CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

07a Bijlage a1 t NL.IMRO.0840.9000B0034-DEF1 2020-11-30

gemeenteraad 3 februari 2021, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2012, Scherpenbergsebaan 53-55 te Rucphen’30.717 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Bestemmingsplan “Buitengebied Rucphen 2012, Scherpenbergsebaan 53-55 te Rucphen” Planstatus: Datum: Plan identificatie:

vastgesteld 2020-11-30 NL.IMRO.0840.9000B0034-DEF1

Toelichting

Bestemmingsplan “Buitengebied Rucphen 2012, Scherpenbergsebaan 53-55 te Rucphen” Planstatus: Datum: Plan identificatie:

vastgesteld 2020-11-30 NL.IMRO.0840.9000B0034-DEF1

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Colofon Titel:

bestemmingsplan “Buitengebied Rucphen 2012, Scherpenbergsebaan 53-55 te Rucphen”

Opdrachtgever:

Speelboerderij Den Scherpenberg Scherpenbergsebaan 55 4715 SK Rucphen

Ontwerp: Molenzicht 2 4881 BW ZUNDERT Tel: 076-5990340 www.schoenmakersadvies.nl Contactpersoon:

L. Schrauwen leny@schoenmakers-ontwerp.nl

Projectnummer:

170490

Rapportnummer:

170490.01

Datum:

30 november 2020

Status:

vastgesteld

Voorontwerp:

4 juli 2019

Ontwerp:

23 juni 2020

Definitief:

30 november 2020

Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 3 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Toelichting Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 4 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding .................................................................................................................................. 6 1.1 Aanleiding .............................................................................................................................................. 6 1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied ............................................................................................ 7 1.3 Vigerend bestemmingsplan ................................................................................................................... 7 1.4 Planvorm................................................................................................................................................ 8 1.5 Leeswijzer .............................................................................................................................................. 8 Hoofdstuk 2 Bestaande situatie .................................................................................................................. 9 2.1 Ruimtelijke structuur ............................................................................................................................. 9 2.2 Functionele structuur ..........................................................................................................................

10 Hoofdstuk 3 Beleidskader ......................................................................................................................... 12 3.1 Algemeen ............................................................................................................................................. 12 3.2 Beleid Europees en rijksniveau ............................................................................................................ 12 3.3 Beleid provinciaal niveau ..................................................................................................................... 14 3.4 Beleid gemeentelijk niveau ................................................................................................................. 23 Hoofdstuk 4 Planuitgangspunten .............................................................................................................. 31 4.1 Ruimtelijke structuur ........................................................................................................................... 31 4.2 Functionele structuur .......................................................................................................................... 31 4.3 Archeologie en cultuurhistorie ............................................................................................................

33 4.4 Milieu- en overige aspecten ................................................................................................................ 34 Hoofdstuk 5 Planbeschrijving ..................................................................................................................... 46 5.1 Bouwplan ............................................................................................................................................. 46 5.2 Uitgangspunten bouwregels ................................................................................................................ 47 5.3 Beeldkwaliteit ...................................................................................................................................... 47 5.4 Landschappelijke inpassing ................................................................................................................. 48 Hoofdstuk 6 Juridische aspecten ............................................................................................................... 49 6.1 Algemeen ............................................................................................................................................. 49 6.2 Algemene toelichting verbeelding .......................................................................................................

49 6.3 Algemene toelichting regels ................................................................................................................ 49 Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................... 52 7.1 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................................ 52 Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak .............................................................................................................. 53 8.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ...................................................................................................... 53

Bijlagen 1. Landschappelijke inpassing 2. Standaard advies groepsrisico 3. Vooroverlegreacties Provincie Noord-Brabant en Waterschap Brabantse Delta 4. Inspraakreactie Natuurwerkgroep gemeente Rucphen en Brandweer Midden- en West-Brabant 5. Verantwoording makelaar toegepaste prijzen landschappelijke inpassing.

Afzonderlijke bijlagen 1. Berekening stikstofdepositie, Scherpenbergsebaan 53-55, 2019-11-08 2. Quickscan Flora en fauna Scherpenbergsebaan 53-55, Rapport nr. 1933, d.d. 24 november 2019 3. Omgevingsdialoog Scherpenbergsebaan 53-55, april 2020 4. Nota van Beantwoording, inspraak en vooroverleg, d.d. 18 juni 2020 5. Akoestisch onderzoek, Kraaij Akoestisch Adviesbureau, Rapportnummer BP.2035.R01, d.d. 26 oktober 2020 6. Nota Zienswijzen 7. Zienswijzen Provincie Noord-Brabant en NatuurWerkgroep gemeente Rucphen

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 5 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

In 2013 is de Speelboerderij Den Scherpenberg geopend. De speelboerderij is als nevenactiviteiten opgericht naast de (intensieve) varkenshouderij op de locatie Scherpenbergsebaan 53 – 55 te Rucphen. Tot 2020 is er een vergunning aanwezig voor het houden van varkens, hierna voldoet de varkensstal niet meer aan de wettelijke regelgeving. Daarnaast liggen op de varkensstal asbestplaten. Deze dienen voor 2028 verwijderd te worden. Het voornemen is om de intensieve veehouderij op de locatie te beëindigen en de locatie volledig in te richten voor recreatieve doeleinden. De speelboerderij omvat activiteiten voor kinderen tot en met 12 jaar. Het initiatief is om de speelboerderij als hoofdactiviteit te laten uitgroeien door zich tevens te richten op (speel)activiteiten voor kinderen vanaf 12 jaar, hierbij is het plan om ter plaatse van de varkensstal een indoorklimbos op te richten. Het initiatief omvat in het kort het beëindigen van de intensieve veehouderij en de locatie geheel om te zetten naar een recreatieve bestemming, gericht op dagrecreatie. Op 20 maart 2018 is het bovengenoemde initiatief behandeld in de collegevergadering. In deze vergadering is besloten om in principe medewerking te verlenen aan het wijzigen van de bestemming van het perceel aan Scherpenbergsebaan 53-55 te Rucphen, om een indoorklimbos mogelijk te maken.

Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te kunnen maken is gekozen voor een bestemmingsplanprocedure ex artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, waarmee het ter plaatse vigerende bestemmingsplan partieel wordt herzien. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in het juridisch-planologisch kader.

Figuur 1: Uitsnede topografische kaart met de planlocatie

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 6 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 2: Planlocatie aangegeven op luchtfoto

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied

De planlocatie ligt aan de Scherpenbergsebaan 53-55 te Rucphen. De planlocatie behoort tot de gemeente Rucphen. De gemeente Rucphen ligt in de provincie Noord-Brabant. De locatie is bekend onder de kadastrale gemeente RPN, sectie Q met nummers 0697 en een gedeelte van nummer 168. 1.3

Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van de planlocatie vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2012’. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad op 29 maart 2012. Daarnaast vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2012, 3e herziening’ en ‘Buitengebied Rucphen 2012, 4e herziening’. De planlocatie heeft de bestemming ’Agrarisch met waarden - Landschappelijk’ met daarbij de functieaanduidingen ‘intensieve veehouderij’ en ‘kinderboerderij’. Over de planlocatie liggen de gebiedsaanduidingen ‘overige zone - beslotenheid’, ‘veiligheidszone – munitie – c1’ en ‘vrijwaringszone radar’. Aan de rand van het bouwvlak ligt de gebiedsaanduiding ‘overige zone – archeologische verwachtingswaarde – hoog’. De initiatiefnemer is voornemens om de intensieve veehouderij op de locatie te beëindigen en de locatie geheel in te zetten voor dagrecreatie. De beoogde ontwikkeling op de planlocatie past niet binnen de huidige bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijk’ met functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. De huidige bestemming ‘Agrarisch met waarden – Landschappelijk’ dient gewijzigd te worden in de beoogde bestemming ‘Recreatie – Dagrecreatie’ waarbij een speelboerderij en indoorklimbos mogelijk zijn. Door de beëindiging van het agrarisch bedrijf op de locatie komt daarmee de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ te vervallen.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 7 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 3: Uitsnede bestemmingsplankaart Bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012

1.4

Planvorm

Het bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2012, Scherpenbergsebaan 53-55 te Rucphen’ is vervat in een verbeelding, regels en gaat vergezeld met een toelichting. 1.5

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige situatie van de planlocatie, waarbij onder andere de ruimtelijke en functionele structuur wordt beschreven. In hoofdstuk 3 van de toelichting wordt het vigerende beleid op Europees, Rijks, provinciaal en gemeentelijk niveau beschreven dat voor ontwikkeling van de planlocatie relevant is. Hoofdstuk 4 beschrijft vervolgens de uitgangspunten en randvoorwaarden, die van belang zijn voor de ontwikkeling van de planlocatie. Hierbij worden onder andere de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van water, natuur, luchtkwaliteit, archeologie en bodem beschreven. Hoofdstuk 5 geeft de beschrijving van het voorgenomen plan weer. De juridische aspecten komen in hoofdstuk 6 aan bod. Ten slotte wordt in hoofdstuk 7 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid beschreven.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 8 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 2 2.1

Ruimtelijke structuur

2.1.1

Bebouwingsstructuur

Bestaande situatie

In de omgeving van de planlocatie zijn diverse agrarische bedrijven, woningen en bedrijven aanwezig. De agrarische bedrijven, woningen en bedrijven worden afgewisseld met boselementen en weilanden. De woningen zijn vrijstaand gepositioneerd en vormen gezamenlijk een bebouwingslint met doorzichten naar het achterliggende landschap. Op de locatie Scherpenbergsebaan 53-55 is een bedrijfswoning met twee bedrijfsgebouwen aanwezig, één in de vorm van een varkensstal en in het andere gebouw is de speelboerderij gevestigd. 2.1.2

Wegenstructuur

De locatie aan de Scherpenbergsebaan is gelegen in het buitengebied van Rucphen. De locatie is gelegen aan een kruispunt Zundertseweg – Scherpenbergsebaan – Vorenseindseweg. De Zundertseweg is de provinciale weg N638, die van kern Rucphen naar de kern Zundert gaat. Vanuit de Zundertseweg verbindt de Scherpenbergsebaan de kern Schijf. De kern Sprundel wordt vanuit de Zundertseweg verbonden door de Vorenseindseweg.

Figuur 4: Foto's bestaande situatie

2.1.3

Groen- en waterstructuur

De omgeving van de planlocatie bestaat vooral uit cultuurgronden afgewisseld met boselementen. Aan de linkerkant van de planlocatie is een categorie- B waterloop aanwezig. Om de woning is een houtwal gelegen. Het groen op de planlocatie bestaat voornamelijk uit tuinbeplanting, graszoden en boompartijen. Het gebied achter de bedrijfswoning is ingericht als buitenspeeltuin. Naast de bedrijfswoning is een parkeervoorziening aanwezig.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 9 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 5: Overzicht bestaande situatie

2.2

Functionele structuur

2.2.1

Wonen

De functie wonen komt in de omgeving van de planlocatie diverse malen voor. Zowel (agrarische)bedrijfswoningen (behorende bij de bedrijven uit paragraaf 2.2.3) en burgerwoningen komen voor. Hoofdzakelijk zijn de woningen vrijstaand gesitueerd en bestaan ze uit één tot anderhalve bouwlaag met een kap. 2.2.2

Maatschappelijke voorzieningen

In de directe omgeving van de planlocatie is een maatschappelijke voorziening gevestigd in de vorm van een militairterrein. 2.2.3

Bedrijven, horeca en detailhandel

In de omgeving van de planlocatie zijn diverse bedrijven aanwezig waaronder een agrarisch bedrijf in de vorm van een boomkwekerij. Daarnaast is er in de nabije omgeving een metaalbewerkingsbedrijf en seksinrichting gevestigd. Er is in de directe omgeving geen horeca of detailhandel in de omgeving gevestigd. Zie voor een overzicht van de omliggende functies, figuur 6. Varkensstal Op de planlocatie mag de varkensstal gebruikt worden tot 2020. Hierna voldoet de stal niet meer aan de wettelijke regelgeving. Daarnaast ligt op de varkensstal asbestbeplating. Aan de voorzijde van het bebouw zijn de varkensafdelingen aanwezig. In de achterzijde van het gebouw zijn paardenboxen aanwezig en wordt het voor een gedeelte gebruikt als opslag.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 10 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Speelboerderij In het gebouw ten behoeve van de speelboerderij wordt het achterste gedeelte gebruikt als dierenverblijf. Het overige gedeelte is ingericht als binnenspeeltuin met ondersteunende horeca.

Figuur 6: Functiekaart

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 11 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Algemeen

Bij het opstellen van een bestemmingsplan worden de beleidskaders van het rijk, provincie en gemeente uiteengezet. In het onderhavige bestemmingsplan is het relevante ruimtelijke beleid voor de locatie Scherpenbergsebaan 53-55 opgenomen. 3.2

Beleid Europees en rijksniveau

3.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Voor een aanpak die Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig maakt, moet het roer in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid om. In 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Het Rijk laat de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. De veranderde behoefte aan wonen en werken legt daarbij een extra druk op een markt waar de totale vraag afneemt: kwaliteit voor kwantiteit. De ambitie is dat in 2040 de woon- en werklocaties in steden en dorpen aansluiten op de (kwalitatieve) vraag en dat locaties voor transformaties en herstructurering zoveel mogelijk worden benut. In het SVIR zijn 13 nationale belangen opgenomen, hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken.

Het Rijk zal bestemmingsplannen niet (tijdens de vaststellingsprocedure) toetsen op een correcte doorwerking van nationale ruimtelijke belangen. Wel zal het Rijk door middel van systeem- of themagerichte onderzoeken achteraf nagaan of bestemmingsplannen aan nationale wet- en regelgeving voldoen. Ter plaatse van de planlocatie zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequentie voor de planlocatie. 3.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordering (Barro) in werking getreden. In het Barro wordt een aantal projecten die van Rijksbelang zijn, met name genoemd en met behulp van digitale kaartbestanden exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. In het Barro zijn zes projecten beschreven: ▪ Mainport ontwikkeling Rotterdam. ▪ Kustfundament. ▪ Grote rivieren. ▪ Waddenzee en Waddengebied. ▪ Defensie. ▪ Erfgoederen van uitzonderlijk universele waarde. Inmiddels is het aantal projecten uitgebreid met: ▪ Rijksvaarwegen. ▪ Hoofdwegen en landelijke spoorwegen.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 12 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Elektriciteitsvoorziening. Ecologische hoofdstructuur. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Veiligheid rond Rijksvaarwegen. Verstedelijking in het IJsselmeer. Toekomstige rivierverruiming van de Maastakken.

Ter plaatse van de planlocatie zijn geen nationale belangen in het geding. Het nationale ruimtelijke beleid heeft geen consequentie voor de planlocatie. 3.2.3

Water

Het Nationaal Waterplan (NWP) In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan (NWP) is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Watertoets Met het ondertekenen van het Nationaal Bestuursakkoord Water (juli 2003) hebben de betrokken partijen (het Rijk, IPO, VNG en UvW) afgesproken de watertoets toe te passen bij alle nieuwe ruimtelijke waterhuishoudkundig relevante- plannen en besluiten op alle bestuursniveaus. De watertoets is met ingang van 1 november 2003 wettelijk verplicht voor structuurvisies, bestemmingsplannen, van de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) regelt een verplichte waterparagraaf in de toelichting bij de genoemde ruimtelijke plannen en het vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 Bro met het waterschap.

De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen. Europese Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water is sinds december 2000 van kracht en is gericht op het realiseren van duurzaam waterbeheer. De Europese Kaderrichtlijn Water beoogt de bescherming van aquatische ecosystemen en het duurzaam gebruik van water. Daarvoor wordt de Kaderrichtlijn eerst in landelijke wet- en regelgeving omgezet. Momenteel wordt hier hard aan gewerkt. De Europese Kaderrichtlijn heeft, waar het de gemeente betreft, consequenties voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. In paragraaf 4.4.4 komt het aspect water aan bod voor de planlocatie. 3.2.4

Ecologie

Vanuit Europa is de bescherming van (plant en dier) soorten en gebieden geregeld in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. In Nederland is de natuurwetgeving verankerd in de Wet Natuurbescherming. Europese Vogel- en Habitatrichtlijn De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn hebben tot doel de bescherming van (vogel)soorten en hun natuurlijke habitats. Elke lidstaat is verplicht om speciale beschermingszones (SBZ’s) aan te wijzen, die samen één Europees netwerk van natuurgebieden vormen: “Natura 2000”. Wanneer in een gebied bepaalde soorten voorkomen, of een bepaald percentage van de Europese populatie herbergt, dan komt dit gebied in aanmerking voor plaatsing onder de betreffende richtlijnen. De planlocatie valt in zijn geheel niet binnen de aangewezen Vogelrichtlijn- of Habitatrichtlijngebieden.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 13 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Wet Natuurbescherming De Wet natuurbescherming is een 'kaderwet'. Dat betekent dat er alleen algemene principes en verantwoordelijkheden in staan. De details zijn geregeld in een groot aantal algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. Sommige bepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn het gevolg van afspraken op internationaal en Europees niveau, zoals de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en het CITESverdrag. Het aspect Flora en Fauna komt in paragraaf 4.4.8 aan bod. 3.2.5

Cultuurhistorie

Nota Belvedère De Nota Belvedère, een gezamenlijk beleidsstuk van de ministeries van LNV, OC&W en VROM (1999), is opgesteld vanuit de gedachte om de cultuurhistorische identiteit sterker richtinggevend te laten zijn voor de inrichting van de ruimte. In de nota is een visie op de samenhang tussen cultuurhistorie en ruimtelijk beleid opgenomen. Het doel is tweeledig; verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en behoud van het cultureel erfgoed. Zowel de planlocatie, als de gebieden daaromheen zijn niet aangewezen als Belvedère gebied, daarom hoeft niet verder te worden ingegaan op deze Nota Belvedère. Verdrag van Valletta (Malta) De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ontwikkeling is het resultaat van de implementatie van het Verdrag van Malta. Nederland heeft dit verdrag ondertekend in Valletta in 1992. Het uitgangspunt hierbij is dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. In Nederland heeft het rijk dit Verdrag in 2007 verankerd in nationale wet- en regelgeving middels de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Volgens de Wet op de Archeologische Monumentenzorg heeft de gemeente, als bevoegde overheid, een zorgplicht voor de archeologie in haar grondgebied.

Via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg 2007 (een wijzigingswet) is de Monumentenwet 1988 aangepast om dit te kunnen verankeren. De belangrijkste wijziging voor gemeenten is het feit dat archeologie sinds de invoering van de wet archeologie moet verankeren in het bestemmingsplan. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-72016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld. De Omgevingswet zal naar verwachting in 2022 in werking treden. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Om invulling te geven aan deze gemeentelijk zorgtaak heeft de gemeente Rucphen de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt door een gemeentelijke archeologiekaart op te stellen samen met de beleidsnota archeologie. Deze vormen samen het beleidsinstrumentarium dat als onderlegger voor elk bestemmingsplan geldt. Het aspect ‘Archeologie’ wordt behandeld in paragraaf 4.3. 3.3

Beleid provinciaal niveau

3.3.1

Omgevingsvisie Noord-Brabant 2018

Op 14 december 2018 stelde Provinciale Staten van Noord-Brabant de Brabantse Omgevingsvisie vast. De omgevingsvisie is opgesteld volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet, welke in 2021 in werking zal treden. De Brabantse Omgevingsvisie beschrijft de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Er wordt vanuit meerdere invalshoeken gekeken naar een ontwikkeling door de provincie: ▪ Een 'diepe' manier van kijken: niet alleen kijken naar effecten op de bovenste laag in het hier en nu, maar de dynamiek en randvoorwaarden betrekken die de onderste lagen meegeven. Kijken op verschillende

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 14 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

▪

▪

schaalniveaus en actief benutten van de factor tijd. Hierbij ook kijken naar het verleden, de geschiedenis van de lagen op een plek. Een 'ronde' manier van kijken: niet sectoraal kijken, maar combineren van opgaven en kansen zodat ontwikkelingen optimaal bijdragen aan een circulair, sterk en sociaal Brabant, waarin alle Brabanders zich prettig voelen. Kijken vanuit een gebiedsgerichte insteek, naar een balans tussen people, planet en profit. Een 'brede' manier van kijken: niet kijken vanuit één gezichtspunt, maar het betrekken van veel partijen, met al hun gezichtspunten, meningen, wensen, ideeën en belangen.

In de omgevingsvisie is één basisopgave benoemd: het werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit. Daarnaast zijn er vier hoofdopgaven benoemd: ▪ werken aan de Brabantse energietransitie; ▪ werken aan een klimaatproof Brabant; ▪ werken aan Brabant als slimme netwerkstad; ▪ werken aan een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie gaat over de hele fysieke leefomgeving, heeft een integraal karakter en bevat geen sectorale beleidsdoelen. Concrete doelen voor bijvoorbeeld natuur, water, veiligheid, milieu, mobiliteit en ruimtelijke kwaliteit staan nog in de bestaande plannen van de provincie, bijvoorbeeld in de Structuurvisie ruimtelijke ordening en het provinciale verkeers- en vervoersplan. 3.3.2

Interimstructuurvisie ‘Brabant in Ontwikkeling’

Met de inwerkingtreding van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant zijn deel A en B van de Interimstructuurvisie vervangen. Deel C blijft wel in stand. Deel C beschrijft de concrete ontwikkelprojecten Logistiek Park Moerdijk en Agro-Foodcluster (AFC) West-Brabant en geeft een onderbouwing van de locatiekeuze. Deel C heeft geen betrekking op de voorgestane planontwikkeling. 3.3.3

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2014 Noord- Brabant

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening 2014 (hierna: SVRO) in werking getreden. Deze structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De SVRO geeft aan welke ambities de provincie heeft en hoe zij deze wil realiseren. In de SVRO geeft de provincie aan hoe zij omgaat met de ruimtelijke opgave voor de periode tot 2025, met een doorkijk naar 2040. De provincie heeft als sturingsfilosofie ‘samenwerken aan kwaliteit’: samen met andere overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties vormgeven aan een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant. Daarbij respecteert de provincie ieders rol. De provincie onderscheidt de volgende vijf rollen: 1. Ontwikkelen De provincie focust in haar ontwikkelingsgerichte rol op een aantal thematische opgaven en op een aantal gebieden. In gebieden waar sprake is van grote ruimtelijke dynamiek, botsende belangen en waar de ontwikkelingen een (inter)provinciale impact hebben, kiest de provincie voor een actieve rol. 2. Ordenen De provincie wil de duurzame ruimtelijke ontwikkeling van Noord-Brabant ordenen in robuuste ruimtelijke structuren. Dit zijn de groenblauwe-, de agrarische-, de stedelijke- en de infrastructuur. 3. Beschermen De provincie wil belangrijke en onvervangbare waarden beschermen.

Voor de Ecologische Hoofdstructuur, de cultuur- en aardkundige waarden en de bescherming van de kernkwaliteiten in de nationale landschappen in Noord-Brabant stelt de provincie een beschermingsregiem op. 4. Regionaal samenwerken De provincie kiest voor regionale samenwerking en afstemming in vier regio’s. De provincie stimuleert de samenwerking tussen de gemeenten, Rijk en waterschappen in deze regio’s en legt afspraken vast in een strategische regionale agenda.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 15 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

5. Stimuleren Bij ruimtelijke ontwikkelingen gaat het niet alleen om de vraag waar welke ontwikkelingen gewenst zijn. Het gaat daarbij ook om de balans tussen de verschillende belangen, functies en kwaliteiten in een gebied. De provincie wil dat ontwikkelingen bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van NoordBrabant.

Figuur 7: Uitsnede structurenkaart locatie Scherpenbergsebaan, Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant

Uit figuur 7 blijkt dat de planlocatie gelegen is in het landelijk gebied, gemengd landelijk gebied. Het landelijk gebied biedt een multifunctionele gebruiksruimte voor land- en tuinbouw, natuur, water, recreatie, toerisme en kleinschalige stedelijke functies. Land- en tuinbouw zijn de grootste ruimtegebruikers. De provincie wil het volgende bereiken in het landelijke gebied: 1. Ruimte voor een breed georiënteerde plattelandseconomie. 2. Ruimte voor agrarische ontwikkeling.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 16 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

3. Een duurzame land- en tuinbouw. 4. Versterking van het landschap. Binnen het landelijk gebied onderscheidt de provincie twee perspectieven: 1. gemengd landelijk gebied; 2. accent agrarisch ontwikkeling. De provincie beschouwt het hele landelijk gebied als een gebied waarbinnen een menging van functies aanwezig is. De mate van menging varieert daarbij van de gebieden waarbinnen meerdere functies in evenwicht naast elkaar bestaan tot gebieden waar de land- en tuinbouw de dominante functie is. Binnen het gemengd landelijk gebied is naast ruimte voor de land- en tuinbouw ook ruimte voor de ontwikkeling van niet-agrarische functies. Dit kan door verbreding van agrarische activiteiten maar ook als zelfstandige functie, bijvoorbeeld op vrijkomende locaties. Door het beëindigen van de agrarische bedrijfsvoering komen er bedrijfslocaties vrij. Binnen het gemengd landelijk gebied is de ontwikkeling van woon-, recreatie- en werkfuncties mogelijk. Bestaande bezoekers intensieve recreatieve voorzieningen kunnen zich in beginsel verder ontwikkelen. In de gebieden rondom steden en dorpen is daarbij meer ruimte voor de ontwikkeling van functies die zich richten op de inwoners van die kernen, in de gebieden rondom de Groenblauwe mantel is de ontwikkeling van functies meer afgestemd op het ondernemen in een groene omgeving en de versterking van natuur- en landschapswaarden.

Binnen gemengd landelijk gebied zijn sterke agrarische clusters aanwezig zoals voor de intensieve veehouderij, glasconcentratiegebieden, boomteelt en vollegrondsgroente. Bestaande ontwikkelingsmogelijkheden worden in beginsel gerespecteerd. In deze clusters wil de provincie de aanwezige agrarische functie behoeden voor verstoring. Daarom wil de provincie dat de menging van functies in deze agrarische clusters beperkt blijft. Aangezien de planlocatie gelegen is binnen het gemengd landelijk gebied is de beoogde ontwikkeling (het beëindigen van de agrarische activiteit en uitbreiding van de recreatieve activiteit) niet in strijd met de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening Noord-Brabant. 3.3.4

Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

In 2021 treedt de Omgevingswet in werking. Deze wet vervangt 26 wetten en verschillende regelsystemen op nationaal niveau. Vanwege de Omgevingswet moet ook de provincie haar regelsysteem aanpassen. Straks heeft de provincie nog maar één verordening waarin alle regels zijn opgenomen over de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening. Dit zijn de: - Provinciale milieuverordening, gebaseerd op artikel 1.2 Wet milieubeheer; - Verordening natuurbescherming, gebaseerd op diverse artikelen uit de Wet natuurbescherming; - Verordening Ontgrondingen, gebaseerd op artikel 5, tweede lid, en artikel 7, tweede lid, Ontgrondingenwet; - Verordening Ruimte, gebaseerd op artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening; - Verordening Water, gebaseerd op diverse artikelen in de Waterwet; - Verordening wegen, gebaseerd op artikel 57 Wegenwet en artikel 2a Wegenverkeerswet. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie.

Er heeft daarom ook geen expliciete afweging plaatsgevonden of de inzet van de verordening voor een bepaald onderwerp gecontinueerd moet worden. In beginsel zijn de huidige regels met het huidige beschermingsniveau gehandhaafd. Deze beleidsneutrale omzetting betekent overigens niet dat er helemaal geen wijzigingen ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt. Op hoofdlijnen gaat het om: - een meer gebruiksvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder losse bijlagen; - aanpassingen waardoor de regels straks beter passen in het systeem van de omgevingswet, bijvoorbeeld voor de grondwaterbeschermingsgebieden; - aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 17 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Het ontwerp van de Interim omgevingsverordening is in april vastgesteld. De Provinciale Staten heeft de Interim omgevingsverordening op 25 oktober 2019 vastgesteld. In figuur 8 zijn de uitsneden van de kaarten behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant weergegeven voor de planlocatie Scherpenbergsebaan 53-55. Uit figuur 8 blijkt dat de planlocatie is gelegen in het ‘Landelijk gebied – Gemengd landelijk gebied’ met daarnaast de aanduiding ‘Stalderingsgebied’.

Figuur 8: Uitsneden kaarten behorende bij de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Landelijk gebied – Gemengd Landelijk gebied Binnen de afdeling ‘Vitaal platteland’ zijn de ontwikkelingsmogelijkheden geschetst voor het Landelijk gebied. In het landelijk gebied stimuleert de provincie het mengen van functies voor een sterke plattelandseconomie.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 18 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hierbij is vooral de ontwikkeling van landbouw van belang, naast andere vormen van bedrijvigheid, natuur, landschap, recreatie en wonen. Het landelijk gebied omvat een onderverdeling in de subzones ‘Gemengd landelijk gebied’ en ‘Groenblauwe mantel’. In veel gevallen bestaan er voor beide zones gelijke ontwikkelingsmogelijkheden. In die gevallen wordt gesproken over ‘Landelijk gebied’. Alleen als het nodig is onderscheid te maken, wordt in de betreffende regel gesproken over de subzones. In het gemengd landelijk gebied wordt onderscheid gemaakt tussen: een gebied waar de ontwikkeling van een gemengde plattelandseconomie wordt nagestreefd en een gebied waar de ontwikkeling van een in hoofdzaak agrarische economie wordt nagestreefd, rekening houdend met in ieder geval de landbouwontwikkelingsgebied, de vestigingsgebieden voor glastuinbouw en de gebieden waar teeltondersteunende kassen zijn toegestaan. In het landelijk gebied stimuleert de provincie het mengen van functies voor een sterke plattelandseconomie. Hierbij is vooral de ontwikkeling van landbouw van belang, naast andere vormen van bedrijvigheid, natuur, recreatie en wonen. In artikel 3.73 van de Interim omgevingsverordening zijn specifieke regels opgenomen voor niet-agrarische functies in het ‘Landelijk gebied’. Artikel 3.73 vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied Lid 1.

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken: 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de omgeving; 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten, waaronder mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders; 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit, waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied. b. er vindt geen splitsing plaats van het bouwperceel; c. overtollige bebouwing wordt gesloopt; d. de vestiging heeft geen betrekking op: 1. een kantoor met baliefunctie; 2. lawaaisport; 3. mestbewerking. Lid 2. Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels: a. over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking; b. welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan; c. dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen; d. dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.

Lid 3. Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor: a. bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein; b. een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²; c. een voorziening ten dienste van vrije-tijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.

De beoogde ontwikkeling omvat het beëindigen van de intensieve veehouderij en het omzetten naar een recreatieve bestemming. Het voornemen is daarnaast dat er ter plaatse van de oude varkensstal een indoorklimbos ten behoeve van de bestaande speelboerderij gerealiseerd wordt in een nieuw gebouw. Hieronder wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan artikel 3.73: Lid 1: a.

De beoogde ruimtelijke ontwikkeling is een (nieuwe) economische drager in het buitengebied. De recreatieve ontwikkeling draagt bij aan het vitaal platteland van de gemeente Rucphen. Door het slopen van de oude varkensstal op de planlocatie wordt leegstand van agrarisch vastgoed op deze planlocatie voorkomen. De ontwikkeling verzekerd dat er geen uitbreiding of nieuwvesting van een intensief agrarisch bedrijf kan plaats vinden op de planlocatie. Daarnaast wordt er een passende landschappelijke inpassing verzorgt. De ontwikkeling draagt bij aan het versterken van de omgevingskwaliteit in het gebied.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 19 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

b. c.

d.

Lid 2: a.

b. c. d.

Lid 3: a.

b.

c.

Met de ontwikkeling op de planlocatie vindt er geen splitsing van het bouwperceel plaats. De bestaande oude varkensstal op de planlocatie wordt gesloopt, voor een goede bedrijfsvoering is echter een nieuw gebouw benodigd om het bedrijf als volwaardig recreatief bedrijf uit te laten groeien. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een zelfstandige kantoorvoorziening met een baliefunctie. De ontwikkeling wordt een onderdeel van de speelboerderij in de vorm van een indoorklimbos. De ontwikkeling heeft daarbij ook geen betrekking op een lawaaisport of mestbewerking op locatie.

Door de uitbreiding van de speelboerderij heeft het bedrijf voor een langere termijn doorgroeimogelijkheden. De speelboerderij kan hiermee uitgroeien naar een volwaardig recreatief bedrijf. Qua omvang past het binnen het beleid van het Landelijk gebied van de interim omgevingsverordening. Op de verbeelding van onderhavig bestemmingsplan wordt met een functieaanduiding geborgd dat enkel een Speelboerderij en indoorklimbos is toegestaan op de planlocatie. Opslag en stalling van benodigdheden voor de speelboerderij en indoorklimbos vindt plaats in gebouwen op de planlocatie. De maximaal toegestane omvang van de planontwikkeling is vastgelegd in de regels van onderhavig bestemmingsplan. Bij een eventuele toekomstige ontwikkeling zal getoetst worden of de ontwikkeling nog steeds gewenst is op de planlocatie.

Er is sprake van een grootschalige voorziening als blijkens een economisch effectenonderzoek, het te verwachten aantal bezoekers en overnachtingen samen genomen meer dan 150.000 per jaar bedraagt. Dit zou betekenen dat er circa 410 bezoekers per dag zouden komen. Door het kleinschalig karakter van de speelboerderij is er geen sprake van een grootschalige voorziening. De speelboerderij is in beginsel ook niet ingericht voor 410 bezoekers per dag. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling omvat het uitbreiden van de speelboerderij, hierbij is geen sprake van een al dan niet zelfstandige detailhandelsvoorziening met een verkoopvloeroppervlakte van meer dan 200m². De totale toegestane vierkante meter aan bebouwing op de planlocatie is vastgelegd op de verbeelding van onderhavig bestemmingsplan. De toegestane omvang van de bebouwing is minder dan 1 hectare.

Aanduiding: Stalderingsgebied De planlocatie ligt binnen de aanduiding ‘Stalderingsgebied’. Binnen de interim omgevingsverordening zijn regels opgenomen in artikel 3.52 voor het stalderingsgebied. Binnen de aanduiding "Stalderingsgebied" gelden extra randvoorwaarden aan ontwikkeling van veehouderijen. Deze voorwaarden geven sturing aan het voorkomen van een verdere regionale concentratie van vee en richten zich daarnaast op het tegengaan van (verdere) leegstand. Vanwege deze extra randvoorwaarden is een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel alleen mogelijk als er elders dierenverblijven verdwijnen; het zogenaamde stalderen. De beoogde ontwikkeling op de planlocatie heeft geen betrekking op de ontwikkeling van een veehouderij, het betreft hier een beëindiging van een intensieve veehouderij. De regels van het stalderingsgebied hebben geen betrekking op het beoogde initiatief. Uit bovenstaande blijkt dat de beoogde ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de regels uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

Algemene regels: Bevordering van ruimtelijke kwaliteit Een plan moet een verantwoording bevatten dat het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid en toepassing is gegeven aan het principe zorgvuldig ruimtegebruik.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 20 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Artikel 3.5 zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die bepaald wordt door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: a. zorgvuldig ruimtegebruik; b. de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering; c. meerwaardecreatie; Artikel 3.6 zorgvuldig ruimtegebruik: Een plan moet een verantwoording bevatten dat het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een goede landschappelijke inpasbaarheid en toepassing is gegeven aan het principe zorgvuldig ruimtegebruik. Doel van zorgvuldig ruimtegebruik is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwingslocaties in zowel stedelijk als landelijk gebied. Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in: a.

dat een ruimtelijke ontwikkeling in beginsel plaatsvind binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, tenzij in de verordening uitdrukkelijk anders is bepaald; b. ingeval van stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking); c. een bestemmingsplan buiten bestaand stedelijk gebied bepaalt dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen binnen het bouwperceel worden opgericht en daarbinnen worden geconcentreerd. Op de planlocatie wordt gebruik gemaakt van het bestaande agrarische bouwvlak. De bestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschappelijk’ met de functie aanduiding ‘kinderboerderij’ wordt gewijzigd naar de bestemmingen ‘Recreatie – Dagrecreatie’ en ‘Groen-Landschapselement’. De functieaanduidingen ‘intensieve veehouderij’ en ‘kinderboerderij’ worden verwijderd voor de locatie. De bestaande bebouwing blijft gehandhaafd op de oude varkensstal na, hiervoor komt een nieuw gebouw wat past in de omgeving. Daarnaast wordt de parkeergelegenheid op de planlocatie uitgebreid. Voor de situering van de nieuwe parkeerplaatsen is bewust voor de parkeerstrook aan de straat (Scherpenbergsebaan) gekozen, dit heeft twee redenen. Eerste reden, het perceel waar het parkeren op gerealiseerd wordt ligt een stuk lager dan de bestaande rijbaan (Scherpenbergsebaan).

De geparkeerde auto’s komen hierdoor lager te staan waardoor de geparkeerde auto’s uit het zicht onttrokken worden gezien vanaf de rijbaan. De tweede reden voor de gekozen locatie is dat aan de achterzijde van de planlocatie een locatie van derden is gelegen. Wanneer het parkeren aan de achterzijde van de planlocatie gesitueerd zou worden komt het parkeren op een korte afstand van deze derde locatie, de bewoners van deze locatie zouden hierdoor geluidsoverlast kunnen ondervinden. Door het parkeren aan de voorkant te situeren voorkomen we overlast voor omliggende locaties en wordt het parkeren direct ontsloten aan de Scherpenbergsebaan. De parkeerplaats worden landschappelijk ingepast om de parkeerplaats zo veel mogelijk uit het zicht te onttrekken. In figuur 16 (paragraaf 4.2.2) is een dwarsdoorsnede van het principe weergegeven. Er wordt doormiddel van bovenstaande invulling gegeven aan het principe zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering van het landschap Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. De toelichting bij een bestemmingsplan bevat een motivering: a. van de wijze waarop de bedoelde verbetering financieel, juridisch en feitelijk is geborgd; b.

dat de verbetering past binnen de hoofdlijnen van het te voeren ruimtelijk beleid voor dat gebied. De bedoelde verbetering kan mede betreffen: a. de landschappelijke inpassing van bebouwing, voor zover expliciet vereist op grond van deze verordening;

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 21 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

b. c. d. e. f. g.

het toevoegen, versterken of herstellen van landschapselementen die een bijdrage leveren aan de versterking van de landschapsstructuur of de relatie stad-land; activiteiten, gericht op behoud of herstel van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of terreinen; het wegnemen van verharding; het slopen van bebouwing; een fysieke bijdrage aan de realisering van de het Natuur Netwerk Brabant en ecologische verbindingszones; het aanleggen van extensieve recreatieve mogelijkheden.

De uitvoering van kwaliteitsverbetering van het landschap heeft regio West-Brabant vastgelegd in het ‘Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant’. Deze notitie geeft aan hoe de gemeenten in de regio West-Brabant naast de toepassing van artikel 3.1 van de Verordening ruimte, ook toepassing geven aan artikel 3.2 van de Verordening ruimte De notitie biedt: ▪ een eenduidig beleidskader voor de West-Brabantse gemeenten met instemming van de provincie NoordBrabant; ▪ de mogelijkheid tot maatwerk voor gemeenten blijft mogelijk om de ‘couleur locale’ te behouden, niet alles wordt dicht getimmerd; ▪ een eenduidige regionale methodiek; ▪ duidelijkheid over hoe de rood-met-groen koppeling kan worden opgenomen in te ontwikkelen bestemmingsplannen in overeenstemming met de Verordening Ruimte. In de notitie zijn een drietal categorieën opgesteld: ▪ Categorie 1: Ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist. ▪ Categorie 2: Ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. De kwaliteitsverbetering vindt plaats in de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen. Deze categorie is niet limitatief.

▪ Categorie 3: Ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren. De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst Categorie In het afsprakenkader ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant’ is een onderverdeling gemaakt in drie categorieën. Binnen de categorie 1 en 2 zijn specifieke ruimtelijke ontwikkelingen benoemd, die onder die categorie vallen. Alle overige ruimtelijke ontwikkelingen die niet specifiek benoemd zijn, vallen onder categorie 3. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling op de locatie Scherpenbergsebaan 53-55 valt onder categorie 3. Landschappelijke inpassing In de bijlage is het landschapsplan voor de landschappelijke inpassing toegevoegd, kortheidshalve wordt hiernaar verwezen. In de bijlage wordt het beleidskader kwaliteitsverbetering van het landschap beschreven en onderbouwd hoe deze ontwikkeling zich verhoudt tot de regeling kwaliteitsverbetering van het landschap van de provincie Noord-Brabant. Daarnaast wordt een motivatie gegeven van de landschappelijke inpassing. Er is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de bestaande waardevolle elementen in de directe omgeving.

Voor het bepalen van de minimale basisinspanning zijn marktconforme grondprijzen gebruikt waarbij gekeken is of de toegepaste waardebepalingen van bestemmingen evenredig zijn aan de ontwikkeling die er plaats vindt op de planlocatie. Binnen de bestemming ‘Recreatie – Dagrecreatie’ worden op de planlocatie een aantal functieaanduidingen opgenomen waardoor uitgesloten wordt dat er ander recreatief gebruik plaats kan vinden dan binnen de functieaanduidingen aangegeven, het betreft hier daarom geen uitgebreide recreatieve bestemming. Daarnaast zijn de waardebepaling inclusief gebruikte bestemmingswaarden overlegd aan een regiomakelaar welke bekend is in gemeente Rucphen. Volgens de makelaar zijn de gebruikte grondwaarde

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 22 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

goed van waarde. In de bijlage 5 van onderhavige toelichting zijn de bevindingen van de regiomakelaar toegevoegd. Voor het borgen van het behoud en onderhoud van de bestaande en nieuwe toegepaste landschapspakketten is op de planlocatie de bestemming ‘Groen – Landschapselement’ toegevoegd. De beoogde ruimtelijke ontwikkeling voldoet hiermee aan de voorwaarde kwaliteitsverbetering van het landschap. 3.3.5

Provinciaal Milieu- Waterplan Noord-Brabant 2016-2021

Het provinciaal Milieu- Waterplan Noord-Brabant 2016-2021 is eind 2015 in werking getreden. De zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving staat centraal in het Provinciaal Milieu- en Waterplan (PMWP). De Agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het Provinciaal Milieuplan 2012-2015 en het Provinciaal Waterplan 2010-2015 gaven hieraan de afgelopen jaren invulling. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 20162021 integreert de milieu- en de wateropgave. Het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. In paragraaf 4.4.4 komt het aspect water aan bod voor de planlocatie. 3.4

Beleid gemeentelijk niveau

3.4.1

Structuurvisie Rucphen 2030

Figuur 9: Uitsnede structuurvisie, structuurvisie Rucphen 2030

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 23 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

De gemeenteraad van Rucphen heeft bij besluit van 11 december 2013 de ‘Structuurvisie Rucphen 2030’ vastgesteld. In de ‘Structuurvisie Rucphen 2030’ geeft de raad zijn visie op de ruimtelijke ontwikkelingen. De visie gaat over de leefruimte van het gehele grondgebied van Rucphen. De structuurvisie is het richtinggevende ruimtelijke relevante afwegingskader. De Structuurvisie bestaat uit twee delen: 1. Deel A, de beleidsvisie, bevat onze voornemens en ambities met betrekking op de toekomstige ruimte van Rucphen. 2. De projecten en de haalbaarheid ervan worden behandeld in deel B: het projectenplan. De visie heeft een looptijd tot 2030. Het projectenplan wordt regelmatig geactualiseerd. Visie - Landelijk gebied In het gevarieerd landelijk gebied van de gemeente Rucphen zijn landbouw, extensieve recreatie en beleefbare natuur de hoofdfuncties. Behoud en versterking van het gevarieerd landschap staat voorop. In figuur 9 is een uitsnede van de visiekaart behorende bij de structuurvisie Rucphen 2030 getoond. De planlocatie ligt in het ‘Agrarisch gebied met recreatief medegebruik, behoud cultuurhistorische landschappelijke en natuurwaarden’.

In dit gebied zijn hoofdzakelijk de uitgangspunten dat er ruimte is voor de agrarische sector inclusief verbrede landbouw, mogelijkheden voor extensieve recreatie, behoud en herstel cultuurhistorische waarden en bebouwing, instandhouding van de bijzondere historisch structuur, behoud van zandpaden, aanleg van ecologisch verbindingen en het versterken van turfvaarten met ruigtestroken. De gemeente Rucphen heeft de Structuurvisie Rucphen 2030 als ruimtelijk instrument opgesteld om te regelen dat ruimtelijke ontwikkeling samen optrekken met kwaliteitsverbetering van de kernen en het buitengebied. Op de locatie Scherpenbergsebaan 53-55 is momenteel een intensieve veehouderij met een nevenactiviteit in de vorm van een speelboerderij aanwezig. De locatie ligt in het agrarisch gebied met recreatief medegebruik. Voor nieuwe ontwikkelingen geldt dat deze moeten passen binnen de koers van de structuurvisie en het beleid voor het bestemmingsplan Buitengebied. Daarnaast zullen nieuwe initiatieven gepaard moeten gaan met kwaliteitsverbetering van het buitengebied. Voor vrijkomende agrarische bebouwing in het buitengebied geldt specifiek beleid van gemeente en provincie. Dit beleid is gericht op mogelijkheden voor in het gebied passende vervolgfuncties, behoud van cultuurhistorische bebouwing en het terugdringen van niet-waardevolle bebouwing die overbodig geworden is.

Het beëindigen van de agrarische activiteiten en het ontwikkelen van een indoorklimbos is een (individuele) nieuwe ontwikkeling in het buitengebied van Rucphen. Individuele ontwikkelingen zijn niet opgenomen in de structuurvisie. Het initiatief is in lijn met de opgenomen visie in de structuurvisie Rucphen 2030 en belemmert de opgenomen ontwikkelingen in de structuurvisie niet. Daarnaast vindt er op de kavel landschappelijke inpassing plaats, wat bijdraagt aan de kwaliteitsverbetering van het buitengebied. 3.4.2

Bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, Geconsolideerde versie

Op de planlocatie is de geconsolideerde versie Bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012 van kracht, geconsolideerd op 17 juli 2018. De geconsolideerde versie omvat tevens een eerste, tweede, derde en vierde herziening van het Bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012. In het bestemmingsplan Buitengebied heeft de locatie de bestemming ’Agrarisch met waarden - Landschappelijk’ met daarbij de functieaanduidingen ‘intensieve veehouderij’ en ‘kinderboerderij’. Over de planlocatie liggen de gebiedsaanduidingen ‘vrijwaringszone-radar’, ‘overige zone – beslotenheid’ en ‘veiligheidszone – munitie – c1’. Aan de rand van het bouwvlak (aan noordelijke zijde) ligt de gebiedsaanduiding ‘overige zone – archeologische verwachtingswaarde – hoog’.

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 24 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

In onderhavig plan worden bovengenoemde gebiedsaanduidingen op de planverbeelding overgenomen en geactualiseerd naar de aanduidingen zoals deze zijn opgenomen in het ontwerp bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2020’. De bestemming ‘Agrarisch met waarden - Landschappelijk’ wordt gewijzigd naar de bestemmingen ‘Recreatie – Dagrecreatie’ en ‘Groen-Landschapselement’. De functieaanduidingen ‘intensieve veehouderij’ en ‘kinderboerderij’ worden verwijderd op de locatie. 3.4.3

Landschapsontwikkelingsplan (LOP)

Het LOP is een plan om sturing te kunnen geven aan komende (voorzienbare) ontwikkelingen in het buitengebied. Tegelijkertijd geeft het een handvat om de wenselijkheid van onvoorzienbare ontwikkelingen te kunnen beoordelen. Het landschapsontwikkelingsplan is een uitwerking van de Structuurvisie Plus, ook dit plan heeft een globaal karakter. De hoofd- en deelkeuzes die de gemeente voorstaat zijn in het plan verwoord en verbeeld. Bij de verdere uitwerking van het landschapsontwikkelingsplan dient steeds onderzocht te worden hoe deze keuzes vertaald kunnen worden naar concrete uitvoering in het veld. Schijfse Vaart Karakteristiek Het landschap rond Schijf, en tussen de Rucphense bossen en het MOB-complex bestaat uit oude, besloten zandontginningen. Opvallend element in dit landschap is de Schijfse Vaart, een oude tufvaart die dateert uit de tijd van de turfwinning. De vaart is een agchaïsch element en niet meer op alle plekken herkenbaar. De waterhuishouding van het gebied is divers, de gebieden langs de bossen zijn infiltratiegebieden, in de lager gelegen delen is het vochtiger omdat het water uit de hoger gelegen delen zich hier verzameld. De landerijen tussen de Rucphense Bossen en de kern Schijf liggen op een hoger gelegen dekzandrug. Daarom zijn de oude landbouwgronden, de bolle akkers waar de bewoners van Schijf van oudsher hun gewassen verbouwden, juist daar te vinden.

De overgang van de bossen naar het relatief open landschap zijn hard en abrupt. In het landschap zijn nog enkele historische lijnen en boskavels terug te vinden, die nog dateren uit de tijd van de ontginning. Het gebied heeft een grotendeels agrarische functie. Er is vooral intensieve veehouderij te vinden, maar ook boomteelt. Verder heeft Schijf een voorzieningenfunctie voor recreanten uit de Rucphense Bossen.

Figuur 10: Deelgebied Schijfse Vaart, LOP

Bestemmingsplan toelichting 170490 | 30-11-2020

Pagina 25 van 61

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Opgaven voor het landschap Het hele deelgebied Schijfse Vaart is in het kader van de Reconstructie aangewezen als extensiveringsgebied. Het grootste gedeelte is extensivering natuur, het westelijke deel dat grenst aan de Rucphense Bossen is aangewezen als extensiveringsgebied voor melkveehouderij. De beoogde ontwikkeling wordt landschappelijk ingepast. In paragraaf 5.4 komt de landschappelijke inpassing aan bod. De planlocatie wordt landschappelijk ingepast, zie het landschapsplan in de bijlagen, hiermee voldoet de beoogde ontwikkeling aan de opgaven voor het landschap uit het LOP. 3.4.4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9672912/1