09c Buitengebied Rucphen 2020 De Berg 5-7 te Schijf Toelichting 3
Tekst van het document
Dit besluit is om die reden niet op onderhavig voornemen van toepassing. Gelet op vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, De Berg 5 - 7 te Schijf 25
4.1.4 Externe veiligheid 4.1.4.1 Algemeen Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten is verbonden voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het veiligheidsbeleid in Nederland is gebaseerd op een tweetal begrippen, het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute of nabij een inrichting verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer, de opslag en/of de handeling van gevaarlijke stoffen. Daarbij is de omvang van het risico een functie van de afstand waarbij geldt: hoe groter de afstand, des te kleiner het risico. De risico's worden weergegeven in PR risicocontouren. Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportroute of een inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde.
Deze oriëntatiewaarde kan gezien worden als een streefwaarde en heeft geen juridische status. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (waaronder lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Om voldoende ruimte te scheppen tussen een risicobron en personen of objecten die risico lopen (kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Het beoordelingskader voor risicovolle inrichtingen wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), waarin de Basisnetten voor weg, spoor en water zijn vastgelegd. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). 4.1.4.2 Beoordeling plangebied Om de risico's ter plaatse van het plangebied te achterhalen is er een analyse gemaakt van de externe veiligheidssituatie rondom het plangebied, met behulp van de provinciale risicokaart. Bijgaand is een uitsnede van de risicokaart opgenomen.
26 te Schijf
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, De Berg 5 - 7
Uitsnede risicokaart, planlocatie geel gemarkeerd
Risicovolle inrichtingen Er zijn in en nabij het plangebied (binnen 1 km) geen risicovolle inrichtingen aanwezig. Ook buiten het plangebied zijn geen inrichtingen aanwezig waarvan de risicocontouren het plangebied beïnvloeden.
Transport van gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen vindt in de gemeente plaats over de A58. Deze weg is gelegen op ruime afstand (>5,5 km) van het plangebied. Dit betreft een zodanige afstand dat beïnvloeding normaliter niet plaats zal vinden. In de directe omgeving van het plangebied liggen geen overige wegen die deel uitmaken van het Basisnet weg. Over de wegen in en rond het plangebied kunnen incidenteel gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Gezien de (zeer) lage vervoersintensiteit levert dit geen relevante risico's op.
Leidingen Er zijn geen hoogspanningsleidingen en buisleidingen in en in de directe omgeving (binnen 1 km) om het plangebied aanwezig. Het plangebied ligt ruim buiten de risicocontour en het invloedsgebied, waardoor deze leidingen geen belemmeringen opleveren. bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, De Berg 5 - 7 te Schijf 27
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. De beoogde herontwikkeling heeft ook geen negatieve wijzigingen tot gevolg voor de benodigde inzet van hulpdienstverleningen en voor de zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied. Ter plaatse wordt 1 extra woning toegevoegd, in een bestaand pand.
4.1.4.3 Standaardadvies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio adviseerde tot voor kort altijd op maat bij ruimtelijke plannen. Ook wanneer externe veiligheid niet direct aan de orde was, werd in het kader van vooroverleg advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. Om het de gemeente en de veiligheidsregio gemakkelijker te maken, kan gebruik gemaakt worden van een standaardadvies bij bepaalde ontwikkelingen waar niet of nauwelijks sprake is van belemmeringen in het kader van externe veiligheid. Onderhavige situatie valt binnen de categorie waarvoor het standaardadvies van toepassing is: Communiceer actief met de omwonenden in het plangebied over de risico’s van de gevaarlijke stoffen. Geef daarbij aan wat omwonenden moeten doen bij een incident, namelijk vluchten van risicobron af. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties. Pas de beleidsregels bereikbaarheid en bluswatervoorziening toe. Wanneer een beoogde oplossing aan de beleidsregels voldoet, kunt u ervan uitgaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening gerealiseerd wordt. De brandweer geeft in reactie op het concept voorontwerp aan, dat: de bereikbaarheid van de planlocatie voldoende is; op ca. 120 meter afstand van het plangebied een ondergrondse brandkraan is gelegen met een capaciteit van 60 m 3/uur.
De capaciteit is conform de Beleidsregels, echter ligt de bluswatervoorziening niet binnen de gestelde afstand van maximaal 40 meter. de opkomsttijd voor een woonfunctie met bouwjaar 1982 (De Berg nr. 7) is max. 8 minuten. Theoretische berekening toont aan dat de opkomsttijd met 4 tot 6 minuten wordt overschreden. Op grond van artikel 6.21 van het Bouwbesluit 2012 moeten de woonfuncties worden voorzien van rookmelders conform NEN 2555. Wij adviseren u in de omgevingsvergunning bouwen een aanvullende voorwaarde te stellen, waarmee de omvang van de bewaking door de rookmelders conform NEN 2555 wordt uitgebreid ten opzichte van de standaard bewaking als bedoeld in genoemd artikel. Bij de omgevingsvergunning aanvraag bouwen zal met bovenstaande reactie van de brandweer rekening worden gehouden.
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.
28 te Schijf
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, De Berg 5 - 7
4.1.5 Bedrijven en milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNG-publicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is. De VNG maakt onderscheid tussen de omgevingstypen 'Rustige woonwijk / rustig buitengebied' en 'Gemengd gebied'. Bij het eerste type is duidelijk sprake van functiescheiding. Bij het tweede is sprake van functiemenging en komen direct naast woningen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven. Volgens de VNG-publicatie behoren gebieden, die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, eveneens tot omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de hogere milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.
In de VNG-publicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een 'gemengd gebied', de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd. Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter.
Beoordeling plan Gezien de situering van de planlocatie aan de rand van het dorp waar sprake is van bestaande functiemenging (burgerwoningen, recreatiewoningen, enkele agrarische en niet-agrarische bedrijven) kan de planlocatie worden beschouwd als een gemengd gebied. Hier is reeds sprake van een zekere verstoring en een andere (hogere) milieubelasting dan in een rustig woongebied. In dergelijke gebieden kunnen de richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie met één afstandstap worden verlaagd. Een overschrijding van de wettelijk norm is echter niet toelaatbaar. Het planvoornemen voorziet in de toevoeging van één extra woning in een bestaande cultuurhistorisch waardevol pand alsmede de functiewijziging van een agrarische bedrijfswoning naar een burgerwoning alsmede functiewijziging van een burgerwoning naar een agrarische bedrijfswoning, inclusief vormverandering van het agrarisch bouwvlak. In de omgeving van het plangebied zijn navolgende bedrijven aanwezig: Functie
Max. afstand
Feitelijke afstand
Glastuinbouwbedrijf De Berg 3
Adres
30 m
75 m
Sierkwekerij
Scherpenbergsebaan 7
30 m
100 m
Veehouderij
Molendreef 1
100 m
110 m
Aannemersbedrijf
Scherpenbergsebaan 13
50 m
125 m
Uit bovenstaande tabel kan worden geconcludeerd dat het voornemen, met realisering van 2 extra burgerwoningen niet leidt tot extra belemmeringen voor omliggende bedrijven. Daarnaast worden de nieuwe burgerwoningen ook niet blootgesteld aan onaanvaardbare hinder van deze omliggende bedrijven.
Met het voornemen wordt een bestaand agrarisch bouwvlak gewijzigd, waarbinnen een veehouderij is toegestaan. In beginsel dienen omliggende gevoelige functies op minimaal 100 meter afstand van een veehouder te zijn gesitueerd, met name vanwege het aspect geur. De nieuwe woning in de Vlaamse Schuur op de Berg 5 bevindt zich op 15 meter afstand van het nieuwe agrarische bouwvlak. Daarnaast bevindt zich op 20 meter ten oosten van het agrarisch bouwvlak een recreatiewoning (De Berg 9). Overige omliggende burgerwoningen zijn gelegen op meer dan 75 meter. In paragraaf 4.1.6 is nader gemotiveerd, dat geurhinder geen belemmering vormt voor het voornemen, mede gezien nadere afbakening binnen het bouwvlak, alwaar oprichting van dierenverblijven niet is toegestaan. Voor de aspecten geluid en fijn stof geldt een minimale richtafstand van 30 meter. Aangezien sprake is van een gemengd gebied, behoeft voor deze aspecten slechts 10 meter te worden aangehouden. Het
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, De Berg 5 - 7 te Schijf 29
planvoornemen voldoet aan deze afstandsnormen in relatie tot de nieuwe burgerwoning alsmede de recreatiewoning op de Berg 9.
Conclusie Vanuit het oogpunt van het aspect bedrijven en milieuzonering kan een goed woon- een leefklimaat worden gegarandeerd ter plaatse van het plangebied. Omgekeerd vormt het plan geen belemmering voor de bedrijfsvoering- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen niet-woonfuncties en bedrijven. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt dan ook geen beperking voor dit plan.
4.1.6 Geur De vleesveehouderij valt onder de rechtstreekse werking van het Activiteitenbesluit. Hierin zijn regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot de veehouderijen behorende dierenverblijven, mestopslagen en sleufsilo's opgenomen. De geurregels hebben tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van de geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Met de in het Activiteitenbesluit opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet milieubeheer, dus nieuwe knelpunten moeten worden voorkomen. Voor sleufsilo's geldt een vaste minimum afstand van 25 meter tot geurgevoelige objecten. Voor het houden van landbouwhuisdieren zonder mestopslagen gelden de volgende minimum afstanden:
geuremissiefactor
(stalemissies)
en
voor
Tot geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom: 100 m Tot geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom: 50 m Bij het onderscheid binnen de bebouwde kom/buiten de bebouwde kom gaat het om de ligging van het geurgevoelige object. Of de veehouderij binnen (of buiten) de bebouwde kom ligt, maakt niet uit. Het gaat bij een vergunningaanvraag of een melding om de afstand vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf tot de gevel van een geurgevoelig object. Bij een bestemmingsplan moet in beginsel uitgegaan worden van de grenzen van het bouwvlak voor de veehouderij. Alleen de eigen bedrijfswoning behorende bij de veehouderij is uitgezonderd. Het is mogelijk om in een gemeentelijke verordening andere afstanden op te nemen. Het bevoegd gezag toetst dan aan deze afstanden. De gemeente Rucphen heeft vanwege woningbouwplannen in de Verordening geurhinder en veehouderij 2017 voor transformatiegebieden de afstand tot geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom gehalveerd tot 50 m. Vlakbij het plangebied ligt ook een transformatiegebied, zie navolgend figuur.
Ligging transformatiegebied (uitsnede kaart bij de geurverordening)
30 te Schijf
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, De Berg 5 - 7
Het bestemmingsplan biedt binnen het deel van het agrarisch bouwvlak waar het houden van dieren niet is uitgesloten, ruimte voor de bouw van een nieuwe rundveestal. Binnen het gehele bouwvlak mogen bij de veehouderij behorende voorzieningen worden opgericht zoals sleufsilo's. In volgend figuur (tevens als kaarten opgenomen in Bijlage 9) is een contour van 100 m resp. 50 m weergegeven rondom het bouwvlak (blauw) en rondom het deel van het bouwvlak waar dieren mogen worden gehouden (rood). De bebouwde kom van Schijf ligt buiten de 100 meter contour. Het transformatiegebied uit de geurverordening ligt buiten 50 meter vanaf de rand van dit bestemmingsvlak. De omliggende woningen (buiten de bebouwde kom) en de voormalige bedrijfswoning en Vlaamse schuur op de Berg 5 liggen buiten de 50 meter contour. Binnen de nieuwe woonbestemming ter plaatse van de oude ligboxenstal van de Berg 5 mogen geen gebouwen opgericht worden. Recreatiewoning de Berg 9 ligt binnen de 50 meter van het nieuwe bouwvlak. Het deel waar dieren gehouden mogen worden (en mestopslag mag worden gerealiseerd) ligt wel op meer dan 50 meter van deze recreatiewoning. Eventuele sleufsilo's / kuilvloerplaten moeten op een minimale afstand van 25 meter van deze recreatiewoning gesitueerd worden, maar hiervoor biedt het bouwvlak voldoende ruimte.
100m en 50m contouren rondom nieuw bouwvlak waar dierenverblijven opgericht mogen worden (rood) en rondom hele nieuwe bouwvlak (blauw)
Bedrijven met dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld en die ook een relevante geuremissie vergund hebben, liggen verspreid en op relatief grote afstand van het plangebied. Op ca. 1 km afstand ten noorden ligt Scherpenbergsebaan 14 met een vergunde geuremissie van circa 41.000 Ou en op ca. 1,3 km afstand ten oosten ligt Schijfsebaan 5 met een vergunde geuremissie van 86.000 Ou. Verder ligt op ca. 750 m afstand een kleine vleesveehouderij met een zeer beperkte vergunde geuremissie van 2.000 Ou (bron: Kaartbank Brabant / WEB BVB Brabant). Deze bedrijven hebben stallen die nog niet geheel voldoen aan de provinciale ammoniakeisen (IOV) en zullen uiterlijk 2028 nog verouderde stallen moeten aanpassen, zodat het minimale emissiereductie% voor ammoniak gehaald wordt. Aangezien deze bedrijven in een 'Beperking veehouderij gebied' liggen is uitbreiding in stallen niet mogelijk en is het zeer waarschijnlijk dat niet alleen de ammoniak maar ook de geuremissie en geurbelasting zal afnemen. Gezien de ligging en relatief grote afstand van de intensieve veehouderijbedrijven in de omgeving tot
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, De Berg 5 - 7 te Schijf 31
het plangebied kan zonder nader onderzoek geconcludeerd worden dat de (cumulatieve) geurcontouren van deze bedrijven het plangebied niet zullen overschrijden en sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Het bestemmingsplan voldoet aan de wettelijke vaste afstanden (voor bedrijven met dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld) en de gemeentelijke geurverordening. Bedrijven van relevante omvang met dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld liggen op relatief grote afstand (ca. 1 km afstand). Geconcludeerd kan worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied. Veehouderijen in de omgeving worden gezien de grote afstand tot de nieuwe woonbestemmingen niet belemmerd in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Het bestemmingsplan is ten aanzien van het aspect geur uitvoerbaar.
4.1.7 Radarverstoringsgebied Als gevolg van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de gemeente gelegen onder het radarverstoringsgebied van een radar op de vliegbasis van Woensdrecht en Herwijnen. Deze zone is vastgelegd om te voorkomen dat hoge gebouwen en/of bouwwerken het functioneren van de radar van het vliegveld verstoren. De zone betreft een cirkel met een straal van 75 kilometer, gemeten vanaf de positie van de radar. Deze cirkel bestaat uit een kern met een straal van 15 kilometer met een maximale bouwhoogte voor bouwwerken (in het algemeen) en daaromheen een ring die doorloopt tot 75 kilometer van de radar met een maximale bouwhoogte voor (alleen) windturbines. De planlocatie is gelegen op een afstand van circa 15 kilometer van het radarstation van vliegbasis Woensdrecht en circa 50 kilometer van het radarstation van Herwijnen. Voor de planlocatie geldt derhalve een formele maximale bouwhoogte van 88 m. Alhoewel in het plangebied geen planologisch kader wordt geboden voor de oprichting van bouwwerken van dergelijke hoogten, is in dit bestemmingsplan de beschermingsregeling uit de geldende generieke regeling overgenomen om de werking van de radar te beschermingen in de vorm van de aanduiding 'vrijwaringszone - obstakelbeheerzone'.
4.1.8 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Zoals uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voortvloeit, dient in de toelichting bij het bestemmingsplan gemotiveerd te worden in welke mate rekening is gehouden met diverse ruimtelijke belangen. In artikel 3.1.6, lid 5 van het Bro wordt verwezen naar enkele milieuaspecten die in de toelichting terug dienen te komen. Daarbij wordt eveneens verwezen naar de milieueffectrapportage (m.e.r.). Dit is een wettelijk instrument dat als doel heeft milieuaspecten volwaardig te betrekking in de ruimtelijke afweging die gemaakt wordt ten behoeve ruimtelijke plannen en besluiten. Er zijn in beginsel drie afzonderlijke situaties die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht bij een bestemmingsplan: a. Er is een passende beoordeling nodig in het kader van de Wet natuurbescherming; b. Het bestemmingplan is genoemd in kolom 3 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportrage; c. Het bestemmingplan is genoemd in kolom 4 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van he Besluit milieueffectrapportage. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D valt, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt.
Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die beneden de drempelwaarden vallen, moet dan ook een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage
onderdeel D categorie 14
Activiteit: De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren. Drempelwaarden: 200 stuks zoogkoeien ouder dan 2 jaar (Rav cat. A2) of 340 zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A3). Het bestemmingsplan maakt op de Berg 7 (via een binnenplanse afwijking) het oprichten van een
32 te Schijf
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, De Berg 5 - 7
nieuwe stal voor het houden van zoogkoeien en vrouwelijk jongvee indirect (binnenplans) mogelijk en een uitbreiding in dieren ten opzichte van de bestaande, planologisch legale situatie. Vanwege het in de regels opgenomen 'stikstofplafond' kan er slechts uitgebreid worden met 6 zoogkoeien + 6 jongvee, zonder dat de stikstofdepositie op Natura2000 gebieden toeneemt. Hierdoor is er geen sprake van een (plan)m.e.r.-plicht en kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling t.a.v. het bestemmingsplan. Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn. In dit geval dient het bevoegd gezag in een zo vroeg mogelijk stadium (voor de start van de procedure van het bestemmingsplan) een beslissing te nemen of een milieueffectrapportage moet worden opgesteld dan wel een verdere m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Het bevoegd gezag (in dit geval de gemeente) moet onderzoeken of het plan activiteiten mogelijk maakt waardoor er sprake kan zijn van aanzienlijke gevolgen voor het milieu en op basis daarvan besluiten of een verdere m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd moet worden. In het uiteindelijke moederbesluit moet de beslissing over het wel of niet uitvoeren van een m.e.r.
worden gemotiveerd. Eventuele bezwaren moeten worden ingebracht in een beroepsprocedure tegen het besluit over de moederprocedure (het bestemmingsplan). In het kader van onderhavig plan is een vormvrije m.e.r.-beoordelingsnotitie opgesteld, die als Bijlage 6 bij de toelichting aan het plan is toegevoegd. In de notitie is geconcludeerd dat er voor het bestemmingsplan geen passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming is vereist en dat nadelige milieueffecten ten gevolge van het bestemmingsplan kunnen worden uitgesloten.
4.2 Waterhuishouding Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding in het plangebied. Daarnaast wordt, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, vastgelegd aan welke watereisen de ontwikkeling moet voldoen. Ruimtelijke plannen worden onder meer getoetst aan "hydrologisch neutraal" ontwikkelen conform landelijk en lokaal waterbeleid.
4.2.1 Waterrelevant beleid en regelgeving Waterbeheerplan 2016-2021 Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, het watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer, waaronder grondwater, heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; de Keur en de Legger.
De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.
Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, De Berg 5 - 7 te Schijf 33
de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren.
De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd.
Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022 De gemeente Rucphen heeft samen met Waterschap Brabantse Delta, de provincie Noord-Brabant en Brabant Water het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022 opgesteld. De term verbreed houdt verband met de wettelijke uitbreiding van de zorgplicht riolering. Hierbij is er voor de gemeente sprake van drie zorgplichten: zorgplicht voor inzameling en transport stedelijk afvalwater; zorgplicht voor afvloeiend hemelwater; zorgplicht voorkomen structureel nadelige gevolgen van grondwater. De gemeente dient zorg te dragen voor een deugdelijke inzameling, berging, transport en/of lokale zuivering van stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater. De kans op overlast dient hierbij te worden beperkt tot maatschappelijk aanvaardbare normen. Deze taakverantwoordelijkheid geldt alleen indien de burger niet zelf op eigen terrein het hemel- en grondwater doelmatig kan verwerken. De uitvoering van werkzaamheden wordt intern integraal afgestemd en bij voorkeur gecombineerd met wegbeheer en reconstructie van de openbare ruimte zodat kosteneffectief 'werk-met-werk' gemaakt kan worden.
4.2.2 Huidige situatie plangebied Inleiding De bestaande situatie betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie met een vervallen bedrijfswoning, Vlaamse schuur, ligboxenstal en erfverharding alsmede een burgerwoning met enkele bijgebouwen. Overige gronden zijn in regulier agrarisch in gebruik danwel prive tuin.
Oppervlaktewater Er is binnen en in de directe nabijheid van het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig.
Bodemgesteldheid, maaiveld en grondwaterstanden Ter plaatse bestaat de bodem overwegend uit zogehete laarpodzolgronden, opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Het hoogte op het plangebied variëert ter plaatse tussen 10 en 14 meter +NAP. (Bron: Actueel Hoogte Bestand Nederland). De gronden hebben een grondwaterstand van VI en VII (bron: Bodematlas, Provincie Noord-Brabant). Hiervoor geldt dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand GHG is gelegen op een diepte tussen 60 en 120 cm beneden maaiveld.
4.2.3 Toekomstige situatie plangebied Door het planvoornemen zijn er geen veranderingen in de geomorfologische samenstelling van de bodem van het plangebied. Het planvoornemen vind hoofdzakelijk plaats binnen bestaande bebouwing. Er vindt enkel herbouw van een bestaande woning (de voormalige bedrijfswoning) plaats. Daarnaast wordt in de nabije toekomst mogelijk voorzien in de oprichting van een nieuwe loods (15 bij 30 meter) alsmede een sleufsilo en een 5 tal trekkershutten. Daar staat tegenover dat de voormalige ligboxenstal, sleufsilo's en erfverharding worden gesloopt. Per saldo zal het dakoppervlak daarmee licht afnemen. Ook het verhard oppervlak op het erf zal niet toenemen. Er zijn derhalve geen substantiële veranderingen ten opzichte van de huidige waterhuishoudkundige situatie.
Oppervlakten
34 te Schijf
Huidig m 2
Toekomstig m 2
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, De Berg 5 - 7
Dakoppervlak
2.100
1.850
Terrein verharding
1.100
1.250
Onverhard terrein
17.200
18.300
Totaal
20.400
20.400
In de beoogde situatie wordt het huishoudelijk afvalwater van de nieuwe inpandige woning in de Vlaamse Schuur en de herbouwde voormalige bedrijfswoning afgevoerd middels de bestaande aansluiting op het riool, waarmee het vuilwater wordt afgevoerd.
Het schoon hemelwater in het plangebied zal worden afgekoppeld van het riool en zal conform de bestaande situatie gedurende het grootste deel van het jaar vertraagd infiltreren in de bodem van de particuliere tuinen en erf. Het plangebied biedt hiervoor ruimschoots de ruimte en de lokale bodemkundig /hydrologische gesteldheid wordt geschikt genoeg geacht voor de benodigde infiltratie.
Niet aannemelijk is dat er, ook in extreme situaties, overlast ontstaat op eigen terrein of bij derden. Indien de bebouwings-/verhardingstoename op een locatie minder dan 500 m 2 bedraagt wordt er door het waterschap (op basis van de recente Keur) geen extra waterbergings compensatie verreist. Met het planvoornemen is er geen sprake van een toename in de verharding en daarmee geen compensatie-eis. In de regels is geborgd, dat bij eventueel toekomstige bebouwing > 500 m 2 voldaan dient te worden aan de waterbergingscompensatie voorwaarden, zoals opgenomen in de hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor het afvoeren van hemelwater.
4.3 Natuur Voor de planologische procedure dient te worden vastgelegd dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de geldende natuurwetgeving.
4.3.1 Wetgeving De nieuwe Wet natuurbescherming vervangt vanaf 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. 2. 3.
bescherming van de biodiversiteit in Nederland, decentralisatie van verantwoordelijkheden en vereenvoudiging van regels.
Op basis van deze Europese richtlijnen is Nederland verplicht om beschermde habitats, soorten en hun leefgebieden in stand te houden of te herstellen. Daarvoor worden gebieden aangewezen waar deze soorten en habitats voorkomen. Voor deze aangewezen gebieden, veelal reeds onderdeel uitmakend van de Natuur Netwerk Brabant, geldt een speciaal beschermingsregime. Bij uitbreiding of verandering van activiteiten of bij nieuwe activiteiten in of in de nabijheid van deze gebieden moet er getoetst worden of er significante gevolgen zijn voor de gebieden. De Wet natuurbescherming vormt tevens het wettelijk kader voor de bescherming van een groot aantal inheemse bedreigde dier- en plantsoorten. Bij nieuwe ruimtelijke ingrepen en activiteiten dient tevens onderzocht te worden of deze ingrepen en /of activiteiten eventueel negatieve gevolgen hebben voor aanwezige dier- en plantensoorten in de omgeving. De wet is bedoeld om soorten te beschermen, niet individuele planten of dieren. Het gaat erom dat het voortbestaan van de soort niet in gevaar komt.
4.3.2 Gebiedsbescherming Globaal kan gesteld worden dat de gebiedsbescherming gericht is op de bescherming van de waarden waarvoor een gebied is aangewezen. Deze bescherming is gebied specifiek, maar kent wel de zogenaamde externe werking. Dat wil zeggen dat ook handelingen buiten het beschermde gebied niet mogen leiden tot verlies aan kwaliteit in het beschermde gebied.
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, De Berg 5 - 7 te Schijf 35
Natura 2000 gebieden Het plangebied ligt centraal tussen de Natura 2000-gebieden 'De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld' (in Belgie), de 'Brabantse Wal' en het 'Ulvenhoutse Bos', op 8 km, 12.5 km respectievelijk 18 km afstand. Gezien de relatief grote afstand tussen het plangebied en de Natura 2000- gebieden alsmede de lokale, kleinschalige aard van de voorgenomen plannen is nagenoeg uit te sluiten dat negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 met betrekking tot de systematiek van de voormalige 'Programmatische Aanpak Stikstof' (PAS) dient voor ieder project ook te worden vastgesteld of er emissies van stikstof aan de orde zijn die leiden tot negatieve effecten ten aanzien van de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura-2000 gebieden. De veehouderij de Berg 7 heeft geen geldende natuurvergunning, maar een zogenaamde PAS-melding. Door de Raad van State uitspraak over het PAS is de PAS-melding ongeldig. Het Ministerie van LNV is voornemens om de PAS-meldingen te legaliseren, aangezien deze bedrijven (natuur)vergunningplichtig zijn geworden.
Voor een bestemmingsplan vormt de bestaande, planologisch legale situatie de referentiesituatie (dit geldt ook voor deze vormvrije m.e.r.-beoordeling en de voortoets Wet natuurbescherming voor het bestemmingsplan). De referentiesituatie ziet toe op totaal 162 kg NH3/jaar. Uit een berekening met Aerius Calculator V2020 voor het bestaand gebruik volgt een stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar op het Belgische Natura2000 gebied 'De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld' (ca. 8 km afstand) en op de Nederlandse Natura2000 gebieden 'Brabantse Wal' (ca. 12 km afstand), 'Ulvenhoutse Bos' (ca. 18 km afstand) en 'Biesbosch' (ca. 24 km afstand).
Ligging plangebied t.o.v. Natura2000 gebieden (Bron: Aerius Calculator v2020)
Uit een verschilberekening in Aerius Calculator V2020 (bijgevoegd als Bijlage 7 van de toelichting) tussen bestaand gebruik en de maximaal mogelijke veebezetting waarbij geen toename in stikstofdepositie op Natura2000 gebied optreedt, volgt dat bij meer dan 26 zoogkoeien + 26 stuks jongvee een toename in stikstofdepositie ontstaat. Uitgaande van de planregel die stelt dat gebruik van gronden en bouwwerken alleen toegestaan is als dit niet leidt tot een toename in stikstofdepositie t.o.v. de bestaande situatie, biedt het bestemmingsplan ruimte aan maximaal 26 zoogkoeien x 4,1 kg NH3 + 26 jongvee x 4,4 kg NH3 = 221 kg NH3/jaar (uitgaande van de verschilberekening in Aerius Calculator V2020 en de bestaande potstal als emissiepunt, dus dit moet beschouwd worden als een indicatie van
36 te Schijf
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, De Berg 5 - 7
de maximale ammoniakemissie). Het bestemmingsplan biedt binnen het deel van het agrarisch bouwvlak waar het houden van dieren niet is uitgesloten, ruimte voor de bouw van een nieuwe rundveestal en bij de veehouderij behorende voorzieningen. De realisatiefase kan in theorie een tijdelijke toename in stikstofdepositie op Natura2000 gebieden veroorzaken ten gevolge van gebruik van mobiele werktuigen en bouwverkeer met mogelijke cumulatie met de bestaande stalemissies. Uit de indicatieve Aerius verschil-berekening volgt ook dat een maximale veebezetting van 26 zoogkoeien + 26 jongvee én een fictieve, worstcase realisatiefase (gebaseerd op het kengetal in Aerius voor de bouw van 10 vrijstaande woningen incl. bouwrijp maken) ook geen toename in stikstofdepositie geeft. Als gevolg van de een vernieuwde versie van de Aerius Calculator (V2021) is volledigheidshalve een nieuwe indicatieve verschil-berekening uitgevoerd. Ook in deze nieuwe berekening is geen sprake van een toename van stikstofdepositie. De nieuwe berekening is als Bijlage 8 aan de toelichting toegevoegd.
De nieuwe Wet stikstofreductie en natuurverbetering, die per 1 juli 2021 in werking is getreden, voorziet in een partiële vrijstelling voor een eventuele tijdelijke toename in stikstofdepositie door de sloop- en bouwactiviteiten (realisatiefase) in geval de stikstofdepositie t.g.v de gebruiksfase <0,05 mol N/ha/jaar blijft en dit is op de Berg 7 ook het geval. (Bouw)verkeer veroorzaakt gezien de grote afstand tot Natura2000 gebieden geen stikstofdepositie op deze gebieden (uit een indicatieve controleberekening volgt dat 50 vrachtwagenbewegingen per etmaal binnen 1 km afstand al geen stikstofdepositie >0,00 mol N/ha/jaar meer veroorzaken. Het is uitgesloten dat op 8 km en verder een toename in stikstofdepositie optreedt ten gevolge van de verkeersgeneratie ten gevolge van het plan). Door het zogenaamde stikstofdepositie-plafond in de planregels en rekening houdend met het 'bestaand, planologisch legaal gebruik' als referentiesituatie zijn significant nadelige effecten voor Natura2000 ten gevolge van het plan uitgesloten en is er geen Passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Hierdoor is geen sprake van een rechtstreekse (plan)m.e.r.-plicht. Natuurnetwerk Brabant Het dichtstbijzijnde NNB gebied ligt op ongeveer 500 meter afstand ten noordwesten van het plangebied.
De voorgenomen activiteiten in het plangebied zullen door hun lokale aard geen aantasting tot gevolg hebben van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB in de omgeving en daarmee niet leiden tot negatieve effecten op het NNB.
4.3.3 Soortbescherming De soortbescherming is opgenomen in de Wet Natuurbescherming. Deze bescherming geldt overal in Nederland, ook in de beschermde gebieden. De soortbescherming kent geen externe werking. Projecten worden getoetst aan de directe invloed op beschermde waarden binnen de grenzen van het plangebied. De wet regelt de bescherming van wilde dier- en plantsoorten. Ook omvat de wet de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000 gebieden.
Om in beeld te brengen of de ontwikkeling in strijd is met natuurwetgeving en hoe eventuele strijdigheid met de wet voorkomen kan worden is door Archimil BV een ecologische quickscan uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is als Bijlage 4 van de toelichting aan het plan toegevoegd. In het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: op de planlocatie zijn geen beschermde flora en fauna waargenomen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen activiteit; voor de geplande activiteiten is op basis van de bekende gegevens geen ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk; het noordelijk gedeelte van het plangebied (de Berg 7) is geschikt als foerageerhabitat voor marterachtigen, de egel, het konijn, de huismus en vleermuizen. Ter plaatse van het erf zijn geen werkzaamheden voorzien. Op het noordelijk aangrenzend soortarm en voedselrijk weiland zijn op termijn de oprichting van een loods, een sleufsilo en trekkershutten beoogd en mogelijk op lange termijn nog een dierenverblijf. Aangezien geen werkzaamheden ter plaatse van het erf zijn voorzien heeft de gewenste bestemmingswijziging geen negatief effect op het mogelijk voorkomen van deze soorten;
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, De Berg 5 - 7 te Schijf 37
het zuidelijk gedeelte van het plangebied (de Berg 5) is potentieel geschikt als onderdeel van het leefgebied van de bunzing, egel, konijn en huismus. Door het ontbreken van struiken en hagen, en daarmee schuilgelegenheden, zal voor de bunzing, egel en konijn geen sprake zijn van essentieel leefgebied. Tevens zijn de egel en het konijn opgenomen in de bijlagen van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, waardoor bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling geldt voor de aanvraag van een ontheffing voor de genoemde soorten; ter plaatse van de te slopen voormalige bedrijfswoning (de Berg 5) zijn onder de dakpannen ruimtes aanwezig welke gebruikt kunnen worden als verblijfplaats door de huismus. Middels een aanvullende inspectie in de broedperiode (voorkeur in april) dient te worden vastgesteld of de woning gebruikt wordt als verblijfplaats. Mochten geen nesten aanwezig zijn dan dient de locatie ongeschikt gemaakt te worden om nestplaatsen nadien te voorkomen; De aanvullende inspecties naar huismussen hebben inmiddels plaatsgevonden. De bijbehorende onderzoeksrapportage is als Bijlage 5 van de toelichting aan het plan toegevoegd. In het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: 1. Uit de resultaten van de veldinspectie volgt dat de te slopen woning niet gebruikt wordt als nestgelegenheid en dat de planlocatie geen deel uit maakt van essentieel leefgebied.
De voorgenomen ingreep zal dan ook niet leiden tot het verloren gaan van leefgebied van de huismus. 2. Wel is in de woning nestindicatie van nestelende kauwen waargenomen. In het kader van artikel 3.1, lid 2 van de Wet natuurbeschermingen dienen de sloopwerkzaamheden derhalve buiten het broedseizoen (15 maart tot 1 augustus) uitgevoerd te worden. met uitzondering van een aanvullend huismus-inspectie wordt een ander aanvullend of nader onderzoek naar de aanwezige flora en fauna, voor de geplande activiteiten niet noodzakelijk geacht; eventuele werkzaamheden, waaronder het eventueel rooien van enkele bomen dienen buiten het broedseizoen (van 15 maart tot globaal 1 augustus) uitgevoerd te worden. Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect Flora en Fauna geen belemmering vormt voor het planvoornemen, mits sloopwerkzaamheden van de huidige bedrijfswoning op de Berg 5 plaats vinden buiten het broedseizoen (15 maart tot 15 augustus).
4.4 Archeologie en cultuurhistorie 4.4.1 Archeologie In Europees verband was het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag was het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Sindsdien geldt dat waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd (Monumentenwet) en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz was een wijzigingswet en omvatte een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moesten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die naar verwachting in 2023 in werking zal treden.
Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd
Om de bescherming op gemeentelijk niveau te borgen heeft de gemeente in 2010 een Erfgoednota opgesteld, die in 2019 is geactualiseerd in de Nota Archeologie met bijbehorende archeologische beleidskaart. Op deze kaart is aangegeven op welke gronden archeologische resten zijn te verwachten, zie afbeelding hieronder.
38 te Schijf
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, De Berg 5 - 7
Uitsnede gemeentelijke archeologische beleidskaart
Uit de archeologische beleidskaart blijkt dat nagenoeg het gehele plangebied een hoge archeologische verwachting heeft, met uitzondering van het noordwestelijk deel van het plangebied. Het plangebied maakt mogelijk onderdeel uit van een bekende vindplaats, historische kern en/of een hoge verwachting voor vindplaatsen van jagers/verzamelaars. Deze hoge verwachting is in het bestemmingsplan doorvertaald met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' en de aanvullende gebiedsaanduiding 'overige zone - waarde archeologie 2'. Voor deze gronden geldt dat een archeologisch rapport nodig is bij realisatie van bouwwerken en/of bodemingrepen groter dan 100 m 2 en dieper reikend dan 50 cm onder het bestaande maaiveld.
Binnen het agrarische bouwvlak zal op termijn een loods, sleufsilo en enkele trekkershutten worden opgericht en mogelijk op termijn een extra dierenverblijf. Voor oprichting van deze bebouwing en bouwwerken zijn echter geen grootschalige bodemingrepen > 50 cm beneden het maaiveld noodzakelijk. Ter plaatse van de woonbestemming wordt een woning in bestaande bebouwing (de Vlaamse schuur) gerealiseerd. Qua nieuwe bebouwing voorziet het voornemen in herbouw van de bestaande voormalige bedrijfswoning ter plaatse van de in 2015 gesloopte stal, aansluitend aan de voormalige bedrijfswoning. Daarnaast vindt sloop van een bestaande ligboxenstal plaats. Aangezien hierbij tevens sprake was van een mestkelder (ca 1,8 meter diep) zijn betreffende gronden dermate geroerd, dat hiervoor geen nader archeologisch onderzoek vooraf noodzakelijk wordt geacht. Om meer zekerheid te verschaffen dat met de voorgenomen bouwplannen geen archeologische waarden worden aangetast is een archeologisch verkennend bureau- en booronderzoek uitgevoerd door Bureau voor Archeologie. De bijbehorende onderzoeksrapportage is als Bijlage 10 aan de toelichting van dit bestemmingsplan toegevoegd. In de rapportage wordt geconcludeerd:
In de top van de natuurlijke ondergrond kan op basis van de landschappelijke ligging een sporenniveau aanwezig zijn op plaatsen waar het bodemprofiel voldoende intact is. Dit betreft de weilanden ten noorden en oosten van de woning bij De Berg 7 en het erf ten zuiden van Vlaamse schuur op De Berg 7.
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, De Berg 5 - 7 te Schijf 39
Daarnaast dient in het zuidwesten (de Berg 5) rekening worden gehouden met resten van een historisch erf. Ter plaatse van de overige gronden binnen het plangebied is de bodem reeds verstoord en worden geen behoudenswaardige archeologische resten verwacht. Voor de beoogde plannen betekent dit: De Berg 5: Geadviseerd wordt om dit plandeel vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling herbouw van de woning. De sloop en nieuwbouw van de woning zullen plaatsvinden op ongeveer dezelfde plaats als de huidige woning op dit perceel, maar iets verschoven naar het westen. In deze zone zijn geen intacte bodemprofielen aangetroffen. De kans is klein dat bij dit plan archeologische resten worden verstoord, mits bij de voorgenomen bodemingrepen de bufferzone tot het historische erf in acht worden genomen. De Berg 7: Als bij de eventuele graafwerkzaamheden ten behoeve van de realisatie van een veestal, een loods en een sleufsilo ten noorden en oosten van de woning op De Berg 7 dieper dan de basis van de A-horizont wordt gegraven dan kunnen archeologisch resten worden vergraven en dient vooraf in een zo vroeg mogelijk stadium nader archeologisch onderzoek te worden verricht om te bepalen of archeologische resten aanwezig zijn (kartering), en zo ja, wat daarvan de waarde is (waardering).
Ten behoeve van de bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden (bij mogelijk toekomstige bodemingrepen) is in dit ontwerp bestemmingsplan conform het gemeentelijk archeologisch beleid en het gemeentelijk selectiebesluit naar aanleiding van het uitgevoerde archeologisch onderzoek op grote delen van de planlocatie de geldende archeologische dubbelbestemming 'waarde - archeologie' met de aanvullende gebiedsaanduiding 'overige zone waarde archeologie 2' met bijbehorende beschermingsregeling gehandhaafd, met uitzondering van enkele delen rondom de bestaande bebouwing.
Om deze reden levert het aspect archeologie geen belemmering op voor het planvoornemen.
4.4.2 Cultuurhistorie Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.
Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande weten regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het
40 te Schijf
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, De Berg 5 - 7
toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting januari 2023 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.
De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een door de provincie aangeduid cultuurhistorisch waardevol gebied. De locatie maakt conform de provinciale cultuurhistorische waardenkaart ook geen onderdeel uit van een overig waardevol historisch geografisch vlak danwel een gemeentelijk aangeduid cultuurhistorisch waardevol gebied. De Berg is weliswaar aangeduid als historische weg, maar deze weg blijft met onderhavig voornemen ongewijzigd. In het plangebied zijn geen monumentale panden aanwezig. Ook in de omgeving bevinden zich geen (rijks)monumenten of andere cultuurhistorische elementen die ‘aangetast’ worden met het voorgenomen initiatief en/of een specifieke extra planologische bescherming in dit bestemmingsplan vereisen.
Ter plaatse van de planlocatie is evenwel wel al zeer lang (omstreeks 1900) sprake van agrarisch gebruik en bebouwing. Blijkens de door het Monumentenhuis Brabant opgestelde rapport, dat als bijlage 1 aan de toelichting van dit bestemmingsplan is toegevoegd, dient de Vlaamsche schuur ter plaatse van de Berg 5 als cultuurhistorisch waardevol te worden beschouwd. De schuur heeft aan de buitenkant weliswaar niet de karakteristieke eigenschappen van een Vlaamse schuur, maar aan de binnenzijde wel. Het betreft een schuur die naar alle waarschijnlijkheid vanaf een andere locatie is meegenomen en ter plaatse opnieuw is herbouwd. Vanwege de afleesbare transformatie van de Vlaamse schuur naar een 'moderne' langsdeelschuur is er sprake van relatieve zeldzaamheid. De schuur wordt van belang geacht als uitdrukking van de sociaaleconomische en agrarische ontwikkeling van Schijf rond 1900. Het gebouw is architectonisch van enig belang en van betekenis als onderdeel van een complex, tezamen met de boerderij. Tevens is er sprake van stedenbouwkundige betekenis van het complex vanwege de ligging van de bebouwing aaneen historische wegenstructuur, in relatie tot nabijgelegen nieuwbouwwoningen.
Ten behoeve van herstel/restauratie en instandhouding van de cultuurhistorisch waardevolle schuur mag inpandig een woonfunctie worden gerealiseerd alsmede de voormalige bedrijfswoning worden herbouwd, mits de ensemble waarde van de bebouwing en de uitstraling van het cultuurhistorische erf behouden en versterkt wordt. Hier is bij het opstellen van de landschappelijk en stedenbouwkundige inrichtingsschets rekening mee gehouden. Zo is onder andere de situering van de te herbouwen woning aangepast aan de historische situering (parallel aan de Berg). Daarnaast wordt aan de zuidzijde van het erf in aanvulling op de bestaande westelijke groenstrook een struweelhaag aangeplant ter afscherming en afscheiding. Hiermee wordt aangesloten bij de historische perceelgrensbeplanting (zie onderstaande afbeelding), dat zorgt voor een besloten en kleinschalige karakter en waarmee het bebouwingsensemble (Vlaamse schuur en voormalige bedrijfswoning) wordt versterkt. De inrichtingsschets is als Bijlage 1 bij de regels van dit bestemmingsplan gevoegd.
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, De Berg 5 - 7 te Schijf 41
Uitsnede historische kaart 1910 met de diverse kleinschalige groenstructuren
Met inachtneming van bovenstaande vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor het planvoornemen.
4.5 Leidingen Dwars door het voormalige agrarische bouwvlak en toekomstig woonbestemming is parallel aan De Berg een ondergrondse waterleiding gelegen, inclusief een beschermingszone van 5 meter breedte aan weerszijden van de leiding. Op deze gronden is in beginsel oprichting van bebouwing niet toegestaan en geldt voor eventuele bodemingrepen dat hier vooraf schriftelijk advies bij de leidingbeheerder dient te worden gevraagd. In het plangebied zijn geen overige leidingen met een planologisch relevante beschermingszone gelegen, noch overlapt een beschermingszone van een planologisch relevante leiding met het plangebied.
42 te Schijf
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, De Berg 5 - 7
Hoofdstuk 5
Juridische planopzet
5.1 Algemeen Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid en kan bovendien dienst doen bij interpretatie van het plan.
5.2 Systematiek Op de verbeelding is conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012), (dit zijn op nationaal niveau voorgeschreven richtlijnen waaraan een bestemmingsplan moet voldoen) en de geldende planologische regeling voor het buitengebied de bestemming van de gronden aangegeven. De bijbehorende bepalingen zijn vervolgens opgenomen in de planregels. De verbeelding brengt de planregels in beeld. De planregels bestaan uit de volgende vier hoofdstukken: 1.
Inleidende regels
Dit hoofdstuk bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft het artikel 'begripsbepalingen' waarin is toegelicht wat onder bepaalde begrippen wordt verstaan. Het tweede artikel is 'Wijze van meten', waarin is aangegeven hoe de benoemde maatvoering moet worden gemeten. 2.
Bestemmingsregels
Dit hoofdstuk betreft een nadere verklaring van de bestemmingen die op de verbeelding zijn aangegeven. De gehanteerde bestemmingen zijn in paragraaf 5.3 kort toegelicht. 3.
Algemene regels
In dit hoofdstuk zijn regelingen opgenomen die zijn bedoeld voor meer dan één bestemming. De gehanteerde algemene bepalingen zijn eveneens kort toegelicht in paragraaf 5.3. 4.
Overgangs- en slotregels
Binnen de overgangsbepalingen is geregeld dat bouwwerken en plannen die (legaal) bestaan op het moment dat het bestemmingsplan in werking treedt, maar die in strijd zijn met het bestemmingsplan, mogen worden herbouwd mits er geen veranderingen plaatsvinden in aard en omvang. In de slotregel is de officiële naam van het bestemmingplan genoemd. Deze naam moet worden gebruikt om te verwijzen naar het plan.
De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de bestemmingsomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden bestemd zijn. Vervolgens wordt in de bouwregels aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. In sommige bestemmingen wordt bovendien nader ingegaan op de toegestane voorzieningen. Vervolgens is een gebruiksbepaling opgenomen waarin wordt aangegeven wat als gebruik in strijd met de bestemming moet worden gezien. Om te voorkomen dat bestemmingen gefrustreerd worden zijn sommige bestemmingen voorzien van een stelsel van omgevingsvergunningen voor werken en werkzaamheden (de voormalige aanlegvergunning). Hierin is geregeld dat een aantal werken en werkzaamheden verboden is, tenzij het bevoegd gezag hiervoor een omgevingsvergunning heeft afgegeven.
5.3 Bestemmingen Binnen dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen en dubbelbestemmingen opgenomen:
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, De Berg 5 - 7 te Schijf 43
5.3.1 Agrarisch met waarden - Landschappelijk Deze gronden zijn bestemd voor de agrarische bedrijfsuitoefening, waar naast een vollegrondsteeltbedrijf tevens een (niet-intensieve) veehouderij (aangeduid met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – veehouderij') is toegestaan. De toegestane oppervlakte aan bedrijfsgebouwen ingericht voor het houden van dieren is verbaal in de regels vastgelegd. Via een binnenplanse afwijking kan onder voorwaarden uitbreiding van deze oppervlakte worden toegestaan, mits kan worden voldaan aan de gestelde voorwaarden, waaronder de provinciale veehouderij regels. Via een specifieke aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - dierenverblijf uitgesloten' is de situering van dierenverblijven nader bepaald. Binnen deze aanduiding zijn dierenverblijven niet toegestaan, teneinde te kunnen voldoen aan de geldende milieu-zoneringen. Daarnaast wordt conform de generieke regeling in het bestemmingsplan buitengebied binnen het bouwvlak de bestaande vleesverkoop gereguleerd alsmede oprichting van maximaal 5 recreatieve standplaatsen voor mobiele kampeermiddelen of trekkershutten. Tenslotte kunnen conform de generieke regeling uit het bestemmingsplan buitengebied via een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid nevenactiviteiten worden toegestaan.
5.3.2 Groen - landschapselement De vereiste landschappelijke inpassing is op de verbeelding opgenomen met de bestemming 'Groen-Landschapselement'. Binnen deze bestemming is het bouwen van gebouwen en/of het opslaan, storten of bergen van materialen niet toegestaan.
5.3.3 Wonen Voor de te herbouwen woning alsmede de extra woning in de Vlaamse schuur is de bestemming 'Wonen' opgenomen. Voor beiden woningen is een afzonderlijk bouwvlak opgenomen. Her- en nieuwbouw van een woning is uitsluitend toegestaan binnen dit bouwvlak. Oprichting van bijbehorende bouwwerken is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'zone bijgebouwen'. Ten noorden van de waterleiding en ontsluitingsweg is conform gemaakte afspraken ten behoeve van te hanteren milieutechnische richtafstanden oprichting van bebouwing en voorzieningen expliciet uitgesloten. Hiertoe is de aanduiding 'geen gebouwen toegestaan' op de verbeelding opgenomen. In de bouwregels zijn regels opgenomen omtrent de maatvoering. Aansluiting is gezocht bij het geldende bestemmingsplan. De maximaal toegestane inhoud van de te herbouwen woning bedraagt 750 m 3. Goot- en bouwhoogtes voor hoofdgebouwen zijn in het plan standaard in de regels bepaald op maximaal 5,5 respectievelijk 9 meter. Voor de te realiseren woning in de Vlaamse schuur geldt de bestaande maatvoering als maximum. De toegestane omvang van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 100 m 2. Voor bijbehorende bouwwerken bedraagt de bouwhoogte van de bebouwing maximaal 6 meter en bedraagt de maximale goothoogte 3,5 meter.