07d Bijlage 2 t waterstraat ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
33
Figuur 20: Waardevolle natuur en landschap binnen bereik
Figuur 21: Groenstructuurkaart
34
Op de Groenstructuurkaart met uitvoeringskaart (figuur 21 en 22) is het plangebied niet specifiek weergegeven.
Figuur 22: Uitvoeringskaart Structuurvisie Landschap, 2012 en Landschapsontwikkelingsplan, 2009 De gemeente Rucphen heeft een zeer aantrekkelijk buitengebied. Dit aantrekkelijke buitengebied met de authentieke schoonheid van het landschap en natuurgebieden wedijvert echter met economische belangen om de schaarse, kwalitatief hoogwaardige ruimte in Rucphen. De gemeente wil economische initiatieven stimuleren, maar in combinatie met een goede zorg voor kwaliteit van het landschap zodat Rucphen aantrekkelijk blijft voor de huidige en toekomstige inwoners, maar ook voor de bezoekers: de toeristen en recreanten. Het Landschapsontwikkelingsplan vormt de basis voor de Structuurvisie landschap van 26 juni 2012 (figuur 23). Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) heeft betrekking op het buitengebied van de gemeente. Het LOP is opgesteld om sturing te kunnen geven aan komende (voorzienbare) ontwikkelingen in het buitengebied. Het plan heeft een bottom-up principe, wat betekent dat het in samenspraak met direct belanghebbenden tot stand komt en van onderaf ‘bouwt’ aan het gewenste landschapsbeeld. Het bundelt handelingen en processen die een ruimtelijke weerslag hebben op het buitengebied.
35
Visie deelgebied
Figuur 23: Verdeling van gebieden (LOP) Het gebied ten oosten van de kernen bestaat hoofdzakelijk uit oude besloten zandontginningen, met als uitzondering het gebied ten zuiden van de Blikloop, dat kan worden gekarakteriseerd als coulisselandschap. De reliëfrijke ondergrond en de grillige waterhuishouding hebben een belangrijke rol gespeeld in de wijze van ontginning van het landschap. Op de relatief hogere gronden zijn monumentale boerderijen en oude bolle akkers terug te vinden. Vanaf deze plekken zijn in een later stadium de lager gelegen delen in cultuur gebracht. De geschiedenis van het gebied is terug te vinden in de namen van de straten zoals Heikant en Turfstraat en in de aanwezigheid van de Oude Vaart en de Turfvaart. De kavelstructuur is grillig en is her en der aangezet met houtwallen. Het grootste deel van deze karakteristieke elementen is echter verloren gegaan. Een ander opvallend element is de 36
laanbeplanting langs de wegen. Het patroon van bomenrijen en lanen maakt het landschap kleinschaliger. Door de grillige structuur en de aanwezigheid van veel opgaande beplanting zijn landschapskamers ontstaan die allerlei agrarische functies herbergen. Er bevinden zich veel intensieve veehouderijen, maar ook boomteelt en kassen. Het landelijke gebied ten zuiden van de SprundelsewegRucphenseBaan vormt een fraai contrast met het industriegebied ten noorden van de weg. De zuidrand van Het Oosten is attentiegebied in de Verordening Waterhuishouding. De functies in dit deel moeten zijn afgestemd op waterkwaliteit en waterkwantiteit. Het grootste deel van Het Oosten is aangewezen als verwevingsgebied. Dit deelgebied biedt dus mogelijkheden voor verschillende functies waaronder de intensieve veehouderij, mits deze de andere functies zoals wonen niet hindert. Een deel is als extensiveringsgebied melkveehouderij bestempeld, een ander deel als natuurontwikkelingsgebied. In dit deelgebied wordt ingezet op het behouden en beperkt herstellen van lijnvormige beplantingselementen. Waar mogelijk kan door het laten ontstaan van ruige perceelsranden en slootkanten de huidige kamerstructuur verder versterkt worden en een ecologische meerwaarde worden gecreëerd.
In deze ‘kamers’ zijn meerdere vormen van landgebruik denkbaar; akkerbouw, melkveehouderij, bomenteelt en zelfs kleinschalige glastuinbouw of intensieve veehouderij. St. Willebrord heeft in de toekomst nog uitloopmogelijkheden in het gebied ten westen van de Luienhoekse Straat/Irenestraat en ten noorden van de St. Jansstraat. Hier ligt de mogelijkheid om een zogenaamde kernrandzone te creëren. De kernrandzone wordt beschouwd als overgangsgebied tussen kern en land. Naast de functies van het buitengebied (landbouw, natuur, waterberging en extensieve recreatie) zijn in de kernrandzone ook stedelijke functies toelaatbaar. Zo ontstaat er een combinatie van wonen en werken. Deze locatie dient nader te worden uitgewerkt. Om het ideaalbeeld uit het LOP te kunnen bereiken mogen de ruimtelijke kenmerken van de deelgebieden niet worden aangetast maar dient het landschap te worden hersteld en versterkt. Ten behoeve van de kwaliteitsverbetering van het landschap heeft de gemeente Rucphen landschapspakketten per deelgebied opgesteld waarin wordt aangegeven welke landschapselementen toegepast kunnen worden om het deelgebied afhankelijke landschap te kunnen versterken. Dit is verwoord in de Structuurvisie Landschap.
Deze structuurvisie heeft het primaire doel economische activiteiten in het buitengebied bij bouw- en gebruiksaanvragen te koppelen aan zorg om kwaliteit van het landschap conform het ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ principe uit de provinciale Vr. Het behoud en ontwikkeling van het landschap staat in deze structuurvisie voorop. Deze structuurvisie dient te voorkomen dat het ontplooien van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zorg om kwaliteit is daarom een voorwaarde voor elk initiatief in het buitengebied. Voor de nieuwe activiteiten geldt dat altijd een algemene toets naar de waarden (natuur, landschap, cultuurhistorie) moet worden uitgevoerd. De landschapspakketten zijn gebaseerd op landschapselementen uit het Groen-Blauw stimuleringskader in combinatie met de deelgebieden uit het Landschapsontwikkelingsplan Rucphen. Deze pakketten zijn bindend voor landschappelijke inpassingen. Binnen de bouwblokken is echter ruimte voor maatwerk. De beoogde ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast, zoals beschreven in par. 2.4 met landschapspakket L1A (STIKA).
37
Welstandsnota De gemeenteraad heeft op 18 september 2019 de 'Nota uiterlijk van bouwwerken Rucphen 2019' vastgesteld. Per 1 oktober 2019 is welstandstoetsing voor nagenoeg de gehele gemeente afgeschaft. In de nota is opgenomen dat enkel nog voor rijksmonumenten, cultuurhistorische waardevolle panden en Leisuregebied Binnentuin welstandsregels gelden. Daarnaast is een excessenregeling van kracht zodat tegen excessen opgetreden kan worden. Met het nieuwe beleid krijgen inwoners en bedrijven ruimte om zelf invulling te geven aan hun bouwwerken (kwaliteit). Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zal worden getoetst of welstandsregels van toepassing zijn. Voor voorliggend plan zijn geen welstandsregels van toepassing. Visie Duurzaamheid 2019-2030 en Duurzaamheidsagenda 2019-2030 De gemeente Rucphen heeft de Visie Duurzaamheid 2019-2030 opgesteld. De Visie Duurzaamheid is de basis voor de Duurzaamheidsagenda met daarin opgenomen een meerjarenprogramma en een jaarlijks uitvoeringsplan. In de Visie Duurzaamheid staan de ambities van de gemeente Rucphen op het gebied van duurzaamheid. Deze ambities hebben betrekking op de thema’s: Klimaat, Energie en Wonen/ Groen en Water/ Afval en Grondstoffen/ Mobiliteit/ Landbouw. De Duurzaamheidsagenda is het instrument dat de activiteiten van de gemeente en haar omgeving bundelt en structureert. De agenda is gevuld met concrete activiteiten.
De agenda kan worden aangepast als zich verdere kansen voor verduurzaming voordoen of voortschrijdend inzicht daarom vraag (adaptief). De ambities van de gemeente Rucphen zijn voor nieuwbouw woningen: Bij nieuwbouw is het streven dat er duurzame woningen worden gebouwd met een Energielabel A. Het streven naar het verminderen van het verhard oppervlak in particuliere tuinen met 20% in 2030 ten opzichte van 2019. Bij nieuwe bouwplannen wordt hiermee rekening gehouden door te toetsen op waterberging. Het uitgangspunt voor het bouwen van de nieuwbouwwoning op de locatie Waterstraat is duurzaamheid. De woning dient te voldoen aan de energieprestatie-eisen (EPC), daarnaast wordt de woning gasloos uitgevoerd. Het aspect water komt in par. 4.3 verder aan bod. Daarnaast wordt het plan landschappelijk ingepast, wat een bijdrage levert aan de duurzaamheid.
38
3.4
Toetsing beleidskaders
Een en ander is derhalve passend binnen het rijks- en provinciaal en gemeentelijk beleid, met uitzondering van het bestemmingsplan. Het rijksbeleid wordt niet aangetast. Het provinciaal beleid wordt in acht genomen door een zuinig ruimtegebruik en landschappelijke inpassing, zoals deze uit de IOV blijkt. Om deze reden is er dan ook planologisch gezien geen probleem om de ontwikkeling door te zetten.
39
Hoofdstuk 4 4.1
Sectorale aspecten, kwaliteit van de leefomgeving
Bodem
Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Wettelijk is bepaald dat een omgevingsvergunningplichtig bouwwerk niet mag worden gebouwd op een zodanig verontreinigd terrein, dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het wijzigen of opstellen van een bestemmingsplan of afwijkingsbesluit. Bij grond afvoer en grondverzet vanaf het plangebied naar elders treden de regels van het Besluit bodemkwaliteit in werking. Deze regels wijken af van de voor het rapport gehanteerde regels van de Wet Bodembescherming. De uiteindelijke beslissing met betrekking tot de functionele geschiktheid van de bodem voor de beoogde doelstelling is strikt voorbehouden aan het bevoegd gezag. In dit kader is een verkennend bodemonderzoek NEN5740 uitgevoerd op 28 april 2021 (bijlage 3).
Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de boven- en ondergrond niet verhoogd zijn met een van de gemeten componenten. Het freatisch grondwater is licht verhoogd met koper, xylenen en naftaleen. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond mogelijk niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie is niet multifunctioneel toepasbaar. Het wordt daarom afgeraden het freatisch grondwater te gebruiken voor consumptie, besproeiing of proceswater.
4.2
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie In Europees verband was het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag was het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd (Monumentenwet) en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz was een wijzigingswet en omvatte een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moesten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeenten belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2023 in werking zal treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd.
. 40
Rekening dient gehouden te worden met de in de bodem aanwezige, dan wel te verwachten archeologische resten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn. Is de verwachting dat er archeologisch waardevolle zaken aanwezig kunnen zijn , dan is vooronderzoek nodig. Op 18 september 2019 heeft de gemeenteraad van Rucphen de Nota Archeologie gemeente Rucphen vastgesteld en daarbij het archeologiebeleid aangepast. Op de beleidskaart (figuur 24) is de locatie geduid onder de noemer ‘historische kernen, bekende archeologische vindplaatsen en relicten, en hoge archeologische verwachting (tenminste) voor vindplaatsen en jager-verzamelaars. Deze hoge verwachting komt terug op de verwachtingenkaart (figuur 25).
Figuur 24: Beleidskaart
41
Figuur 25: Archeologische waarden en verwachtingen 2019 Op grond van de resultaten van het onderzoek van 24 december 2021 (bijlage 2) is een archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht in elk geval voor het deel dat in figuur 26 groen is aangegeven. Op basis van het uitgevoerd verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat het potentieel archeologisch niveau in het gehele plangebied nog grotendeels intact zal zijn. Er is in het zuidwesten van het plangebied een restant van een B(C)-horizont aangetroffen. In het centrale en noordoostelijke deel van het plangebied zijn deze bodemhorizonten niet aangetroffen, maar de top van de C-horizont ligt nagenoeg even hoog (ten opzichte van NAP) als in het zuidwesten van het plangebied. In deze laag zullen nog archeologische resten aan te treffen zijn. In het zuidwestelijke gedeelte is nog een potentieel archeologisch niveau aanwezig. Ondiep gefundeerde resten zullen in het centrale en noordoostelijke deel van het plangebied niet meer in situ worden aangetroffen. Dit geldt voornamelijk voor steentijdvindplaatsen uit het laat-paleolithicum tot mesolithicum, waarvoor de archeologische verwachting wordt bijgesteld naar laag. Zekerheidshalve is voor het hele plangebied een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek van 1 juni 2022 is eveneens in bijlage 2 gevoegd.
Op basis daarvan hoeft de archeologische dubbelbestemming niet langer op het perceel te rusten. De resultaten van het onderzoek zijn getoetst door de bevoegde overheid (Gemeente Rucphen), dat op basis van het uitgebrachte advies een besluit heeft genomen (bijlage 2, d.d. 14 juni 2022).
42
Figuur 26: Advieskaart plangebied Cultuurhistorie Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.
Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
43
De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2023 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. In de provincie Noord-Brabant dienen in het kader van het behoud van waardevolle cultuurhistorische elementen en archeologische vindplaatsen, bestemmingsplannen te worden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW). Hierop staan de bepalende cultuurhistorische elementen aangeven.
De CHW bestaat uit de volgende onderdelen: • historische bouwkunst: dit zijn de ‘monumenten’ uit het dagelijks taalgebruik; • historische stedenbouw: het kan gaan om een gehucht, dorp, stad, woonwijk of industrieel complex; • historische geografie: aanpassingen die de mens in de loop der eeuwen heeft gedaan aan de natuurlijke omgeving; • historisch groen: de groenelementen en structuren die door ingrepen van de mens ontstaan; • historische zichtrelaties: hieronder vallen: molenbiotopen, schootsvelden, eendenkooien en zichtrelaties; • archeologische monumenten: deze kaartlaag bestaat uit de Archeologische Monumenten Kaart Noord-Brabant (AMK).
Figuur 27: CHW 2015 44
De planlocatie komt niet op de CHW-kaart (figuur 27) voor. De Waterstraat is geduid als lijn van redelijke hoge waarde. In de nabijheid ligt een gebouwen met historische bouwkunst en één monumentale boom. De planlocatie ligt in de regio Westbrabantse venen. In de ‘Westbrabantse Venen’ heeft de winning en het transport van turf het landschap eeuwenlang beheerst. Hieraan herinneren de (relicten van) turfvaart en de turfhoofden. De ontginning van het veen heeft de ontwikkeling van het gebied mogelijk gemaakt. Op de afgeveende gronden worden nieuwe dorpen gesticht, landgoederen, landbouwgronden en productiebossen aangelegd. Door de nieuwe woning worden de cultuurhistorische waarden niet aangepast.
Figuur 28: Cultuurhistorische kaart gemeente Ook op de gemeentelijke cultuurhistorische kaart (figuur 28) komt de locatie niet voor. Op deze kaart is, aanvullend op de provinciale kaart, het historische groen en dorpsgebied 1900 aangegeven. De Waterstraat is als overige weg geduid. De bestaande groenstructuur is als wal aangemerkt, van lokale waarde met een verwijzing naar het landschapsontwikkelingsplan. Daarnaast is op de Cultuurhistoriekaart een ‘matrix waardering en beleid’ opgenomen, waarin wordt aangegeven op welke wijze de cultuurhistorische waarden in ruimtelijk beleid verankerd kunnen worden.
45
Met de ontwikkeling worden de cultuurhistorische waarden niet aangetast, aangezien de ontwikkeling zich op een perceel bevinden dat feitelijk niet op de kaarten voorkomt. Er vinden geen werkzaamheden aan de Waterstraat plaats en de groene wal blijft behouden. Aardkundige waarden Uit de aardkundige waardenkaart van de provincie Noord-Brabant blijkt dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van een aardkundig waardevol gebied en evenmin op korte afstand van een dergelijk gebied is gelegen.
4.3
Water
Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging te voorkomen. Volgens het Bro is een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan, aanvullend op het vigerende bestemmingsplan. Waterwet De Waterwet van 22 december 2009 vervangt een aantal bestaande wetten, zoals het Waterbeleid 21e eeuw en de Kaderrichtlijn Water, op het gebied van waterbeheer. De Waterwet is gericht op integraal waterbeheer, met de doelstelling voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en vervulling van maatschappelijke functies van watersystemen. Waterstructuurplan Het provinciale beleid richt zich op het bereiken en in stand houden van watersystemen die ruimte bieden aan een gezond leefmilieu voor mens, dier en plant.
Daarbij zijn economische en ecologische ontwikkelingen met elkaar in evenwicht en is het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie een randvoorwaarde. Vijf hoofdthema's vormen de kern van het beleid: • het realiseren van een duurzame watervoorziening; • het verbeteren van de waterhuishoudkundige situatie; • het verbeteren van de waterkwaliteit; • het inrichten van waterlopen met het oog op de versterking van natuurwaarden; • het anders omgaan met water in bebouwd gebied. Regionaal Water en Bodem Programma 2022-2027 Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP, figuur 29) vastgesteld. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Doelen van het PMWP: • voldoende water voor mens, plant en dier • schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht) • bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico’s • verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening De provincie wil deze doelen realiseren in samenwerking met de partners op basis van gezamenlijke verantwoordelijkheid. De planlocatie ligt op 150 meter van een gebied, geduid als reservering waterberging.
46
Figuur 29: Provinciaal Waterplan 2016-2021 Op 3 december 2021 is als opvolger van dit plan het Regionaal Water en Bodem Programma (RWP) 2022-2027 vastgesteld dat 22 december 2021 in werking is getreden. Het is onderdeel van het planstelsel voor de wateropgaven in Nederland, samen met het Nationaal Water Programma en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen. Doel van dit nieuwe RWP is: een klimaatadaptief Brabant met veilig, schoon en voldoende water en een vitale bodem. Deze opgaven zijn ook van belang voor vrijwel alle andere provinciale opgaven: wonen en werken, infrastructuur en mobiliteit, landbouw en voedsel, natuur en biodiversiteit, erfgoed, een concurrerende en duurzame economie, en de energietransitie. Een belangrijke rode draad in het programma is het herstellen van de systeemwerking. Vele generaties lang had het waterbeleid als doel wateroverlast te voorkomen en water zo snel mogelijk af te voeren. Inmiddels weten we beter en is het duidelijk geworden dat het roer om moet: we moeten zuinig zijn op ons water en de bodem, en het wateren bodemsysteem moet toegerust zijn op natte én droge tijden. Waterbeheerplan Waterschap Brabantse Delta werkt 24 uur per dag aan waterveiligheid, droge voeten, voldoende en schoon water. Hoe? Dat staat beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021.
In het waterbeheerplan staan doelen en maatregelen voor de periode van 2016 tot en met 2021. Ook beschrijft het waterschap hoe ze inspelen op de veranderende omstandigheden, zoals het klimaat. In vijf jaar tijd kan er veel veranderen. Daarom controleert het waterschap tijdens de planperiode regelmatig of doelen en maatregelen nog steeds goed gekozen zijn of dat aanpassing nodig is. Het Waterbeheerplan geeft de basis voor dit continue proces van plannen. Het waterschap wil de samenwerking met burgers, ondernemers en organisaties actief betrekken bij het waterbeheer in Midden- en West-Brabant. Gezond water is immers van belang voor iedereen. Met het waterbeheerplan nodigt het waterschap uit in gesprek te gaan. Goede initiatieven die bijdragen aan droge voeten, voldoende en schoon water worden gestimuleerd. 47
Het Waterbeheerplan is samen met gemeenten, industriële en agrarische ondernemers, Natuurverenigingen, de provincie en het rijk opgesteld. Het algemeen bestuur heeft het waterbeheerplan definitief vastgesteld op 14 oktober 2015. Waterschap Brabantse Delta blijft de verbinding zoeken met inwoners en partners bij de uitvoering van het plan en blijft voortdurend kijken naar de mogelijkheden voor duurzame maatregelen en efficiënter uitvoeren van werkzaamheden. Het Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 is als opvolger eind december 2021 vastgesteld door het waterschap Brabantse Delta. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in die periode uitvoert. Het waterschap bepaalt hiermee de koers voor de komende zes jaar. In het Waterbeheerprogramma staat hoe het waterschap haar taken in de periode 2022 – 2027 uitvoert. Er staan doelstellingen en ambities in. Het waterbeheerprogramma komt voort uit afspraken in de Omgevingswet. Bij het opstellen van het Waterbeheerprogramma is aan organisaties en andere belanghebbenden om hun inbreng gevraagd. Maar ook met trends en maatschappelijke ontwikkelingen, zoals klimaat, de inrichting van de ruimte en economische activiteiten is rekening gehouden in het Waterbeheerprogramma. Met het Waterbeheerprogramma werkt het waterschap samen met andere organisaties aan een klimaatbestendig en veerkrachtig waterbeheer.
Dat waterbeheer draagt bij aan een duurzame ontwikkeling van het werkgebied en daarbuiten. Water is een belangrijke medebepalende factor bij ruimtelijke ontwikkelingen. Duurzaam betekent rekening houden met het lokale bodem- en watersysteem. Op die manier kan het waterschap bijvoorbeeld beter water vasthouden om verdroging tegen te gaan. Maar dat is ook belangrijk voor de andere taken van het waterschap. Zoals voor de bescherming tegen overstromingen, de zorg voor een goede waterkwaliteit en het versterken van de natuur. Om de doelstellingen en ambities in het Waterbeheerprogramma te bereiken wordt veel samengewerkt. Onder andere met medeoverheden, belangenorganisaties, bedrijven en burgers. Een duurzame en flexibele werkwijze vormt daarbij het uitgangspunt, rekening houdend met wetten en regels. Men zet zelf communicatie en juridische en financiële instrumenten in. Voorbeelden daarvan zijn campagnes en deelname aan stimuleringsregelingen. Als er zich kansen voordoen, geeft het Waterbeheerprogramma ruimte voor het maken van keuzes. In het Waterbeheerprogramma neemt het waterschap de kerntaken als uitgangspunt. Die taken zijn: bescherming tegen overstromingen en zorgen voor schoon en gezond water dat voldoende voorhanden is. Het waterschap kijkt bij het plannen en uitvoeren van die kerntaken zo integraal mogelijk naar alle wateropgaven.
Gemeentelijk beleid Sinds 1 januari 2008 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het hemelwater, het afvalwater en het grondwater. Het Gemeentelijk Riolerings Plan (GRP) 2018-2022 en het gemeentelijk waterplan (2008) verantwoorden aan de inwoners van de gemeente Rucphen de ambities en bijbehorende maatregelen en middelen op watergebied. Met het GRP geeft de gemeente invulling aan de gemeentelijke zorgplicht. Bij de realisatie van (nieuwe) bebouwing wordt het scheiden van waterstromen nagestreefd. Bij rioolvervanging wordt, mits kosteneffectief, actief beleid gevoerd op het afkoppelen van hemelwater en scheiden van waterstromen. Voor het afkoppelen van dakvlakken op particulier terrein wordt bij bestaande bouw een doelmatigheidstoets uitgevoerd. Bij het infiltreren van het regenwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: infiltreren waar het kan, bufferen waar mogelijk en als het niet anders kan, afvoeren. De zorgplicht hemelwater valt onder de Waterwet (in de toekomst Omgevingswet). In artikel 3.5 is de wettelijke verplichting vastgelegd: De gemeente draagt zorg voor een doelmatige inzameling van het afvloeiend hemelwater, voor zover van degene die zich daarvan ontdoet, voornemens is zich te 48
ontdoen of zich moet ontdoen, redelijkerwijs niet kan worden gevergd het afvloeiend hemelwater op of in de bodem of in het oppervlaktewater te brengen. En de gemeente draagt zorg voor een doelmatige verwerking van het ingezamelde hemelwater. Onder het verwerken van hemelwater kunnen in ieder geval de volgende maatregelen worden begrepen: de berging, het transport, de nuttige toepassing, het, al dan niet na zuivering, terugbrengen op of in de bodem of in het oppervlaktewater van ingezameld hemelwater en het afvoeren naar een zuiveringtechnisch werk. De gemeente Rucphen heeft belang bij een robuust watersysteem, wat bij hevige regenval het water uit de rioolwateroverstorten kan verwerken. Dit is immers een randvoorwaarde voor het beperken van wateroverlast in bebouwd gebied tot een aanvaardbaar niveau. Retenties worden daarom gedimensioneerd met een ‘regenreeks’ die gemiddeld 1 keer per 100 jaar voorkomt in Nederland. Hierbij wordt rekening gehouden met klimaatverandering, zodat het watersysteem zodanig wordt gedimensioneerd dat het toekomstbestendig is. Voor 'Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen' wordt het beleid van het waterschap Brabantse Delta gevolgd. Het gemeentelijk waterplan Rucphen ‘Water in Rucphen, wel aanwezig, niet altijd zichtbaar’ is vastgesteld op 31 januari 2008 door de gemeenteraad.
Het doel van het waterplan is om het watersysteem in de gemeente Rucphen op orde te brengen en op orde te houden. Het waterplan geeft een visie over hoe het watersysteem er in 2050 moet uit zien. Het gemeentelijk waterbeleid is divers en gaat van het voorkomen van wateroverlast in de kernen tot en met het verbeteren van de waterkwaliteit en bijbehorende ecologische waarden. Als kader voor het waterplan is het nationaal bestuursakkoord water waarin het doel is om het water zoveel mogelijk vast te houden en te bergen op de plaatsen waar het valt. Een ander speerpunt is het tegengaan van verontreiniging van het grondwater en het oppervlaktewater door chemische middelen zoals bestrijdingsmiddelen en schoonmaakmiddelen. Voor de bestaande waterberging en nieuw aan te leggen bergingen is het beleid om deze op een goede landschappelijke manier in te passen zodat deze bergingen bijdragen aan de belevingswaarden van het buitengebied. Keur Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken, beheer van vaarwegen en nautisch beheer. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit.
Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur te lozen op het oppervlaktewater bij een uitbreiding van het verhard oppervlak groter of gelijk aan 500 m2. Deze ondergrens is per 1 april 2021 van 2.000 m2 naar 500 m2 teruggebracht. Voorbeelden van situaties waarbij een watervergunning nodig is: • het dempen of wijzigen van een watergang; • het aanleggen van een kabel of leidingen; • het planten van bomen en struiken; • het brengen van water in een watergang. 49
Het waterschap heeft als beleid dat nieuwe ontwikkelingen waterneutraal moeten worden uitgevoerd, waarbij zoveel mogelijk moet worden gestreefd naar behoud of herstel van de natuurlijke waterhuishoudkundige situatie. Het toekomstige watersysteem moet hierbij voldoen aan de ‘Beleidsregel hydraulische randvoorwaarden van het waterschap’, vastgesteld op 1 mei 2009. Met betrekking tot hydrologisch neutraal ontwikkelen hebben de drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hierna hun keuren geharmoniseerd tot ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Als onderdeel van dit harmonisatietraject hanteren de waterschappen dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. De Keur van 1 maart 2015 is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Hergebruik gaat boven infiltreren, boven bergen en afvoeren (kwantiteitsrits). Voor nieuwbouw geldt dat het ‘schone’ regenwater van het ‘vuile’ huishoudelijke afvalwater gescheiden opgevangen en verwerkt dient te worden. De kwaliteitsrits houdt in schoonhouden, scheiden, zuiveren. Watertoets Huidige situatie De locatie ligt in een kempisch zandgebied, met laarpodzolgrond en Gooreerdgrond.
Het is lemig fijn zand, een dekzandvlak nabij dekzandrug. Aan beide zijden van de weg ligt een sloot, er zijn geen keringen of andere oppervlaktewateren. De zandgronden zijn voedselarm en vochtig tot droog. Het is een open akkerlandschap zand. Het perceel is een onverhard weiland. De sloot aan de planzijde is een B-waterloop. Er zal met het waterschap overleg plaatsvinden vanwege de inrit over de sloot hen. De sloot aan de overzijde van de weg is een A-waterloop volgens de waterlegger. Nieuwe situatie De woning wordt circa 150 m2 tot 200 m2 groot, aan bijgebouwen kan (vergunningvrij) eveneens 150 m2 worden opgericht. Voor terras, verhardingen en de oprit wordt ook met 150 m2 rekening gehouden. Totaal nemen de verhardingen toe met 500 m2 zodat geen extra waterberging of compensatie nodig is. Vanwege de aangelegen sloot en de te realiseren in/uitrit zal met de gemeente en/of waterschap overleg plaatsvinden over het realiseren van een dam om de bouwlocatie te bereiken. Voor de dam met duiker ter behoeve van de inrit is een algemene regel van toepassing (algemene regel 10). Het onderhoud van dit B-water ligt bij de aanliggend eigenaar. Bij de uitwerking van de bouwplannen zal gekeken worden naar de mogelijkheden voor berging / infiltratie van regenwater op eigen terrein. Dit vanwege de ruime indeling van het perceel, de zandgronden en de diepe grondwaterstanden.
Conform de gemeentelijke bouwverordening dient bij nieuwbouw de riolering gescheiden op de erfgrens aangeboden dient te worden zodat deze op het bestaande gescheiden stelsel kan worden aangesloten. Om verontreiniging van het grondwater of het oppervlaktewater te voorkomen mogen geen uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink, zachte PVC en geïmpregneerde materialen worden toegepast. Deze stoffen kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en hebben hierdoor een zeer nadelige invloed op de water(bodem)kwaliteit en ecologie. Op deze wijze neemt het risico kwaliteit grondwater niet toe. Ten behoeve van het huishoudelijke afvalwater dient een afzonderlijke leiding aangelegd te worden in het nieuwbouwplan. Dit stelsel dient gedimensioneerd te worden op de toekomstige bebouwing in het plangebied. Het nieuwe stelsel kan dan aangesloten worden op het rioleringsstelsel. Het regenwater wordt naar de sloot afgevoerd. Er wordt gemiddeld 120 liter vuilwater per dag geproduceerd per inwoner en afgevoerd naar het rioolstelsel. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag vanuit het plangebied wordt “geproduceerd”. Er worden geen capaciteitsproblemen verwacht door deze minimale hoeveelheid. 50
4.4
Geluidhinder
Sinds 1 januari 2007 is de Wet geluidhinder (Wgh) van kracht. Geluidsgevoelige ontwikkelingen moeten aan deze wet worden getoetst. In de Wgh is bepaald dat de geluidsbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en/of industrielawaai op de gevels van (andere) geluidsgevoelige gebouwen getoetst moet worden aan de in de Wgh opgenomen (voorkeurs)grenswaarden. In een 30 km/uur-gebied kan toetsing veelal achterwege blijven. Het plangebied is gelegen in een 60 km/uur-gebied. Vanwege het aspect geluid is daarom onderzoek verricht 11 mei 2021 (bijlage 4). Uit het onderzoek blijkt dat aan de Waterstraat een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde plaatsvindt, maar niet van de maximale ontheffingswaarde. De gemeente is bevoegd hogere waarden te verlenen omdat aanvaardbare alternatieven en maatregelen ontbreken. Er kan minimaal één geluidluwe gevel worden gerealiseerd. Vanwege de Klein Zundertseweg en Puinbroekstraat is geen ontheffing nodig omdat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden. Bij de aanvraag Omgevingsvergunning wordt ten behoeve van toetsing aan het Bouwbesluit nog een Geluidwering Gevel Onderzoek met berekeningen uitgevoerd.
4.5
Luchtkwaliteit
Doel van de Wet luchtkwaliteit 2007 is het verbeteren van de luchtkwaliteit waarbij gewenste ruimtelijke ontwikkelingen doorgang kunnen vinden. In deze wet is de Europese richtlijn luchtkwaliteit geïmplementeerd. Voor luchtkwaliteit is stikstofdioxide het meest maatgevend. Daarnaast zijn ook de concentraties van fijn stof van belang. Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (AmvB), verder te noemen het Besluit NIBM, legt vast wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof en daarmee geen verdere toetsing nodig is. De Ministeriële Regeling, verder aan te duiden als de Regeling NIBM, geeft voor een aantal categorieën van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat onder meer om woningbouw- en kantoorprojecten en enkele soorten van inrichtingen (bijvoorbeeld emplacementen, kassen en andere landbouwinrichtingen). Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3% van de grenswaarde voor het jaargemiddelde concentratie van fijn stof en stikstofdioxide. Dit komt overeen met 1,2 μg/m³ voor zowel fijn stof als stikstofdioxide. Voor woningbouw aan één ontsluitingsweg is een grens van 1500 woningen bepaald. Het project ligt heel ver onder deze grens. Het project leidt dus ‘niet in betekenende mate’ tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit is niet alleen het Besluit NIBM maar ook het Besluit gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen als bedoeld in dit besluit. Bovendien ligt de planlocatie niet binnen een dergelijke zone. Op de website van het milieu- en natuurplanbureau zijn grootschalige concentratiekaarten (GCNkaarten) van luchtverontreinigende stoffen opgenomen. De kaarten (figuur 30) geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en hebben betrekking op zowel recente als toekomstige jaren. Voor het jaar 2018 is de achtergrondconcentratie in het projectgebied voor stikstofdioxide circa 15 μg/m3 en voor fijn stof is dit circa 16 μg/m3. De grenswaarden zijn in 2020 voor stikstofdioxide 40 μg/m3 en voor fijn stof 40 μg/m3.
Dit betekent dat de achtergrondconcentraties ver onder de normen blijven.
51
Een en ander betekent dat een luchtkwaliteitonderzoek niet noodzakelijk is en dit aspect geen belemmering vormt voor de voorgestane ontwikkeling.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2021
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m3
0,01
PM10 in μg/m3
0,00
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 Conclusie
De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
52
8
1,2
Figuur 30: Kaarten luchtkwaliteit
4.6
Externe veiligheid
Doel van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het besluit legt eisen op aan bedrijven waarvan het plaatsgebonden risico (PR) hoger is of kan zijn dan 10-6 per jaar, waaronder inrichtingen die vallen onder het Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO) 1999 en inrichtingen die vallen onder de richtlijnen van de Publicatie Gevaarlijke Stoffen deel 15 van de onafhankelijke Adviesraad Gevaarlijke Stoffen. Als de afstand tot een risicovolle activiteit maar groot genoeg is, is er sprake van 100% veiligheid. Maar deze afstand kan kilometers groot zijn. Nederland is te klein om deze afstanden te hanteren. Daarom is gekozen voor het hanteren van een basisbeschermingsniveau. Dit wordt geconcretiseerd door toepassing van grens- en richtwaarden PR. Het PR is de kans dat een persoon die permanent op een plaats aanwezig is, overlijdt als gevolg van een ongeluk. Dit risico wordt uitgedrukt in de overlijdenskans per jaar. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een transportroute. Er zijn verschillende normen voor risico’s als gevolg van risicovolle activiteiten bij bedrijven en het transport van gevaarlijke stoffen.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt in kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en in bestaande en in nieuwe situaties. Voor kwetsbare objecten zoals woningen, ziekenhuizen en scholen gelden de strengste eisen. Ingeval er sprake is van kwetsbare objecten waarbij het PR groter is dan 10-5 dan dient binnen drie jaar de risicovolle inrichting gesaneerd te worden. Ook buiten de PR-contouren bestaat nog een invloedsgebied waarbinnen groepen personen slachtoffer kunnen worden van een ongeval. Daarom moet ook het groepsrisico (GR) worden onderzocht. De hoogte van het GR is niet ruimtelijk weer te geven, wel het invloedsgebied waarover het GR wordt berekend. Het GR geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Voor het GR gelden oriënterende 53
waarden. Over elke overschrijding van de oriënterende waarde en over de toename van het GR moet verantwoording worden afgelegd. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. In het BRZO staan criteria die aangeven welke bedrijven zoveel gevaarlijke stoffen hebben, dat er een risico van een zwaar ongeval bestaat. Voor deze bedrijven gelden strengere regels dan normaal. Er wordt binnen de groep BRZO bedrijven nog onderscheid gemaakt tussen een zware en een lichtere categorie. De lichtere categorie wordt ook wel Preventiebeleid Zware Ongevallen genoemd, omdat deze bedrijven een preventiebeleid moeten hebben en een veiligheidsbeheersysteem. Bedrijven van de zware categorie moeten tevens een risicoanalyse uitvoeren en een veiligheidsrapport opstellen. Beleidsvisie gemeente Rucphen 2010-2014 De gemeente Rucphen heeft een veiligheidsvisie opgesteld. Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente Rucphen haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico’s. Per gebiedstype hanteert de gemeente aanvullende eisen ten opzichte van het Rijksbeleid. Het plangebied is gelegen binnen het gebiedstype ‘buitengebied’.
In aanvulling op de wettelijke eisen hanteert de gemeente voor het gebiedstype buitengebied onder meer de volgende ambities: • geen nieuwe kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour; • overschrijding van de oriëntatiewaarde wordt niet toegelaten; • geen nieuwe kwetsbare objecten met verminderd zelfredzame personen binnen het invloedsgebied. Op basis van de provinciale risicokaart (figuur 31) zijn geen kwetsbare objecten gelegen in of in de (directe) nabijheid van het plangebied die gevolgen hebben voor de voorgenomen ontwikkeling. Het beoogde gebruik van het plangebied betreft geen risicovolle activiteit maar is wel een (beperkt) kwetsbaar object als bedoeld bij externe veiligheid. Op grond van de provinciale kaart zijn in de omgeving van het beoogde plangebied geen BRZO bedrijven echter wel andere inrichtingen (zwembad, houthandel, propaantank) gelegen , maar deze bevinden zich op voldoende afstand. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen risicobronnen. De locatie ligt buiten De munitiezone C vanwege Kamp Rucphen en buiten de NNB waar brandgevaar is; circa 200 meter afstand wordt aangehouden. Er loopt op circa 2.500 meter van het plangebied een verkeersroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, namelijk de A58. Er is geen PR-contour en het invloedsgebied voor het groepsrisico is slechts 200 meter.
De locatie bevindt zich evenmin in een plasbrandaandachtsgebied. Op basis van de provinciale risicokaart zijn ook geen risicovolle buisleidingen in het plangebied aanwezig. Transportroutes vormen derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. In de (nabijheid van de) planlocatie bevinden zich geen relevante aardgastransportleidingen. Er bevinden zich geen spoorwegen of hoofdvaarwegen in de nabijheid van de planlocatie. Voor het beoordelen van de externe veiligheid is een aantal omliggende locaties relevant: • Het Ijspaleis ligt op voldoende afstand, circa 1,2 km, aan de Rucphensebaan 48. Daar is sprake van ammoniak en machinekamer. De locatie valt buiten de cirkel van 975 meter. • Op ruim voldoende afstand, circa 1,4 km, ligt een leiding van de gasunie Z-520—33, diameter 168mm, 40 bar. • Op circa 1,5 km aan de Sprundelseweg 45 is het 3.2 bedrijf Houtleeft BV gevestigd. Er is sprake van brandbare vaste stoffen, in de vorm van houtopslag in de open loods. Er is geen PR. • Ook ligt het perceel buiten de cirkel van 925 vanwege het militaire complex.
54
Figuur 31: Risicokaart In het Beleid bereikbaarheid en bluswatervoorziening van de Veiligheidsregio is een bluswatermatrix opgenomen. Binnen een 200 meter van de woning moet in principe een bluswatervoorziening aanwezig zijn met een debiet van 90 m3/uur. Feitelijk ligt er op 100 meter van het plangebied een bluswatervoorziening (ondergrondse brandkraan), echter met een debiet van 60 m3/uur. Er ligt ook een geboorde put met een capaciteit van 90 m3/uur. De capaciteit van de brandkraan is niet conform de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening voor wat betreft B-water, maar wordt als voldoende beschouwd voor de eerste inzet. De geboorde put kan worden ingezet als C-water, echter is de capaciteit daarvan lager dan de gevraagde 120 m3/uur. Aangezien het bijna nooit haalbaar is om het vereiste debiet uit een normale ondergrondse brandkraan te halen, is de afwijking verantwoord. De bereikbaarheid is voldoende. De eis van de opkomsttijd voor een nieuw te bouwen woonfunctie is maximaal 12 minuten. De theoretische berekening toont aan dat de opkomsttijd niet wordt overschreden. Als gevolg van het bouwen van de extra woningen zal het groepsrisico (door toepassing van de vuistregels) niet toenemen. De Veiligheidsregio heeft een standaard advies opgesteld voor de gemeente Rucphen.
Het plangebied is gelegen binnen de gestelde uitgangspunten van het advies en kan worden gebruikt voor de (beperkte) verantwoording van het Groepsrisico. Het standaard advies is als bijlage 10 toegevoegd. Samengevat kan worden dat het aspect externe veiligheid de ontwikkeling niet belemmert.
4.7
Ecologie / flora en fauna
Op basis van de natuurwetgeving is het van belang bij de ruimtelijke planvorming vooraf te onderzoeken of en welke dier- en plantensoorten er voorkomen, wat hun beschermingsstatus is en wat de effecten zijn van de ingreep op het voorbestaan van de gevonden soorten. Voorafgaand aan de gewenste wijziging dient onderzocht te worden of er sprake is van een aantasting van wettelijk beschermde natuurwaarden op basis van de groene wet- en regelgeving. Onderstaand zijn de diverse aspecten ten aanzien van natuurwaarden beschreven.
55
Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming vervangt vanaf 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig: 1. bescherming van de biodiversiteit in Nederland; 2. decentralisatie van verantwoordelijkheden; 3. vereenvoudiging van regels. In onderstaande paragrafen wordt getoetst of de ontwikkeling invloed heeft op de beschermde gebieden en soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is beperkt tot de Natura 2000-gebieden en eventueel buiten het Natuur Netwerk gelegen bijzondere provinciale natuurgebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) is reeds beschermd in het Barro en provinciale IOV. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Kempenland-West, Kampina en Oisterwijkse Vennen en Regte Heide en Riels laag. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken.
Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Zoals uit figuur 32 blijkt, ligt de planlocatie niet in of nabij een gebied dat voor de Natura 2000 en/of Natuurbeschermingswet relevant is. Op dit vlak zijn er geen belemmeringen. De Maatjes (België) en de Brabantse Wal en Ulvenhouts Bos, liggen op meer dan 10 resp. 15 km resp. 14 km afstand en is daarmee niet relevant. Gezien de afstand tot het omliggende Natura 2000-gebied en omdat er tussen het gebied en de beoogde ontwikkeling veel landschapselementen aanwezig zijn zoals opstallen in de vorm van woningen, bossen en wegen, is er op de omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake van negatieve effecten zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland In de 20e eeuw is veel Nederlandse natuur verdwenen.
De overgebleven gebieden zijn vaak klein en liggen veelal ver uit elkaar. Hierdoor hebben bepaalde organismen moeite om gebieden te bereiken en zich er te handhaven, waardoor de diversiteit van planten, dieren en micro-organismen (de biodiversiteit) ook sterk achteruit gaat. Om de biodiversiteit te behouden en te versterken is het NNN opgericht. Het NNN is een netwerk van natuurgebieden en verbindingszones. Het NNN is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. In het NNN (figuur 33) liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft het algemene NNN-beleid in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vastgelegd. Op grond van art. 2.10.2 van het Barro moeten provincies bij provinciale verordening de NNN-gebieden aanwijzen en nauwkeurig begrenzen. Op grond van art. 2.10.3 Barro moeten zij ook de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden vastleggen. Daarnaast wijzen de provincies de natuurdoelen in de NNN aan. Elk NNN-gebied heeft een zogenaamd natuurdoel. Een natuurdoel 56
beschrijft een bepaalde natuurkwaliteit en wordt gebruikt als een toetsbare doelstelling voor een natuurgebied. Natuur Netwerk Brabant Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijke voor de begrenzing en de ontwikkeling van het NNN. De provincie Noord-Brabant heeft in zijn IOV de gebieden opgenomen als NNB (voorheen Ecologische Hoofdstructuur EHS, figuur 33). Men wil in 2027 alle gaten in het netwerk hebben gedicht met nieuwe natuur. Ongeveer 90% van het NNB wordt gevormd door bestaande natuurgebieden. Tussen deze gebieden is men voornemens om verbindingen te leggen in de vorm van Ecologische verbindingszones. Door deze verbindingen tussen natuurgebieden kunnen dieren van het ene gebied naar het andere foerageren. De concrete ambities van de provincie Noord-Brabant staan in het Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2016. De begrenzing van het netwerk is daarnaast ook opgenomen in de IOV. Het NNB kent geen specifiek beschermingsregime, anders dan via het ruimtelijke spoor. Conform de themakaart ‘natuur en landschap’ van de IOV is binnen of nabij het plangebied geen NNB aanwezig. Op 135 meter ligt wel een kleinschalig NNB. Aan art. 3.16 IOV moet worden getoetst. De afstand is voldoende ruim om geen belemmering te vormen. De NNB wordt in tact gelaten. Het is droog bos met productie.
Omdat dit een weinig stikstofgevoelige biotoop is en vanwege de afstand tussen het NNB en het plangebied wordt geen effect verwacht; effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van dit perceel zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Het gebied vormt ook geen onderdeel van een breder netwerk aan gebied. Het beoogde gebruik en de beoogde bebouwing op het perceel is dusdanig beperkt, dat deze de NNB (voormalige EHS) niet belemmert. De woning wordt niet in de directe omgeving van de NNB gerealiseerd, eventuele optische verstoring (menselijke activiteit en bebouwing) kan worden weggenomen door bijvoorbeeld hoge dichte begroeiing én er mag geen verlichting op de NNB worden gericht (minimaal gebruik van tuin- en gevelverlichting, gericht naar de grond. Door de aan te leggen bufferzone zijn negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNB uitgesloten. Soortenbescherming De soortenbeschermende werking is rechtstreeks opgenomen in de Wnb. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Hieronder zijn de drie beschermingsregimes weergegeven: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn; Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in art.
1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn; Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.
Bij het beoordelen van de in het plangebied voorkomende beschermde soorten gaat het primair om soorten die door de ingreep direct beïnvloed worden, doordat: • Zij fysiek aangetast worden (doden/verwonden van dieren, verwijderen van planten); • Zij verstoord worden (toename van geluid of licht); • Hun vaste verblijfplaatsen c.q. groeiplaatsen aangetast of verstoord worden. • 57
Alle vogelsoorten hebben een bepaalde mate van bescherming. Er geldt een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Daarbij kan het naast broedende vogels, ook gaan om vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken en ook jaarrond beschermd zijn. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. Ten aanzien van vogelsoorten geldt dat, indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden, geen overtreding plaats zal vinden van de wetgeving ten opzichte van volgens. Het aanvragen van een ontheffing is dan niet aan de orde. De wet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De periode april tot half juli kan globaal worden aangehouden voor het niet uitvoeren van werkzaamheden. Voor alle beschermde soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt een zogenaamde algemene zorgplicht. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen.
Figuur 32: Natura 2000-gebieden Door Aeres Milieu is een Quickscan flora & fauna uitgevoerd, d.d. 9 maart 2021. Hieruit (bijlage 1) blijkt dat er slechts algemeen soorten (A-soorten) zoogdieren en amfibieën kunnen voorkomen, waarvoor nu geen nader onderzoek noch een ontheffing nodig is. Als gevolg hiervan kunnen de geplande werkzaamheden normaal doorgang vinden. Indien alsnog (onvermoed) zwaarder beschermde soorten worden aangetroffen, dient invulling te worden gegeven aan zorgvuldig handelen. Om invulling te geven aan het zorgvuldig handelen dient gewerkt te worden volgens de voorschriften van een gedragscode. Geadviseerd wordt om de ‘Gedragscode flora en faunawetgeving, Ruimtelijke ontwikkeling en inrichting van de vereniging Stadwerk’ te hanteren. Deze gedragscode is van toepassing op de uitvoering van aanlegwerkzaamheden in groenvoorzieningen. Door te handelen volgens deze gedragscode wordt schade aan (lokale) populaties van beschermde planten en dieren voorkomen of tot een minimum beperkt. Het perceel ligt juist buiten de 1000 meter zone van stiltegebied De Oude Buissche Heide.