CConstaterende datRozendaal
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

1.3 Commissievergadering 9 februari 2021, gemeente Rozendaal21.199 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

- In het projectplan staat dat het projectplan een 'levend document' is, maar dit is veranderd in de afspraak dat de raad periodiek via een voortgangsdocument op de hoogte zou worden gehouden. - Voortgangsrapportages die per kwartaal zouden verschijnen, zijn er nooit gekomen. Onhelder is waarom niet. Wel is de raad geïnformeerd via verplichte documenten die ter besluitvorming aan de raad werden voorgelegd (stedenbouwkundig plan en bestemmingsplan in 2012 en 2013) en jaarlijks via de door de raad vast te stellen grex. - In het onderzoek is niet naar voren gekomen dat de raad of het college actief gevraagd heeft naar het nakomen van de afspraken over de periodieke informatievoorziening. Naast een brengplicht voor de (project)organisatie kunnen raad en college gebruik maken van hun haalplicht. Noch aan de haalplicht, noch aan de brengplicht is in voldoende mate invulling gegeven. - De verantwoordelijk portefeuillehouder heeft geregeld mondeling gerapporteerd over de voortgang in de commissie en raad. - Aan de afspraken over de informatievoorziening richting bestuur (stuurgroep) is te weinig actief en te weinig frequent invulling gegeven. Daarmee was gedurende de looptijd van het project 6

onvoldoende zicht op de ontwikkeling van kosten en opbrengsten. De communicatie over meerwerk in relatie tot de opdracht is onvoldoende gecontroleerd. Het college had daarmee onvoldoende grip op het project De Del. Aanbevelingen: - Maak bij complexe en politieke gevoelige projecten besluitenlijsten van vergaderingen en laat de verantwoordelijke opdrachtgever hier kennis van nemen. - Wees alert en kritisch op het nakomen van afspraken over verantwoording en spreek elkaar daarop aan (breng- en haalplicht). - Laat het college onder de verantwoordelijkheid van de gemeentesecretaris per kwartaal een overzicht verstrekken van de voortgang op de belangrijkste opgaven en projecten.

7

Hoofdvragen: oorzaak ontstaan ‘tekort’ en lessen voor de toekomst De hoofdvragen van dit onderzoek waren tweeledig: 1. Hoe is de negatieve bijstelling van € 0,6 miljoen (grex 2020) tot stand gekomen? 2. Welke lessen kunnen hieruit voor de toekomst getrokken worden?

A. Totstandkoming tekort In de grex 202 is de verwachte winst op De Del bijgesteld van € 5,0 miljoen naar € 4,4 miljoen. Voor dit verschil zijn hogere lasten en lagere baten de oorzaak. Deze komen bij vraag 5 nader aan de orde. Opbrengsten Vanaf 2017 zijn de gemeentelijke kavels verkocht. De gegevens van de verkochte kavels en de nog te verkopen kavels zijn consequent in de grondexploitatie verantwoord. In de grondexploitatie van 2018 is een verantwoording opgenomen van de cijfers van 2017. In die rapportage is in de tekst van de grondexploitatie de opbrengst van de verkoop van gemeentelijke kavels in dat jaar opgenomen (€ 1.337.899). Deze opbrengst is niet verwerkt in de financiële administratie, waar uitgegaan is van een onjuiste, hogere opbrengst van € 1.623.860. Het bedrag dat abusievelijk niet was aangepast in de tabel. Het verschil tussen de grex en de cijfers in de administratie is pas bij het opstellen van de jaarrekening 2019 en de grex 2020 aan het licht gekomen. In 2020 is de grex over 2019 pas opgesteld na het opmaken van de jaarrekening 2019. Hierbij is er extra aandacht geschonken aan de aansluiting tussen deze twee documenten geschonken. De noodzaak was er ook gelet op de voortgang van het project en de opbrengsten van de gemeentelijke kavels. In voorgaande jaren was de grex al eerder gereed (op basis van de stand van zaken op dat moment).

Het kon dan voorkomen dat er in de jaarrekening andere cijfers waren opgenomen dan in de grex. De lagere opbrengst vindt ook zijn oorzaak in het feit dat het kadaster aan het begin van dit soort projecten met zeer globale m2 ‘rekent’. Het aantal m2 van een specifieke kavel is pas echt duidelijk bij nameting na overdracht. Overigens is de uiteindelijke opbrengst van de door de gemeente uitgegeven kavels 3% hoger dan waarmee bij de aanvang van het project is gerekend. Kosten Bij de grex van 2020 bleek dat het meerwerk vanaf de start van de uitvoering niet goed verwerkt is in de grondexploitatie. Hierdoor zijn de kosten voor bouw- en woonrijp maken te laag ingeschat. Deze kosten betreffen vooral aanpassingen in het wegprofiel van De Del en verschillende aanpassingen op kavelniveau om de hoogteverschillen in het terrein goed op te kunnen vangen. Daarnaast is bij het opstellen van de grondbalans verondersteld dat bewoners gebruik zouden maken van de afgegraven grond. Bewoners hebben er echter veelal voor gekozen zelf tuingrond aan te laten voeren. Hierdoor heeft het afvoeren van deze grond meer geld gekost dan geraamd. Tot slot heeft een prijsverhoging van de materialen geleid tot meerkosten. Per saldo komen de kosten voor het project ten opzichte van de voorlaatste grex daarmee ruim € 0,3 miljoen hoger uit.

B. Lessen voor de toekomst 1. Professionaliseren van het opdrachtgeverschap Het laten uitvoeren van een woningbouwproject zoals De Del is complex. De financiële omvang, de onvermijdelijke afwijkingen in het bestek tijdens de uitvoering, de vele verschillende belangen. Deze 8

factoren maken dat hier een professionele projectorganisatie voor moet worden ingericht. Met de inhuur van externe expertise is dit ook gebeurd. Uit dit onderzoek is niet gebleken dat er in de feitelijke uitvoering van De Del zaken zijn ‘mis’ gegaan. Wat uit dit onderzoek wel duidelijk is geworden, is dat het zijn van opdrachtgever van een dergelijk complex project bepaalde competenties vraagt. In de organisatie van Rozendaal is weinig relevante ervaring met het uitvoeren en managen van (complexe) projecten. Voor dergelijke projecten worden veelal externen ingehuurd, maar het opdrachtgeverschap blijft een verantwoordelijkheid van de gemeente. De belangrijkste les is dan ook dat een professionalisering van het opdrachtgeverschap nodig is. Dit betekent dat bij complexe of politiek gevoelige projecten een onderscheid moet worden gemaakt tussen een bestuurlijk en een ambtelijk opdrachtgever, en de projectleider. In Rozendaal zal een collegelid bestuurlijk opdrachtgever zijn en de gemeentesecretaris ambtelijk opdrachtgever. De projectleider kan intern of extern zijn. 2. Formaliseren van verantwoordingsafspraken en elkaar daarop aanspreken De kleine Rozendaalse organisatie kent een informele cultuur. Dit is een groot goed, want hierdoor zijn de lijnen kort en bestaat er niet de bureaucratische stroperigheid die grotere (overheids)organisaties vaak kenmerkt.

De keerzijde van een informele cultuur is echter in dit onderzoek ook naar voren gekomen. Zaken worden pragmatisch opgelost. En als dit afwijkt van bestaande afspraken, vindt hier niet altijd de juiste of voldoende verantwoording over plaats. In het onderzoek is gebleken dat er ambtelijk niet altijd voldoende bewustzijn was op het afleggen van verantwoording over afwijkingen van bestaande afspraken en van budgetten. Hierdoor is het bestuur (college en raad) onvoldoende in staat gesteld bij te sturen. De andere kant van de medaille is dat college en raad niet actief gevraagd hebben naar bestaande afspraken en naar verantwoordingsinformatie (de haalplicht). Zowel in de ambtelijke organisatie zelf als vanuit het bestuur zijn medewerkers onvoldoende aangesproken op hun rol en verantwoordelijkheid. Een belangrijke les voor Rozendaal is dan ook dat – met behoud van de informele cultuur – essentiële verantwoordingslijnen moeten worden vastgelegd en dat medewerkers en bestuur elkaar daar meer op mogen aanspreken.

9

1. Is er een projectplan voor De Del opgesteld? De gemeenteraad heeft op 5 juli 2011 het projectplan voor De Del vastgesteld.

2. Zijn in het projectplan (of in andere documenten) de rollen, verantwoordelijkheden en bevoegdheden vastgelegd? En hoe werden deze in de praktijk ingevuld? A. Formele rollen, verantwoordelijkheden en bevoegdheden Schematisch ziet de formele ‘organisatiestructuur’ in het projectplan er als volgt uit: Gemeenteraad

Commissie (blok RO)

Stuurgroep (college van B&W)

Projectleider De Del

Projectgroep De Del

Gemeenteraad De gemeenteraad stelt op voorstel van het college van B&W en na advies van de commissie van advies (blok RO) de kaders voor het project vast. Commissie (blok RO) Binnen het project vervult de commissie haar reguliere rol om de gemeenteraad te adviseren over de voorstellen aangaande het project. Verder is vastgelegd dat de commissie uitgenodigd kan worden voor een informele bijeenkomst. Dit gebeurt wanneer dit uit het procesverloop blijkt, het onderwerp daartoe aanleiding geeft of de projectwethouder behoefte heeft aan advies. Stuurgroep (college van B&W) Het college beoordeelt, in de rol van stuurgroep, de voorstellen van de projectgroep en stelt deze vast voor behandeling in de gemeenteraad en adviseert gevraagd en ongevraagd de projectgroep. Het college ontvangt periodiek (per kwartaal) van de projectgroep rapportages waarin de voortgang is beschreven en verantwoording wordt afgelegd van de verrichte werkzaamheden en gedane uitgaven. 10

Projectgroep De projectgroep heeft als taak alle werkzaamheden te verrichten om te komen tot besluitvorming in de stuurgroep of het college van burgemeester en wethouders. Om deze werkzaamheden goed te kunnen uitvoeren zal aan de projectgroep een budget ter beschikking worden gesteld, waarover regelmatig zal worden gerapporteerd (voortgangsrapportages) aan het college en de gemeenteraad. De projectgroep wordt als volgt samengesteld:  Projectwethouder in de hoedanigheid van voorzitter van de projectgroep en als contactpersoon tussen college en de projectgroep (linking-pin);  Gemeentelijk projectleider;  Clusterhoofd Openbare Werken;  Indien noodzakelijk zullen ad hoc deskundigen aanschuiven. Werkgroep Als daar aanleiding voor is, kan er een werkgroep worden geformeerd om de nader te benoemen specifieke onderwerpen uit te zoeken, waarbij naast de gemeente ook andere betrokken (direct) belanghebbenden zitting hebben. Wat opvalt in het projectplan is dat van de verschillende actoren uit het ‘organisatieschema’ is beschreven wat hun rol is maar dat die rolbeschrijving voor de projectleider ontbreekt. Evenmin is vastgelegd wie voor dit project de bestuurlijk en ambtelijk opdrachtgever zijn. Opvallend is verder dat in het projectplan geen aandacht is voor het bouwteam. In de praktijk is het bouwteam een belangrijke factor in de uitvoering van het project De Del.

Daarom komt deze in de volgende paragraaf aan de orde.

B. Rollen, verantwoordelijkheden en bevoegdheden in de praktijk Het projectplan geeft een papieren werkelijkheid. Deze paragraaf gaat in op de vraag in hoeverre de beschrijving uit het projectplan in de praktijk werd nageleefd. Raad en commissie Getuige alle raadsvoorstellen (waaronder de Grexen) hebben commissie en raad hun rol vervuld zoals deze in het projectplan is vastgelegd. College Het college heeft als stuurgroep haar rol vervuld door alle raadsvoorstellen vast te stellen voor behandeling in commissie en raad. Gemeentesecretaris Hoewel in het oorspronkelijke projectplan geen specifieke rol aan de gemeentesecretaris is toebedeeld, is de secretaris wel eindverantwoordelijk voor alle werkzaamheden en projecten door de gemeentelijke organisatie. De secretaris heeft hier op hoofdlijnen een rol gehad via het zogenaamde ‘RoMa-overleg’. In dit ambtelijke overleg vond afstemming plaats tussen het cluster MA (middelen en automatisering) en het cluster RO (ruimtelijke ontwikkeling) over de ontwikkelingen rondom het project De Del. De secretaris heeft in dit overleg – of anderszins – geen expliciete signalen gehad dat er sprake was van overschrijdingen door meer- of minderwerk. Dit was ook de reden dat de secretaris geen specifieke rol weggelegd voor zichzelf zag, te meer daar alle taken al belegd waren bij verschillende personen (in- en extern) in de projectgroep.

Een ander argument hiervoor was dat verschillende wethouders al bij dit project betrokken zijn (geweest). Dit 11

laatste argument geeft aan dat de grens tussen bestuurlijke en ambtelijke verantwoordelijkheid vloeiend is geweest en daarmee niet helder. In een organisatie als die van Rozendaal is het ook logisch en aan de orde van de dag dat bestuurders soms fungeren als ‘meewerkend voorman’. Het gevaar hiervan is dat de rollen van bestuurder en ambtenaar vervagen, waardoor iedereen aanspreekbaar is en daarmee niemand. Waar het gaat om de budgetbewaking in het project De Del lijkt dit ook het geval te zijn geweest. Afdeling MA De afdeling MA (‘Financiën’) heeft geen actieve rol vervuld in het financiële toezicht op de Del. Intern heeft de financieel medewerker zorgen geuit over de budgetbewaking, maar afgezien van het instellen van het genoemde ‘RoMa-overleg’ heeft Financiën in dit project niet de rol van serieuze gesprekspartner gehad. Bij overleggen met de wethouders en de externe projectleider over financiën is de financieel medewerker niet betrokken geweest. Projectgroep De projectgroep heeft alle college- en raadsvoorstellen voorbereid voor zowel het bestemmingsplan als de achtereenvolgende grexen. De projectgroep was ook verantwoordelijk voor de budgetbewaking. Dit was vooral van belang bij het goedkeuren van meer- of minderwerk. Hier had het bouwteam ook een belangrijke rol in. Bouwteam Meer- en minderwerk werd en wordt in het bouwteam besproken.

Een bouwteam moet als een samenwerkingsverband tussen opdrachtgever en opdrachtnemer worden beschouwd. Bij het project De Del is het gehele civieltechnische werk uitbesteed in een contractvorm, waarbij de afspraak is dat het ‘bouwteam’ niet gedurende het hele project intensief bij elkaar komt. Als er sprake was van een bouwteamvergadering, dan was de samenstelling als volgt:  Opdrachtgever vanuit de gemeente (clusterhoofd OW);  Toezichthouder (ingehuurd door de gemeente);  Uitvoerder en projectleider van de aannemer (geselecteerd op basis van de aanbesteding);  Directievoerder (ingehuurd door de gemeente). Voor de beoordeling van meer- en minderwerk gold hierbij de volgende procedure:  Inbreng vanuit de uitvoerder bij directievoerder en toezichthouder;  Beoordeling op juistheid (check op bestek);  Wanneer gerechtvaardigd: check op eenheidsprijzen en hoeveelheden;  Bespreking (fysiek, per mail of telefonisch) aannemer en gemeentelijk opdrachtgever;  Na akkoord van gemeentelijk opdrachtgever kan aannemer opdracht (laten) uitvoeren. De gemeentelijk opdrachtgever (clusterhoofd OW) is hierbij ook verantwoordelijk voor de informatievoorziening aan de bestuurlijk opdrachtgever en de gemeentelijk projectleider. De laatste informeert op zijn beurt de (externe) planeconoom voor het opstellen van de jaarlijkse herziening van de grex.

Over het algemeen heeft het bouwteam gestructureerd gefunctioneerd. Er zijn echter ook momenten geweest waarbij er directe lijnen waren tussen de gemeentelijk opdrachtgever en de aannemer waarbij technische én financiële zaken werden afgestemd zonder medeweten van de directievoerder en de toezichthouder. Ook vond er soms afstemming plaats tussen de toezichthouder en de gemeentelijk opdrachtgever. Hierdoor was de directievoerder niet altijd in staat om het overzicht te bewaken over de uitvoering. De gemeentelijk opdrachtgever heeft in de ‘waan van de dag’ de gemeentelijk projectleider niet altijd volledig geïnformeerd. Hierdoor zijn de 12

kosten van meer- en minderwerk die buiten het bestek vielen, niet vooraf aan de stuurgroep voorgelegd (wanneer buiten bestek) en zijn deze te laat in de (bijgestelde) grex naar voren gekomen. In z’n algemeenheid kan gesteld worden dat de taakverdeling onvoldoende duidelijk is geweest en dat verschillende personen binnen het project een ander beeld hadden van de rol die zij vervulden. Hierdoor is de communicatie over extra werkzaamheden in relatie tot de opdracht onvoldoende gecontroleerd. Bij de jaarlijkse terugkoppeling aan college en raad in de grondexploitatie is dit onvoldoende en te laat naar voren gekomen.

B. Zijn er afspraken vastgelegd over de informatievoorziening c.q. over voortgangsrapportages en hoe is hier invulling aan gegeven? Afspraak in projectplan In het projectplan is aangegeven dat dit een levend document is, inherent aan de projectmatige werkwijze waarop de locatieontwikkeling wordt opgepakt. Om te voorkomen dat het projectplan telkens moet worden herzien is voorgesteld de gemeenteraad met een voortgangsdocument periodiek op de hoogte te houden van de voortgang en de laatste ontwikkelingen van het project. Invulling van de afspraak (richting raad)  Informatievoorziening aan de raad is gestart met het aanbieden van het projectplan welke is vastgesteld op 5 juli 2011;  Begin 2012 is het stedenbouwkundig plan en het bestemmingsplan door de raad vastgesteld;  Op 17 december 2013 is door de raad een aangepast stedenbouwkundig plan vastgesteld;  In mei 2013 is de eerste grex voor De Del door de raad vastgesteld;  Op 18 februari 2014 heeft de raad de tweede grex vastgesteld;  Op 28 oktober 2014 heeft de raad het herziene bestemmingsplan voor De Del vastgesteld (door de uitspraak Raad van State van 11 november 2015 vanaf dat moment onherroepelijk). In dat voorstel wordt verwezen naar de vastgestelde grex van 18 februari 2014, maar is niet aangegeven dat vaststelling van het bestemmingsplan consequenties heeft voor de grex.

Onderdeel van de herziening is evenwel een andere inrichting van de rondweg in het plan (waarschijnlijk was dit van invloed op het oorspronkelijke ontwerp qua kavelindeling);  Naast de grexen van 2013 en 2014 zijn ook de grexen van 2015 t/m 2020 jaarlijks door de raad vastgesteld. Daarnaast is de raad ook via de commissie (schriftelijk dan wel mondeling) op de hoogte gesteld van de ontwikkelingen rondom De Del, met name in het proces van vaststellen eerste en herziene bestemmingsplan. Informatievoorziening aan stuurgroep (college) De informatievoorziening aan de stuurgroep heeft voornamelijk plaatsgevonden via de grexen, waarin ook de afwijkingen ten opzichte van de voorafgaande grex was opgenomen. In het onderzoek is niet duidelijk geworden waardoor de stuurgroep (het college) niet conform het oorspronkelijke projectplan per kwartaal is geïnformeerd over de voortgang van het project. Vanaf het begin van het project is dit verschoven naar de jaarlijkse grex. Informatievoorziening ambtelijk Vanuit financiën zijn overzichten verstrekt van werkelijk geregistreerde kosten en opbrengsten aan de gemeentelijke projectleider voor het laten opstellen van de grex door BBN. Daarnaast vond er informatie-uitwisseling plaats in bouwteamvergaderingen tussen de gemeentelijke projectleider, de toezichthouder, de aannemer en de gemeentelijke opdrachtgever (clusterhoofd OW). In de 13

bouwvergadering werd de voortgang van het project besproken en werden afspraken vastgelegd in verslagen inclusief actielijst.

C. Op welke wijze kunnen de betreffende functionarissen hun bevoegdheden, zoals budgetbewaking, uitoefenen? Voor stuurgroep, commissie en gemeenteraad geldt dat deze volgens de gebruikelijke college- en raadsvoorstellen en vragen daarover, in ieder geval jaarlijks, in staat zijn gesteld om kennis te nemen van de ontwikkelingen binnen het project en al dan niet akkoord te gaan met de voorgestelde aanpassingen op het project. De bewaking van inhoud en budget is de verantwoordelijkheid van de projectleider en directievoerder. In de periodieke bouwvergadering vindt hierbij de afstemming met de relevante actoren plaats. In ieder geval jaarlijks maar ook ad hoc en op aanvraag worden vanuit financiën overzichten verstrekt om het budget te kunnen bewaken en de grexen te kunnen opstellen.

D. Hoe ziet de ontwikkeling van kosten en opbrengsten er vanaf de start van het project tot en met de laatste herziening uit? Uit de eerste vastgestelde grex van 2013 kan afgeleid worden dat het netto verwachte resultaat bij aanvang van het project (2012) afgerond € 5,06 miljoen bedroeg. De laatst herziene grex van 2020 laat een verwacht nettoresultaat zien van € 4,43 miljoen. Per saldo een lagere verwachte opbrengst over alle jaren van € 0,63 miljoen. Verloop in kosten Civiel Plankosten Overig Totaal

2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2.176.771 2.173.000 2.171.000 2.471.000 2.378.000 2.453.000 2.521.850 2.868.991 580.280 906.120 1.011.120 920.668 920.668 920.571 920.571 920.571 1.226.875 1.326.875 1.326.875 1.468.121 1.647.989 1.722.989 1.722.989 1.722.989 3.983.926 4.405.995 4.508.995 4.859.789 4.946.657 5.096.560 5.165.410 5.512.551

tov 2013 132% 159% 140% 138%

Ten opzichte van de oorspronkelijke exploitatieopzet (grex 2013) vallen de totale kosten zo’n € 1,5 miljoen (38%) hoger uit. De hogere civiele kosten (bouw- en woonrijp maken) zijn 32% hoger dan oorspronkelijk. De plankosten vanwege het opstellen van diverse rapportages en de afhandeling van procedures voor het bestemmingsplan vallen zo’n 60% hoger uit. Tot slot bedragen de overige kosten 40% meer, onder meer door opruiming explosieven. Verloop in opbrengsten Kavels gem Overig Totaal

2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 5.433.207 5.699.388 5.854.974 5.854.974 5.854.974 5.854.974 5.923.824 5.616.521 4.096.880 4.096.880 4.096.880 4.096.880 4.313.880 4.327.382 4.327.382 4.327.382 9.530.087 9.796.268 9.951.854 9.951.854 10.168.854 10.182.356 10.251.206 9.943.903

tov 2013 103% 106% 104%

Voor wat betreft de verkoop van de kavels heeft zich feitelijk alleen een verschil voorgedaan bij de opbrengsten van de uitgeefbare m2 door de gemeente. Bij aanvang van het project (grex 2013) was de verwachte opbrengst hiervoor € 5,43 miljoen (13.415 m2). Op basis van de laatste Grex (2020) bedraagt de verwachte opbrengst € 5,62 miljoen (13.868 m2). In de tussenliggende jaren zijn een 14

aantal proefverkavelingen opgesteld (o.a. naar aanleiding va een aangepast stedenbouwkundig plan). Op basis hiervan is het aantal uit te geven m2 ten opzichte van 2013 een aantal malen bijgesteld. Onder de overige opbrengsten is vanaf 2017 een bijdrage voor het opruimen van explosieven opgenomen. In bijlage 3 zijn de volgende (meer uitgebreide) tabellen opgenomen:  verloop van de verschillen de kosten- en opbrengstsoorten;  verloop van de uitgeefbare m2 door de gemeente;  op hoofdlijn een verklaring van de verschillen van jaar op jaar.

E. Welke procesafspraken gelden voor het goedkeuren van meer- en minderwerk? a. Hoe vindt de afwikkeling van meer- en minderwerk in de praktijk plaats? b. Wat was de oorspronkelijke aanneemsom en wat zijn de uiteindelijke meerkosten en waar bestaan deze uit? Afwikkeling van meer- en minderwerk Meer- en minderwerk werd aangedragen door aannemer en/of toezichthouder, dit werd aan het bouwteam voorgelegd. Het bouwteam besprak dit in de bouwvergadering qua uitvoering (voorbeeld: een trottoir dat iets verder door zou gaan lopen dan op tekening aangegeven). Als het bouwteam in kon stemmen met het meerwerk qua uitvoering, dan kreeg de aannemer opdracht om hier een financieel overzicht van te maken. Het besluit om in te stemmen met het meerwerk werd dan later mede op basis van de financiën gedaan. Dit kon zijn in de volgende bouwteamvergadering, maar ook schriftelijk tussendoor. Van belang was dat de projectleider van de aannemer de directievoerder aangaf of dit paste binnen het bestek en binnen de begroting. Op het moment dat duidelijk was dat werkzaamheden nodig waren die buiten het bestek vielen, is de raming hierop aangepast. Dit is bijvoorbeeld gebeurd bij het weghalen van de aangetroffen niet-gesprongen explosieven bij het bouwrijp maken. Nadien zijn er uit het bouwteam geen signalen meer gekomen dat er een overschrijding van het bestek zou ontstaan door meerwerk.

Om die reden zijn de ramingen in de grondexploitatie niet aangepast. Meer- en minderwerk werd en wordt in het bouwteam besproken. Overigens moet hier gesteld worden dat in gangbare termen een bouwteam als samenwerkingsverband tussen opdrachtgever en opdrachtnemer moet worden beschouwd. Bij het project De Del is het gehele civieltechnische werk uitbesteed in een RAW-contract waarvoor dan de ‘traditionele’ manier van werken geldt. Dat betekent ook dat het ‘bouwteam’ niet gedurende het hele project intensief bij elkaar is geweest. Uiteindelijke meerkosten ten opzichte van de oorspronkelijke bouwsom In de opstelling van de grex is de aanneemsom niet als zodanig 1 op 1 opgenomen. Voor de beantwoording van deze vraag baseren we ons op de post ‘subtotaal Civiel/ bouwrijp/ woonrijp’ zoals deze in bijlage 3 is opgenomen. In de eerste grex van 2013 was voor deze post een bedrag opgenomen van € 2,18 miljoen. In de laatste herziene grex van 2020 bedraagt deze post € 2,87 miljoen. Het verschil van € 0,69 miljoen kan op hoofdlijnen als volgt worden verklaard:  Aanpassing riool inclusief bijstelling onvoorzien (grex 2016) - € 300.000  Positieve bijstelling post onvoorzien (grex 17/19/20) € 75.000  Prijsstijging door vertraging (grex 2018) - € 75.000 15

Aanpassing wegprofiel, aanpassing kavelniveau, gronddepot, prijsstijgingen (grex 2020, betreft ook correctie op administratieve verwerking van eerder meer- en minderwerk) totaal

- € 390.000 - € 690.000

Voor de goede orde: het gaat hierbij om een vergelijking van de laatste grex (2020) ten opzichte van de ‘oorspronkelijke aanneemsom’ aan het begin van het project. Volgens een inschatting van de gemeentelijk opdrachtgever hadden er geen meerwerkkosten aan kaveleigenaren kunnen worden toegerekend.

F. Hoe is de berekening van de uitgeefbare m2 van start project tot en met laatste herziening GREX opgesteld? De basis hiervoor is gelegd in de samenwerkingsovereenkomst die op 26 oktober 2011 tussen de gemeente en Credo is gesloten. Op grond van deze overeenkomst is op 5 september 2012 en 28 oktober 2014 een heronderhandelingsovereenkomst gesloten. In de bijlage van deze overeenkomst is een kaart opgenomen (zie bijlage 1) waarin op basis van het stedenbouwkundig plan een onderverdeling is gemaakt in openbare ruimte en uitgeefbare ruimte. Deze basisinformatie is hierna steeds verder verfijnd waarbij het eerste civieltechnisch ontwerp (bouw- en woonrijp maken) als basis diende. Om de kadastrale kosten te minimaliseren is voor de vaste kavels gebruik gemaakt van de Splitsapplicatie van het kadaster om de voorlopige kadastrale grenzen te bepalen. Omdat de uitgeefbare oppervlaktes op dat moment afweken, is er een controlemeeting uitgevoerd om na te gaan of het civieltechnisch ontwerp overeenkwam met de situatie buiten. Uit deze controle bleek dat deze twee overeenkwamen en daarmee een voldoende basis boden voor het project en de overeenkomst. Uit bijlage 1 (oorspronkelijke overzichtskaart) kan de volgende vertaling in m2 worden afgeleid:

Kamer 1 Kamer 2 Kamer 3 Openbaar (o.a. groen/ wegen)

aantal m2 8.951 12.410 8.899 13.649 totaal 43.909

in % 20% 28% 20% 31% 100%

Uit de eerste grex (2013) kan de volgende verdeling van de kavels worden afgeleid:

Kamer 1 Kamer 2 Kamer 3 totaal

16

Credo Gemeente 22 3 21 22 44 24

Totaal 25 21 22 68

Verder kan van de m2-prijs in de grex 2013 (€ 405 excl. btw) worden afgeleid dat het totaal aantal door de gemeente uit te geven m2 op dat moment 13.415 bedroeg1. In de bijlage bij die grex wordt voor kamer 1 uitgegaan van 2.049 m2 en voor kamer 2 van 11.842 m2 waarvan 160 m2 voor achterpaden is bestemd. Per saldo komt het aantal uit geven m2 volgens deze bijlage uit op 13.731, in de grex is echter nog uitgegaan 13.415 m2. In de volgende grex van 2014 dit aantal is bijgesteld naar 14.073 m2. Op basis van de opeenvolgden grexen (opbrengst uitgifte gemeentelijke kavels/ € 405 excl. btw) ziet het aantal uit te geven m2 er als volgt uit: aantal m2 verschil 2013 13.415 2014 14.073 657 2015 14.457 384 2016 14.457 0 2017 14.457 0 2018 14.457 0 2019 14.627 170 2020 13.868 -759 In zowel de grex van 2014 als 2015 is het aantal m2 naar boven bijgesteld. Aanleiding hiervoor zijn opgestelde proefverkavelingen op basis van het aangepaste stedenbouwkundig plan. In 2019 is nogmaals een nameting gedaan, waaruit bleek dat er 170 m2 uitgeefbaar terrein voor de gemeente beschikbaar was. Bij de laatste herziening van de grex in 2020 was er nog 1 kavel uit te geven. Het aantal m2 daarvan bleek niet overeen te stemmen met de verwachte opbrengst van de cijfermatige opstelling. Dit leidt tot een nadeel van afgerond € 0,3 miljoen.

Uit nadere bestudering van de voorgaande grexen blijkt in de grex van 2018 (op basis van cijfers van 2017) een discrepantie tussen de cijfermatige tabel en de tekstuele toelichting die niet is opgemerkt. Voor de opeenvolgende grexen is evenwel van die cijfermatige opstelling uitgegaan waardoor de lagere te verwachte opbrengst pas aan het einde van het project in beeld kwam. Over het geheel van het project genomen wijkt het aantal uit te geven m2 niet veel af van het oorspronkelijke schetsplan (3,4% meer).

G. Wat is de rol van de accountant bij de controle op de Grondexploitatie? De controle van de accountant op de grondexploitatie projecten bestaat uit de volgende 3 onderdelen: a. een beoordeling van de inrichting van de organisatie rondom de grondexploitatie; b. een detailcontrole op de gerealiseerde baten en lasten; c. een beoordeling van de verwachte baten en lasten. A beoordeling organisatie De rollen in het proces grondexploitatie zijn als volgt verdeeld:

1 In de grexen wordt geen verslag gedaan van het aantal uitgegeven m2. In dit rapport zijn de genoemde m2

daarom afgeleid van de geraamde opbrengst/m2-prijs (deze is tijdens het project niet aangepast).

17

 

een planeconoom2 die de prognoses opstelt; de projectleider die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het project.

De planeconoom stelt jaarlijks de prognose op voor de toekomstige baten en lasten van het project, rekening houdend met de gerealiseerde baten en lasten en rekening houdend met de toekomstige ontwikkelingen van prijzen. De gehanteerde indexering wordt voor akkoord voorgelegd aan het college. De projectleider autoriseert het geactualiseerde totaalbeeld (financieel). Bij dit project heeft BBN (het extern bureau dat jaarlijks de grex opstelt) feitelijk de rol van planeconoom en binnen het cluster OW is de rol van projectleider belegd. Met het voorstel om de grex vast te stellen gaf de projectleider feitelijk akkoord voor de juistheid en de volledigheid van de te verwachten baten en laste van De Del B detailcontrole op de gerealiseerde baten en lasten Vanaf boekjaar 2016 toetst de huidige accountant jaarlijks de werkelijk gerealiseerde baten en lasten in de jaarrekening die betrekking hebben op de grex aan de hand van de ontvangen inkoop- en verkoopfacturen en de onderliggende documenten (notariële akten en bewijs van geleverde goederen/diensten). De belangrijke vraag daarbij is: heeft dit terecht betrekking op het project? Hierin heeft de accountant in de afgelopen jaren geen fouten ontdekt.

C beoordeling verwachte baten en lasten De beoordeling van de verwachte baten en lasten is uitgevoerd door een beoordeling te maken van de totale lasten en baten van enig jaar ten opzichte van het voorafgaande jaar, afgezet tegen de gemaakte kosten en opbrengsten. De vraag is of hier vreemde afwijkingen in zitten en of deze te verklaren zijn. Voor deze grex stelt BBN de verwachte baten en lasten op. BBN doet dit op basis van de informatie die zij ontvangen vanuit de gemeentelijke organisatie. Door de accountant is niet getoetst welke informatie precies is verstrekt. Deze onderlinge informatie-uitwisseling valt in principe ook buiten het controlebereik omdat deze geen deel uitmaakt van de controle op de baten en lasten in de jaarrekening. In het geval van Rozendaal en deze grex beoordeelt de accountant wel de deskundigheid van BBN (als planeconoom) door de volgende vragen te stellen: Is BBN een gerenommeerd bureau? Is BBN voldoende deskundig? Op basis van de informatie op de website van BBH heeft de accountant beoordeeld dat BBN voldoende deskundigheid heeft om een deugdelijke grex op te stellen. Bevestiging bij de jaarrekening Bij de afsluiting van de totale controle van de jaarrekening vraagt de accountant een bevestiging van het college en de gemeentesecretaris op.

Hierin vraagt de accountant hen expliciet te bevestigen dat zij alle relevante informatie hebben opgeleverd tijdens de controle. Aan de huidige accountant is sinds 2016 (start contract) geen informatie verstrekt dat de ruimtelijke indeling van het project is gewijzigd.

2 Een planeconoom houdt zich bezig met het financiële beheer en de control van plannen voor ruimtelijke

en/of vastgoedontwikkeling. De planeconoom adviseert onder andere over grondexploitaties- en beleid, risicobeheersing en haalbaarheid van projecten. Hiervoor maakt de planeconoom berekeningen en stelt haalbaarheidsstudies op.

18

H. Naar aanleiding van actualiteit: hoe worden de afspraken met betrekking tot de Steenhoek bewaakt? Actualiteit (Steenhoek) Zoals in de inleiding gesteld is de bedoeling van het onderzoek vooral gericht op het trekken van lessen voor de toekomst. Hoewel relatief grote projecten zoals De Del en de school niet op de korte termijn te verwachten zijn, kunnen deze lessen ook betrekking hebben op reguliere exploitatiebudgetten en lopende andere projecten. Actueel in dit kader is de ontwikkeling van de Steenhoek. Dit terrein wordt niet door de gemeente zelf ontwikkeld, maar is op basis van een aanbesteding gegund aan een ontwikkelaar. In die aanbesteding is opgenomen dat de zogenaamde openbare planvoorzieningen door de ontwikkelaar worden gerealiseerd en ‘om niet’ aan de gemeente worden overgedragen. In dat kader zijn de volgende vragen relevant: a. Is voldoende duidelijk wat de plichten voor de ontwikkelaar zijn bij deze overeenkomst? Als bijlage bij de overeenkomst is een programma van eisen opgenomen waaraan voldaan moet worden. b. Wie is ambtelijk opdrachtgever voor deze overeenkomst? Er is geen ambtelijk opdrachtgever. De overeenkomst is in overleg met Vangoud advocaten opgesteld en hierna ondertekend. c.

Wie ziet erop toe dat ontwikkelaar de afspraken tegen voldoende kwaliteit nakomt en aan wie rapporteert deze persoon? De controle vindt plaats door het clusterhoofd Openbare Werken. d. Welke waarborgen zijn ingebouwd dat de ontwikkelaar de afspraken nakomt? De koper is verplicht om op haar kosten het terrein bouw- en woonrijp te maken overeenkomstig het standaard civieltechnisch programma dat bij de overeenkomst is gevoegd. Bij niet-nakoming van de overeenkomst is koper aansprakelijk voor alle daaruit voor de gemeente ontstane kosten (art. 19 overeenkomst). e. Wat zijn eventuele risico’s bij deze overeenkomst en hoe kunnen deze worden beheerst? Risico’s liggen in het niet onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning of het niet realiseren van de gewenste kwaliteit van de openbare ruimte. Hiervoor is een bepaling in de overeenkomst opgenomen (art. 20.3) waarin staat dat partijen geen recht ontlenen aan de overeenkomst met betrekking tot vergoeding van de kosten en schade in welke vorm en hoe dan ook. Bij ontbinding wordt geen rente en/of leges vergoed. Voor het realiseren van de gewenste kwaliteit is het noodzakelijk dat er bij het bouw- en woonrijp maken afdoende toezicht wordt gehouden door de gemeente. Deze taak is belegd bij de afdeling RO.

19

1 7e: Bijlage 1 Oorspronkelijke opzet plan.

Bijlage 1 Oorspronkelijke opzet plan

1 7f: Bijlage 2 Oorspronkelijk projectplan De Del (relevante passages)

Bijlage 2 Projectplan De Del (alleen relevante passages)

1 7j: Bijlage 6 Chronologisch overzicht besluitvorming.docx

Bijlage 6 Chronologisch overzicht besluitvorming De Del (op hoofdlijnen)     

 

5 juli 2011: Projectplan de Del versie 2.2 van 23 juni 2011 door Raad vastgesteld Jan/feb 2012: stedenbouwkundig plan en bestemmingsplan vastgesteld 28 augustus 2013: vernietiging bestemmingsplan De Del door Raad van State 17 december 2013: aangepast stedenbouwkundig plan door Raad vastgesteld 28 oktober 2014: (herzien)bestemmingsplan De Del door Raad vastgesteld. Voor wat betreft de Grex wordt in dat voorstel verwezen naar de (door de raad) vastgestelde grex van 18 februari 2014, verder is in het voorstel niet aangegeven dat vaststelling van het bestemmingsplan consequenties heeft voor de Grex (onderdeel van het voorstel bestemmingsplan is ook de bestaande weg de Del opnieuw in te richten, mogelijk heeft/had dit invloed op het oorspronkelijk ontwerp qua kavels) 11 november 2015: Raad van State verklaart ingestelde beroepen tegen bestemmingsplan ongegrond (daarmee bestemmingsplan onherroepelijk vastgesteld) Grexen 2013 t/m 2020 allen vastgesteld in de raad

Uit bovenstaande beslispunten zou vastgesteld moeten kunnen worden wat het oorspronkelijke plan was en wat het nu uiteindelijk is op basis van alle wijzigingen. Opgestapeld gaat het al snel om een strekkende meter aan dossiers. Deze zijn niet uitputtend nagegaan op afwijkingen ten opzichte van vorige rapportages, dit zou te arbeidsintensief worden.

1 9a: Raadsvoorstel Regionaal Programma Werklocaties (RPW)

Raadsvoorstel

Onderwerp Regionaal Programma Werklocaties 2021 – 2024 Contactpersoon Programma Portefeuillehouder

: H. Jacobsen : 2 Verkeer en vervoer : M. Albricht

Datum B&W Datum Raad Openbaar

: 5 januari 2021 : 9 februari 2021 : ja

Aan de Raad Aanleiding Het Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen (vanaf nu: RPW) dat sinds 2017 de kaders vormt voor het regionaal beleid ten aanzien van bedrijventerreinen, kantoren en perifere detailhandel, is toe aan een actualisatie voor de periode 2021 tot en met 2024. Voor de onderdelen Bedrijventerreinen, Kantoren en Perifere Detailhandelsbedrijven is de afgelopen periode een uitvoerige analyse gemaakt van vraag en aanbod. Deze rapportages zijn inclusief het advies over de Monitoring Regionaal Programma Werklocaties in 2020 aan uw raad voorgelegd. Uw raad heeft ingestemd met de beleidsaanpassingen in het RPW door de toetsingskaders voor bedrijfskavels voor XXL-logistiek (inclusief de randvoorwaarden voor de vestiging van de zgn. witte raaf) vast te stellen, te stoppen met de schrapopgave voor bedrijventerreinen en het Regionaal Programma Werklocaties te herzien in 2020. Het herziene RPW 2021-2024 ligt nu voor. Gevraagde beslissing 1. In te stemmen met het RPW 2021-2024; meer in het bijzonder met: - De verdeling van de ontwikkelruimte voor bedrijventerreinen: - De verdeling van de ontwikkelruimte voor regionale bedrijventerreinen; - De verdeling van de ontwikkelruimte voor XXL-logistiek: 2.

De afspraken om te komen tot een duurzame ruimtelijke invulling van de werklocaties in de regio Arnhem-Nijmegen in het kader van de Groene Metropoolregio (pagina 10 e.v. RPW 2021-2024); 3. Het RPW 2021-2024 medio 2022 te monitoren. Wat willen we bereiken? Doel is om het Regionaal Programma Werklocaties 2021-2024 met de voorgestane beleidsaanpassingen aan u voor te leggen en u te vragen hiermee in te stemmen en dit schriftelijk aan de voorzitter van het Portefeuillehouders Overleg Economie kenbaar te maken. Argumenten Beoogde impact Doel is om het Regionaal Programma Werklocaties 2021-2024 met de voorgestane beleidsaanpassingen aan u voor te leggen en u te vragen hiermee in te stemmen en dit schriftelijk aan de voorzitter van het Portefeuillehouders Overleg Economie kenbaar te maken. De marktsituatie is voor het onderdeel bedrijventerreinen veranderd Aanzienlijke uitgifte op bedrijventerreinen in de periode 2016 tot en met 2019 heeft ertoe geleid dat het overaanbod is teruggedrongen en er zicht is op nieuwe ontwikkelruimte in de periode tot 2030. Gemeenteraad – 9 februari 2021

Pagina 1 van 5

Raadsvoorstel

Vooral de nieuwe ontwikkelruimte bij bedrijventerreinen, met bijbehorende verdeling per werkmilieu is hierbij van grote betekenis. Er is met name ontwikkelruimte voor XXL-logistiek. Voor de omvang en de verdeling van de ontwikkelruimte bedrijventerreinen is aangesloten bij de eerder door de regio gemaakte keuze voor het midden scenario economische groei en waarop ook de vraag- en aanbodcijfers zijn gebaseerd. Flexibiliteit is belangrijk bij de verdeling van de ontwikkelruimte. Ontwikkelruimte regionale bedrijventerreinen De ontwikkelruimte voor regionale bedrijventerreinen wordt vrijgegeven op basis van tranches. Deze ontwikkelruimte heeft betrekking op het regionale deel van het klassiek-gemengd werkmilieu, reguliere logistiek, (maak)industrie en agrifood. Het uitgangspunt is om in eerste instantie in 2021 50% van de ontwikkelruimte open te stellen. Hiervan kan op basis van geschiktheid plannen en maatwerk worden afgeweken tot een maximum van 70% van de totale ontwikkelruimte. De 2e tranche in 2022 op basis van de uitkomst van tussentijdse monitoring. Ontwikkelruimte XXL-logistiek Binnen het werkmilieu XXL-logistiek is de ruimtevraag het grootst. De ontwikkelruimte voor XXLlogistiek bedraagt in totaal 42 hectare (peildatum 1 mei 2020). Van deze ontwikkelruimte wordt 32,5 ha toegewezen aan de logistieke knooppunten XXL, zijnde Knooppunt Nijmegen en Knooppunt EMZ.

Ook bij XXL-logistiek is het niet wenselijk om alle ruimte in 1 keer op de markt te brengen. Bij de monitoring medio 2022 zal worden beoordeeld hoe om te gaan met het resterend aantal hectaren en/of hier wijzigingen op moeten worden doorgevoerd (als gevolg van marktomstandigheden of anderszins). De ontwikkelruimte XXL-logistiek is in 2021 als volgt verdeeld: Gemeente Nijmegen: 12,5 ha netto ontwikkelruimte voor uitbreiding van de Grift, deelgebied Noord Gemeente Montferland: 20 ha netto ontwikkelruimte voor uitbreiding van DocksNLD op locatie C Ook hier geldt (in verband met flexibiliteit, terreinafbakening, plankwaliteit, maatwerk, marktsituatie, financiële uitvoerbaarheid) een maximale afwijking naar boven van 20%. Verder moet worden voldaan aan de eisen welke zijn gesteld in de notitie “Uitgangspunten XXL-logistiek” (d.d. 31 maart 2020) waarmee al eerder door de meeste gemeenten is ingestemd, maar in Rozendaal niet aan de orde is gesteld omdat wij geen bedrijventerreinen bezitten. Over de resterende 10 ha XXL-logistiek worden op basis van de monitoring in 2022 nadere afspraken gemaakt. Over de gehele regio gezien is er sprake van over-programmering PDV Ook voor het onderdeel perifere detailhandel blijven de kwantitatieve conclusies uit het RPW 2017 overeind, dit betekent dat de regionale afspraken voor Perifere Detailhandel worden gecontinueerd.

Daarnaast is in het RPW 2021-2024 het regionaal beleid voor de reguliere detailhandel (voorheen het Regionaal Programma Detailhandel; RPD 2013) met perifere detailhandel geïntegreerd in het hoofdstuk Detailhandel. Een uitgebalanceerde economische ontwikkeling van werklocaties van belang is met aandacht voor landschap, duurzaamheid en leef kwaliteit Met de regionale visie “Arnhem-Nijmegen, Groene metropoolregio” is het speelveld veranderd. Van belang is een uitgebalanceerde economische ontwikkeling, met daarin ruimte voor landschap, duurzaamheid en een ontspannen leef kwaliteit. In het nieuwe RPW wordt hierop aangesloten. Vanuit deze visie wordt gewerkt aan een duurzame ruimtelijke invulling van de regio, waarin Pagina 2 van 5

Raadsvoorstel

verschillende functies op de daarvoor meest geschikte locatie ingevuld worden. In dit RPW zijn per onderdeel, te weten bedrijventerreinen, kantoorlocaties en detailhandelsgebieden, afspraken gemaakt om te komen tot een duurzame ruimtelijke invulling van de regio Arnhem-Nijmegen. Zie hiervoor pagina 10 en volgende van het RPW 2021-2024. Monitoring medio 2022 maakt het mogelijk tijdig bij te sturen Tijdige monitoring maakt het mogelijk om in te kunnen spelen op nieuwe ontwikkelingen in de markt zodat bij gestuurd kan worden wanneer de economische situatie verandert. Dan kan ook beoordeeld worden of de ontwikkelruimte voor de 2e tranche regionale bedrijventerreinen en de resterende 10 ha XXL-logistiek kan worden vrijgegeven. Per 1 juli 2022 zal de eerste monitoring starten. Het overaanbod voor kantoren is kleiner, maar er is nog steeds overaanbod Voor kantoren is het overaanbod weliswaar teruggedrongen, maar nog steeds aanwezig. Op de centraal stationslocaties wordt, net als in het RPW 2017, nog steeds een tekort geconstateerd. Dit betekent dat het regionale beleid voor kantoren gecontinueerd wordt. Kantoorontwikkelingen op potentiele (her)ontwikkelingslocaties rondom het centraal station in Arnhem en Nijmegen worden gestimuleerd.

Daarnaast worden naast de twee Centraal Stationslocaties, de stations Arnhem Velperpoort, Arnhem Zuid, Elst Centraal, Heijendaal en Nijmegen Lent als potentiële overlooplocaties aangewezen indien rondom Nijmegen Centraal en Arnhem Centraal onvoldoende kantoorruimte gerealiseerd kan worden. Over de gehele regio gezien is er sprake van over-programmering PDV Ook voor het onderdeel perifere detailhandel blijven de kwantitatieve conclusies uit het RPW 2017 overeind, dit betekent dat de regionale afspraken voor Perifere Detailhandel worden gecontinueerd. Daarnaast is in het RPW 2021-2024 het regionaal beleid voor de reguliere detailhandel (voorheen het Regionaal Programma Detailhandel; RPD 2013) met perifere detailhandel geïntegreerd in het hoofdstuk Detailhandel. Een uitgebalanceerde economische ontwikkeling van werklocaties van belang is met aandacht voor landschap, duurzaamheid en leef kwaliteit Met de regionale visie “Arnhem-Nijmegen, Groene metropoolregio” is het speelveld veranderd. Van belang is een uitgebalanceerde economische ontwikkeling, met daarin ruimte voor landschap, duurzaamheid en een ontspannen leef kwaliteit. In het nieuwe RPW wordt hierop aangesloten. Vanuit deze visie wordt gewerkt aan een duurzame ruimtelijke invulling van de regio, waarin verschillende functies op de daarvoor meest geschikte locatie ingevuld worden.

In dit RPW zijn per onderdeel, te weten bedrijventerreinen, kantoorlocaties en detailhandelsgebieden, afspraken gemaakt om te komen tot een duurzame ruimtelijke invulling van de regio Arnhem-Nijmegen. Zie hiervoor pagina 10 en volgende van het RPW 2021-2024. Monitoring medio 2022 maakt het mogelijk tijdig bij te sturen Tijdige monitoring maakt het mogelijk om in te kunnen spelen op nieuwe ontwikkelingen in de markt zodat bij gestuurd kan worden wanneer de economische situatie verandert. Dan kan ook beoordeeld worden of de ontwikkelruimte voor de 2e tranche regionale bedrijventerreinen en de resterende 10 ha XXL-logistiek kan worden vrijgegeven. Per 1 juli 2022 zal de eerste monitoring starten. Kanttekeningen Er is een risico dat niet alle 18 gemeenten (volledig) instemmen met het RPW 2021-2024 Pagina 3 van 5

Raadsvoorstel

Het Portefeuillehouders Overleg Economie heeft de totstandkoming van het RPW begeleid. De 18 gemeenten in de regio Arnhem-Nijmegen en de Provincie Gelderland maken deel uit van dit overleg. Het Portefeuillehouders overleg Economie heeft op 2 december 2020 ingestemd om het RPW 20212024 via de colleges voor besluitvorming aan de gemeenteraden aan te bieden. Er is een klein risico dat de enkele raden van de 18 regiogemeenten niet of op onderdelen niet instemmen met het RPW 2021-2024. Indien echter meer dan 50 % van de gemeenteraden instemt, zal het college van Gedeputeerde Staten van Gelderland, het RPW 2021-2024 als ruimtelijk toetsingskader overnemen en vaststellen. De verdeling van de ontwikkelruimte voor bedrijventerreinen is maatwerk In zijn algemeenheid kan worden opgemerkt, dat de toe te kennen ontwikkelruimte in de praktijk vaak onderdeel wordt van een integraal ruimtelijk plan (totaal plangebied, aanvullend programma/functie, infra, openbare ruimte, integrale financiële uitvoerbaarheid, etc. ). Dit betekent dat bij de definitieve invulling er steeds ruimte (flexibiliteit) moet zijn om de specifieke situatie in deze context te kunnen beoordelen. Wat gaan we daarvoor doen? Het RPW bevat de keuzes die de gemeenten in de regio Arnhem-Nijmegen maken voor het in balans brengen van vraag en aanbod naar werklocaties, inclusief afspraken over monitoring, evaluatie en herijking.

Het RPW 2021-2024 is (met de onderliggende adviezen van Ecorys en Posad Maxwan en de reactienota d.d. 20 november 2020) op 2 december 2020 in het Portefeuillehouders Overleg Economie besproken. Het PFO Economie heeft ingestemd met de voorstellen voor de verdeling van de ontwikkelruimte voor bedrijventerreinen, met de monitoring van het RPW medio 2022 en met het voorstel om het RPW 2021-2024 via de colleges aan de raden voor besluitvorming aan te bieden. Na besluitvorming in de colleges en raden (naar verwachting 1e kwartaal 2021) zal het RPW 20212024 aan het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Gelderland worden aangeboden ter besluitvorming. Na vaststelling door Gedeputeerde Staten (naar verwachting maart 2021) is het RPW mede onderdeel van het regionale toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Overgangssituatie naar nieuwe organisatie “de Groene Metropoolregio” In verband met de continuïteit van de projecten en de advisering in het kader van het RPW, zal het huidige Intergemeentelijk Overlegorgaan Werklocaties (IOW) als adviesorgaan blijven voortbestaan (als overgangsmaatregel naar de nieuwe regionale samenwerkingsvorm) tot tenminste 1 juli 2021.

Initiatieven op het gebied van bedrijventerreinen, kantoren en perifere detailhandel zullen in deze overgangssituatie door het IOW worden getoetst aan het RPW 2021-2024 en met advies voor besluitvorming worden voorgelegd aan PFO Economie/Productieve regio. Proces indienen zachte plannen bedrijventerreinen Tot 1 maart 2021 kunnen zachte plannen voor de 1e tranche van de ontwikkelruimte voor regionale bedrijventerreinen ter beoordeling worden ingediend. Hierover zal het IOW adviseren richting het PFO/Productieve regio. Inzet is om voor 1 juli 2021 tot verdeling en instemming vanuit de regio te komen. Bij de beoordeling van deze plannen worden de stappen op pagina 11 van het RPW (onderdeel van de samenvatting) doorlopen. Hierbij hoort ook een kwalitatieve beoordeling (duurzaamheid, inpassing in de omgeving, bereikbaarheid, financiële uitvoerbaarheid en regionaal DNA).

Pagina 4 van 5

Raadsvoorstel

Dit proces is niet van toepassing op de verdeling van de ontwikkelruimte voor XXL-logistiek. Specifiek voor XXL-logistiek is afgesproken dat een deel (van de totale ontwikkelruimte van XXL-logistiek van 42 hectare) nu verdeeld wordt over Knooppunt Nijmegen en omgeving en Knooppunt EMZ. Wat mag het kosten? Dit voorstel heeft geen financiële gevolgen.

Burgemeester en wethouders van Rozendaal,

Boele Boelens, Secretaris

Ester Weststeijn, Burgemeester

Bijlage(n) 1. aanbiedingsbrief RPW 2021-2024 2. RPW Arnhem-Nijmegen 2021-2024 3. Advies Ecorys benutten ontwikkelruimte RPW Arnhem-Nijmegen 4. Notitie advies invulling en beoordeling XXL-logistiek 5. Reactienota stukken concept RPW 6. Voorbereidende vragen en antwoorden herziening RPW 2021-2024

Pagina 5 van 5

1 9b: Raadsbesluit RPW

Raadsbesluit

De raad van de gemeente Rozendaal, gelezen het voorstel burgemeester en wethouders d.d. 5 januari 2021, met het nummer HJ200061.

Besluit: 1. In te stemmen met het RPW 2021-2024; meer in het bijzonder met: - De verdeling van de ontwikkelruimte voor bedrijventerreinen: - De verdeling van de ontwikkelruimte voor regionale bedrijventerreinen; - De verdeling van de ontwikkelruimte voor XXL-logistiek: 2. De afspraken om te komen tot een duurzame ruimtelijke invulling van de werklocaties in de regio Arnhem-Nijmegen in het kader van de Groene Metropoolregio (pagina 10 e.v. RPW 2021-2024); 3. Het RPW 2021-2024 medio 2022 te monitoren. Aldus besloten in de openbare vergadering van de gemeenteraad van Rozendaal d.d. 9 februari 2021

Klaas Schaap, Griffier

Gemeenteraad – datum – 2020_RAAD_ kenmerk

Ester Weststeijn, Burgemeester

Pagina 1 van 1

1 9c: Aanbiedingsbrief RPW 2021-2024 (003)

1 9d: RPW Arnhem-Nijmegen 2021-2024 definitief

Concept Regionaal Programma Werklocaties regio ArnhemNijmegen Periode 2021 t/m 2024 Opdrachtgever: PFO Economie Regio Arnhem-Nijmegen 2 december 2020

Concept Regionaal Programma Werklocaties regio ArnhemNijmegen

Periode 2021 t/m 2024

Opdrachtgever: PFO Economie Regio Arnhem-Nijmegen

2 december 2020

Inhoudsopgave

Inhoudsopgave

5

Samenvatting

9

1

De invloed van corona op het RPW

9

Arnhem-Nijmegen, Groene metropoolregio

9

Bedrijventerreinen

10

Verduurzaming van bedrijventerrein

10

Lokale en regionale bedrijventerreinen

10

Kantoren

13

Detailhandel

15

Perifere en grootschalige detailhandelsvestigingen

15

Inleiding

17

1.1

1.2

Aanleiding en achtergrond Nieuwe ontwikkelruimte op bedrijventerreinen in de periode tot 2030

17

1.1.2

Arnhem-Nijmegen, Groene metropoolregio

17

1.1.3

Arnhem en Nijmegen zijn de motoren van de regionale en Gelderse economie,

met sterke regionale bedrijventerreinen nabij de snelwegen.

18

1.1.4

De invloed van corona op het RPW

18

1.1.5

Geografische afbakening

19

Doelstellingen Regionaal Programma Werklocaties De doelstellingen van het RPW zijn:

2

19 19

1.3

Benutten nieuwe ontwikkelruimte en realisatie evenwicht tussen vraag en aanbod

19

1.4

Leeswijzer

20

Uitgangspunten Regionaal Programma Werklocaties

21

2.1

Ruimte voor regionale initiatieven

21

2.2

Ruimte voor lokale initiatieven

21

2.3

Arnhem-Nijmegen, Groene metropoolregio

21

2.4

2.5

3

17

1.1.1

Balans tussen groei en leefkwaliteit

21

Regionale agenda

22

Gebiedsopgave Logistics Valley

22

Railterminal Gelderland (RTG)

23

Doortrekken A15 en aanpak A12

23

Eerdere programma’s werklocaties

23

Regionaal Programma Detailhandel 2013 (RPD)

23

Regionaal Programma Werklocaties 2017 (RPW)

23

Uitvoering Regionaal Programma Werklocaties

25

3.1

25

Regionale afstemming en monitoring

Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen

5

3.2 4

Regionale afstemming

25

Regionale monitoring

25

Herziening RPW

25

Voorzienbaarheid werklocaties

Bedrijventerreinen

27

4.1

Uitdagingen op bedrijventerreinen

27

Toekomstbestendige Gelderse bedrijventerreinen

27

4.2

4.3

4.4

4.5

4.6

4.2.1

Toekomstbestendige bedrijventerreinen

27

4.2.2

Verduurzaming van bedrijventerreinen

28

Regionale bedrijventerreinen Ruimte voor regionale initiatieven

28

4.3.2

Vraag en aanbod

30

4.3.3

Schrapopgave op bedrijventerreinen is komen te vervallen

30

4.3.4

De herstructureringsbehoefte is beperkt

31

4.3.5

Afspraken ten aanzien van regionale bedrijvigheid

31

XXL-logistiek 4.4.1

Marktoriëntatie is bepalend voor regionale binding

32

4.4.2

Beleidskaart XXL-logistiek

32

4.4.3

Vraag en aanbod XXL-logistiek

33

4.4.4

Conclusies XXL-logistiek

34

4.4.5

Afspraken ten aanzien van XXL-logistiek

35

Watergebonden bedrijventerreinen

35

4.5.1

Beleidskaart watergebonden bedrijventerreinen

35

4.5.2

Watergebonden bedrijventerreinen

35

4.5.3

Afspraken ten aanzien van watergebonden bedrijvigheid

36

Bijzondere werklocaties Afspraken ten aanzien van de bijzondere werklocaties

36 37

Zachte plannen

37

4.8

Lokale bedrijventerreinen

41

4.9

Solitaire bedrijven

42

Kantoren

5.2

6

32

4.7

5.1

6

28

4.3.1

4.6.1

5

25

43

Uitdagingen op kantoorlocaties

43

5.1.1

Kwalitatieve en kwantitatieve mismatch

43

5.1.2

Centraal stationslocaties meer in trek door corona

43

Voorstel tot (her)programmering van de kantorenmarkt

43

5.2.1

Vraag en aanbod

43

5.2.2

Centraal stationslocaties

44

5.2.3

Kantoren op kantorenparken

45

5.2.4

Kantoren op bedrijventerreinen

45

Detailhandel

47

6.1

Regionale beleidsdoelstellingen detailhandel

47

6.2

Regionaal beleid voor reguliere detailhandel

48

6.2.1

Onderdelen reguliere detailhandel

48

6.2.2

Toetsingscriteria reguliere detailhandel

48

Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen

6.3

Perifere en grootschalige detailhandelsvestigingen

48

6.3.1

Vraag en aanbod

48

6.3.2

Concentratiegebieden

49

6.3.3

Overige winkellocaties

50

6.3.4

Stappenplan

51

6.3.5

Afspraken voor herprogrammering

51

Bijlage I

55

Definitielijst

55

Bijlage II

59

Regionale afspraken ten aanzien van reguliere detailhandel

59

Regionale hoofdstructuur reguliere detailhandel

59

Impact doorgroei internetretail

59

Schaalvergroting van supermarkten

60

Branchevervaging

61

Specifieke vormen van detailhandel

62

Bijlage III

65

Werkmilieus

65

Klassiek-gemengd werkmilieu

65

Werkmilieu (maak)industrie

66

Logistiek

67

Agrifood 68 Werkmilieu hoogwaardig/kantoren

Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen

69

7

Samenvatting

Het Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen (vanaf nu: RPW) dat sinds 2017 de kaders vormt voor het regionaal bedrijventerreinenbeleid is toe aan een actualisatie voor de periode 2021 tot en met 2024. Aanzienlijke uitgifte op bedrijventerreinen in de periode 2016 tot en met 2019 heeft ertoe geleid dat het overaanbod is teruggedrongen en er zicht is op nieuwe ontwikkelruimte in de periode tot 2030. In het licht van de tijdsduur van ontwikkelprocedures (3 tot 5 jaar) is het, om als regio aantrekkelijk te blijven voor vestiging van nieuwe bedrijven en uitbreiding en verplaatsing van bestaande bedrijven, zaak op korte termijn te starten met nieuwe ontwikkelingen. Op die manier blijft de aantrekkingskracht van de regio Arnhem-Nijmegen op bedrijven en werknemers gewaarborgd. De Ladder van Duurzame Verstedelijking blijft hierbij het toetsingskader voor zowel lokale als regionale ontwikkelingen, waarbij bij die laatste regionale afstemming noodzakelijk blijft. Op kantoorlocaties is het overaanbod weliswaar teruggedrongen, maar nog steeds aanwezig. Op de centraal stationslocaties is, net als in het RPW 2017, echter juist een tekort geconstateerd. Ook voor het onderdeel perifere detailhandel blijven de kwantitatieve conclusies uit het RPW 2017 overeind.

Bovendien wordt reguliere detailhandel toegevoegd aan het RPW 2021 tot en met 2024 en met perifere detailhandel gebundeld in het hoofdstuk detailhandel.

De invloed van corona op het RPW De maatregelen als gevolg van de uitbraak van het coronavirus begin 2020 hebben geleid tot een economische krimp. Welke impact corona gaat krijgen op de economie en hoe lang het herstel hierna duurt zijn op het moment van schrijven nog onzekerheden. Een vraag die daarmee samenhangt is: In welke mate is de coronacrisis van invloed op (de herziening van) het RPW? Het antwoord op die vraag luidt dat de prognose van de ruimtevraag op werklocaties is gebaseerd op een lange termijn perspectief op de economische ontwikkeling van Nederland en in het bijzonder de regio Arnhem-Nijmegen. In het lange termijn perspectief zijn ook periodes van laagconjunctuur meegenomen. De economische krimp als gevolg van de coronacrisis geeft daarom geen aanleiding om aan de onderliggende berekeningen en daarmee de afspraken in het RPW te tornen.

Arnhem-Nijmegen, Groene metropoolregio Uitgangspunt van het RPW is de regionale visie Arnhem-Nijmegen, Groene metropoolregio, waarin wordt gestreefd naar een gebalanceerde economische ontwikkeling, met daarin ruimte voor landschap, duurzaamheid en een ontspannen leefkwaliteit. In de visie zijn vijf uitdagingen benoemd. Werklocaties spelen hierin een belangrijke rol en kunnen dan ook een belangrijke bijdrage leveren bij het aangaan daarvan, waarbij het RPW met name aansluit op de opgave Productieve regio. Vanuit dit uitgangspunt wordt gewerkt aan een duurzame ruimtelijke invulling van de regio, waarin verschillende functies op de daarvoor meest geschikte locatie ingevuld worden. In het RPW zijn daarom per onderdeel, te weten bedrijventerreinen, kantoorlocaties en detailhandelsgebieden,

Concept Regionaal Programma Werklocaties regio Arnhem-Nijmegen

9

afspraken opgesteld om te komen tot een duurzame ruimtelijke invulling van de regio ArnhemNijmegen.

Bedrijventerreinen Verduurzaming van bedrijventerrein In het kader van de verduurzaming van bedrijventerreinen worden bij de ontwikkeling van nieuwe werklocaties maatregelen getroffen in het kader van klimaatadaptatie, de energietransitie en circulaire grondstoffenstromen. Bovendien worden ontwikkelplannen in een vroeg stadium besproken met de Provincie Gelderland om op grond daarvan tot een regionaal afgestemde invulling van de duurzaamheidsdoelstellingen te komen. Op bestaande terreinen werkt de regio samen met ondernemers aan de verduurzaming van gebieden, gebouwen en bedrijfsprocessen. De provincie ondersteunt de partijen bij deze opgave en helpt om projecten verder te brengen. Lokale en regionale bedrijventerreinen Bij de afspraken binnen het onderdeel bedrijventerreinen wordt onderscheid gemaakt tussen lokale en regionale bedrijventerrein. De verantwoordelijkheid voor de (door)ontwikkeling van lokale bedrijventerreinen ligt, onder voorwaarden die in dit RPW worden beschreven, bij de gemeenten. Voor de (door)ontwikkeling van regionale bedrijventerreinen, met daarbinnen specifiek aandacht voor watergebonden bedrijvigheid, XXL-logistiek en enkele bijzondere werklocaties, is regionale afstemming nodig. Afspraken ten aanzien van regionale bedrijvigheid •

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rozendaal&id=910c776e-602b-4819-af3f-f55060afb270