21b Bestemming...int Janstraat 64 - 66 te Sprundel
Tekst van het document
Dit groenbeleidsplan sluit aan en bouwt voort op landelijke wettelijke kaders en verschillende gemeentelijke beleidskaders (waaronder: Visie Groenbeleid 2008 en Groenstructuurplan gemeente Rucphen 2009). Om te komen tot Groen R zijn de volgende zes bouwstenen van belang. De bouwstenen geven inzicht in de verschillende verschijningsvormen en relaties van groen. Het geeft per bouwsteen de huidige situatie weer en daarnaast ook de noodzakelijke opgaven. De bouwstenen zijn: ▪ Groen en identiteit; ▪ Groen en natuur; ▪ Groen en de gezondheid; Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024
Pagina 32 van 65
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
▪ ▪ ▪
Groen en klimaatadaptatie; Groen en de CO2 opgave; Groen en de landbouw.
In de visie werkt de gemeente aan de verbinding en de verbetering van het groen in de kernen en het buitengebied, met als doel een sterke groenstructuur. De structuur moet bestaan uit een gevarieerd groenpalet van bloemen tot bomen, van rustige tot drukkere gebieden, van ecologisch groen tot speelgroen. Door het verbinden van groene gebieden ontstaan meer mogelijkheden voor dieren en voor planten om te leven en voor onze inwoners om daarvan te genieten. Geleidelijk ontstaat zo in de publieke (en in de private) buitenruimte een samenhangend groen netwerk. Die groenstructuur wordt gerealiseerd door waardevol groen te behouden, groen toe te voegen waar dat kan en groen zo aan te leggen dat het een meerwaarde heeft voor mensen en dieren. De gemeente Rucphen ontwikkeld de groene ruimte in de gemeente met aandacht voor gezondheid, natuur, klimaatadaptatie en sociaal welzijn. Een ruimtelijke visie voor de hele gemeente die gebaseerd is op de ruimtelijke kenmerken en rekening houdt met dynamiek en ontwikkelingen binnen de gemeente. Het groenplan is niet per definitie een blauwdruk maar geeft richting aan ontwikkelingen in het groen, en biedt kaders voor niet-groenprojecten. Groen R bestaat uit de genoemde bouwstenen.
Als er groene ruimtes worden toegevoegd, verbeterd, beheerd of ontworpen, doet de gemeente dat door het inzetten van een aantal principes die de basis vormen onder deze visie. Alle vier zijn ze gericht op het doel van een leefbare gemeente voor mens en dier. ▪ Principe 1 We zorgen voor genoeg en gevarieerd groen voor iedereen; ▪ Principe 2 We zorgen voor groen dat bijdraagt aan verschillende opgaven; ▪ Principe 3 De gemeente wordt natuurinclusief aangelegd en beheerd; ▪ Principe 4 Aan groen werken we samen. De visie Groen R gaat over de invulling van openbaar groen binnen de gemeente Rucphen. De planlocatie maakt momenteel geen deel uit van het openbaar gebied. Een gedeelte van de planlocatie gaat wel deel uitmaken van het openbaar gebied. In het beeldkwaliteitsplan is opgenomen hoe het openbaar gebied op de planlocatie ingevuld gaat worden. De beoogde ontwikkeling geeft geen aantasting aan de kwaliteit of kwantiteit van het groen in de gemeente Rucphen.
Figuur 14: Groenstructuurkaart kern Sprundel, Groenbeleidsplan Groen R (bron: Groenbeleidsplan Groen R, 2022)
De planlocatie ontsluit aan de Sint Janstraat. De Sint Janstraat is in de groenstructuurkaart aangemerkt als een hoofdstructuur met bomen. Daarnaast is het aangrenzende Fatimapark aa geduid als het groe e hart a het dorp . De bomen in het Fatimapark ten westen van de planlocatie zijn beoordeeld op gezondheid en Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024
Pagina 33 van 65
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
toekomstverwachting. De bomen langs de perceelsgrens hebben als gevolg van lichtconcurrentie hun kronen sterk over de perceelsgrens gevormd. Nu dat het huidige landgebruik richting nieuwbouw gaat, zijn conflicten met de kronen te verwachten. Het merendeel van de bomen kan eventueel middels een snoeiingreep behouden blijven, waarbij de conflicten met de nieuwbouw weggenomen worden. Het volledige rapport is toegevoegd aan bijlage 4. In bijlage 4 zijn tevens doorsnede weergegeven van de nieuwe bebouwing ten opzichte van de aanwezige bomen. 4.4.4
Groene kaart
De Groene Kaart toont en beschrijft de meest waardevolle bomen en houtopstanden binnen de gemeente. Deze mogen niet zonder omgevingsvergunning worden gekapt.
Figuur 15: Uitsnede Groene kaart (bron: Groen Kaart)
Volgens de uitsnede van de Groene Kaart, weergegeven in figuur 15 zijn er geen relevante waarden van groen voor luchtkwaliteit, speelruimte, economie, gezondheid, natuur, water, leefbaarheid en ruimtelijke waarde op de planlocatie aanwezig. De voorwaarden die zijn opgesteld in het Visiedocument Groenbeleid vormen daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Op de planlocatie wordt aan de oostzijde een strook groen aangebracht, dit versterkt de groenbeleving op de planlocatie. 4.4.5
Waterplan Rucphen, visie en maatregelen
De gemeente Rucphen wil samen met het Waterschap Brabantse Delta, de Provincie Noord-Brabant en Brabant Water het watersysteem in Rucphen op orde brengen en op orde houden. Het waterplan Rucphen geeft met de watervisie voor 2050 aan hoe dat eruit gaat zien. Daarnaast geeft het waterplan inzicht in de ers hille de aterthe a s die spele e de ijze aarop i ulli g ordt gege e aa de ateropga e. In het waterplan wordt het watersysteem en de waterketen beschreven en wordt ingegaan op de (bekende) knelpunten en de punten die goed zijn of potentie hebben. Daarna wordt ingegaan op de watervisie voor de ge ee te ‘u phe i . De drie hoofdthe a s zij de aterstru tuur, ater i de o ge i g e waterbeleving in het groen. Ten slotte worden maatregelen beschreven. De maatregelen kunnen van verschillende aard zijn: communiceren, organiseren (werkafspraken) en feitelijke aanpassingen aan het watersysteem. Het plangebied is niet gelegen binnen een ontwikkeling in het kader van het Waterplan Rucphen. In paragraaf 5.4 komt het aspect water aan bod voor het plangebied.
Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024
Pagina 34 van 65
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
4.4.6
Nota Archeologie Gemeente Rucphen
Het tijdig identificeren en meewegen van archeologische (verwachtings-)waarden kan een bijdrage leveren aan het behoud en versterking van de historische identiteit en kwaliteit van de leefomgeving (inclusief het landschap). Daarom is door de gemeente Rucphen de Nota Archeologie Gemeente Rucphen opgesteld. De beleidsnota en bijbehorende archeologische beleidskaart is het centrale instrument dat alle betrokken partijen bij planvorming is staat stelt om vooraf inzicht te krijgen in de nog aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Het aspect archeologie is in paragraaf 5.2 verder uitgewerkt. 4.4.7
Nota uiterlijk van bouwwerken
De ge ee teraad heeft op septe er de Nota uiterlijk a ou erke ‘u phe astgesteld. Per 1 oktober 2019 is welstandstoetsing voor nagenoeg de gehele gemeente afgeschaft. In de nota is opgenomen dat enkel nog voor rijksmonumenten, cultuurhistorische waardevolle panden en Leisuregebied Binnentuin welstandsregels gelden. Daarnaast is een excessenregeling van kracht zodat tegen excessen opgetreden kan worden. Met het nieuwe beleid krijgen inwoners en bedrijven ruimte om zelf invulling te geven aan hun bouwwerken (kwaliteit). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zal worden getoetst of welstandsregels van toepassing zijn. Voor voorliggend plan zijn geen welstandsregels van toepassing. 4.4.8
Visie Duurzaamheid 2019-2030 en Duurzaamheidsagenda 2019-2030
De gemeente Rucphen heeft de Visie Duurzaamheid 2019-2030 vastgesteld. Dit document biedt het kader voor het duurzaamheidsbeleid van gemeente Rucphen. Het is tot stand gekomen met inbreng inwoners, ondernemers, maatschappelijke instellingen, de gemeenteraad en andere betrokkenen vanuit de gemeente en diverse afdelingen van de gemeente. Achterliggende gedachte is om duurzaamheid niet te zien als een geïsoleerd beleidsterrein maar op te pakken als een integrale opgave binnen de gemeentelijke organisatie en de samenleving. De Visie Duurzaamheid is de basis voor de Duurzaamheidsagenda met daarin opgenomen een meerjarenprogramma en een jaarlijks uitvoeringsplan. In de Visie Duurzaamheid staan de ambities van de ge ee te ‘u phe op het ge ied a duurzaa heid. Deze a ities he e etrekki g op de the a s: Klimaat, Energie en Wonen/ Groen en Water/ Afval en Grondstoffen/ Mobiliteit/ Landbouw/ Gemeente. De Duurzaamheidsagenda is het instrument dat de activiteiten van de gemeente en haar omgeving bundelt en structureert. De agenda is gevuld met concrete activiteiten. De agenda kan worden aangepast als zich verdere kansen voor verduurzaming voordoen of voortschrijdend inzicht daarom vraag (adaptief). Duurzaam ondernemen is een van de ambities binnen de visie. De gemeente is samenwerking met bedrijven een platform Duurzaamheid aan het ontwikkelen ter bevordering van duurzaam ondernemen.
Hierbij liggen bijvoorbeeld kansen om op grote bedrijfsdaken zonnepanelen te plaatsen. Voor duurzaam bouwen is de ambitie om bestaande bedrijfsgebouwen aan Energielabel B te laten voldoen. Een duurzame samenleving heeft hoge natuurwaarden en een goede waterkwaliteit. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt nadrukkelijk ingezet op meer groen en ruimte voor water. Dit versterkt de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente als aantrekkelijke woongemeente. Daarnaast zorgt meer groen voor een betere leefbaarheid en gezondheid in de kernen. Door voorafgaand aan ruimtelijke ontwikkelingen nadrukkelijker te sturen op voldoende groen en water is het mogelijk om deze ambitie waar te maken. Circulaire economie In 2014 heeft de gemeente Rucphen het Convenant Duurzaam Bouwen West-Brabant ondertekend. In het convenant is aangegeven wat de deelnemende gemeenten belangrijk vinden. Voor het verduurzamen van de nieuwe woningbouw, de bestaande woningvoorraad, bestaande utiliteitsgebouwen en het gemeentelijk astgoed, oete , i sa e spraak et de part ers, uit oeri gsprogra a s orde opgesteld e ogelijk ook kaders worden vastgesteld om de uitvoering van concrete activiteiten te bevorderen. Deze concrete Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024
Pagina 35 van 65
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
activiteiten hebben grotendeels te maken met isoleren en duurzame energieopwekking, maar ook het gebruik maken van duurzame materialen en het onderwerp circulaire economie zijn hierbij van belang. De toenemende schaarste van grondstoffen en het belang van een duurzame samenleving vraagt om een circulaire benadering van grondstoffen. Het ultieme doel is dat er helemaal geen sprake meer is van afval, maar dat al het afval opnieuw als grondstof wordt ingezet. Dit wordt ook wel circulaire economie genoemd. Hooguit blijft een restfractie over waar geen betere toepassing voor is dan verbranding ten behoeve van energieopwekking. De gemeente heeft het doel gesteld van een afvalscheiding van 75% in 2024 met als ultieme doel een afvalloze samenleving. Voor de korte termijn streeft de gemeente het doel na van 100 kg restafval per inwoner in 2024. Beoordeling In de Visie Duurzaamheid is onder andere opgenomen dat wordt gestreefd om bij nieuwbouwplannen te voorzien in 75 m² openbaar groen per nieuwe woning. Op de planlocatie worden 49 extra nieuwe woningen toegevoegd ten opzichte van de huidige situatie. Op de planlocatie dient 49 x 75 m2 = 3.675 m2 nieuw openbaar groen aangelegd te worden.
Figuur 16: Groen op planlocatie (bron: Schoenmakers)
Op de planlocatie wordt 2.863 m2 groen gerealiseerd. Dit etreft de este i g Groe -/- de aanduiding 2 erkeer . Dit betekent dat er nog 3.675 – 2.863 = 812 m groen benodigd is om te voldoen aan de Beleidsregel Groennorm van de gemeente Rucphen. Het is ook mogelijk om investeringen in groenmaatregelen te realiseren door middel van het planten van bomen. Hiervoor wordt is de volgende norm vastgesteld: oo i ope aar ge ied i i aal t eede grootte : € . ,-. Op de planlocatie dient nog 812 m2 * € ,- = €40.600,- aan groen geïnvesteerd te worden. Hiervoor dienen nog 27 bomen aangeplant te worden van minimaal tweede grootte. Op de planlocatie worden minimaal 28 bomen aangeplant van minimaal tweede grootte. Er wordt voldaan aan de Beleidsregel groennorm van de gemeente Rucphen.
Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024
Pagina 36 van 65
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
De planlocatie is getoetst aan de ambities die beschreven zijn in de Visie Duurzaamheid van de gemeente ‘u phe . Het ijzige a de este i ge Maatschappelijk et ou lak e Wo e zo der ou lak aar Wo e , Groe e Verkeer heeft positie e ge olge op het ge ied a duurzaa heid. Daarnaast is duurzaamheid het uitgangspunt voor het bouwen van de nieuwbouw woningen op de locatie Sint Janstraat 64-66. De woningen dienen te voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG), daarnaast worden de nieuw te realiseren woningen gasloos uitgevoerd. Tijdens de verdere uitwerking van het ontwerp van de woningen wordt rekening gehouden met het zoveel mogelijk gebruiken van duurzame bouwmaterialen. 4.4.9
Klimaatbestendig Rucphen
Klimaatadaptatie is een actueel thema, waar op brede schaal volop de aandacht voor is. De gevolgen van het veranderende klimaat is niet een op zichzelf staand onderwerp, maar raakt veel disciplines. Een brede verankering is dan ook noodzakelijk om samen de opgave op te pakken en weten waar we voor staan. Inmiddels heeft klimaatadaptatie al een plek gekregen in diverse beleidsstukken zoals Groen R en het Gemeentelijke Rioleringsprogramma. Ook in de in voorbereiding zijnde Omgevingsvisie wordt klimaatadaptatie opgenomen. Om in 2050 klimaatbestendig te zijn moeten er maatregelen genomen worden. De gemeente Rucphen streeft naar een leefomgeving waar het voor mens, dier en plant aangenaam leven is, nu en in de toekomst. De beoogde ontwikkeling op de planlocatie betreft de ontwikkeling van 52 appartementen. Op de planlocatie wordt 75 m2 groen per wooneenheid gerealiseerd. Daarnaast wordt het hemelwater opgevangen op de daken en waterbergingen gemaakt in het plan om overlast tegen te gaan bij extreme weersomstandigheden. De nieuwe woningen worden bijna energie neutraal gebouwd (BENG) uitgevoerd en er is ruimte voor duurzame energieoplossingen, zoals een warmtepomp (woningen worden gasloos uitgevoerd), eventueel zonnepanelen op daken. Hierdoor wordt klimaatbestendigheid meegenomen in de planvorming.
Klimaatstresstest In een klimaatstresstest wordt geïdentificeerd wat de mogelijke kwetsbaarheden zijn binnen een gebied. Er ordt daar oor ee test gedaa oor de ier kli aatthe a s: atero erlast, hitte, droogte e o erstro i g. Hiero der orde de ier the a s aa gehaald e oor de pla o t ikkeli g de aatregele es hre e . Wateroverlast In het plan wordt rekening gehouden met waterberging voor hevige neerslag (1/100 jaar, 70 mm in een uur). In het gebied wordt rekening gehouden met een natuurlijke afwatering. Hemelwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden in de bodem. Hitte Er wordt voorzien van koele plekken en schaduw. In het plangebied worden bomen met een parkachtige inrichting toegevoegd, hierdoor worden extra schaduwplekken voorzien en ontstaan er koele plekken. Er wordt ook koeling toegepast in de appartementen en waar nodig voorzien van zonweringen. Droogte In het plangebied wordt ingezet op infiltratie van hemelwater. Dit heeft een positiefeffect op de bestrijding van droogtestress. Om in een droog jaar schade aan groen te voorkomen, worden planten gekozen die tegen droogte kunnen en/of maatregelen getroffen, zoals bijvoorbeeld drainage voor bomen. Overstroming Het plangebied ligt niet in de omgeving van grote wateren en/of dijken. De overstromingskans is zeer klein. In het plan behoeft hier geen verdere maatregelen voor getroffen te worden.
Voor het plan is een klimaatstresstest uitgevoerd voor de aspecten regenwater en droogte. Deze stresstest is als afzonderlijke bijlage (bijlage 16) toegevoegd.
Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024
Pagina 37 van 65
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
4.4.10
Vlekkenplan Sprundel
De gemeente Rucphen heeft in 2011 een vlekkenplan opgesteld voor het centrumgebied van de kern Rucphen. Dit vlekkenplan is de basis voor het gewenste ruimtelijke en functionele beeld van het centrumgebied. In 2013 is dit plan gedeeltelijk bijgesteld. De bijstelling betreft de locatie van de Multifunctionele Accommodatie. Deze is niet langer voorzien bij de kerk, maar op de locatie van het oude gemeentehuis. De planlocatie maakt onderdeel uit van het deelgebied omgeving ´Groene Long´. De Groene Long bestaat uit drie aansluitende groengebieden in het centrum van Sprundel. In volgorde van noord naar zuid zijn deze: de pastorietuin, het Fatimapark en de begraafplaats. Tot de omgeving van de Groene Long worden gerekend alle aangrenzende gebieden. Vooral in de aangrenzende gebieden zijn ontwikkelingen aan de orde. Dit etreft o der a dere de pla lo atie, het la ggerekte ge ied O der de Mole , dat zi h uitstrekt a de “t. Janstraat tot aan de zuidpunt van de begraafplaats. In het vlekkenplan Sprundel wordt aangegeven dat hier onder andere woningbouw zal plaatsvinden. Met deze ontwikkeling worden 52 wooneenheden met bijbehorende groen- parkeer en watervoorzieningen gerealiseerd. De ontwikkeling sluit aan bij het vlekkenplan Rucphen. 4.4.11
Bestemmingsplan Ko
Sprundel
Op de planlocatie igeert het este vastgesteld.
i gspla
Kom Sprundel . Het bestemmingsplan is op 19 oktober 2018
De planlocatie heeft i e het este i gspla Kom Sprundel de bestemminge Maats happelijk et bouwvlak en Wonen et de aa duidi g ijge ou e uitgeslote . Op de planlocatie gelden de aat oeri gsaa duidi ge a i u e ou i gsper e tage: %, a i u ou hoogte: e a i u goothoogte: . Daarnaast heeft het perceel de du el este i g Waarde – Archeologie 2 . Over de planlocatie liggen de gebiedsaanduidinge lu ht aart erkeerzo e – 1 , rij ari gszo e – ole iotoop , rij ari gszo e – radar e gedeeltelijk etge i gszo e – ijzigi gsge ied e tru . Binnen de bestemmingen Maatschappelijk e Wo e zonder bouwvlak is het niet mogelijk om 52 wooneenheden op te richten. Het vigerende bestemmingsplan moet partieel worden herzien. In figuur 17 is een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven.
Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024
Pagina 38 van 65
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 17: Uits ede pla kaart ehore d ij Beste
Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024
i gspla 'Ko
Spru del
ro : rui telijkepla
e . l
Pagina 39 van 65
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Hoofdstuk 5 5.1
Relevante (Milieu)aspecten
Algemeen
De planlocatie is gelegen in de kern van Sprundel, aan de Sint Janstraat. Het voornemen is om met het bouwplan het oprichten van maximaal 52 appartementen planologisch mogelijk te maken. Het huidige bestemmingsplan dient te worden herzien door middel van een bestemmingsplanprocedure. In onderstaande paragrafen zijn de ruimtelijke-milieu hygiënische aspecten welke betrekking hebben op het plangebied uiteengezet. 5.2
Cultuurhistorie en archeologie
5.2.1
Cultuurhistorie
Wettelijk toetsingskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.
Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.
Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2019 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleid provincie Noord-Brabant Voor het bepalen van de cultuurhistorische elementen van het plangebied is de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant geraadpleegd. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024
Pagina 40 van 65
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangegeven. Deze kaart is eveneens via de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant een verplicht te raadplegen onderdeel. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (figuur 18) van de provincie Noord-Brabant is te zien dat het plangebied is gelegen binnen een molenbiotoop. De lo atie “i t Ja straat is aa geduid als o erig ou ku st . Daarnaast is de Sint Janstraat ge arkeerd als historis he geografie – lijnen van redelijk hoge aarde .
Figuur 18: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart (bron: Provincie Noord-Brabant)
Molenbiotoop De gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' zijn bestemd voor de bescherming van de functie van de molen als werktuig en zijn waarde als landschapsbepalend element. De beoogde ontwikkeling is in principe in strijd met het bestemmingsplan inzake de molenbiotoop. Gelet op het feit dat rondom de molen reeds meer bebouwing en begroeiing aanwezig, zal de nieuwe bebouwing niet de
Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024
Pagina 41 van 65
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
belemmerende factor zijn. Daarnaast wordt de bebouwing zo gesitueerd dat er zichtlijnen blijven en wordt de wind niet beïnvloedt door de nieuwe bebouwing, aangezien de windrichting hoofdzakelijk zuidwest is in Nederland. Het plan heeft daarom geen negatieve invloed op het functioneren van de molen. Tijdens de planvorming is er overleg geweest met de Molenstichting De Hoop Sprundel. Tijdens dit overleg zijn de plannen afgestemd. Dit overleg is vastgelegd middels een verslag. Dit is toegevoegd aan de afzonderlijke bijlagen. De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied doet geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden van de molenbiotoop en belemmert de molen niet in zijn functie, gelet om de andere omgevingsfactoren. Hiermee kan afgeweken worden van de regels in het bestemmingsplan inzake de molenbiotoop. Boerderij De oerderij is op de ultuurhistoris he aarde kaart aa gege e als o erige ou ku st . Tijdens het ontwerpproces is in overweging genomen om de boerderij met enige cultuurhistorische waarde, op de locatie Sint Janstraat 66, te behouden en te integreren in het plan. Tijdens het ontwerpproces is gebleken dat dit niet mogelijk is, door diverse factoren. Het programma met appartementen is hierin beperkend en bouwkundig moeilijk te realiseren.
De bebouwing zal dan grenzen aan de achtertuinen van de woningen van de Molenbaan, wat minder privacy geeft voor de bestaande woningen. Door hier langs parkeren met een erf te voorzien, wordt dit voorkomen. Ook de bebouwing komt dichterbij de molen te staan, wat niet wenselijk is. Historische geografie De historische geografische lijnen aan de Sint Janstraat dienen behouden te blijven. Het plangebied wordt stedenbouwkundig ingepast in het bestaande karakter van het gebied. Op het plangebied wordt een ontsluiting aangebracht aan de Sint Janstraat. De elementen van deze geografische lijn worden door het initiatief niet aangetast. De ontwikkelingen hebben hierdoor geen invloed op de historische geografische lijnen van de Sint Janstraat. 5.2.2
Archeologie
Gemeentelijk beleid Het tijdig identificeren en meewegen van archeologische (verwachtings-)waarden kan een bijdrage leveren aan het behoud en versterking van de historische identiteit en kwaliteit van de leefomgeving (inclusief het landschap). Daarom is door de gemeente Rucphen de Nota Archeologie Gemeente Rucphen opgesteld. De beleidsnota en bijbehorende archeologische beleidskaart is het centrale instrument dat alle betrokken partijen bij planvorming is staat stelt om vooraf inzicht te krijgen in de nog aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Op de ar heologis he aarde ‐ e er a hti gskaart ordt o ders heid ge aakt tusse ar heologis he verwachtingen en waarden. In figuur 19 is ter plaatse van het plangebied een uitsnede van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Rucphen weergegeven. Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen in historis he kernen, bekende archeologische vindplaatsen en relicten, en hoge archeologische verwachting (tenminste) voor vindplaatsen van jager- erza elaars (waardevol gebied 2). Op de ar heologis he aarde ‐ e er a hti gskaart ordt o ders heid ge aakt tusse ar heologis he verwachtingen en waarden. In figuur 19 is ter plaatse van het plangebied een uitsnede van de Archeologische beleidskaart van de gemeente Rucphen weergegeven.
Hieruit blijkt dat het plangebied is gelegen in een archeologisch waardevol gebied 4: Middelhoge archeologische verwachting. Archeologisch waardevol gebied 2: Waarde archeologie – hoog Het betreft archeologische terreinen waarvan de feitelijke aanwezigheid en behoudenswaardigheid van archeologische resten is vastgesteld. Ook de historische dorpskernen zijn opgenomen in deze maatregelcategorie. De volgende ontheffingscriteria zijn op deze categorie van toepassing: ▪ oppervlakte plangebied tot 100 vierkante meter (wettelijke ondergrens); ▪ diepte bodemingreep tot 50 centimeter onder maaiveld. Op het pla ge ied is i het igere de este i gspla , de du el este i g Waarde – Ar heologie opgenomen. Deze bestemming bepaalt dat indien de grondroerende werkzaamheden meer zijn dan 100 m² en dieper zijn dan 0,5 meter er een archeologisch rapport overlegd moet worden waarin eventuele archeologische waarden vastgelegd zijn. Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024
Pagina 42 van 65
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 19: Uitsnede Archeologische beleidskaart Rucphen (bron: gemeente Rucphen)
Archeologisch onderzoek Op 25 augustus 2021 is door Transect b.v. een rapportage uitgebracht over het archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek welke in juli 2021 is uitgevoerd. Het volledige rapport is als afzonderlijke bijlage toegevoegd in bijlage 8. Vanuit het bureauonderzoek is in het plangebied sprake van een hoge archeologische verwachting. Ditblijkt met name uit de ligging op de flank van een dekzandrug. Bovendien bevindt het noorden van het plangebied zich aan een ontginningslint. Er is in ieder geval vanaf 1811 bebouwing aanwezig in het plangebied. Gezien het bovenstaande is daarom sprake van een hoge verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Nieuwe Tijd. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek kan deze verwachting grotendeels worden gehandhaafd. Het terrein ligt op de flank van een dekzandrug en loopt af in noordelijke richting. De top van het dekzand bevindt zich op een diepte tussen 35 en 85 cm -Mv (10,0 á 12,85 m +NAP). In twee boringen op het hoogste deel van het plangebied (het zuiden) is een restant van een podzolbodem aangetroffen (B-horizonten). In de overige boringen is sprake van een A-C-profiel. Gezien de diepteligging van de C-horizont kunnen hier nog wel grondsporen aanwezig zijn. In boring 8, die het meest dichtbij de historische bebouwing in het noorden is Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024
Pagina 43 van 65
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
gezet, is bovendien een cultuurlaag aangetroffen. Deze is waarschijnlijk te relateren aan de ligging aan een ontginningslint en deze historische bebouwing in het plangebied. Aangezien de oorspronkelijke top van het dekzand deels is verdwenen, worden geen intacte resten uit het Laat-Paleolithicum – Mesolithicum verwacht. Gezien de ligging op de flank van een dekzandrug, de mate van intactheid van de ondergrond, de ligging aan een ontginningslint met historische bebouwing en aanwezigheid van een cultuurlaag kan de hoge verwachting voor de periode Neolithicum – Nieuwe Tijd worden gehandhaafd. Advies In het plangebied bestaat het voornemen de huidige bebouwing te slopen en vier appartementencomplexen met een gezamenlijk oppervlak van circa 2700 m2 te realiseren, waarvoor een bestemmingsplanwijziging nodig is. Geadviseerd wordt om in het nieuwe bestemmingsplan een hoge archeologische verwachting op te nemen vanaf circa 35 cm -Mv. De bouw van de appartementencomplexen zal het archeologisch relevante niveau in het plangebied verstoren. Daarom wordt een vervolgonderzoek geadviseerd (karterende/waarderende fase) ter plaatse van de geplande bodemverstoringen (circa 2700 m2 op basis van de huidige plannen). Gezien de verwachting op met name grondsporen kan dit onderzoek het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P).
Voor een dergelijk onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk, die op voorhand door de bevoegde overheid (de gemeente Rucphen) moet worden goedgekeurd. Het is aan de bevoegde overheid om op basis van de resultaten van dit rapport een selectiebesluit te nemen. 5.3
Bodem
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Door Moerdijk Bodemsanering B.V. is op 13 juli 2021 (rapportnummer 2410.60.211.r1) een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: Over het algemeen zijn op de locatie in de grond ten hoogste licht verhoogde gehalten aangetroffen. In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen. Ter plaatse van het erf dient een nader asbestonderzoek verricht te worden om de ernst en omvang van de asbestverontreiniging vast te stellen. Door Moerdijk Bodemsanering B.V. is op 15 juli 2022 (rapportnummer 2410.60.222.r1) een nader asbestonderzoek uitgevoerd.
Het doel van het nader asbestonderzoek is het vaststellen van de ernst en omvang van de asbestverontreiniging en het bepalen van het gehalte aan asbest op basis van een visuele inspectie van het maaiveld en de uitgegraven grond in combinatie met een steekproefsgewijze monsterneming. Hiertoe is de kwaliteit van de bodem beoordeeld op basis van een steekproef, waarbij een beperkt aantal proefsleuven zijn gegraven en een aantal materiaalmonsters en grondmonsters chemisch-analytisch zijn onderzocht. Uit de veld- en analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: - In de grond ter plaatse van de proefsleuven 202 en 205 zijn licht verhoogde gehalten aan asbest aangetroffen. - In de grond ter plaatse van de proefsleuven 201, 203 en 204 zijn geen verhoogde gehalten aan asbest aangetroffen. - In de grond nabij de druppellijnen ter plaatse van de grondmengmonsters M01 t/m M03 zijn geen verhoogde gehalten aan PCB aangetroffen. Voorafgaand aan het onderzoek zijn de volgende vragen geformuleerd om aan de informatiebehoefte te voldoen, te weten: - Wat is de ernst en omvang van de asbestverontreiniging tot de interventiewaarde? Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024
Pagina 44 van 65
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
-
Deze vraag is redelijkerwijs voldoende beantwoord. Is ter plaatse van de druppellijnen een grondverontreiniging met PCB aanwezig? Deze vraag is redelijkerwijs voldoende beantwoord.
Gesteld kan worden dat in de grond ten hoogste licht verhoogde gehalten aan asbest zijn aangetroffen. In de grond zijn geen verhoogde gehalten aan PCB aangetroffen. Aangezien de interventiewaarde van asbest niet ordt o ers hrede , ka gesteld orde dat gee sprake is a ee er stig ge al a ode ero trei igi g met asbest. Conclusie: De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de voorgenomen ontwikkeling van de locatie. 5.4
Water
5.4.1
Beleid waterschap Brabantse Delta
Het waterschap Brabantse Delta Is verantwoordelijk voor het waterbeheer In de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerprogramma 2022-2027, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. In dit programma staan de doelstellingen en ambities van het waterschap. Het bestuur geeft hiermee de koers aan voor de komende zes jaar. In het WBP staan de kerntaken van het waterschap centraal. Dat zijn zorgen voor voldoende en schoon water voor natuur en landbouw, bescherming tegen overstromingen en het zuiveren van afvalwater. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de ers hille de the a s/speerpu te uit het ater eheerspla e heeft het aters hap ee eige erorde i g; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer.
De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.
Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024
Pagina 45 van 65
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Figuur 20: Uitsnede leggerkaart Waterschap Brabantse Delta (bron: waterschap Brabantse Delta)
Figuur 21: Uitsnede Keurkaart Waterschap Brabantse Delta (bron: waterschap Brabantse Delta)
5.4.2
Grondwaterbeschermingsgebied en waterlopen
Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied en/of waterwingebied en is gelegen buiten het Natura 2000 invloedsgebied. In de directe nabijheid zijn geen waterlopen aanwezig. 5.4.3
Riolering en infiltratie
Uitgangspunt voor de waterhuishouding in met name nieuwbouwprojecten, is een duurzaam gescheiden systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, zoveel mogelijk in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekend. Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024
Pagina 46 van 65
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Het waterschap is geen voorstander van het toepassen van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Bij voorkeur het gebruik hiervan reguleren door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst. Voor de geprojecteerde bebouwing op het plangebied geldt derhalve dat het realiseren van een gescheiden stelsel uitgangspunt is, het huishoudelijke afvalwater van de geprojecteerde bebouwing wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in haar beleid aangegeven dat voor locaties de toename van het verhard oppervlak kleiner is dan 500 m², geen infiltratie dan wel retentie toegepast hoeft te worden. De totale planlocatie omvat een oppervlakte van circa 8.060 m². Op de locaties worden maximaal 52 appartementen gerealiseerd. Een gedeelte van de planlocatie wordt groen ingepast. In het plangebied is de verdeling van het verhard en onverhard oppervlak als volgt: Overzicht toekomstige situatie Verhard oppervlak (openbaar gebied) Verhard oppervlak (uitgeefbaar) Onverhard oppervlak (groen) Totaal
m² 1.998 3.199 2.863 8.060 m²
Percentage verhard 100 % 100 % 0%
verhard 1.998 3.199 0 5.197
onverhard 0 0 2.863 2.863
Bij erhardi g a het este i gs lak Wo e die t oldaa te orde aa de regels o for de Keur a het waterschap de Brabantse Delta. Indien er een toename van de verhard oppervlakte meer dan 500 m 2 bedraagt, dienen er compenserende maatregelen te worden getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06. In de huidige situatie is circa 2.680 m2 verhard oppervlak aanwezig. In totaal vindt er een toename plaats van circa 2.517 m². Voor een toename van het verhard oppervlak tussen de 500 m² en 10.000 m² kan de vereiste compensatie berekend worden door de toename van het verhard oppervlak (m²) te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 m). De rekenregel luidt als volgt: Benodigde compensatie (in m3) = Toename verhard oppervlak (in m²) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m) Benodigde compensatie (in m3) = 2.517 *1 * 0,06 = 151,02 m³ = 151 m³. De precieze verharding wordt ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen bepaald. In de regels is in de algemene regels opgenomen dat voldaan moet worden aan de rekenregel. De infiltratie dan wel retentie wordt uitgevoerd in de vorm van wadi s en waterberging op de daken van de noordelijke twee gebouwen. 5.4.4
Watertoets
Het watertoets proces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: Rijkswateren, regionale wateren en grondwater. De watertoets zorgt er voor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én kwantiteit van water. De watertoets is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het watertoets proces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap. Dit bestemmingsplan wordt voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta. Die zal in het kader van het overleg ex. Artikel 3.1.1 Bro het wateradvies uitbrengen. 5.5
Ecologie
5.5.1
Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024
Pagina 47 van 65
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk van belang. 5.5.2
Gebiedsbescherming
Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. Door Brabant Eco is op 16 mei 2022 (rapportnummer 2022-BE-0306) een ecologische quickscan uitgevoerd om aanwezige beschermde natuurwaarden in beeld te brengen en mogelijke effecten daarop in beeld te brengen. Bepaald is of de ontwikkelingen effect hebben op beschermde natuurwaarden van nabijgelegen Natura 2000 gebieden, gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland, speciale provinciale beschermingszones en houtopstanden die op basis van de Wet natuurbescherming en aanvullend de gemeentelijk AVP zijn beschermd. Het plangebied en omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland / EHS of Natura 2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied op Nederlands grondgebied liggen op een afstand van 14 tot 16 km. Het betreft de gebieden Ulvenhoutse Bos, Hollands Diep en Brabantse Wal. Om de stikstofdepositie die de ontwikkeling met zich mee brengt te kunnen berekenen, is gebruik gemaakt van het rekenprogramma AERIUS Calculator.
Uit de stikstofdepositieberekeningen (bijlage 12) volgt dat er geen Natura 2000 gebieden zijn waarvoor de drempelwaarde van 0,0 mol/ha/jaar wordt overschreden. In de berekening wordt geen depositie getoond, omdat deze lager is dan 0,0 mol/ha/jaar. Wat betreft het Natuurnetwerk Nederland worden er geen negatieve effecten verwacht die de wezenlijk waarden en kenmerken van de NNN/ EHS aantasten gelet op de aard en schaal van de voorgenomen ingrepen en ontwikkeling en de ligging op voldoende afstand. Een toetsing aan het NNN/EHS-beleid wordt niet noodzakelijk geacht. Het plangebied ligt buiten het Attentiegebied NNB en Groenblauwe mantel waardoor de wetgeving op dit punt niet van toepassing is. 5.5.3
Beschermde soorten
Het is in theorie mogelijk dat op de locaties dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming. De volgende beschermde soorten kunnen mogelijk in het plangebied worden aangetroffen, concreet zijn dit de kamsalamander, de heikikker, de poelkikker, de rugstreeppad, de vleermuis en de drijvende waterweegbree. Met uitzondering van de vleermuis bestaat de habitat van deze soorten voornamelijk uit stromend dan wel stilstaand water. Op dit moment is er geen water op het plangebied aanwezig. Het is dan ook nagenoeg uitgesloten dat op de locatie één of meer beschermde amfibiesoorten voorkomen. De vleermuis leeft in bomen en/of in gebouwen. Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden gevonden in spouwmuren, maar ook achter betimmering en daklijsten en zijn dus zeer moeilijk op te sporen. Resultaten onderzoek Op basis van de uitgevoerde quickscan kan worden geconcludeerd dat er mogelijk beschermde fauna in het plangebied voorkomt. Het is niet uit te sluiten dat het plangebied geen deel uitmaakt van de Gierzwaluw en Vleermuis. Aangezien het plangebied verblijf- schuil- en nestplaatsen voor beschermde diersoorten biedt. Door de gewenste sloop en nieuwbouw kunnen de schuil- en foerageermogelijkheden voor genoemde diersoorten afnemen.
Wet natuurbescherming o De ingreep zal naar verwachting leiden tot verlies van leefgebied van beschermde soorten. De ingreep heeft invloed op de gunstige staat van instandhouding. Een ontheffing Wet natuurbescherming is mogelijk van toepassing. Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024
Pagina 48 van 65
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
o
o
o
Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten, vaste rust-of verblijfsplaatsen of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden (15 maart - 15 juli). Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met de werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. In de nabije omgeving van het plangebied komen geen Natura 2000 gebieden voor. Het is met de voorgenomen werkzaamheden echter niet uit te sluiten dat deze leiden tot een verhoging van stikstofdepositie op een Natura 2000 gebied. Voor de ingreep dient daarom een Aerius berekening te worden uitgevoerd. In het kader van de zorgplicht dient men tijdens de uitvoering van werkzaamheden alert te zijn op aanwezige fauna en daarbij, indien noodzakelijk, mitigerende maatregelen te treffen.
Aanbevelingen Bij onvoorziene omstandigheden zoals bijvoorbeeld indien een soort die niet in de quickscan wordt genoemd in het terrein wordt geconstateerd bij aanvang van de werkzaamheden, dient hier passend op te worden gereageerd. Het is hierbij nodig om contact op te nemen met een ter zake kundige en een maatregel toe te passen, zodat de wet niet wordt overtreden. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat holen van algemene soorten als konijn, egel en diverse muizensoorten worden vergraven. De volgende maatregelen zijn nodig om rekening te houden met deze soorten: • Indien er verstoring plaatsvindt, dient er een passende vluchtroute beschikbaar te zijn. Dit geldt in het bijzonder voor vogels en grondgebonden zoogdieren (zoals muizen en egels). • Werk vanaf één zijde en bij voorkeur van een drukke naar een rustige locatie toe, zoals een open veld of ruigte. Werk ook op een aangepast tempo, zodat dieren kunnen vluchten. • Kunstmatige verlichting werkt verstorend op zoogdieren en andere fauna. Werk daarom niet tussen zonsondergang en zonsopkomst. • Voorkom of beperk daarnaast de toepassing van kunstlicht en de verstrooiing van licht buiten de projectlocatie. Voorkom ook het direct schijnen op wateroppervlakken of groenelementen, zoals bosschages en ruigtes (met name voor vleermuizen).
Gelet op de algemene zorgplicht dienen voorafgaand aan de werkzaamheden alle maatregelen te worden getroffen om nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of ongedaan te maken. Dit geldt altijd en voor alle planten- en diersoorten. In de winterperiode kan bepaald worden waar eventueel nesten zijn van bijvoorbeeld eekhoorns. Indien blijkt dat er nesten aanwezig zijn, behoort het tot de mogelijkheden te ondersteunen door kunstmatige nestkasten op te hangen. Nader onderzoek Volgens het rapport met nummer 2022-BE-0306 (d.d. 14 mei 2022) biedt het pand potenties voor verblijfplaatsen van vleermuizen en nesten van gierzwaluwen. Daarom is er op basis van voornoemde quickscan naar natuurwaarden geadviseerd om aanvullend onderzoek uit te laten voeren naar het voorkomen van gierzwaluwen en vleermuizen en de functie van het plangebied voor deze beschermde dieren. Uitgevoerd onderzoek van juni 2022 tot en met september 2022 leidt tot de conclusie dat er slechts in de omgeving van het plangebied waarnemingen zijn gedaan van gierzwaluwen. Het voorkomen van nestlocaties in de te slopen gebouwen in het plangebied is uitgesloten. Tijdens de onderzoeken zijn er waarnemingen gedaan van drie vleermuissoorten. De gewone dwergvleermuis is passerend, foeragerend en baltsend waargenomen in het plangebied en de directe omgeving.
De Laatvlieger is in de omgeving van het plangebied passerend en kortstondig foeragerend waargenomen. De Rosse vleermuis is op hoogte overvliegend waargenomen. Er zijn geen in- of uitvliegende, bouncende of baltsende vleermuizen bij de te slopen bebouwing waargenomen. Op basis van het uitgevoerd veldonderzoek zullen de voorgenomen ontwikkelingen door gebrek aan nest- en verblijflocaties en het ontbreken van een gebruiksfunctie geen invloed hebben op de aldaar in de omgeving Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024
Pagina 49 van 65
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
voorkomende gierzwaluwen of vleermuizen. Er zijn geen effecten te verwachten die van negatieve invloed zijn op de duurzame staat van de waargenomen soorten en hun functioneel leefgebied. De Wet natuurbescherming wordt niet overtreden door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling en bijbehorende werkzaamheden. Een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming voor het uitvoeren van de plannen is dan ook niet nodig. Het volledige nader onderzoek naar gierzwaluwen en vleermuizen is toegevoegd aan bijlage 3. Nader onderzoek Eekhoorn Specifiek voor de eekhoorn is er een nader onderzoek uitgevoerd. In het plangebied zijn geen eekhoorn of eekhoornnesten waargenomen. Het volledige onderzoek is als afzonderlijke bijlage toegevoegd (bijlage 17). 5.6
Wegverkeerslawaai
Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en daarnaast in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op basis van het voorzien in een goed woon- en leefklimaat. In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) is een woning een geluidsgevoelig object. Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van een binnen- of buitenstedelijke ligging. Het berekenen van de geluidbelasting heeft tot doel te bepalen of de voorkeursgrenswaarde van Lden – 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Is dit het geval dan dient een hogere waarde verleend te worden om realisatie van het bouwplan mogelijk te maken en dienen bouwkundige voorzieningen te worden bepaald om aan de binnen niveaus van de Wet geluidhinder en de geluidweringseisen van het Bouwbesluit te voldoen. De Sint Janstraat is ter plaatse van de onderzoekslocatie een 30 km/h weg. 30 km/h wegen hebben geen geluidzone op grond van de Wet geluidhinder.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het wel wenselijk de geluidbelasting van deze weg te beschouwen. De geluidsbelasting van de wegen zal worden berekend op de nieuwbouw en worden getoetst aan (kwalitatieve) eisen voor een goede ruimtelijke ordening. Op 15 juni 2021 is door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een Akoestisch onderzoek (rapport: VL.2113.R01) uitgevoerd ter bepaling van de geluidbelasting op de gevels van een nieuwbouwplan aan de Sint Janstraat 6466 te Sprundel. Conclusie en advies De voorkeursgrenswaarde van 48 dB vanwege het geluidgezoneerd deel van de Sint Janstraat wordt niet overschreden, waarmee op basis van de normen uit de Wet geluidhinder geen aanvraag hogere waarde noodzakelijk is. De richtwaarde van 48 dB vanwege het niet geluidgezoneerd wegvak van de Sint Janstraat wordt weliswaar overschreden, maar niet de maximaal toelaatbare geluidbelasting van 63 dB voor een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat. Gelet op de kwalificatie van het akoestisch woon- en leefklimaat (overwegend goed tot redelijk) in relatie tot de stedelijke ligging van het plangebied is in onderhavige situatie sprake van een goede ruimtelijke ordening. Vanuit akoestisch oogpunt is er dus geen belemmering voor de realisatie van de voorgenomen nieuwbouw.
Omdat er geen hogere waarde hoeft te worden aangevraagd hoeft de nieuwbouw voor wat betreft de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie formeel alleen te voldoen aan de minimumeis uit het Bouwbesluit. Deze bedraagt 20 dB. Echter wordt met in achtneming van deze minimumeis en de berekende (cumulatieve) geluidbelasting van de Sint Janstraat op de gevels van de noordelijke nieuwbouw niet zondermeer in alle appartementen een goed woonmilieu gewaarborgd. De appartementen in het noordelijk deel van dit gebouw liggen daarbij het meest kritisch. Daarom wordt in onderhavige situatie geadviseerd om de karakteristieke geluidwering van de Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024
Pagina 50 van 65
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
uitwendige gevelconstructie voor deze appartementen te dimensioneren op de berekende gecumuleerde geluidbelasting. De gecumuleerde geluidbelasting van de meest kritisch gelegen appartementen aan de noordgevel van het noordelijk gebouw bedraagt 60 dB zonder aftrek, waarmee een karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie van tenminste 27 dB (60 – 33 dB) voor verblijfsgebieden voldoende is om in alle appartementen langs deze gevelzijde een goed woon- en leefklimaat te waarborgen. Voor verblijfsruimten is een karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie van tenminste 25 dB (60 – 35 dB) voldoende. Indien bij de nieuwbouw gebruik gemaakt wordt van een gebalanceerd ventilatiesysteem met mechanische toe- en afvoer wordt een geluidwering van 28 dB vrij eenvoudig behaald. Nader (bouw)akoestisch onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie van de nieuwbouw wordt in onderhavige situatie niet noodzakelijk geacht, maar is uiteindelijk ter beoordeling aan de vergunningverlenende instantie. Alleen voor de geluidsbelasting van wegverkeer op woonerven en 30 km-wegen biedt de Wgh geen bescherming aan geluidsgevoelige bestemmingen. In het plangebied valt deze weg onder deze criteria. De nieuwe aan te legen weg heeft een lage verkeersintensiteit (onder de 5.000 mvt/etmaal) en zal veelal in de dagperiode gebruikt worden.
De verkeersintensiteit van de nieuwe weg bedraagt 307 mvt, volgens CROWpublicatie 381, dus valt dit ruimschoots onder de lage verkeersintensiteit. 5.7
Bedrijven en milieuzonering
5.7.1
Algemeen
Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-pu li atie Bedrij e e Milieuzo eri g geha teerd. Deze uitga e e at een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. In de VNG-publicatie is een gebied ingedeeld in twee typen: rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd gebied. De planlocatie is in de dorpskern van Sprundel gelegen, waar verschillende functies voorkomen.
Gelet op bovenstaande kan de omgeving van het plangebied getypeerd worden als het o ge i gst pe gemengd gebied . Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden. Uitzondering hierop is de richtafstand voor gevaar. Deze wordt niet verkleind. 5.7.2
Milieuzones
Alle bedrijven in een straal van 150 meter van het plangebied zijn beoordeeld. In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van het plangebied.
Cafés, bars
Bestemmingsplan toelichting 200510 | 22-04-2024
Milieu cat.
1
Afstand in meters
GEVAAR
Sint Janstraat 68
omschrijving
GELUID
Café
adres
STOF
bedrijf
edrijve , o gevi gstype gemengd gebied
GEUR
Tabel 5: ‘i htafsta de
0
0
0
10
Richtafstand bouwvlak tot omgevingstype gemengd gebied 11 meter
Pagina 51 van 65
III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling
Brasserie
Sint Janstraat 62
Bakker
Sint Janstraat 75
Detailhandel Apotheek Verhuurbedrijf Rooms katholieke kerk Dorpshuis Basisschool
Sint Janstraat 79 Sint Janstraat 60 Molenbaan 8 Hertogstraat 1
Molen
Molenerf 2
Begraafplaats
Kloosterplein 3 Hertogstraat 11
‘estaura ts, afetaria s, s a k ars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d. Broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen Detailhandel voor zover n.e.g. Apotheken en drogisterijen Detailhandel voor zover n.e.g. Kerkgebouwen e.d.
1
0
0
0
10
4 meter
2
10
0
10
10
16 meter
1 1 1 2
0 0 0 0
0 0 0 0
0 0 0 10
0 10 0 0
21 meter 47 meter 10 meter 46 meter
Buurt- en clubhuizen Scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs Broodfabrieken, brood- en banketbakkerijen Begraafplaatsen
2 2
0 0
0 0
10 10
0 0
51 meter 51 meter
2
10
0
10
10
63 meter
1
0
0
0
0
11 meter
Het plangebied ligt buiten de milieuzoneringen van de in de omgeving gevestigde bedrijven, behalve voor de brasserie op de locatie Sint Janstraat 62. Het aangewezen bouwvlak van het de brasserie ligt op circa 4 meter van het bestemmingsvlak van het plangebied. Binnen de bestemming Ce tru is het mogelijk om bedrijven op te richten met milieucategorie 1 en 2 zoals aangegeven in de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Aangezien er zich bedrijven mogen vestigen met milieucategorie 1 en 2 zoals beschreven in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, wordt hier vanuit gegaan. Bedrijven met milieucategorie 1 hebben een richtafstand van 10 meter, omdat het een gemengd gebied is, mag de richtafstand met één afstandstap verkleind worden. Dit resulteert in een richtafstand van 0 meter. Voor bedrijven met milieucategorie 2 geldt dan een richtafstand van 10 meter. De richtafstanden ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied gaan uit van het principe van functiescheiding. Binnen gemengde gebieden, hier aangeduid als gebieden met functiemenging, heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd, zoals in het plangebied aan de Sint Janstraat. De richtafstanden zoals eerder benoemd uit de VNG-publicatie zijn dan niet toepasbaar.
Planologisch zijn enkel bedrijven toegestaan die uit het oogpunt van hinder passen binnen de omgeving waar ze zich bevinden (categorie 1 en 2). Categorie 1 en 2 bedrijven kunnen in een gemengd gebied, gelet hun aard en invloed op de omgeving, toegelaten worden naast en tussen woningen. Binnen de directe omgeving van de Sint Janstraat bevinden zich enkel bedrijven welke toegelaten zijn op basis van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Door de wijze van bestemmen en de ligging in een gemengd gebied zoals hiervoor uiteengezet, is er sprake van een goede afstemming met de woonomgeving. Bestaande omliggende, en eventueel toekomstige bedrijven worden niet belemmerd door de beoogde ontwikkeling. 5.7.3