07d Bijlage 2 t waterstraat ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
58
Figuur 33: NNB Stikstof De hoeveelheid stikstof terugdringen, de natuur versterken en tegelijkertijd economische ontwikkeling mogelijk maken. Dat was het doel van het Programma Aanpak Stikstof (PAS), dat de overheid in 2015 introduceerde. Het PAS bood ruimte om vergunningen voor (bouw)projecten in de buurt van een Natura 2000-gebied toch te verlenen. Zelfs als dat betekende dat er extra stikstof in de natuur terechtkwam. Er werden tenslotte ook maatregelen genomen om de stikstof te verminderen en de natuur te herstellen. Maar de overheid liep te ver op de zaken vooruit, oordeelde De Raad van State. Een toestemming ‘vooraf’ mocht niet. Dat was namelijk in strijd met Europese natuurwetgeving. Op 29 mei 2019 werd daarom een ferme streep gezet door het PAS. Dit leidde tot grote onzekerheid. Zowel projecten met een lopende vergunningaanvraag als projecten die eerst geen natuurvergunning nodig hadden, moesten nu opnieuw beoordeeld worden. Het plangebied is gelegen op circa 10 km afstand van een Natura 2000-gebied. Dit betreft een gebied dat beschermd is krachtens Europese regelgeving. De bescherming is opgenomen in de Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming). Aangetoond dient te worden dat met zekerheid geen significant negatieve effecten op dit gebied optreden als gevolg van de onderhavige ontwikkeling.
Alleen indien geen sprake is van een significant negatief effect kan een project doorgang vinden. Voor een groot aantal potentiële effecten kan worden beredeneerd dat geen sprake is van een significant negatief effect. Voor het aspect stikstofdepositie kan dit echter niet op voorhand worden gesteld. Derhalve kan aan de hand van een berekening met het programma AERIUS de exacte mate van stikstofdepositie te worden bepaald. De exacte mate van stikstof dient voor een bouwplan zowel bepaald te worden voor de gebruiksfase als de aanlegfase. De gebruiksfase ziet op het gebruik van de woningen en de emissie die daarbij plaatsvindt. Significante stikstofbronnen zijn het verkeer van en naar het plan. 59
De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) ten behoeve van de aanleg van de woningen vinden in de aanlegfase plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plangebied ten behoeve van de bouw en sloop en gebruik van bouwmaterieel binnen het plangebied. Inmiddels is er in februari 2020 een Handreiking woningbouw en Aerius vanuit het rijk verschenen waaruit blijkt dat minder dan 50 woningen op zandgronden op een grotere afstand dan 7 km van een Natura 2000-gebied (figuur 34) tot een emissie van 0,00 mol/ha/jaar leiden en dat een berekening achterwege kan blijven.
Figuur 34: Ligging zangronden/afstand Natura 2000-gebied
4.8
Milieuhinder
Door het aanbrengen van een zone tussen bedrijvigheid en gevoelige bestemmingen (zoals woningbouw) kan de overlast ten gevolge van bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden worden. Zonering is met name van toepassing bij nieuwbouw van woningen en andere gevoelige functies in de directe omgeving van een bedrijf en bij vestiging van een nieuw bedrijf in de directe omgeving van 60
gevoelige bestemmingen. Bij deze toets blijft een eigen bedrijfswoning buiten beschouwing. Een bedrijfswoning van derden wordt als reguliere burgerwoning beschouwd. In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) zijn aan de bedrijven dan wel bedrijfsactiviteiten milieucategorieën en richtafstanden toegekend. De genoemde afstanden zijn adviserend en indicatief, de situatie ter plaatse kan reden zijn om hiervan af te wijken. Bedrijven worden beoordeeld op gevaar, stof, geur en geluid. Deze brochure is als hulpmiddel (niet als blauwdruk) opgesteld om toe te passen bij plannen en toetsmomenten van ruimtelijke ontwikkeling, aldus ook de ondertitel van de brochure. De brochure is niet bedoeld om bij de beoordeling van een aanvraag omgevingsvergunning voor milieu te worden geraadpleegd. Er bestaat geen plicht om de brochure te hanteren. Wel is dit een algemeen aanvaarde methode in Nederland gebleken. Milieucategorie in relatie tot afstand ‘rustige woonwijk’ 1 10 meter 2 30 meter 3.1 50 meter 3.2 100 meter 4.1 200 meter 4.2 300 meter. De afstanden zijn de afstanden tussen de bedrijvigheid/voorzieningen en de milieugevoelige bestemming; dus in beginsel de afstand van het bedrijfsperceel tot de gevel van de woning. De VNGpublicatie geeft richtafstanden tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’.
Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Dit geldt ook voor lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarisch en andere bedrijvigheid. De richtafstand kan dan met één stap worden verkleind. Voor wat betreft milieuzonering wordt dit gebied als een gemengd gebied aangemerkt en wordt voldoende afstand aangehouden tot Waterstraat 12, 13 en 19 en Puinbroekstraat 6. Er worden geen omliggende agrarische bedrijven in hun ontwikkeling belemmerd. • Waterstraat 12 ligt op 165 meter heeft geen vee meer en nog beperkt agrarische tuinderijactiviteiten. Het bedrijf is niet opgenomen in het Web-BVB bestand. • Waterstraat 19 betreft een bedrijfswoning met tuinbouwbedrijf met aardbeien waar aan de vereiste afstandsmaat zal worden voldaan van 10 meter (categorie 2). • Puinbroekstraat 6 ligt op 250 meter, daar 10 meter voldoende zou zijn voor dit bedrijf uit categorie 2, en heeft eveneens geen vee meer, wel tuinbouw. Dit bedrijf is in het Web-BVB bestand als voormalig bedrijf benoemd. • Aan de Waterstraat 13, het bedrijf van aanvrager, is geen vee meer mogelijk.
Temeer nu er reeds bestaande woningen, zoals met name burgerwoning Waterstraat 17 en Puinbroekstraat 1, op een korte afstand van deze inrichtingen zijn gelegen, welke daarmee het toetsingskader vormen als het gaat om de toetsing van eventuele toekomstige ontwikkelingen van die inrichtingen, is milieuzonering niet een belemmerende factor. De inrichtingen hebben niet een negatieve uitstraling. Ook de naastgelegen tunnelkassen, die vanuit het ruimtelijk spoor weliswaar op voldoende afstand zijn gelegen zijn in deze overweging meegenomen. Uit de ingediende melding 2013 blijkt dat in deze tunnelkassen geen geluidsproducerende of andere activiteiten plaatsvinden waarvoor nader onderzoek in het kader van het milieuspoor nodig zouden zijn. Er is geen sprake van geluidsuitstraling die voor woningbouw belemmerend zou zijn. Enkel is hier een silo drain ontsmet installatie aanwezig. Aangezien er geen sprake is van open teelt, hoeft verder evenmin rekening te worden gehouden met spuitzones en drift. 61
4.9
Verkeer
Elke nieuwe woning genereert gemiddeld een zes- tot achttal verkeerbewegingen per dag. Gelet op de huidige verkeersintensiteiten vormt de nieuwe woning geen probleem. De maximale capaciteit van de weg wordt nog niet benut. De Nota Parkeernormen Rucphen 2017 is op 31 mei 2017 vastgesteld. De Nota Parkeernormen heeft het volgende doel: Het vaststellen van gemeentelijke parkeernormen voor nieuwe ruimtelijke plannen en projecten in de gemeente Rucphen om in de toekomst in een parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Waar mogelijk wordt hiermee de bereikbaarheid en leefbaarheid van de gemeente gewaarborgd. De Nota Parkeernormen 2017 heeft de volgende uitgangspunten: • • • •
Het vaststellen van parkeernormen levert een bijdrage aan de leefbaarheid in de gemeente. Het gaat hierbij met name om de kwaliteit van de openbare ruimte; de Nota Parkeernormen 2017 levert een bijdrage aan de economische vitaliteit van de gemeente. Parkeren vormt immers een belangrijke schakel in de totale bereikbaarheid van de gemeente; de Nota Parkeernormen 2017 speelt in op de toekomstige ontwikkeling, zodat duurzaamheid is gewaarborgd; de Nota Parkeernormen 2017 kent een algemene strekking. Dit betekent dat de Nota niet in alle gevallen direct van toepassing is omdat in specifieke gevallen maatwerk noodzakelijk en wenselijk is. In deze gevallen hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid gemotiveerd maar in de geest van de Nota te handelen.
De Nota Parkeernormen 2017 is gebaseerd op de CROW-publicatie nr. 317 ‘kerncijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Op grond van de door de Nota gehanteerde gebiedsindeling is voor vrijstaande koopwoningen in het buitengebied een parkeernorm opgenomen van 2,4 parkeerplaats per woning. Dit resulteert dat binnen de planlocatie minimaal 3 parkeerplaatsen aanwezig dienen te zijn.
4.10 Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt voor de beoordeling van aanvragen om vergunning in het kader van de Wet milieubeheer het toetsingskader voor de geurhinder vanuit veehouderijen. De Wgv stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Om te beoordelen of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat wordt bij een ruimtelijke ordeningstoets voor de omgekeerde werking eveneens de Wet geurhinder en veehouderij toegepast. De geurbelasting is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld (bijvoorbeeld varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten). De geurbelasting wordt uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht (ouE/m3). De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of niet-concentratiegebieden en binnen of buiten de bebouwde kom). Naast geurnormen houdt de Wgv ook rekening met (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Bij deze afstanden gaat het om dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld (bijvoorbeeld melkrundvee en paarden).
De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. De bedrijfswoning die tot de veehouderij zelf behoort, wordt niet aangemerkt als geurgevoelig object. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt. De te toetsen afstand wordt gemeten tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en het dichtstbijzijnde emissiepunt. Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom.
62
Iedere gemeente heeft de mogelijkheid om eigen geurbeleid op te stellen. De gemeente Rucphen heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door op 15 december 2011 de ‘Geurgebiedsvisie Rucphen’ op te stellen. Hierin is een aantal transformatiegebieden aangewezen, waar woningbouw mogelijk zal worden gemaakt. De aanwezigheid van veehouderijen kan belemmeringen opleveren voor het realiseren van de woningbouwplannen. Met de door de gemeente Rucphen opgestelde Geurgebiedsvisie met verordening, die op 8 februari 2017 is gewijzigd, wordt de mogelijkheid geboden om afwijkende geurnormen vast te stellen. Het plangebied ligt niet in een transformatiegebied. Het wettelijk toetsingskader is daarom de Wet geurhinder en veehouderij. Een woning is een geurgevoelig object. Op basis van de provinciale website Web-BVB (Bestand Veehouderij Bedrijven) liggen er enkele bedrijven binnen 1.500 meter van het plangebied, uit te splitsen in (a) bedrijven met dieren met emissiefactoren en (b) veehouderijen waarvoor vaste afstanden gelden. Alle bedrijven liggen op ruime afstand, meer dan 600 meter, met uitzondering van het reeds beëindigde bedrijf van aanvrager zelf, onder meer: • Vorenseindseweg 66 en 72 zijn hebben in het bestemmingsplan een veehouderij-aanduiding gekregen. Dit geldt ook voor Bakkersmeer 3.
• Puinbroekstraat 6 heeft in dit plan een aanduiding ‘intensieve veehouderij’, maar komt niet meer in het Web-BVB bestand voor. • Vorenseindseweg 79 en Vinkebossenstraat 1 betreffen paardenhouderijen. Reeds andere geurgevoelige objecten in de omgeving van veehouderijen bedoeld onder a zijn bepalend voor de milieuruimte van die bedrijven, Dit betekent dat er nu geen belemmeringen zijn voor het verblijfklimaat aan de Waterstraat. Binnen 50 meter liggen er evenmin bedrijven zoals bedoeld onder b. Daarmee wordt voldaan aan de wet- en regelgeving. Dit strookt ook met de conclusie uit de planMER behorende bij het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020. Onder voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van één veehouderij, die de meeste geurbelasting op het geurgevoelige object veroorzaakt, verstaan. Voor de een representatieve bepaling van de voorgrondbelasting dient de geurbelasting van de omliggende veehouderijen afzonderlijk berekend te worden, om te bepalen welke de dominante veehouderij is. Onder achtergrondbelasting wordt de geurbelasting van de in de omgeving liggende veehouderijen op een geurgevoelig object verstaan. In figuur 35 en 36 is een uitsnede uit Plan-MER herziening Structuurvisie RO transitie veehouderij, provincie Noord-Brabant d.d. 9 september 2013 weergegeven. In de uitsnede is de achtergrondbelasting geur in kaart gebracht.
Hieruit blijkt dat het woon- en leefklimaat op basis van de achtergrondbelasting geur ter plaatse van de planlocatie als ‘zeer goed’ te kwalificeren is. Voorzover er dus veehouderijen rondom de planlocatie liggen, is het ook belangrijk om te melden dat zowel in de provinciale verordening als in het gemeentelijk bestemmingsplan een verbod op uitbreiding is opgenomen c.q. een beperking voor de veehouderij. Omliggende veehouderijen worden ook niet beperkt door de komst van de woning. In relatie tot de geuremissie, liggen deze bedrijven dus op voldoende afstand, zodat een goed verblijfklimaat kan worden gegarandeerd en nader onderzoek niet nodig is.
63
Figuur 35: Geurbelasting maximale invulling
Figuur 36: Uitsnede kaart achtergrondbelasting geur
4.11 Overige belemmeringen, kabels en leidingen Er zijn geen overige belemmeringen bekend. Voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden zal een Klicmelding worden uitgevoerd, waardoor eventueel overige aanwezige kabels en leidingen aangetoond kunnen worden waarmee rekening gehouden dient te worden bij werkzaamheden.
4.12 Besluit m.e.r. Aanleiding Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Deze paragraaf wordt als aanmeldnotitie beschouwd, waarover hierna meer. Wettelijk kader Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande drie criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 64
1. 2. 3.
plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; plannen en activiteiten die op grond van een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig.
Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen me.r.(beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. In een vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.
Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan dus leiden tot twee conclusies: • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.beoordeling noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. Aanmeldnotitie Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat de effecten van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, die via het herzien van een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, middels een vormvrije m.e.r.- beoordeling in beeld moeten worden gebracht met een aanmeldnotitie, op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is een milieu effectrapportage op te stellen. De aanmeldnotitie moet voldoen aan de criteria die zijn opgenomen in Bijlage III Richtlijn 2011/92/EU.
De criteria vallen uiteen in de: • kenmerken van het project: omvang van het project, cumulatie met andere projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en risico op ongevallen; • plaats van het project: bestaand gebruik van de locatie, natuurlijke hulpbronnen en opnamevermogen/gevoeligheid van het milieu; • kenmerken van het potentiële effect: bereik, grensoverschrijdend karakter, orde van grootte en complexiteit, waarschijnlijkheid en duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect. Voorliggende milieuparagraaf is als aanmeldnotitie bedoeld. Hierin zijn de milieueffecten in relatie tot het planvoornemen geïnventariseerd en gebundeld weergegeven. Op basis van de aanmeldnotitie dient het bevoegd gezag een besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapportage. Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.-beoordeling, Activiteit en drempelwaarde Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In onderhavige situatie is er sprake van de bouw van bedrijfsbebouwing. Een dergelijke activiteit wordt niet genoemd op de C-lijst. 65
Het bouwen hiervan komt wel voor op de D-lijst, onder categorie D 11.2, ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Bij een dergelijke activiteit is er sprake van een m.e.r.-beoordelingsplichtig besluit indien de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 woningen of meer omvat; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte (bvo) van 200.000 m2 of meer. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van één woning en blijft daarmee ruimschoots onder de gestelde grenswaarde. Geconcludeerd kan worden dat het plan derhalve niet kaderstellend is voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit. Wat betreft het eerste criterium geldt er derhalve geen plicht tot het opstellen van een MER. Passende beoordeling Ten aanzien van het tweede criterium inzake een mogelijke MER-plicht, geldt dat er bij onderhavige situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied.
Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Uit het onderhavige hoofdstuk, waaraan de resultaten van de toetsing juncto art. 3.1.6 Bro worden weergegeven, blijkt dat het plangebied niet ligt nabij een natuurnetwerk. Onderhavige ontwikkeling heeft met zekerheid geen mogelijk significant effect op de Natura 2000-gebieden. Verder zijn de volgende aspecten onderzocht, met verwijzing naar de voorgaande paragrafen uit hoofdstuk 4 met bijbehorende uitgevoerde onderzoeken en is daaruit niet van een milieubelemmering gebleken. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of een Bèlvéderegebied. In dit hoofdstuk zijn tevens de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. De bodemgesteldheid is onderzocht, er heeft een watertoets plaatsgevonden en externe veiligheid is beoordeeld. De effecten van het planvoornemen blijven beperkt tot het plangebied en de directe omgeving daarvan. De effecten zijn beperkt en de ontwikkeling stuit niet op bezwaren in relatie tot de aangehaalde milieuaspecten. Er is geen sprake van ‘belangrijke nadelige’ milieueffecten.
MER-plicht Ten aanzien van het derde criterium geldt dat onderhavige activiteit niet is aangewezen als MERplichtig op grond van de Provinciale milieuverordening. Conclusie In het kader van deze notitie is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van de beoogde ontwikkeling. Zoals beschreven is er bij onderhavig plan geen sprake van een verplichting tot het opstellen van een MER en het doorlopen van de m.e.r.-procedure o.g.v. het Besluit m.e.r., de Wet natuurbescherming of de Provinciale milieuverordening. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling volgt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Er is dus voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent. Gelet op het vorenstaande wordt voorgesteld om op basis van deze aanmeldnotitie te besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is. Temeer nu inmiddels uit jurisprudentie is gebleken dat het bouwen van een enkele woning zelfs niet als stedelijke ontwikkeling behoeft te worden aangemerkt.
66
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische aspecten
Planvorm
Het bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2020, Waterstraat ong. tegenover nr.17 te Sprundel’ kan gekarakteriseerd worden als een compact ontwikkelingsplan. Eén en ander heeft geresulteerd in een planopzet met een gedetailleerd kaartbeeld en een uniforme opzet van de bepalingen, waarbij veelal is aangesloten bij de bestemmingen en systematiek (verbaal bouwblok) uit het vigerende bestemmingsplan. Het plan wordt digitaal vastgesteld volgens SVBP2012/IMRO2012. Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit een set regels met bijbehorende geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0840.9000B0059-ON01. Bij ieder plan hoort een toelichting, maar dit onderdeel heeft als zodanig geen rechtskracht. De regels vallen in vier hoofdstukken uiteen. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels, hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen, hoofdstuk 3 omvat de algemene regels en in hoofdstuk 4 zijn de overgangs- en de slotregels weergegeven. De planregels zijn afgestemd op de regels van het bestemmingsplan dat eind 2020 voor het buitengebied van Rucphen zal worden vastgesteld.
5.2
Toelichting op de bestemmingen
1 INLEIDENDE REGELS Begrippen (artikel 1) In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende woorden toegekende betekenis. Wijze van meten (artikel 2) In dit artikel wordt aangegeven hoe de in de regels gehanteerde maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. 2 BESTEMMINGSREGELS Groen – Landschapselement (artikel 3) Ten behoeve van de landschappelijke inpassing, zoals noodzakelijk conform de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, is het perceel rondom bestemd met een groenbestemming. Dit geldt ook voor de solitaire hoogstamfruitbomen. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor de instandhouding van natuurlijke en/of cultuurhistorisch en/of landschappelijk waardevolle landschapselementen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding en bijbehorende wegen, paden en verhardingen. Op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen worden opgericht ten dienste van de bestemming. Wonen (artikel 4) Woningen bestemd voor de huisvesting van één huishouden worden in een bestemmingsplan bestemd tot ‘Wonen’. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden opgericht binnen een op de kaart opgenomen bouwvlak, welke gelijk is aan het bestemmingsvlak.
De afstand van de voorgevel van de woning tot de bestemmingsgrens dient 15 meter te bedragen. Door het opnemen van een bouwvlak wordt de situering van de bebouwing en bijbehorende bouwwerken nader geregeld. In de bouwregels zijn regels opgenomen omtrent de maatvoering. Aansluiting is gezocht bij het vigerende bestemmingsplan, waarbij de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 3 meter bedraagt. Goot- en bouwhoogtes voor hoofdgebouwen zijn in het plan standaard in de regels bepaald op maximaal 5,5 c.q. 9 meter. Voor bijbehorende bouwwerken bedraagt de bouwhoogte van de bebouwing maximaal 6 meter en bedraagt de maximale goothoogte 3,5 meter.
67
Dubbelbestemming Leiding – Water (artikel 5) De op de verbeelding tot 'Leiding' aangewezen gronden zijn, naast de primaire bestemming, mede bestemd voor de aanwezige leidingen die bescherming behoeven. 3 ALGEMENE REGELS Anti-dubbeltelregel (artikel 6) Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een bouwvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen. Doel van deze zogenaamde dubbeltelregel is te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels (artikel 7 In dit artikel is bepaald dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen aan plaatsing van gebouwen, de dakhelling van hellende dakvlakken en de nokrichting en de plaatsing en vormgeving van andere bouwwerken. Deze eisen mogen slechts worden gesteld met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan en met het oog op de bereikbaarheid van gebouwen bouwwerken, geen gebouwen zijnde en gronden in verband met calamiteiten. Ook wordt de afstand geregeld van bebouwing tot aan de as van de weg én is het ondergronds bouw geregeld.
Algemene gebruiksregels (artikel 8) In dit artikel is een algemeen gebruiksverbod gegeven voor gebruik in strijd met de bestemming. Het gebruik van gronden, gebouwen en andere bouwwerken ten behoeve van de exploitatie van een seksinrichting, een escortbedrijf en (straat)prostitutie is expliciet uitgesloten. Algemene aanduidingsregels (artikel 9) In dit artikel zijn regels opgenomen ter bescherming van het woon- en leefklimaat. Voor de planlocatie geldt de bebouwingsconcentratie, luchtvaartverkeerzone en vrijwaringszone-obstakelbeheerzone. Hoewel op de planlocatie geen hoge bouwwerken zullen worden opgericht, zijn deze regels volledigheidshalve toch opgenomen in het bestemmingsplan, zodat de vrijwaringszone ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan in tact blijft. Algemene afwijkingsregels (artikel 10) In dit artikel zijn enkele algemene afwijkingen opgenomen. Ten eerste is er een afwijkingsbevoegdheid volgens de Wabo opgenomen betreffende het overschrijden van de in het plan opgenomen maatvoeringen met maximaal 10%. Ook zijn geringe afwijkingen mogelijk, die in het belang zijn van een ruimtelijke of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of die noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de bestemming niet wijzigt en een bouwgrens maximaal 2,50 meter verschuift.
Algemene procedureregels (artikel 11) In de artikel is de procedures van de nadere eisen-regeling. Overige regels (artikel 12) In dit artikel zijn is een strafbepaling opgenomen alsmede de parkeerregeling.
68
4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS Overgangsrecht (artikel 13) In lid 1 zijn de overgangsregels ten aanzien van het bouwen opgenomen. Bouwwerken die, op het moment dat het bestemmingsplan in werking is, bestaan of (kunnen) worden gebouwd met inachtneming van de Wabo en die afwijken van het bestemmingsplan mogen gedeeltelijk worden veranderd of vernieuwd mits de bestaande afwijkingen naar aard en omvang niet worden vergroot. Is het bouwwerk verloren gegaan naar aanleiding van een calamiteit dan mag het bouwwerk volledig worden vernieuwd of veranderd mits de bouwaanvraag daarvoor binnen 2 jaar na de calamiteit wordt ingediend. Het voorgaande geldt niet voor bouwwerken die zonder Omgevingsvergunning voor het bouwen zijn gebouwd in strijd met het toen geldende plan en voor illegaal gebruik van bouwwerken. Een afwijkingsmogelijkheid is opgenomen om in te springen op onbillijkheid van overwegende aard. Lid 2 betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken, dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit plan in werking treedt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor niet wordt vergroot. Slotregel (artikel 14) In dit artikel is ten slotte de naam van het bestemmingsplan opgenomen.
69
Hoofdstuk 6 6.1
Economische en financiële uitvoerbaaheid
Regelgeving grondexploitatie
In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling van deze afdeling is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In art. 6.12 Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In art. 6.2.1 Bro is vastgelegd wat onder een bouwplan wordt verstaan. Hieronder valt onder meer de bouw van een of meer woningen, alsmede de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² brutovloeroppervlakte. In de Wro (art. 6.12, lid 2) is tevens opgenomen dat kan worden afgeweken van de verplichting tot het opstellen van een exploitatieplan in bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen dan wel als kostenverhaal anderszins is verzekerd. Dit is het geval indien de gemeente en de initiatiefnemer en/of de ontwikkelende partij een privaatrechtelijke overeenkomst hebben gesloten over de verdeling van kosten bij de grondexploitatie. In het voorliggende bestemmingsplan wordt een nieuwe woning gerealiseerd, zodat van een bouwplan sprake is. Voor dit bestemmingsplan wordt gekozen voor een anterieure overeenkomst.
Ambtelijke kosten, kosten voor het bestemmingsplan, de landschappelijke inpassing en eventuele planschade enzovoorts worden hierin opgenomen. Conform art. 6.12 Wro jo art. 6.2.1 Bro hoeft derhalve niet voldaan te worden aan de beginselplicht tot het vaststellen van een exploitatieplan.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Conform art. 3.1.6, sub f Bro is ook aandacht geschonken aan de economische uitvoerbaarheid van het plan. Initiatiefnemer bekostigt het project (het bestemmingsplan) uit eigen middelen en zal hierna een aanvraag omgevingsvergunning tot bouwen indienen, de woning realiseren en zelf bewonen.
70
Hoofdstuk 7 7.1
Procedurele haalbaarheid
Maatschappelijke toetsing
In het kader van de gemeentelijke inspraakverordening betrekt de gemeente de bevolking in principe bij de voorbereiding van plannen op ruimtelijk gebied. In casu is, gelijktijdig met het vooroverleg, gekozen voor een formele inspraakprocedure door/namens de gemeente met een periode van terinzage van zes weken van 31 maart tot en met 11 mei 2022; er zijn 2 reacties ingediend. De inspraaknota op het voorontwerp-bestemmingsplan is in bijlage 5 opgenomen. Inhoudelijk leiden de reacties niet tot een aanpassing van het plan. Abusievelijk ontbrak wel de bijlage bij de regels. Dit gebrek wordt hersteld. Door/namens de initiatiefnemer is ook met name de omgeving geïnformeerd omtrent de plannen. Dit is de zogenoemde omgevingsdialoog (bijlage 9). Een 11-tal adressen in de Waterstraat, Klein Zundertseweg en Puinbroekstraat hebben een brief ontvangen waarin de plannen zijn uitgelegd. Met een enkeling is ook gesproken. In verband met de corona-maatregelen is geen gezamenlijke bijeenkomst georganiseerd. Er zijn 9 positieve reacties ontvangen, 1 adres heeft niet gereageerd en 1 reactie is niet instemmend, zonder verdere motivatie. Dit betreft de overburen, wiens belang mogelijk een ongehinderde bedrijfsvoering betreft.
Initiatiefnemer merkt volledigheidshalve wel op dat deze ondernemer op nummer 17 woont daar waar de bedrijfswoning zich, volgens het bestemmingsplan én de milieumelding, feitelijk op nummer 19 bevindt, Nummer 19 kan zich wel in het plan vinden. Dit wordt verder in par. 4.8 besproken. De omgevingsdialoog geeft geen aanleiding om het plan stop te zetten. Als bezwaarmaker zich überhaupt niet zou kunnen vinden in het plan, vanwege een veranderd uitzicht, wordt dit voor kennisgeving aangenomen en staat eventueel een planschadeprocedure open; een blijvend uitzicht kan nooit worden gegarandeerd. Er is sprake van een bebouwingsconcentratie en met dit bestemmingsplan wordt aangetoond dat er geen sprake is van strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening. Het ontwerp-bestemmingsplan wordt hierna zes weken terinzage gelegd, waarbij de mogelijkheid is geboden zienswijzen in te dienen, alvorens de gemeenteraad een besluit omtrent vaststelling zal nemen. Het plan is digitaal ontsloten via de gemeentelijke website en de landelijke website ruimtelijkeplannen.nl. In het Gemeenteblad en het gemeentelijk weekblad is van de procedure kennisgegeven. (Geen) zienswijzen zijn ingediend, PM bijlage 6.
7.2
Overleg
Ter voldoening aan het bepaalde in art. 3.1.1 Bro dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg gepleegd te worden met besturen van gemeenten, het waterschap, met Rijks- en provinciale diensten et cetera. Voor dit plan is, gelijktijdig met de inspraak/informatie-procedure, onder meer overleg -op digitale wijze- gepleegd met: • Provincie Noord-Brabant; • Waterschap Brabantse Delta; • Regionale Brandweer. De vooroverlegreactie van de provincie is eveneens in bijlage 5 opgenomen. Per brief van 2 februari 2022 heeft de provincie Noord-Brabant een vooroverlegreactie ingediend en daarbij geconstateerd dat de invulling van deze locatie niet strookt met het RvR beleid uit 2011. Gelezen deze reactie is par.3.3 van deze plantoelichting aangevuld met een méér nadrukkelijke verwijzing naar het raadsbesluit van 17 juni 2020 waarbij het gemeentelijke RvR beleid is herzien. De locatie Waterstraat voldoet aan het beleid 2020, waarbij maatwerk wordt geboden, mits zichtlijnen van minimaal 150 meter worden gerespecteerd. Met de bouw van een RvR woning wordt het open venster aan de Waterstraat niet onevenredig aangetast. Met enkele afbeelding is dit nader toegelicht. Per brief van 28 maart 2022 heeft de provincie nogmaals aandacht voor deze zichtlijn gevraagd. De reactie van de provincie leidt niet tot aanpassing van het plan. 71
Regels Bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2020, Waterstraat ong. tegenover nr.17 te Sprundel’
NL.IMRO.0840.9000B0059-ON01
Ontwerp, 1 december 2022
1
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleidende regels ................................................................................................................ 4 Artikel 1 Begrippen .............................................................................................................................. 4 Artikel 2 Wijze van meten ................................................................................................................. 12 2.1 Algemeen................................................................................................................................. 12 2.2 Ondergeschikte bouwdelen .................................................................................................... 13 2.3 Relatie ...................................................................................................................................... 13 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels ........................................................................................................... 14 Artikel 3 Groen - Landschapselement ............................................................................................... 14 3.1 Bestemmingsomschrijving.......................................................................................................
14 3.2 Bouwregels .............................................................................................................................. 14 3.3 Specifieke gebruiksregels ........................................................................................................ 14 3.4 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden ....................................................................................................................... 14 Artikel 4 Wonen................................................................................................................................. 16 4.1 Bestemmingsomschrijving....................................................................................................... 16 4.2 Bouwregels .............................................................................................................................. 16 4.3 Afwijken van de bouwregels ................................................................................................... 17 4.4 Specifieke gebruiksregels ........................................................................................................ 17 4.5 Afwijken van de gebruiksregels ...............................................................................................
18 Artikel 5 Leiding – Water ................................................................................................................... 19 5.1 Bestemmingsomschrijving....................................................................................................... 19 5.2 Bouwregels .............................................................................................................................. 19 5.3 Afwijken van de bouwregels ................................................................................................... 19 5.4 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden ....................................................................................................................... 19 5.5 Wijzigingsbevoegdheid ............................................................................................................ 20 Hoofdstuk 3 Algemene regels ............................................................................................................... 21 Artikel 6 Anti-dubbeltelregel ............................................................................................................. 21 Artikel 7 Algemene bouwregels ........................................................................................................
22 7.1 Afstand tot geluidsgevoelige bebouwing ................................................................................ 22 7.2 Ondergronds bouwen.............................................................................................................. 22 7.3 Nadere eisen............................................................................................................................ 22 2
Artikel 8 Algemene gebruiksregels .................................................................................................... 24 Artikel 9 Algemene aanduidingsregels .............................................................................................. 25 9.1 Bebouwingsconcentratie ......................................................................................................... 25 9.2 Luchtvaartverkeerzone ............................................................................................................ 25 9.3 Vrijwaringszone - obstakelbeheerzone ................................................................................... 25 Artikel 10 Algemene afwijkingsregels ............................................................................................... 26 10.1 Algemeen............................................................................................................................... 26 Artikel 11 Algemene procedureregels............................................................................................... 27 11.1 Nadere eisen.......................................................................................................................... 27 Artikel 12 Overige regels ...................................................................................................................
28 12.1 Strafbepaling ......................................................................................................................... 28 12.2 Parkeerregeling ..................................................................................................................... 28 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels .................................................................................................. 29 Artikel 13 Overgangsrecht ................................................................................................................. 29 13.1 Overgangsrecht bouwwerken ............................................................................................... 29 13.2 Overgangsrecht gebruik ........................................................................................................ 29 Artikel 14 Slotregel ............................................................................................................................ 30
Bijlage 1 inpassingsplan
3
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan het bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2020, Waterstraat ong. tegenover nr.17 te Sprundel’ met identificatienummer NL.IMRO.0840.9000B0059-ON01 van de gemeente Rucphen. 1.2 bestemmingsplan de geometrische bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 verbeelding De analoge en digitale voorstelling van de in het bestemmingsplan opgenomen digitale ruimtelijke informatie, bestaande uit de kaart NL.IMRO.0840.9000B0059-ON01. 1.4 aanbouw een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.5 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.6 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.7 afhankelijke woonruimte een bijgebouw bij een woning, dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met die woning en waar een gedeelte van de huisvesting van één of meer personen, is ondergebracht. 1.8 ander werk een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid.
1.9 antennedrager antennemast of andere constructie bedoeld voor de vestiging van een antenne. 1.10 antenne-installatie installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie. 1.11 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.12 bebouwingscluster een vlakvormige verzameling van gebouwen.
4
1.13 bebouwingsconcentratie een kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster. 1.14 bebouwingslint een lijnvormige verzameling van gebouwen langs een weg in het buitengebied, doorgaans dubbelzijdig aanwezig, met geringe afstanden tussen bouwkavels, veelal met een historisch gegroeide menging van kleinschalige niet-buitengebiedgebonden functies. 1.15 bebouwingspercentage een in de regels of op de verbeelding aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwvlak aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd. 1.16 bed and breakfast een kleinschalige overnachtingaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en kortdurend verblijf (maximumverblijfsduur zes aaneengesloten nachten) met het serveren van ontbijt. Een bed and breakfast is gevestigd in een woonhuis en wordt gerund door de eigenaren van het betreffende huis. Hieronder wordt niet verstaan een overnachting noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid. Aanverwante voorzieningen, zoals speeltuintjes, stallingen, detailhandel, horeca en dergelijke zijn niet toegestaan. 1.17 bedrijf een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis gebonden beroepen daaronder niet begrepen.
1.18 beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteiten aan huis het bedrijfsmatig verlenen van diensten dan wel het uitoefenen van bedrijvigheid waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet-publieksaantrekkend zijn en die door de bewoner van de woning als ondergeschikte activiteit in de woning of in een bijbehorend bouwwerk bij de woning wordt uitgeoefend. 1.19 bestaand 1. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd, krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald; 2. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald. 1.20 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.21 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.22 bijbehorende bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. 5
1.23 bijgebouw een op zich zelfstaand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.24 bos elk terrein waarop bosbouw wordt uitgeoefend, zijnde het geheel van bedrijfsmatig handelen en activiteiten gericht op de duurzame instandhouding en ontwikkeling van bestaande en nieuwe bossen ten behoeve van (één of meerdere van de functies) natuur, houtproductie, milieu (waaronder begrepen waterhuishouding), landschap en extensieve recreatie. 1.25 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.26 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.27 bouwlaag doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd. 1.28 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.29 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel. 1.30 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
1.31 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.32 camping een terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf. 1.33 caravan een al dan niet uitklapbare wagen of voertuig, onder welke benaming ook aangeduid, die uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot logies-, dag- of nachtverblijf van één of meer personen en die bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen, ook over grote afstanden, als een aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen. Ook indien deze wagen of dit voertuig wegens daaraan of daarbij aangebrachte wijzigingen of voorzieningen niet of niet meer geschikt is om te worden verreden, wordt hij voor de toepassing van dit plan aangemerkt als caravan. 6
1.34 cultuurhistorische waarden en kenmerken waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden. 1.35 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, hieronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en/of leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waaronder tevens internetbedrijven worden verstaan waarbij producten ter plaatse bezichtigd, geretourneerd en/of afgehaald kunnen worden. 1.36 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, voor zover het bestemmingsplan deze inrichting niet verbiedt. 1.37 erotisch getinte vermaaksfunctie een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal.
1.38 extensieve (dag)recreatie die vormen van recreatie die in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen, varen, zwemmen, vissen en paardrijden. 1.39 functie doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan. 1.40 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.41 gebruiken gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven. 1.42 hobbymatig houden van paarden het niet bedrijfsmatig houden van paarden, zodat er geen sprake is van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer en niet is gericht op het generen van winst. 1.43 hoofdgebouw gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
7
1.44 huishouden persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan; bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen. 1.45 kampeermiddel een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor een omgevingsvergunning vereist is; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. 1.46 kampeerterrein terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen ten behoeve van recreatief nachtverblijf. 1.47 kernrandzone overgangsgebied, gelegen langs het bestaand stedelijk gebied, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand tot elkaar en met een ondergeschikte of afnemende agrarische functie. 1.48 kunstwerken bouwwerken geen gebouwen zijnde van weg- en waterbouwkundige aard, zoals bruggen, viaducten, duikers, keerwanden, beschoeiingen, kademuren en dergelijke.
1.49 landschapselementen ecologische, cultuurhistorische en/of landschappelijke waardevolle elementen zoals bosjes, houtwallen, poelen en moerasjes, in de regel kleiner dan 2 ha. 1.50 landschappelijke inpassing het optimaal op elkaar afstemmen van bebouwing en beplanting, rekening houdend met de ter plaatse voorkomende landschappelijke en cultuurhistorische waarden, om zo te komen tot een landschappelijke inpassing van nieuwe bebouwing en/of gebruik die recht doet aan de kwaliteit en de beleving van het landschap. 1.51 landschappelijke waarden en kenmerken gebruikswaarde, natuurwaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten. 1.52 maatvoeringsgrens de grens van een maatvoeringsvlak. 1.53 maatvoeringsvlak een geometrisch bepaald vlak waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels voor bepaalde bouwwerken eenzelfde maatvoering geldt. 1.54 nevenactiviteit een ondergeschikte activiteit waarvan de omvang zodanig is dat deze, met behoud van de hoofdfunctie, naast de hoofdfunctie kan worden uitgeoefend. 8
1.55 normaal onderhoud, gebruik en beheer een gebruik gericht op het in zodanige conditie houden of brengen van objecten in lijn met de bestemming dat het voortbestaan van deze objecten op ten minste het bestaande kwaliteitsniveau wordt gehandhaafd. 1.56 ondergeschikte activiteit een activiteit van zeer beperkte bedrijfsmatige en/of ruimtelijke omvang zodat de functie waaraan zij wordt toegevoegd, qua aard, omvang en verschijningsvorm, overwegend of nagenoeg geheel als hoofdfunctie herkenbaar blijft. 1.57 overkapping een bouwwerk voorzien van een gesloten dak en van maximaal twee wanden. 1.58 paardenbak een niet overdekt en al dan niet omsloten terrein, voorzien van een bewerkte/aangepaste bodem, voor het africhten, trainen en berijden van paarden en het anderszins beoefenen van de paardensport. 1.59 peil • voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; • in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte bouwterrein. 1.60 permanente bewoning bewoning door een persoon of door groepen van personen van een voor recreatieve bewoning bedoelde ruimte als hoofdverblijf dan wel vaste woon- of verblijfplaats. 1.61 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.
1.62 recreatie het ondernemen van activiteiten voor diens plezier. 1.63 recreatieve bewoning bewoning die plaatsvindt in het kader van weekend- en/of verblijfsrecreatie. Permanente bewoning en huisvesting van seizoensarbeiders is niet toegestaan. 1.64 seksinrichting een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische / pornografische aard plaatsvinden, waaronder in ieder geval worden verstaan een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.65 stacaravan een onderkomen, onder welke benaming ook aangeduid, dat uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot recreatief woon-, dag- of nachtverblijf van één of meer personen en dat door aanwezigheid van een chassis, assenstelsel en wielen wel over korte afstand naar een vaste standplaats kan worden verreden, doch dat niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen als aanhangsel van een personenauto te worden voortbewogen. 9
1.66 standplaats een kavel welke zich bevindt op een kampeerterrein, bestemd voor het plaatsen van een kampeermiddel, stacaravan of vakantiebungalow. 1.67 statische opslag opslag van goederen die naar hun aard geen regelmatige verplaatsing behoeven, zoals auto's, boten en caravans. De opslag mag niet bestemd zijn voor de handel dan wel worden opslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf. 1.68 straatprostitutie het zich op de openbare weg respectievelijk op openbare ruimten of in een zich op de openbare weg respectievelijk openbare ruimte bevindend voertuig beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.69 tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders het huisvesten van seizoenarbeiders (tijdelijke arbeidsmigranten), die in een periode van grote arbeidsbehoefte gedurende enkele maanden op een agrarisch bedrijf werkzaam zijn om naar aard kortdurend werk te verrichten, voor zover noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering. 1.70 uitbouw een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. 1.71 uitvoeren uitvoeren, het doen uitvoeren, laten uitvoeren en in uitvoering geven.
1.72 vakantiebungalow/chalet een gebouw, geen woonkeet, geen caravan, geen stacaravan of ander bouwsel op wielen zijnde, bestemd als onderkomen, onder welke benaming ook aangeduid, dat uitsluitend of in hoofdzaak dient of kan dienen tot recreatief woon-, dag-, of nachtverblijf van één of meer personen. 1.73 verblijfsrecreatie het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten de eerste woning, waarbij ten minste één nacht wordt doorgebracht, met uitzondering van overnachtingen bij familie en kennissen. 1.74 voorgevel de gevel van een gebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. 1.75 voorgevellijn de denkbeeldige lijn, evenwijdig aan de as van de weg waaraan gebouwd wordt, op een afstand van de weg die: 1. gelijk is aan de in de regels voorgeschreven afstand van gebouwen uit de as van de weg op het betreffende bouwperceel; 2. gelijk is aan de afstand van bestaande gebouwen tot de as van de weg op het betreffende bouwperceel, indien de afstand kleiner is dan de in de regels voorgeschreven afstand. 1.76 waterhuishoudkundige voorzieningen 10
voorzieningen die het waterhuishoudkundige belang dienen, waaronder voorzieningen voor waterberging, -aanvoer en -afvoer, zoals watergangen, waterlopen en waterpartijen, kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang of waterloop. 1.77 werk een constructie, geen gebouw of bouwwerk zijnde. 1.78 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 1.79 woonunit een te verplaatsen/verwijderen bouwwerk bestaande uit één bouwlaag, geschikt en ingericht ten dienste van het woon-, dag-, of nachtverblijf van één of meer personen.
11
Artikel 2 Wijze van meten 2.1 Algemeen 2.1.1 afstanden van gebouwen onderling, alsmede afstanden van gebouwen tot de bouwperceelsgrens worden gemeten vanaf de zijgevel van een gebouw. 2.1.2 de bebouwde oppervlakte van een bouwperceel of een ander terrein door de oppervlakten van alle op een terrein gelegen gebouwen en overkappingen bij elkaar op te tellen, tenzij in deze regels anders is bepaald. 2.1.3 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en de zijgevel van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is. 2.1.4 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.1.5 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot dan wel de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen, zoals goten van dakkapellen, niet meegerekend. 2.1.6 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.