CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

21b Bestemming...int Janstraat 64 - 66 te Sprundel

gemeenteraad 12 juni 2024, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan ‘Kom Sprundel, Sint Janstraat 64-66 te Sprundel’32.488 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Hoofdstuk 2 2.1

Beschrijving plangebied

2.1.1

Algemeen

De huidige situatie

Van oorsprong is de kern Sprundel een lintvormige nederzetting. Sprundel ligt in de brede stedenband Roosendaal, Etten-Leur, Breda e Til urg. Deze a d alt i e t ee stedelijke regio s. De stede a d markeert ook de overgang van zandgronden naar de kleigronden van West-Brabant. 2.1.2

Ontstaansgeschiedenis

De geschiedenis van de dorpen in de gemeente Rucphen gaat terug tot 992. In dat jaar werd voor het eerst melding gemaakt van het 'castellum Sprundelheim' in de Akte van Thorn. Rondom dit castellum begon rond 1300 de turfwinning. Midden door dit delfstofrijke gebied van West-Brabant, dat als veenzone een natuurlijke eenheid was, werd in 1290 de kunstmatige grens getrokken die West-Brabant in twee delen splitste, te weten Bergen op Zoom en Breda. Daarop volgend vonden tussen 1300 en 1350 gronduitgiften plaats, waaronder Sprundel Nassau. Aangezien Sprundel het oudste dorp was, werd haar naam, bij de officiële instelling van de gemeente in 1810, aangenomen als gemeentenaam: La commune de Sprundel. De decennia erna wijzigde de gemeentenaam regelmatig tot aan 1953, het jaar waarin de gemeente officieel Rucphen genoemd wordt.

Figuur 3: Uitsnede historische kaart 1890-1899 (bron: topotijdreis.nl)

2.1.3

Plangebied

Het plangebied is gelegen in de dorpskern Sprundel. Het plangebied is gelegen aan de Sint Janstraat. De Sint Janstraat is een belangrijke lokale verbindingsweg in het centrum van het dorp, die Sprundel aan de westzijde verbindt met de Rucphensebaan en aan de oostzijde met de Bredasebaan. Het plangebied ligt in een gevarieerd gebied bestaande uit vrijstaande-, twee-onder-een-kap- en rijwoningen, maatschappelijke functies en kleinschalige horeca. Daarnaast grenst het Fatimapark tegen het plangebied aan. Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 9 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Binnen het plangebied is diverse bebouwing aanwezig, het achterste gedeelte van het plangebied bestaat uit tuin/grasland.

Figuur 4: Zicht op plangebied (bron: google maps, eigen fotomateriaal)

2.2

Ruimtelijke structuur

2.2.1

Bebouwingsstructuur

In Sprundel bestaat er een duidelijke relatie tussen het landschap en het occupatiepatroon. Van oorsprong is de kern Sprundel een lintvormige nederzetting. Het centrum van de kern ligt op een naar het zuiden uitstekende rug in het landschap. Sprundel ontwikkelde zich aan de noordzijde van deze rug langs de Sint Janstraat, een oude verbindingsweg, met de kern en het kerkhof als spil. De kerk en het kerkhof, met zijn dominante boombeplanting, zijn mede door hun hogere ligging vanuit de omgeving duidelijk aanwezig en Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 10 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

bepalen voor een belangrijke mate de identiteit van het dorp. De bebouwing langs de Sint Janstraat is het meest karakteristieke element in de ruimtelijke opbouw van Sprundel. Tussen de Vorenseindseweg en de Omgangstraat is de bebouwing langs de Sint Janstraat het dichtst bebouwd. In oostelijke richting wordt het lint meer open met ruimere verkavelingen en doorzitten naar het buitengebied. De bebouwing langs de Sint Janstraat is over het algemeen eenvoudig, sober en kleinschalig. Typerend zijn de lichte hoekverdraaiingen en kleine sprongetjes in de bebouwingslijn, variatie in functies, percelering en bebouwingsdiepte en daarnaast de verschillende kapvormen en goot- en bouwhoogten. Ook langs andere historische hoofd- en uitvalswegen zijn in de loop der tijd bebouwingslinten ontstaan, bijvoorbeeld langs de Rucphensebaan. Daarnaast ontstond er langs secundaire uitvalswegen bebouwing, bijvoorbeeld aan de Noorderstraat. De bebouwing langs deze linten kenmerkt zich door een gevarieerd bebouwingsbeeld qua bouwperiode, vorm, massa, kleur en materiaalgebruik. Vrijstaand individueel vormgegeven bebouwing en clusters van woningen wisselen elkaar af. De typologie varieert van boerderijtypen, reguliere woningen tot villa's. Ook de onderlinge afstand tussen bebouwing varieert.

Langs de Sint Janstraat staat voor het merendeel lage bebouwing (bebouwing met 2 bouwlagen) en enkele appartementencomplexen. De bebouwing is over het algemeen kleinschalig.

Figuur 5: Bebouwingsstructuur rondom plangebied (bron: Schoenmakers)

2.3

Functionele structuur

2.3.1

Wonen

In de omgeving van het plangebied komt overwegend de functie wonen voor. Over het algemeen bestaat de omgeving van het plangebied uit eengezinswoningen. Op de functiekaart (figuur 6) is met geel aangegeven, waar de functie wonen aanwezig is. 2.3.2

Detailhandel en horeca

Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 11 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

In de omgeving zijn een aantal horecagelegenheden en enkele detailhandel functies aanwezig aan de Sint Janstraat. Met roze zijn de centrumfuncties aangegeven (figuur 6).

Figuur 6: Functiekaart omgeving plangebied (bron: Schoenmakers)

2.3.3

Bedrijven en kantoren

In de omgeving van het plangebied zijn enkele bedrijven gevestigd. De positie (figuur 6) van de bedrijven is met paars aangegeven. De bedrijven binnen de kern bestaan uit bedrijven met milieucategorie 1 en 2. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen zelfstandige kantoren aanwezig. 2.3.4

Maatschappelijke voorzieningen

Rondom het plangebied zijn maatschappelijke voorzieningen aanwezig. Dit betreffen onder andere een Rooms katholieke kerk en een dorpshuis. De maatschappelijke voorzieningen zijn met oranje aangegeven (figuur 6). 2.3.5

Sport en recreatie

In de omgeving van het plangebied zijn geen sport- en recreatiefuncties aanwezig. Sportgelegenheden bevinden zich aan de zuidkant van de kern van Sprundel en in het Leisuregebied van Rucphen. 2.4

Verkeer

2.4.1

Verkeerstructuur

Het plangebied is gelegen aan de Sint Janstraat. De Sint Janstraat is een belangrijke verbindingsweg, die van oost naar west door het dorp Sprundel loopt. Aan de westzijde gaat de weg over op de Rucphensebaan en daarna op de Sprundelseweg, die Sprundel verbindt met het bedrijventerrein Nijverhei en de kern van Rucphen. Aan de oostzijde gaat de weg over op de Bredasebaan, richting de gemeente Breda.

Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 12 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

2.4.2

Parkeren

In de kern Sprundel vindt het parkeren, zowel plaats op eigen terrein als in de parkeervakken aan de openbare weg. 2.4.3

Openbaar vervoer

In de ker a “pru del is gee ushalte aa ezig, de di htst ijzij de ushalte etreft de halte St. Willebrord, Noorderstraat . Vanaf hier rijdt lijn 312 richting Roosendaal en Breda.

Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 13 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 3 3.1

Ruimtelijke structuur

3.1.1

Bebouwingsstructuur

Toekomstige situatie

In de bestaande structuur staat de bebouwing binnen het plangebied evenwijdig aan de Sint Janstraat. De bebouwing naast de pastorie staat op de perceelsgrens, waardoor het zicht op de pastorie en de kerk wordt belemmerd, vanuit de oostzijde van de Sint Janstraat. Door het nieuwe gebouw aan de Sint Janstraat, in de gevellijn van de pastorie te positioneren, ontstaat er een zichtlijn vanuit de oostzijde van de Sint Janstraat op de pastorie en de kerk. In het ontwerp is rekening gehouden met de afstand tussen achtertuinen van de woningen aan de Molenbaan en de nieuw te realiseren appartementen. De richtafstand tussen de nieuw te realiseren appartementen en de bestaande achtertuinen bedraagt circa 10 meter. Het voorste gedeelte bestaat uit drie bouwlagen, het achterste gedeelte bestaat uit twee bouwlagen. Op deze manier is er overgang van het centrum richting het landelijk gebied.

Figuur 7: Indicatieve verkaveling (bron: Schoenmakers)

Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 14 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

3.1.2

Groenstructuur

De planlocatie grenst aan het bestaande park, hier worden diverse ontsluitingen naartoe gemaakt. Om een geleidelijke overgang te creëren is het uitgangspunt om het plangebied een groene uitstraling te geven. In het gebied worden de gebouwen in het groen gezet. Tussen de gebouwen zijn groene ruimtes aanwezig, die i ge uld orde et o e e /of adi s. Aan de voorzijde (Sint Janstraat) wordt de mogelijkheid geboden om een groene ruimte in het openbaar gebied toe te voegen. Hierdoor krijgt dit gedeelte van de Sint Janstraat een groener karakter (definitieve invulling nader te bepalen door gemeente). De bomen in het Fatimapark ten westen van de planlocatie zijn beoordeeld op gezondheid en toekomstverwachting. De bomen langs de perceelsgrens hebben als gevolg van lichtconcurrentie hun kronen sterk over de perceelsgrens gevormd. Met de verkaveling is rekening gehouden met de kronen van de bomen, waardoor deze behouden kunnen blijven, eventueel met een snoeiingreep. Het volledige rapport is toegevoegd aan bijlage 4. In bijlage 4 zijn tevens doorsnede weergegeven van de nieuwe bebouwing ten opzichte van de aanwezige bomen. 3.2

Functionele structuur

3.2.1

Algemeen

Het initiatief op de planlocatie bestaat uit het oprichten van maximaal 52 appartementen. In de bestaande situatie heeft de lo atie de este i g Maatschappelijk et ou lak e Wo e zo der ou lak. Het pla ge ied krijgt de este i g Wo e , hier ij worden vier bouwvlakken voorzien, met de maatvoeringsaanduidingen a i u aa tal oo ee hede , maximum bouwhoogte , per bouwvlak is een Hoogteligging vlak aangegeven, gelet op het feit dat het terrein verschillende hoogtes heeft. Aan de voorzijde a de “i t Ja straat ordt het ope aar ge ied este d et de este i g Verkeer . Aan de oostzijde wordt een strook Verkeer e Groe toege oegd. 3.2.2

Verkeer en parkeren

Verkeer Langs de gebouwen wordt een woonerf voorzien. Dit loopt parallel aan de Molenbaan en sluit loodrecht aan op de Sint Janstraat. Tussen de pastorie en het voorste gebouw is een langzaamverkeersroute voorzien, die toegang geeft naar het park. Tussen de gebouwen door wordt tevens langzaamverkeersroutes voorzien, die via de nieuwe straat, toegang geven tot het park. De Sint Janstraat staat in het verkeersmodel voor 2030 opgenomen op circa 1500 mv per richting per dag. De maximumcapaciteit van de Sint Janstraat is 3500 mv per richting per dag. Het toevoegen van 52 wooneenheden komt uit op 307 mv (volgens CROW-publicatie 381) op beide richtingen per dag. Aan de zuidzijde wordt een toegang gemaakt, die aansluit op de bestaande noodontsluiting. Tevens kan deze gebruikt worden als keerlus, waar hulpvoertuigen kunnen keren. Parkeren De gemeente Rucphen hanteert de Nota Parkeernormen Rucphen voor het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid. In de nota is per functie uitgegaan van de maximale norm van het CROW. De indeling naar prijzen van woningen heeft een onderverdeling van goedkoop, midden en duur. Ten aanzien van het parkeren worden de parkeernormen gehanteerd die gelden voor het e tru , waarbij de gemeente Rucphen gebruik maakt van haar eigen parkeernorm die zijn gebaseerd op de algemene kencijfers van het CROW.

Onderstaand de parkeernorm uit de nota parkeernormen van de gemeente Rucphen.

Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 15 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Tabel 1: Parkeernorm volgens Nota Parkeernormen Rucphen

De beoogde ontwikkeling omvat het oprichten van 52 appartementen i het ge ied centrum . In de voorste twee appartementencomplexen worden in totaal 22 woningen gerealiseerd. Deze appartementen vallen in het dure segment. In de achterste twee appartementencomplexen worden 30 goedkopere huurappartementen gerealiseerd, deze alle o der huur etage idde /goedkoop . Tabel 2: Overzicht benodigde parkeerplaatsen Functie Aantal appartementen Koop, etage duur Huur, etage midden/goedkoop

22 30

Parkeernorm

Nota Parkeernormen gemeente Rucphen

1.6 1.1

36 33

Totaal

69

Koop, etage duur Voor het parkeren is het uitgangspunt 1.6 parkeerplaatsen per woning voor een koopwoning op een etage in het hoge prijssegment. Dit betekent dat er 22 x 1.6 = 36 parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn. Huur, etage midden/goedkoop Voor het parkeren is het uitgangspunt 1.1 parkeerplaatsen per woning voor de een huurwoning op een etage in het goedkope-/middensegment. Dit betekent dat er 30 x 1.1 = 33 parkeerplaatsen beschikbaar moeten zijn. In totaal zijn er 69 parkeerplaatsen benodigd binnen het plangebied. Tabel 3: Overzicht parkeervoorzieningen

Tabel 4: Aantal aanwezige parkeervoorzieningen Functie Aantal Parkeerplaatsen in openbare ruimte Privé parkeerterreinen of -garages

40 29

Berekeningsaantal

Totaal

1 1

40 29 69

Voor parkeergarages met grotere capaciteit (bijv. onder een appartementencomplex) gelden dezelfde rekenregels zoals vermeld in tabel 3. Bij parkeergarages zonder fysieke scheiding tussen de parkeerplaatsen kunnen de parkeerplaatsen als een parkeerplaats per stuk worden meegerekend.

Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 16 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Onder de voorste gebouwen wordt een parkeerkelder/stallingsruimte gerealiseerd, waardoor een aantal parkeervoorzieningen uit het zicht worden onttrokken. In de parkeerkelder/stallingsruimte worden 29 parkeerplaatsen voorzien. Verder worden er 40 parkeervakken gerealiseerd aan het woonerf, in de vorm van haaksparkeren en langsparkeren. Het uitgangpunt is om de parkeerplaatsen in te klemmen in groene buffers, in de vorm van bijvoorbeeld blokhagen met solitaire bomen. In de bovenstaande tabel is het benodigd aantal parkeerplaatsen berekend voor de beoogde ontwikkeling. Hieruit blijkt dat er voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn op eigen terrein. Op de planlocatie worden 40 parkeerplaatsen in de openbare ruimte gerealiseerd. Dit betreft 35 vakken voor haaks parkeren en 5 vakken voor langsparkeren. De haakse parkeervakken hebben een oppervlakte van circa 12,5 m2 per vak. De langsparkeervakken een oppervlakte van circa 12 m2. In totaal hebben de parkeerplaatsen in de openbare ruimte een oppervlakte van circa 500 m2. In de bestaande situatie is ter hoogte van het plangebied aan de Sint Janstraat vier langsparkeerplaatsen aanwezig. Door de beoogde ontwikkeling wordt een gedeelte van het plangebied betrokken bij de openbare ruimte, waardoor meer ruimte ontstaat, doordat de nieuwe bebouwing naar achteren wordt geplaatst.

Ter hoogte van de nieuw uitrit van het plangebied, is in de bestaande situatie een parkeerplaats aanwezig. Deze parkeerplaats wordt verplaatst, richting de Pastorie, waar de bestaande uitrit aanwezig is. De definitieve inrichting van de openbaar gebied wordt in het later traject door de gemeente ingevuld. 3.3

Stedenbouwkundige verantwoording

3.3.1

Randvoorwaarden en uitgangspunten

Het doel van het stedenbouwkundig ontwerp is het inpassen op bestaande gebouwde omgeving. Om dit te bewerkstelligen dient een aantal ruimtelijke uitgangspunten gehanteerd te worden: ▪ inpassen in de huidige ruimtelijke structuur: er is gekozen voor meerdere losse gebouwen, zodat de bebouwing passend is in de omgeving. De bebouwing wordt 2 of 3 laags, waardoor het aansluit bij de omgeving. Daarnaast wordt aangesloten bij het naastgelegen Fatimapark, de planlocatie behoudt het groene karakter; ▪ behouden van het dorpskarakter: door de bebouwing relatief kleinschalig te houden, behoudt de planlocatie het dorpskarakter. Voor de planlocatie wordt een pleintje gerealiseerd, als verbinding tussen de Sint Janstraat en de nieuwe bebouwing. Daarnaast wordt rekening gehouden met de oriëntatiepunten de kerk en de molen, deze zichtlijnen worden niet gehinderd; ▪ de woningen dienen goed bereikbaar te zijn voor brandweer e.d.: de ontsluiting op de planlocatie wordt voldoende ruim ingericht, zodat de planlocatie toegankelijk is voor hulpdiensten, volgens de richtlijnen CROW; ▪ voldoende parkeergelegenheid: op de planlocatie worden zowel in de openbare ruimte als in een parkeergarage/stalingsruimte parkeerplaatsen gerealiseerd.

Het aantal parkeerplaatsen voldoet aan de parkeernorm van de gemeente Rucphen; ▪ een goed woon- en leefklimaat: in hoofdstuk 5 van deze toelichting wordt getoetst aan de milieuaspecten, hieruit blijkt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de planlocatie. 3.3.2

Woningtypologieën

Op de planlocatie wordt gebruik gemaakt van de woningtypologie: appartementen. Op de planlocatie worden maximaal 52 appartementen gerealiseerd. 3.4

Beeldkwaliteit

3.4.1

Architectuur

Voor de planlocatie is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het beeldkwaliteitplan is bedoeld als kader voor de coördinatie van de ontwerpen. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen in bijlage 1.

Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 17 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

3.4.2

Openbare ruimte

De uitgangspunten voor de beeldkwaliteit van de openbare ruimte zijn: • uitgangspunt van de openbare ruimte is een landschappelijk parkachtig karakter, waarbij aansluiting wordt gezocht bij het Fatimapark; • natuurinclusieve woon- en leefomgeving; • het gebruik van gebiedseigen beplanting. In het beeldkwaliteitsplan dat toegevoegd is aan bijlage 1 van de toelichting zijn kaders opgenomen voor de openbare ruimte in het plangebied. 3.5

Bouwplan

De beoogde ontwikkeling, het oprichten van 52 appartementen, past binnen de bebouwingsstructuur van de Sint Janstraat. In paragraaf 3.3 wordt verder ingegaan op de bebouwingsstructuur. De voorste twee gebouwen worden uitgevoerd met drie bouwvlagen. Aan de achterzijde wordt de bebouwing uitgevoerd met twee bouwlagen. In figuren 9 en 10 wordt een impressie weergegeven van het plan.

Figuur 8: Sfeerimpressie voorgevel (bron: Schoenmakers)

Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 18 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 9: Sfeerimpressie planlocatie (bron: Schoenmakers)

Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 19 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 4 4.1

Beleidskader

Algemeen

Bij het opstellen van een bestemmingsplan worden de beleidskaders van het Rijk, provincie en gemeente uiteengezet. In het onderhavige bestemmingsplan is het relevante ruimtelijke beleid voor de planlocatie Sint Janstraat 64, 64a en 66 opgenomen. 4.2

Europees- en Rijksbeleid

4.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, moet het roer in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid om. In 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Het Rijk laat de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. De veranderde behoefte aan wonen en werken legt daarbij een extra druk op een markt waar de totale vraag afneemt: kwaliteit voor kwantiteit. De ambitie is dat in 2040 de woon- en werklocaties in steden en dorpen aansluiten op de (kwalitatieve) vraag en dat locaties voor transformaties en herstructurering zoveel mogelijk worden benut. In het SVIR zijn 13 nationale belangen opgenomen, hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.

Het Rijk zal bestemmingsplannen niet (tijdens de vaststellingsprocedure) toetsen op een correcte doorwerking van nationale ruimtelijke belangen. Wel zal het Rijk door middel van systeem- of themagerichte onderzoeken achteraf nagaan of bestemmingsplannen aan nationale wet- en regelgeving voldoen. In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequentie voor het plangebied. 4.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. In het Barro wordt een aantal projecten, die van Rijksbelang zijn, met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. In het Barro zijn voorlopig zes projecten beschreven: Mainport ontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie, Erfgoederen van uitzonderlijk universele waarde. Binnenkort volgen nog: hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, ecologische hoofdstructuur, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied. In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequenties voor het plangebied. Het plangebied ligt wel in de radarverstoringsgebieden behorend bij vliegbasis Woensdrecht en radarstation Herwijnen. In het bestemmingsplan is hiervoor de aanduiding rij ari gszo e – obstakelbeheerzone opge o e . Bij deze aa duidi g ehore de olge de ou regels:

Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 20 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

a.

mogen binnen een afstand van 15 km van de radarantenne van Vliegbasis Woensdrecht geen gebouwen worden opgericht hoger dan de denkbeeldige rechte lijn die wordt getrokken vanaf de radarantenne op Vliegbasis Woensdrecht op 48 m + NAP, oplopend met 0,25 graden tot een hoogte van 113 m + NAP; b. geldt voor windturbines, in aanvulling op het bepaalde onder a en naast de bouwregels zoals opgenomen in de artikelen 3 tot en met 25, dat geen windturbines mogen worden opgericht met een tiphoogte hoger dan 90 m + NAP.

Het plangebied ligt op een afstand van 19 kilometer van de radarantenne van Vliegbasis Woensdrecht, daarnaast omvat de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied geen oprichting van een windturbine. Door de beoogde ontwikkeling worden radarbeelden niet verstoord. 4.2.3

Nota Wonen

De Nota Wo e : Wo e i de e eeu is opgezet o der het otto "de urger e traal . Daar ij ordt eel aandacht besteed aan de individualisering van de samenleving. De nota gaat uit van: meer keuzevrijheid voor burgers, aandacht voor maatschappelijke waarden en een betrokken overheid bij beheerste marktwerking. Het gaat om het principe van prestatie en tegenprestatie die als basis dient voor transacties tussen de partijen. Dit wil niet zeggen dat er geen wetgeving meer noodzakelijk is. 4.2.4

Nationaal Milieubeleidsplan 4

Met het Nationaal Milieubeleidsplan 4 uit juni 2001 wordt een nieuwe beleidscyclus gestart, met een over meerdere decennia vol te houden pad van transitie naar duurzaamheid. De verschillende transities zijn ondergebracht in drie clusters: ▪ transitie naar duurzame energiehuishouding; ▪ transitie naar een duurzaam gebruik van biodiversiteit en hulpbronnen; ▪ transitie naar duurzame landbouw. Dit NMP 4 beoogt het permanente proces van verbetering te versterken door integrale oplossingen in ontwikkelen voor hier en nu, voor elders en later. De kwaliteit van de leefomgeving wordt bepaald door het aanbod van woningen, werkgelegenheid, winkels en andere voorzieningen in de omgeving of door de aanwezigheid van groen, natuur, ruimte en afwisseling van karakteristieke gebieden. Ook blijkt de waardering van het stedelijk gebied steeds meer gekoppeld te worden aan de waardering van het landelijk gebied en omgekeerd. Het milieubeleid draagt echter ook bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Milieu en ruimtelijke ordening raken steeds meer verweven. Milieubeleid en ruimtelijk beleid moeten elkaar dan ook versterken. Het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het definiëren en realiseren van milieukwaliteit en de uitvoering van het beleid op het meest passende bestuursniveau komt te liggen. 4.2.5

Wet op de archeologische monumentenzorg (nota belvedère)

In de nota belvedère staat de instandhouding, versterking en verdere ontwikkeling van de cultuurhistorische identiteit bij ruimtelijke aanpassingen centraal. Hiertoe wordt een ontwikkelingsgerichte benadering voorgestaan, die bestaande kwaliteiten als vertrekpunt hanteert en deze combineert met een beschrijving van de recente cultuurgeschiedenis, dynamiek en ontwikkelingspotenties van een gebied. Het plangebied is niet gelegen in een gebied aangewezen binnen de nota belvedère. Het Europese verdrag betreffende de bescherming van het archeologische erfgoed is in 1992 in Valletta (Malta) ondertekend door de ministers van Cultuur van de landen aangesloten bij de Raad van Europa. Dit verdrag ordt het Verdrag a Malta ge oe d. Het erdrag a Malta heeft als hoofddoel ar heologis he reste i Europa te beschermen als onvervangbaar onderdeel van het culturele erfgoed. In Nederland heeft het rijk dit Verdrag in 2007 verankerd in nationale wet- en regelgeving middels de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is geen zelfstandige wet, maar een Wijzigingswet en betreft onder meer een herziening van de Monumentenwet 1988. De belangrijkste wijziging voor gemeenten is het feit dat archeologie sinds de invoering van de wet archeologie moet verankeren in het bestemmingsplan. Dit is niet Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 21 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld. De Omgevingswet zal naar verwachting in 2024 in werking treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Om invulling te geven aan deze gemeentelijke zorgtaak heeft de gemeente Rucphen de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt door een gemeentelijke archeologiekaart op te stellen, samen met de Nota Archeologie en de bijbehorende verordening. Zie verder paragraaf 4.4.7. 4.2.6

Water

Het Nationaal Waterplan (NWP) Het Nationaal Waterplan (NWP) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het kabinet actualiseert het waterbeleid op een aantal terreinen. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan (Wind op Zee buiten 12 nautische mijl en verankering rijksbeleid Deltabeslissingen). Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Watertoets Met het ondertekenen van het Nationaal Bestuursakkoord Water (juli 2003) hebben de betrokken partijen (het Rijk, IPO, VNG en UvW) afgesproken de watertoets toe te passen bij alle nieuwe ruimtelijke waterhuishoudkundig relevante- plannen en besluiten op alle bestuursniveaus. De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht voor structuurvisies, bestemmingsplannen, van de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) regelt een verplichte waterparagraaf in de toelichting bij de genoemde ruimtelijke plannen en het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 Bro met het waterschap. De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen.

Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water is sinds december 2010 van kracht en is gericht op het realiseren van duurzaam waterbeheer. De Europese Kaderrichtlijn Water beoogt de bescherming van aquatische ecosystemen en het duurzaam gebruik van water. Daarvoor wordt de Kaderrichtlijn eerst in landelijke wet- en regelgeving omgezet. Momenteel wordt hier hard aan gewerkt. De Europese Kaderrichtlijn heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. In paragraaf 5.4 komt het aspect water aan bod voor de planontwikkeling. 4.2.7

Ecologie

Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in de Wet Natuurbescherming (1 januari 2017). Europese Vogel- en Habitatrichtlijn De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben tot doel de bescherming van (vogel)soorten en hun atuurlijke ha itats. Elke lidstaat is erpli ht o spe iale es her i gszo es “B) s aa te ijze , die sa e éé Europees et erk a atuurge iede or e : Natura . Wa eer i ee ge ied epaalde soorte voorkomen, of een bepaald percentage van de Europese populatie herbergt, dan komt dit gebied in aanmerking voor plaatsing onder de betreffende richtlijnen. Het plangebied valt in zijn geheel niet binnen de aangewezen Vogelrichtlijn- of Habitatrichtlijngebieden.

Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 22 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming de Flora- en Faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. De wet natuurbescherming biedt bescherming aan het merendeel van de inheemse dieren en planten in Nederland. De nieuwe Wet natuurbescherming regelt iet allee de rui telijke i grepe , aar ook de a dere onderwerpen zoals overig bezit en handel, gebiedsbescherming, houtopstanden, klacht en beheer en schadebestrijding. Een verandering ten opzichte van de oude Natuurbeschermingswet 1998 is dat de provincies voor hun gebied bepalen wat wel en niet mag in de natuur. Zij zijn verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid is enkel nog verantwoordelijk voor de ontheffingsaanvragen en de gedragscodes. De beschermingsstatus van de inheemse dier- en plantensoorten houdt onder meer in dat in geval van voorgenomen activiteiten zoals aanleg van infrastructuur of bouwprojecten, het plangebied moet worden getoetst op de aa ezigheid a es her de soorte : de atuurtoets . Het aspect ecologie wordt in paragraaf 5.5 verder uiteengezet. 4.3

Provinciaal beleid

4.3.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant 2018

Op 14 december 2018 stelde Provinciale Staten van Noord-Brabant de Brabantse Omgevingsvisie vast. De omgevingsvisie is opgesteld volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet, welke in 2024 in werking zal treden. De Brabantse Omgevingsvisie beschrijft de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Er wordt vanuit meerdere invalshoeken gekeken naar een ontwikkeling door de provincie: ▪ Een 'diepe' manier van kijken: niet alleen kijken naar effecten op de bovenste laag in het hier en nu, maar de dynamiek en randvoorwaarden betrekken die de onderste lagen meegeven. Kijken op verschillende schaalniveaus en actief benutten van de factor tijd. Hierbij ook kijken naar het verleden, de geschiedenis van de lagen op een plek. ▪ Een 'ronde' manier van kijken: niet sectoraal kijken, maar combineren van opgaven en kansen zodat ontwikkelingen optimaal bijdragen aan een circulair, sterk en sociaal Brabant, waarin alle Brabanders zich prettig voelen. Kijken vanuit een gebiedsgerichte insteek, naar een balans tussen people, planet en profit. ▪ Een 'brede' manier van kijken: niet kijken vanuit één gezichtspunt, maar het betrekken van veel partijen, met al hun gezichtspunten, meningen, wensen, ideeën en belangen. In de omgevingsvisie is één basisopgave benoemd: het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Daarnaast zijn er vier hoofdopgaven benoemd: ▪ werken aan de Brabantse energietransitie; ▪ werken aan een klimaatproof Brabant; ▪ werken aan Brabant als slimme netwerkstad; ▪ werken aan een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie gaat over de hele fysieke leefomgeving, heeft een integraal karakter en bevat geen sectorale beleidsdoelen. Concrete doelen voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit staan nog in de bestaande plannen van de provincie, bijvoorbeeld in de Structuurvisie ruimtelijke ordening en het provinciale verkeers- en vervoersplan. 4.3.2

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 (hierna: SVRO) in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De SVRO geeft aan welke ambities de provincie heeft en hoe zij deze wil realiseren. In de SVRO geeft de provincie aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040.

Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 23 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

De pro i ie heeft als sturi gsfilosofie sa e erke aa k aliteit : sa e et a dere o erhede , marktpartijen en maatschappelijke organisaties vormgeven aan een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant. Daarbij respecteert de provincie ieders rol. De provincie onderscheidt de volgende vijf rollen: 1. Ontwikkelen De provincie focust in haar ontwikkelingsgerichte rol op een aantal thematische opgaven en op een aantal gebieden. In gebieden waar sprake is van grote ruimtelijke dynamiek, botsende belangen en waar de ontwikkelingen een (inter)provinciale impact hebben, kiest de provincie voor een actieve rol. 2. Ordenen De provincie wil de duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant ordenen in robuuste ruimtelijke structuren. Dit zijn de groenblauwe-, de agrarische-, de stedelijke- en de infrastructuur. 3. Beschermen De provincie wil belangrijke en onvervangbare waarden beschermen. Voor de Ecologische Hoofdstructuur, de cultuur- en aardkundige waarden en de bescherming van de kernkwaliteiten in de nationale landschappen in Noord-Brabant stelt de provincie een beschermingsregiem op. 4. Regionaal samenwerken De provincie kiest voor regionale samenwerking en afstemming i vier regio s. De provincie stimuleert de sa e erki g tusse de ge ee te , ‘ijk e aters happe i deze regio s e legt afsprake ast i ee strategische regionale agenda. 5.

Stimuleren Bij ruimtelijke ontwikkelingen gaat het niet alleen om de vraag waar welke ontwikkelingen gewenst zijn. Het gaat daarbij ook om de balans tussen de verschillende belangen, functies en kwaliteiten in een gebied. De provincie wil dat ontwikkelingen bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Brabant.

Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 24 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 10: Uitsnede structurenkaart, Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant 2014 (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Uit figuur 10 blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de “tedelijke stru tuur - kernen in het landelijk gebied . Stedelijke structuur De stedelijke structuur bestaat uit de steden en dorpen in Noord-Brabant. De verschillen tussen de (middel)grote steden, suburbane kernen, dorpen en plattelandskernen, zowel in ruimtelijk, sociaal als economisch opzicht, zijn een belangrijke kwaliteit van Brabant. De vijf grote steden Tilburg, Breda, 's-Hertogenbosch, Eindhoven en Helmond, zijn met de omliggende suburbane gebieden uitgegroeid tot de brandpunten van de verstedelijking in Noord-Brabant. Hier wordt het merendeel van de verstedelijkingsopgaven opgevangen. Samen vormen zij het stedelijk netwerk BrabantStad. De groene geledingszones tussen de steden en (suburbane) kernen verbinden de steden met het omliggende landelijke gebied en vervullen een belangrijke rol als stedelijk uitloopgebied. Ook dat is een belangrijke kwaliteit van de stedelijke structuur in Brabant. De kernen in het landelijk gebied, met de bijbehorende zoekgebieden voor verstedelijking, voorzien in de opvang van de lokale verstedelijkingsbehoefte (wonen, werken, voorzieningen). De zoekgebieden voor verstedelijking zijn vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

De keuze voor de zoekgebieden verstedelijking is tot stand gekomen na een integrale afweging vanuit de gebiedskwaliteiten (hanteren lagenbenadering) samen met gemeenten en waterschappen. Dit proces heeft plaatsgevonden in het kader van de opstelling van de uitwerkingsplannen van het streekplan van 2002. De provincie vraagt gemeenten om in regionaal verband afspraken te maken over de verdeling van het programma voor wonen en werken. De provincie stuurt op een concentratie van verstedelijking. De sturing op de kernen in het landelijk gebied sluit daarom aan op de sturing voor stedelijke concentratiegebieden. Hier zijn alleen elementen opgenomen in aanvulling/afwijking op teksten van het stedelijk concentratiegebied. Het ontwikkelingsplan op de planlocatie voorziet in een inbreiding in het bestaand stedelijk gebied. Het betreft hier zorgvuldig ruimtegebruik. Met de inbreiding wordt rekening gehouden met de ruimtelijke kwaliteit, het ontwikkelingsplan. Het beoogde plan past binnen de beleidslijnen van de SVRO. 4.3.3

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 25 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

In 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Deze wet vervangt 26 wetten en verschillende regelsystemen op nationaal niveau. Vanwege de Omgevingswet moet ook de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening. Dit zijn de: - Provinciale milieuverordening, gebaseerd op artikel 1.2 Wet milieubeheer; - Verordening natuurbescherming, gebaseerd op diverse artikelen uit de Wet natuurbescherming; - Verordening Ontgrondingen, gebaseerd op artikel 5, tweede lid, en artikel 7, tweede lid, Ontgrondingenwet; - Verordening Ruimte, gebaseerd op artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening; - Verordening Water, gebaseerd op diverse artikelen in de Waterwet; - Verordening wegen, gebaseerd op artikel 57 Wegenwet en artikel 2a Wegenverkeerswet. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie.

Er heeft daarom ook geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moet worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. Deze beleidsneutrale omzetting betekent overigens niet dat er helemaal geen wijzigingen ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt. Op hoofdlijnen gaat het om: - een meer gebruiksvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder losse bijlagen; - aanpassingen waardoor de regels straks beter passen in het systeem van de omgevingswet, bijvoorbeeld voor de grondwaterbeschermingsgebieden; - aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit. De Provinciale Staten heeft de Interim omgevingsverordening op 25 oktober 2019 vastgesteld. In figuur 11 is de uitsnede van de kaart behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant weergegeven voor de planlocatie Sint Janstraat 64-66. Uit figuur 11 blijkt dat het plangebied is gelegen in het Stedelijk gebied – La delijke ker met daarbij de aanduidingen “talderi gsge ied e Ver od uit reidi g eehouderij .

Figuur 11: Uitsnede kaart behorende bij de Interim omgevingsverordening, Noord-Brabant (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

In het plangebied worden maximaal 52 appartementen opgericht. De appartementen worden opgericht binnen het stedelijk gebied, en worden opgericht op een te slopen locatie. In de Interim omgevingsverordening zijn Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 26 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

regels opgenomen waaraan gehouden moet worden bij de ontwikkeling van bovenstaand initiatief. De ontwikkeling binnen het plangebied kan binnen de Interim omgevingsverordening onderverdeeld worden in twee onderdelen. Dit zijn de onderdelen oprichten woningen e alge e e regels . Hieronder wordt elk onderdeel getoetst aan de regels van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Onderdeel 1: Oprichten woningen Het initiatief is om in het plangebied de huidige bebouwing te slopen en 52 appartementen te realiseren. In artikel 3.42 van de Interim omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor nieuwbouw van woningen i e het erki gsge ied Stedelijk gebied – La delijke ker . Artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling

Lid 1 Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in afdeling 5.4 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 Een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen: a. bevordert een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving; b. bevordert zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden; c. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. houdt rekening met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. geeft optimaal invulling aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit. Plannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling moeten zijn gelegen in bestaand stedelijk gebied. De planlocatie Sint Janstraat 64-66 is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied in de dorpskern van Sprundel. Het perceel ligt in de kern van Sprundel, met passende woningbouw wordt aangesloten op de omgeving. Het zorgvuldig ruimtegebruik binnen de kern Sprundel wordt hiermee bevordert.

De stedelijke ontwikkeling dient een verantwoording te bevatten over de wijze waarop de afspraken die daaromtrent in het regionaal ruimtelijk overleg zijn gemaakt, worden nagekomen. De beoogde nieuwbouw dient zich te verhouden tot de afspraken en tot de beschikbare harde plancapaciteit voor woningbouw. Regionale afspraken Het onderzoek naar de behoefte van woningen wordt door de provincie Noord-Brabant strak geregisseerd. Dit is era kerd i Afdeli g . ‘egio aal sa e erke a de I teri o ge i gs erorde i g. I Afdeli g . is bepaald dat er ten minste tweemaal per jaar een regionaal omgevingsoverleg plaats vindt tussen Gedeputeerde “tate , ge ee te , regio s e aters happe . De gemeente Rucphen is ingedeeld bij de regio West-Brabant. Volge s de Afdeli g . ‘egio aal sa e erke plege de deel e ers aa het ‘‘O regio ale afstemming en maken afspraken over de programmering en planologische voorbereiding van de bouw van woningen; informeren elkaar over de voortgang van hiervoor bedoelde voornemens en afspraken; en hebben een monitoringssysteem waarin de voortgang van de woningbouw wordt bijgehouden. Rucphen maakt deel uit van het RRO-gebied West-Brabant (18 gemeenten) en de subregio West (landelijk gebied). RRO-gebied West-Brabant valt samen met het COROP-gebied West-Noord-Brabant.

Dit is conform het advies uit de Handreiking Ladder voor duurzame verstedelijking van het Ministerie van infrastructuur en Milieu. Via de RRO's geven de Brabantse gemeenten jaarlijks inzicht in hun woningbouwplannen. Hiertoe actualiseren de gemeenten jaarlijks hun 'overzicht woningbouwcapaciteiten per gemeente', kortweg de matrix genoemd. Sinds 1 december 2016 is de Regionale Agenda Wonen 2017 van toepassing, waarin de meest actuele regionale woningbouwafspraken zijn opgenomen. De provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose 2016 t/m 2025 laat een behoorlijke regionale woningbouwopgave zien van circa 33.000 woningen (39.000 inclusief sloop) tot 2030. De groei van de woningvoorraad is de afgelopen jaren echter achter blijven lopen ten opzichte van de geprognosticeerde woningbehoefte. De regio West-Brabant heeft op basis van de toekomstige bevolkingsontwikkelingen, de Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 27 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

bevolkings- en woningbehoefteprognose en de gemeentelijke woningbouwontwikkelingen de regionale woningvoorraad en woningbouwopgave per gemeente voor de periode 2016 t/m 2025 bepaalt. In de Regionale Agenda Wonen is de woningbouwcapaciteit en - opgaven per gemeente opgenomen.

Figuur 12: Woningbouwopgaven en plancapaciteiten gemeenten 2016 t/m 2025 (bron: Regionale Agenda Wonen)

Daarnaast is de planlocatie opgenomen in de Woondeal West-Brabant west. In deze Woondeal zijn 50 woningen opgenomen voor de locatie Sint Janstraat (onder de molen). Voor de gemeente Rucphen wordt de benodigde capaciteit aan nieuwe woningen bepaald op 515 woningen t/m 2025. Ten tijde van het opstellen van de Regionale Agenda Wonen, waren 258 woningen opgenomen binnen de harde plancapaciteit van de gemeente Rucphen. Dit betekent dat 50% van het vereiste aantal woningen is opgenomen binnen een bestemmingsplan. Naar aanleiding hiervan kan worden gesteld dat er ruimte is voor de ontwikkeling van 52 wooneenheden. Onderdeel 2:

Algemene regels: Bevordering ruimtelijke kwaliteit

Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die bepaald wordt door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie; Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik: Doel van zorgvuldig ruimtegebruik is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied.

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in: ▪ dat een ruimtelijke ontwikkeling in beginsel plaatsvind binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, tenzij in de verordening uitdrukkelijk anders is bepaald; ▪ ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); ▪ een bestemmingsplan buiten bestaand stedelijk gebied bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwperceel worden opgericht en daarbinnen worden geconcentreerd. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6, tweede lid, Bro)

Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 28 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Een plan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid en dat toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik houdt in ieder geval in dat ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6 tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame ontwikkeling). Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Artikel 3.1.6 lid 2 Bro (ladder voor duurzame ontwikkeling). Op 1 juli 2017 is de nieuwe ladder vastgesteld. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder kent meerdere vragen die achter elkaar worden doorlopen. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? De Ladder is van toepassing op woningbouwplannen, die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving.

Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied betreft de ontwikkeling van maximaal 52 wooneenheden. Hier is sprake van een stedelijke ontwikkeling, de ontwikkeling is hierdoor ladderplichting. Is de stedelijke ontwikkeling 'nieuw'? De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. De ontwikkeling binnen het plangebied is een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De planlocatie is opgenomen in de Woondeal West-Brabant West. In deze woondeal wordt uitgegaan van 50 nieuwe woningen op de planlocatie. In de werkelijkheid zullen er 52 woningen op de planlocatie gerealiseerd worden. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Voor het onderzoek naar de woonbehoefte is gekeken naar de behoefte in de relevante regio. In NoordBrabant maken gemeenten afspraken over de woonprogrammering, samen met de provincie. Dit systeem zorgt ervoor dat er in principe geen planoverschotten ontstaan. In de RRO-regio's wordt hieraan verder invulling gegeven met een Regionale Agenda Wonen. Een belangrijk onderdeel hiervan is dat de woningbouwopgave per gemeente in kaart is gebracht.

Daarnaast is de plancapaciteit per gemeente in beeld gebracht, waardoor snel inzichtelijk is of er sprake is van een bepaalde behoefte in een gemeente of grotere regio. De gemeente Rucphen valt binnen het landelijk gebied van de subregio West-Brabant en omstreken. In de gemeente Rucphen bedraagt de prognose van de woningbehoefte tot 2031 475 woningen. Uit de RRO van de regio West-Brabant blijkt dat er nog ruimte is voor woningbouw. De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied omvat 52 nieuwe woningen. Uit de Regionale Agenda wonen blijkt dat de regio Breda. hun plannen met elkaar afstemmen door ambtelijk overleg over volkshuisvesting. Met betrekking tot de ontwikkeling van maximaal 52 woningen in het plangebied, kan gesteld worden dat deze regionaal is afgestemd en goedgekeurd in het Regionaal Ruimtelijk Overleg West-Brabant. Uit onderzoek blijkt dat de behoefte aan dit soort woningen in de kern van Sprundel aantoonbaar is. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling op de planlocatie sluit hierop aan, waarbij voldaan kan worden aan de woonbehoefte binnen de regio. Het initiatief wordt vanuit de kwalitatieve en kwantitatieve afwegingen passend geacht binnen de Ladder voor duurzame verstedelijking.

De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties en de opstelling van gemeentelijke ruimtelijke plannen daarvoor rekening houden met de afspraken zoals die zijn gemaakt in het regionaal ruimtelijk overleg. De beoogde ruimtelijke planontwikkeling voldoet aan de regels zoals opgesteld in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 29 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

4.3.4

Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Omgevingsverordening bevat alle regels op provinciaal niveau over de fysieke leefomgeving, zoals over milieu, natuur, ruimtelijke ordening, wegen, water en bodem. De omgevingsverordening is een voor de provincie verplicht instrument uit de Omgevingswet, die in 2023 in werking gaat treden. Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant hebben op 23 maart 2021 het ontwerp van de Omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. Met ingang van 9 april tot en met 20 mei heeft het ontwerp van de Omgevingsverordening Noord-Brabant ter inzage gelegen. In figuur 13 is de uitsnede van de kaart behorende bij de Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant weergegeven voor de planlocatie. Uit figuur 13 lijkt dat de pla lo atie is gelege i het Stedelijk ge ied .

Figuur 13: Uitsnede planlocatie Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

In artikel 4.55 zijn specifieke regels opgenomen voor duurzame stedelijke ontwikkelingen. Hieronder is artikel 4.55 weergegeven. Artikel 4.55 Duurzame stedelijke ontwikkeling Lid 1 Een omgevingsplan dat een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt voor wonen, werken of voorzieningen, wijst daarvoor de locatie aan binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat: a. de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in Afdeling 6.2 Regionaal samenwerken; b. het een duurzame stedelijke ontwikkeling is. Lid 2 Er is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in het geval dat: a. een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving wordt bevorderd; b. zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden, wordt bevorderd; c. optimaal invulling wordt gegeven aan de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie; d. rekening wordt gehouden met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang van water; e. optimaal invulling wordt gegeven aan de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit; f. wordt bij gedragen aan een duurzame, concurrerende economie. Lid 3 Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen op een bedrijventerrein, bevat het omgevingsplan regels over: a.

een bij de aard van het bedrijventerrein en de toe te laten functies passende kavelomvang; b. het tegengaan van ontwikkelingen die een effectief gebruik van het bedrijventerrein beperken, waarvan in ieder geval sprake is bij: Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 30 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

1. 2. 3.

bedrijfswoningen; bedrijven die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden tenzij deze bedrijven concept-versterkend werken en geclusterd worden; Voorzieningen die gelet op hun publieksaantrekkende werking thuishoren in centrumgebieden tenzij deze concept-versterkend werken en geclusterd worden.

In bovenstaand artikel zijn de specifieke regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. De ontwikkeling is passend binnen de regionale afspraken, hieraan is getoetst in paragraaf 4.3.3. Het betreft zorgvuldig ruimtegebruik, er wordt gebruik gemaakt van een bestaande bebouwde locatie. Bij het ontwerp is rekening gehouden met duurzaamheid, daarnaast dienen de woningen gasloos uitgevoerd te worden. De ontwikkeling draagt bij aan de vraag naar appartementen in de gemeente Rucphen. Uit bovenstaande blijkt dat de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de regels uit de Ontwerp Omgevingsverordening Noord-Brabant. 4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1

Omgevingsvisie Rucphen

In de omgevingsvisie maakt de gemeente Rucphen keuzes voor de lange termijn. Het gaat om een periode van ongeveer 30 jaar. Er wordt regelmatig vooruit geblikt naar het jaar 2040. Voor deze periode gaat de gemeente in op drie vragen: • Hoe staat Rucphen ervoor en welke ontwikkelingen komen er op de gemeente Rucphen af? • Welke ambities heeft de gemeente voor het Rucphen van de toekomst? • Welke doelen stelt de gemeente om deze ambities waar te maken en welke prioriteiten gaat de gemeente hierbij geven? De gemeente Rucphen heeft doelen gesteld om de ambities waar te maken. Om deze doelen te halen heeft de gemeente prioriteiten gesteld.

De gemeente Rucphen heeft de volgende ambities met bijbehorende doelen: • Duurzaam samenleven Aanpassen van de omgeving aan de veranderende weersomstandigheden Vervangen van fossiele brandstoffen door alternatieve energiebronnen Verminderen van de afvalproductie en verbetering van afvalscheiding Een gezonde en veilige leefomgeving stimuleren • Ruime mogelijkheden voor werken en vrijetijdsbesteding Het ontwikkelen van een gunstig ondernemersklimaat door ondernemers te faciliteren Een omgeving die mensen uitnodigt om naar buiten te gaan en te bewegen Door samenwerking worden de recreatieve mogelijkheden beter benut en uitgedragen • Prettig samenleven Versterken van een aantrekkelijke woonomgeving Een aantrekkelijke gemeente voor jonge mensen zijn De groeiende groep oudere mensen voelt zich thuis in de gemeente Woningvoorraad flexibeler maken om sneller te reageren op een veranderende woningbehoefte De nieuw te realiseren woningen sluit aan bij een groot aantal doelen van de gemeente Rucphen. Wat betreft duurzaamheid wordt een watertoets uitgevoerd om te bepalen of waterretentie benodigd is. Dit met betrekking tot de veranderende weersomstandigheden. Daarnaast worden de appartementen gasloos uitgevoerd. Wat betreft prettig samenleven zorgt de toevoeging van de appartementen voor een grotere woningvoorraad.

Het geeft ook kansen om mensen door te laten stromen naar een ander soort woning. Voorgenomen ontwikkeling past binnen de kaders van de Omgevingsvisie Rucphen. 4.4.2

Woonvisie gemeente Rucphen 2020-2024

Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024

Pagina 31 van 65

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

De woningmarkt is steeds in beweging en verandert in een hoog tempo als gevolg van maatschappelijke en economische ontwikkelingen en wijziging van wet- en regelgeving. Belangrijke uitdagingen zijn er zoals op het gebied van betaalbaarheid van woonlasten voor starters, het uitgangspunt van langer thuis blijven wonen door ouderen, verduurzaming van de woningvoorraad en de toewijzing van passende sociale huisvesting voor onze inwoners. Het is dan ook noodzaak om deze ontwikkelingen nauwlettend te volgen en het woningmarktbeleid daarop aan te passen. De Woningwet 2015 gaat er van uit dat tussen de gemeente, de woningcorporaties en de huurdersorganisaties zogenaamde prestatieafspraken gemaakt worden, die gebaseerd zijn op een actuele gemeentelijke woonvisie. Hiermee is de noodzaak van een actuele eigentijdse woonvisie helder, waarbij het de uitdaging blijft om binnen de wet- en regelgeving te blijven zoeken naar lokale optimalisatie van visie en ambities. Traditioneel is de woonvisie een belangrijk instrument in de woningbouwopgave voor de gemeente. Dat geldt zeker ook voor deze woonvisie. Echter wordt in deze woonvisie naast het perspectief van het bouwen tevens het perspectief van het wonen belicht. Daarmee heeft deze woonvisie zich ontwikkeld tot een brede WOONvisie voor de periode 2020-2024.

In de gemeentelijke Woonvisie wordt de actuele informatie over de woningmarkt vertaald naar speerpunten voor het gemeentelijk beleid. Hierbij gaat het onder andere om ruimtelijke ordening, woningbouwplanning, transformatie, grond(prijs)beleid, betaalbaarheid, kwaliteit, duurzaamheid, woonruimteverdeling (beschikbaarheid/ doelgroepen), wonen, leefbaarheid en zorg etc. Deze vertaalslag zorgt ervoor dat de Woonvisie 2020-2024 het woonkompas bij uitstek is, gebaseerd op onder andere de Toekomstvisie Puur Rucphen 2030 en de Structuurvisie Rucphen 2030. Het uiteindelijke doel is hiermee vitale gemeenschappen en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat te behouden en te versterken in de vijf kernen van de gemeente Rucphen. Het initiatief past binnen de Woonvisie van Rucphen. De te realiseren appartementen zijn onder andere bedoeld voor ouderen, een belangrijke doelgroep in de gemeente Rucphen. In de voorste twee gebouwen worden wat duurdere appartementen gerealiseerd. In de achterste twee gebouwen betaalbare appartementen. 4.4.3

Groenbeleidsplan Groen R, 2022

De gemeente Rucphen mag zich met recht een groene gemeente noemen. En dat wil de gemeente ook graag blijven. Dat doen zij door meer, beter en bereikbaar groen. Hierbij spelen een groot aantal factoren een rol, zoals (be)leefbaarheid, klimaatadaptatie, duurzaamheid, gezondheid, biodiversiteitsherstel, landbouw etc. Op basis van kansen en bedreigingen worden keuzes gemaakt in prioritering van uitvoer. Met Groen R streeft de gemeente de komende jaren naar een duurzame ontwikkeling van het groen en landschap. Wanneer het gaat om het behoud en versterken van het leefklimaat in de dorpen en het buitengebied is groen belangrijk. Dit geldt voor zowel mensen als dieren. Gemeente Rucphen is zich bewust van de bijdrage die groen levert aan een goede leefomgeving. Denk aan natuurwaarde, gezondheid, een betere luchtkwaliteit, klimaatadaptieve omgeving, recreatiewaarde, esthetische waarde, cultuurhistorische waarde en ook economische waarde. Groen biedt een plek voor ontmoeting en beweging en draagt bij aan een goed woon- en werkklimaat en een gezonde levensstijl. Bij het inpassen van bestaand groen en nieuw groen bij ontwikkelingen, tot het goed onderhouden, zodat groen volwassen wordt en bomen monumentaal. Hoe vanzelfsprekend de aanwezigheid van groen ook lijkt, een duidelijke borging is voor behoud en ontwikkeling van belang.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14246848/1