CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

09 b5 Bijlagen Toelichting NL.IMRO.0840.9000B0047-ON01

commissie Economie Ruimtelijke Ordening en Milieu 16 februari 2022, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan "Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed Havikshorst"19.505 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed Havikshorst

Datum: 21-12-2020 Status: ontwerp

Inhoudsopgave Bijlagen toelichting

5

Bijlage 1

beeldkwaliteitplan

6

Bijlage 2

quickscan flora en fauna

37

Bijlage 3

NNB-effectenonderzoek

71

Bijlage 4

bodemkundig rapport

94

Bijlage 5

verkennend bodemonderzoek

111

Bijlage 6

archeologisch onderzoek

156

Bijlage 7

stikstofdepositieberekening

199

Bijlage 8

akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

220

Bijlage 9

nota vooroverleg

254

Bijlage 10

gespreksverslag omgevingsdialoog

263

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed Havikshorst 3

4 avikshorst

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed H

Bijlagen toelichting

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed Havikshorst 5

Bijlage 1

6 avikshorst

beeldkwaliteitplan

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed H

Beeldkwaliteitplan

Landgoed Havikshorst 1

Compositie 5 stedenbouw bv Boschstraat 35 4811 GB BREDA telefoon:

076-5225262

internet:

www.c5s.nl

email:

info@c5s.nl

Opdrachtgever:

Mevr. Lamberti

Gemeente:

Rucphen

Projectnummer:

171944

Datum: 13-06-2019 Referentie:

2

BKP Landgoed Havikshorst

Inhoud Beeldkwaliteitsplan

1 . I n le idin g 5 2 . G e sch ie de n is 7 2.1 Historische ontwikkeling van het landschap 2.2 Historie landgoed Havikshorst

3 . U it ga n gspu n t e n la nd g o e d

11

4 . B e e ldk wa lit e it la n d s c hap

13

4.1 Landschapsplan 4.2 Openstelling landgoed 4.3 Schietberg 4.4 Natuurontwikkeling

5 . B e e ldk wa lit e it la n d hui s

22

5.1 Situering erf en gebouwen 5.2 Hoofdgebouw en bijgebouw(en) 5.3 Architectuur hoofdgebouw 5.4 Materialisering hoofdgebouw

Langoed Havikshorst 3

4

1. Inleiding Initiatiefnemer

is

voornemens

om

ten

Dit

beeldkwaliteitsplan

westen van Schijf, gelegen tussen de

in

op

Hoeksestraat in het zuiden en de Neder-

landgoed

heidsebaan in het noorden, een nieuw

landschappelijke

inrichting

landgoed te realiseren van 10 hectare.

landgoed

randvoorwaarden

De naam van het nieuwe landgoed betreft

architectuur van het nieuw te bouwen

“Landgoed Havikshorst”. Gelet op deze

landhuis.

het

nieuw

Havikshorst;

als

de

gaat te

verder

gevallen

niet

ontwikkelen

worden

voldaan

zowel

op van

aan en

de de

richtlijnen

kan

voorgenomen

de

ontwikkeling zeker wel gewenst is, kan

het

besloten worden om af te wijken van de

en

richtlijnen.

oppervlakte kan gebruik worden gemaakt van de provinciale en gemeentelijke land-

De ervaring heeft geleerd dat richtlijnen

goedregeling. Op basis van deze land-

als te benauwend voor een deugdelijke

goedregelingen

bebouwing

planontwikkeling ervaren kan worden. De

Initiatiefne-

oorzaak hiervan ligt in het feit, dat bij het

mer is voornemens nieuwe bebouwing

formuleren van de richtlijnen lang niet

toe te voegen in het zuidoosten van

alle

het

worden

nieuwe

toegevoegd.

landgoed.

nieuwe

kan

Ter

plaatse

wooneenheid

mogelijke

ontwikkelingen

voorzien

wordt

één

kunnen worden. De gestelde richtlijnen

gerealiseerd.

Ten

zouden in dergelijke gevallen een goede

behoeve van de ontwikkeling van het

planontwikkeling

onmogelijk

kunnen

landgoed wordt eveneens nieuwe natuur

maken. Daarom wordt hier benadrukt dat

ontwikkeld, alsmede wandelpaden voor

deze richtlijnen naar de geest gelezen

extensieve recreatie.

dienen te worden. Wanneer in specifieke

5

6

omstreeks 1900

omstreeks 1925

omstreeks 1955

omstreeks 2016

2. Geschiedenis

2.1 Historische ontwikkeling van het landschap Landgoed Havikshorst is gelegen op de rand

een strak geordend patroon in noord-zuid

overgangsgebied.

van de Rucphense Bossen en het landelijk

richting. Het huidige landschap bestaat uit

zijn nog een aantal structuren van dit oude

gebied ten zuidwesten van het dorp Schijf.

overwegend heide en is onderdeel van een

landschap te herkennen.

Op de historische kaart van omstreeks 1850

kleinschalige

is goed te zien dat de Rucphense Bossen

en

voornamelijk

(half)open

maakt hierbij onderdeel uit van een fijnmazig

refliëfrijke gronden op de hogere dekzandrug,

netwerk van houtwallen aan de heiderand en

terwijl het dorp Schijf op de lagere nattere

rondom akkers/weilanden.

bestonden

uit

rand

van

kampenlandschap

het

In

de

huidige

inrichting

heidelandschap

rondom

Schijf.

Het

gronden gelegen is. De zandwegen die over de dekzandrug lopen zijn grillig van vorm

Gedurende

door hoogteverschillen. Opvallend is dat de

aanplant van bos toe, waardoor nagenoeg

planlocatie voor het nieuwe landgoed nog

het

niet in de huidige bosrand gelegen is, maar

Tegelijkertijd verdwijnen er veel houtwallen

onderdeel

in het kampenlandschap en vindt er door

uitmaakt

van

het

kleinschalige

kampenlandschap van de Mesthoek.

de

gehele

20e

eeuw

neemt

heidelandschap

ruilverkaveling

een

plaats.

is

Hierdoor

de

de

verdwijnt.

schaalvergroting zachte

overgang

Op de historische kaart van omstreeks 1900

van de dekzandrug naar het lager gelegen

is duidelijk het veranderlijke boslandschap te

kampenlandschap

zien. De naald- en loofbossen die aangeplant

veranderd in een harde overgang. Landgoed

worden op de voormalige heidevelden hebben

Havikshorst

maakt

rondom

Schijf

onderdeel

uit

Historisch kampenlandschap met houtwallen

langzaam

van

dit

7

2. Geschiedenis 2.2 Historie landgoed Havikshorst De

historische

name

schietbaan waar werd geoefend met geweren.

van

het

Om de schietschijf werd een maanvormige

schietberg.

Een

zandheuvel aangelegd om de gemiste schoten

gedeelte van de bospercelen die onderdeel

op te vangen. Deze zandheuvel staat beter

zijn van landgoed Havikshorst hebben van

bekend als historisch relict de schietberg.

1920

Later

bepaald

door

Jachthuis

tot

setting de

Schijf

+/-

wordt

met

aanwezigheid en

2011

de

onderdeel

uitgemaakt

werd

elders

het

landgoed

een

waardoor

de

van landgoed Jachthuis Schijf, dat ook wel

nieuwe

bekend stond als het ‘landgoed van Carlier’.

‘oude

Hector Carlier was een bankier en industrieel

in onbruik raakte en tegenwoordig volledig

uit België. De familie had vele bezittingen,

overwoekerd is.

waaronder

eigendommen

in

Rucphen

schietberg

op

schietberg’

aangelegd op

landgoed

Havikshorst

en

Schijf, zoals het Jachthuis, café Jagersrust en

vele

hectares

bos-

en

natuurgebied.

Momenteel heeft het Jachthuis een nieuwe eigenaar en wordt het gerenoveerd en vindt er natuurontwikkeling plaats. Het

belangrijkste

Jachthuis

Schijf

is

van

het

landgoed

nieuwe

landgoed

op

het

is

de

voormalige

begin

20e

eeuw

Havikshorst Deze

relict

schietberg.

aangelegd

als Ligging schietberg op het oude landgoed

8

Jachthuis Schijf

9

10

3. Uitgangspunten landgoed Landgoed -

Openbaar toegankelijk

-

Afwisselend natuur- en cultuurlandschap kenmerkend voor de streek

-

De overgang van bos naar landelijk gebied verzachten

-

Ontwikkeling van ca. 3 ha nieuwe natuur

-

Cultuurhistorie en landschap (hoogteverschillen en diverse vormen natuur) beleefbaar maken

Landhuis -

Bouw van één nieuw landhuis

-

Gebouw als moderne interpretatie van agrarische bouwvormen

-

Gebouw gaat op in de natuur, groene uitstraling

-

Gebruik van natuurlijke materialen

11

Legenda Bloemrijke akker

Bos met wandelpad

Bloemrijk nat grasland met poel

Landhuis

Schietberg met schietbaan

Zachte bosrand met mantel

Houtwal

Landschapsplan Landgoed Havikshorst

12

4. Beeldkwaliteit landschap 4.1 Landschapsplan Het

gebied

waar

landgoed

Havikshorst

Een

ander

belangrijk

element

van

het

gerealiseerd zal worden is gelegen op de

landschapsplan is het zichtbaar maken van de

overgang van de Rucphense bossen op de

natuurlijke hoogteverschillen in het gebied.

dekzandrug naar het lager gelegen landelijke

Door de overgang tussen de hoger gelegen

gebied. De basis van het landschapsplan is

dekzandrug

om deze overgang te verzachten en geleidelijk

en

over het terrein plaats te laten vinden. Dit

beleefbaar gemaakt. Door uitkijkpunten en/

wordt gerealiseerd door zowel in het huidige

of rustpunten toe te voegen kan optimaal

bos de open plekken te koesteren alsmede

genoten

door het open landelijke gebied de overgang

landschap.

en

weilanden

de te

worden

lager

gelegen

accentueren

van

het

wordt

akkers deze

afwisselende

Hoogtekaart plangebied

van bos naar akkerland te verzachten met beplanting. Hiervoor wordt zo veel mogelijk gebruik gemaakt van streekeigen soorten en kenmerkende elementen van het historische kampenlandschap

zoals

houtwallen,

bloemrijke akkers en bomenlanen.

Harde overgang bos naar weide

Hoogteverschillen in plangebied

13

4. Beeldkwaliteit landschap 4.2 Openstelling landgoed De paden op landgoed Havikshorst zullen, op het erf rond de privé woning na, volledig opengesteld worden voor bezoekers. Vanaf de paden wordt de afwisseling in het gebied en het hoogteverschil goed beleefbaar gemaakt, doordat de paden zowel door de bossen, over de velden als langs de overgangsgebieden gaan. Op bijzondere plekken zoals de schietberg en de bosrand worden recreatieve rustpunten

voor

bezoekers

aangelegd

met Openbare bospaden slingeren door bos

informatie over het landgoed, het landschap en de historie. De paden worden ontsloten vanaf de Hoeksestraat en splitsen zich bij de bosrand in vier richtingen uiteen. In de bosrand is tevens voorzien in een kleine parkeergelegenheid voor 6 auto’s.

Padenstructuur en recreatieve rustpunten

14

Recreatieve rustpunten op bijzondere zichtlocaties

4. Beeldkwaliteit landschap 4.3 Schietberg Het

meest

waardevolle

cultuurhistorische

Aan het wandelpad aan de westkant van de

element op het landgoed is de schietberg.

schietberg

Deze

overwoekerd

ingericht. Deze plek biedt een mooi uitzicht op

en niet meer als zodanig herkenbaar in het

de achterkant van de schietberg en de lager

landschap. Door de beplanting van de berg

gelegen historische schietbaan aan de ene

te verwijderen wordt deze weer zichtbaar

kant en een doorkijk op de lager gelegen open

in het landschap. Aan de oostzijde wordt de

plek aan de andere kant. Hierdoor kunnen

historische schietbaan weer zichtbaar gemaakt

de hoogteverschillen in het landschap extra

door de beplanting die tussen de schietberg

beleefbaar gemaakt worden, maar kan ook

en het bospad is gelegen te verwijderen.

stilgestaan worden bij de historie van het

Lopende vanaf het pad langs de bosrand

landgoed. Een infobord over de schietberg en

wordt hierdoor een mooie zichtlijn gevormd

de Rucphense bossen kan dit extra beleefbaar

naar de schietberg. Door de smalle bosrand

maken voor de bezoekers. Het rustpunt wordt

tussen de schietbaan en de open plek in het

ingericht met een picknickbank en prullenbak.

is

momenteel

volledig

wordt

een

recreatief

rustpunt

De schietberg is volledig overwoekerd en onzichtbaar

bos luchtiger te maken (enkel de bomen met lage onderbegroeiing) ontstaat er een zichtlijn vanaf de open plek naar de schietbaan en vice versa maar blijven beiden als afzonderlijk landschapselement herkenbaar.

Inrichting rondom schietberg en schietbaan

Historische foto van een soortgelijke schietberg

15

4. Beeldkwaliteit landschap 4.4 Natuurontwikkeling In het plangebied zijn 4 locaties aangewezen voor

de

ontwikkeling

van

nieuwe

natuur.

Van deze 4 locaties valt één locatie (locatie D) al binnen de bestemming ‘Bos’ en maakt onderdeel uit van de EHS. Deze locatie telt daarom niet mee in de telling voor ‘nieuwe natuur’. De overige drie percelen (A, B en C) hebben de bestemming ‘Agrarisch – met waarden landschap’ en tellen daardoor mee voor de verplichte ontwikkeling van nieuwe Het huidige perceel B als akkerland

natuur. Deze drie percelen beslaan totaal 3ha. Hiermee wordt voldaan aan de eis van de provinicie Noord-Brabant van een minimale oppervlakte van 2.5ha nieuwe natuur.

Opbouw zachte bosrand

16

Ligging percelen nieuwe natuur

Perceel D, nu nog een grasveld in het bos

Perceel A bestaat momenteel uit grasland ,

centrale open weide ingezaaid zal worden.

omgeven door bos. Centraal op het perceel

De zuidelijke en oostelijke bosrand blijven

is een nieuw gegraven waterpartij gelegen

behouden, zodat er een afwisselend landschap

met

centraal

daarin

met

ontstaat. Ook is hierdoor een doorkijk vanaf

een

solitaire

landschapsboom.

huidige

het wandelpad naar de open weide zichtbaar

waterpartij is vrij diep en heeft steile taluds,

alsmede een doorkijk vanaf de open weide

waardoor het een vreemd element is in het

naar het agrarische landschap ten oosten van

landschap. Ondanks dat het grondwater vrij

het landgoed. De huidige waterpartij wordt

diep zit op dit perceel is het toch vrij drassig.

uitgebreid en krijgt een minder steil talud.

Daarnaast is de overgang tussen bos en weide

Hierdoor wordt de overgang minder abrupt

nu hard.

en wordt de waterpartij beter toegankelijk

een

verhoging De

Inrichtingsplan perceel A

voor verschillende diersoorten en daardoor In de nieuwe situatie wordt deze bosrand

ecologisch aantrekkelijker.

zachter en afwisselender gemaakt door de noordelijke en westelijke rand uit te breiden met

een

halfbesloten

mantel-zoom bosrand

vegetatie.

wordt

overgangszone De

uitgebreid

huidige met

met harde

(lagere)

struiken en een aantal bomen. Deze gaat over in een kruidenrijke zoom die aansluit op het bloemrijke natte grasland wat op de

De harde bosrand wordt omgevormd tot mantel

Bloemrijk nat grasland gaat over in oeverbeplanting

17

Perceel B bestaat momenteel uit agrarische

aan. Ook de scherpe hoeken in deze bosrand

grond, die in gebruik is als akkerbouw (anno

worden

2017 ingezaaid met maïs). Het perceel wordt

vegetatie, waarbij de in de tussengelegen

omzoomd door een jonge bomenrij van rode

delen

beuk

Dit

behouden blijft, zodat een afwisselend beeld

perceel is gelegen op de overgang van hoog

ontstaat. De zuidelijke houtwal wordt geheel

naar laag en dit is duidelijk zichtbaar in het

vormgegeven als semi-transparante houtwal,

landschap.

waarin ook de nieuwe woning opgenomen is.

In de nieuwe situatie wordt deze overgang

De hogere gronden worden ingezaaid met een

van hoog naar laag als basis gebruikt voor

combinatiemengsel van granen (rogge, 4g/

de inrichting van het perceel. Op de rand van

m²) en een mengsel van akkerbloemen voor

hoog naar laag wordt een houtwal/bomenrij

historische

aangeplant

om

deze

Ter

een haast verdwenen maar ecologisch zeer

hoogte

de

westelijke

wordt

waardevol ecosysteem weer teruggebracht in

(Fagus

van

sylvatica

‘atropurpurea’).

te

accentueren. overgang

deze ingericht als bomenrij waardoor er een doorzicht

ontstaat

tussen

beide

aangevuld

de

met

doorkijk

akkers,

een

vanuit

2g/m².

mantel-zoom

het

bos

Hierdoor

wel

wordt

het landschap.

gebieden.

Naar de bosrand toe wordt deze dichter en

De lagere gronden worden ingezaaid met een

vormgegeven

zaaimengsel

voor

bloemrijk

Centraal

dit

lagere

als

houtwal

die

Inrichtingsplan perceel B met landhuis

overgaat

in

een mantel-zoom vegetatie tegen de bosrand

in

nat

deel

grasland.

wordt

een Bloemrijke akker met rogge

18

amfibieënpoel aangelegd die in de drogere

De privé-tuin rondom de woning zal tevens

zomerperiode droog zal vallen en in de nattere

landschappelijk

periodes het hemelwater zal opvangen. De

gedacht

poel heeft een geringe diepte (max. 100cm)

solitaire bomen of (fruit-)boomgaard omzoomd

en heeft flauwe oevers waarbij het bloemrijke

door een lage haag ter afscheiding van het

natte grasland door kan lopen tot aan de

openbaar toegankelijke gebied. De inrichting

waterrand.

hiervan zal n.a.v. het definitieve ontwerp van

kan

ingericht

worden

aan

worden, een

waarbij

weide

met

het woonhuis ingevuld worden.

Amfibieënpoel in bloemrijk nat grasland met houtwal

Boomgaard in privé tuin

19

Perceel C bestaat momenteel uit een opschot

naar het landelijke gebied. Deze bomenrij

van struiken en bomen zoals berk, els en

wordt

wilg. Deze zijn onderdeel van een voormalige

bomenlaan langs het wandelpad. De bomenrij

boomkwekerij en sterk verwilderd, waardoor

vormt de afscheiding tussen het bos en de

het geheel zeer rommelig oogt en door de

aangrenzende weilanden.

naar

het

noorden

doorgezet

als

monocultuur geen grote ecologische waarde heeft.

In

de

nieuwe

situatie

wordt

het

opschot

verwijderd zodat het weer een open landschap Inrichtingsplan perceel C

wordt. Dit veld wordt ingezaaid met de zelfde mix van rogge en akkerbloemen zoals de hogere gronden in perceel B. De westelijke en zuidelijke rand worden aangeplant met een dichte houtwal die kenmerkend is voor het

historische

kampenlandschap.

Deze

houtwal schermt het zicht op de omliggende percelen (tuinen) af. De oostelijke rand wordt aangeplant met een bomenrij van veldesdoorn (Acer campestre) die een mooie doorkijk geeft Bomenlaan op overgang bos naar weide

20

Een houtwal scheidt de akker af van de omgeving

Perceel D bestaat momenteel uit een grasveld

lopen) blijft het open zicht behouden.

en is een (lage) open plek, aan alle zijden

Het centrale veld wordt ingezaaid met een

omgeven door bos. Enige jaren geleden is het

mengsel

opschot van dit perceel verwijderd waardoor

op het veld op het kruispunt van de paden

een open veld ontstaan is.

staat een solitaire landschapsboom (zomereik,

voor

bloemrijk

grasland.

Centraal

Quercus robur). Naast dit kruispunt wordt In de nieuwe situatie wordt aan de noordzijde

een

de

oude

gemaakt

natte

en

daarmee

perceel.

opvangt. Aan deze poel staat ook een solitaire

schietbaan

weer

onderdeel

open

van

dit

De rand tussen deze schietbaan en open

kleine

amfibieënpoel

periodes

het

gegraven

overtollige

ontstaat.

struiklaag

Hierbij

verwijderd,

wordt

de

hoge

waardoor

de

lage

in

hemelwater

landschapsboom (es, Fraxinus excelsior). Inrichtingsplan perceel D en schietbaan/berg

vlakte wordt opener gemaakt waardoor een doorkijk

die

struiklaag met varens behouden blijft. Zowel aan de oost-, west- als zuidzijde wordt een deel van de harde bosrand aangevuld met een

mantel-zoom

vegetatie

waardoor

een

afwisselende bosrand ontstaat. Op belangrijke zichtassen

(verlengde

van

het

wandelpad

en waar wandelpaden vlak naast de bosrand Perceel D, nu nog een grasveld in het bos

Streefbeeld: gevarieerde open plek met poel

21

5. Beeldkwaliteit landhuis 5.1 Situering erf en gebouwen Het erf en de bebouwing zijn gelegen in de zuidoosthoek van het landgoed, waar het erf aansluit bij de verspreidde bebouwing van de Mesthoek. Het erf is ontsloten vanaf de Hoeksestraat. Het hoofdgebouw is gelegen op de rand van de dekzandrug, op de overgang naar het lager gelegen gebied. Het gebouw is niet georiënteerd op de perceelsrichting, maar op de hoogtelijnen en neemt daardoor een zelfstandige, maar logische positie in in het landschap. Door de ligging op de overgang in het landschap is er vanaf het gebouw een ver zicht mogelijk over het half-open landschap. Het hoofgebouw vormt met de bijgebouwen samen een ensemble, waardoor het als één geheel in het landschap ligt. De erfinrichting is

geïnspireerd

omgeving.

Het

op

de

boerenerven

definitieve

in

bouwplan

de kan

afwijken van de compositie die hiernaast is weergegeven. Locatie landhuis met indicatieve vorm. Bij langgevelboerderij op noordelijke grens geconcentreerd.

22

5. Beeldkwaliteit landhuis 5.2 Hoofdgebouw en bijgebouw(en) Het

hoofdgebouw

inhoud

van

krijgt

1500m³

één

wooneenheid,

één

bouwvolume.

en deze

biedt

maximale plaats

bevindt

de standaard hoogtematen als opgenomen

leidend

in

de

“Buitengebied’’,

omdat

het

bijgebouw

hoofdgebouw en

de

achterzijde

is

in

deze

positionering

bijgebouwen

dienen

van

woongebouw

het

aan

gepositioneerd te worden. Hierbij dient één

inhoudsmaat

moet qua schaal in verhouding staan tot het

bijgebouw duidelijk het hoofd-bijgebouw te

bestemmingsplan

hoofdgebouw. Hierdoor is bijvoorbeeld een

vormen, de andere bijgebouwtjes zijn daar

2012”

moderne Vlaamse schuur van 8 meter hoog

ondergeschikt aan in oppervlakte, hoogte en

herzieningen). Deze grotere inhoudsmaat is te

voorstelbaar.

detail/materiaalgebruik.

rechtvaardigen vanuit de Verordening ruimte

woonfuncties toegestaan.

zoals

de

opgenomen

“Buitengebied

inhoud

in

Het

eveneens allure zal krijgen. Het bijgebouw

van

deze

zich

aan

Ook met het bijgebouw wordt afgeweken van

wordt

afgeweken

Met

een

standaard in

het

Rucphen

(inclusief

In

het

bijgebouw

zijn

geen

Noord-Brabant. Bovendien krijgt een landgoed allure,

wanneer

het

hoofdgebouw

in

een

grotere massa wordt uitgevoerd.

Qua architectuur dienen de bijgebouwen aan te sluiten op de woning, zij het dat deze wat soberder uitgevoerd kunnen worden.

Nabij het woongebouw is een bijgebouw van

Wanneer

max. 200m² t.b.v. opslag en onderhoud van

hoofdgebouw

het

als

deze opgezet te worden als een boerderij-

los bouwvolume gebouwd worden of in het

ensemble, zoals in de omgeving veelvuldig

hoofdgebouw geïntegreerd worden.

te zien is. Hierin ontstaat een centraal erf

landgoed

noodzakelijk.

Deze

kan

de

bijgebouwen geïntegreerd

niet worden,

in

het

dienen

waaromheen de diverse gebouwen gesitueerd zijn.

23

5. Beeldkwaliteit landhuis 5.3 Architectuur hoofdgebouw Het landhuis vormt een onlosmakelijke eenheid

Doordat

met het landschap. Op deze bijzondere locatie

positie heeft ten opzichte van de bestaande

mag

boerderijen

het

landhuis

niet

domineren

in

het

landschap.

het

vrijheid

landhuis

in

om

de

de

een

terugliggende

Mesthoek

typologie

ontstaat

van

de

gebouwen

in de omgeving over te nemen, maar een Uitganspunt te

is

realiseren

bebouwing

in

daarom, van de

om

een

bestaande

geheel

agrarische

vorm

met

karakteristieke

allure

te

de

gedacht worden aan bijvoorbeeld de lang-

dat

het

landhuis

een

gevelboerderij

met

een

eigentijds

karakter

schuur.

Ook

reguliere

verschijnings-

realiseren

van

Vlaamse

Hierbij

eigen

kan

en

omgeving.

afgeleide

bebouwing.

Dit

afwijkt

betekent

verschijningsvorm en

eigenschappen

in de grensstreek van Nederland/België zoals

detail, dit karakter te bewerkstelligen en te

de vierkantshoeve of meerdelige boerderij in

bewaken. Dit betekent dat qua hoofdvorm,

gesloten aanleg kunnen als inspiratie dienen,

typologie, materialen en clusterwerking wordt

doordat

bouwstijl

uitgegaan van de typerende kenmerken van

kenmerken, maar door de opvallende ver-

agrarische bebouwing. Echter doorontwikkeld

schijningsvorm

naar

wel

in

de

de

agrarische

regio

als

bijzonder

een

Belangrijk

landelijke

kenmerkende agrarische bouwvormen elders

deze

krijgt.

die

verschijningsvorm

van

is

de

om

in

Moderne interpretatie van een Vlaamse schuur

21ste

aangeduid kunnen worden, wat het landgoed

eeuw. De woning dient geen imitatie-

extra allure geeft.

langevelboerderij te worden. Historiserende vormgeving moet worden vermeden Moderne variant van de langgevelboerderij

24

De locatie waarin het landgoed zich bevindt is

De

invullingen

van oudsher een agrarisch gebied met kleine

ingetogen.

Als

men

boeren bedrijven en wordt gekenmerkt door

landschap

naar

de

soberheid en kleinschaligheid. Deze soberheid

ziet

de

vertaalde zich in de bebouwing door sober

(natuurlijke materialen zoals baksteen, hout

gebruik van materiaal en het ontbreken van

en riet). Daken zijn voorzien van riet, pannen

verfraaiingen en versieringen, zowel in de

of leien in een matte grijze/antraciete kleur.

bouwmassa als in de toegepaste materialen

Van dichtbij is de verfijning van detaillering

en detailleringen. De nieuwe woning van het

en materialisering te zien. De uitvoering van

landgoed zal in zijn architectuur aansluiting

de gebouwen is ingetogen.

men

van

de

aangezichten

van

veraf

uit

landgoedhuizen

compositie

van

de

zijn het kijkt,

vlakken

Moderne interpretatie van een langgevelboerderij

zoeken bij deze kenmerken. Monumentale en historiserende architectuur is derhalve niet toegestaan.

De oude boerderijen zoals die in het gebied of elders in de grensregio voorkomen kunnen als inspiratie dienen. De landgoedwoning kan echter nooit een letterlijke herhaling van een dergelijke boerderij zijn, maar zal hier altijd een eigentijdse vertaling van moeten zijn. Moderne interpretatie van een Vlaamse schuur

Modern landhuis gebaseerd op een boerderijensemble

25

5. Beeldkwaliteit landhuis 5.4 Materialisering hoofdgebouw Voor

het

landhuis

traditionele

waarin aan de ene kant energie opgewekt

materialen worden toegepast als riet, hout,

wordt (door bijv. zonnepanelen, warmtewis-

baksteen en pannen. Om beeld en bijzondere

selaars etc.) en aan de andere kant energie

allure te versterken mogen ook ‘eigentijdse’

bespaard wordt door een optimale zonligging

materialen als zink, glas en staal worden

en isolatie. Daarnaast zijn de bouwmaterialen

gebruikt,

duurzaam, denk aan hergebruik, ecologisch

zonder

de

zullen

overhand

te

krijgen.

Zorgvuldig in totaal en detail verwerkt.

verantwoord

hout

en

riet

en

lokale

bouwstoffen. De

detaillering

bijgebouw(en),

van is

het

landhuis

passend

bij

en de Zonnepanelen verwerkt in het dakvlak

terughoudende architectuur en ligt in de lijn van de traditionele ingetogenheid en eenvoud van dit gebied. De aanwezige soberheid in dit gebied vertaalde zich ook in de gebruikte materialen en de toepassing ervan. Geen rijk detail, geen verfraaiingen.

Duurzaamheid

speelt

een

belangrijke

rol

binnen de materialisering van het landhuis. Gestreefd wordt naar een duurzaam huis, Ecologische moderne variant

26

Combineren van traditionele en eigentijdse materialen

De toegepaste materialen zijn hoogwaardig.

Een

Hoogwaardig wil zeggen dat ze mooier worden

materialen

naarmate ze ouder worden. Toepassing van

kleurgebruik is terughoudend. De uitstraling

kunststoffen,

betonsteen,

van de woning wordt vooral bepaald door het

betonplaat of betonpan, houtwolcementplaat

uiterlijk van de toegepaste materialen en de

etc. in de gevel of op het dak is dan ook niet

wijze waarop ze verwerkt worden.

kalkzandsteen,

eigentijdse

toepassing

wordt

van

natuurlijke

gestimuleerd.

Het

toegestaan.

Verbijzonderingen in strakke gevel

Ecologisch bouwen; zonnepanelen en groen dak

Sobere detaillering, eigentijdse variant van potdeksel

Combinatie van hout met staal en glas

27

28

29

30

Bijlage 2

quickscan flora en fauna

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Landgoed Havikshorst 37

QUICKSCAN FLORA EN FAUNA HOEKSEBAAN (ONG.) TE SCHIJF

Rapportage quickscan flora en fauna Hoeksebaan (ong.) te Schijf Opdrachtgever

Compositie 5 stedenbouw Boschstraat 35 - 37 4811 GB Breda

Rapportnummer Versienummer

5047.002 D1

Status

Eindrapportage

Datum

7 november 2017

Vestiging

Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl

Opsteller

S.H.W.M. Claessens Msc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

ir. T. Leeuwis

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden. Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.

In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2

Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 5

3

ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 7

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 8 4.1 4.2 4.3 4.4

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ................................ 11 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

6

Vogels ............................................................................................................................. 11 Vleermuizen .................................................................................................................... 12 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 12 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 13 Ongewervelden............................................................................................................... 14 Vaatplanten..................................................................................................................... 14

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 16 6.1 6.2 6.3 6.4

7

Zorgplicht .......................................................................................................................... 8 Soortenbescherming ........................................................................................................ 8 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 9 Houtopstanden ............................................................................................................... 10

Algemene broedvogels ................................................................................................... 16 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 16 Reptielen ......................................................................................................................... 16 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 17

TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 18 7.1 7.2

Natura 2000 .................................................................................................................... 18 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 19

8

HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 20

9

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 21

Bijlage 1 Bijlage 2

toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 5047.002

1

INLEIDING

Econsultancy heeft van Compositie 5 stedenbouw opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna aan de Hoeksebaan (ong.) te Schijf. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000 gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.

Rapport 5047.002 versie D1

Pagina 1 van 22

2 2.1

GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving

De onderzoekslocatie (± 13 ha) ligt aan de Hoeksebaan (ong.), circa 1 kilometer ten westen van de kern van Schijf. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 49 F (schaal 1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 962.520, Y = 389.883.

Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.

De onderzoekslocatie, gelegen tussen de Hoeksestraat in het zuiden en de Nederheidsebaan in het noorden, bestaat momenteel grotendeels uit droog bos met productie (N16.03) en agrarisch waterbeheergebied (W01.01) aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie. Aan de noordzijde van de onderzoekslocatie is reeds het ‘Landgoed Kniphorst’ met bebouwing en agrarisch waterbeheergebied (W01.01) aanwezig. directe omgeving bestaat voornamelijk uit loof- en naaldbos en agrarische percelen. Het perceel, waar de onderzoekslocatie deel van uitmaakt, is kadastraal bekend gemeente, sectie K, nummers 1373, 1382, 1690, 2133, 2135, 2139, 2141, 2143 en sectie Q, nummers 304, 329, 330, 475, 476, 477, 480 (zie figuur 2). In figuur 3 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 12 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.

Rapport 5047.002 versie D1

Pagina 2 van 22

Figuur 2. Ligging onderzoekslocatie en kadastrale percelen (Bron: Nieuw landgoed Havikshorst inrichtingsvoorstel 2017 Eelerwoude)

Rapport 5047.002 versie D1

Pagina 3 van 22

Figuur 3. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.

Figuur 4. Zuidoostzijde van de onderzoekslocatie met voormalig akkerland. Toekomstige locatie van nieuwe woning.

Figuur 7. Toekomstige bospad ten zuiden van schietberg.

Rapport 5047.002 versie D1

Figuur 5. Bosrond aan de zuidoostzijde van de onderzoekslocatie. Randzonde van toekomstige woning.

Figuur 8. Grasveld in de kern van de onderzoekslocatie.

Figuur 6. Blokhut aan de zuidwestzijde van de onderzoekslocatie.

Figuur 9. Hooiopslag ten noorden van de schietberg.

Pagina 4 van 22

Figuur 10. Aanwezige vertakking van het wandelpad ten noorden van de onderzoekslocatie.

2.2

Figuur 11. Openplek aan de zuidzijde van de onderzoekslocatie.

Figuur 12. Boomkwekerij ten zuiden van de onderzoekslocatie,

Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen

Initiatiefnemer is voornemens om ten westen van Schijf, gelegen tussen de Hoeksestraat in het zuiden en de Nederheidsebaan in het noorden, een nieuw landgoed te realiseren. Aan de Nederheidsebaan, in het noorden van het gebied waarin wordt voorgenomen het landgoed te realiseren, is thans reeds het “Landgoed Kniphorst” gelegen. Beoogd wordt dit bestaande ‘landgoed’ samen te voegen met gronden die daar ten zuiden van zijn gelegen, zodat één landgoed van circa 13 hectare ontstaat. De naam van het totale landgoed betreft dan “Landgoed Havikshorst”. Gelet op deze aaneengesloten oppervlakte kan gebruik worden gemaakt van de provinciale en gemeentelijke landgoedregeling. Op basis van deze landgoedregelingen kan nieuwe bebouwing worden toegevoegd. De initiatiefnemer is voornemens nieuwe bebouwing toe te voegen aan de zuidzijde van het landgoed (voormalige akker; figuur 13), ter plaatse wordt één nieuwe wooneenheid gerealiseerd. Ten behoeve van de ontwikkeling van het landgoed dient eveneens nieuwe natuur te worden ontwikkeld, alsmede aanleidingen voor extensieve recreatie. Voor het landgoed is reeds een inrichtingsvoorstel opgesteld.

Rapport 5047.002 versie D1

Pagina 5 van 22

Figuur 13. Geplande toekomstige ontwikkelingen (Bron: Nieuw landgoed Havikshorst inrichtingsvoorstel 2017 Eelerwoude)

Rapport 5047.002 versie D1

Pagina 6 van 22

3

ONDERZOEKSMETHODIEK

Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 19 oktober 2017. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.

Rapport 5047.002 versie D1

Pagina 7 van 22

4

OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING

Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op:   

het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.

De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1

Zorgplicht

Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2

Soortenbescherming

Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;   

soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).

In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.

Rapport 5047.002 versie D1

Pagina 8 van 22

4.3

Gebiedenbescherming

Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1

Natura 2000

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).

Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:     

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.

Rapport 5047.002 versie D1

Pagina 9 van 22

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4

Houtopstanden

De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel V) word de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.

De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.

Rapport 5047.002 versie D1

Pagina 10 van 22

5

AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN

Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1

Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)

Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen het buitengebied kunnen dit zijn: steenuil, roek, sperwer, ransuil, havik, buizerd en boomvalk. Vanwege het ontbreken van geschikte nestmogelijkheden kunnen de steenuil en roek op voorhand worden uitgesloten. De steenuil broed voornamelijk in natuurlijke holtes in wilgen op kleinschalige cultuurlandschappen met een variatie aan houtwallen, heggen, weitjes en knoestige bomen. Roeken broeden voornamelijk met grote groepen in de toppen van vrijstaande hoge bomen (vaak populieren). Beide habitats ontbreken op en rondom de onderzoekslocatie. Buizerd, sperwer, ransuil, havik en boomvalk Volgens verspreidingsgegevens worden in het gebied op en rond de onderzoekslocatie waarnemingen gedaan van buizerd, sperwer, ransuil, havik en boomvalk. De hoge bomen op en rondom de onderzoekslocatie konden door de dichtheid van de bomen en door het dichte bladerdek niet goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten, zodat de aanwezigheid van een vaste- rust of verblijfplaats van desbetreffende soorten niet kan worden uitgesloten. Bij de voorgenomen plannen zullen de aanwezige boomopstand en bebouwing intact blijven.

De plannen zullen daarom ook in de toekomst geen aantasting vormen voor vaste- rust en verblijfplaatsen van de jaarrond beschermde buizerd, sperwer, ransuil, havik of boomvalk. 5.1.2

Overige broedvogels

De onderzoekslocatie biedt door de aanwezigheid van opgaand groen, geschikte nestgelegenheid aan broedvogelsoorten zoals bosuil, merel, winterkoning, groenling, roodborst en houtduif. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6). De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van holen en grote nesten. Daarnaast gaat het hierbij om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6).

Rapport 5047.002 versie D1

Pagina 11 van 22

5.2

Vleermuizen

Volgens het cursusdictaat "Vleermuizen en Planologie" (Limpens et al. 2010), en het Beschermingsplan voor vleermuizen in Noord-Brabant (Twisk en Limpens 2006) is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis, baardvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De bebouwing op de onderzoekslocatie is niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Er zijn geen spouwmuren aanwezig die middels stootvoegen bereikbaar zijn voor vleermuizen. De ruimte langs de dakranden geeft geen toegang tot ruimte onder de dakpannen. Verder zijn er geen ruimtes achter betimmeringen waargenomen, waar vleermuizen gebruik van kunnen maken. Tijdens het veldbezoek zijn geen boomholtes, spleten en/of loshangend schors aangetroffen in de aanwezige bomenopstand. Boomholtes, spleten en/of loshangend schors kunnen dienen als potentiele vaste rust- en verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen. De bomenopstand bestaande uit voornamelijk grove den kon goed gecontroleerd worden op aanwezigheid van holtes.

Deze zijn niet aangetroffen waardoor redelijkerwijs is uit te sluiten dat verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen als ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en gewone grootoorvleermuis op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. Bij de voorgenomen plannen zullen de aanwezige boomopstand intact blijven. De plannen zullen daarom ook in de toekomst geen aantasting vormen voor vaste- rust en verblijfplaatsen van vleermuizen. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing of holtebomen in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, watervleermuis, meervleermuis, rosse vleermuis, baardvleermuis en gewone grootoorvleermuis om te foerageren. Bij de voorgenomen plannen zullen de aanwezige boomopstand intact blijven. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen.

Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Op de onderzoekslocatie zijn potentiële vliegroutes aanwezig. Bij de voorgenomen plannen zullen de aanwezige boomopstand intact blijven. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van vliegroutes niet in het geding komen. 5.3

Overige zoogdieren

Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie bewoningssporen van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen: boommarter, bunzing en eekhoorn.

Rapport 5047.002 versie D1

Pagina 12 van 22

Streng beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de boommarter en bunzing. Deze soort komt in de omgeving veelvuldig voor. De boommarter maakt gebruiken boomholtes, van onder andere spechten, als verblijfplaats. De Bunzing maakt gebruik van oude konijnenholen, houtwallen, steenhopen, holle bomen, ruimtes onder boomwortels en hooizolders. Beide soorten hebben binnen hun territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn sporen van uitwerpselen aangetroffen die afkomstige waren van een marter. Deze uitwerpselen duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie als vaste rust- of verblijfplaats door een of beide soort. Bij de voorgenomen plannen zullen de aanwezige boomopstand intact blijven. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van vaste- rust en verblijfplaatsen van de boommarter en bunzing niet in het geding komen. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de eekhoorn. De hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door de dichtheid van de bomen en door het dichte bladerdek niet goed worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten, zodat de aanwezigheid van een vaste- rust of verblijfplaats van eekhoorn niet kan worden uitgesloten. Bij de voorgenomen plannen zullen de aanwezige boomopstand intact blijven.

Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van vaste- rust en verblijfplaatsen van de eekhoorn niet in het geding komen Het voorkomen van overige grondgebonden zoogdieren waarvoor geen vrijstelling geldt, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan het voorkomen ervan redelijkerwijs worden uitgesloten. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als konijn, egel, haas, mol, vos, ree en diverse muizensoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat verblijfplaatsen van desbetreffende soorten worden aangetast. Bij de aanleg van de wandelpaden is het zaak om aandacht te schenken aan de zorgplicht (zie hoofdstuk 6). 5.4

Reptielen, amfibieën en vissen

Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON (van Delft et al. 2015), en de werkatlas amfibieën en reptielen Noord-Brabant (Van Delft & Schuitema, 2005) en de NDFF zijn in de directe omgeving van de onderzoekslocatie in de afgelopen 10 jaar de levendbarende hagedis waargenomen. Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. De levendbarende hagedis wordt voornamelijk waargenomen op bos- en heideterreinen en structuurrijke bermen, maar maken daarnaast gebruik van tal van verschillende habitattypes (RAVON, 2007). Op de onderzoekslocatie is geschikt habitat van de levendbarende hagedis aanwezig. Het is mogelijk dat de levendbarende hagedis gebruik maakt van de onderzoekslocatie. De voorgenomen plannen vormen echter geen bedreiging voor de mogelijk aanwezig levendbarende hagedis. Doordat de onderzoekslocatie binnen het kerngebied van de soort valt en het habitat geschikt is, is het niet uit te sluiten dat een levendbarende hagedis op de aanwezige wandelpaden binnen de onderzoekslocatie gaat foerageren. Bij de aanleg van de wandelpaden is het zaak om aandacht te schenken aan de zorgplicht en te werken volgens een goedgekeurde gedragscode (zie hoofdstuk 6).

Rapport 5047.002 versie D1

Pagina 13 van 22

Amfibieën Volgens gegevens van RAVON (van Delft et al. 2015) en de NDFF zijn binnen enkele kilometers rondom de onderzoekslocatie in de afgelopen 5 jaar de volgende soorten waargenomen: Alpenwatersalamander, heikikker, gewone pad, kleine watersalamander, vinpootsalamander, bastaardkikker en bruine kikker. Vanwege het ontbreken van geschikt voortplantingswater in de directe omgeving is het redelijkerwijs uit te sluiten dat streng beschermde soorten als de Alpenwatersalamander en heikikker gebruik maken van de onderzoekslocatie als voortplantings- of landbiotoop. De poel die zich op een afstand van 500 meter aan de oostzijde van de onderzoekslocatie bevindt kan onderkomen bieden aan beide soorten. Vanwege de afstand in combinatie met de aanwezigheid van meer geschikt landhabitat bij de poel is niet te verwachten dat de onderzoekslocatie een essentieel deel vormt van het landhabitat van streng beschermde amfibieënsoorten. De waarnemingen van de streng beschermde Alpenwatersalamander en heikikker hebben daarnaast voornamelijk betrekking op de nabij gelegen natuurgebied ‘Moergat’ ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. Verstoring ten aanzien van streng beschermde amfibieën als gevolg van de voorgenomen plannen is dan ook redelijkerwijs uit te sluiten. Verstoring ten aanzien van algemene amfibieën is echter niet uit te sluiten.

De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de ruigte en onder de takkenhopen. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor algemene soorten (zie hoofdstuk 6). Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.5

Ongewervelden

Libellen Voor libellen geldt dat water nodig is ter voortplanting. Gezien het ontbreken hiervan kan gesteld worden dat deze soortgroep niet in staat is zich in de huidige situatie te vestigen. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat met waard- en nectarplanten. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoorn, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6

Vaatplanten

Aangezien de onderzoekslocatie geheel bestaat uit bebost gebied is het niet te verwachten dat er beschermde of zeldzame plantensoorten op de locatie aanwezig zijn. De aanwezigheid van water, de zuurgraad van de bodem, de beschikbare hoeveelheid voedingsstoffen, de hoeveelheid zonlicht en de antropogene beïnvloeding bepalen in hoeverre een groeiplaats voor een bepaalde plant geschikt is. Vanwege de specifieke eisen die de meeste beschermde soorten stellen aan de groeiomstandigheden zijn beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet te verwachten. Daarnaast zijn vol-

Rapport 5047.002 versie D1

Pagina 14 van 22

gens de NDFF in de laatste 10 jaar geen waarnemingen binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie waargenomen. Het is redelijkerwijs uit te sluiten dat op de onderzoekslocatie een beschermde plantensoort voorkomt.

Rapport 5047.002 versie D1

Pagina 15 van 22

6

TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING

Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1

Algemene broedvogels

Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen. Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. Indien er toch binnen het broedseizoen gewerkt dient te worden, zal er voorafgaand een broedvogelinspectie moeten plaatsvinden. 6.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11107089/1