07d Bijlage 2 t waterstraat ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
2.1.7 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.1.8 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.1.9 de breedte en diepte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of tot het hart van de scheidingsmuren, met dien verstande dat wanneer de betreffende gevelvlakken niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste maat. 2.1.10 de verticale diepte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het diepste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals funderingen, rioleringen, kabels en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
12
2.2 Ondergeschikte bouwdelen Bouwdelen als plinten, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, portalen, balkons en overstekende daken worden bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen of in de regels bepaalde afstands- en hoogtematen maximaal 1 m bedraagt. 2.3 Relatie Daar waar twee of meer bestemmingsvlakken dan wel bouwvlakken door middel van de aanduiding 'relatie' met elkaar zijn verbonden, gelden die bestemmingsvlakken dan wel bouwvlakken bij de toepassing van deze regels als één bestemmingsvlak respectievelijk één bouwvlak.
13
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Groen - Landschapselement 3.1 Bestemmingsomschrijving 3.1.1 Algemeen De voor 'Groen - Landschapselement' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuurlijke en/of cultuurhistorisch en/of landschappelijk waardevolle landschapselementen; b. water en voorzieningen voor de waterhuishouding; c. ondergeschikte bijbehorende wegen, paden en verhardingen; d. andere tot de bestemming behorende voorzieningen. 3.1.2 Toelaatbare bebouwing Op deze gronden mag niets ten dienste van de in lid 3.1.1 genoemde bestemmingen worden opgericht. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Algemeen Het is verboden om op deze gronden te bouwen. 3.3 Specifieke gebruiksregels 3.3.1 Verboden gebruik Tot het verboden gebruik wordt in ieder geval gerekend: a. het opslaan, het storten of het bergen van materialen en producten, behoudens zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; b. het gebruik van gronden voor het grazen van dieren zodanig dat het landschapselement wordt aangetast. 3.4 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden 3.4.1 Omgevingsvergunningsvereiste Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a.
het aanbrengen van beplanting, waaronder bijvoorbeeld houtgewas tenzij het beplanting betreft die wordt aangebracht ter uitvoering van een in artikel 4.4.2 genoemd landschappelijk inpassingsplan; b. het vellen van houtgewas wat niet overeenkomt met de duurzame ontwikkeling of instandhouding van de bij de bestemming behorende landschappelijke, natuurlijke of cultuurhistorische waarden; c. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging; d. het verrichten van grondroeractiviteiten, bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage; e. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen; f. het plaatsen van onroerende objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair; g. het aanbrengen van voorzieningen van geringe omvang ten behoeve van extensieve recreatie; h. het aanbrengen van (half)verhardingen. 3.4.2 Uitzonderingsregel Het in lid 3.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden die: 14
a.
b. c.
behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming, als afzetten, knotten, dunnen, waarbij de in 3.4.1 sub a genoemde waarden duurzaam worden veiliggesteld; reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan; mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
3.4.3 Voorwaarden Een omgevingsvergunning voor werken en/of werkzaamheden als bedoeld in 3.4.1 wordt door het bevoegd gezag niet eerder verleend, nadat: a. is aangetoond dat uitoefening van de werken en/of werkzaamheden niet strijdig is met de belangen van de bestemming; b. een deskundigenrapport is overgelegd omtrent de vraag of door de voorgenomen werken en/of werkzaamheden de belangen in verband met de bestemming niet onevenredig worden geschaad en welke voorwaarden dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade.
15
Artikel 4 Wonen 4.1 Bestemmingsomschrijving 4.1.1 Bestemming De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen in een woning, waarbij per bouwvlak één woning is toegestaan; b. groenvoorzieningen, infrastructurele voorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming. 4.1.2 Toelaatbare bebouwing Op deze gronden mogen, met inachtneming van de aangegeven aanduidingen, uitsluitend ten dienste van de in lid 4.1.1 genoemde bestemmingen worden opgericht: a. hoofdgebouwen; b. bijbehorende bouwwerken; c. bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemeen Gebouwen mogen worden opgericht met inachtneming van de volgende regels: a. de afstand tussen gebouwen onderling, indien deze niet aaneengesloten zijn gebouwd, bedraagt minimaal 3 m. 4.2.2 Hoofdgebouwen Hoofdgebouwen mogen worden opgericht met inachtneming van de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht; b. de goothoogte bedraagt maximaal 5,5 m en de bouwhoogte bedraagt maximaal 9 m; c. de breedte van een hoofdgebouw bedraagt maximaal 20 m; d. de inhoud bedraagt maximaal 1000 m³, e. de afstand van een voorgevel van een hoofdgebouw tot de as van de openbare weg bedraagt 15 m; f.
de dakhelling bedraagt bij toepassing van hellende dakvlakken minimaal 30° en maximaal 65°; g. de afstand tot de perceelsgrenzen bedraagt minimaal 3 m. h. de afstand van de woning tot de bestaande zuidwaarts gelegen houtwal bedraagt minimaal 5 m. 4.2.3 Bijbehorende bouwwerken Bijbehorende bouwwerken mogen worden opgericht met inachtneming van de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. de goothoogte bedraagt maximaal 3,5 m; c. de bouwhoogte bedraagt maximaal 6 m; d. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken per woning bedraagt maximaal 100 m², met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte van het bouwperceel maximaal 40% bedraagt; e. bijbehorende bouwwerken worden opgericht op een afstand van minimaal 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde hiervan.
16
4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde Bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mogen worden opgericht met inachtneming van de volgende regels: a. bij een woning mag maximaal één zwembad worden opgericht, met dien verstande dat: 1. het zwembad binnen het bouwvlak wordt opgericht; 2. het zwembad wordt opgericht op een afstand van minimaal 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde hiervan; 3. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt; 4. de afstand tot de woning maximaal 20 m bedraagt; 5. het zwembad mag worden overkapt met een overkapping met een bouwhoogte van maximaal 1 m, met dien verstande dat de oppervlakte van deze overkapping niet meetelt bij het bepalen van de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken als bedoeld in 4.2.3; b. de bouwhoogte van pergola's en tuinmeubilair bedraagt maximaal 2,5 m; c. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 m; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, bedraagt maximaal 4 m. 4.3 Afwijken van de bouwregels 4.3.1 Paardenbak Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2 voor het oprichten van een paardenbak voor hobbymatig gebruik, met dien verstande dat: a. per woning binnen het bouwvlak maximaal 1 paardenbak is toegestaan; b.
de paardenbak wordt gesitueerd achter de voorgevellijn van de woning; c. de oppervlakte van de paardenbak maximaal 1200 m² bedraagt; d. de bouwhoogte van de omheining maximaal 1,70 m bedraagt; e. er geen lichtmasten mogen worden geplaatst; f. de afstand van de paardenbak tot het bestemmingsvlak van woningen van derden minimaal 25 m bedraagt. 4.4 Specifieke gebruiksregels 4.4.1 Verboden gebruik Tot het verboden gebruik wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden binnen deze bestemming voor andere vormen van wonen dan de huisvesting van één afzonderlijk huishouden per woning, zoals bedrijfsmatige kamerverhuur of de huisvesting van (groepen) personen die geen huishouden vormen; b. het opslaan, het storten en/of het bergen van goederen, materialen en producten, behoudens voor zover dit noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; c. het gebruik van opstallen voor statische opslag, met uitzondering van het gebruik van opstallen voor statische opslag tot maximaal 400 m2 ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - statische opslag' en met uitzondering van het gebruik van opstallen ter plaatse van de aanduiding 'caravanstalling' voor de stalling van caravans; d. het gebruik van gronden voor kampeermiddelen; e. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning; f.
het gebruik van ruimten binnen de woning en/of bijbehorende bouwwerken bij de woning voor beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteiten aan huis dan wel voor een bed and breakfast of een theeschenkerij; g. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting. 4.4.2 Voorwaardelijke verplichting 17
Gebruik van het bouwperceel conform de bestemmingsomschrijving als bedoeld in lid 4.1.1 is toegestaan, mits de landschappelijke inpassing, zoals opgenomen in de bestemming 'Groen Landschapselement', maximaal 12 maanden na realisatie van het hoofdgebouw is aangelegd conform het inrichtingsplan en vervolgens aldus in stand wordt gehouden. Onder inrichtingsplan wordt in deze regels verstaan het Landschappelijk inpassingsplan zoals opgenomen in bijlage 1. 4.5 Afwijken van de gebruiksregels 4.5.1 Beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteiten aan huis Het bevoegd gezag kan via een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1.1 juncto lid 4.4.1 onder f voor de uitoefening van beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteiten aan huis in het hoofdgebouw en/of in bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat: a. het gebruik een kleinschalig karakter heeft en behoudt; b. door de uitoefening van de activiteit(en) het uiterlijk van de woning niet zodanig wijzigt dat de woning het karakter van een woning geheel of gedeeltelijk verliest; c. de vloeroppervlakte van de activiteit(en) in de woning en bijbehorende bouwwerken gezamenlijk maximaal 70 m² bedraagt; d. de activiteit(en) niet vergunnings- of meldingsplichtig zijn op grond van milieuwetgeving, met dien verstande dat deze voorwaarde niet geldt voor theeschenkerijen; e.
degene die de activiteit(en) in de woning en/of bijbehorende bouwwerken uitvoert tevens gebruiker van de woning is; f. parkeren plaatsvindt op eigen terrein; g. de activiteit(en) niet leiden tot een onevenredige verkeersaantrekkende werking en/of verkeersonveilige situaties; h. de uitoefening van detailhandel niet is toegestaan, uitgezonderd als ondergeschikte nevenactiviteit gerelateerd aan de desbetreffende activiteit(en); i. er geen buitenopslag plaatsvindt; j. het gebruik niet leidt tot afbreuk en/of belemmering van gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bebouwing; k. de uitoefening van seksinrichtingen niet is toegestaan; l. de uitoefening van horeca-activiteiten niet is toegestaan, met uitzondering van: 1. een theeschenkerij; 2.
een bed and breakfast, met dien verstande dat: • het aantal personen dat tegelijkertijd van een bed and breakfast gebruik kan maken maximaal 10 bedraagt; • de vloeroppervlakte van de bed and breakfast maximaal 40% van het totale woonoppervlak bedraagt; • er maximaal 4 bed and breakfast kamers mogen worden gerealiseerd; hiervan mogen maximaal 2 bed and breakfast kamers in een bestaand bijbehorend bouwwerk worden gerealiseerd voor in totaal maximaal 4 personen; • de bed and breakfast niet mag worden gevestigd in of bij een mantelzorgwoning; • in een voormalige mantelzorgwoning een bed and breakfast mag worden gerealiseerd wanneer deze is opgericht in een bestaand bijbehorend bouwwerk en de keukenvoorziening is verwijderd, waarbij een pantry wel is toegestaan; • de bed and breakfast accommodatie niet mag worden gebruikt voor de huisvesting van seizoensarbeiders of andere vormen van huisvesting.
18
Artikel 5 Leiding – Water 5.1 Bestemmingsomschrijving 5.1.1 Bestemming De voor 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor: a. een ondergrondse waterleiding ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - water'; b. het beheer en onderhoud van de leiding; c. de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de leiding; met de bij a tot en met c behorende: d. bescherminsgzones aan weerszijden van de aanduiding 'hartlijn leiding - water'; e. voorzieningen als bouwwerken, geen gebouwen zijnde; f. (on)bebouwde gronden. 5.1.2 Toelaatbare bebouwing Op deze gronden mogen, met inachtneming van de aangegeven aanduidingen, uitsluitend ten dienste van de in lid 5.1.1 genoemde bestemmingen worden opgericht: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 5.2 Bouwregels 5.2.1 Algemeen In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen (artikelen 3 tot en met 4) mag alleen ten behoeve van deze bestemming worden gebouwd. 5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden opgericht met inachtneming van de volgende regels: a. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 m. 5.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2 en toestaan dat overeenkomstig de andere bestemmingen wordt gebouwd, met dien verstande dat: a.
geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het doelmatig functioneren van de leiding; b. de veiligheid van de waterleiding niet mag worden geschaad; c. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder. 5.4 Omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden 5.4.1 Omgevingsvergunningvereiste Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a. het ontgronden, vergraven, afgraven, egaliseren, diepploegen, woelen en mengen en ophogen van gronden; b. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden, banen, parkeervoorzieningen en andere oppervlakteverhardingen; c. het aanleggen, verdiepen, verbreden en dempen van sloten, watergangen en overige waterpartijen; 19
d.
het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden en het vellen en/of kappen van bos of andere houtgewassen.
5.4.2 Uitzonderingsregel Het in lid 5.4.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en/of werkzaamheden die: a. behoren tot normaal onderhoud en beheer ten dienste van de bestemming; b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. 5.4.3 Voorwaarden Een omgevingsvergunning voor werken en/of werkzaamheden als bedoeld in lid 5.4.1 wordt door het bevoegd gezag niet eerder verleend, nadat: a. is aangetoond dat uitoefening van de werken en/of werkzaamheden niet strijdig is met de belangen van de leiding; b. schriftelijk advies is ingewonnen bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen werken en/of werkzaamheden de belangen in verband met de leiding niet onevenredig worden geschaad en welke voorwaarden dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade. 5.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen voor het verwijderen van de dubbelbestemming 'Leiding - Water', indien de betreffende leiding als zodanig niet meer in gebruik is en/of niet meer in gebruik mag worden genomen.
20
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
21
Artikel 7 Algemene bouwregels 7.1 Afstand tot geluidsgevoelige bebouwing 7.1.1 Algemeen Deze bepaling strekt tot de bescherming van de geluidszone rondom lokale en interlokale wegen. 7.1.2 Bouwregels Voor de geluidsgevoelige bebouwing van de naast wegen gelegen gronden dient in ieder geval een afstand van 15 m uit de as van de weg in acht te worden genomen. 7.1.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan, al dan niet in combinatie met een afwijkingsbevoegdheid, door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.1.2 voor het toestaan van een kortere afstand tot de weg, met dien verstande dat voldaan moet worden aan de geluidsnormen voor nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen uit de Wet geluidhinder juncto het Besluit geluidhinder. 7.2 Ondergronds bouwen 7.2.1 Ondergrondse bouwwerken Voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken gelden, behoudens in deze regels opgenomen afwijkingen, de volgende regels: a. ondergrondse bouwwerken onder de contouren van woningen zijn toegestaan tot een verticale diepte van maximaal 4 m, met dien verstande dat toegangen tot deze ondergrondse bouwwerken, zoals hellingbanen en trappen, ook buiten de genoemde contouren zijn toegestaan tot een verticale diepte van maximaal 4 m; b. hellingbanen en laaddocks, anders dan bij woningen zijn toegestaan tot een verticale diepte van maximaal 4 m; c.
randvoorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, zoals bergbezinkbassins, bergbezinkleidingen en bergingsbassins, zijn toegestaan tot een verticale diepte van maximaal 4 m; d. overige ondergrondse bouwwerken zijn toegestaan tot een verticale diepte van maximaal 1,5 m; e. bij de berekening van de inhoud van woning wordt de inhoud van ondergrondse bouwwerken niet meegerekend. 7.2.2 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.2.1 onder d voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 m onder peil, onder de voorwaarde dat de waterhuishouding niet wordt verstoord en nadat schriftelijk advies is verkregen van het waterwinbedrijf. 7.3 Nadere eisen 7.3.1 Algemeen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij het verlenen van een omgevingsvergunning, met inachtneming van de regels vervat in hoofdstuk 2, nadere eisen te stellen ten aanzien van: a. de plaatsing van gebouwen en bijbehorende bouwwerken ten opzichte van de bouwperceelsgrens en ten opzichte van elkaar; b. de dakhelling en nokrichting van hellende dakvlakken van gebouwen; c. de plaatsing en vormgeving van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 22
7.3.2 Voorwaarden De in lid 7.3.1 bedoelde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld: a. met het doel te voorkomen dat de belangen van derden worden geschaad of afbreuk wordt gedaan aan de doeleinden van het plan; b. met het oog op de bereikbaarheid van gronden, gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in verband met calamiteiten.
23
Artikel 8 Algemene gebruiksregels Het is verboden de in de artikelen 3 en 4 bedoelde gronden en bouwwerken: a. te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangeduid in de bestemmingsomschrijving; b. te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven voor een seksinrichting, een escortbedrijf en raam- en straatprostitutie. c. te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven ten behoeve van de productie, opslag, stalling en dumping van: 1. een verboden middel zoals bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet; 2. grondstoffen ten behoeve van en afvalstoffen afkomstig uit het productieproces van een verboden middel zoals bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet.
24
Artikel 9 Algemene aanduidingsregels 9.1 Bebouwingsconcentratie 9.1.1 Aanduidingsomschrijving De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bebouwingsconcentratie' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, tevens bestemd voor een bebouwingsconcentratie. 9.2 Luchtvaartverkeerzone 9.2.1 Aanduidingsomschrijving De gronden ter plaatse van de aanduiding 'Luchtvaartverkeerzone' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, tevens bestemd voor de bescherming van de vliegveiligheid in verband met de ligging binnen de obestakelbeheervlakken vanwege het luchtvaartverkeer. 9.2.2 Bouwregels Al dan niet in afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen (artikelen 3 tot en met 4) mag de bouwhoogte van een bouwwerk niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'Luchtvaartverkeerzone - 5': 109,14 m boven NAP. 9.3 Vrijwaringszone - obstakelbeheerzone 9.3.1 Aanduidingsomschrijving De gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - obstakelbeheerzone' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, tevens bestemd voor de bescherming van de radarverstoringsgebieden van Vliegbasis Woensdrecht en radarstation Herwijnen, teneinde de verstoring van het radarbeeld te voorkomen en bescherming van de obstakelbeheerzones van Vliegbasis Woensdrecht. 9.3.2 Bouwregels In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen (artikelen 3 en 4): a.
mogen geen bouwwerken worden gebouwd met een hoogte van meer dan 88 meter; b. geldt voor windturbines, in aanvulling op het bepaalde onder a en naast de bouwregels zoals opgenomen in de artikelen 3 tot en met 4, dat geen windturbines mogen worden opgericht met een tiphoogte hoger dan 90 m + NAP. 9.3.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 9.3.2 voor het bouwen overeenkomstig het bepaalde in de andere bestemmingen, met dien verstande dat: a. het functioneren van de radar niet in onevenredige mate wordt of kan worden aangetast; b. de Minister van Defensie ingestemd heeft met de ontwikkeling.
25
Artikel 10 Algemene afwijkingsregels 10.1 Algemeen Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het volgende: a. de in het plan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 10%, met dien verstande dat deze afwijking niet is toegestaan voor de inhoud van burgerwoningen binnen de bestemming 'Wonen' en enkel in de gevallen waarbij is aangetoond dat afwijking noodzakelijk is: 1. ten gevolge van de technische eisen zoals opgenomen in het Bouwbesluit; of 2. in verband met een woningaanpassing in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning; of 3. ter optimalisering van de bedrijfsvoering; b. de regels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, met dien verstande dat de overschrijding maximaal 2,5 m bedraagt en deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing; c. de regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt verhoogd tot maximaal 40 m; d. de regels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot maximaal 10 m; met dien verstande dat: 1.
de belangen van de eigenaren en gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet aantoonbaar onevenredig worden geschaad; 2. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.
26
Artikel 11 Algemene procedureregels 11.1 Nadere eisen Bij toepassing van de nadere eisen regeling, die onderdeel uitmaakt van dit plan, is op de voorbereiding van het besluit de procedure als bedoeld in de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
27
Artikel 12 Overige regels 12.1 Strafbepaling Overtreding van het bepaalde in artikel 38 is een economisch delict in de zin van artikel 1a, sub 2° van de Wet op de economische delicten en als zodanig strafbaar op grond van deze wet. 12.2 Parkeerregeling a. bij de uitoefening van de bevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of afwijken, dient tenminste voldaan te worden aan het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen, zoals opgenomen in de 'Nota Parkeernormen Rucphen 2017 ' d.d. 31 mei 2017; b. het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in sub a. indien wordt voorzien in parkeervoorziening, die gelet op de parkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is als bedoeld in sub a; c. indien de 'Nota Parkeernormen Rucphen 2017' als bedoeld onder sub a gedurende de planperiode van dit bestemmingsplan wordt gewijzigd, wordt bij de verlening van de omgevingsvergunning getoetst aan deze wijziging; d. parkeergelegenheid die is gerealiseerd om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid dient in stand te worden gehouden.
28
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 13 Overgangsrecht 13.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 13.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b.
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
29