CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

08h Bestemmingsplan Kom St. Willebrord toelichting

commissie Economie Ruimtelijke Ordening en Milieu 15 februari 2023, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel aangepaste vaststelling bestemmingsplan Kom St. Willebrord17.672 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

30

bestemmingsplan Kom St. Willebrord

bestemmingsplan betreft een conserverend bestemmingsplan. Om deze reden heeft ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan geen nader archeologisch onderzoek plaatsgevonden.

4.5 Water Toetsingskader In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro.

Beleid provincie Noord-Brabant en Waterschap Brabantse Delta Vigerend is het Regionaal Water en Bodem programma (RWP) 2022-2027. Dit beleid is de opvolger van het Provinciaal Milieu en Waterplan. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Behalve dat het RWP de uitgangspunten aangeeft voor het waterbeleid, toetst de provincie aan de hand van dit plan ook of de plannen van de waterschappen passen in het provinciale beleid.

Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, het watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer, waaronder grondwater, heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelstellingen en strategie van het waterschap zijn opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022–2027. Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer voor Midden- en West-Brabant voor de middellange (2027/2030) en lange termijn (2050). Het programma brengt op strategisch niveau samenhang tussen de verschillende kerntaken en draagt zo bij aan integraal waterbeheer en duurzame ontwikkeling in de regio. Die kerntaken zijn: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven.

Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; de Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en

bestemmingsplan Kom St. Willebrord

31

afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.

Uniformering Keuren De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel hebben in de Noord-Brabantse Waterschapsbond (NBWB) besloten om de Keuren te uniformeren en tegelijkertijd te dereguleren. Hierbij is aangehaakt bij het landelijke uniformeringsproces van de Unie van Waterschappen. Er is conform het nieuwe landelijke model een sterk gedereguleerde Keur opgesteld, met bijbehorende algemene regels en beleidsregels. Deze zijn voor de drie waterschappen gelijkluidend. De nieuwe uniforme Keuren zijn gezamenlijk in werking getreden op 1 maart 2015.

In de nieuwe Keur is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. b. c. d. e.

de waterparagraaf schriftelijke instemming heeft verkregen van het waterschap en de maatregelen in de waterparagraaf zijn uitgevoerd, of voor zover; het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m 2 is, of; de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m 2 is, of; de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; de toename van verhard oppervlak tussen de 500 m 2 en 10.000 m 2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit ( in m 3) = toename verhard oppervlak (in m 2) x Gevoeligheidsfactor x 0,06

Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022 De gemeente Rucphen heeft samen met het Waterschap Brabantse Delta, de provincie Noord-Brabant en Brabant Water het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2018-2022 opgesteld. De term verbreed houdt verband met de wettelijke uitbreiding van de zorgplicht riolering. Hierbij is er voor de gemeente sprake van drie zorgplichten: a. b. c.

zorgplicht voor inzameling en transport stedelijk afvalwater; zorgplicht voor afvloeiend hemelwater; zorgplicht voorkomen structureel nadelige gevolgen van grondwater.

De gemeente dient zorg te dragen voor een deugdelijke inzameling, berging, transport en/of lokale zuivering van stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater. De kans op overlast dient hierbij te worden beperkt tot maatschappelijk aanvaardbare normen. Deze taakverantwoordelijkheid geldt alleen indien de burger niet zelf op eigen terrein het hemel- en grondwater doelmatig kan verwerken. De uitvoering van werkzaamheden wordt intern integraal afgestemd en bij voorkeur gecombineerd met wegbeheer en reconstructie van de openbare ruimte zodat kosteneffectief 'werk-met-werk' gemaakt kan worden.

Voorgesteld wordt om te kiezen voor risicogestuurd rioolbeheer. Hiermee kan naar verwachting voldoende invulling worden gegeven aan de gemeentelijke zorgplicht en kan de stijging van de rioolheffing op een aanvaardbaar niveau worden gehouden, conform de ambities van de betrokken overheidsinstanties.

Beoordeling en conclusie De retentiemogelijkheden en waterbergingsvoorzieningen van de kern St. Willebrord zijn specifiek met een aanduiding weergegeven op de verbeelding. Het uitvoeren van een watertoets is niet noodzakelijk doordat het plan geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maakt.

32

bestemmingsplan Kom St. Willebrord

4.6 Natuur Toetsingskader De wet natuurbescherming is in werking getreden op 1 januari 2017 en vervangt daarmee het voorheen geldende wettelijke stelsel voor de natuurbescherming, zoals neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet.

Gebiedsbescherming De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wnb.

Beoordeling en conclusie Binnen het plangebied vinden geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats. Een toetsing in het kader van de gebiedsbescherming voortkomend uit de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

Soortenbescherming De wet regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Voor de soortenbescherming is wettelijk bovendien rechtstreeks verwezen naar het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn.

Het beschermingsregime betreffende soorten (flora en fauna) is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wnb. De verbodsbepalingen zijn hierbij afhankelijk gesteld van de soort (en daarmee de opname van die soort op de diverse lijsten) en de voorgenomen handelingen. Bovendien is een algemeen geldende zorgplicht opgenomen om handelingen achterwege te laten of maatregelen te treffen, om te voorkomen dat nadelige gevolgen ontstaan voor in het wild levende dieren en planten.

Conform de Wet natuurbescherming is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde soorten binnen het plangebied. Vanuit die kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wnb. Conform vaste jurisprudentie kan een plan worden vastgesteld indien aannemelijk wordt gemaakt dat het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Beoordeling en conclusie Binnen het plangebied vinden geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats. Een toetsing in het kader van de soortenbescherming voortkomend uit de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

4.7 Verkeer en parkeren Toetsingskader De gemeente Rucphen heeft in haar 'Nota Parkeernormen Rucphen 2017' uniforme parkeernormen vastgelegd die een duidelijke richting geven aan de mate van faciliteren van parkeervoorzieningen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het doel van de Nota Parkeernormen Rucphen 2017 is het vaststellen van gemeentelijke parkeernormen voor nieuwe ruimtelijke plannen en projecten in de gemeente Rucphen om in de toekomst in een parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Waar mogelijk wordt hiermee de bereikbaarheid en leefbaarheid van de gemeente gewaarborgd. De basis van de Nota

bestemmingsplan Kom St. Willebrord

33

is gevonden in de door het CROW in oktober 2012 uitgegeven publicatie 317 over Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie. Deze publicatie maakt onderscheid in soorten gebieden, te weten: zeer stedelijk, sterk stedelijk, matig stedelijk, weinig stedelijk en niet-stedelijk. De door de CROW gehanteerde gebiedsindeling is voor het gehele grondgebied van de gemeente Rucphen toegepast.

De kencijfers van het CROW zijn een landelijk gemiddelde en hebben een bandbreedte (minimum/maximum). Door de gemeente Rucphen wordt de gemiddelde parkeernorm gehanteerd. De gemiddelde parkeernorm per gebied/per functie is in de gemeente Rucphen de vereiste parkeernorm. Geringe afwijkingen van de berekende parkeercapaciteit voor een ontwikkeling tot maximaal 10% zijn bij uitzondering mogelijk.

Voor elke functie geldt een eigen kader van parkeernormen. In de Nota Parkeernormen wordt onderscheid gemaakt naar functies die gegroepeerd kunnen worden naar een zevental hoofdfuncties, namelijk wonen, werken, winkelen/boodschappen, sport/cultuur/ontspanning, horeca/(verblijfs)recreatie, gezondheidszorg/(sociale) voorzieningen en onderwijs. Wanneer er meerdere functies (wonen, medisch etc.) deel uitmaken van een ontwikkeling kan er sprake zijn van dubbelgebruik van parkeerplaatsen. Het is dan niet altijd noodzakelijk om in een gebied de som van de vraag naar parkeerplaatsen van de afzonderlijke functies aan te leggen. Dubbelgebruik wordt bepaald op basis van aanwezigheidspercentages, zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen Rucphen 2017.

Beoordeling en conclusie Onderhavig bestemmingsplan betreft een conserverend bestemmingsplan. In het bestemmingsplan is in de regels opgenomen dat in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of afwijken voldoende parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd conform de 'Nota Parkeernormen Rucphen 2017' of diens opvolger.

4.8 Geluid Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen; de aanleg van een nieuwe weg en/of een reconstructie van een bestaande weg; functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De Wet geluidhinder bepaalt vereiste zoneringen voor geluid. De Wet geluidhinder bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder. De wet richt zich vooral op de bescherming van de burger in zijn woonomgeving en bevat bijvoorbeeld normen voor de maximale geluidsbelasting op de gevel van een huis.

Beoordeling en conclusie Dit bestemmingsplan is conserverend van aard. Nieuwe ontwikkelingslocaties met directe realisatiemogelijkheden van geluidsgevoelige objecten zijn niet in het plan aanwezig. Akoestisch onderzoek naar het aspect wegverkeerslawaai is dan ook niet noodzakelijk. De geluidscontouren rondom Breda International Airport liggen in het plangebied en zijn door middel van de aanduidingen 'luchtvaartverkeerzone - 5' tot en met 'luchtvaartverkeerzone - 9' opgenomen op de verbeelding.

4.9 Luchtkwaliteit Toetsingskader

34

bestemmingsplan Kom St. Willebrord

In het kader van een planologische procedure dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld te worden gebracht.

De 'Wet luchtkwaliteit' van 15 november 2007, opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen ( C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Voor PM10 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 50 µg/m3 mag maximaal 35 dagen per kalenderjaar worden overschreden. Voor NO2 geldt voor het jaargemiddelde een grenswaarde van 40 µg/m3. Het 24-uursgemiddelde van 200 µg/m3 mag maximaal 18 dagen per kalenderjaar worden overschreden.

De 'Wet luchtkwaliteit' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen.

Kort samengevat dienen projecten te worden beoordeeld op basis van de 'Wet luchtkwaliteit' c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor vergunningverlening als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden. In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het NSL op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2.

In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt: 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; 100.000 m 2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 200.000 m 2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Beoordeling en conclusie Onderhavig plan is conserverend van aard. Het aspect luchtkwaliteit is geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.

4.10

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader

bestemmingsplan Kom St. Willebrord

35

Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en milieugevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van gevoelige bestemmingen. Op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' (hierna: VNG-handreiking) wordt onder milieugevoelige functies verstaan: woningen, woongebieden, ziekenhuizen, scholen en verblijfsrecreatie. Sommige functies kunnen zowel milieubelastend als milieugevoelig zijn (bijvoorbeeld ziekenhuizen en scholen).

Beoordeling en conclusie In het plangebied worden geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Ontwikkelingen die bij recht (via een reeds doorlopen procedure) zijn toegestaan worden als 'bestaand' beschouwd. Bestaande bedrijven zijn als zodanig juridisch-planologisch geborgd. De bestaande nutsvoorzieningen zijn door middel van een specifieke bestemming 'Bedrijf – Nutsvoorziening' opgenomen. Vanuit bedrijven en milieuzonering zijn er geen belangen die van invloed zijn op onderhavig conserverend bestemmingsplan.

Door middel van een omgevingsvergunning is het onder voorwaarden mogelijk om een beroep- of bedrijfsmatige activiteit aan huis in het hoofdgebouw en/of in bijbehorende bouwwerken toe te staan.

4.11

Externe veiligheid

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico's, transportrisico's en risico's die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke mogelijkheden. Binnen het vakgebied externe veiligheid wordt er onderscheid gemaakt in drie soorten risicobronnen, namelijk transportroutes (weg, water en spoor), inrichtingen met gevaarlijke stoffen en buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet onderzoek gedaan worden naar het plaatsgebonden risico en het groepsrisico van de aanwezige risicobronnen. Het plaatsgebonden risico (PR 10-6) is een (berekende) afstand vanaf een risicobron waarbinnen de kans om te overlijden vanwege een ongeval met de aanwezig gevaarlijke stoffen meer dan 1 op een miljoen jaar is. Binnen deze afstand mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden opgericht binnen het bestemmingsplan. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld grote kantoren, kinderdagverblijven e.d.

Het groepsrisico is een berekende waarde die aangeeft of er mogelijk sprake is van veel slachtoffers bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om het groepsrisico te berekenen is er inzicht noodzakelijk in de aanwezige populatie binnen het bestemmingsplan en de omgeving ervan.

In het kader van het bovenstaande is advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. Het meest recente standaardadvies is als Bijlage 1 gevoegd bij deze toelichting. Daarnaast is een kwalitatieve risicoanalyse uitgevoerd, waarbij aan de waarde van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico wordt getoetst. In de komende paragrafen worden de resultaten hiervan toegelicht.

4.11.1

Inrichtingen en externe veiligheid

Toetsingskader Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de

36

bestemmingsplan Kom St. Willebrord

nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. In artikel 1 van het Bevi wordt toegelicht wat wordt verstaan onder (beperkt) kwetsbare objecten. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.

Uitsnede risicokaart ter hoogte van de kern St. Willebrord. Bron: risicokaart.nl, 2021.

Beoordeling en conclusie In het plangebied zijn geen Bevi-inrichtingen gelegen. Tegen de kern St. Willebrord aan liggen wel twee inrichtingen die van invloed kunnen zijn op de kern. De Standaard Verantwoording Groepsrisico, zoals opgenomen in Bijlage 1 van deze toelichting, ziet toe op een verantwoording van dit risico. Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van deze inrichting.

4.11.2

Transport en externe veiligheid

Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het besluit horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en II van de Regeling basisnet zijn

bestemmingsplan Kom St. Willebrord

37

opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Wg geldt dat waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand 'o' is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar.

Beoordeling en conclusie Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Aan de noordkant van de kern St. Willebrord is de Rijksweg A58 gelegen. Deze Rijksweg is juridisch-planologisch vastgelegd in het bestemmingsplan "Buitengebied". Het onderhavige bestemmingsplan is conserverend van aard. Een nadere afweging aan het Besluit externe veiligheid transportroutes is niet noodzakelijk.

4.11.3

Buisleidingen en externe veiligheid

Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10-6 risico contour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10-6, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden.

Beoordeling en conclusie Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Binnen het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen. Aan de zuidkant van St. Willebrord ligt wel een buisleiding van de Gasunie. Deze buisleiding is juridisch-planologisch vastgelegd in het bestemmingsplannen "Kom Sprundel" en "Buitengebied Rucphen 2020". Het onderhavige bestemmingsplan is conserverend van aard. Een nadere afweging aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen is niet noodzakelijk.

4.12

Kabels en leidingen

Toetsingskader De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant, voor zover zij geen deel uitmaken van een inrichting zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. Leidingen die deel uitmaken van een inrichting zijn leidingen binnen de inrichtingsgrens die in beheer zijn van de drijver van die inrichting én leidingen die in beheer zijn van derden waarmee een product wordt geleverd aan de betreffende inrichting. Laatstgenoemde leidingen hebben een zogenaamde functionele binding met de inrichting, zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. Relevante kabels en leidingen betreffen: a. b. c. d. e.

hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger; buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Onder zogenoemde leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.

Beoordeling en conclusie

38

bestemmingsplan Kom St. Willebrord

Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Hierdoor is een nadere afweging van het aspect kabels en leidingen niet benodigd.

4.13

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Toetsingskader Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: a. b. c.

plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden; plannen en activiteiten die op grond van een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig.

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(-beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke onder andere de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen.

Beoordeling en conclusie Onderhavig bestemmingsplan betreft een conserverend bestemmingsplan. Wel heeft er een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden door middel van een toetsing aan de overige milieuaspecten in dit hoofdstuk. Hierbij zijn alle relevante planologische en milieuhygiënische aspecten getoetst en akkoord bevonden.

bestemmingsplan Kom St. Willebrord

39

Hoofdstuk 5

Juridische plantoelichting

5.1 Inleiding Dit hoofdstuk bespreekt de wijze waarop het ruimtelijk en functioneel beleid voor het plangebied in het bestemmingsplan is vertaald.

5.2 Opbouw van de regels Het bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding, vergezeld van een toelichting. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De regels zijn zodanig opgesteld dat wordt aangesloten bij de vigerende bestemmingsplannen voor de overige kernen binnen de gemeente Rucphen.

De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van de bestemmingsvlakken is gebaseerd op de huidige ruimtelijke situatie en de vigerende rechten ter plaatse. Voorts sluit de opzet van de verbeelding aan de op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).

De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingen zijn zo opgenomen dat voldoende rechtszekerheid bestaat voor omwonenden en andere gebruikers van het gebied en de omliggende gebieden.

De regels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten: inleidende regels; bestemmingsregels; algemene regels; overgangs- en slotregels. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, fungeert de toelichting wel als interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.

5.3 Vergelijking vigerend bestemmingsplan met onderhavig bestemmingsplan Het uitgangspunt bij de totstandkoming van onderhavig bestemmingsplan is dat de juridische regeling zodanig opgezet wordt, dat er geen sprake is van een planologische verslechtering voor de burger. De bestaande situatie (legaal gerealiseerd) geldt dan ook als uitgangspunt.

Daarnaast is met de herziening van het bestemmingsplan "Kom St. Willebrord" ook vooruit gekeken. Voornamelijk van belang voor de opzet van de regels is de komst van de Omgevingswet. Gelijklopend aan de herziening van dit bestemmingsplan bereidt de gemeente Rucphen zich voor op de komst van de Omgevingswet. Met onderhavig bestemmingsplan is daardoor zorgvuldig gekeken naar de regels en aan de hand van de vigerende regels is bepaald welke regels wel worden toegepast en welke niet. Dit heeft geleid tot het schrappen van diverse regels uit het vigerend bestemmingsplan. Daarnaast is overeenstemming gezocht met de bestemmingsplannen "Kom Sprundel", "Buitengebied Rucphen 2020" en "Kom Zegge" van de gemeente Rucphen. Wanneer de Omgevingswet in werking treedt, vormen alle vigerende bestemmingsplannen bij recht tezamen één omgevingsplan. Wanneer de regels van de diverse komplannen overeenstemmen, vergroot dit het gebruiksgemak van het omgevingsplan.

Woongebieden

40

bestemmingsplan Kom St. Willebrord

De bestaande ruimtelijke structuur van de woongebieden wordt gerespecteerd en door middel van een conserverende regeling overgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Bestaande gevellijnen worden als uitgangspunt genomen voor de bouwmogelijkheden. Door per bestemming wijzigingsbevoegdheden op te nemen bestaat er enige flexibiliteit in de bestemmingsplanregeling. In het onderhavige bestemmingsplan zijn de mogelijkheden, bijvoorbeeld voor het wijzigen van de typologie, vergemakkelijkt. In plaats van een wijzigingsbevoegdheid is het nu mogelijk om onder voorwaarden door middel van de aanvraag van een omgevingsvergunning de typologie van een woonperceel te wijzigen.

Archeologie De gemeente Rucphen heeft haar archeologiebeleid herzien. In dit ontwerp bestemmingsplan is het nieuwe archeologiebeleid verwerkt in de regels van het bestemmingsplan.

Mantelzorg Op basis van hoofdstuk II, artikel 2, onderdeel 22 van Bijlage II van het Bor is het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg vergunningvrij. Om deze reden is er voor gekozen geen regels omtrent mantelzorg meer op te nemen in bestemmingsplannen.

Een overzicht van alle wijzigingen die hebben plaatsgevonden ten opzichte van de vigerende regels is opgenomen in Bijlage 2 van deze toelichting.

5.4 Regels 5.4.1 Hoofdstuk 1. Inleidende regels Artikel 1. Begrippen In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Artikel 2. Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

5.4.2 Hoofdstuk 2. Bestemmingsregels Het stramien voor de regels is vastgelegd in de SVBP 2012. De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid.

geen

bouwwerk

zijnde,

of

van

Duidelijk zal zijn dat een regel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen.

Artikel 3. Agrarisch Ter plaatse van de bestemming 'Agrarisch' is agrarisch grondgebruik toegestaan. Binnen het plangebied

bestemmingsplan Kom St. Willebrord

41

liggen mogelijkheden voor glastuinbouw. Deze activiteiten zijn met een specifieke aanduiding weergegeven op de verbeelding. De regeling is afgestemd op het bestemmingsplan "Buitengebied Rucphen 2020".

Artikel 4. Bedrijf Gronden die bestemd zijn als 'Bedrijf' zijn bedoeld voor de uitoefening van bedrijfsactiviteiten die voorkomen in categorie 1 en 2 van de in bijlage 1 van de regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten. Ter plaatse van een bouwvlak zijn hoofdgebouwen toegestaan. Andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde dienen te voldoen aan de genoemde bouwhoogte voor binnen en buiten het bouwvlak. Binnen de regels behorend bij de bestemming 'Bedrijf' bestaat de mogelijkheid om middels een omgevingsvergunning af te wijken voor de uitoefening van een bedrijfsactiviteit die niet is benoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten of om een bedrijf toe te laten uit maximaal 1 milieucategorie hoger. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming 'Bedrijf' onder voorwaarden te kunnen wijzigen naar de bestemmingen 'Wonen' inclusief de bestemming 'Tuin'.

Artikel 5. Bedrijf - Nutsvoorziening Binnen deze opgenomen.

bestemming

zijn

de

nutsvoorzieningen

zoals

voorkomend

binnen

het

plangebied

Artikel 6. Centrum - 1 Binnen deze bestemming zijn functies, zoals detailhandel, wonen en kleinschalige bedrijfsactiviteiten vrij uitwisselbaar. Daar waar de uitoefening van horeca-activiteiten is toegestaan is de aanduiding 'horeca' opgenomen. Binnen de bestemming 'Centrum - 1' zijn woningen direct toegestaan. Het bestaande aantal woningen mag niet worden vermeerderd. Gebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen een op de verbeelding opgenomen bouwvlak. Door het opnemen van een bouwvlak wordt de situering van de bebouwing nader geregeld. Op gronden buiten het bouwvlak mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht alsmede bijbehorende bouwwerken bij een woning. In de bouwregels zijn regels opgenomen omtrent de maatvoering.

Artikel 7. Centrum - 2 De bestemming 'Centrum - 2' komt voort uit het bestemmingsplan "Emmausplein e.o. St. Willebrord. Deze bestemming bevat een specifieke regeling met betrekking tot de supermarkt die ter plaatse aanwezig is en de laad- en losvoorziening. Bovendien is binnen deze bestemming het oprichten van een geluidscherm vastgelegd.

Artikel 8. Detailhandel De detailhandelsbedrijven zijn bestemd tot 'Detailhandel'. Binnen 'Detailhandel' zijn bovenwoningen toegestaan, echter slechts waar op de verbeelding een specifieke aanduiding is opgenomen. Gebouwen en bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend worden opgericht binnen een op de verbeelding opgenomen bouwvlak. Door het opnemen van een bouwvlak wordt de situering van de bebouwing nader geregeld. Op gronden buiten het bouwvlak mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht. In de bouwregels zijn regels opgenomen omtrent de maatvoering. Ten aanzien van de situering van de gebouwen en verschillende maatvoeringen zijn in de regels afwijkingen opgenomen. Tot slot is er een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om onder voorwaarden de bestemming te wijzigen naar 'Wonen' en 'Tuin'.

Artikel 9. Dienstverlening Dienstverlenende bedrijven zijn bestemd tot 'Dienstverlening'. Gebouwen en bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend worden opgericht binnen een op de verbeelding opgenomen bouwvlak. Op gronden buiten het bouwvlak mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht. In de bouwregels zijn regels opgenomen omtrent de maatvoering. Ten aanzien van de situering van de gebouwen en verschillende maatvoeringen zijn afwijkingen opgenomen. Detailhandel is enkel als ondergeschikte nevenactiviteit toegestaan. Tot slot is er een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om onder voorwaarden de bestemming te wijzigen naar 'Wonen' en 'Tuin'.

42

bestemmingsplan Kom St. Willebrord

Artikel 10. Groen Binnen de bestemming 'Groen' zijn grotere en structurele groenvoorzieningen opgenomen, maar ook structuren zoals groenstroken, bermen, wandelpaden, speelvoorzieningen, straatmeubilair en overige tot de bestemming behorende voorzieningen zijn binnen deze bestemming gelegen. Wijziging, aantasting en compensatie van het groen en bomen dient getoetst te worden aan het gemeentelijk groenbeleid. Op de gronden mogen kleine gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht. Door gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toe te staan wordt het mogelijk om bijvoorbeeld een gebouw toe te staan ten behoeve van speeltoestellen.

Artikel 11. Groen - Landschapselement Als gevolg van diverse ontwikkelingen mogelijk gemaakt via postzegelbestemmingsplannen, is op een deel van de gronden de verplichting komen te liggen om ter plaatse te voorzien in een landschappelijke inpassing. Deze landschappelijke inpassingen zijn bestemd als 'Groen - Landschapselement' Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gerealiseerd tot een maximale bouwhoogte van 2 meter. Ten behoeve van diverse werkzaamheden geldt een omgevingsvergunningplicht vooraleer de werkzaamheden mogen worden uitgevoerd.

Artikel 12. Horeca Horecabedrijven zijn bestemd als ‘Horeca’. De toelaatbaarheid van de horecaactiviteiten is gekoppeld aan de Staat van Horeca-activiteiten. Gebouwen en bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend worden opgericht binnen een op de verbeelding opgenomen bouwvlak. Door het opnemen van een bouwvlak wordt de situering van de bebouwing nader geregeld. Op gronden buiten het bouwvlak mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht. In de bouwregels zijn regels opgenomen omtrent de maatvoering. Ten aanzien van de situering van de gebouwen en verschillende maatvoeringen zijn afwijkingen opgenomen. Tevens is een afwijking opgenomen ten aanzien van de toegelaten aard van horeca-activiteiten. De mogelijkheid wordt geboden om activiteiten toe te staan die niet in de Staat van Horeca-activiteiten voorkomen. Bij toepassing van deze afwijkingen dient het advies van een onafhankelijke milieudeskundige te worden ingewonnen. Het gebruik van gronden voor het uitoefenen van detailhandel is expliciet verboden. Tot slot is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om onder voorwaarden de bestemming te wijzigen naar ‘Wonen’ en ‘Tuin’.

Artikel 13. Maatschappelijk Maatschappelijke bedrijven, zoals educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen alsmede voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, worden bestemd als 'Maatschappelijk'. Binnen de bestemming 'Maatschappelijk' zijn geen woningen toegestaan. De begraafplaats is apart aangeduid op de verbeelding. Gebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen een op de verbeelding opgenomen bouwvlak. Door het opnemen van een bouwvlak wordt de situering van de bebouwing nader geregeld. Op gronden buiten het bouwvlak mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht. In de bouwregels zijn regels opgenomen omtrent de maatvoering. Detailhandel is enkel als ondergeschikte nevenactiviteit toegestaan.

Artikel 14. Sport De in het bestemmingsplan bestemde gronden voor sportieve doeleinden zijn conform het feitelijk gebruik van de gronden bestemd als 'Sport'. Ter plaatse van de aanduiding 'sportvelden' zijn sportvelden toegestaan, inclusief kleedgebouwen en een kantine. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - fitness' is uitsluitend een fitness-studio toegestaan. Hoofdgebouwen mogen binnen het bouwvlak worden opgericht. Andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan, waarvoor wel andere bouwregels van toepassing zijn.

Artikel 15. Tuin De gronden met de bestemming 'Tuin' zijn bestemd voor tuinen, erven en verhardingen, parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend overkappingen alsmede erkers, balkons of luifels ten behoeve van aangrenzende hoofdgebouwen worden gebouwd. In de regels zijn nadere bouwregels opgenomen voor deze

bestemmingsplan Kom St. Willebrord

43

uitbreidingen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Artikel 16. Verkeer De wegen en bijbehorende verblijfsgebieden zijn bestemd als 'Verkeer'. Deze bestemming geldt voor alle straten, erven en wegen, er is dus geen onderscheid noodzakelijk naar de wegencategorisering. Onder deze bestemming zijn tevens begrepen groenstroken, bermen en bomen langs wegen, waarvan het schaalniveau het niet toelaat deze concreet te bestemmen in het bestemmingsplan. Wijziging, aantasting en/of compensatie van dit groen en deze bomen dient getoetst te worden aan het gemeentelijk groenbeleid. Binnen deze bestemming zijn daarnaast specifieke aanduidingen opgenomen voor bijvoorbeeld een inrit en laad- en losplaats.

Op de betreffende gronden mogen kleine gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht. Door gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toe te staan wordt het mogelijk om bijvoorbeeld een gebouw toe te staan ten behoeve van bijvoorbeeld speelvoorzieningen. Specifieke bouwbepalingen voor straatmeubilair worden in de bestemming niet gegeven. Dergelijke bouwwerken, zoals verkeersborden, bewegwijzering, verkeerslichten, verkeerssignaleringssystemen en abri's worden aangemerkt als vergunningvrije bouwwerken conform het Besluit omgevingsrecht. Voor de oprichting van een dergelijk bouwwerk wordt niet aan de bouwregels in het bestemmingsplan getoetst. Binnen de bestemming 'Verkeer' is een aanduiding opgenomen daar waar evenementen zijn toegestaan.

Daarnaast is voortkomend uit het bestemmingsplan voor de Verlengde Vosdonkseweg de regeling met betrekking tot de realisatie en instandhouding van een geluidscherm vastgelegd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - geluidscherm'. Voor deze aanduiding gelden specifieke regels.

Artikel 17. Water De gronden met de bestemming 'Water' zijn bestemd voor water ten behoeve van de waterhuishouding, waterberging en waterlopen en overige tot deze bestemming behorende voorzieningen. Het is verboden om op de gronden te bouwen.

Artikel 18. Wonen Woningen bestemd voor de huisvesting van één huishouden zijn in het bestemmingsplan bestemd tot 'Wonen'.

Algemeen Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen een bouwvlak, met inachtneming van een eventueel aangegeven maximaal aantal wooneenheden. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de hoofdtypen 'aaneengebouwd', 'gestapeld', 'twee-aaneen' 'vrijstaand' en 'specifieke bouwaanduiding patio'. Bijbehorende bouwwerken mogen worden opgericht binnen en buiten het op de verbeelding opgenomen bouwvlak.

Maatvoeringen In de bouwregels zijn regels opgenomen omtrent de maatvoering; per bouwaanduiding gelden verschillende maatvoeringen voor breedtes en afstanden tot de zijdelingse bouwperceelsgrens. De bouwvlakken zijn conform vigerend overgenomen. Het betreffen hier voornamelijk bouwstroken. Daarnaast komen enkele losse bouwvlakken voor.

Vrijstaande woningen zijn minimaal 6,00 meter breed, voor niet-vrijstaande woningen geldt in hoofdzaak een breedtemaat van 5,40 meter. Een woning met bijbehorende bouwwerken wordt in de regel op 2,50 meter van een zijdelingse bouwperceelsgrens gesitueerd. Bijbehorende bouwwerken bij een vrijstaande woning zijn maximaal 6,00 meter breed en bij niet-vrijstaande woningen maximaal 4,00 meter. Goot- en bouwhoogtes voor hoofdgebouwen zijn in het plan niet standaard in de regels bepaald, maar flexibel en op maat op de verbeelding weergegeven per bouwvlak. Dit is anders voor de hoogtes van bijbehorende bouwwerken; die zijn hoofdzakelijk vastgesteld op maximaal 3,25 respectievelijk 6,00

44

bestemmingsplan Kom St. Willebrord

meter voor de goot- en bouwhoogte, tenzij anders op de verbeelding aangegeven.

Voor bijbehorende bouwwerken geldt een maximum oppervlakte van 100 m² per bouwperceel met een maximum van 50% van de bebouwde oppervlakte. Andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn alleen in het achtererfgebied toegestaan tot een hoogte van 2 meter.

Flexibiliteit Het plan biedt daarnaast de mogelijkheid om door middel van afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden op flexibele ofwel gewenste toekomstige ontwikkelingen in te spelen. Ten aanzien van de situering van de gebouwen en verschillende maatvoeringen zijn afwijkingen opgenomen.

Een voorbeeld van flexibiliteit in dit bestemmingsplan betreft de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid om onder voorwaarden af te wijken van de aangeduide woningtypologie. Onder de specifieke gebruiksregels wordt aangegeven dat de uitoefening van een aan huis gebonden beroep is toegestaan, mits voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden.

De afgelopen jaren is een trend waarneembaar dat er meer aanvragen zijn voor bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving. De gemeente vindt dat kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten onder voorwaarden toegestaan kunnen worden. Aan de bevoegdheden voor bedrijfsmatig gebruik van een woning worden nadere voorwaarden gesteld, zoals dat het totaal in gebruik te nemen vloeroppervlak voor de activiteiten nooit meer bedraagt dan 50 m 2. Detailhandelsactiviteiten zijn niet toegestaan, uitgezonderd als ondergeschikte nevenactiviteit in verband met het desbetreffende bedrijf.

Artikel 19. Wonen - 1 Binnen de bestemming 'Wonen - 1' zijn regels opgenomen die vergelijkbaar zijn met de regels binnen de bestemming 'Wonen', echter ligt binnen deze regeling de omvang van het bebouwd oppervlak van de woning vast. De regeling is één op één overgenomen uit het vorige bestemmingsplan "Kom St. Willebrord".

Artikel 20. Wonen - 2 De gronden gelegen binnen deze bestemming maakten voorheen onderdeel uit van het bestemmingsplan "Bebouwde kom St. Willebrord - Emmastraat - Irenestraat". Aangezien hier een specifieke ontwikkelingsgerichte regeling is opgenomen, is deze bestemming overgenomen in het komplan.

Artikel 21. Wonen - 3 De gronden gelegen binnen deze bestemming maakten voorheen onderdeel uit van het bestemmingsplan "Buitengebied Rucphen 2012, Hazelaarstraat - Lijsterbesstraat te St. Willebrord". Aangezien hier een specifieke ontwikkelingsgerichte regeling is opgenomen, is deze bestemming overgenomen in het komplan.

Artikel 22. Wonen - 4 De gronden gelegen binnen deze bestemming maakten voorheen onderdeel uit van het bestemmingsplan "Kom St. Willebrord, Irenestraat - Clausstraat ongenummerd". Aangezien hier een specifieke ontwikkelingsgerichte regeling is opgenomen, is deze bestemming overgenomen in het komplan.

Artikel 23. Leiding - Water In de gronden behorende tot deze bestemming is een waterleiding gelegen. Deze bestemming strekt tot beheer en onderhoud van de leiding en bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de leiding. Uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan. Met een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid is het mogelijk om hiervan af te wijken, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding en vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de leiding.

bestemmingsplan Kom St. Willebrord

45

Artikel 24. Waarde - Archeologie Voor het behoud, bescherming en/of herstel van de voorkomende archeologische (verwachtings)waarden is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Binnen deze bestemming zijn een drietal gebiedsaanduidingen van toepassing die gekoppeld zijn aan deze dubbelbestemming. De gebiedsaanduidingen verbeelden bij welke oppervlaktemaat en dieptemaat archeologisch onderzoek is benodigd.

5.4.3 Hoofdstuk 3. Algemene regels 5.4.3

Hoofdstuk 3. Algemene regels

Artikel 25. Anti-dubbeltelregel In dit artikel wordt geregeld dat voor gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijven.

Artikel 26. Algemene bouwregels In dit artikel is bepaald dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen aan plaatsing van gebouwen, de dakhelling van hellende dakvlakken en de nokrichting en de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouw zijnde. Deze eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en gronden in verband met calamiteiten.

Daarnaast is in de algemene bouwregels een bestaande afstanden en ander maten regeling opgenomen. In lid 26.3 is tevens een regeling opgenomen met betrekking tot het ondergronds bouwen.

Artikel 27. Algemene gebruiksregels In dit artikel is het bestaand en verboden gebruik opgenomen. Hier is een algemeen gebruiksverbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemming. Het gebruik van gronden, gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van de exploitatie van een seksinrichting, een escortbedrijf en (straat)prostitutie is expliciet uitgesloten.

Daarnaast zijn in dit artikel de voorwaardelijke bepalingen opgenomen met betrekking tot het laden en lossen en de regeling met betrekking tot het oprichten en instandhouden van een geluidscherm. Deze regelingen komen voor uit het voormalige bestemmingsplan voor het Emmausplein. Daarnaast zijn in lid 27.4 de regelingen opgenomen met betrekking tot de van toepassing zijnde landschappelijke inpassingen.

Artikel 28. Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn regels opgenomen voor de gronden binnen de op de verbeelding opgenomen aanduiding 'Geluidzone - luchtvaart 48 dB(A) Lden' voor de bescherming van het woon- en leefklimaat, in verband met de ligging binnen de 48 dB(A) Lden geluidcontour vanwege het luchtverkeer. Daarnaast zijn regels opgenomen voor het bouwen binnen de op de verbeelding opgenomen gebiedsaanduidingen 'Luchtvaartverkeerzone - 3' en 'Luchtvaartverkeerzone - 4'. Hierin is aangegeven wat de maximale bouwhoogte van bouwwerken mag bedragen ten behoeve van het obstakelvrije (start- en landings)vlak ten aanzien van Breda International Airport. In artikel 28.3 en 28.4 zijn voorts regels opgenomen voor het bouwen binnen de op de verbeelding opgenomen gebiedsaanduidingen 'Milieuzone - boringsvrije zone' en 'Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied', ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de drinkwatervoorziening. Verder is in artikel 28.5 een regeling opgenomen voor de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij' ter bescherming van natuur en woonconcentraties. Ook zijn in dit artikel regels opgenomen voor de bescherming van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidzone - LPG'. Daarnaast zijn in dit artikel regels opgenomen voor het bouwen binnen de op de verbeelding

46

bestemmingsplan Kom St. Willebrord

opgenomen gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - obstakelbeheerzone'. Als laatste zijn in dit artikel regels opgenomen voor het bouwen binnen de op de verbeelding opgenomen gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - weg' voor de bescherming van de verkeersfunctie, het onderhoud en de ruimtereservering van de aangrenzende Rijksweg. Geen bouwwerken mogen worden opgericht binnen een afstand van 50 meter vanuit de rand van de meest nabijgelegen rijbaan, met uitzondering van bouwwerken en voorzieningen die nodig zijn voor het wegverkeer.

Artikel 29. Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn enkele algemene afwijkingen opgenomen. Ten eerste is er een afwijkingsbevoegdheid opgenomen betreffende het overschrijden van de in het plan opgenomen maatvoeringen met maximaal 10%. Daarnaast is er een afwijking opgenomen voor het oprichten van licht- en vlaggenmasten, respectievelijk antennes en overige masten met een bouwhoogte tot maximaal 10 respectievelijk 15 meter. Als laatste is het mogelijk om via een omgevingsvergunning geringe afwijkingen toe te staan, die in het belang zijn van een ruimtelijke of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de bestemming niet wijzigt en de bouwgrens maximaal 2,50 meter verschuift.

Artikel 30. Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor geringe afwijkingen die in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken, geen gebouwen zijnde of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Deze rechten zijn overgenomen uit het voorgaande plan.

Artikel 31. Overige regels In dit artikel is een regeling opgenomen ten behoeve van het parkeren.

5.4.4 Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk omvat twee artikelen:

Artikel 32. Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Daarnaast zijn overgangsregels opgenomen ten aanzien van het bouwen. Een bouwwerk dat afwijkt van de bouwregels van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt, mag gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, of na een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd. De afwijking mag daarbij naar aard en omvang niet worden vergroot. Daarvan mag eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken tot maximaal 10% van de inhoud van het bouwwerk. Het overgangsrecht is niet van toepassing op bouwwerken die reeds in strijd waren met het voorgaande geldende bestemmingsplan.

Artikel 33. Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Regels van het bestemmingsplan "Kom St. Willebrord".

bestemmingsplan Kom St. Willebrord

47

Hoofdstuk 6

Economische uitvoerbaarheid

6.1 Toepassing grondexploitatiewet De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van een of meer woningen en de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is.

In onderhavige situatie is sprake van een conserverend bestemmingsplan. Van bouwplannen is geen sprake, waardoor een exploitatieplan niet noodzakelijk is.

6.2 Economische uitvoerbaarheid Ten aanzien van onderhavig conserverend bestemmingsplan vinden er geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats die leiden tot bouwactiviteiten waarvoor een exploitatieplan opgesteld dient te worden. De kosten voor de actualisatie van het bestemmingsplan zijn gedekt door de gemeentelijke middelen.

48

bestemmingsplan Kom St. Willebrord

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Inleiding De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven (afhankelijk van de gemeentelijke inspraakverordening). Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

7.2 Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met de besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12379765/1