7 b&w BIJLAGE Het-Windmolendrama
Tekst van het document
Het aantal windturbines is in de afgelopen jaren sterk toegenomen, en omdat het ‘vrije’ en dunbevolkte land al in gebruik is, worden ze steeds dichter bij woonwijken geplaatst. In 2022 staan er 55.000 Nederlandse woningen binnen een straal van één kilometer van een windturbine (104). TNO verwacht dat het aantal woningen dat binnen een straal van 2,5 kilometer van een windturbines staat, groeit van 900 duizend in 2020 (12% van het totaal) tot ruim 1,6 miljoen in 2030 (105). Nederland is een van de dichtstbevolkte landen in Europa. In vergelijking met andere landen produceren we daarbij ook de meeste windenergie per vierkante kilometer (106), én we hebben de minst strenge normen ter bescherming van geluidsoverlast door windturbines (107).
Figuur 12: Productie van windenergie op land. Bron: Eurostat (106)
Op basis van verschillende geluidsnormen in Europa, rekende de Stichting Nationaal Kritisch Platform Windenergie uit op welke afstand een windturbine van 4 MW en een ashoogte van 155 meter van een woonhuis zou moeten staan om aan de norm te voldoen. In Nederland mogen windturbines al op een afstand van 260 meter van woonhuizen geplaatst worden, in tegenstelling tot omliggende landen, die meer dan het dubbele of meer dan een kilometer hanteren. Fred Jansen, van NKPW: “Een paar landen, Liechtenstein, Letland, Portugal en Zwitserland staan 540 meter toe, in Ierland geldt 750 meter, en in alle andere landen moeten windmolens minstens 1000 meter weg blijven”. 46
4 Een uitzonderingspositie voor industriële windturbines
Geluidsnormen in Europa Land
dB(A)
VK
Omgeving +5 dB
Duitsland
35
Frankrijk
35
Zweden
35
Denemarken
37/39
Vlaanderen
39
Finland
40
Italie
40
Luxemburg
40
Tsjechie
40
Wallonie
40/43
Ierland
43
Liechtenstein
45
Letland
45
Noorwegen
45
Portugal
45
Zwitserland
45
Nederland
47
Omgeving +3 dB Windsnelheid 6/8 m/s
Lden
Lden
Bron: https://nkpw.nl/2021/08/02/ afstand-tot-woningen-kleinste-van-europa/ Figuur 13: Europese geluidsnormen. Bron NKPW.
Overheidsdocumenten stellen met regelmaat dat de Nederlandse normen overeenkomen met omringende landen. Naast dat er geen enkel ander land is waar windturbines zo dichtbij woonhuizen geplaatst mogen worden, behalve Noorwegen, is Nederland het enige land dat de jaargemiddelde Lden-norm hanteert.
In aanvulling op geluidsnormen worden in andere landen met regelmaat afstandsnormen gehanteerd. Omdat geluidsoverlast toeneemt met de grootte van de turbine, geldt in Polen, Beieren en Finland een afstand van minimaal tien maal de tiphoogte tussen woonhuizen en windturbines (107). Een turbine van 250 meter staat dan op 2,5 kilometer van woonhuizen vandaan. Dat is een ander verhaal dan de Haliade X windturbines van 270 meter hoog, die de Provincie Gelderland op 500 meter afstand van woonhuizen wil plaatsten (2). In Frankrijk adviseert de Gezondheidsraad een minimale afstand tot woningen van 1,5 km, en het UK Noise Association Report on Windturbine Noise adviseert zelfs 1 tot 1,5 mijl (1,6-2,4 kilometer) (42).
Is zelfs 2,5 kilometer wel genoeg? Zoals uit het voorgaande hoofdstuk over de gezondheidseffecten van windturbines bleek, is er aanleiding om aan te nemen dat juist het infrasone en laagfrequente geluid veel van de klachten veroorzaakt. Het is juist dit onhoorbare geluid dat zich over tientallen kilometers verspreidt (37). In een studie uit Finland waren gezondheidsklachten als gevolg van infrasoon geluid, in een omtrek van 15-20 kilometer waar te nemen (66; 67). Het review-artikel van Dumbrille en co-auteurs citeert verschillende onderzoeken waar gezondheidseffecten nog tot 10 kilometer worden gemeten. Slaapverstoringen werden op afstanden van 7,5, 8 en 10 kilometer nog gemeld (77). Alves-Pereira en haar team registreerden het onhoorbare windturbinelawaai op 12 kilometer afstand. Als de effecten van LFG en infrasoon geluid worden meegenomen, dan is een veilige afstand misschien veel groter dan zelfs 2,5 kilometer. In een interview werd aan Alves-Pereira gevraagd wat dan wel een veilige afstand is. “Ik kan daar geen wetenschappelijke uitspraak over doen”, gaf 47
4 Een uitzonderingspositie voor industriële windturbines
ze aan. “Maar persoonlijk zou ik niet dichter dan 20 kilometer bij de turbines in de buurt willen wonen” (82).
Het niet-hoorbare ILFG-deel van het geluidsspectrum maakt geen onderdeel uit van de norm. Doordat de handhaving meet met een correctie voor hoorbaar geluid, dB(A), is laagfrequent geluid niet op een adequate manier in de wetgeving meegenomen. Infrasoon geluid maakt in het geheel geen deel uit van de regulering (108).
Geeft de Nederlandse overheid gehoor aan de EU- en WHO normen?
De keuze voor de Lden-norm wordt in overheidsdocumenten vaak verantwoord door erop te wijzen dat hiermee de EU- en WHO-richtlijnen worden gevolgd (83). Dit is enigszins misleidend. Zoals eerder aangegeven, zijn Nederland en Noorwegen de enige landen in Europa die de jaargemiddelde Lden-maat gebruiken (109; 110).
De WHO gebruikt de Lden als inventarisatiemaat om geluid in kaart te brengen, niet voor regulering en handhaving (110). Daarnaast merkt de WHO in het rapport ‘Environmental noise guidelines for the European Region’ (2018) op dat er verschillende uitdagingen zijn bij het meten van windturbine-overlast en de gevolgen daarvan. De “repeterende aard van het geluid” maakt de ervaren overlast hinderlijker. De turbines veroorzaken ILFG, en de A-weging is niet geschikt om dit geluid te meten, volgens het WHO. Met het berekenen van het jaargemiddelde Lden aan de hand van statistische informatie, gaat belangrijke informatie verloren en, “dit kan leiden tot een toename van de onzekerheid over de relatie tussen blootstelling aan windturbinelawaai en de gezondheid”. Vandaar, zo schrijft het WHO, “kunnen we concluderen dat akoestische beschrijving door middel van Lden of Lnight, niet een geschikte karakterisering van windturbinegeluid oplevert, en het vermogen om verbanden tussen blootstelling aan windturbinelawaai en gezondheidsuitkomsten te observeren, vermindert” (59 p. 86).
Kortom, in het bureaucratische jargon van dergelijke instituties, stelt het WHO hier dat de Ldennorm niet geschikt is om de volksgezondheid te beschermen, en daarmee is deze maat ook niet geschikt als basis voor handhaving. Omdat schadelijke effecten voor de gezondheid, zoals cardiovasculaire aandoeningen, bij veel lagere geluidsniveaus optreden dan eerder aangenomen, neemt het WHO in 2018 een voorzet om de percentages voor ernstig gehinderden bij te stellen van maximaal 9% naar maximaal 5% ernstig gehinderden (76; 28). De Europese richtlijn inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai uit 2002, geeft specifieke aanwijzingen over hoe “bijzondere geluidsbelastingssituaties” te reguleren. Bijlage II geeft een opsomming van aanvullende geluidsbelastingsindicatoren voor specifieke gevallen (111): • Wanneer een geluidsbron slechts een deel van de tijd in werking is • Wanneer de lagefrequentie-component van het lawaai sterk is • Een maximaal geluidblootstellingsniveau voor bescherming tegen geluidspieken in de nachtperiode • Extra bescherming in het weekend of een specifieke periode van het jaar; extra bescherming tijdens de dagperiode; extra bescherming tijdens de avondperiode • Een combinatie van lawaai uit verschillende bronnen • Relatief stille zones op het platteland • Het geluid heeft een sterk tonaal karakter • Het geluid heeft een impulskarakter
Al deze situaties zijn van toepassing op windturbine-geluid. Om te voldoen aan de eisen van de EU-richtlijn, zou in Nederland op zijn minst meerdere aanvullende indicatoren aan de Lden-norm moeten worden toegevoegd.
48
4 Een uitzonderingspositie voor industriële windturbines
De ervaringen van omwonenden Normen, afstanden, percentages gehinderden. Het lijkt een nogal abstracte technisch-bureaucratische discussie. Maar achter deze cijfers gaat veel menselijk leed schuil. Het is een saai onderwerp totdat je opeens overvallen wordt door slapeloze nachten, lichamelijke en psychische klachten, onhandelbare kinderen die een leerachterstand oplopen, waardedaling van je huis, of zelfs een huis dat onverkoopbaar blijkt. De klagende omwonenden worden vaak als NIMBY’s (not in my backyard) weggezet. Volgens huisarts Silvia van Manen en advocaat Peter de Lange, die veel met omwonenden te maken hebben, is deze framing niet terecht. De Lange: “Mijn ervaring is dat 95% van de windturbines daar staan waar de besluitvoerders niet wonen. Veel van mijn klanten zijn helemaal niet tegen de energietransitie. Zij vragen wel aandacht voor onrechtmatige hinder en overlast” (112). “Daar komt nog bij dat omwonenden zich niet gehoord voelen. Dikwijls worden zij gemarginaliseerd als ‘Nimby’s’. Bovendien negeren beleidsmakers hun bezwaren en klachten omdat de samenhang met de turbines niet ‘wetenschappelijk bewezen’ is. Terwijl het jaren kan duren voordat onafhankelijk onderzoek oorzaak-gevolgrelaties hard maakt”, aldus Van Manen (36). Ter illustratie volgen enkele ervaringen van omwonenden.
Het dorp waarin Jan Bakker woont, in de Drentse gemeente Aa en Hunze, is ingesloten door windturbines. Met twee turbines op negenhonderd en elfhonderd meter heeft Bakker last van het lawaai: “Overdag valt het nog wel mee, maar ik kan ’s avonds moeilijk in slaap komen. Ben ik dan toch in slaap gevallen, dan word ik vaak rond vier uur weer wakker doordat het in de hogere luchtlagen veel harder gaat waaien, met veel lawaai als gevolg. Ook ’s avonds genieten op ons terras is er vaak niet meer bij door het lawaai”. Klachten indienen bij de gemeente blijkt weinig zin te hebben: “We kunnen overlast melden, maar de gemeente kijkt alleen of er in het computermodel overtredingen zijn, en daar worden de normen nooit overschreden. Terwijl we ook nog eens last hebben van storende bijgeluiden, van gekraak bijvoorbeeld, wat uit de lagers lijkt te komen en dat extra geluid zit natuurlijk niet in het model” (113).
Ria van der Ploeg woont in Piershil, in de Hoeksche Waard nabij windpark Spui. Sinds de plaatsing van de industriële windturbines heeft ze slaapproblemen: “Ik ben al eens aan de achterkant gaan slapen, op een matras op de grond, tussen een kast en een bureau. Het helpt niet echt, je wordt telkens weer slecht uitgerust wakker en kunt je moeilijk concentreren. Ook de andere gezinsleden
© MKFOTOGRAFIE | CLINTEL.NL
Ria van der Ploeg 49
4 Een uitzonderingspositie voor industriële windturbines
ervaren last. Om te kunnen slapen moeten de ramen dicht blijven, ook in de zomer”. Van der Ploeg heeft met name last van het laagfrequente geluid: “Op een gegeven moment ga je zoeken naar waar het vandaan komt, maar je kunt het niet vinden, want het zit in je lijf”. Ze vermoedt dat deze trillingen niet alleen van invloed zijn op de dorpsbewoners, maar ook op de omliggende natuur: “Hier zaten altijd veel kikkers in de sloot, die zijn allemaal verdwenen. Fazanten, reigers, je zag ze overal en nu niet meer. Het is heel raar stil, doordat er nauwelijks meer dieren zijn. Vooral de vogelpopulatie is stukken kleiner sinds de turbines draaien”. Net als bij Bakker merkt Van der Ploeg dat het indienen van klachten weinig nut heeft: “Je kunt een telefoonnummer bellen met klachten, maar daar wordt dan weer niets mee gedaan. Ik heb met een advocaat gepraat, die zei dat we weinig kans maakten als we naar de rechter stapten. De machteloosheid en de eindeloze arrogantie zijn slopend. Niet iedereen kan in actie komen, of is daar capabel voor” (114).
Anita Verkennis uit het Midden-Limburgse Neer heeft een vergelijkbare ervaring. Net als Bakker en Van der Ploeg slaapt ze slecht na plaatsing van de windturbines op 900 meter van haar huis: “Ik had me zeer goed mentaal voorbereid op de komst van de windturbines. Maar toen ze er eenmaal stonden, in september 2021, viel het me toch enorm tegen. Niet alleen de visuele overlast maar vooral het geluid. Het vreselijk storende hoorbare geluid bleek in mijn geval niet eens het ergste, maar vooral het laagfrequente en infrasone geluid. Dat uit zich nog steeds in een veel slechtere nachtrust. Ik slaap niet meer echt door en word om de 2 tot 3 uur wakker.” Vanwege de gang van zaken rondom de bouw van het windpark heeft ze minder vertrouwen in de overheid dan voorheen: “Helemaal in het begin stond ik niet negatief tegenover dit soort projecten. Tot ik me eens er echt in ging verdiepen. Wat een ontgoocheling; dan zie je pas alle nadelen van windenergie. Niet alleen de hinder voor omwonenden, maar bijvoorbeeld ook de schade voor vogels en insecten, gevaarlijke stoffen die vrijkomen, de onnodige sloop van de natuur, de schade die de ingeschoten wiebelstroom aan ons toch al kwetsbare energienet toebrengt en de enorme extra kosten (nog los van alle subsidie) die er mee gemoeid zijn.
In die tijd was er ik ook echt wel van overtuigd dat de overheid er is om voor jouw belangen als burger op te komen. Daar ben ik inmiddels wel van teruggekomen. Je staat als burger niet met 1-0 achter maar eerder met 4-0. En de overheid blijkt nu eenmaal niet aan de kant van de burger te staan, een paar jaar geleden al helemaal niet” (115).
Huisarts Cornelis Pet uit Meeden, dat naast het windpark N33 ligt, vertelt in een interview met De Gelderlander: “Ik schat dat ruim een derde van de bevolking in Meeden hinder ervaart. De slapeloosheid leidt tot stress, boosheid, vermoeidheid en verhoogde niveaus van irritatie en alertheid. Ouders klagen over onhandelbare kinderen en leerachterstanden. Ik zie ruzies, depressies en suïcidale neigingen. Maar ondanks alle noodkreten aan de politiek, verbetert er niets. Als arts voel ik me machteloos” (103). Voor meer verhalen van omwonenden, zie ‘Schokkende verhalen van omwonenden windturbines’ op de site metdewindmee.com. https://metdewindmee.com/schokkende-verhalen-van-omwonendenwindturbines/)
50
4 Een uitzonderingspositie voor industriële windturbines
5
Natuur, chemische vervuiling en veiligheid
Overige problemen met windenergie
Natuur: vogels, vleermuizen, insecten en zoogdieren Het is bekend dat er vogels, vleermuizen en insecten omkomen doordat ze in de wieken van industriële windturbines vliegen. Ook vermijden zowel zoogdieren als vogels de windparken. Dat heeft invloed op hun habitat en beschikbare foerageergebieden (116; 77; 117; 56). Er is nog discussie over hoeveel dieren omkomen of wegvluchten van de windturbines, en welke impact dat heeft op de gehele populaties. De Universiteit van Wageningen (WUR) onderzocht de mogelijke gevolgen van de energietransitie voor kwetsbare diersoorten, zoals vogels, vleermuizen, zeezoogdieren en vissen. Deze gevolgen worden doorgaans alleen op lokale schaal bijgehouden. Daardoor blijft het cumulatieve effect buiten beeld, en worden effecten op populatieniveau niet zichtbaar (117). Dat cumulatieve effect is veel groter dan eerder werd aangenomen, bleek uit een opvolgend onderzoek van de WUR. Zelfs kleine reducties in vogelpopulaties kunnen grote effecten hebben op populaties. Volgens de norm is een verlies tussen de 1-5% acceptabel. Het onderzoek wijst echter uit dat een reductie van 1% over een periode van tien jaar al kan leiden tot een afname van 2-24% van de gehele populatie. Over dezelfde tijdsperiode kan een afname van 5% in de populatie leiden tot een verlies van 9-77% van vogelpopulaties.
Havikachtigen, uilen, reigers, strandlopers, snippen, kievieten en meeuwen zijn het kwetsbaarst (118). Van vleermuizen zijn er in Nederland geen cijfers over de populaties bekend. Wel is duidelijk dat verschillende vleermuissoorten nadelige effecten ondervinden van de aanvaringen, schokgolven, geluid, licht en habitatverlies vanwege nieuwe energie-infrastructuur, waaronder windturbines. Data om harde uitspraken te doen over de impact van de nieuwe energie-infrastructuur op kwetsbare soorten ontbreekt. Daarom raadt de WUR aan om geen windparken te plannen in de leefgebieden waar zich kwetsbare soorten bevinden (117). Het is bekend dat insectenpopulaties afnemen. Dat heeft verschillende oorzaken. Dragen windturbines daaraan bij? Met behulp van een model schatte de Duitse onderzoeker Frans Trieb in hoeveel insecten per jaar door de turbinebladen geraakt worden. Er zijn onzekerheden in het model, omdat data over de dichtheid van insecten op verschillende atmosferische lagen, beperkt is. Op basis van ander onderzoek gaat Trieb uit van een dichtheid van 3 kg aan insecten per vierkante kilometer. Dat resulteert in rond de duizend miljard insecten per jaar in Duitsland die door de windturbinenormen geraakt worden. Volgens Trieb kan dit risicovol zijn voor insectenpopulaties, met gevolgen voor de voedselvoorziening (119).
Zelfs al is dit een grove inschatting, de resultaten vragen om voorzorg, of op zijn minst meer onderzoek naar de effecten van windturbines op insectenpopulaties.
51
5 Overige problemen met windenergie
Het effect van laagfrequent geluid op dieren De infrasone drukgolven die de windturbines veroorzaken, zijn niet alleen nadelig voor mensen, maar beïnvloeden ook dieren. Dit blijkt zowel uit laboratoriumonderzoek als uit dierstudies in de nabijheid van windparken. De negatieve effecten zijn gevonden bij ganzen, varkens, kippen embryo’s en ratten (77). Huisdieren, paarden en koeien kunnen veranderd gedrag laten zien. Dr. Bellut-Staeck stelt naar aanleiding van haar onderzoek naar de effecten van infrasoon geluid op ratten: “Het beïnvloedt niet alleen de oriëntatie, maar ook de regulatie van vitale lichaamsfuncties. De gevolgen voor de dieren zijn ook gebrek aan energie, chronische ontstekingen, verstoring van de voortplanting, overmatige sterfte en bevolkingskrimp. Omdat alle organismen reageren op infrageluid, [hebben] we mogelijk een enorme, voorheen niet onderkende bedreiging voor de gehele biodiversiteit” (56).
Chemische vervuiling
Windturbinebladen worden onder andere gemaakt van glasvezel en epoxyhars, met daaromheen een beschermende coating (3; 120). Regen, hagel, stof en zand zorgen voor erosie van de windturbinebladen, die draaien met tipsnelheden tussen de 190-290 km/uur. Het materiaal komt dan als fijnstof in het milieu. De slijtage op zee is groter dan op land. Daarnaast gebruiken de turbines het isolatiegas SF6, dat gebruikt wordt om de kans op kortsluiting in de installaties te verkleinen. Ook bevat een turbine zo’n 200-800 liter aan synthetische olie, dat als smeermiddel dient. Het is de vraag welke stoffen er vrijkomen in het milieu, hoeveel er vrijkomt en hoe schadelijk dat is (121; 3 p. 115-119).
De meeste zorgen spelen rondom de stof bisfenol A (BPA). Epoxyhars bestaat voor 30-40% uit BPA (3; 120). Er woedt een wetenschappelijke discussie over de mogelijke gezondheidseffecten daarvan. Er bestaan vermoedens dat de stof al bij hele kleine doses effect kan hebben op de voortplanting, stofwisseling en het immuunsysteem. BPA is geclassificeerd als irriterend voor de ogen, en toxisch voor de lever na eenmalige blootstelling. Met BPA zijn vanwege de wetenschappelijke onzekerheid en mogelijke grote risico’s, voorzorgsmaatregelen genomen. De stof mag bijvoorbeeld niet in babyflesjes worden verwerkt. Daarnaast is vastgesteld dat BPA schadelijk is voor organismen die in water leven vanwege hormoonverstorende effecten. BPA wordt in het milieu afgebroken, waardoor in principe geen schadelijke concentraties ontstaan (122). In de lucht is de helft van het BPA binnen enkele dagen afgebroken, in de grond duurt dat een half jaar, en in water meer dan een jaar (3 p. 116). Voor windturbines is er momenteel geen regelgeving met betrekking tot bescherming van de bodem en het grondwater (121). Of er hoeveelheden in het milieu terechtkomen die schadelijk zijn, is afhankelijk van hoeveel erosie er optreedt en hoeveel windturbines er in totaal staan. De schattingen daarover lopen sterk uiteen.
Volgens data van het RIVM komt er per turbine van 2 MW (die zijn heel klein en worden nauwelijks nog gebouwd) tussen de 3,1 gram tot 14 kilogram microplastics vrij (121). Maar onderzoekers van de ‘Turbine Group’ komen tot een veel hogere inschatting. Zij hadden moeite een dataset te vinden die niet van windturbine-exploitanten en fabrikanten kwam. Ze gebruiken data uit een van de weinige onafhankelijke studies die ze konden vinden en komen tot een jaarlijkse emissie van 62 kilo per jaar voor een turbine van 4,2 MW (120). Aangezien het vermoeden bestaat dat BPA al bij hele lage doses een toxisch effect heeft, zijn meerdere kilo’s per turbine significante emissies. Bovendien zijn de huidige wetenschappelijke studies rondom erosie van rotorbladen gebaseerd op windturbines met een rotordiameter van 120 meter. Het is belangrijk te beseffen dat erosiesnelheid exponentieel toeneemt met de impactsnelheid of impactenergie. Bij nieuwere en grotere turbines zullen veel grotere massaverliezen optreden en dus meer schadelijke stoffen vrij komen. De rotordiameter van de Haliade X is bijvoorbeeld 220 meter, met turbinebladen van 107 meter lang, en een gewicht van 70 ton (123). 52
5 Overige problemen met windenergie
De mast en windturbinebladen zijn bedekt met een coating. Een compleet overzicht van welke stoffen er precies in de coatings zitten, ontbreekt. De omwonendengroep Tegenwind Echteld-Lienden vroeg bij de exploitant een overzicht van gebruikte materialen op. Dit werd niet gedeeld, omdat het wordt beschouwd als bedrijfsgevoelige informatie. De provincie Gelderland vond het niet nodig om de informatie op te vragen als onderdeel van de vergunningsaanvraag (97). In het rapport ‘Eerste inzicht in emissies van chemische stoffen bij wind op land. Resultaten quickscan’ uit 2022, maakt het RIVM een overzicht op basis van “beschikbare informatie”. In dit overzicht staan 19 als gevaarlijk geclassificeerde chemicaliën die in de coatings gebruikt worden, waarvan er drie de classificatie ‘zeer zorgwekkend’ hebben onder de Europese wetgeving voor chemicaliën, REACH. De concentraties van die stoffen in de coatings, lopen sterk uiteen (121). Naar aanleiding van de bladbreuk van een windturbine op zee voor de Amerikaanse kust bij het eiland Nantucket werd een material safety data sheet (MSDS) vrijgegeven; deze bevat maar liefst 485 pagina’s (124). Er is nog geen samenvatting beschikbaar van welke stoffen uit dit complete overzicht zorgwekkend zijn.
Het RIVM doet een aantal ruwe schattingen over uitloging van de coatings op basis van gebrekkige informatie. Zij concluderen: “Hoewel het dus aannemelijk is dat er uitloging is van stoffen uit de coatings op de masten van turbines, is het nog onbekend welke stoffen dit precies betreft, tot welke concentraties in het milieu dit leidt en of er daardoor daadwerkelijk sprake is van risico’s voor mens en milieu. Uit deze verkenning blijkt dat dit sterk per coating kan verschillen. Om hier meer inzicht in te verkrijgen zou vervolgonderzoek nodig zijn” (121). Het lekken van SF6, een gas dat als een sterk broeikasgas is geclassificeerd, en dat nauwelijks afbreekt in het milieu, wordt als verwaarloosbaar gezien. De kans op lekken van hydraulische olie wordt als klein ingeschat (121).
Veiligheid
Windturbines zijn grote industriële installaties. Net als bij andere machines, kunnen er gebreken optreden. Risico’s die tot de operatie van windturbines behoren zijn brand, door bliksem of het falen van de machinerie, blad- of mastbreuk, en ijsafwerping. De risico’s worden als onderdeel van de regelgeving ingeschat, en om deze in te perken worden er maatregelen genomen (125).
Tijdens vorst kan zich ijs gaan afzetten op de turbinebladen. Wanneer die met snelheden van meer dan 200 km/uur ronddraaien, wordt dit de omgeving in geslingerd. Die ijsafzetting komt volgens de RvO (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) tussen de twee tot zeven dagen per jaar voor (126). Veiligheidsmaatregelen zijn bijvoorbeeld een stilstand-voorziening wanneer de kans op ijsafzetting groot is (127). Omdat een brand in de turbine meestal op grote hoogte is, kan de brandweer er niet op een veilige manier bij in de buurt komen. Daarom wordt er meestal voor gekozen om de brand te laten uitbranden (125). Bij deze branden komt de olie uit de turbine, wel vrij. Net als bij andere branden, komen de toxische materialen in de leefomgeving terecht (128).
De risico’s voor de veiligheid van windturbines worden als laag ingeschat. Echter, er zijn aanwijzingen dat ze vaker voorkomen dan publiekelijk gerapporteerd wordt. Een studie uit 2014, die werd uitgevoerd door onderzoekers van de Universiteit van Edinburgh en Imperial C ollege Londen, ontdekte een grote discrepantie tussen gerapporteerde branden en de incidenten die daadwerkelijk plaatsvonden. Volgens de officiële cijfers waren er 11,7 branden per jaar, op 200.000 windturbines die in 2011 wereldwijd gebouwd waren. Het werkelijke aantal branden lag een factor 10 hoger (129; 130; 131). Een ander signaal kwam meer recent uit Australië. Maar liefst 24 vrijwillige brandweerbrigades gaven in een brief aan dat ze zich niet langer laten inzetten voor het blussen van branden bij windturbines, zonneparken, batterij-installaties en hoogspanningslijnen. Ze schrijven: “Onze brigades zijn niet bereid om hernieuwbare energie-infrastructuur te verdedigen, die onze gemeenschappen verdeelt, het land inneemt en productieve capaciteit van het land vermindert” (132). 53
5 Overige problemen met windenergie
Shutterstock
Bladbreuk in Nantucket Dat er wellicht nog niet genoeg is nagedacht over de veiligheidsrisico’s van industriële windturbines, laat het incident met de bladbreuk van een Haliade X zien. Dit model behoort momenteel tot de grootste ter wereld, met een tiphoogte van 260 meter. De turbine was nog niet in volle operatie, toen op 13 juli een 90 meter lange wiek afbrak op twintig kilometer voor de kust van het Amerikaanse eiland Nantucket (133). De bewoners werden pas geïnformeerd toen glasvezel op de stranden begon aan te spoelen, waarna de stranden gesloten werden. Net als de bewoners werden de vissers, die in de mist in de buurt van het windpark voeren, niet tijdig gewaarschuwd. “Wat we niet verwacht hadden”, legt eilandbewoonster Amy DiSibio uit, “is dat het blad in miljarden stukjes zou breken”. De stukken variëren van de grootte van een auto tot brokjes zo klein als zandkorrels. Het materiaal verspreidt zich in een omtrek van meer dan 100 kilometer. DiSibio maakt zich zorgen om de effecten op de voedselketen. “Glasvezel komt niet alleen op de stranden, maar ook in de oceaan. Vissen eten alle glimmende dingen die ze zien, dus die eten turbineblad-afval. Dat komt in de voedselketen terecht, en dus ook in de vissen die mensen gaan eten” (134; 133). De autoriteiten en de exploitant blijken geen plan te hebben om een dergelijk incident het hoofd te bieden.
Het blad hing weken na de breuk nog afgebroken in de turbine. De machines die gebruikt worden om hele bladen in de gondel te plaatsen, kunnen een gebroken blad niet aan. Hiervoor wordt een gespecialiseerd bedrijf ingeroepen. Bewoners doen navraag bij autoriteiten naar hoe deze incidenten gemonitord en gerapporteerd worden, maar daarover is geen informatie beschikbaar (135).
Bladbreuk in Nantucket. Bron: De Andere Krant. 54
5 Overige problemen met windenergie
Is dit slechts een ongelukkig incident, zoals de fabrikanten en exploitanten aangeven? Volgens Robert Bryce, spreker en auteur van meerdere boeken over de energievoorziening- en transitie, is het voorval een symptoom van een veel groter probleem. Hij schrijft: “De turbines die nu op land en zee gebouwd worden, falen veel sneller dan verwacht. Waardoor? Ze worden te groot” (123). De verzekeraar van windturbines, Gcube, luidde een jaar eerder al de noodklok met het rapport ‘Vertical Limit’. Wanneer zij moeten uitbetalen, gaat het in 55% van de gevallen om turbines die groter zijn dan 8MW en waarvan onderdelen tijdens de bouw falen. Deze turbines hebben bovendien eerder onderhoud nodig, al binnen twee jaar, in plaats van de meer gebruikelijke vijf jaar. “Er is een dringende noodzaak van het aanpakken van de betrouwbaarheid en kwaliteit van deze producten”, zo schrijven zij (136). Bij de grote modellen windturbines zijn er in 2024 inmiddels drie bladbreuken geweest: één in mei op de Doggersbank voor de kust van Engeland (137), de breuk in Nantucket in juli en weer een bladbreuk op de Doggersbank in augustus (138).
Op zee zijn bladbreuken zorgelijk omdat de toxische materialen zich door het water verspreiden. Met de geplande uitbreiding naar 30.000 windturbines in de Noordzee in 2050 (139), wordt het belangrijk om in te schatten wat de kans is op bladbreuken, en hoe de gevolgen van deze incidenten te beperken. De breuk bij Nantucket vond plaats bij zacht zomerweer. De bewoners van het eiland maken zich zorgen over wat er gaat gebeuren als het orkaanseizoen nadert (134). Maar ook op land geeft een bladbreuk risico’s: op de met glasvezel en BPA vervuilde grond kan geen vee grazen, het land is ook niet geschikt voor landbouw. Welke partij verantwoordelijk is voor de opruimingskosten, is afhankelijk van de contractvoorwaarden (128).
De saneringskosten – een maatschappelijk risico? “Als dit spul overbodig is, wie gaat er dan betalen om het op te ruimen?” Visser Bob DeCosta (123)
Alle doelen van de energietransitie ten spijt, staat de windindustrie zowel op land als op zee voor grote uitdagingen (123; 136). Vanwege verschillende problemen trekken investeerders zich terug uit projecten voor wind-op-zee (140; 141). Wind op land is voornamelijk winstgevend omdat het wordt gefinancierd door subsidie (142) en doordat de kosten voor de uitbreiding van de infrastructuur door burgers betaald worden (22).
Windturbines gaan tussen de 15 en 20 jaar mee (143). Volgens de berekening van een Amerikaanse exploitant bedragen de kosten voor het verwijderen van een turbine 532.000 dollar (144; 145). Afhankelijk van de contracten is de exploitant of de grondeigenaar verantwoordelijk voor het opruimen van de turbines aan het einde van hun levensduur. Daarin schuilt een risico. De windparken worden vaak opgezet als ‘Special Purpose Vehicles’ (SPV’s), om de risico’s van de onderneming in te perken (146; 147). Zodra de subsidie na 15 jaar opdroogt, de kosten van defecten en onderhoud zich opstapelen (en wellicht in de toekomst de kosten voor rechtszaken vanwege letselschade), is de kans groot dat het bedrijfsmodel niet langer rendabel is. Dit zou tot failissementen in de sector kunnen leiden (148; 149). Ook is het mogelijk dat er andere, betere technologieën beschikbaar komen, bijvoorbeeld energieopwekking met thorium (150; 151). De kosten voor het opruimen van de turbines zullen dan bij de grondeigenaar en/of de maatschappij komen te liggen.
55
5 Overige problemen met windenergie
© MKFOTOGRAFIE | CLINTEL.NL
56
5 Overige problemen met windenergie
6
Juridisch
Ernstige overlast leidt tot rechtszaken
Aankloppen bij de bestuursrechter heeft weinig zin Zoals de VROM-inspectie in het HUF-rapport treffend voorspelde, blijkt de jaargemiddelde Ldennorm niet handhaafbaar. De voorspelling van de Amerikaanse geluidsdeskundigen Ambrose en Rand blijkt ook correct: vanaf geluidniveaus van 45 decibel zijn omwonenden bereid juridische actie te ondernemen. De geluidsoverlast van de windturbines en zorgen om de gevolgen voor de volksgezondheid, leiden tot rechtszaken, zowel tegen de bestaande windparken als tegen plannen voor het bouwen daarvan. Over het algemeen vangen burgers bot en geeft de Raad van State rugdekking aan de overheid en windindustrie. Het artikel ‘Windmolens: wat zijn de recente juridische ontwikkelingen?’ van verzekeraar Univé laat zien welke argumenten de Raad van State in 2018 niet relevant achtte: geluidsoverlast of slagschaduw, hinder door trillingen, risico’s op vallend ijs, de business case van de windparken, en ontbreken van draagvlak onder de bevolking. Ook ziet de bestuursrechter je niet als belanghebbende wanneer je verder dan tien maal de tiphoogte woont. Burgers zouden voldoende betrokken zijn bij de planvorming rondom de plaatsing van windturbines, in lijn met het Verdrag van Aarhus, en woningen worden niet onverkoopbaar door windparken (152).
“Kunt u aangeven hoeveel bezwaren er in Nederland zijn gemaakt tegen de plaatsing van windmolens en wilt u aangeven wat de strekking van de bezwaren is, of en hoeveel bezwaren gegrond zijn verklaard en of er wijzigingen en maatregelen zijn genomen om tegemoet te komen aan deze bezwaren?”, vraagt Kamerlid Henk van Gerven van de SP aan de minister op 18 november 2019. Minister Wiebes van Economische Zaken en Klimaat kan daarop geen antwoord geven: “Bezwaar tegen de komst van windmolens kan worden ingediend bij het bevoegd gezag. Het Rijk is alleen bevoegd gezag voor de grotere windprojecten die onder de Rijkscoördinatieregeling (RCR) vallen. Een overzicht van alle ingediende bezwaren tegen windmolens kan daarom niet worden verschaft”. Op rijksniveau zijn er negen windparkprojecten geïnitieerd. Tegen al die projecten is beroep aangetekend. In alle gevallen ging de bouw van het windpark door.
Het aantal rechtszaken is dan misschien niet bekend op provinciaal en gemeentelijk niveau, het aantal zal minstens in de tientallen lopen. Er zijn in juli 2024 al meer dan 150 burgerbelangenverenigingen actief die zich tegen windparken verzetten, en dat aantal is groeiende. Deze bewegingen zijn soms succesvol en weten de komst van een windpark te voorkomen. Wanneer een turbine of park er eenmaal staat, is handhaving, vanwege de jaargemiddelde norm, niet mogelijk. Het is in Nederland niet voorgekomen dat een windpark langdurig wordt stilgezet of zelfs wordt afgebroken.
De Raad van State toetst voornamelijk of de bestuursrechtelijke procedures juist zijn gevolgd, en evalueert of de overheid wel voldoende kennis had om bij haar besluit over het windpark een goe57
6 Ernstige overlast leidt tot rechtszaken
de belangenafweging te maken3, en of het besluit goed gemotiveerd is4. De Raad komt bijna altijd tot de conclusie dat dit het geval is (84; 152). Als burger bij de Raad voor je belangen procederen, wordt door velen dan ook als zinloos gezien (114; 113). In meer dan vier jaar is er slechts door één windparkproject een rigoureuze streep gezet (153).
Het wetenschapsmonopolie van het RIVM verhindert goede belangenafweging
Voor de kennis over effecten van windturbines op de gezondheid, gaat de bestuursrechter zelf niet op de inhoudelijke wetenschappelijke discussie in. De rechter gaat voor deze informatie uit van de rapporten van het RIVM (84) en oordeelt daarbij dat de overheid op de rapporten van adviesorganen zoals het RIVM mag vertrouwen. Zoals in hoofdstuk 2 bleek, is het uitgangspunt van het RIVM dat er geen eenduidig of voldoende bewijs bestaat dat windturbines de slaap verstoren en andere gezondheidseffecten hebben (154), en laten zij na het fundamentele onderzoek uit te voeren waaruit die effecten zouden kunnen blijken (98; 50). Wetenschappelijk, peer-reviewed onderzoek dat wordt aangedragen door bezorgde burgers en artsen, wordt terzijde geschoven wanneer het geen deel uitmaakt van een publicatie van een officiële instantie (153). Het RIVM verkrijgt hiermee een bijzondere positie. Dit is in feite een monopolie-positie waarin bepaald wordt wat door de bestuursorganen en rechtspraak als wetenschappelijk wordt geaccepteerd. Desondanks zijn de RIVM-rapporten zelf niet aan peer-review onderhevig. Wanneer deze onder de loep worden genomen, blijkt er het nodige aan te schorten. Dit blijkt niet alleen in het onderzoek van Bijl, maar ook wanneer het gaat over belangenverstrengeling (155) en onderzoek naar oversterfte (156; 157).
Dat het RIVM zich niet alleen onwetenschappelijk, maar ook verre van neutraal opstelt, blijkt uit de suggesties voor vervolgonderzoek van Bijl, naar aanleiding van zijn evaluatie van RIVM-rapporten: “Tijdens het onderzoek kwamen de nodige vragen op die interessant en belangrijk zijn om nader te onderzoeken: • De evolutie van de RIVM-rapporten in de tijd; • De rol van framing van tegenstanders van windturbines en de herkomst van het begrip annoyance; • Conflicterende belangen bij onderzoekers en de relatie met uitkomsten van onderzoeken; • Worden de WHO-criteria voor geluid en windturbinegeluid gevolgd in Nederland?” (50).
Het artsencollectief Windwiki pleit dan ook voor onafhankelijk onderzoek naar het functioneren van het RIVM: “Naar aanleiding van de diskwalificaties van de RIVM-rapporten uit 2019 en 2020 en de recente klacht ten aanzien van de wetenschappelijke integriteit, pleiten wij voor een onafhankelijk onderzoek vanuit een van de Nederlandse universiteiten naar de positie die door het RIVM is ingenomen bij hun beoordeling van de veiligheid van windturbines op land (98). […] Doordat het RIVM de afgelopen jaren geen medici, maar o.a. een ingenieur met eigen onderzoeksbureau, aan de adviezen over gezondheid in relatie tot windturbinegeluid heeft laten schrijven is de schijn gewekt van ontbreken van onpartijdigheid en de medische expertise. Het RIVM heeft een conclusie moeten rectificeren op basis van ontbreken van wetenschappelijk onderbouwing anders dan een paper van betrokken ingenieur. Dit is kwalijk, gezien de vergaande persoonlijke gevolgen voor het welzijn van Nederlanders die ‘omwonende’ worden” (74). Wilco Alteveer, die actief is bij Tegenwind Nederland, stelt: “Verder is het RIVM ook niet onafhankelijk, ze krijgt haar opdrachten van de ministeries en heeft geen eigen budgetten voor zelfstandig en onafhankelijk onderzoek. Dat werd mij ook bevestigd in een gesprek bij het ministerie van EZK, waarbij ook het RIVM aanwezig was.
Ze doen dus in feite gewoon loonwerk voor de ministeries, net als alle andere advies- en ingenieursbureaus. De ministeries bepalen dus als opdrachtgever in hoge mate, door de inhoud en omvang van de uitbestede opdrachten, ook de resultaten en vooral ook welke onderdelen niet worden onderzocht.” (95) 3 4 58
‘Zorgvuldigheidsbeginsel: Awb, artikel 3:2: “Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen”. Motiveringsbeginsel: Awb, artikel 3:46: “Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering”. 6 Ernstige overlast leidt tot rechtszaken
Wanneer bestuurders en rechtbanken zich beroepen op ondeugdelijke onderzoeken, zijn ze niet goed geïnformeerd, en kunnen belangen niet goed afgewogen worden. Op dit moment domineert in politiek en rechtspraak het mantra ‘we moeten Parijs halen’. Dit belang van de energietransitie wordt aanhoudend boven alle andere belangen, zoals gezondheid, economie, welvaart, natuur, biodiversiteit en woongenot, gesteld. Wanneer het monopolie van het RIVM doorbroken wordt, is de kans groot dat de belangenafweging anders zal uitvallen.
Uitspraken van het Europese Hof leiden tot doorbraken
Als lidstaat van de EU is het Europese recht, of ‘Unierecht’ in het vakjargon, voor Nederland bindend. Lidstaten zijn dan ook verplicht om Europese richtlijnen in nationale regelgeving op te nemen (158). In 2001 trad de Europese Strategische Milieu Beoordeling (SMB)-richtlijn in werking. Deze richtlijn is ingevoerd om het milieu en de volksgezondheid te beschermen, door te eisen dat bij de instelling van een ‘plan of programma’ eerst een milieueffectrapportage (MER) wordt uitgevoerd. De lidstaten hadden tot 21 juli 2004 om de EU-richtlijn in nationale wetgeving op te nemen (159).
Op juridisch vlak is er vervolgens discussie over wat als een ‘plan of programma’ kan worden opgevat. Grof gezegd zijn het beleidskaders waaruit projecten kunnen voortvloeien die milieu- en gezondheidseffecten hebben. Wanneer er bij een nationale bestuursrechter onduidelijkheid is over de toepassing van het Europese recht, kan deze een advies vragen bij het Europees Hof van Justitie in Luxemburg over de interpretatie van de wet. Is er geen mogelijkheid meer tot hoger beroep, zoals bij de Raad van State het geval is, dan zijn zij verplicht dit advies aan te vragen (160). Dit wordt een prejudicieel advies genoemd, dus advies voordat er een rechterlijke uitspraak wordt gedaan (161; 86; 162). De Raad van State laat tot nu toe na om prejudicieel advies te vragen bij de bestaande onzekerheden over de interpretatie van de SMB-richtlijn.
2016: De zaak D’Oultremont in Wallonië
In de zaak D’Oultremont in het gewest Wallonië in België, speelde de vraag of de regels voor windturbines, zoals voor plaatsing, geluid en slagschaduw, als ‘plan of programma’ moesten worden gezien. Was dat het geval, dan had er vóór invoering van de regels een milieueffect-onderzoek moeten plaatsvinden. De Belgische bestuursrechter vroeg prejudicieel advies aan bij het Hof in Luxemburg, en deze oordeelde dat de regels inderdaad als een plan of programma moesten worden gezien.
2019: De zaak Battenoord in Nederland
Zich beroepende op de D’Oultremont-zaak, wordt in de Nederlandse zaak ‘Battenoord’ beargu menteerd dat ook de Nederlandse windturbinenormen van het Activiteitenbesluit onder de verplichtingen van de SMB-richtlijn vallen. De Raad van State vraagt geen prejudicieel advies aan, maar oordeelt dat de Nederlandse regels voor windturbines niet onder de SMB-richtlijn vallen. Daarom is er geen verplichting om een milieueffectrapportage uit te voeren.
2020: De zaak ‘Vlarem II (Nevele)’ in Vlaanderen
Er vindt een herhaling van zetten plaats: naar aanleiding een rechtszaak vanwege plannen voor de bouw van een windpark bij de Belgische plaatsen Aalter en Nevele, doet zich de vraag voor of de ‘Vlarem II’ regels voor windturbines gelden als een plan of programma onder de SMB-richtlijn. Net als in de zaak D’Oultremont reageert het Hof bevestigend, maar voegt bij deze uitspraak een aantal aanscherpingen toe om “een halt toe te roepen aan mogelijke strategieën ter ontwijking van de in de SMB-richtlijn neergelegde verplichtingen […] waardoor aan de nuttige werking van deze richtlijn afbreuk wordt gedaan”. Als een wettelijke regeling het kader vormt voor het verlenen van toekomstige vergunning, moet deze worden gezien als plan of programma, en is er dus een MERplicht. Bovendien stelt het Hof dat wanneer nationale wetgeving in strijd is met het Unierecht, de 59
6 Ernstige overlast leidt tot rechtszaken
nationale autoriteiten, inclusief rechterlijke instanties, eraan gehouden zijn de gevolgen van de onwettige situatie ongedaan te maken (161).
De uitspraak heeft brede implicaties: niet alleen het Activiteitenbesluit, maar bijvoorbeeld ook het Klimaatakkoord en de RES-afspraken vallen volgens de uitleg van het Hof onder de plannen en programma’s van de SMB-richtlijn. De afspraken die daar zijn gemaakt, creëerden immers de kaders voor grootschalige uitrol van wind op land (112).
Rechtsgeleerden prof.dr.mr. Herman Bröring en prof.dr. Albert Koers leggen in het artikel ‘Batten oord’ op losse schroeven: tijd voor prejudiciële vragen’ uit waarom het zo belangrijk is om op het onderzoek op dit abstracte niveau uit te voeren. Wanneer dit onderzoek niet plaatsvindt, beperkt dit het latere MER-onderzoek voor concrete projecten. De landelijk ingestelde algemene regels met gedetailleerde normen, bepalen voor een groot deel de invulling van lokale projecten. Binnen de MER-onderzoeken van deze projecten wordt vervolgens alleen nog gekeken naar toepassing van de normen, die zelf niet milieu-beoordeeld zijn, waardoor “het onderzoek naar mogelijke milieueffecten niet meer omvat dan af te vinken of voldaan kan worden aan die algemene normen” (161). Dit is precies wat er momenteel op het gebied van de RES gebeurt: in eerste aanleg staan, in de RES 1.0, afspraken die een wettelijke basis missen. De integrale milieueffecten van 35 of 55 TWh zon en wind op land zijn niet met een plan-MER onderzocht. Vervolgens worden er in de regio’s wel plan-MER’s uitgevoerd. Echter, deze plan-MER’s zijn bij voorbaat gebonden aan de doelen van het overstijgende programma, waarvan de juiste invulling niet langer ter discussie staat.
2021: De zaak Delfzijl in Nederland
Na de Nevele-uitspraak kan de Raad van State er niet langer omheen dat de SMB-richtlijn ook op de Nederlandse windturbinenormen van toepassing zijn. In de zaak Delfzijl stelt zij dan ook de normen van het Activiteitenbesluit uit 2021 buiten werking (163; 86).
Door de Delfzijl-uitspraak ontstaat er een juridisch vacuüm: de vergunningen die de overheid heeft uitgegeven voor de bouw van windturbines zijn onrechtmatig verleend. Sinds de invoering van de SMB-richtlijn in 2001, had voor de Nederlandse geluidsnormen een MER- onderzoek moeten plaatsvinden – zowel voor nieuwe normen als voor bestaande normen, wanneer deze een kader vormen voor toekomstige vergunningverlening (112). De Nederlandse regering had tot 21 juli 2004 om de eisen van de SMB-richtlijn in nationale regelgeving te verwerken, om aan het Unierecht te voldoen. Het is na de Delfzijl-uitspraak noodzakelijk om alsnog een MER-onderzoek uit te voeren, en op basis daarvan nieuwe windturbinenormen vast te stellen. Daarnaast moeten de nationale autoriteiten er volgens het Hof alles aan doen om de onrecht matige situatie ongedaan te maken. Maar hoe deze het beste kan worden opgelost, daar kijken experts verschillend tegenaan.
In elk geval betekent de uitspraak dat windparken in ontwikkeling zich niet op bestaande normen kunnen beroepen, en dat besluitvorming daarom moet worden opgeschort totdat een MER-onderzoek helderheid biedt. In Nederland kiest de Raad van State voor een andere route. In een tussenuitspraak stelt de Raad: “De gemeenteraad is bij een bestemmingsplan niet verplicht om aan te sluiten bij de windturbinenormen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Hij kan in een bestemmingsplan eigen normen stellen, als deze normen maar goed worden gemotiveerd voor het concrete bestemmingsplan”. Provincie en gemeenten hoeven dus niet de nieuwe, aan MER-onderzoek onderheven, normen af te wachten, maar mogen deze zelf formuleren. Peter de Lange is het daar niet mee eens: “In mijn optiek is dit een ontwijking van de verplichte bepalingen van het Europese recht vanuit de SMB. Dit stelt dat je de regels eerst goed moet toetsen, en nu maken ze allemaal miniprojectjes” (86). Het is niet realistisch dat onderzoek waar op landelijk niveau jaren voor nodig zijn, door een lagere overheid binnen korte termijn wordt uitgevoerd. Deze lagere overheden zijn niet in staat tot het voeren van het onderzoek om aan de SMB-richtlijn te voldoen. 60
6 Ernstige overlast leidt tot rechtszaken
Met betrekking tot de schade die veroorzaakt wordt door bestaande windparken, hebben omwonenden volgens prof. Koers op zijn minst recht op een schadevergoeding. In principe zou de onrechtmatige situatie worden opgelost door windparken af te breken, maar hij verwacht niet dat dit zal gebeuren (164). Volgens De Lange, die in veel windparkzaken heeft geprocedeerd, zou de onrechtmatige situatie opgelost kunnen worden door het intrekken, opschorten, vernietigen of buiten toepassing verklaren van verleende vergunningen (165). In dat geval zouden bestaande windparken de turbines stil moeten zetten totdat nieuwe normering duidelijkheid biedt en men rechtmatige vergunningen kan uitgeven. Dit is hoe de bestuursrechter in Frankrijk oordeelde, toen op 8 maart 2024 de laatste drie versies van de Franse windturbinenormen buiten werking werden gesteld: “Alle bestaande windparken die op basis van illegaal verstrekte vergunningen opereren, kunnen niet langer in de huidige vorm in operatie blijven” (166). In een eerdere, minder verstrekkende, Franse uitspraak werd de exploitant van een windpark opgedragen het park af te breken (167). Dat Nederland terughoudend is met dergelijke verstrekkende maatregelen verbaast De Lange niet: “Als jij een dakkapel een meter te breed maakt buiten de vergunning, dan heb je handhaving op je dak en mag je afbreken of terugbrengen naar de wel vergunde situatie.
Bij windturbines werkt het heel anders. Dan zeggen we kennelijk tegen elkaar, we moeten Parijs halen en dat is belangrijk. De overheden staan voor een groot dilemma: de initiatiefnemers en exploitanten maken gebruik van vergunningen die door de overheid zijn afgegeven. Wanneer blijkt dat deze onrechtmatig zijn verstrekt, zullen zij zich gaan verhalen op de overheid. Die claims zijn torenhoog, dat loopt in de miljarden. De overheid is dan aansprakelijk, want zij hebben de vergunning verleend. De windlobby is goed georganiseerd, heeft veel juridische kennis in huis, en geld en tijd zijn voor hen geen probleem. Omwonenden die gaan procederen daarentegen, die hebben weinig tijd, hebben meestal geen geld, en hebben relatief weinig juridische kennis. Zij kunnen zich slecht organiseren. Dat is ingewikkeld. De overheid gokt er kennelijk op dat de weerstand van omwonenden op dit moment minder ernstig is dan de rechtszaken van exploitanten. Dus de bewoners blijven in de kou staan” (86). Bestuurskundige Cora van Mook schrijft: “De gevolgen voor bestaande en toekomstige windparken zijn te groot om de Lden-norm en andere regelingen uit het Activiteitenbesluit -en regeling los te laten en de omwonenden te beschermen. De overheid heeft daar boter op haar hoofd.
Bepaalde plannen van de overheid hebben immers investeerders nodig, want zonder investeerders is er geen uitvoering van het beoogde beleid. Om investeerders bereid te vinden moeten de voorwaarden aanlokkelijk zijn, met rechtszekerheid voor bijvoorbeeld kredietverstrekking door de banken. Het economische belang van de investeerders en dat van de economie geven de doorslag in plaats het beschermen van de leefomgeving en de gezondheid. De gaswinning in Groningen, de uitstoot en staalslakken van Tata Steel en dit dossier van windenergie verlopen feitelijk allemaal hetzelfde. De overheid zit met belanghebbende stakeholders rond de tafel en omwonenden hebben een bepaalde mate van collateral damage te accepteren, zonder burgers daarover te raadplegen of te informeren. Dat wordt door beleidsmedewerkers en bestuurders in het kader van het beoogde doel als aanvaardbaar geacht. Tegelijkertijd worden bezwaren omwonenden gebagatelliseerd”. De Nederlandse regering gaat dan ook voor een andere ‘oplossing’ dan het intrekken van vergunningen, en doet er alles aan om de bestaande windparken te kunnen laten doordraaien. Met de AMvB ‘Tijdelijke overbruggingsregeling windturbinebepalingen’, stelt ze de normen van het Activiteitenbesluit, het jaargemiddelde 47 Lden overdag, en 41 Lden gedurende dag, weer in werking (168; 165).
Hiermee wordt een onrechtmatige situatie opnieuw gelegitimeerd, in plaats van hersteld. Het legitimeren van een onrechtmatige situatie door de nationale overheid geeft lagere overheden geen vrijbrief, volgens De Lange. Het Unierecht werkt namelijk rechtstreeks: dat betekent dat alle overheidsinstanties zich aan dat recht te houden hebben. Provincies en gemeenten moeten dus aan de SMB-richtlijn voldoen. Doen ze dat niet, dan handelen ze in strijd met de wet. Ze kunnen zich daarbij niet verschuilen achter de Raad van State of AMvB’s, wanneer ze in strijd met het Europees recht handelen (164; 112).
61
6 Ernstige overlast leidt tot rechtszaken
2024: De zaak Swifterbant, windpark Blauw Op 18 september 2024 doet de Raad van State een nieuwe belangrijke uitspraak, over Windplan Blauw bij Swifterbant. Er werd verzocht de omgevingsvergunningen in te trekken, omdat deze in strijd zijn met de wet.
De Raad stelt vervolgens de onrechtmatigheid en strijd met het Unierecht vast: zowel de windturbinenormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer, als de Tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken (TOW) voldoen niet aan de SMB-richtlijn (169).
Het Nevele-arrest van het Europees Hof is er duidelijk over dat de onrechtmatige situatie die is ontstaan door het niet voldoen aan de SMB-richtlijn moet worden hersteld: “Volgens het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking zijn de lidstaten verplicht de onwettige gevolgen van een dergelijke schending van het Unierecht ongedaan te maken. Hieruit volgt dat de bevoegde nationale autoriteiten, inclusief de nationale rechterlijke instanties waarbij beroep is ingesteld tegen een nationale handeling die in strijd met het Unierecht is vastgesteld, verplicht zijn om in het kader van hun bevoegdheden alle noodzakelijke maatregelen te treffen om het verzuim van een milieubeoordeling te herstellen”. Ook het intrekken van vergunningen behoort tot de opties: “Dit kan er, voor een “plan” of “programma” dat is vastgesteld zonder rekening te houden met de verplichting een milieubeoordeling te verrichten, bijvoorbeeld in bestaan dat maatregelen tot opschorting of nietigverklaring van dit plan of programma worden vastgesteld […] en dat een
© MKFOTOGRAFIE | CLINTEL.NL
Omwonende Eddy Vulperhorst (Swifterbant). 62
6 Ernstige overlast leidt tot rechtszaken
reeds verleende vergunning wordt ingetrokken of opgeschort teneinde een dergelijke beoordeling alsnog te verrichten (170).
De Nederlandse Raad van State geeft een creatieve interpretatie aan deze opdracht: volgens de Swifterbant-uitspraak moet de rechtszekerheid van exploitanten beschermd worden. Er wordt geen woord gerept over de rechtszekerheid van omwonenden. De Raad: “De rechtbank overweegt verder dat de schending van het Unierecht die hier aan de orde is, van procedurele aard is. De schending houdt niet in dat de materiële normen uit de windturbinebepalingen onjuist zijn”. In 2009, voor de invoering van het Activiteitenbesluit waren er naar schatting rond de 1.500 mensen die ernstige hinder ondervonden van windturbinegeluid (46). In 2019 is dit aantal opgelopen naar meer dan 28.000 personen (101). De interpretatie dat de gevolgen van de schending van het recht slechts procedureel zijn, is moeilijk te volgen.
Wetten op nationaal en supranationaal niveau die burgers dienen te beschermen
Tot slot van dit hoofdstuk: er zijn in principe voldoende wetten op nationaal, Europees en interna tionaal niveau die omwonenden van windturbines dienen te beschermen. De vraag dringt zich op: houdt de overheid zich wel aan de wet? Voorzorgsprincipe – Wanneer er mogelijke ernstige schade aan milieu of gezondheid optreedt, moeten er voorzorgsmaatregelen genomen worden, ook wanneer er nog wetenschappelijke onzekerheid bestaat over het bewijs van de schade. Grondwet artikel 21 De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Grondwet artikel 22 De overheid treft maatregelen ter bevordering van de volksgezondheid.
Omgevingswet Artikel 1.3 Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
Artikel 3.3 In een omgevingsvisie wordt rekening gehouden met het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt. Artikel 2.1. Het bestuursorgaan houdt daarbij rekening met de samenhang van de relevante onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving en van de rechtstreeks daarbij betrokken belangen.
Lid 4: Het bevoegd gezag moet bij evenwichtige toedeling functies (omgevingsplan) rekening houden met belang beschermen gezondheid. Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (1957) Artikel 168 “Bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Unie wordt een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid verzekerd” 63
6 Ernstige overlast leidt tot rechtszaken
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Rome, 25-03-1957 Artikel 174 1 Het beleid van de Gemeenschap op milieugebied draagt bij tot het nastreven van de volgende doelstellingen: – behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu; – bescherming van de gezondheid van de mens;
2 De Gemeenschap streeft in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio’s van de Gemeenschap. Haar beleid berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt. SMB-Richtlijn (Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s)
Artikel 1: “Deze richtlijn heeft ten doel te voorzien in een hoog milieubeschermingsniveau en bij te dragen tot de integratie van milieuoverwegingen in de voorbereiding en vaststelling van plannen en programma’s, met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling, door ervoor te zorgen dat bepaalde plannen en programma’s die aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben overeenkomstig deze richtlijn aan een milieubeoordeling worden onderworpen”.
Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten Artikel 12 “De Staten die partij zijn bij dit Verdrag erkennen het recht van een ieder op een zo goed mogelijke lichamelijke en geestelijke gezondheid”. Verdrag van Aarhus ‘Het Verdrag van Aarhus geeft leden van het publiek (individuen en verenigingen die hen vertegenwoordigen) het recht op toegang tot informatie en inspraak bij besluitvorming over milieuaangelegenheden, en om verhaal te halen indien deze rechten niet worden gerespecteerd’ (27). Doelstelling van het Verdrag van Aarhus is bij te dragen aan het recht van elk mens om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn (artikel 1). Algemene wet bestuursrecht (Awb) 3:2: “Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen’”.
Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai Artikel 1 Het doel van deze richtlijn is een gemeenschappelijke aanpak te bepalen om op basis van prioriteiten de schadelijke gevolgen, hinder inbegrepen, van blootstelling aan omgevingslawaai te vermijden, te voorkomen of te verminderen.
64
6 Ernstige overlast leidt tot rechtszaken
Tijdlijn normen en rechtszaken Tabel: Tijdlijn normen en rechtszaken Normen 1979
Circulaire Industrielawaai
1998
Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening
2001
SMB – Europese richtlijn Strategische Milieu Beoordeling
2002
EU Richtlijn inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai
2008
TNO rapport: ‘Hinder door geluid van windturbines’
2009
RIVM-rapport ‘Evaluatie nieuwe normstelling windturbinegeluid. Invloed van verschillende grenswaarden op blootstelling, hinder en mogelijkheden ontwikkelingslocatie’
2009
VROM-inspectie: HUF-rapport, ‘handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en fraude gevoeligheid van nieuwe normen’.
2010
Besluit wijziging milieuregels stellen landelijk uniforme regels voor geluid, slagschaduw en veiligheid van windturbines vast.
2011
Invoering landelijke windturbinenormen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer Hiermee trad de jaargemiddelde norm Lden in werking, met 47 dB gedurende de dag en 41 dB gedurende de nacht.
2011
Windturbines op land: 4.298 (CBS)
2016
Uitspraak Europese hof van justitie in de zaak D’Oultremont in het Belgische Wallonië. Het Hof beschouwt de Waalse regels voor windturbines als een ‘plan of programma’. Hiervoor dient onder de verplichtingen van de SMB-richtlijn een milieu effectrapportage te worden uitgevoerd voordat ze in werking treden.
2018
Uitspraak van de Nederlandse Raad van State in de zaak Battenoord: De Raad acht de D’Oultremont uitspraak niet van toepassing op de Nederlandse situatie.
2020
Uitspraak Europese Hof van Justitie in de zaak Nevele II in Vlaanderen. Deze zaak is vergelijkbaar met de D’Oultremont zaak. Het is de vraag of de Vlaamse regels voor windturbines een ‘plan of programma’ zijn, waarvoor een milieueffect rapportage dient te worden uitgevoerd. Dit is het geval. Het Hof is in deze uitspraak duidelijker, en stelt dat deze ook geldt voor soortgelijke situaties in andere lidstaten.