CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

07a Bijlage a1 t NL.IMRO.0840.9000B0034-DEF1 2020-11-30

gemeenteraad 3 februari 2021, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2012, Scherpenbergsebaan 53-55 te Rucphen’30.717 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Structuurvisie Landschap

De gemeente Rucphen beschikt reeds over een Landschapsontwikkelingsplan (LOP). Hierin wordt het ideaalbeeld van het Rucphense landschap geschetst en zijn projecten benoemd om dit ideaalbeeld te kunnen bereiken. Het LOP vormt de basis voor de structuurvisie. De Structuurvisie Landschap geldt niet als toetsingskader voor nieuwe initiatieven maar fungeert uitsluitend als aanvulling op en actualisering van het LOP en geldt als naast de meer algemene Structuurvisie-plus als specifieke op het landschap gerichte structuurvisie. Deze structuurvisie heeft het primaire doel economische activiteiten in het buitengebied bij bouw- en gebruiksaanvragen te koppelen aan zorg en kwaliteit van het landschap conform het ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ principe uit de provinciale Ruimtelijke verordening. Om het ideaalbeeld uit het LOP te kunnen bereiken mogen de ruimtelijke kenmerken van de deelgebieden niet worden aangetast maar dient het landschap te worden hersteld en versterkt. Ten behoeve van de kwaliteitsverbetering van het landschap heeft de gemeente Rucphen landschapspakketten per deelgebied opgesteld waarin wordt aangegeven welke landschapselementen toegepast kunnen worden om het deelgebied afhankelijke landschap te kunnen versterken. De planlocatie Scherpenbergsebaan 53-55 Rucphen ligt in het deelgebied ‘Schijfse Vaart’, ‘Besloten’.

Voor dit deelgebied zijn diverse landschapspakketten toepasbaar, onder andere: Hakhoutsingel, Klein bosje, Landschapsboom, knotboom, amfibieënpoel. Kwaliteitsverbetering van het landschap in de zin van de Verordening ruimte is van toepassing. Voor de landschappelijke inpassing wordt kortheidshalve verwezen naar het landschapsplan in de bijlage. 3.4.5

Visiedocument Groenbeleid

Het visiedocument Groenbeleid Rucphen maakt inzichtelijk op welke wijze invulling wordt gegeven aan groen in de gemeente en wat daarover valt op te merken. Door de verschillende typen groen te analyseren op de wijze van beheer, kwaliteit en kwantiteit ontstaat een reëel beeld van het groen binnen de gemeente. Het rapport geeft verder aan dat de (beeld)kwaliteit van groen sterk afhankelijk is van het plan- en ontwerpproces van ruimtelijke projecten en dat daarom vroegtijdige afstemming noodzakelijk is. Bij ontwikkelingen in het stedelijk gebied is het van belang dat knelpunten, zoals te weinig groen en een hoge parkeerdruk inzichtelijk worden gemaakt en daar rekening mee wordt gehouden in het plan. Zo ook dient bekend te zijn of er binnen de invloedsfeer van het plan bomen aanwezig zijn, zodat hier een overwogen keuze in gemaakt kan worden. Als extra toetsingskader is een Groene Kaart (november 2010) opgesteld. Op deze kaart zijn waardevolle particuliere en gemeentelijke bomen plus houtopstanden opgenomen. De planlocatie maakt geen deel uit van het openbaar gebied. De beoogde ontwikkeling geeft geen aantasting aan de kwaliteit of kwantiteit van het groen in de gemeente Rucphen.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 26 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

3.4.6

Groene Kaart

Figuur 11: Uitsnede Groene Kaart Rucphen

De Groene Kaart toont en beschrijft de meest waardevolle bomen en houtopstanden binnen de gemeente. Deze mogen niet zonder omgevingsvergunning worden gekapt. De planlocatie ligt binnen de Groene kaart buitengebied. Binnen de planlocatie zijn particuliere lijnvormige houtopstanden aanwezig. In figuur 11 is een uitsnede van de Groen Kaart weergegeven. 3.4.7

Rucphen ‘Landschap onthuld’ definitief Groenstructuurplan gemeente Rucphen december 2009

Figuur 12: Uitsnede Groenstructuurkaart

Het groenstructuurplan schetst een wensbeeld en mogelijk toekomstbeeld. Het bepaalt de koers voor inrichting en beheer van de openbare(groene) ruimte. Het plan dient als leidraad en richting bij inrichtingsvraagstukken. Een uitsnede van het Groenstructuurplan voor Rucphen is weergegeven in figuur 12.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 27 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Het Groenstructuurplan komt voort uit het Visiedocument Groenbeleid en geeft richting aan het behoud en de ontwikkeling van groenstructuren in het stedelijk gebied. Het plan bevat een groensaldoregeling voor een verantwoorde omgang met groen. De regeling zorgt ervoor dat er niet onbekommerd aan de groene ruimte kan worden getornd. Het groenstructuurplan schetst een wensbeeld en mogelijk toekomstbeeld. Het bepaalt de koers voor inrichting en beheer van de openbare(groene) ruimte. Het plan dient als leidraad en richting bij inrichtingsvraagstukken. Mede door de meer westelijke ligging nabij de Rucphens Bossen oogt Rucphen op het eerste gezicht al wat groener dan Sprundel en Sint Willebrord. Rucphen moet het ook hebben van het groene buitengebied omdat een groene long als in Sint Willebrord (Processiepark) en Sprundel (Fatimapark) ontbreekt. Op een aantal plekken worden de straten mooi begeleid en groen gekleurd door bomen, soms zelfs in ruime duurzame plantvakken. Maar ook in Rucphen zijn veel woonstraten voor wat betreft het groen afhankelijk van de voortuininrichting van de bewoners. De beoogde ontwikkeling binnen de planlocatie maakt geen deel uit van het openbaar gebied. Het groenstructuurplan heeft geen beleid voor de inrichting van particuliere gronden. Een nadere toetsing aan het Groenstructuurplan is derhalve niet noodzakelijk.

De acties uit het groenstructuurplan hebben geen gevolgen voor de ontwikkelingen binnen de planlocatie of andersom, maar kunnen elkaar versterken. 3.4.8

Waterplan Rucphen, visie en maatregelen

De gemeente Rucphen wil samen met het Waterschap Brabantse Delta, de Provincie Noord-Brabant en Brabant Water het watersysteem in Rucphen op orde brengen en op orde houden. Het waterplan Rucphen geeft met de watervisie voor 2050 aan hoe dat eruit gaat zien. Daarnaast geeft het waterplan inzicht in de verschillende waterthema’s die spelen en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de wateropgave. In het waterplan wordt het watersysteem en de waterketen beschreven en wordt ingegaan op de (bekende) knelpunten en de punten die goed zijn of potentie hebben. Daarna wordt ingegaan op de watervisie voor de gemeente Rucphen in 2050. De drie hoofdthema’s zijn de waterstructuur, water in de omgeving en waterbeleving in het groen. Ten slotte worden maatregelen beschreven. De maatregelen kunnen van verschillende aard zijn: communiceren, organiseren (werkafspraken) en feitelijke aanpassingen aan het watersysteem. De planlocatie ligt niet binnen een ontwikkeling in het kader van het Waterplan Rucphen. In paragraaf 4.4.4 komt het aspect water aan bod voor de planlocatie.

Figuur 13: Uitsnede waterkaart, Waterplan Rucphen

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 28 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

3.4.9

Nota Archeologie gemeente Rucphen

Figuur 14: Uitsnede archeologische beleidskaar gemeente Rucphen

Om het aspect archeologie goed mee te wegen in de gemeentelijke ruimtelijke besluitvorming heeft de gemeente Rucphen in 2010 een Erfgoednota opgesteld. De Erfgoednota bestaat onder andere uit een archeologische verwachtingenkaart en een advies archeologische beleidskaart. In 2019 heeft de gemeente op basis van verschillende nieuwe inhoudelijke bronnen en diverse archeologische onderzoeken die reeds zijn uitgevoerd besloten haar bestaande archeologiekaart en het bijbehorende beleid te herzien. Het resultaat is een nieuwe Nota Archeologie met bijbehorende Archeologische Beleidskaart. Op 18 september 2019 is de nieuwe Nota Archeologie vastgesteld met bijbehorende Archeologisch Beleidskaart. In figuur 14 is de onderhavige planlocatie gelegen binnen ‘geen archeologische verwachting (verstoord of vrij gegeven)’. Het gaat hierbij om gebieden waar de bodem zodanig verstoord is, dat eventuele archeologische

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 29 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

resten als verloren beschouwd mogen worden. Dit gebied is vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Aan de noordoostzijde aan de rand van het plangebied is de waarde ‘hoge archeologische verwachting (overig), kans op resten gerelateerd aan de natte context’ gelegen. Binnen deze aanduiding geldt een onderzoek plicht bij een minimale bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 500 m² en een diepte van 50 cm. De ontwikkeling op de planlocatie wordt gerealiseerd binnen het gebied ‘geen archeologische verwachting (verstoord of vrij gegeven)’. De beoogde ontwikkeling heeft hiermee geen invloed op eventuele archeologische waarden. In paragraaf 4.3 wordt het aspect Archeologie nader toegelicht. 3.4.10

Nota uiterlijk van bouwwerken

De gemeenteraad heeft op 18 september 2019 de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Rucphen 2019’ vastgesteld. Per 1 oktober 2019 is welstandstoetsing voor nagenoeg de gehele gemeente afgeschaft. In de nota is opgenomen dat enkel nog voor rijksmonumenten, cultuurhistorische waardevolle panden en Leisuregebied Binnentuin nog welstandsregels gelden. Daarnaast is een excessenregeling van kracht zodat tegen excessen opgetreden kan worden. Met het nieuwe beleid krijgen inwoners en bedrijven ruimte om zelf invulling te geven aan hun bouwwerken (kwaliteit). Binnen de geldende regels van het bestemmingsplan zal een ontwerp gemaakt worden welke past in de omgeving en bij de bestaande bebouwing op de planlocatie.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 30 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 4 4.1

Ruimtelijke structuur

4.1.1

Bebouwingspatroon

Planuitgangspunten

Het bestaande bebouwingspatroon verandert niet. De bestaande varkensstal op de planlocatie wordt gesloopt. Op de oude plek van de varkensstal wordt een nieuw gebouw gerealiseerd voor het onderbrengen van een indoorklimbos, het nieuwe gebouw heeft een oppervlakte van circa 1.130m². Het gebouw wordt zodanig gesitueerd in het bebouwingscluster dat doorzichten naar het landschap behouden blijven. 4.1.2

Groen- en waterstructuur

De locatie aan de Scherpenbergsebaan 53-55 wordt landschappelijk ingepast. De bestaande groenstructuren worden behouden, nieuwe groenstructuren worden toegevoegd passend in het landschap. De landschappelijke inpassing wordt in paragraaf 5.4 verder toegelicht. De waterloop (zie figuur 19 paragraaf 4.4.4.) langs de planlocatie wordt behouden. 4.2

Functionele structuur

4.2.1

Algemeen

De functie van het perceel aan de Scherpenbergsebaan 53-55 verandert van een intensief agrarisch bedrijf met een recreatieve nevenfunctie naar een volledig recreatieve functie in de vorm van dagrecreatie. 4.2.2

Verkeer en parkeren

Figuur 15: Verkeerssituatie planlocatie na aanleg nieuwe rotonde

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 31 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Verkeer De Scherpenbergsebaan is bestemd voor zowel gemotoriseerd verkeer als voor langzaam verkeer. De Scherpenbergsebaan sluit aan op de Zundertseweg (N638). In de toekomst zal ter plaatse van de kruising Zundertseweg, Scherpenbergsebaan en Vorenseindseweg de verkeerssituatie veranderen. De kruising met de Zundertseweg wordt opnieuw vormgegeven door middel van de aanleg van een rotonde. Hierdoor kan het verkeer, komende vanaf de Scherpenbergsebaan, veiliger worden afgewikkeld op de Zundertseweg. De aansluiting met de Scherpenbergsebaan wordt meer open ingeplant. Door de gemeente worden een aantal verspreide bomen gepland en de ondergrond ingezaaid met bloemrijk grasland, hierdoor wordt het zicht op de kinderboerderij zo veel mogelijk gehandhaafd. De verkeersafwikkeling van de planlocatie vindt plaats op de Scherpenbergsebaan en blijft nagenoeg gelijk. De verkeersafwikkeling voor personeel en eventueel touringcars vindt plaats op een aftakking van de Zundertseweg. De privé in- en uitrit sluit aan op de Scherpenbergsebaan. De benodigde parkeergelegenheid wordt op eigen terrein gerealiseerd. De in- en uitrit van dit parkeerterrein wordt gescheiden. Aan de noordzijde wordt de inrit gerealiseerd, de uitrit aan de zuidzijde van het parkeerterrein. In figuur 15 is de nieuwe verkeerssituatie weergegeven met betrekking tot de aan te leggen nieuwe rotonde.

Parkeren In Nota Parkeernormen Rucphen 2017 is op 31 mei 2017 vastgesteld. De Nota Parkeernormen heeft het volgende doel: Het vaststellen van gemeentelijke parkeernormen voor nieuwe ruimtelijke plannen en projecten in de gemeente Rucphen om in de toekomst in een parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Waar mogelijk wordt hiermee de bereikbaarheid en leefbaarheid van de gemeente gewaarborgd. De Nota Parkeernormen 2017 heeft de volgende uitgangspunten: ▪ Het vaststellen van parkeernormen levert een bijdrage aan de leefbaarheid in de gemeente. Het gaat hierbij met name om de kwaliteit van de openbare ruimte; ▪ de Nota Parkeernormen 2017 levert een bijdrage aan de economische vitaliteit van de gemeente. Parkeren vormt immers een belangrijke schakel in de totale bereikbaarheid van de gemeente; ▪ de Nota Parkeernormen 2017 speelt in op de toekomstige ontwikkeling, zodat duurzaamheid is gewaarborgd; ▪ de Nota Parkeernormen 2017 kent een algemene strekking. Dit betekent dat de Nota niet in alle gevallen direct van toepassing is omdat in specifieke gevallen maatwerk noodzakelijk en wenselijk is. In deze gevallen hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid gemotiveerd maar in de geest van de Nota te handelen. De Nota Parkeernormen 2017 is gebaseerd op de CROW-publicatie nr. 317 ‘kerncijfers parkeren en verkeersgeneratie’. In deze nota zijn parkeernormen in hoofdgroepen ingedeeld.

De beoogde planontwikkeling valt onder de hoofdgroep ‘sport, cultuur en ontspanning’. Een indoorklimbos is niet verder gedefinieerd, dus wordt de parkeernorm voor ‘indoorspeeltuin’ aangehouden. Indoorspeeltuin (per 100 m² bvo) Parkeernorm pp verkeersgeneratie

Buitengebied 5.1 8.65

Aandeel bezoekers 97% 98%

Het nieuwe gebouw ten behoeve van het indoorklimbos en de ondersteunende functies (inclusief horeca, loods, opslag, personeelsruimte) heeft een oppervlakte van 1.130 m² (bvo). Dit resulteert in 1.130/100 * 5.1 = 57,6 = 58 parkeerplaatsen. Op de planverbeelding is een maximaal oppervlakte aan bedrijfsbebouwing ten behoeve van het totale recreatiebedrijf opgenomen van 2.050 m². Uitgaande van dit maximale oppervlakte zouden er (2.050/100 * 5.1 = 104,55 = 105 parkeerplaatsen benodigd zijn voor de gehele inrichting op de planlocatie. In de bestaande situatie zijn 46 parkeerplaatsen aanwezig. Het parkeerterrein wordt uitgebreid met minimaal 55 parkeerplaatsen (zie figuur 24). Op de locatie waar de uitbreiding van het parkeerterrein wordt voorzien is voldoende plek om minimaal 55 parkeerplaatsen toe te voegen. In totaal komen er daarmee 101

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 32 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

parkeerplaatsen op de planlocatie. Daarnaast worden ook twee parkeerplaatsen voor bussen voorzien, aan de zijde van de Zundertseweg. Ook zijn hier een aantal parkeerplaatsen (circa 7 parkeerplaatsen) voor het personeel voorzien. In totaal zijn er daardoor 108 parkeerplaatsen aanwezig. Door minimaal 55 parkeerplaatsen toe te voegen, wordt aan de parkeernorm voldaan. Voor de situering van de nieuwe parkeerplaatsen is bewust voor de parkeerstrook aan de straat (Scherpenbergsebaan) gekozen, dit heeft twee redenen. Eerste reden, het perceel waar het parkeren op gerealiseerd wordt ligt een stuk lager dan de bestaande rijbaan van de Scherpenbergsebaan. De geparkeerde auto’s komen hierdoor lager te staan waardoor de geparkeerde auto’s uit het zicht onttrokken worden gezien vanaf de rijbaan. De tweede reden voor de gekozen locatie is dat aan de achterzijde van de planlocatie een locatie van derden is gelegen. Wanneer het parkeren aan de achterzijde van de planlocatie gesitueerd zou worden komt het parkeren op een korte afstand van deze derde locatie, de bewoners van deze locatie zouden hierdoor geluidsoverlast kunnen ondervinden. Door het parkeren aan de voorkant te situeren voorkomen we overlast voor omliggende locaties en wordt het parkeren direct ontsloten aan de Scherpenbergsebaan.

De parkeerplaats wordt landschappelijk ingepast om de parkeerplaats zo veel mogelijk uit het zicht te onttrekken. In onderstaande figuur is een dwarsprofiel van de nieuwe parkeerplaats weergegeven waarop het principe van de parkeerplaats te zien is.

Figuur 16: Dwarsdoorsnede nieuwe parkeerplaats

4.3

Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1

Archeologie

Om invulling te geven aan deze gemeentelijke zorgtaak heeft de gemeente Rucphen de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt door een gemeentelijke archeologiekaart op te stellen. Deze kaart is onderdeel van het archeologische beleidsinstrumentarium van de gemeente Rucphen. Op de gemeentelijke beleidskaart heeft het plangebied geen archeologische verwachting. In paragraaf 3.4.9 wordt de gemeentelijke archeologiekaart getoond. Op de gemeentelijke archeologiekaart is de locatie gelegen in het gebied ‘geen archeologische verwachting (verstoord of vrij gegeven)’. In het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012 is daarom ook geen archeologische verwachtingswaarde opgenomen op de locatie. Aan de noordelijke rand van het perceel aan de Scherpenbergsebaan 53-55 ligt de gebiedsaanduiding ‘overige zone – archeologische verachtingswaarde hoog’. In het ontwerp bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2020’ is deze aanduiding aangepast naar de

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 33 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ met daarbij de gebiedsaanduiding ‘overige zone – waarde archeologie 3’. Deze aanduiding betekend dat bij een bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 500 m² en een diepte van 50 cm een archeologisch onderzoek is vereist. Deze dubbelbestemming inclusief aanduiding zullen worden overgenomen op de planverbeelding van onderhavig bestemmingsplan. De nieuwe bebouwing komt op de huidige plek van de te slopen varkensstal. Deze locatie ligt binnen het ‘geen archeologische verwachting (verstoord of vrij gegeven)’.De verwachting is dat op deze locatie de bodem dusdanig is verstoord, waardoor hier eventuele archeologische resten als verloren beschouwd kunnen worden. De gemeente Rucphen schrijft voor dat voor locaties welke binnen het gebied ‘geen archeologische verwachting (verstoord of vrij gegeven)’ gelegen zijn geen archeologisch onderzoek benodigd is. Voor het beoogde initiatief op de planlocatie is geen archeologisch onderzoek benodigd. Let wel: als men tijdens bouw- of andere werkzaamheden toch op archeologische resten stuit, dan moet dit volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 zo spoedig mogelijk gemeld worden bij de Minister van OC&W (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 0334217456). In dit geval kan het ook bij de gemeente Rucphen. 4.3.2

Cultuurhistorie

Bij de nieuwe ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart 2010 van de Provincie Noord-Brabant staat aangegeven welke archeologische en cultuurhistorische waarden (in potentie) aanwezig is. Een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart 2010 is weergegeven in figuur 17.

Figuur 17: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart 2010(CHW), provincie Noord-Brabant

De planlocatie ligt volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart (2010) voor een gedeelte aan de rand van een gebied met indicatieve Archeologische waarden. Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart (2010) ligt het plangebied niet in het Archeologisch landschap waar provinciaal belang in het geding is (figuur 17). Door de beoogde planontwikkeling blijft de Scherpenbergsebaan intact. Aan de locatie zelf worden op de Cultuurhistorische Waardenkaart geen cultuurhistorische waarden toegekend. 4.4

Milieu- en overige aspecten

4.4.1

Geluid

Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan. Wegverkeer Volgens de Wet geluidhinder is het noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan akoestische situatie bij geluidgevoelige objecten. In het kader van de Wet geluidhinder valt een gebouw ten behoeve van dagrecreatie

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 34 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

niet onder een geluidsgevoelig object. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening, op grond van een goed woon- en leefklimaat. In de zin van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn de objecten; woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen beschermt tegen wegverkeerslawaai, industrielawaai, spoorweglawaai en omgevingslawaai. Onder geluidsgevoelige terreinen wordt verstaan: terreinen behorend bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen. Geluidsgevoelige gebouwen zijn onder andere onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen. Het berekenen van de geluidbelasting heeft tot doel te bepalen of de voorkeursgrenswaarde van Lden – 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden. Is dit het geval dan dient een hogere waarde verleend te worden om realisatie van het bouwplan mogelijk te maken en dienen bouwkundige voorzieningen te worden bepaald om aan de binnen niveaus van de Wet geluidhinder en de geluidweringseisen van het Bouwbesluit te voldoen. In de omgeving van de planlocatie is alleen de Scherpenbergsebaan en Zundertseweg als geluidgezoneerde weg aanwezig. De planlocatie bevindt zich niet binnen de geluidzone van een industrieterrein of een spoorlijn.

Toets aan de Wet geluidhinder Een gebouw ten behoeve van dagrecreatie is niet aangewezen als geluidgevoelig object in het kader van de Wgh en hoeft om deze reden niet getoetst te worden aan de voorkeursgrenswaarden van de Wgh. Een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting op het nieuwe gebouw ten behoeve van het indoorklimbos is daardoor niet benodigd. Vanuit het akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen te verwachten voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling aan de locatie Scherpenbergsebaan 53-55. 4.4.2

Bodem

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging, dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht. Ten tijde van de omgevingsvergunning aanvraag voor de activiteit bouwen voor de bedrijfsruimte dient een bodemonderzoek te worden overlegd. Op dit moment is het niet mogelijk om een bodemonderzoek uit te voeren, omdat de bestaande varkensstal nog aanwezig is. 4.4.3

Luchtkwaliteit

Bij de start van een plan moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Conform de Wet Luchtkwaliteit kan elk project dat NIBM (niet in betekenende mate) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als het plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Het NSL zorgt ervoor dat Nederland binnen de door Europa gestelde termijn zal voldoen aan de Europese grenswaarden op het gebied van fijn stof en stikstofdioxide. In het NSL is een lijst met ruimtelijke infrastructurele projecten opgenomen met een maatregelenpakket, dat ervoor gaat zorgen dat de huidige

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 35 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd. Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. In de Regeling NIBM worden bijdragen (luchtkwaliteitseisen) categorieën van gevallen aangewezen waarvoor vaststaat dat deze NIBM bijdragen aan de luchtverontreiniging. Bij plannen die binnen deze categorieën vallen, hoeven geen verdere berekeningen te worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een NIBM. De Regeling NIBM geeft invulling aan de volgende categorieën: ▪ Woninggebouw- en kantoorlocaties, alsmede een combinatie daarvan; ▪ Inrichtingen, hieronder vallen landbouwinrichtingen en spoorwegemplacementen. Deze ontwikkeling op de planlocatie Scherpenbergsebaan 53-55 valt niet onder een van de hierboven genoemde categorieën, maar ook is niet zonder meer te zeggen dat de ontwikkeling NIBM is. Daarom is een globale berekening nodig om te bepalen of nader onderzoek noodzakelijk is of niet.

Door het Ministerie van VROM is een instrument ontwikkeld, waarmee op een eenvoudige wijze kan worden berekend of een bepaalde ontwikkeling wel of niet ‘in betekende mate’ bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit: de NIBM-tool. Met deze tool is het voldoende om gegevens te hebben over de omvang van het extra verkeer en het aandeel vrachtverkeer als gevolg van het plan. Indien deze gegevens voor een plan bekend zijn, kan op basis van een berekening met de tool worden bepaald of het plan aangemerkt kan worden als NIBM.

Figuur 18: NIBM-tool, Ministerie VROM

Wanneer men uit gaat van de maximumwaarden (in het hoogseizoen) genereert het onderhavige plan (55 parkeerplaatsen extra maal twee verkeersbewegingen) 110 motorvoertuigen per etmaal. Dit betekent dat het onderhavige plan ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiermee vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling van de planlocatie. 4.4.4

Water

Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de regio. Het gaat dan om het waterkwantiteits en - kwaliteitsbeheer, de waterkeringzorg, waterzuivering, het grondwaterbeheer, het waterbodembeheer en vaak ook het scheepvaartbeheer. Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheersplan 2016-2021. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 36 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater’ Beschrijving huidige situatie Op de locatie waar het nieuwe gebouw ten behoeve van het indoorklimbos wordt gesitueerd staat momenteel een oude varkensstal. Deze oude varkensstal wordt voor de planontwikkeling gesloopt.

Figuur 19: Uitsnede leggerkaart, waterschap Brabantse Delta

Figuur 20: Uitsnede grondwaterbeschermingsgebied, wateratlas Noord-Brabant

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 37 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Waterlopen Aan de zuidzijde van het perceel ligt een waterloop categorie B, zie figuur 19. Het onderhoud van de categorie B waterloop dient uitgevoerd te worden door de aangrenzende eigenaar. De waterloop wordt met de planontwikkelingen behouden en niet aangepast. Grondwaterbeschermingsgebied Uit figuur 20 blijkt dat de planlocatie niet is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. De planlocatie heeft de bodemkundige hoofdeenheid ‘zandgronden’(voedselarm en vochtig tot droog). De grondwatertrap in de planlocatie is VII (GHG: 80-140 GLG: > 120). De planlocatie bevindt zich in een infiltratiegebied. Riolering en infiltratie Uitgangspunt voor de waterhuishouding is het realiseren van een gescheiden stelsel. Voor de geprojecteerde bebouwing geldt derhalve dat het realiseren van een gescheiden stelsel uitgangspunt is. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via de drukriolering wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekent. Het aansluiten op de drukriolering is echter op de locatie niet mogelijk omdat er geen gemeentelijke drukriolering aanwezig is.

Op de locatie zal een IBA (Individuele Behandelingsinstallatie voor Afvalwater) moeten worden gerealiseerd door de initiatiefnemer. Deze installatie dient vooraf ter toetsing voorgelegd te worden aan de gemeente. De gemeente zal de toetsing uitbesteden aan de OMWB. Het waterschap is geen voorstander van het toepassen van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in haar beleid (de Keur) aangegeven dat voor locaties waarbij het verhard oppervlakte toeneemt met minder dan 2.000 m², geen infiltratie dan wel retentie toegepast hoeft te worden. Op de planlocatie wordt op de bestaande locatie van de oude varkensstal een nieuw gebouw geplaatst. Het verhard oppervlak blijft dus nagenoeg gelijk. Het is derhalve niet nodig om te voorzien in infiltratie of retentie. Watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. De watertoets zorgt er voor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én kwantiteit van water. De watertoets is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied.

De gemeente doorloopt met het waterschap het watertoetsproces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap. Dit bestemmingsplan is voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta. Die zal in het kader van het overleg ex. artikel 3.1.1 Bro het wateradvies uitbrengen. Het Waterschap heeft op 24 juli 2019 een positief advies uitgebracht op de planontwikkelingen. Daarnaast vraag het waterschap na te denken over het toepassen van infiltratie in het gebied gelet op de bodemeigenschappen op de planlocatie. Gedacht wordt aan het verzamelen van het hemelwater en dit oppervlakkig te laten afstromen zodat het in de bodem kan infiltreren. In de verder planontwikkeling wordt het advies van het waterschap meegenomen. Daarnaast dient het huishoudelijk afvalwater te voldoen aan de eisen zoals gesteld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. De vooroverlegreactie is toegevoegd als bijlage aan onderhavige toelichting. 4.4.5

Bedrijven en milieuzonering

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur,

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 38 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. In de VNG-publicatie is een gebied ingedeeld in twee typen: rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd (buiten)gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied beschouwd worden. Indien sprake is van een gemengd gebied kan de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Omgevingstype Het gebied waarin de planlocatie is gelegen kan beschouwd worden als een gemengd gebied, het betreft een gebied met een matige functiemenging. Naast agrarische functies komen er ook divers ander soortige bedrijven voor in de nabije omgeving.

Hierdoor mag de richtafstand met één afstandsstap, met uitzondering van het aspect ‘gevaar’, verlaagd worden. Milieuzones In de omgeving zijn een aantal (agrarische) bedrijven gevestigd. Alle bedrijven gelegen binnen een straal van 300 meter van de planlocatie zijn beoordeeld. In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van de planlocatie, uitgaande van een gebiedstypering ‘gemengd buitengebied’. Tabel 1: Richtafstanden – aanwezige bedrijven, ‘gemengd gebied’ (gereduceerde afstanden) Adres

Scherpenbergsebaan 49 Scherpenbergsebaan 49 Zundertseweg 82a Zundertseweg 84 Zundertseweg 84a Zundertseweg 45

Omschrijving

Metaalverwerker Opslag ontplofbare stoffen Agrarisch bedrijf Seksinrichting Seksinrichting Defensie-inrichting (opslag)

Milieucat.

Afstand in meters geur stof

Geluid

gevaar

3.2 5.3

10m -

10m -

50m -

30m 700m

Afstand bouwvlak tot nieuw gebouw klimbos 300m 300m

2 1 1 4.1

0m 0m 0m 10m

0m 0m 0m 10m

10m 0m 0m 100m

10m 0m 0m 100m

106m 290m 290m 70m

Uit tabel 1 blijkt dat de richtafstanden vanuit andere bedrijven niet over de planlocatie zijn gelegen met uitzondering van de defensie-inrichting aan de Zundertseweg 45 en de opslag een Scherpenbergsebaan 49. De afstand van het bouwvlak van Zundertseweg 45 tot aan de nieuwbouw op de planlocatie is circa 70 meter. Als men naar de afstand kijkt tussen het nieuwe gebouw ten behoeve van het klimbos en het dichtstbijzijnde gebouw op het defensie terrein is de afstand circa 112 meter. Als men kijkt naar de defensie locatie aan de Zundertseweg 45 is het niet waarschijnlijk dat er dichter naar de locatie van de speelboerderij gebouwd gaat worden. Aan de rand van het terrein (binnen het bouwvlak) ligt een strook rondom de bestaande bebouwing welke gebruikt wordt voor bewaking en verplaatsing van eventueel brandweer en ambulance. Het is aannemelijk dat hierdoor niet dichter naar de rand van het bouwvlak gebouwd gaat worden. Daarnaast is er ook beperkt de ruimte (aan de zijde van de speelboerderij) om nog extra bebouwing op te richten. Gelet op bovenstaande is het redelijk om van de richtafstand van 100 meter af te wijken. De gegeven richtafstand voor het aspect ‘gevaar’ wordt niet behaald. In het kader van externe veiligheid geldt voor Scherpenbergsebaan 49 een risicocontour voor omliggende (burger)woningen en bedrijven.

Deze risicocontour wordt in paragraaf 4.4.6 verder toegelicht en wordt beschreven welke maatregelen genomen worden. Deze risicocontour is in het bestemmingsplan planologisch geborgd aan de hand van vastgestelde regels in de Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 39 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Het indoorklimbos kan beschouwd worden als een categorie 3.1 bedrijf. Het aspect ‘geluid’ heeft de grootste richtafstand van 50m. Binnen een straal van 50 meter zijn geen gevoelige objecten aanwezig. Geurhinder veehouderijen De Wet geurhinder en veehouderij geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie. De gemeenteraad heeft op 15 januari 2011 een geurverordening opgesteld. Op 8 februari 2017 is deze geurverordening ingetrokken en gelijktijdig is een nieuwe geurverordening vastgesteld. De vastgestelde geurverordening is niet van toepassing op het gebied waarin het initiatief is gelegen. (Intensieve) veehouderijen hebben een grote geurcontour. In de nabije omgeving van de planlocatie zijn geen veehouderij bedrijven gevestigd. Er ligt over de planlocatie een geurcontour, zie figuur 21. Deze geurcontour is afkomstig van het eigen intensieve veehouderij bedrijf. Op de planlocatie wordt de intensieve veehouderij stopgezet. Daarnaast is een nieuw gebouw in de vorm van een indoorklimbos geen geurgevoelig object in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij.

Figuur 21: Geurbelasting maximale invulling, Planmer Buitengebied Rucphen 2012, 3e herziening

Woon- en leefklimaat Een goed woon- en leefklimaat heeft betrekking op de ontwikkeling van geurgevoelige objecten ten opzichten van veehouderijbedrijven. De ontwikkeling van een indoorklimbos op de planlocatie wordt niet beschouwd als een geurgevoelig object. Een verder onderzoek naar de geurbelasting van omliggende veehouderijbedrijven is daardoor niet benodigd. Eventueel toekomstige uitbreidingen van bestaande veehouderijen blijft in beginsel mogelijk. Deze uitbreidingsruimte wordt niet beperkt door de beoogde planontwikkeling op de locatie Scherpenbergsebaan

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 40 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

53-55 te Rucphen. Daarnaast hebben de aanwezige veehouderijbedrijven geen beperkende invloed voor de ontwikkeling op de planlocatie, zie figuur 21. Gelet op het bovenstaande wordt door het oprichten van het indoorklimbos, op de locatie Scherpenbergsebaan 53-55 te Rucphen, de omliggende bedrijven niet belemmerd. 4.4.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van de infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten, waarbij het voornamelijk gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets mis gaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Bevi en de bijbehorende regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI) zijn op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vastgesteld dient te worden of de planlocatie is gelegen binnen de veiligheidscontour van bestaande inrichtingen. De inrichtingen zijn weergegeven op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant. In figuur 22 is de uitsnede van de risicokaart getoond.

Figuur 22: Uitsnede risicokaart, provincie Noord-Brabant

Veiligheidscontour Uit figuur 22 blijkt dat de locatie van het nieuw de realiseren indoorklimbos is gelegen binnen de veiligheidszone ‘zone C’. Daarnaast is het gedeelte waar de dierenweide zich bevind gelegen voor een gedeelte binnen ‘zone B’ zoals opgenomen op de risicokaart van provincie Noord-Brabant. Deze veiligheidszones komen voort vanuit het bedrijf SMT aan de Scherpenbergsebaan 49. Het bedrijf SMT valt niet onder het BEVI. Van toepassing op de opslag van ontplofbare stoffen is het door het Ministerie VROM uitgewerkte extern veiligheidsbeleid in de Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Deze circulaire is tot stand gekomen na het Vuurwerkbesluit en het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen om, ter invulling van het kabinetstandpunt vuurwerkramp, nog een klein stukje regelgeving ten aanzien van de externe veiligheid van ontplofbare stoffen te regelen. Op grond van het beleid dat in deze circulaire is vastgelegd, dient rond iedere opslagplaats voor ontplofbare stoffen een veiligheidsafstand te worden aangehouden tot kwetsbare objecten zoals woningen, kantoren en winkels, maar bijvoorbeeld ook terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden. Deze veiligheidsafstand moet in het bestemmingsplan worden vastgelegd.

De grootte van de veiligheidsafstand is afhankelijk van de hoeveelheid ontplofbare stof die wordt opgeslagen en van eventueel effectbeperkende maatregelen die zijn getroffen. In de circulaire is de

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 41 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

systematiek met een A-, B- en C-zone vastgelegd, waarbij de A-zone de kleinste afstand tot de opslag heeft en de C-zone de grootste. Binnen de zones gelden beperkingen voor bebouwing en activiteiten. Bij de C-zone als voorbeeld, mogen geen gebouwen aanwezig zijn met vlies- of gordijngevelconstructie, geen gebouwen met zeer grote glasoppervlakten, waarin zich als regel een groot aantal personen bevindt. En geen bedrijven die bij calamiteit een gevaar voor munitieopslag of omgeving opleveren. De veiligheidszones zijn in het vigerende bestemmingsplan ´Buitengebied Rucphen´ planologisch vastgelegd als gebiedsaanduiding ´veiligheidszone – munitie – c1’ en ‘veiligheidszone – munitie – b1’. In het bestemminsplan (en de risico-kaart) zijn nu de volgende zones opgenomen: • A-zone: 270 m; • B-zone: 405 m; • C-zone: 810 m. Deze afstanden gelden voor een maximum opslag van 6.000 kg NEM (netto explosief massa) van de gevarenklasse 1.1. Op grond van de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu mag SMT (gevestigd aan Scherpenbergsebaan 49) maximaal 8.000 kg NEM opslaan. Bij deze hoeveelheid opslag gelden de volgende zones: • A-zone: 295 m; • B-zone: 445 m; • C-zone: 890 m. In de eerst volgende herziening van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen’ zal deze zone door de gemeente Rucphen worden aangepast op de planverbeelding.

In onderhavige partiële herziening van het bestemmingsplan wordt gelijk rekening gehouden met de wijziging van de zones. In figuur 23 is de huidige en nieuwe situatie van de B-zone weergegeven. Op de planverbeelding worden de nieuwe zones opgenomen met daarbij de bestemmingen ‘Veiligheidszone – ontplofbare stoffen B’ en ‘Veiligheidszone – ontplofbare stoffen C’.

Figuur 23: Nieuwe B-zone

De locatie waar het nieuwe gebouw ten behoeve van het indoor klimbos wordt opgericht is de gebiedsaanduiding ‘veiligheidszone – ontplofbare stoffen C’ van toepassing. Als voorwaarden ter plaatsen van de aanduiding ‘Veiligheidszone – ontplofbare stoffen C’ is opgenomen: ‘gebouwen met een vlies- of gordijngevelconstructie en voorts gebouwen met zeer grote glasopstanden, waarin zich in de regel een groot aantal mensen bevindt (meer dan 25 personen tegelijkertijd), zijn niet toegestaan’. In het ontwerp voor de planontwikkelingen wordt rekening gehouden met de geldende voorwaarden en wordt geen gebruik gemaakt van vlies- of gordijngevelconstructie. Door de planontwikkeling wordt de veiligheidszone C van SMT niet belemmerd.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 42 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Het plan is deels gelegen binnen de oude en nieuwe B-zone (veiligheidszone – ontplofbare stoffen B). Op dit moment is deze zone 405 meter van het bedrijf SMT aan de Scherpenbergsebaan 49. In de toekomst (in de eerste volgende herziening van het bestemmingsplan) wordt deze ‘zone B’ uitgebreid naar 445 meter. De zone komt hiermee net over het plangebied te liggen. Deze zone komt over de locatie waar nu, in de bestaande situatie, een dierenweide gesitueerd is die onderdeel uitmaakt van de planlocatie. In de nieuwe situatie en met de nieuwe planontwikkelingen op de locatie wordt deze bestaande situatie (dierenweide) niet aangepast. Op de planlocatie vindt er binnen de B-zone geen wijziging van gebruik van gronden plaats ten opzichte van de bestaande situatie. Hierdoor vindt er geen toename plaats van bezoekers ten opzichte van de bestaande situatie binnen de B-zone. Op de nieuwe planverbeelding behorende bij dit bestemmingsplan wordt de agrarische bestemming gehandhaafd, en dus niet zoals het overige plangebied omgezet naar een recreatieve bestemming. Hierdoor is het niet mogelijk om in de toekomst binnen de B-zone kwetsbare objecten op te richten ten behoeve van de speelboerderij of indoorklimbos. De ‘B-zone’ heeft hierdoor geen invloed op de planontwikkelingen op de locatie. Het nieuwe gebouw t.b.v.

het indoorklimbos ligt op een voldoende afstand van de ‘B-zone’, het nieuwe gebouw levert geen belemmeringen op. Transport Voor toetsing aan externe veiligheid voor de planlocatie moet rekening worden gehouden met mogelijke effecten vanuit het transport van gevaarlijke stoffen over de weg. De Veiligheidsregio heeft een standaard advies opgesteld voor de gemeente Rucphen. De planlocatie ligt binnen de gestelde uitgangspunten van het advies en kan worden gebruikt voor de (beperkte) verantwoording van het Groepsrisico. Het standaard advies is als bijlage toegevoegd. Bereikbaarheid De bereikbaarheid van de inrichting is goed ontsloten via de Scherpenbergsebaan en de Zundertseweg in de richting van de kern Rucphen. Door de kern van Rucphen loopt de Sprundelseweg, die via de Sint Martinusstraat en de Rucphenseweg aansluit op de A58. Bluswatervoorziening Op een afstand van maximaal 40 meter van een door de brandweer te gebruiken toegang dient een ondergrondse brandkraan aanwezig te zijn, ook wel primaire bluswatervoorziening genoemd. De capaciteit van de brandkraan dien minimaal 60 m³ per uur te bedragen bij gelijktijdig gebruik van twee brandkranen. De dichtstbijzijnde gelegen brandkraan ligt ter hoogte van Scherpenbergsebaan 55. In principe wordt op dit moment voldaan aan bovenstaande eis(en).

Mocht blijken dat, door de toekomstige ontwikkelingen, bouwwerken op grotere afstand zijn gelegen dan de benoemde 40 meter, is het noodzakelijk om te voorzien in een primaire bluswatervoorziening op eigen terrein. 4.4.7

Kabels en leidingen

Op of in de directe nabijheid van de locatie, zijn geen transportleidingen dan wel andere belangrijke kabels en leidingen gelegen, welke realisatie van het voorgenomen plan kunnen belemmeren. Middels een KLIC- melding zullen eventuele kabels en leidingen in beeld gebracht worden. 4.4.8

Flora en Fauna

Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk van belang. Op 24 november is door Lomans Ecoworks een rapportage opgesteld aangaande een ecologische quickscan voor de planlocatie Scherpenbergsebaan 53-55. Onderstaand is beschreven wat er uit de ecologische quickscan naar voor is gekomen en welke voorzorgsmaatregelen er getroffen moeten worden op de planlocatie.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 43 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Gebiedsbescherming Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied ligt op Belgisch grondgebied op een afstand van bijna 10 kilometer ten zuiden van het plangebied. Het betreft Natura 2000 gebied ´De Maatjes, Wuustwezelheide en Groot Schietveld´. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied op Nederlandse bodem ligt op een afstand van bijna 14 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Het betreft de Wouwse Plantage, behorend tot Natura 2000 gebied ´Brabantse Wal´. Ten aanzien van Natura 2000 gebieden dient er o.a. zekerheid geboden te worden betreffende het niet optreden van een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten. Gelet op de aard en omvang van de beoogde ontwikkeling, en de afstand tot Natura 2000 gebieden, kunnen negatieve effecten op de kwaliteit van habitats en soorten bij voorbaat worden uitgesloten.

Natura 2000 stikstofdepositie en overige effecten Met de beoogde realisatie van de indoor klimhal en de toestroom van bezoekers kan er sprake zijn van een beperkte toename van verkeersbewegingen in de nieuwe situatie. Mogelijke toename van verkeersbewegingen zijn verwaarloosbaar tegen de milieuwinst die wordt behaald door de sanering van de intensieve varkenshouderij met bijbehorende ammoniakemissie. Door de dusdanig grote afstand tot Natura 2000gebieden zijn overige effecten eveneens uit te sluiten. Doormiddel van een stikstofdepositie berekening is de invloed op de Natura 2000 gebieden gemeten. Uit de stikstofdepositieberekening blijkt dat er geen natuurgebieden zijn waarvoor de drempelwaarde van 0,0 mol/ha/jaar wordt overschreden. Voor de volledige berekening wordt kortheidshalve verwezen naar de afzonderlijke bijlage. Uit de berekening blijkt dat met het initiatief geen toename plaatsvindt van de stikstofdepositie op een natura 2000 gebied. Gelet hierop hoeft er, voor wat betreft dit aspect, geen vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Natuurnetwerk Brabant / Ecologische Hoofdstructuur In de directe omgeving ten noorden en zuidoosten van het plangebied bevinden zich bosgebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Brabant.

Tijdens de sloop/ bouwwerkzaamheden in de noordzijde van het plangebied en in de nieuwe situatie zijn negatieve effecten op het aanliggende NNB-bosgebied niet geheel uit te sluiten. Door het treffen van onderstaande voorzorgsmaatregelen worden negatieve effecten voorkomen. Beschermde soorten Het is in theorie mogelijk dat op de locatie dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming. Vogels beschermd op grond van de Vogelrichtlijn art. 3.1 Wnb Jaarrond beschermde verblijfplaatsen in bomen en gebouwen. Jaarrond beschermde nesten in bomen zijn niet aanwezig. In de te slopen varkensstal zijn geen jaarrond beschermde nesten van gebouw bewonende vogels aangetroffen. In de kap van de ‘hooimijt’ dierenverblijf verblijft een kerkuilenpaar in een nestkast en de boerenzwaluw nestelt in het dierenverblijf. Het dierenverblijf blijft in de huidige vorm gehandhaafd. Negatieve effecten op jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vogels zijn niet aan de orde. Europees beschermde soorten op grond van de Habitatrichtlijn art. 3.2 Wnb Tijdens het veldbezoek zijn geen vogels of andere soorten aangetroffen die vallen onder het beschermingsregime van de Europese Habitatrichtlijn. Door het ontbreken van geschikte holtebomen kunnen vleermuisverblijfplaatsen in bomen worden uitgesloten.

De bedrijfswoning biedt potenties voor vleermuisverblijfplaatsen. De bedrijfswoning blijft in de huidige vorm gehandhaafd. Door de constructie, de gebruikte materialen en de ontoegankelijkheid van de te slopen varkensstal kunnen vleermuisverblijfplaatsen redelijkerwijs worden uitgesloten. Het plangebied vormt foerageergebied van goede kwaliteit voor vleermuizen. Door de forse landschappelijke inpassing met streekeigen groen zullen foerageergelegenheid voor vleermuizen verbeteren in het nieuwe plan.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 44 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Nationaal beschermde Andere soorten art. 3.3 Wnb Tijdens het veldbezoek zijn geen soorten waargenomen welke voorkomen op de lijst van de provinciaal beschermde soorten. Voor deze soorten ontbreekt geschikt leefgebied. Vrijgestelde soorten Tijdens het veldbezoek zijn geen algemene vrijgestelde soorten aangetroffen. Er worden wel enkele soorten verwacht uit deze categorie die gebruik maken van het plangebied zoals konijn, gewone pad, bruine kikker, egel en enkele algemene muizensoorten. Voor deze soorten geldt wel vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling, maar de algemene zorgplicht is altijd van kracht. Voorzorgsmaatregelen Vogels algemeen Gedurende de sloopwerkzaamheden van de varkensstal en de bouw van de indoor klimhal moet rekening gehouden worden met broedende vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot half juli. Echter voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd in het kader van de Wnb. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Verstoring van broedgevallen dient te worden voorkomen. Voor de in het plangebied te verwachten vogelsoorten kan dit plaatsvinden door werkzaamheden buiten de broedperiode van aanwezige soorten uit te voeren, of wanneer vooraf door een terzake deskundige is vastgesteld dat geen broedende vogels aanwezig zijn. Op deze wijze worden negatieve effecten ten aanzien van broedende vogels voorkomen.

Maatregelen ter voorkoming negatieve effecten NNB- gebied Er dienen voorzorgsmaatregelen genomen te worden om foeragerende vleermuizen en nachtvogels zo weinig mogelijk te verstoren, vooral aan de orde langs de noordelijke NNB bosrand. De invloeden van geluids- en lichtbelasting dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden, zowel in de uitvoerende fase als in het nieuwe plan. • De werkzaamheden die veel geluidsoverlast veroorzaken dienen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. • De werkzaamheden dienen uitsluitend bij daglicht plaats te vinden. Beperk verlichting Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van het NNB-bosgebied, wordt aanbevolen om de verlichting in het gehele plangebied tot een minimum te beperken. Verlichting zorgt voor verstoring van vleermuizen, maar ook andere soorten zoals uilen. De effecten van de verlichting kunnen op een aantal manieren worden beperkt. Onderstaand een overzicht van de mogelijke maatregelen: • niet uitstralende armaturen. • lagere armaturen (dan zijn er wel meer nodig). • verlichting met een lagere lichtintensiteit. • plaatsen van afschermende beplanting. • voorkom verlichting van boomkronen. • tijdelijke verlichting (slechts een deel van de nacht aan) en alleen op plekken waar het echt nodig is. 4.4.9

Toetsing besluit milieueffecten rapportage

Bij besluit van 21 februari 2011 heeft de wetgever het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer 'in lijn brengen' van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C‐ en D‐lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C‐lijst een m.e.r.‐plicht volgt en voor activiteiten op de D‐lijst volgt dan wel een m.e.r.‐ beoordelingsplicht dan wel een motivering dat geen m.e.r.(beoordeling) nodig is. De beoogde activiteiten binnen de planlocaties vallen niet binnen de C- of D-lijst, een m.e.r. - beoordeling of m.e.r – plicht is niet benodigd. m.e.r-plicht is niet van toepassing.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 45 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 5 5.1

Bouwplan

5.1.1

Omschrijving van het plan

Planbeschrijving

Het initiatief omvat het beëindigen van de intensieve veehouderij op de locatie Scherpenbergsebaan 53-55 en ter plaatse van de oude varkensstal een nieuw gebouw op te richten voor een indoorklimbos met ondersteunende functies, zoals horeca. Deze activiteit sluit aan op de al aanwezige speelboerderij.

Figuur 24: Situering planontwikkeling op perceel (indicatief)

5.1.2

Doelgroepen

Op de planlocatie is momenteel een intensieve veehouderij en een speelboerderij aanwezig. De doelgroep voor de speelboerderij bestaat uit: ▪ kinderen van 1 t/m 14 jaar en hun (groot)ouders uit de directe omgeving; ▪ kinderen van 1 t/m 14 jaar en hun (groot)ouders, die in de directe omgeving op vakantie zijn; ▪ kinderen met een zorgvraag (fysiek en/of psycho –sociaal). Deze bestaande doelgroep wordt door de planontwikkeling van het indoorklimbos op de locatie uitgebreid. De doelgroep van het indoorklimbos zijn de oudere kinderen vanaf 10 jaar tot 18 jaar. Deze groep wordt mede door het initiatief gestimuleerd om te bewegen.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 46 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

5.1.3

Openingstijden

Op de planlocatie worden de openingstijden van de speelboerderij gehandhaafd. Het indoorklimbos zal geopend zijn voor publiek op woensdag, vrijdag en in het weekend. Verder ook in schoolvakanties. Voor besloten uitjes vanuit scholen en zorginstellingen zijn de andere dagen beschikbaar. 5.1.4

Inrichting

De bestaande varkensstal op de planlocatie wordt gesloopt. Hiervoor in de plaats komt een nieuw gebouw. De bestaande varkensstal heeft een oppervlakte van circa 1.020 m². Het nieuwe gebouw heeft een oppervlakte van circa 970 m² ten behoeve van het indoorklimbos en ondersteunende functies. Daarnaast wordt er nog een ruimte voorzien voor opslag, deze ruimte omvat circa 160 m². In totaal heeft het nieuwe gebouw een oppervlakte van ca 1.130 m². De speelboerderij en indoorklimbos zijn zo gelegen dat het privé terrein gescheiden ligt van het recreatieve gedeelte. De gebouwen en buitenvoorzieningen dienen landelijk te worden ingericht met aankleding van passende begroeiing en met bloemen en planten. De kwaliteit van de voorziening staat op een hoog peil. 5.2

Uitgangspunten bouwregels

Voor het realiseren van het indoorklimbos dient het gebouw aan een aantal bouwregels te voldoen, de bouwregels zijn opgenomen in de regels van het onderhavige bestemmingsplan. De uitgangspunten zijn: ▪ de maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan de op de kaart ter plaatse van de aanduiding ‘maximaal bebouwd oppervlak’ aangegeven maximum oppervlakte, met dien verstande dat wanneer geen oppervlakte is aangeduid het bouwvlak in zijn geheel mag worden bebouwd; ▪ de goothoogte bedraagt maximaal 5 m; ▪ de bouwhoogte bedraagt maximaal 9 m; ▪ de afstand tot de as van de weg bedraagt minimaal 15 m; ▪ de afstand tot de perceelgrenzen bedraagt minimaal 5 m. 5.3

Beeldkwaliteit

De gemeente acht zich mede verantwoordelijk voor de zorg voor de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Aandacht voor beeldkwaliteit wordt dan ook bij de uitwerking van dit plan van wezenlijk belang geacht. In algemene termen betreft de beeldkwaliteit alle aspecten, welke van invloed zijn op de voorstelbaarheid en beleving van de ruimtelijke omgeving. Voor de beeldkwaliteit van het gebouw is het materiaalgebruik en kleurstelling belangrijk. Zowel de kleur als het materiaal dient in de omgeving te passen. De gemeenteraad heeft op 18 september 2019 de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Rucphen 2019’ vastgesteld. Per 1 oktober 2019 is welstandstoetsing voor nagenoeg de gehele gemeente afgeschaft. In de nota is opgenomen dat enkel nog voor rijksmonumenten, cultuurhistorische waardevolle panden en Leisuregebied Binnentuin nog welstandsregels gelden. Daarnaast is een excessenregeling van kracht zodat tegen excessen opgetreden kan worden. Met het nieuwe beleid krijgen inwoners en bedrijven ruimte om zelf invulling te geven aan hun bouwwerken (kwaliteit). Het ontwerp van het nieuwe gebouw voor het indoorklimbos dient ingepast te worden in de omgeving. Daarnaast dient het ontwerp aan te sluiten bij de bestaande bebouwing op de locatie ten behoeve van de kinderboerderij.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9672912/1