijn, worden de klachten veelal niet serieus genomen, of wordt er gezocht in oplossingsrichtingen die op de beleving gericht zijn, zoals verbeterde participatie en omwonenden laten delen in financiële winsten van de windparken. Hiermee wordt gedegen onderzoek naar de concrete directe en indirecte gevolgen van windturbinelawaai op de gezondheid vermeden.

Huisarts en epidemioloog Dick Bijl werd door het artsencollectief Windwiki gevraagd de RIVM-­ rapporten te evalueren op hun wetenschappelijke kwaliteit. De artsen zijn vanuit hun praktijk­ ervaring bekend met de concrete gezondheidsproblemen die omwonenden ervaren, en proberen met de site Windwiki een actueel overzicht van de huidige wetenschap te presenteren. Op basis van de onderzoeken die bij hen bekend zijn, stelden ze vraagtekens bij de wetenschappelijke houdbaarheid van de RIVM-rapporten. Bijl laat er weinig van heel. De rapporten van het RIVM 2 27

Annoyance: Irritatie, ergernis. Annoyance wordt in rapporten vaak niet vertaald, daarom is het hier ook rechtstreeks overgenomen. 3 Industriële windturbines en gezondheid

zijn literatuurstudies waarbij nogal selectief is geshopt in de beschikbare wetenschap. Het gebruikte onderzoek is vaak van lage kwaliteit, en heeft dus geen gewicht waardoor je harde causale conclusies zou mogen trekken. Onvoldoende bewijs voor onveiligheid van windturbines betekent niet dat ze dus veilig zijn. Niet alle studies zijn representatief, ze zijn uitgevoerd in dunbevolkte gebieden met windturbines die veel kleiner zijn dan degene die nu geplaatst worden. Daarnaast worden er onderzoeken meegenomen die uitgevoerd zijn door onderzoekers met banden met de windindustrie. Belangenconflicten bij dergelijk onderzoek worden door het RIVM niet gerapporteerd. Bovendien is er wel waardevol onderzoek beschikbaar, maar dit wordt in het RIVM-onderzoek sinds 2009 niet aangehaald. Bijl: “Op basis van slecht wetenschappelijk onderzoek kunnen geen harde conclusies worden getrokken met betrekking tot de gezondheidseffecten van windturbinegeluid op mensen. De conclusie dat er geen aanwijzingen zijn voor gezondheidseffecten van windturbinegeluid moet daarom worden verworpen”. Kortom, concludeert Bijl, “de RIVM-rapporten berusten op wetenschappelijk drijfzand” (50).

Over de wetenschappelijke tekortkomingen in de informatie die het RIVM verschaft over windturbinegeluid zijn klachten ingediend. Omdat de klacht volgens de indieners door het RIVM niet adequaat werd afgehandeld, is een klacht ingediend bij het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI). Deze oordeelde op 26 september 2024 dat de ingediende klacht met betrekking tot geluid van windturbines niet met de vereiste zorgvuldigheid is behandeld: “[De] klacht is niet met de vereiste zorgvuldigheid behandeld. Taak vertrouwenspersoon is onvoldoende gescheiden van de taak Klachtencommissie Wetenschappelijke Integriteit (CWI). Beginsel van hoor en wederhoor is ten onrechte niet toegepast. LOWI adviseert om onderzoek naar de klacht te heropenen en klachtenregeling te herzien” (51).

Geluid: het menselijk gehoor, frequenties en sterkte

Geluid is een drukgolf die onder meer in frequentie, hertz, wordt gemeten. Hertz (Hz) geeft het aantal trillingen van het geluid per seconde aan. Een hoog aantal trillingen per seconde horen we als hoge t­ onen, en hoe minder trillingen, hoe lager de toon. Een gezond gehoor kan frequenties tussen de 20-20.000 Hz horen. Laagfrequent geluid (LFG), tussen de 20-125 Hz, kan door sommigen gehoord worden, als een bromtoon, maar niet door iedereen. Het kan wel voelbaar zijn, net als de bas in een discotheek. Voor de meeste mensen is geluid hoorbaar vanaf 50 Hz. Infrasoon geluid (IS) ligt onder de gehoorgrens, tussen de 0-20 Hz (37). Samen worden infrasoon en laagfrequent geluid afgekort als ‘ILFG’, infrasoon en laag­ frequent geluid. Infrasoon (IS)

0-20

Hz

Laagfrequent (LF)

20 - 125

Hz

Infrasoon en laagfrequent (ILFG)

0 - 125

Hz

Hoorbaar geluid

> 50 - 8000

Hz

Hoorbaar voor jeugd

> 8000

Hz

Hoorbaar voor enkelen

> 16.000

Hz

Ultrasoon

> 20.000

Hz

Bron: (37)

Geluidssterkte in decibel: een logaritmische maat De sterkte van geluid wordt gemeten in decibels (dB). Dit is geen gewone maat, maar een logaritmische schaal die de geluidsintensiteit van de drukgolven weergeeft. Een verhoging van 3 dB wordt ervaren als een verdubbeling van de geluidsintensiteit. Om een beeld te vormen van de geluidssterktes: een stil landelijk gebied heeft ’s nachts een geluidsniveau van minder dan 30 dB en overdag minder dan 40 dB. Een rustige woonwijk in de stad meet overdag tussen de 51-55 dB. Een koelkast produceert rond de 40-50 dB, een stofzuiger 80 dB en een grasmaaier zelfs 105 dB. 28

3 Industriële windturbines en gezondheid

140 Pain threshold

130

120

120

110 100

100 90

80

Sound in dB(A)

80 70

60

60 50

40

40 30

ar

He 20

in g

20

ld

ho

s re

th

10 0 -10

10

50

100

500

1000

5000 10.000

Frequency Hz

Figuur 8: Geluidsniveaus.

dB(A): A-weging voor hoorbaar geluid De geluidsterkte wordt meestal gemeten en weergegeven in dB(A), ook A-weging genoemd. Dit is een correctie die de meting aanpast aan het menselijk gehoor. Daarin schuilt ook direct een probleem: dB(A) is niet geschikt om niet-hoorbaar geluid te meten (52; 53; 54; 55; 46). Het menselijk gehoor is niet even gevoelig voor alle frequenties; we horen laagfrequente geluiden minder goed dan geluid dat in het gebied van spraak ligt. Dit wordt weergegeven met de ­groene lijn in onderstaande afbeelding. Hoewel we laagfrequent geluid wel opvangen, moet het veel ­luider zijn dan de hogere tonen, voor we het horen (56). Door met dB(A) te meten wordt de helft van het lawaai weggefilterd, met name het laagfrequente en infrasone geluid. Dat kan gaan om wel 50 tot 100 dB (57).

Sound Pressure Level

140 dB 120

Threshold of Pain

100

Limit of Damage Risk

80

Music

60

Speech

40 20

Threshold in Quiet

0 20

50

100 200

500 1k 2k Frequency [Hz]

5k

10k 20k

Figuur 9: Bereik van het menselijk gehoor, in frequentie en decibels. 29

3 Industriële windturbines en gezondheid

De kennis en wetenschap die het RIVM buiten beschouwing laat Gewoon lawaai is schadelijk voor de gezondheid, lawaai van windturbines niet Dat lawaai gezondheidsklachten kan veroorzaken, wordt als bekend verondersteld in de wetenschappelijke literatuur. “Lawaai is een van de belangrijkste risico’s in de leefomgeving voor de volksgezondheid”, schrijft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in 2018. “Er is een groeiende erkenning van het probleem, en snelle vooruitgang in de wetenschappelijke inzichten van onderzoek met betrekking tot de gezondheidsimpact van lawaai”. De WHO-update ‘Environmental noise guidelines for the European Region’ werd specifiek geschreven voor de ‘Europese regio’, om buiten het lawaai van verkeer, windturbines, elektronische apparaten en speelgoed mee te nemen in de richtlijnen en vanuit het besef dat negatieve gezondheidseffecten door geluid sneller optreden dan eerder aangenomen. Mensen ondervinden het meeste last van lawaai door verkeer dat hen uit hun slaap houdt. Blootstelling aan lawaai heeft zowel directe als indirecte effecten. Als direct effect kan het schade aan het gehoor veroorzaken, zoals gehoorverlies of tinnitus. Indirect zorgt lawaai voor lichamelijke en psychische stress, en dan vooral bij langdurige blootstelling.

De directe en indirecte stress kan onder andere leiden tot slaapverstoring, hart- en vaatziekten, verhoogde bloeddruk, diabetes, psychische klachten, overgewicht en verminderde cognitieve ontwikkeling bij kinderen (59).

Geluidblootstelling (geluidniveau)

Hoog

Matig

Directe route

Indirecte route Verstoring activiteiten, slaap, communicatie

Aantasting gehoor

Cognitieve en emotionele respons

Hinder

Stress indicatoren Fysiologische stress reacties (niet specifiek) • Autonoom zenuwstelsel • Endocrien systeem (hypofyse, bijnier)

Biologische risicofactoren Bloeddruk Hartminuutvolume

Bloedlipiden Bloedglucose

Bloedviscositeit Bloedstolling

Manifeste aandoeningen Hoge bloeddruk

Hart- en vaatziekten Arteriosclerose

Ischemische hartziekten

Figuur 10: Gezondheidseffecten geluid. (60; 61)

Blootstelling aan lawaai is voor volwassenen al een probleem, voor kinderen midden in hun ontwikkeling is het nog ernstiger. Leer- en geheugenprestaties worden minder wanneer kinderen zijn blootgesteld aan vlieg- en autoverkeer. Windwiki citeert meerdere onderzoeken waaruit blijkt dat slaaptekort bij kinderen de hersenontwikkeling verstoort. “Slaapstoornissen bij kinderen”, zo schrijft het artsencollectief, “waarvan kan worden aangenomen dat die ten gevolge van windturbinegeluid kunnen ontstaan, kunnen leiden tot neuronen-verlies, verlies van geheugenfunctie, stagnerende cognitieve vermogens, toename van gedragsproblemen, ADHD en verminderd welbevinden”. Ook kan slaaptekort leiden tot stofwisselingsproblemen en overgewicht; langdurig 30

3 Industriële windturbines en gezondheid

slaaptekort kan zenuwschade veroorzaken (62). Dat (aanhoudende) blootstelling aan lawaai, en daarmee gepaarde slaaptekorten, schadelijk zijn kinderen staat niet ter discussie. Maar naar het effect van windturbinegeluid op kinderen is geen onderzoek gedaan (63; 28). Ondanks het gebrek aan onderzoek, zijn er wel signalen uit de praktijk. Huisartsen ontvangen na het plaatsen van de windturbines van het windpark N33 Meeden klachten van ouders omdat hun kinderen opeens gedragsproblemen hebben (63). Het is bekend dat windturbinegeluid als veel hinderlijker wordt ervaren dan lawaai van industrie, verkeer of vliegtuigen (44). Men zou er dus vanuit kunnen gaan dat er op zijn minst evenveel risico is als bij andere vormen van geluidsoverlast, en waarschijnlijk meer. Maar het tegendeel is waar: bij afwezigheid van het bewijs van schade voor kinderen, wordt ervan uitgegaan dat deze schade niet optreedt. Windturbines worden momenteel door het hele land nabij woonwijken en scholen gepland, bijvoorbeeld rondom Amsterdam, Eindhoven, Deventer en nabij scholen in Den Bosch. Dit is een gok, en een experiment met de gezondheid van volwassen én kinderen (28). De afwezigheid van bewijs is geen bewijs van afwezigheid van schade.

Laagfrequent en infrasoon geluid

Misschien nog belangrijker dan het hoorbare lawaai, is de productie van onhoorbaar geluid van de windturbines. Dit betreft hele lange drukgolven die een enorme afstand afleggen. De golflengte van een drukgolf van goed hoorbaar geluid van 3000 Hz door lucht is ongeveer 0,11 meter. Deze korte golf reikt niet ver en wordt door een muur makkelijk tegengehouden. Een drukgolf van 20 Hz daarentegen, heeft een golflengte van ongeveer 17,1 meter (64). De huidige windturbines produceren frequenties die zo laag zijn als 0,25 Hz; dat komt overeen met een golflengte van ongeveer 1,38 kilometer (56). Deze verreikende golven dringen overal doorheen en verplaatsen zich niet alleen door de lucht, maar ook door de grond, door metaal en water. De golven worden op tientallen kilometers afstand nog gemeten. Vanwege deze golflengte is het ook niet mogelijk om tegen dit geluid te isoleren (37). Hiervoor zou een muur van 17 meter nodig zijn (64). Het is daarom van belang om de infrasone en laagfrequente drukgolven niet alleen op de gevel, maar ook binnenshuis te meten. Naarmate windturbines groter worden, produceren ze meer laagfrequent en infrasoon geluid (65; 66; 67).

Zelfs wanneer de turbines niet draaien, veroorzaken ze laagfrequente trillingen in de bodem (37). De turbine is in feite een hele grote holle metalen klankkast, die met tonnen beton in de grond bevestigd is en op die manier de grond in beweging brengt. Vliegtuigbouwkundig ingenieur Bert Weteringe beschrijft de hoeveel beton die nodig is om een windturbine te stabiliseren: “Per windturbine met een tiphoogte van 198 meter, gaat het om 66 betonnen heipalen met een lengte van 23-30 meter en een doorsnede van 50 bij 50 centimeter. Op de heipalen komt een blok beton te liggen van 26 meter doorsnede, met een dikte van maar liefst 4 meter. Een van deze palen weegt al 16.000 kg” (45). Het is niet moeilijk om voor te stellen dat een windpark met meerdere megaturbines de grond in de wijde omtrek in beweging brengt. De effecten van dit geluid zijn overigens moeilijk te meten, omdat deze zich op verschillende en wisselende afstand voordoen (37; 53).

Hoewel we dit geluid niet horen, worden de infrasone en laagfrequente drukgolven wel door de buitenste haarcellen in ons binnenoor geregistreerd. De hersenen registreren deze signalen niet bewust (68). Ze worden echter wel opgepikt door het autonome zenuwstelsel, dat angst en emoties reguleert. Dit triggert een stressreactie en kan gevoelens van angst en paniek veroorzaken. Waarschijnlijk is dit een evolutionaire erfenis: de natuur produceert veel infrasone en laagfrequente trillingen voor een aardbeving, vulkaanuitbarsting of tsunami. Het opvangen van dit geluid is dus een soort alarmsysteem van het lichaam. Wanneer men langdurig aan infrasoon en laagfrequent geluid wordt blootgesteld, veroorzaakt dit een chronische stressreactie in het lichaam (37). Mensen die nabij windturbines wonen, rapporteren stress, angstklachten, paniekaanvallen, depressie en sommige onderzoeken melden een verhoogde kans op suïcide (35). 31

3 Industriële windturbines en gezondheid

Ook tijdens onze slaap registreren we geluid. Medisch onderzoek toont aan dat heel zacht geluid, van 33 dB, al wordt opgevangen en een versnelling van de hartslag, lichaamsbewegingen en ontwaken veroorzaakt. Volgens prof.dr. Paul van den Heyning, hoogleraar KNO aan de Universiteit van Antwerpen, kan de geluidssterkte bij infrasoon geluid van 3-5 Hz oplopen tot wel 90 dB (35). Dit zijn hele sterke drukgolven, waar het hele lichaam aan blootgesteld is. Wanneer je het zou horen, zou het klinken als enorme herrie.

Vergeten onderzoek van de NASA

De ruimtevaartorganisatie NASA voerde in de jaren ’80 jarenlang uitgebreid veldonderzoek uit naar industriële windturbines. Bij dit multidisciplinaire onderzoek waren zowel natuurkundigen, meteorologen, geofysici, seismologen, ingenieurs als psycho-akoestici betrokken. De specifieke kenmerken van laagfrequent geluid, en hoe deze afwijken van hoorbaar geluid, waren destijds al bekend: ervaren annoyance ofwel hinder, door buren nabij de turbines. De omwonenden klagen over een pulserend gevoel in hun lichaam en trillingen. Huizen hielden het geluid niet tegen, maar versterkten in sommige gevallen het geluid, en het dB(A) filter werd ongeschikt bevonden om deze vorm van geluid te meten. Al in dit vroege stadium, met een enkele turbine van 2 MW, worden op een afstand van drie kilometer klachten geregistreerd. Wanneer de uitrol van windenergie van start gaat, begin jaren ’90, wordt deze informatie in normstellingen niet meegenomen (54).

Pionierend onderzoek naar LFG: Prof. dr. Mariana Alves-Pereira

Prof. dr. Mariana Alves-Pereira voerde pionierend onderzoek uit naar de gezondheidseffecten van infrasoon en laagfrequent geluid, die zij ‘vibro-akoestische ziekten’ (VAD) noemt. Zij produceerde 124 publicaties, conferentiepapers en boekbijdragen over het onderwerp (69). Alves-Pereira raakte in de jaren ’80 betrokken bij onderzoek op een Portugese luchtmachtbasis dat de effecten van laagfrequent geluid op werknemers onderzocht. Ze had hierbij toegang tot tientallen jaren medische dossiers. Werknemers kregen naarmate ze langer op de basis werkten dezelfde, en steeds meer gezondheidsklachten. De klachten kwamen bij de werknemers significant vaker voor dan bij de algehele populatie. De symptomen van langdurige blootstelling aan laagfrequent geluid uitten zich, in verschillende gradaties, op de volgende manieren: ­milde stemmingswisselingen, spijsverteringsproblemen, keel- en mondinfecties en bronchitis. Na blootstelling van een jaar of vier kwamen er extra klachten bij: pijn op de borst, sterke stemmingswisselingen, rugpijn, vermoeidheid, schimmels, virale en parasitaire infecties, ontstekingen van de maagwand, ontstoken ogen, bloed in urine en allergieën.

Na tien jaar werden er psychiatrische klachten vastgesteld, bloedingen van de neus en spijsverteringsstelsel, maagzweren, prikkel­ bare-darm-syndroom, verminderd zicht, hoofdpijnen, zware gewrichtspijn, intense spierpijn en neurologische verstoringen. De vibro-akoestische ziekte komt voor bij beroepen waarbij werk­ nemers aan veel laagfrequent geluid blootgesteld worden, zoals technici op vliegvelden, de crew op vliegtuigen, werknemers in restaurants en discjockeys, en bij mensen die er in hun leefomgeving veel aan blootgesteld worden, zoals omwonenden van windturbines (70).

Na een autopsie van een van de werknemers ontdekte het onderzoeksteam dat deze persoon verdikte wanden van bloedvaten en van het hartzakje had, en dat deze voor elf niet eerder opgemerkte hartinfarcten hadden gezorgd. Het twaalfde infarct was dodelijk. Wat Alves-Pereira benadrukt is dat deze bevindingen laten zien dat het effect van de laagfrequente trillingen zich niet beperkt tot het gehoor, maar dat de drukgolven een effect hebben op het gehele lichaam. Ze ontwikkelde met haar team diagnostische testen om verdikking van de wanden van het cardiovasculair systeem door lage drukgolven te onderscheiden van andere verdikkingen, zoals die van ontstekingen (pericarditis) (64; 70). In vervolgonderzoek werd bij ratten die een vergelijkbare blootstelling kregen aan laagfrequent geluid als de werknemers op de luchtmachtbasis, ook een verdikking van de aderwanden en het hartzakje gevonden. Bij deze ratten deed Alves-Pereira een nieuwe ontdekking: de buitenste haarcellen van het binnenoor van de ratten waren verkleefd en plakten aan het membraan in het oor. 32

3 Industriële windturbines en gezondheid

Vanwege die verklevingen wordt het oor gevoeliger voor de infrasone en laagfrequente drukgolven. Volgens Alves-Pereira zou dit de overgevoeligheid voor geluid van omwonenden van windturbines kunnen verklaren. Het betekent ook dat bij langdurige blootstelling blijvende schade kan optreden (64; 71; 35). De bevindingen van Alves-Pereira werden in 2023 gedeeltelijk bevestigd door het (peer-reviewde) onderzoek van dr. Ursula Maria Bellut-Staeck. Zij is gespecialiseerd in het functioneren van microcirculatie en endotheelcellen. Deze cellen bevinden zich bij de bloedvaten, het hart en lymfen, en ondersteunen in het transporteren van eiwitten, het remmen van ontstekingen en het beheersen van de bloeddruk. Haar onderzoek wijst uit dat bij ratten binnen drie uur blootstelling aan infrasoon geluid schade optreedt bij de endotheelcellen. Het infrasone geluid beïnvloedt ook de bloedcirculatie in de haarvaten, waar zuurstof en voedingstoffen naar omliggende weefsels overgedragen worden. “Dat beïnvloedt de regulatie van vitale lichaamsfuncties”, volgens Bellut-Staeck (56). Het werk van Alves-Pereira wordt door het RIVM in twijfel getrokken, omdat het voornamelijk observationeel onderzoek betreft, en omdat haar bevindingen niet door andere onderzoeken van andere wetenschappers bevestigd is (35; 53).

Laagfrequent geluid is groeiend probleem

Windturbines zijn niet de enige industriële installaties die laagfrequent geluid produceren, ook weg- en vliegverkeer en treinen, ventilatiesystemen, koelingsinstallaties, warmtepompen, was­ machines, industrie, transformatoren, generatoren en muziek bij festivals en in discotheken produceren dit geluid. Het aantal klachten over laagfrequent geluid, die onder andere bij de GGD binnenkomen, neemt de afgelopen jaren toe. Dit vanwege de toename van apparatuur die laagfrequent geluid produceert. Mensen klagen dan over bromtonen, waarvan, zonder metingen, niet duidelijk is of deze zich in het hoorbare of onhoorbare spectrum van het geluid bevinden. Niet iedereen is even gevoelig voor laagfrequent geluid. Volgens de RIVM factsheet ‘Laagfrequent geluid’ ervaart ongeveer 2% van de bevolking ernstige hinder en 8% enige hinder van laagfrequent geluid. Er zijn nog veel vraagtekens over de effecten van laagfrequent geluid, volgens het RIVM, omdat hier “tot op heden beperkt onderzoek naar is gedaan” (53).

Biedt laagfrequent geluid een verklaring voor het windturbine-syndroom?

Sinds de plaatsing van de eerste windturbines in de jaren ’90, valt het artsen en anderen medici op dat een cluster van gelijksoortige gezondheidsklachten veelvoudig terugkeert bij omwonenden. In verschillende delen van de wereld, in het Verenigd Koninkrijk, Australië en de VS, ­rapporteren omwonenden dezelfde klachten: slaapproblemen, doordat zij wakker worden van geluid of trillingen, hoofdpijn en migraine, duizeligheid en misselijkheid, uitputting, en negatieve gevoelens als prikkelbaarheid, zenuwachtigheid, woede, irritatie en depressie, concentratie- en leerproblemen en oorsuizen. Arts en wetenschapper Nina Piermont, MD, PhD, onderzocht dit verschijnsel en schreef er een boek over. Ze noemde dit het ‘windturbine-syndroom’. Niet iedereen, maar een significant aandeel van de mensen in de buurt van de industriële installaties, ervaart deze klachten. De klachten worden waargenomen op afstanden tot meer dan 3 kilometer van de turbines (38). De slaapproblemen kunnen mede te wijten zijn aan het laagfrequente geluid van de turbines. In het onderzoek ‘Effects of low frequency noise on sleep’, van professor Kerstin Persson Waye, waarschuwt zij reeds in 2004 dat slaapverstoring als gevolg van laagfrequent geluid reden tot zorg geeft en roept ze op tot meer onderzoek (72).

Zelfs na bijna twintig jaar is er niet genoeg en kwalitatief goed onderzoek voor de wetenschappelijke acceptatie van het windturbine-syndroom. Door dat gebrek aan wetenschappelijk bewijs wordt het syndroom door instanties als het RIVM niet erkend. Piermont gaat niet mee in deze redenering. In een verklaring aan de Energiecommissie van het parlement in de staat New York stelt zij in 2006: “Het beschrijven en documenteren van symptomen is het domein van artsen, net zoals het onderzoek naar oorzaken van ziekten. Oordelen over of mensen significante symptomen hebben, behoort 33

3 Industriële windturbines en gezondheid

niet tot de expertise van ingenieurs of specialisten in akoestische rapporten. Een goede dokter neemt de symptomen van haar patiënten serieus, en doet er alles aan om deze te begrijpen en verhelpen. Een syndroom is een constellatie van symptomen die zich bij verschillende mensen voordoet. Het definiëren van een syndroom, en het delen van die kennis met de medische gemeenschap, geeft artsen die eerst voor een raadsel staan met betrekking tot de nieuwe klachten, inzicht, zodat ze er iets aan kunnen gaan doen. Dit kan ook een aanzet geven tot epidemiologische studies.” (38).

De observatie geeft aan dat er een probleem is. Aan de hand van die observatie kan er vervolgens onderzoek ingesteld worden om een wetenschappelijke verklaring voor het probleem te zoeken. Het gebrek aan wetenschappelijke onderbouwing doet niets af aan de klachten en zou geen excuus moeten zijn om deze te marginaliseren. De symptomen van het windturbinesyndroom komen sterk overeen met het klachtenpatroon na blootstelling aan laagfrequent geluid. Er bestaan dan ook sterke vermoedens dat het wind­ turbine-syndroom voor een deel door deze blootstelling verklaard kan worden (37).

Wetenschappelijk bewijs voor gezondheidsschade veroorzaakt door windturbines stapelt zich op Er zijn veel onderzoeken uitgevoerd naar de effecten van windturbines. De meeste van deze onderzoeken zijn echter niet van voldoende kwaliteit om er bredere conclusies uit te kunnen trekken. Drie relatief recente onderzoeken brengen daar verandering in. Ze beoordelen een grote set aan data en onderzoeken en geven wetenschappelijke onderbouwing voor de hypothese dat windturbines gezondheidsschade veroorzaken.

De Godono-studie: significant verband tussen nabijheid windturbines en slaapverstoring

Arts en assistent-professor Alessandro Godono voerde samen met twaalf co-auteurs een systematische review uit van alle bestaande wetenschappelijke literatuur over slaapproblemen en lawaai van windturbines. Systematisch betekent hier dat de onderzoekers niet selectief zijn gaan shoppen in de bestaande literatuur maar dat ze verantwoording afleggen over de zoekstrategie en waarom bepaalde onderzoeken wel of niet zijn meegenomen in de review. Zes wetenschappelijke databases werden doorzocht, maar desondanks viel veel gevonden onderzoek af, omdat het niet aan de kwaliteitscriteria voldeed. Het onderzoek dat overbleef, laat een significant verband tussen blootstelling aan windturbinegeluid en slaapproblemen zien: hoe verder mensen van een windturbine vandaan wonen, hoe minder ze lijden aan slaapproblemen, en hoe meer lawaai, hoe meer slaapproblemen worden ervaren. Ongeveer 34% van omwonenden heeft te maken met slaapproblemen in een omtrek van drie kilometer. De kans dat de bevindingen uit dit onderzoek op toeval berusten is kleiner dan één procent (73; 74). Afstand tot windturbine

Omwonenden met slaapproblemen

500–1000 meter

65%

1000–1500 meter

41%

1500–2000 meter

29%

2000–3000 meter

22%

Blootstelling aan geluid

Omwonenden met slaapproblemen

<30 dB

31%

30–35 dB

36%

35–40 dB

49%

40–45 dB

60%

>45 dB

82%

34

3 Industriële windturbines en gezondheid

Dr. ir. Jan de Laat: laagfrequent geluid kan ernstige gevolgen hebben voor de gezondheid Klinisch fysicus Jan de Laat voerde samen met zijn collega’s van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) een systematische review uit van bestaande wetenschappelijke literatuur. Zij bestudeerden hiervoor 300 onderzoeken en kwamen tot de conclusie dat geluid van windturbines ernstige gezondheidsklachten kan veroorzaken, onder andere door de blootstelling aan laagfrequent geluid.

De bevindingen van De Laat bevestigen het onderzoek van Alves-Pereira: uit de gevonden studies blijkt dat de drukgolven van het laagfrequente geluid zorgen voor een verdikking van het hart­ zakje. Hierdoor kunnen bestaande hartklachten verergeren (75). De klachten zijn niet perse dosis-­ afhankelijk; het is vooral de langdurige blootstelling die schadelijk is. Langdurige blootstelling aan infrasoon geluid tussen 10 en 50 Hz kan leiden tot overgevoeligheid voor geluid. Die overgevoeligheid uit zich niet alleen ten opzichte van geluid, maar ook in duizeligheid, misselijkheid en hoofdpijn. Slaapproblemen als gevolg van windturbinegeluid komen het meest voor. Daarnaast ­komen in de onderzoeken ook oorsuizen, concentratieverlies, hoge bloeddruk en hartslag, bronchitis, rusteloosheid, geheugen- en concentratieproblemen, angst en depressie naar voren (76). Deze bevindingen laten zien dat de effecten van laagfrequent geluid zich niet beperken tot het gehoor, maar het hele lichaam en de hersenen beïnvloeden. Naar de effecten van windturbinegeluid op kinderen, en de effecten van infrasoon geluid, is weinig onderzoek gedaan (76; 58; 75). Wil je de gezondheid van burgers beschermen, dan zouden windturbines op een afstand van minimaal 10 keer de ashoogte geplaatst moeten worden, stelt De Laat. Dit komt neer op een afstand van ongeveer 1.500 meter.

De nachtelijke norm zou moeten liggen op 35 dB(A).

Het onderzoek van De Laat is nog niet gepubliceerd. Wel deelde hij zijn bevindingen. Zie onder meer de rapportage ‘Onhoorbaar geluid schadelijk voor gezondheid’ van het onderzoeksplatform Argos (75; 76).

© MKFOTOGRAFIE | CLINTEL.NL

35

3 Industriële windturbines en gezondheid

Toepassing van de Bradford Hill criteria toont oorzakelijk verband tussen gezondheidsklachten en nabijheid van windturbines aan In een experiment in de echte wereld is het heel moeilijk, zo niet onmogelijk, om een oorzakelijk verband aan te tonen. Er zijn simpelweg te veel factoren die meespelen om een verschijnsel naar één oorzaak terug te brengen. In een laboratorium kun je de proefsetting controleren, maar bij langdurige blootstellingen in de leefomgeving, zoals bij asbest, tabak of laagfrequent geluid is dat niet mogelijk. Na tientallen jaren wetenschappelijke discussie over roken en longkanker, was een causaal verband nog niet aangetoond, terwijl er meer dan sterke vermoedens waren. Om uit deze impasse te komen, stelde de Britse statisticus Austin Bradford Hill negen criteria voor waarmee je aan de hand van epidemiologisch bewijs, een causaal verband zou kunnen aantonen. De toepassing van zijn criteria leidde tot een acceptie van de stelling dat roken longkanker kan veroorzaken. In het peer-reviewde artikel ‘Wind turbines and adverse health effects: Applying Bradford Hill’s criteria for causation’, passen de onderzoekers Anne Dumbrille, Robert McMurtry en Carmen Krogh de Bradford Hill criteria toe op het bestaande onderzoek om een oorzakelijk verband tussen de nabijheid van windturbines en negatieve gezondheidseffecten (NGE’s) aan te tonen.

Zij toetsten de volgende criteria:

1. De sterkte van de associatie: Er zijn talloze rapporten van omwonenden van windparken die dezelfde NGE’s rapporteren. 2. Consistentie: De gemelde klachten zijn consistent, er wordt telkens hetzelfde patroon gerapporteerd, zoals slaapproblemen, hoofdpijn, oorsuizen, evenwichtsproblemen, concentratieproblemen, hartkloppingen en het voelen van trillingen. 3. Specificiteit: Het klachtenpatroon is specifiek voor de populatie (omwonenden) en is specifiek voor de locatie – de nabijheid van windturbines. 4. Tijdelijkheid: De klachten doen zich voor na blootstelling aan windturbinegeluid, en verdwijnen wanneer de blootstelling eindigt. 5. Blootstelling/respons: Naarmate er meer blootstelling is, bijvoorbeeld doordat mensen dichterbij de turbines wonen, of het gemeten lawaai harder is, nemen de klachten toe. Wanneer mensen weggaan van de blootstelling (bijvoorbeeld door vakantie), nemen de klachten af. 6. Aannemelijkheid: Er is een geloofwaardig mechanisme dat de klachten verklaart. Blootstelling aan laagfrequent en infrasoon geluid geeft een plausibele verklaring voor klachten van omwonenden rondom windturbines. 7. Coherentie: Zowel omwonenden als werknemers die in andere situaties aan laagfrequent geluid worden blootgesteld, rapporteren dezelfde klachten. 8.

Experimenteel bewijs: Experimenteel onderzoek bij mensen en dieren tonen negatieve gezondheidseffecten (NGE’s) na blootstelling aan laagfrequent geluid. 9. Analogie: Het is niet nodig dat iets waarneembaar moet zijn voor een schadelijk effect. Radioactieve straling of koolstofmonoxide zijn onzichtbaar, maar wel giftig. Dat het geluid onhoorbaar is, betekent niet dat het geen effect heeft.

Dumbrille et. al. vinden bevestiging van alle criteria, en concluderen dat “leven of werken nabij industriële windturbines zowel bij mensen als dieren kan resulteren in NGE’s”. Op alle continenten hadden mensen die chronisch zijn blootgesteld aan windturbinegeluid, dezelfde klachten. Het is opmerkelijk dat ze ook onderzoeken vonden die negatieve effecten op dieren laten zien. Dat haalt de stelling onderuit dat de klachten voortkomen uit subjectieve ervaring als ‘hinder’ of ‘annoyance’, want bij dieren kan dit nocebo-effect niet optreden. Naast stress was er bij de dieren negatieve impact op de vruchtbaarheid, ontwikkeling en voortplanting, waaronder afwijkende foetussen en DNA-schade. Naarmate mensen dichter in de buurt van windturbines wonen, is er een achteruitgang van hun mentale vermogens. “Deze conclusies leiden tot belangrijke vragen”, aldus Drumbrille, “over het vaststellen van een cumulatieve dosis van geluid, voor volwassenen, ouderen en kinderen, met inbegrip van infrasoon en laagfrequent geluid” (77; 78).

36

3 Industriële windturbines en gezondheid

Vermeden voorzorg – doorlopen de windturbines hetzelfde traject als tabak en asbest? Wat zich afspeelt in de discussie over windturbines en gezondheidsschade, is niet nieuw. Het is een bekend scenario. Het rapport ‘Late lessons from early warnings: the precautionary principle 1896–2000’ (2001)’, bespreekt hoe dit traject verliep voor o.a. röntgenstraling, benzeen, asbest, PCB’s en DES (79). Een product wordt in de leefomgeving geïntroduceerd, met toestemming van overheden en toezichthouders. Na introductie blijken er toch bezwaren te kleven aan het product en zijn er onvoorziene negatieve effecten. Inmiddels spelen er grote belangen mee, het product is inmiddels op de markt, en er wordt flink aan verdiend. Bij wetenschappelijke bevestiging van de negatieve effecten, gaan aansprakelijkheid en schadeclaims een rol spelen. De industrie heeft het geld om voor haar belangen te lobbyen en wetenschappelijke studies die de zorgen weerleggen, te financieren. Dit zorgt voor een vertekend beeld van de wetenschap en een kunstmatig uitvergrote wetenschappelijke onzekerheid (80). Getroffen burgers en onafhankelijke wetenschappers moeten vervolgens het tegendeel bewijzen.

Er is sprake van omgekeerde bewijslast: in plaats van dat wordt aangetoond dat een product veilig is voordat het in de leefomgeving wordt geïntroduceerd, zoals bij medicijnen, chemicaliën of ­nieuwe voedingsmiddelen, wordt van getroffenen verwacht dat zij aantonen dat het product onveilig is. Dit is geen gelijk speelveld, en het kan tientallen jaren duren voor bewijs van schade wordt geaccepteerd en gereguleerd, met alle gevolgen van dien (79; 28).

Omwonenden van windturbines overleggen talloze rapporten – praktijkcases, verklaringen van artsen, lijsten van onderzoeken (81; 82) – maar deze worden door de politiek (83) en rechtspraak (84) niet geaccepteerd, omdat deze zich op de rapporten van adviesorganen als het RIVM, en adviesbureaus als Arcadis beroepen (85).

Om deze langdurige en schadelijke strijd te voorkomen, is het voorzorgsprincipe in het leven geroepen. Voorzorg veronderstelt dat wanneer er kans is op ernstige schade, wetenschappelijke onzekerheid geen excuus is om geen voorzorgsmaatregelen te nemen. Dus, ‘bij twijfel, niet inhalen’. Invulling van voorzorg vereist daarnaast een proactieve houding, door het uitvoeren van onafhankelijk onderzoek en monitoring (84; 86). Het voorzorgprincipe is op verschillende manieren in nationale en supranationale wetgeving verankerd.

37

3 Industriële windturbines en gezondheid

© MKFOTOGRAFIE | CLINTEL.NL

38

3 Industriële windturbines en gezondheid

4

Wet- en regelgeving

Een uitzonderingspositie voor industriële windturbines

“Bewoners reageren niet op jaargemiddelde- of etmaal-gemiddelde geluidsniveaus, maar reageren op slaapverstoring en overlast” Geluidsdeskundige Steven Cooper

Nieuwe normen om plaatsingsruimte te creëren voor industriële windturbines Bescherming tegen geluidsoverlast is bij wet geregeld. Tot de invoering van het Activiteiten­besluit milieubeheer op 1 januari 2011, viel lawaai van windturbines onder dezelfde regelgeving als ­ander industrielawaai. Dit was vastgelegd in de Wet Milieubeheer, met specifieke aanwijzingen voor normering en handhaving in de ‘Handreiking industrielawaai en vergunningverlening’. Onder deze norm mocht in een landelijk gebied het geluid in de nacht niet boven de 30-35 dB uitkomen, en overdag niet boven de 40 dB (55; 87). Dat was terecht, zo legt de belangenvereniging voor omwonenden van windturbines (NLVOW) uit: “Een windturbine heeft een omvang die ongekend is voor de normale industrie. De mechaniek draait buiten besloten behuizing veel hoger dan voor andere industrie normaal is, en straalt vanaf die hoogte vrijelijk het geluid uit van een bulldozer vanaf een uitzonderlijke paal. Het past niet daarvoor regels als referentie te nemen die afwijken van hetgeen voor industrie geldt” (88). Met de bestaande normen was er echter nauwelijks ruimte voor een uitbreiding van wind op land (89).

Dat was een probleem, want toenmalig minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM), Jacqueline Cramer, had het ­ambitieuze doel gesteld dat 20% van de elektriciteitsvoorziening in 2020 ‘groen’ moest zijn (44). Het onderzoeksteam van Zembla dook in de beleidsdocumenten uit deze periode, en ontdekte: “Veel van de geplande windprojecten komen maar moeizaam van de grond. In de Nederlandse klimaatakkoorden uit die tijd wordt herhaaldelijk gesproken over het ‘wegnemen van belemmeringen’ in de wet- en regelgeving. Om het proces van verduurzaming te versnellen besluit minister Cramer de geluidsregels voor windmolens aan te passen” (90). Cramer stelt een norm voor van 47 dB overdag en 41 dB in de nacht, die niet langer als absolute norm gelden, maar als jaargemiddelde, ‘Lden’, gemeten zullen worden. Handreiking industrielawaai Norm op het platteland voor 2011

Activiteitenbesluit milieubeheer Norm op het platteland na 2011

Dag

40 dB

47 dB Lden

Nacht

30-35 dB

41 dB Lden

39

4 Een uitzonderingspositie voor industriële windturbines

De oude situatie: Handreiking industrielawaai en vergunningverlening Om duidelijk te maken hoezeer het voorstel van Cramer afweek van de tot dan toe geldende normen, is het waardevol deze eerst te bespreken. Deze normen voor industrielawaai hebben verschillende uitgangspunten die burgers beschermden tegen ernstige overlast. Lokaal maatwerk is de basis van de Handreiking industrielawaai. Op basis van een gebiedsomschrijving, bijvoorbeeld ‘wonen’, of ‘industrie’, wordt er op locatie een referentieniveau van geluid vastgesteld – dit is het geluid, dat ongeveer 95% de tijd het gemiddelde is op een dag, avond of nacht (LAeq). Meestal wordt voor dit referentieniveau als grenswaarde gekozen – de waarde die niet overschreden mag worden. Omdat geluidproblematiek als een lokale aangelegenheid wordt gezien, is de lokale overheid verantwoordelijk voor de invulling van het geluidsbeleid. Ze is dan ook vrij om de situatie te verbeteren, en ze wordt aangeraden om het vaststellen van een grenswaarde die boven het achtergrondniveau ligt goed te motiveren. Naast het gemiddelde achtergrondgeluid, wordt een maximaal geluidsniveau (LAmax) vastgesteld. Dit zou in principe niet meer dan 10 dB boven het achtergrondniveau moeten zijn.

Daarbovenop kunnen vergunningen rekening houden met speciale geluidkenmerken die kunnen leiden tot meer overlast, zoals piekgeluiden, pulserend of tonaal geluid, laagfrequent geluid, trillingen en cumulatieve effecten van meerdere en/of verschillende geluidsbronnen. Naast het meten van geluid ‘op de gevel’, geeft de handreiking aanwijzingen voor het reguleren van geluid binnenshuis, als “uiterste poging om het leefmilieu enigszins acceptabel te maken” wanneer maatregelen om lawaai van een geluidsbron te verminderen, niet mogelijk zijn. Kortom, deze normering biedt veel mogelijkheden om overlast voor omwonenden tot een minimum te beperken. De waarden die in de handreiking zijn vastgelegd kunnen door handhavers op locatie gemeten worden, en bij overtredingen is directe handhaving daardoor mogelijk (55). Met de invoering van de 47 dB Lden norm voor de dag en 41 dB Lden voor de nacht, gaat al de bescherming die de handreiking biedt, overboord.

TNO, RIVM en de inspectie van VROM waarschuwden al voor de nieuwe norm Verschillende rapporten, van het TNO, het RIVM en de inspectie van het VROM uit de periode voorafgaand aan het Activiteitenbesluit, verkennen de mogelijke effecten van een versoepeling van de geluidsnorm, en waarschuwen de minister voor de verwachte gevolgen.

TNO: Hinder door geluid van windturbines (2008)

Uit het onderzoek dat beschikbaar is in 2008, blijkt dat lawaai van windturbines als ­hinderlijker ervaren wordt dan verkeers- en industrielawaai, concludeert TNO. Boven de 40 dB hebben mensen meer last van de windturbines dan van verkeerslawaai met dezelfde sterkte. Dit wordt toegeschreven aan het zwiepende, fluitende en bonkende karakter van het lawaai, en omdat het in de nacht niet ophoudt. Dit leidt tot ‘hinder’, maar naast hinder “lijkt het geluid van windturbines bij de hogere geluidblootstellingen ook verstoring van de slaap tot gevolg te hebben”, aldus TNO. Naast slaapproblemen rapporteren omwonenden: “meer symptomen van stress, voelen zij zich minder uitgerust in de ochtend en beoordelen zij hun leefomgeving als minder geschikt om tot rust te komen en op krachten te komen”. Mensen ervaren zowel binnenshuis als buitenshuis overlast van de windturbines. Om deze overlast te beperken, zo schrijft TNO, “zal daarom in het beleid zowel rekening moeten worden gehouden met de bij een bepaalde geluidbelasting verwachte hinderpercentages binnenshuis als met de verwachte hinderpercentages buitenshuis”. Om burgers te beschermen, moet, “bij een toenemende inzet van windturbines, een betere handhaving van de geluidproductie door windturbines mogelijk zijn” (44).

40

4 Een uitzonderingspositie voor industriële windturbines

In de bijlage van het rapport is een tabel toegevoegd van de verwachte hinderpercentages. Met een geluidsnorm van 47 Lden, zullen 8% van de omwonenden binnenshuis ‘ernstig gehinderd’ zijn, en 19% van de omwonenden buitenshuis. Verwachte percentages (ernstig) gehinderden Hinder binnenshuis

Hinder buitenshuis

Lden

% gehinderd

% ernstig gehinderd

% gehinderd

% ernstig gehinderd

30

0,2

0,1

0,9

0,2

35

1,1

0,3

3,6

1,2

40

4,1

1,4

11,0

4,5

45

12,0

5,2

26,0

13,3

47

17,1

8,1

34,0

19,0

50

27,1

14,4

47,5

29,8

60

69,7

52,6

86,4

73,6

Bron: TNO (2008) (44)

RIVM: Evaluatie nieuwe normstelling windturbinegeluid (2009) Net als TNO stelt het RIVM dat ‘hindereffecten’ bij windturbines veel eerder optreden dan bij ander lawaai. In 2009 zijn er naar schatting ongeveer 1500 omwonenden in Nederland die kans hebben op ernstige geluidhinder. Volgens het RIVM is ‘hinder’, een begrip dat niet nader wordt gedefinieerd, het belangrijkste effect van windturbinegeluid, hoewel er “naast hinder dan tevens slaapverstoringseffecten kunnen optreden”.

Bij het kiezen voor een geschikte norm moet een belangenafweging gemaakt worden, want, zo schrijft het RIVM, “enerzijds spelen gezondheidsaspecten een rol en anderzijds de beleidsdoelstellingen voor windturbines op land. Bij een te rigide normstelling komen deze doelstellingen in het geding. Bij een te soepele normstelling kunnen toenemende hinder- en slaapverstorings­effecten optreden”. Er wordt vervolgens een afweging gemaakt tussen voorgestelde normen en de hoeveelheid plaatsingsruimte die overblijft voor turbines (zie onderstaande tabel). Vrije plaatsingsuimte voor nieuwe windturbines, afhankelijk van de bovengrens. grenswaarde Lden

vrije ruimte voor nieuwe turbines vrij van beperkingen vanwege geluid

40 dB

15%

45 dB

34%

47 dB

43%

50 dB

57%

vrij van planologische beperkingen

resterende vrije ruimte (alleen gebieden ≥ 1 km2 meegeteld) 2% (7 GW)

27%

7% (25 GW) 10% (34 GW) 14% (50 GW)

Bron: RIVM 2009 (46)

Om een grote toename van gehinderden te voorkomen, adviseert het RIVM de richtwaarde van 40 dB in de nieuwe regelgeving voor windturbinegeluid, want “boven de 45 dB zijn in toenemende mate hinderklachten en gezondheidsproblemen te verwachten”, en de “kans op ernstige hinder en de daarmee gepaard gaande inbreuk op het woon- en leefcomfort boven 45 dB steeds groter [wordt]”. De jaargemiddelde norm Lden wordt benoemd, maar er is verder weinig kritiek op. Het RIVM acht “aparte toetsing voor piekgeluid bij windturbines niet van belang” (46). Dit advies wordt niet met de Tweede Kamer gedeeld. In bijlage 4 van het RIVM-document wordt aandacht gegeven aan laagfrequent geluid. Er is erkenning voor het feit dat de A-weging bij toename van laagfrequent geluid geen geschikte maat is voor het voorspellen van overlast. Om de overlast voor laagfrequent geluid in te schatten, wordt de zogenoemde Vercammen-curve aangeraden (46).

41

4 Een uitzonderingspositie voor industriële windturbines

Dit is een modelmatige inschatting uit 1990 die een indicatie zou moeten geven van verwachte hinder. De curve is echter nooit in de praktijk getoetst, en is niet specifiek voor het geluid van windturbines. Daarnaast maakt dit nog steeds gebruik van de A-weging voor het meten van laagfrequent geluid. Dit model is dan ook niet toereikend voor het inschatten van overlast of hinder door laagfrequent geluid, en zou daarom niet toegepast moeten worden (91).

Inspectie VROM: Rapportage HUF-beoordeling “wijziging milieuregels windturbines” (2009) De Inspectie van VROM geeft een beoordeling van de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraudegevoeligheid (HUF) van de door Cramer voorgestelde norm van 47 Lden, en heeft aanzienlijke kritiek:

“Uit de HUF-beoordeling blijkt dat er knelpunten zijn ten aanzien van de handhaafbaarheid en de uitvoerbaarheid van deze regeling. Belangrijk knelpunt is dat bij de gekozen normstelling toezicht op de naleving van de norm en handhaving niet goed mogelijk is. De regeling draagt daarnaast onvoldoende bij aan het beoogde doel, namelijk het beschermen van omwonenden tegen geluidsoverlast. De regeling biedt geen generiek beschermingsniveau tegen slaapverstoring door piekbelasting en tegen cumulatie van geluid. Juist deze aspecten dragen bij aan de hinderbeleving door omwonenden”.

De Inspectie ziet vooral de introductie van de Lden-norm als problematisch: “De belangrijkste oorzaak voor de knelpunten ligt in de keuze voor een Lden-normstelling waarbij uit wordt gegaan van een jaargemiddelde”. Immers, “burgers klagen in de regel niet over het gemiddelde geluidniveau in de omgeving. Klachten betreffen bijna altijd geluidincidenten en piekgeluiden en dan vooral in de nachtperiode. In dit besluit zijn juist voor deze piekniveaus geen normen gesteld”. Om bewoners te beschermen tegen pieklawaai en slaapverstoring, raadt de Inspectie aan om de Europese richtlijn voor lawaai te volgen, die daarvoor aanvullende geluidsindicatoren adviseert.

Voor de verwachtte 9% ernstige gehinderden, ontbreekt volgens de VROM-inspectie de onderbouwing voor hoe die grens wordt geborgd, en ligt het aantal ernstig gehinderden door verkeer bij dezelfde norm hoger.

Om de Lden-norm te meten, moet de exploitant een akoestisch rapport indienen. Echter, de eisen hiervoor zijn niet eenduidig. Men legt enerzijds een onduidelijke en niet uitvoerbare ­verplichting op aan de exploitant, en anderzijds zijn er hierdoor voor het bevoegd gezag niet voldoende handvatten om de rapportage goed te kunnen beoordelen. Daarbij is “uitvoering van toezicht en handhaving in sterke mate afhankelijk van de gegevens die door de gecontroleerde moet worden aangedragen. Of deze gegevens dan ook op een juist uitgangspunt berusten is voor het bevoegd gezag niet na te gaan. Het toezicht en de handhaving is daarmee niet onafhankelijk uit te voeren”.

Deze norm is daarom ook niet handhaafbaar, aldus de Inspectie. “Het toezicht en de handhaving kan immers pas achteraf plaatsvinden”. Er wordt in detail uitgelegd dat het proces van handhaving jaren in beslag kan nemen, in plaats van de directe handhaving die mogelijk is met de industrienorm. De Inspectie: “Dit betekent ook dat een overtreding “straffeloos” gedurende enkele jaren kan plaatsvinden”. Het is de VROM-inspectie dan ook niet duidelijk waarom er voor windturbines een uitzondering wordt gemaakt op goed handhaafbare normen voor industrieel lawaai: “Het lijkt erop dat de marktpartijen voor windenergie een uitzonderingspositie innemen ten opzichte van de inrichtingen die verder onder de werkingssfeer van het activiteitenbesluit zijn gebracht. Graag in de nota van toelichting nader motiveren wat de achtergronden voor deze keuze zijn”.

De Inspectie adviseert om de nieuwe norm van 47 Lden niet aan te nemen, want de regeling draagt “onvoldoende bij aan het beoogde doel, namelijk het beschermen van omwonenden tegen geluidoverlast. De regeling biedt geen bescherming tegen slaapverstoring door piekbelasting en tegen cumulatie van geluid” (92). 42

4 Een uitzonderingspositie voor industriële windturbines

Het HUF-rapport wordt niet met de Tweede Kamer gedeeld (90). Op 1 januari 2011 gaat de nieuwe norm in, van 47 dB(A) overdag en 41 dB(A) ’s nachts, gemeten op de gevel van de woning (39). Het onhoorbare gedeelte van laagfrequent en infrasoon geluid en andere specifieke eigenschappen van het windturbinegeluid, maken geen deel uit van de norm.

Gevolgen van de invoering van het Activiteitenbesluit

Het jaargemiddelde Lden: geen bescherming tegen overlast, geen handhaving mogelijk Afhankelijk van modelmatige berekeningen Zoals de VROM-inspectie al stelde, hebben burgers hebben geen last van gemiddelde geluidsniveaus. De geïntroduceerde Lden-norm zorgt voor ‘lawaaiige nachten binnen de norm’. Het gemiddelde niveau ’s nachts is misschien 41 Lden, reële geluidsniveaus van 43 of zelfs 47 Lden vallen nog steeds binnen de norm. De wind waait niet altijd; de tijd dat turbines stilstaan, kan gecompenseerd worden met langdurig pieklawaai. “50 dB is normaal en 70 db is niet ongebruikelijk”, vertelt een omwonende van windpark Spui (34; 83). Binnen de eerste anderhalf jaar zijn acht van de twaalf direct omwonenden van dit windpark, verhuisd (93). Leo van der Stelt, ingenieur werktuigbouwkunde en docent natuurkunde en ergonomie, die inspreekt bij de Provinciale Staten van Overijssel op 18 september 2024, geeft een treffende uitleg waarom de jaargemiddelde norm niet werkt: “Een kanon van 150 decibel (dB) dat elk uur wordt afgeschoten geeft toch een lage jaargemiddelde dB-norm”. In plaats van metingen ter plekke, is de handhaver nu afhankelijk van modelmatige berekeningen van de exploitant.

Deze berekeningen worden uitgevoerd door gespecialiseerde adviesbureaus met behulp van complexe modellen waarin onder andere de karakteristieken van de windturbine zoals de geluidemissie, de conditie van de turbine en lokale weersomstandigheden worden verwerkt. Dezelfde gegevens worden gebruikt voor de vergunningsaanvraag. Die modellen zijn ondertussen verouderd, omdat ze geen rekening houden met de nieuwe generatie megaturbines. Het geluid op de gevel, en dus het geluid waar de omwonende last van heeft, wordt berekend, maar niet gemeten (94; 42).

Volgens Tegenwind Nederland worden essentiële eigenschappen van windturbinegeluid niet meegenomen in de berekende Lden-norm. De jaarmiddelde norm is gebaseerd op de veronderstelling dat het geluid van windturbines constant is, wat niet overeenkomt met de realiteit.

“Verschillende factoren zorgen ervoor dat het geluidsniveau en de hinderlijkheid van windturbines sterk fluctueren. Deze factoren omvatten seizoenseffecten, klimatologische omstandigheden en onder andere het zog-effect achter de turbines, die allemaal een sterke invloed hebben op de ervaren hinder. Er treedt onregelmatig, maar frequent maximaal lawaai op, vooral ’s nachts. Dit komt doordat de turbines steeds hoger worden en meer wind vangen in hogere luchtlagen. Terwijl juist op de grond het achtergrondgeluid (o.a. verkeer) in de nacht afneemt, wordt het ­windturbine geluid sterker, dominanter en langduriger. Grote windturbines veroorzaken honderden uren meer extreme hinder dan een kleine windturbine. Het fabeltje dat windturbines stiller worden, is slechts een waarheid op papier en komt voort uit de modelmatige benadering van de geluids­ belasting en voorbij gaan aan de repeterende oneindige hinderlijkheid. Bovendien is dB(A) wetenschappelijk geen geschikte eenheid om hinderlijkheid en hinder van windparken bij omwonenden accuraat te indiceren. Hinderlijkheid hangt sterk samen met de frequenties van het geluid (lage frequenties zijn veel hinderlijker dan hoge)”, stelt Klaas Bron namens Tegenwind.

“De bronsterkte, die als basis wordt gebruikt in de rekenmodellen voor normering en handhaving, is eveneens een berekend ideaal gemiddelde en gemeten onder ideale aerodynamische en atmosferische omstandigheden. Hierdoor worden extreme variaties als gevolg van hogere windkrachtniveaus niet meegenomen. Windvariatie alleen al kan zorgen voor een variatie van 7 tot 10 dB(A) in de bronsterkte, waardoor de input van de rekenmodellen start met een te lage ideale waarde en 43

4 Een uitzonderingspositie voor industriële windturbines

een onzuivere schatter vormt voor de werkelijk te verwachten geluidsbelasting bij omwonenden. De Lden- en Lnight-jaargemiddelden worden berekend vanuit bronsterkte zonder directe metingen buitenshuis aan de gevel of binnenshuis. Alle waarden zijn afgeleid uit rekenmodellen met de ideale theoretische bronsterkte als input. Het geheel is dus een theoretische exercitie, die hinder op voorhand onderschat en die veel te ver afstaat van wat zich in de realiteit van omwonenden qua hinder en schade afspeelt.“

“Wanneer ernstige hinder bij een omwonende wordt geconstateerd, vindt er ter plaatse van de omwonende geen direct onderzoek plaats, en wordt er dus ook niet gemeten. Dit is op zichzelf al een opmerkelijke constatering en geheel afwijkend van andere handhavingsprincipes. De norm stelt ook geen grenzen aan maximale waarden, die in sommige gevallen oplopen tot ver boven de 70 dB(A). Handhaving is door deze vreemde en onjuiste benadering van een extreme hinderklacht bij een omwonende een farce en is wetenschappelijk niet houdbaar. De vele probleem-windparken in Nederland laten zien dat de oude rekensystematiek volledig faalt in het beschermen van omwonenden tegen extreme hinder en schade. We weten momenteel niet wat een gezonde en veilige afstand is tussen grote windturbines en omwonenden, waarbij geen afname van de diepe slaapuren en totale slaap optreedt.” (95)

Het model komt niet overeen met de werkelijkheid De aangeleverde berekeningen blijken niet altijd betrouwbaar (96). “In diverse landen is er onderzoek gedaan naar geluidniveaus op grotere afstand van windturbines”, schrijft een pilot van het Kennisplatform Windenergie, “en in het algemeen blijkt daaruit dat het werkelijke geluidniveau benedenwinds hoger is dan volgens de berekening”. Dit verschil kan oplopen tot wel 5 dB (42; 39). Bewoners die zich zorgen maken over de plannen van de provincie Gelderland om zeven windturbines met een tiphoogte van 270 meter tussen drie dorpen in te plaatsen, rekenden zelf het akoestisch rapport dat bij de vergunningsaanvraag was ingediend, na. Daar bleek veel niet aan te kloppen. Volgens het akoestisch rapport was de minimale afstand van een woning tot de turbine 990 meter. De inwoners, die hiervoor een expert inschakelden, kwamen op 2670 meter uit. Er bleken onder andere onterecht dempingsfactoren te zijn toegepast, en middelingen voor windkracht en windrichting (97). Wanneer de daadwerkelijke geluidsproductie wordt gemeten, blijkt deze stelselmatig boven de norm uit te komen. Vanwege aanhoudende klachten van omwonenden van de windparken Spui, Ospeldijk, N33 en De Rietvelden, werden op deze locaties metingen uitgevoerd. Op alle locaties werden overschrijdingen van de opgegeven geluidsspecificaties van de fabrikant gemeten (98).

Bij overlast blijft handhaving moeilijk Maar, zelfs als er overschrijdingen van de normen worden gemeten, blijft handhaving moeilijk. “Met de kennelijke handhaving van een norm uitgedrukt in Lden kan een Omgevingsdienst niet anders dan alleen maar lezen wat de exploitant opstuurt, men heeft nog nooit een manier gevonden om zelf als Omgevingsdienst ook maar iets te controleren”, schrijft de belangenvereniging voor omwonenden NLVOW (94). Bij windpark N33 werd na veel klachten een onderzoek ingesteld, waarna een laagfrequente tonale ‘brom’ is aangetoond. Veendam, Midden-Groningen en Oldambt hebben daar ernstige last van. Handhaving is niet mogelijk, omdat de vergunning geen mogelijkheid biedt tot het stilzetten van de windturbines. Daarnaast gaat het om laagfrequent geluid, en hoewel dit overlast geeft, valt het buiten de norm. De norm gaat alleen over hoorbaar geluid (41; 99). In Houten kostte het drie jaar totdat de laagfrequente, overlast gevende toon gelokaliseerd werd. Om dit te verminderen is aan de exploitanten opgedragen de coating van de rotorbladen aan te passen (36). Bij windpark Ospeldijk draait de exploitant de turbines in ‘geluidreducerende modus’, vanwege de gemeten overschrijdingen van de norm.

Omwonende Sandra merkt er weinig van: “Het ‘woesj’-geluid lijkt iets minder boven de tv uit te komen, maar er zijn nachten dat je denkt: ze staan helemaal niet in geluidsreductie. Dit is vooral tussen 3 en 4 uur ’s nachts” (100). 44

4 Een uitzonderingspositie voor industriële windturbines

‘Usance’ – het maximaliseren van lawaai Volgens de Stichting Nationaal Kritisch Platform Windenergie (NKPW), krijgen geluidsbureaus ieder jaar rond september de opdracht om de ‘usance’ te berekenen – hoeveel van de geluidsruimte al is geconsumeerd. Hierop wordt vervolgens de operatie van de windturbines aangepast. Was het tot dan toe een windstil jaar, dan kan in de laatste maanden nog even maximaal gedraaid worden (96). Het lijkt erop dat de exploitanten inderdaad het lawaai maximaliseren. Bij metingen wordt er nooit onder het gemiddelde van 47 dB Lden gemeten. De overschrijdingen vallen er altijd boven en precies binnen de 2 dB meetnauwkeurigheid. Op die manier wordt de norm in feite vermeerderd met 2 dB. Let wel, 3 dB wordt al ervaren als een verdubbeling van het geluidsniveau (98).

Grote toename ernstig gehinderden

Gezien de expliciete waarschuwingen en adviezen van het RIVM, TNO en de VROM-inspectie was het bij voorbaat duidelijk dat de verruiming van de normen voor een toename van ernstig gehinderden zou leiden. Volgens data van de Commissie MER lijdt in 2019 0,2% van de totale bevolking onder ernstige hinder van windturbines; dat is meer dan 28.000 personen (101). De inschattingen van het percentage (ernstig) gehinderden liggen ver uiteen. Uitgangspunt van het RIVM was maximaal 8 tot 9% ernstig gehinderden binnenshuis, in de praktijk lijkt dit aantal eerder rond de 30% te liggen. Het aantal ernstig gehinderden buitenshuis ligt veel hoger. Volgens het RIVM gaat het om 19% bij een jaarmiddelde norm van 47 Lden. “Gezellige avonden buiten zitten met vrienden, is er niet meer bij. Mensen stellen steeds vaker voor om maar naar hun te komen”, vertelt een omwonende, die vanwege het lawaai altijd met de ramen dicht slaapt (100).

De Amerikaanse geluidsdeskundigen Stephen Ambrose en Robert Rand maakten zich rond 2009 zorgen over de hoeveelheid klachten van omwonenden van windturbines, en het gebrek aan handhaving bij overlast. Het verbaasde hen dat lokale overheden niet de gangbare modellen gebruikten voor het voorspellen van klachten over geluidoverlast. Vanuit hun professie gebruikten zij normaal gesproken een model van de EPA (Environmental Protection Agency). Het model is gebaseerd op 55 case studies over geluidsoverlast. Daaruit blijkt dat er bij geluidsniveaus van 32 dB geen klachten komen vanuit lokale gemeenschappen, bij 37 dB zijn er veel klachten, en vanaf 45 dB dringende oproepen om het lawaai te stoppen, en dreigingen met juridische actie. Omdat windturbines sterk laagfrequent geluid produceren, stellen zij dat, op basis van de WHO-richtlij-

Figuur 11: Voorspelde reactie op windturbines van gemeenschappen in stil landelijk gebied. (102) 45

4 Een uitzonderingspositie voor industriële windturbines

nen, windturbines met 5 dB gekort zouden moeten worden en maximaal een geluidsniveau van 33 dB zouden moeten bedragen. Ter onderbouwing van deze stelling citeren Ambrose en Rand een onderzoek van Pederson en Waye uit 2004, die bij windturbines ontdekten dat bij 35 dB, al 6% van de bevolking ernstig geïrriteerd (annoyed) is, en 25% bij een geluidsniveau van 40 dB. Ambrose en Rand waarschuwen ervoor dat “deze klachten en het gevaar voor de volksgezondheid zullen voortduren zolang er geen deskundige metingen op locatie worden gedaan, om het geluid te identificeren, en computer-rekenmodellen worden gemanipuleerd om gewenste resultaten te produceren” (102).

In metingen rondom 399 windturbines (onderzoek uit 2016) blijkt het percentage gehinderden bij een geluidsniveau van 47 dB, 30% te zijn (63). Dit cijfer wordt ook genoemd in een presentatie van G.P. van den Berg, werkzaam bij GGD Amsterdam. Volgens hem ondervindt “bij een reëel geluidsniveau van 45 dB(A), 31% van de omwonenden hinder” (45). Deze cijfers komen overeen met de praktijkervaring: “Een derde van Gronings dorpje bezoekt dokter vanwege klachten windturbines”, kopt De Gelderlander op 18 maart 2023. Huisarts Sylvia van Manen uit Den Bosch deed een vergelijkbare observatie na het plaatsen van vier windturbines nabij een woonwijk: “Een derde van de bewoners lijkt ernstige hinder te ervaren” (103).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16265813/1