09 b5 Bijlagen Toelichting NL.IMRO.0840.9000B0047-ON01
Tekst van het document
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden indien schuil- of voortplantingslocaties worden beschadigd. Dit kan door het verwijderen van stenenstapels, takkenhopen, bladeren en andere materialen die door langdurige opslag of aanwezigheid schuilplaatsen bieden. Het verwijderen van de materialen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. Aanwezige dieren moeten de gelegenheid krijgen om veilig weg te komen. 6.3
Reptielen
Op de onderzoekslocatie kan de levendbarende hagedis voorkomen. Door de voorgenomen ingreep kunnen mogelijk aanwezige dieren worden verstoord, gewond raken of worden gedood. De levendbarende hagedis is beschermd krachtens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. “Het is niet toegestaan vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen”.
Rapport 5047.002 versie D1
Pagina 16 van 22
Een vaste rustplaats voor de levendbarende hagedis betreft zijn voortplantings-, zomerverblijf- en overwinteringplaats. Allerlei holen en gaten, steen- en houthopen, maar ook grote gras- en zeggepollen en ruigtes kunnen als verblijfsplaats gebruikt worden. Doordat de onderzoekslocatie binnen het kerngebied van de soort valt en het habitat geschikt is, is het niet uit te sluiten dat een levendbarende hagedis op de aanwezige wandelpaden binnen de onderzoekslocatie gaat foerageren. Naar verwachting zullen er geen verblijfplaatsen op de bestaande wandelpadden aanwezig zijn. Daarnaast is en de ingreep kleinschalig en wordt het niet aannemelijk geacht dat de ingreep een significante invloed heeft op de levendbarende hagedis. Bij de aanleg van de wandelpaden is echter wel zaak om aandacht te schenken aan de zorgplicht en te werken volgens een goedgekeurde gedragscode. Om te voorkomen dat de levendbarende hagedis verwond of gedood wordt tijdens de aanleg van het wandelpad wordt er geadviseerd om de werkzaamheden tussen half september tot en met half mei uit te voeren, volgens een goedgekeurde gedragscode. Daarnaast dient er voorafgaand aan de werkzaamheden een controle op aanwezigheid van verblijfplaatsen op de desbetreffende locatie plaats te vinden.
Indien tijdens de aanleg van het wandelpad onverhoopt alsnog een individu aangetroffen wordt, dient deze door een ecoloog buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden verplaatst te worden. 6.4
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
Rapport 5047.002 versie D1
Pagina 17 van 22
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Brabantse Wal, bevindt zich op circa 11 kilometer afstand ten westen van de onderzoekslocatie (zie figuur 14).
Figuur 14. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 11 km) tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (woningbouw) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de Natuurbeschermingswet wordt niet noodzakelijk geacht.
Rapport 5047.002 versie D1
Pagina 18 van 22
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt deel uit van het Natuurnetwerk. Het betreft Natuurnetwerk Brabant. In figuur 15 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 15. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omgevingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijk situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels een zogenaamd “nee, tenzij-onderzoek” nader moeten worden onderzocht.
Rapport 5047.002 versie D1
Pagina 19 van 22
8
HOUTOPSTANDEN
In algemene zin is het mogelijk dat bij een voorgenomen ontwikkeling sprake is van het verloren gaan van houtopstanden die beschermd zijn conform artikel 4 van de Wet natuurbescherming. In een dergelijk geval kan er sprake zijn van een meldingsplicht en herplantplicht. In dit hoofdstuk wordt beschreven of bij de voorgenomen ontwikkeling mogelijk sprake is van een meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wnb. Verder wordt beschreven of vervolgstappen nodig zijn in kader van beschermde houtopstanden en of een ontheffingsaanvraag in het kader van de herplantplicht noodzakelijk is. Op de locatie zijn houtopstanden aanwezig die vallen onder artikel 4.3 van de Wnb. Aangezien op locatie geen houtopstanden geveld gaan worden is dit onderdeel niet van toepassing.
Rapport 5047.002 versie D1
Pagina 20 van 22
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Compositie 5 stedenbouw een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Hoeksebaan (ong.) te Schijf. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000 gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Initiatiefnemer is voornemens om ten westen van Schijf, gelegen tussen de Hoeksestraat in het zuiden en de Nederheidsebaan in het noorden, een nieuw landgoed te realiseren. Aan de Nederheidsebaan, in het noorden van het gebied waarin wordt voorgenomen het landgoed te realiseren, is thans reeds het “Landgoed Kniphorst” gelegen. Beoogd wordt dit bestaande ‘landgoed’ samen te voegen met gronden die daar ten zuiden van zijn gelegen, zodat één landgoed van circa 13 hectare ontstaat. De naam van het totale landgoed betreft dan “Landgoed Havikshorst”. Gelet op deze aaneengesloten oppervlakte kan gebruik worden gemaakt van de provinciale en gemeentelijke landgoedregeling.
Op basis van deze landgoedregelingen kan nieuwe bebouwing worden toegevoegd. Daarnaast heeft de initiatiefnemer voornemens nieuwe bebouwing toe te voegen aan de zuidzijde van het landgoed, ter plaatse wordt één nieuwe wooneenheid gerealiseerd. Ten behoeve van de ontwikkeling van het landgoed dient eveneens nieuwe natuur te worden ontwikkeld, alsmede aanleidingen voor extensieve recreatie. Voor het landgoed is reeds een Inrichtingsvoorstel opgesteld. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen
algemeen
ja
ja
nee
nee
het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren of voorafgaand een broedvogelinspectie uitvoeren
jaarrond beschermd
ja
nee
nee
nee
-
verblijfplaatsen
ja
nee
nee
nee
-
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
-
vliegroutes
ja
nee
nee
nee
-
Strengbeschermde zoogdieren
ja
nee
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van boommarter en bunzing
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van vos, konijn, mol en diverse muizensoorten
minimaal
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten zoals gewone pad en bruine kikker
Broedvogels
Vleermuizen
Amfibieën
Rapport 5047.002 versie D1
Pagina 21 van 22
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
Bijzonderheden / opmerkingen
Reptielen
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van levendbarende hagedis tijdens de aanleg van het wandelpad dient er rekening gehouden te worden met kwetsbare periode en dient er volgens een goedgekeurde gedragscode gewerkt te worden
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en dagvlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
5,6 km
nee
nee
nee
Natuurnetwerk Nederland
ja
mogelijk
mogelijk
mogelijk
Houtopstanden
ja
nee
nee
nee
Gebiedsbescherming
Natura 2000
het wordt geadviseerd om met de provincie Noord-Brabant in overleg te treden -
Conclusie Gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden is de verwachting dat de voorgenomen plannen uitvoerbaar zijn. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen voorkomen worden door rekening te houden met het broedseizoen of door voorafgaand aan de werkzaamheden een controle op broedgevallen uit te voeren. Het wordt geadviseerd om snoeiafval na of voor het broedseizoen te verwijderen. Daarnaast dient te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van algemene zoogdieren, streng beschermde zoogdieren, reptielen en amfibieën. Ten aanzien van de levendbarende hagedis kunnen overtredingen voorkomen worden door rekening te houden met de kwetsbare periodes van de levendbarende hagedis en door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode. De onderzoekslocatie is gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland. Dit betekent dat de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied niet negatief beïnvloed mogen worden. Bij de realisatie van de voorgenomen plannen zal dit echter mogelijk wel het geval zijn. Het advies is om met het bevoegd gezag (provincie Noord-Brabant) in overleg te treden omtrent de mogelijkheden. Met betrekking tot houtopstanden worden geen bezwaren verwacht.
Econsultancy Boxmeer, 7 november 2017
Rapport 5047.002 versie D1
Pagina 22 van 22
GERAADPLEEGDE BRONNEN Algemene Literatuur BIJ12 2017. Kennisdocument Levendbarende hagedis Zootoca vivipara. Versie 1.0, juli 2017 van Delft, J., J. Kranenbarg, A. de Bruin & P. Frigge 2015. Waarnemingenoverzicht 2014. Bijlage bij RAVON 59 Jaargang 17 (4). Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, Zoekgebied: Schijf, periode 2007-2017 Literatuur Noord-Brabant van Delft, J.J.C.W. & W. Schuitema 2005. Werkatlas amfibieën en reptielen in Noord-Brabant. Stichting RAVON, Nijmegen. Twisk, P. & H. Limpens 2006. Een thuis voor de vleermuis. Beschermingsplan voor vleermuizen in Noord-Brabant. Zoogdiervereniging VZZ, Arnhem.
Algemene websites www.eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden) www.floron.nl (soortgegevens planten) www.ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen) www.rijksoverheid.nl (natuurwetgeving) www.mijn.rvo.nl (natuurwetgeving) www.rvo.nl (nationale natuurwetgeving en soortenstandaarden) www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten) www.vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren) Provinciale websites www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant) www.dassenwerkgroepbrabant.nl (gegevens das in Noord-Brabant)
Rapport 5047.002 versie D1
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
2.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 5047.002 versie D1
Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
2. 3. 4. 5.
Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.
Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn
1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten
drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis
Zoogdieren
bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat
Walvisachtigen
bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn
Vleermuizen
Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis
Amfibieën
boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad
Reptielen
dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis
Vissen
houting, steur
Vlinders
apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje
Libellen
bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel
Insecten
brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever
Overig
Bataafse stroommossel, platte schijfhoren
Rapport 5047.002 versie D1
Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brand gans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel , krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,
pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw
Vogels
Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.
In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 10 om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers. Dieren zijn opgenomen in bijlage onderdeel A1. Planten zijn opgenomen in bijlage onderdeel B2 van de Wet natuurbescherming. Voor een aantal zoogdieren, amfibieën en reptielen geldt per provincie een vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Dit verschilt per provincie. De betreffende soorten zijn aangegeven met een sterretje. Daarnaast is het mogelijk dat sommige provincies ook ‘eigen’ beschermde soorten hanteren, als aanvulling op het landelijke. Soorten Dieren
Planten
Zoogdieren
aardmuis*, boommarter, bosmuis*, bunzing*, damhert, das, dwergmuis*, dwergspitsmuis*, edelhert, eekhoorn*, egel*, eikelmuis, gewone bosspitsmuis*, gewone zeehond, grote bosmuis, grijze zeehond, haas*, hermelijn*, huisspitsmuis*, konijn*, molmuis, ondergrondse woelmuis*, ree*, rosse woelmuis*, steenmarter*, tweekleurige bosspitsmuis*, veldmuis*, veldspitsmuis, vos*, waterspitsmuis, wezel*, wild zwijn, woelrat*
Amfibieën
Alpenwatersalamander, bruine kikker*, gewone pad*, kleine watersalamander*, meerkikker*, middelste groene kikker*, vinpootsalamander, vuursalamander
Reptielen
adder, hazelworm*, levendbarende hagedis*, ringslang
Vissen
beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper, kwabaal
Dagvlinders
aardbeivlinder, bosparelmoervlinder, bruin dikkopje, bruine eikenpage, donker pimpernelblauwtje, duinparelmoervlinder, gentiaanblauwtje, grote parelmoervlinder, grote vos, grote vuurvlinder, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine heivlinder, kleine ijsvogelvlinder, kommavlinder, pimpernelblauwtje, sleedoornpage, spiegeldikkopje, veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje, veldparelmoervlinder, zilveren maan
Libellen
beekrombout, bosbeekjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte glanslibel, gewone bronlibel, hoogveenglanslibel, Kempense heidelibel, speerwaterjuffer
Overige soorten
Europese rivierkreeft, vliegend hert
akkerboterbloem, akkerdoornzaad, akkerogentroost, beklierde ogentroost, berggamander, bergnachtorchis, blaasvaren, blauw guichelheil, bokkenorchis, bosboterbloem, bosdravik, brave hendrik, brede wolfsmelk, breed wollegras, bruinrode wespenorchis, dennenorchis, dreps, echte gamander, franjegentiaan, geelgroene wespenorchis, geplooide vrouwenmantel, getande veldsla, gevlekt zonneroosje, glad biggenkruid, gladde zegge, groene nachtorchis, groensteel, groot spiegelklokje, grote bosaardbei, grote leeuwenklauw, honingorchis, kalkboterbloem, kalketrip, karthuizeranjer, karwijselie, kleine ereprijs, kleine schorseneer, kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knollathyrus, knolspirea, korensla, kranskarwij, kruiptijm, lange zonnedauw, liggende ereprijs, moerasgamander, muurbloem, naakte lathyrus, naaldenkervel, pijlscheefkalk, roggelelie, rood peperboompje, rozenkransje, ruw parelzaad, scherpkruid, schubvaren, schubzegge, smalle raai, spits havikskruid, steenbraam
Rapport 5047.002 versie D1
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Binnen de Wet natuurbescherming zijn op houtopstanden de artikelen van toepassing die zijn opgenomen in tabel VI. Tabel VI. Bescherming houtopstanden in de Wet natuurbescherming Artikel 4.1
De artikelen uitgezonderd artikel 4.6 zijn niet van toepassing op: a) Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) Houtopstanden op erven of in tuinen; c) Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) Kweekgoed; f) Wegbeplantingen, beplantingen langs waterwagen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden bestaande uit wilgen en populieren; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Artikel 4.2
1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. 3. Gedeputeerde staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.
Artikel 4.3 lid 1 en 2
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende zorg voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand. De rechthebbende vervangt binnen drie jaar na de herbeplanting, bedoeld in het eerste lid, herbeplanting die niet is aangeslagen.
Artikel 4.4 lid 1
De artikelen 4.2, eerste en derde lid, en 4.3, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op: het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in en aantoonbaar wordt gerealiseerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel in het kader van natuurontwikkeling en -beheer
Artikel 4.5
Rapport 5047.002 versie D1
Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 4.3, eerste en tweede lid, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels.
Bijlage 2
Verklarende woordenlijst
Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/NNN hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of verblijfplaats te behouden. Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype.
Habitat Omvat de plaatsen waar een bepaald organisme voorkomt doordat de abiotische en biotische factoren (niet levende en levende natuur) van die plaatsen voldoen aan de eisen en toleranties die het organisme stelt om te kunnen overleven, groeien en zich voortplanten. Kraamverblijfplaats Voortplantingsplaats van vleermuizen. Het gaat hierbij vaak om de vrouwelijke exemplaren van een kolonie (ook wel kraamgroep genoemd) die gezamenlijk hun jongen grootbrengen. De aantallen vleermuizen in een kraamgroep kun oplopen tot meerdere honderden exemplaren. Landschappelijk inpassingsplan Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied middels een ontwerp van de groenvoorziening, dat voldoet aan het beleid ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Hierdoor wordt zorg gedragen dat een ruimtelijke ontwikkeling past in het landschap. Landhabitat Amfibieën zijn voor de voortplanting afhankelijk van water. Buiten de voortplantingsperiode maakt de soortgroep gebruik van landhabitat als onderdeel van het leefgebied. Landhabitat voor amfibieën omvat onder andere structuurrijke of opgaande vegetatie zoals (loof)bos, houtwallen, struikgewas, heide, ruigtekruiden, vegetaties en moeras. Mitigerende maatregelen Maatregelen die negatieve effecten bij een ingreep voorkomen of reduceren.
Omgevingscheck Een omgevingscheck wordt uitgevoerd bij verlies van leefgebied van een jaarrond beschermde functie van een soort die door een ingreep (tijdelijk) verloren gaat. De omgeving van de ingreep wordt door een ter zake deskundige beoordeeld op aanwezigheid van voldoende alternatief leefgebied en/of potentiële verblijfplaatsen. Ontheffing De Wet natuurbescherming is bedoeld om planten- en diersoorten die vrij in het wild leven te beschermen. Om deze kwetsbare soorten te beschermen bevat de Wet natuurbescherming een aantal verbodsbepalingen. Onder bepaalde voorwaarden mogen de activiteiten wel doorgaan, daarvoor kan een ontheffing benodigd zijn. Een ontheffing is een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod wordt gemaakt.
Rapport 5047.002 versie D1
Paarverblijfplaats Dit is een verblijfplaats die hoofdzakelijk in het najaar (september/oktober) door vleermuizen worden gebruikt om te paren. Eén mannetje kan een dergelijke verblijfplaats met meerdere vrouwtjes delen. In de omgeving van de paarverblijfplaats wordt veelal door het territoriale mannetje middels baltsvluchten getracht vrouwtjes aan te lokken. Projectplan Een projectplan dient als begeleidend document voor een ontheffingsaanvraag. In het projectplan zijn maatregelen verwoord waarmee de functionaliteit van een rust- of verblijfplaats van een beschermde soort behouden blijft en schade aan individuen wordt voorkomen. Populatie Een biologische populatie is een groep individuen van dezelfde soort die zich onderling voortplant en als zodanig geïsoleerd is van andere zulke groepen. Rode Lijst Rode Lijsten laten zien welke soorten zijn verdwenen en welke soorten in een gebied sterk zijn achteruitgegaan of zeldzaam zijn. Er bestaan verschillende Rode Lijsten. Voor vogels, voor zoogdieren, planten, paddenstoelen, insecten en voor allerlei andere soortgroepen. Rode Lijsten hebben geen officiële juridische status. Plaatsing op de lijst maakt een dier dus nog geen 'beschermde diersoort' in de zin van de Wet natuurbescherming. De Rode Lijsten hebben in de praktijk wel een belangrijke signaleringfunctie.
Door de Rode Lijst te raadplegen, kunnen alle instellingen die met natuurbehoud te maken hebben rekening houden met bedreigde soorten. Significant negatief effect Een effect is in het kader van de Wet natuurbescherming significant als de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000gebied dreigen te worden aangetast. Het begrip 'significant' staat centraal in de toepassing van het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden bij zowel vaststelling van beheerplannen als de vergunningverlening. Het bepaalt of een uitvoerige toetsing, een zogenaamde passende beoordeling, moet worden uitgevoerd. Indien als gevolg van een ingreep de toekomstige oppervlakte habitat of leefgebied, aantal van een soort of kwaliteit van een habitat lager zal worden dan zoals bedoeld in de instandhoudingsdoelstelling, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Voor het goede begrip, de soorten hoeven er niet te zitten, het gebied moet geschikt zijn voor de soorten. Voortplantingsplaats of rustplaats Een plek binnen het leefgebied van een soort die essentieel is voor de levenscyclus van een individu. De Wet natuurbescherming omschrijft niet exact wat een vaste rust- of verblijfplaats is. Dit is soortafhankelijk. Vliegroute Een vaste route die door vleermuizen wordt gebruikt tussen de verblijfplaatsen naar foerageergebieden.
Winterverblijfplaats Verblijfplaats die gebruikt wordt om de periode van winterrust te overbruggen. Voor vleermuizen zijn dit vorstvrije, maar koele en vochtige plekken. Er kans sprake zijn van massaverblijfplaatsen, verblijfplaatsen van kleine groepen of één of enkele individuen. Zomerverblijfplaats Is een vleermuisverblijfplaats anders dan een kraamverblijf. Buiten de kraamperiode worden deze door vrouwtjes gebruikt, binnen de kraamperiode door individuele mannetjes.
Rapport 5047.002 versie D1
Bijlage 3
NNB-effectenonderzoek
bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed Havikshorst 71
EFFECTENONDERZOEK NATUURNETWERK BRABANT HOEKSEBAAN (ONG.) TE SCHIJF
Rapportage effectenonderzoek Natuurnetwerk Brabant Hoeksebaan (ong.) te Schijf Opdrachtgever
Compositie 5 stedenbouw Boschstraat 35 - 37 4811 GB Breda
Rapportnummer Versienummer
5047.003 D2
Status
Eindrapportage
Datum
25 oktober 2018
Vestiging
Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl
Opsteller
S.H.W.M. Claessens, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
ir. T. Leeuwis
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is nooit met zekerheid uit te sluiten. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 5
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 7
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 9
5
NEE, TENZIJ-TOETS NATUURNETWERK BRABANT ........................................................... 10 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8
6
Inleiding .......................................................................................................................... 10 Natuurkwaliteit en areaal ................................................................................................ 11 Geomorfologische en aardkundige waarden en processen ........................................... 13 Waterhuishouding en waterkwaliteit ............................................................................... 13 Rust en stilte ................................................................................................................... 15 Donkerte en openheid .................................................................................................... 15 Landschapsstructuur ...................................................................................................... 16 Belevingswaarde ............................................................................................................ 16
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 17
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 5047.003
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Compositie 5 stedenbouw opdracht gekregen voor het uitvoeren van een effectenonderzoek Natuurnetwerk Brabant aan de Hoeksebaan (ong.) te Schijf. Het effectenonderzoek Natuurnetwerk Brabant is uitgevoerd in het kader van een voorgenomen bestemmingsplanwijziging en de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie en heeft als doel om de effecten van het beoogd gebruik op de kernkwaliteiten en omgevingencondities van het Utrechts Natuurnetwerk te onderzoeken. Het effectenonderzoek Natuurnetwerk Brabant is uitgevoerd als aanvullen op de voorafgaande resultaten van de rapportage van het ecologisch onderzoek wat Econsultancy in november 2017 op de onderzoekslocatie heeft uitgevoerd (rapport 5047.002, d.d. 6 november 2017). Als blijkt dat effecten op het natuurnetwerk niet op voorhand uit te sluiten zijn, moet een effectenonderzoek NNB worden uitgevoerd. Indien een voorgenomen ingreep de “nee, tenzij” –afweging met positief gevolg doorloopt kan de ingreep plaatsvinden, mits de eventuele nadelige gevolgen worden gemitigeerd en resterende schade wordt gecompenseerd. Bij een effectenonderzoek NNB worden dan ook de (mogelijke) effecten op het natuurnetwerk in kaart gebracht en wordt geadviseerd hoe negatieve effecten voorkomen kunnen worden. Hierbij worden de voorgenomen plannen getoetst op zeven verschillende verstoringtypen.
Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen.
Rapport 5047.003 versie D2
Pagina 1 van 17
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 13 ha) ligt aan de Hoeksebaan (ong.), circa 1 kilometer ten westen van de kern van Schijf. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 49 F (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 962.520, Y = 389.883.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie, gelegen tussen de Hoeksestraat in het zuiden en de Nederheidsebaan in het noorden, bestaat momenteel grotendeels uit droog bos met productie (N16.03) en agrarisch waterbeheergebied (W01.01) aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie. Aan de noordzijde van de onderzoekslocatie is reeds het ‘Landgoed Kniphorst’ met bebouwing en agrarisch waterbeheergebied (W01.01) aanwezig. De directe omgeving bestaat voornamelijk uit loof- en naaldbos en agrarische percelen. Het perceel, waar de onderzoekslocatie deel van uitmaakt, is kadastraal bekend gemeente, sectie K, nummers 1373, 1382, 1690, 2133, 2135, 2139, 2141, 2143 en sectie Q, nummers 304, 329, 330, 475, 476, 477, 480 (zie figuur 2). In figuur 3 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 12 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Rapport 5047.003 versie D2
Pagina 2 van 17
Figuur 2. Ligging onderzoekslocatie en kadastrale percelen (Bron: Nieuw landgoed Havikshorst inrichtingsvoorstel 2017 Eelerwoude)
Rapport 5047.003 versie D2
Pagina 3 van 17
Figuur 3. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 4. Zuidoostzijde van de onderzoekslocatie met voormalig akkerland. Toekomstige locatie van nieuwe woning.
Figuur 5. Bosrond aan de zuidoostzijde van de onderzoekslocatie. Randzonde van toekomstige woning.
Figuur 6. Blokhut aan de zuidwestzijde van de onderzoekslocatie.
Figuur 7. Toekomstige bospad ten zuiden van schietberg.
Figuur 8. Grasland in de kern van de onderzoekslocatie.
Figuur 9. Hooiopslag ten noorden van de schietberg.
Rapport 5047.003 versie D2
Pagina 4 van 17
Figuur 10. Aanwezige vertakking van het wandelpad ten noorden van de onderzoekslocatie.
2.2
Figuur 11. Openplek aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie.
Figuur 12. Boomkwekerij ten zuiden van de onderzoekslocatie,
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
Initiatiefnemer is voornemens om ten westen van Schijf, gelegen tussen de Hoeksestraat in het zuiden en de Nederheidsebaan in het noorden, een nieuw landgoed te realiseren. Aan de Nederheidsebaan, in het noorden van het gebied waarin wordt voorgenomen het landgoed te realiseren, is thans reeds het “Landgoed Kniphorst” gelegen. Beoogd wordt dit bestaande ‘landgoed’ samen te voegen met gronden die daar ten zuiden van zijn gelegen, zodat één landgoed van circa 13 hectare ontstaat. De naam van het totale landgoed betreft dan “Landgoed Havikshorst”. Gelet op deze aaneengesloten oppervlakte kan gebruik worden gemaakt van de provinciale en gemeentelijke landgoedregeling. Op basis van deze landgoedregelingen kan nieuwe bebouwing worden toegevoegd. De initiatiefnemer is voornemens nieuwe bebouwing toe te voegen aan de zuidzijde van het landgoed (figuur 13), ter plaatse wordt één nieuwe wooneenheid gerealiseerd. Ten behoeve van de ontwikkeling van het landgoed dient eveneens nieuwe natuur te worden ontwikkeld en verbeterd, alsmede aanleidingen voor extensieve recreatie. Voor het landgoed is reeds een inrichtingsvoorstel opgesteld.
Rapport 5047.003 versie D2
Pagina 5 van 17
Figuur 13. Geplande toekomstige ontwikkelingen (Bron: Landgoed Havikshorst beplantingsplan 2018 Compositie 5 Stedenbouw bv)
Rapport 5047.003 versie D2
Pagina 6 van 17
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het effectenonderzoek bestaat uit een bureauonderzoek. Aan de hand van de voorafgaande quickscan die plaatsvond op de onderzoekslocatie ((rapport 5047.002, d.d. 6 november 2017) en een literatuurstudie zal er een effectenonderzoek NNB worden uitgevoerd (‘Nee, tenzij’-toets). De (mogelijke) effecten op het natuurnetwerk worden tijdens dit onderzoek in kaart gebracht en er zal een advies worden geven over hoe negatieve effecten voorkomen kunnen worden. Het veldbezoek is afgelegd op 19 oktober 2017. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Het effect van de ingreep op de natuurlijke kenmerken en waarden van het NNB dienen conform de Verordening Ruimte Noord-Brabant op een zevental aspecten getoetst te worden (Verordening ruimte Noord-Brabant, 2017, artikel 5): Natuurkwaliteit en areaal Geomorfologische waarden en processen Waterhuishouding en waterkwaliteit Rust en stilte Donkerte en openheid Landschapsstructuur Belevingswaarde In deze toetsingscriteria worden de huidige waarden en kenmerken behandeld met daarnaast verweven de historische en toekomstige natuurwaarden en kenmerken van het NNB (figuur 14).
In het bureauonderzoek wordt met behulp van gegevens van de provincie Brabant en de onderzoeksresultaten van het voorgaande onderzoek (rapport 5047.002) de bovenstaande zeven criteria getoetst.
Rapport 5047.003 versie D2
Pagina 7 van 17
Figuur 14. NNB beschermingsregime (bron: spelregels EHS). Deze spelregels zijn van toepassing op het Natuurnetwerk Brabant.
Rapport 5047.003 versie D2
Pagina 8 van 17
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. Het Natuurnetwerk is gericht op:
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor Natuurnetwerk Nederland (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omgevingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels een zogenaamd “nee, tenzij-onderzoek” nader moeten worden onderzocht. Ingrepen die de natuur significant aantasten, mogen niet worden toegestaan in het bestemmingsplan (“nee”), tenzij ze een groot openbaar belang dienen én er geen alternatieven zijn buiten de natuur. Als het toegestaan is, is natuurcompensatie verplicht (op een andere plek moet dan nieuwe natuur komen).
Rapport 5047.003 versie D2
Pagina 9 van 17
5
NEE, TENZIJ-TOETS NATUURNETWERK BRABANT
In onderstaand hoofdstuk wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de beschermde gebieden. Bij de onderhavige “nee, tenzij-toets” worden de (mogelijke) effecten op het natuurnetwerk in kaart gebracht. Hierbij worden de voorgenomen plannen getoetst op zeven verschillende aspecten. 5.1
Inleiding
Het Natuurnetwerk Brabant (NNB) is planologisch beschermd. Dit betekent dat de provincie Brabant nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die een significant negatief effect hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB niet toestaat. Initiatiefnemers van ingrepen binnen het NNB dienen de effecten van de ingreep op het NNB te onderzoeken middels een “nee, tenzij”-onderzoek. Het doel van het nee, tenzij-beleid is het voorkomen van significant negatieve effecten van ontwikkelingen op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB. Om hierop te kunnen toetsen zijn zeven toetsingsaspecten in de Verordening ruimte Noord-Brabant (Verordening ruimte Noord-Brabant, 2017), artikel 5 vastgelegd. Op basis van een toetsing aan deze criteria zijn de volgende oordelen mogelijk: 1. Op één van de aspecten is het oordeel: significante aantasting. 2. Op geen aspect is het oordeel significante aantasting, maar als alle aspecten in combinatie overzien worden is het oordeel: significante aantasting. 3. Op geen aspect is het oordeel significante aantasting, ook niet bij combinatie van de aspecten. Voor de toetsing is als hulpmiddel gebruik gemaakt van de zeven criteria en de achterliggende informatie die middels webkaarten beschikbaar is. De onderzoekslocatie maakt deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het betreft Natuurnetwerk Brabant.
In figuur 15 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 15. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Brabant.
Rapport 5047.003 versie D2
Pagina 10 van 17
5.2
Natuurkwaliteit en areaal
Flora en fauna Uit de quickscan flora en fauna (rapport 5047.002, d.d. 6 november 2017), blijkt dat er binnen de NNB onderdelen broedvogels kunnen voorkomen waarvan het nest jaarrond beschermd is. Daarnaast kunnen de bospercelen een functie hebben voor vleermuizen (verblijfsfuncties, foerageerfunctie en vliegroute). Ook kunnen de bospercelen een functie hebben voor de boommarter, bunzing en de levendbarende hagedis. Op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn geen waterlopen of poelen aanwezig. Het aangrenzend westelijk gelegen Rucphense Bos staat bekend om zijn stuifduinen en eenzame vliegdennen. Het opeengepakte dennenbos wordt afgewisseld met loofbos, grasland en heide en heeft een droog karakter. Het Rucphense bos heeft een hoge landschapelijke, ecologische en recreatieve waard. Daarnaast is de natuurwaarde en infiltratiefunctie van groot belang bij deze bospercelen. Historische, huidige en toekomstige natuurwaarden
Figuur 16. Historische kaart 1900 (bron: topotijdreis.nl/).
Op de historische kaart van 1900 (figuur 16) is duidelijk zichtbaar dat ter plaatse van de NNB-bospercelen binnen het plangebied heideterreinen met opkomende boslandschappen aanwezig waren. Vanaf omstreeks 1960 is het gehele plangebied bebost met aangeplante naald- en loofbossen die een strak geordend patroon hebben. Daarnaast zijn een aantal percelen in agrarisch gebruik. Deze percelen hebben voor zover bekend altijd een agrarische bestemming gehad. De delen van de onderzoekslocatie met de toekomstbestemming ‘natuurontwikkeling’ zijn in gebruik als weiland, akkerland en productiebos.
Een groot deel van het plangebied wordt binnen de bodemkaart aangegeven als “Veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand”. De gemeentelijke beleidsadvieskaart archeologie van Rucphen geeft het plangebied een lage archeologische verwachting. Het plangebied ligt op hogere dekzandruggen en behoort tot de Westbrabantse Venen (Kaartbank brabant, 2018). De onderzoekslocatie is gelegen in en naast het Natuurnetwerk Brabant. Op de bospercelen die horen bij de landgoederen “Kniphorst en Havikhorst” geldt het beheertype N16.03 Droog bos met productie. Het Rucphense Bos betreft eveneens het natuurbeheertype N16.03. Beide bospercelen hebben als ambitie het beheertype N16.03 Droog bos met productie. Binnen het blauw omlijnde plangebied geldt momenteel nog geen natuurdoeltype (figuur 17). Areaal Een deel (0,4 ha) op de onderzoekslocatie, waarop natuur ontwikkeld wordt, behoort tot het NNB. De overige bospercelen die horen bij de landgoederen “Kniphorst en Havikhorst” die tevens deel uitmaken van de NNB blijven ongedeerd. De initiatiefnemer wil ze echter wel gaan samenvoegen tot een landgoed, namelijk, landgoed Havikhorst. Daarnaast zal het gebied opengesteld worden voor wande-
Rapport 5047.003 versie D2
Pagina 11 van 17
laars. Hiervoor zullen de al aanwezige wandelpadden op enkele plekken ontdaan worden van de momenteel aanwezige begroeiing (Adelaarsvaren Pteridium aquilinum).
.Figuur 17. Natuurdoeltype en ambitie kaart. De groene vlakken geven natuurdoeltype 16.03 aan. Dit vlak heeft ambitie N16.03 (voorheen 16.01). Het rood omlijnde vlak de onderzoekslocatie. De beige vlakken hebben geen natuurdoeltype en ambitie. Het blauw omlijnde vlak met rode stip is de toekomstige locatie van het te realiseren woonhuis (bron: kaartenbank. Brabant). Binnen de blauw omlijnde vlakken zal nieuwe natuur ontwikkeld worden.
Op vier percelen binnen het onderzoeksgebied zal nieuwe natuur ontwikkeld worden, met op een van de vier percelen de bouwkavel (figuur 17; rode stip). -
het noordelijke perceel bestaat uit 0,89 ha het perceel met bouwkavel uit 1,56 ha het zuidelijke perceel uit 0,3 ha het westelijke perceel uit 0,4 ha
Een totaal gebied van circa 3,2 ha (inclusief bouwkavel) zal als natuur worden ingericht en zal daarbij toename van natuur bieden binnen de begrenzing van het plangebied. Conclusie Ten aanzien van de natuurkwaliteit en areaal treedt door de geplande ingreep geen significant negatief effect op. In het verleden was in het plangebied heide gelegen. Heide is in de huidige situatie nog steeds zeer sporadisch aanwezig op de aanwezige bospadden. Het westelijk gelegen Rucphense bos heeft een hoge landschappelijke, ecologische en recreatieve waard. Daarnaast is de natuurwaarde en infiltratiefunctie van groot belang. Door het beperkte oppervlak van de NNB-bospercelen, jonge karakter van de bospercelen en het aanplantkarakter tezamen met huidig aanwezige habitat en biotoop, zijn de huidige natuurwaarden van de bospercelen binnen de onderzoekslocatie niet erg hoog. De nadruk binnen deze percelen ligt op natuur en biedt op kleine schaal extensieve recreatie mogelijkheden. De natuurwaarden van de NNB-bospercelen zal in de toekomst verhogen doordat de ouderdom van het bos en de daarmee samenhangende natuurwaarde toe zal nemen. Daarnaast zullen de bosranden zachter en minder
Rapport 5047.003 versie D2
Pagina 12 van 17
abrupt vormgegeven gaan worden. Deze geleidelijke overgang zal zijn vorm ontlenen door dat de initiatiefnemer in de voorgenomen plannen extra kavelbeplanting, amfibieën poelen en houtwallen wil gaan realiseren. Tijdens dit project zal er geen areaal aan bosperceel verdwijnen. Hierdoor zal het geschikt biotoop voor broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is, voor vleermuizen (verblijfsfuncties, foerageerfunctie en vliegroute), marterachtige en reptielen (verblijffunctie en foerageerfunctie) hetzelfde blijven. Voor het aangrenzende westelijk gelegen Rucphense bos worden door de voorgenomen plannen geen negatieve effecten verwacht. 5.3
Geomorfologische en aardkundige waarden en processen
Een groot deel van het plangebied wordt aangegeven als “terrasafzettingsrest-heuvel, landduinen en dekzandrug”. De bospercelen die tot het NNB betreffen worden aangegeven hebben geen expliciete aardkundige waarden en processen De originele bodem bestaat volgens de bodemkaart van Nederland uit een veldpodzolgrond die voornamelijk is opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand en een hoge zwarte enkeerdgrond die voornamelijk is opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand. De geomorfologie betreft in het zuidoostelijk deel van het plangebied een Dekzandrug, zie figuur 18. Noordelijke, westelijk en zuidelijk ligt een Terrasafzettingsrest-heuvel. Een klein stuk ten noorden en westen betreft de Landduinen met bijbehorende vlakten en laagten (figuur 18). De afzettingen, waarin deze bodems zijn ontstaan, behoren geologisch gezien tot de Formatie van Boxtel.
Figuur 18. Geomorforlogische kaart bron: http://nationaalgeoregister.nl.
Het noordelijk en oostelijk deel met de toekomstbestemming ‘natuurontwikkeling’ zijn hoge zwarte enkeerdgronden. Het zuidelijk deel is een veldpodzolgrond. Conclusie Door de voorgenomen plannen zullen er geen veranderingen plaatsvinden ten aanzien van de geomorfologische en aardkundige waarden en processen. 5.4
Waterhuishouding en waterkwaliteit
Het plangebied is in een diep dal gelegen. De grondwatertrap ter plaatse van de onderzoekslocatie is GWT VIII en GWT VII (figuur 19). Met name de noordzijde heeft GWT VII. Gronden met GWT VIII en GWT VII zijn het gehele jaar droog. Op de hoogtekaart is te zien dat het gehele gebied hoogte verschillen tussen 12 m boven zeeniveau tot 24 m boven zeeniveau heeft (figuur 20). Het gehele gebied
Rapport 5047.003 versie D2
Pagina 13 van 17
behoort tot de beschermde gebieden waterhuishouding verordening water (Kaartenbank Brabant, 2018). Op een afstand van ± 1 kilometer ten noorden van de onderzoekslocatie ligt het pompstation. De onttrekking van dit pompstation heeft waarschijnlijk slechts een beperkte invloed op de grondwaterstroming van het freatisch grondwater.
Figuur 16. Grondwatertrappen binnen het plangebied (bron: kaartenbank Brabant)
Het eerste watervoerend pakket van de veldpodzolgrond heeft een gemiddelde dikte van ± 10 m en wordt gevormd door de zandgronden van de Formaties van Stamproy. Op deze fluviatiele en glaciofluviatiele formaties liggen de fijnzandige, matig goed doorlatende dekzandafzettingen, behorende tot de Formatie van Boxtel, met een dikte van ± 3,5 m. Het eerste watervoerend pakket wordt aan de onderzijde begrensd door kleiafzettingen van de Formatie van Waalre. Het eerste watervoerend pakket van de hoge zwarte enkeerdgrond heeft een gemiddelde dikte van ± 9 m en wordt gevormd door de zandgronden van de Figuur 17. AHN kaart. Formaties van Stamproy. Op deze fluviatiele en glaciofluviatiele formaties liggen de fijnzandige, matig goed doorlatende dekzandafzettingen, behorende tot de Formatie van Boxtel, met een dikte van ± 2 m. Het eerste watervoerend pakket wordt aan de onderzijde begrensd door kleiafzettingen van de Formatie van Waalre. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt gemiddeld ± 11,0 m +NAP. De grondwatertrap van het gebied is VIII, wat inhoud dat het grondwater zich op een diepte van >1,40 m -mv bevindt. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart in noordwestelijke richting. Het Rucphense bos is, net als de onderzoekslocatie,een infiltratiegebied dat de zelfde hoogte verschillen binnen het gebied heeft (figuur 20).