Agendabundel
Tekst van het document
Goed geholpen Twee jaar na het begin van de proef beoordeelden ouders en kinderen de poh-jeugd met een 8,7. Zij zeiden ‘goed geholpen’ te zijn. De Winter: “Verder vroegen we aan huisartsen: wat zou je bij al deze jeugdigen hebben
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
11
BEKOSTIGING & FINANCIERING
Baanbrekend Drechtsteden
Werk als beste zorg De samenwerking tussen Sociale Dienst Drechtsteden, UWV en Randstad (samen Baanbrekend Drechtsteden) met ggz-aanbieder Yulius laat zien dat kwetsbare mensen aan werk helpen hun levenskwaliteit verbetert, zorgconsumptie scheelt en kosten bespaart. Zorgverzekeraar Coöperatie VGZ participeert, maar wetgeving staat opschaling van zulke initiatieven in de weg. TEKST: FRANK VAN WIJCK
Werken draagt bij aan een gezonder leven. Het geeft mensen niet alleen een inkomen, maar biedt ook structuur en eigenwaarde. Peter Heijkoop, wethouder in Dordrecht (werk en inkomen, zorg en welzijn, arbeidsmarkt en onderwijs), ziet het voordeel van mensen aan het werk helpen. Maar het is geen sinecure, weet hij ook. “We zien dat onze populatie verandert”, zegt hij. “Meer mensen verkeren in een kwetsbare positie: Wajongers, bijstandsgerechtigden met een ggz-achtergrond. Voor hen is het moeilijk om zonder ondersteuning aan het werk te komen. Die mensen willen we helpen.” Heijkoop ging in gesprek met de sociale dienst en ontdekte daar dat al gesprekken gaande waren met zorgverzekeraar VGZ en ggz-aanbieder Yulius. Ab Klink, bestuurslid van Coöperatie VGZ: “We zijn een jaar of vier geleden begonnen met meerjarencontracten met zorgaanbieders met als basis allianties op het snijvlak van betere zorg en lagere kosten. Een van de uitgangspunten daarbij met Yulius is precies wat Peter al constateerde, namelijk dat werken een goed medicijn kan zijn.”
en lagere zorgkosten. “De positieve effecten die Peter noemt, zorgen voor een verkorting van de behandelduur”, zegt Klink. “Bij deze zestig mensen levert dit een verbetering van hun kwaliteit van leven op. Daarnaast leidt het direct tot een besparing van 70.000 euro die de premiebetaler weer ten goede komt.” Maar hoe benut je die winst? Klink: “De gemeente heeft minder bijstandskosten, maar dat roomt het Rijk af. En de bemiddelaars die nodig zijn om die mensen naar werk toe te leiden en hen en de werkgevers te begeleiden, kosten geld. Ook zou het UWV flexibeler mogen zijn.” Heijkoop vult aan: “De inzet en opbrengsten landen niet daar waar je de investering doet. We hebben als gemeenten veel minder geld gekregen om oplossingen voor mensen met veel complexere problemen te realiseren. Een probleem dat je wel vaker ziet als oplossingen binnen het sociaal domein worden bedacht. Daarom komen projecten vaak niet of maar heel beperkt van de grond. Dat is cru, want ze zijn wel in het voordeel van de mensen voor wie ze worden opgezet én van de samenleving. Hier staan de prikkels nog niet helemaal goed.”
‘Opbrengsten landen niet daar waar je de investering doet’ Verandering nodig
Ab Klink: ‘De gemeente heeft minder bijstandskosten, maar dat roomt het Rijk af’.
Klink verwijst in dit verband naar Tamara van Ark, staatssecretaris van sociale zaken en werkgelegenheid. “We weten dat deze thematiek haar interesse heeft, dus we hopen dat dit ertoe leidt dat die prikkels de goede kant op gaan”, zegt hij. “Voor ons als zorgverzekeraar is samenwerking met gemeenten heel belangrijk. Als we echt zorgkosten kunnen besparen en een deel van die bespa-
Peter Heijkoop: ‘We regelen begeleiding op de werkvloer’.
ring landt bij de gemeente, is dat geld wat ons betreft nog steeds goed besteed.” Heijkoop is namens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gesprekspartner voor het dossier Participatiewet. “Daarin spreken we Van Ark ook aan op deze thematiek”, vertelt hij. “Zij ziet ook dat het nodig is om hierin stappen te zetten, maar ze weet ook hoe complex dat is omdat het gaat om gemeenten én UWV én strikte financiële kaders die moeten worden opgerekt. Toch verwacht ik wel dat er beweging komt. Staatssecretaris Paul Blokhuis heeft aangegeven hier meer ruimte voor te willen maken. We hebben nu gemeenten die onder curatele staan en een overheid die geld overheeft. Dat staat op gespannen voet met elkaar.” <<
Betere kwaliteit van leven Yulius en de gemeente gingen met elkaar in gesprek. “We geloofden er allebei in dat we mensen konden helpen door ze naar werk toe te leiden”, vertelt Heijkoop. “We zijn zonder uitgebreid methodologisch kader het traject ingegaan om dat vorm te geven. Inmiddels hebben we meer dan zestig mensen succesvol naar werk begeleid. Zij ervaren een veel betere kwaliteit van leven dan voorheen, met als gevolg dat ze minder zorg nodig hebben.” Dat dit is gelukt voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, betekent dat de gemeente erin is geslaagd werkgevers te overtuigen van hun arbeidspotentieel. “Wij kennen inderdaad de sociale ondernemers in onze gemeente die bereid zijn om mee te denken”, zegt Heijkoop. “Dan heb ik het over werkgevers zoals Albert Heijn of C&A. Samen met Randstad bieden wij ze werkgeversdienstverlening, wat heeft geleid tot wederzijds
12
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
vertrouwen. Deze werkgevers hebben mensen nodig – de krapte op de arbeidsmarkt is echt een probleem – en dankzij de bemiddeling en begeleiding die wij bieden zijn ze bereid een stap extra te zetten en deze mensen aan te nemen. We regelen begeleiding op de werkvloer en in voorkomende gevallen bieden we loonkostensubsidie en nemen we risico’s bij ziekte van een werknemer weg.” Heijkoop zegt het “heel bijzonder” te vinden wat dit doet met mensen. “Ze zien de zin van het leven en van ritme in dat leven terugkomen”, zegt hij. “Collegiaal contact is een goed middel tegen eenzaamheid. Ook de financiële stabiliteit geeft deze mensen vertrouwen.”
Lagere zorgkosten De meerwaarde van werk voor deze doelgroep vertaalt zich in betere zorg, minder beslag op schaars personeel
SNIJVLAK ZORGKANTOREN EN GEMEENTEN
Wetgeving staat veel vaker in de weg dan alleen bij het thema uit het hoofdverhaal op deze pagina’s, stelt Ab Klink. Hij merkt dat in andere initiatieven – bijvoorbeeld in de ouderenzorg – waarin VGZ participeert, in een aantal gevallen samen met andere zorgverzekeraars. “We hebben met klem bij VWS onder de aandacht gebracht dat dit moet veranderen, vooral op het snijvlak van zorgkantoren en gemeenten”, zegt hij. “Ook daar zijn veel initiatieven mogelijk die de levenskwaliteit van mensen verbeteren en leiden tot minder inzet van toch al schaars personeel en minder premielasten.” Heijkoop: “Die oproep is ook in lijn met het standpunt van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, de Raad van State en het Sociaal Cultureel Planbureau over werk. Het zou goed zijn als het kabinet zich wat aantrekt van deze zwaarwegende adviezen.”
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020 13
LEIDERSCHAP & SAMENWERKING
Complexe ongelijkheid is een zaak van ons allemaal
Gezondheidsverschillen voorbij We leven langer dan ooit in goede gezondheid. Tegelijkertijd bestaan er grote verschillen. Mensen hoog op de maatschappelijke ladder leven gemiddeld langer dan mensen die lager op de ladder staan. Bovendien leven ze langer in een goede gezondheid. Om deze gezondheidsverschillen te verkleinen, hebben we een ander perspectief nodig, waarbij ook het sociale domein aan zet is.
moeite met rondkomen en een kwart van hen heeft te weinig middelen om in het levensonderhoud te voorzien. Bestaansonzekerheid leidt tot chronische stress en betekent achteruitgang in gezondheid.
‘Ideeën als een basisinkomen zijn op zijn minst het verkennen waard’
TEKST: RAAD VOOR VOLKSGEZONDHEID EN SAMENLEVING
De gezondheidsverschillen tussen mensen met een lage en hoge sociaaleconomische status worden vaak ‘sociaaleconomische gezondheidsverschillen’ (SEGV) genoemd. Gezondheidsverschillen worden echter niet alleen veroorzaakt door sociaaleconomische ongelijkheid. In werkelijkheid is de ongelijkheid die achter gezondheidsverschillen schuilgaat veel complexer van aard. Het is een veelheid aan ongelijkheden die vaak de individuele mogelijkheden overstijgt. Toch is het beleid van de laatste decennia vooral gericht op individuele gedragsverandering, leefstijl en preventie. Dat is niet verkeerd, maar ook niet voldoende. Er is meer oog nodig voor the causes of the causes. Kijken naar gezondheidsverschillen is als kijken naar de sterren: je ziet nu pas de gevolgen van maatschappelijke veranderingen van decennia geleden. Willen we inzicht krijgen in de complexe ongelijkheden achter gezondheidsverschillen, dan helpt het om de blik op het recente verleden te richten.
Wonen en leefomgeving Sinds de jaren negentig zijn onze steden gaan heropleven. Dit maakt het wonen duurder. Er ontstonden buurten waar de problemen zich gingen opstapelen. Daarbij kwam een regionale krimp aan de randen van Nederland, waar hoogopgeleide jongeren wegtrekken richting de (rand)stad. Er hebben natuurlijk altijd regionale verschillen bestaan, maar de sociale en maatschappelijke segregatie tussen én binnen regio’s lijkt toe te nemen. Dit heeft impact op het leven van mensen en hun kansen. De ene buurt is minder stimulerend en gezond dan de andere.
Bestaanszekerheid Tegelijkertijd is sinds de jaren tachtig de verzorgingsstaat bijna permanent in onderhoud. De focus kwam te liggen
14
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
Onderwijs
Jet Bussemaker, voorzitter van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving.
op de eigen verantwoordelijkheid van burgers. Risico’s rondom inkomen, werk en gezondheid werden steeds meer gekoppeld aan individuele verantwoordelijkheid én keuzevrijheid. Dit heeft geleid tot technisch gedetailleerde, maar complexe voorzieningen waarin veel mensen verdwalen. Kwetsbare jongeren lopen jeugdzorg mis; ouderen weten niet meer waar ze zorg kunnen krijgen; de wachtlijsten worden langer. Dit kon niet zonder gevolgen blijven. Daarnaast neemt zowel in sociale als economische termen de waarde van arbeid de laatste decennia af. Flexibele arbeid heeft een nieuwe kloof gecreëerd, waarbij hoogopgeleiden meer inkomenszekerheid genieten dan laagopgeleiden. Ook dit heeft effect op andere terreinen. Ongeveer de helft van de huurders in Nederland heeft
We geloven dat we leven in een meritocratische samenleving waarin onze positie wordt bepaald door onze eigen verdiensten of persoonlijk falen. Dat is een beperkte werkelijkheid. Het gezin, de wijk en de sociale omgeving waarin een kind opgroeit leveren eveneens een bijdrage aan het later (niet) behaalde succes. Ook hier versterken effecten elkaar: het lerarentekort speelt vooral in probleemwijken. Ironisch genoeg is de waarde van een diploma gedaald door de enorme stijging van het aantal hoogopgeleiden. Vrijwilligerswerk, stages en bijbaantjes worden steeds belangrijker. Dat is niet voor iedereen even makkelijk te realiseren. Over de hele breedte neemt de druk op jongeren toe: niet alleen in het onderwijs, maar ook in hun toekomstige kansen op de woning- en arbeidsmarkt. Bestaande ongelijkheid wordt daardoor nog eens uitvergroot.
UITNODIGING
Wat leren we hiervan? We kunnen concluderen dat de oorzaken van (on)gezondheid dieper liggen dan individueel gedrag. De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving vindt dan ook dat de term ‘sociaaleconomische gezondheidsverschillen’ toe is aan heroverweging. Het gaat over een dieperliggende complexe ongelijkheid op verschillende levensterreinen. De gevolgen zijn vaak medisch en spelen zich af op het individuele niveau. Maar voor het aanpakken van the causes of the causes is iedereen aan zet, en niet op zijn minst het sociale domein. Complexe ongelijkheid gaat over de samenleving als geheel en is daarom misschien wel dé sociale kwestie van deze tijd. It takes a society to fight complex inequality. Omdat de resultaten van interventies in complexe ongelijkheid pas decennia later zichtbaar worden, zijn een langetermijnvisie én bestuurlijk doorzettingsvermogen nodig. Het terugdringen van gezondheidsverschillen moet daarbij geen doel op zich zijn. Bredere ambities hebben indirect mogelijk een groter effect. En dus kunnen potentiële doorbraken best radicaal zijn. Immers, de veerkracht van onze samenleving staat op het spel. In het licht van deze wetenschap zijn ideeën als een basisbaan of een basisinkomen op zijn minst het verkennen waard. Het sociale domein én de eerstelijnszorg zijn daarvoor de aangewezen partners.
Zij kennen de leefomgeving en de daarbij horende uitdagingen als geen ander. Wisselwerking tussen het medische en het sociale begint bij hen. Wat de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving betreft, gaat het vraagstuk van gezondheidsverschillen uiteindelijk over de vraag welke samenleving we op lange termijn willen zijn en hoe we die vormgeven. De zorg is ook – en misschien vooral – een sociale kwestie. Laat u horen. <<
Het artikel op deze pagina’s is een ingekorte versie van het essay Gezondheidsverschillen voorbij. Complexe ongelijkheid is een zaak van ons allemaal, van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving. De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving nodigt u uit samen op zoek te gaan naar nieuwe ideeën die zich richten op het aanpakken van de complexe ongelijkheden waarmee we te maken hebben. Hiervoor is onder andere een online discussieplatform ingericht: https://adviezen.raadrvs.nl/gezondheidsverschillen-voorbij.
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
15
ORGANISATIE VAN ZORG
Andere benadering eenzaamheid
‘Wie iemand uitsluit als mens, reduceert hem tot cliënt’ Een professional of organisatie die sociale uitsluiting wil tegengaan met een inloopmiddag voor de doelgroep, slaat de plank mis. Beeldbellen is meestal evenmin een schot in de roos. Zoek eenzame mensen juist op in hun thuissituatie. Een interview met een ervaringsdeskundige en een lector Onbegrepen gedrag, Zorg en Samenleving.
TEKST: GERBEN STOLK
Vol ambitie en goede wil was hij, de wethouder met wie Martin Pragt een tijd geleden in gesprek kwam. Maar ook verbaasd en enigszins ontgoocheld. Pragt, die zelf een verleden van sociale uitsluiting heeft, hoorde de man vertellen over de gemeentelijke strijd tegen eenzaamheid. De ervaringsdeskundige: “De wethouder vroeg zich af waarom hij de doelgroep niet of nauwelijks wist
te bereiken. De gemeente organiseerde van alles voor eenzame mensen, maar het zette nauwelijks zoden aan de dijk.”
Eigen probleem oplossen Pragts reactie? “De wethouder en zijn mensen meenden dat ze een probleem van burgers aan het oplossen waren. In werkelijkheid waren ze in de weer met hun eigen probleem: beleid over eenzaamheid invullen. Ze zagen
NIEUWE WEGEN NA CORONA De nasleep van de coronacrisis gaat organisaties waarschijnlijk dwingen hulpverlening op een andere wijze te organiseren, aldus Bauke Koekkoek. Het lijkt volgens hem bijvoorbeeld financieel onhaalbaar te zijn zoveel mogelijk cliënten individueel van dienst te blijven.
over het hoofd dat je je hiervoor écht moet verdiepen in de doelgroep en in armoede een sociale uitsluiting. Wat is het? Waar komt het vandaan? Wie in gesprek gaat met eenzame personen en zich in hun situatie verplaatst, zal zich realiseren waarom zij niet naar een voor hen georganiseerde bingomiddag van de gemeente komen. Als je nooit bezoek krijgt, als er nooit iemand is die je persoonlijk aanspreekt, voel je je buitengesloten en ga je de deur niet uit.” Het advies van Pragt aan de wethouder was derhalve: “Hoe goed het ook is bedoeld, houd op met activiteiten organiseren. Ga als gemeente naar mensen toe, toon interesse en probeer bij hen vertrouwen te winnen om wél de buitenwereld in te gaan. Of stel, je ziet iemand regelmatig in zijn eentje buiten op een bank zitten. Je kunt die persoon aanspreken: U zit hier vaak, ik zou u graag beter willen leren kennen.”
‘Niet iedereen kan een sociaal netwerk inschakelen’ Geschrokken
Hij zegt: “Ik denk dat onder meer gemeenten en welzijnsorganisaties nu zouden moeten anticiperen. Al vóór de crisis steeg de vraag naar hulp en zorg. De kans is groot dat de vraag verder toeneemt als gevolg van de pandemie. In elke crisis worden kwetsbare burgers extra geraakt. Wat je je hierbij zoal kunt voorstellen? In de afgelopen periode zijn veel zachtere en sociale verbanden en structuren weggevallen. Denk aan de trainer van de sportvereniging of de muzieklerares die ziet dat een puber vanwege de situatie thuis of op school niet zo lekker in zijn vel zit en die deze jongere dan een beetje overeind helpt. Sinds de crisis is die puber op zichzelf aangewezen en is het nog maar de vraag of hij of zij zich straks weer meldt op de sportclub of muziekles. Dat kan nadelig uitpakken als je geen goed sociaal netwerk hebt.” Welke zorgvormen kunnen straks geschikt zijn? Koekkoek: “De overheid heeft ontzettend veel geïnvesteerd om de maatschappij enigszins draaiende te houden. Ik kan me niet voorstellen dat, wanneer corona geluwd is, er opeens veel geld kan bijkomen in het sociaal domein en de gezondheidszorg. Terwijl de vraagt groeit, zal de capaciteit dat niet doen. We zullen dus moeten kijken naar andere vormen dan alleen maar individuele hulpverlening.
Misschien wordt straks meer groepsgewijs georganiseerd, misschien komen er meer contacten met lotgenoten en misschien gaan ervaringsdeskundigen een grotere rol spelen.” Koekkoek had al vóór de coronacrisis het idee dat organisaties initiatieven kunnen opzetten waarbij vitale senioren en hulpbehoevende leeftijdsgenoten met elkaar in contact worden gebracht. “Menige 65-plusser heeft de tijd én de maatschappelijke bewogenheid om iets voor anderen te doen. Je kunt denken aan het helpen invullen van formulieren of iemand gezelschap houden. Ik noem dit levensfase-samenwerking.”
16
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
Bauke Koekkoek wijst professionals in het sociaal domein en de eerste lijn ook op het belang van een zo persoonlijk mogelijke benadering van kwetsbare burgers. Behalve crisisdienstverpleegkundige is hij lector Onbegrepen gedrag, Zorg en Samenleving bij de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN). Mede vanwege zijn voorkeur voor maatwerk is Koekkoek geschrokken van de situatie die ontstond na de uitbraak van coronapandemie. “Meteen na de eerste persconferentie van premier Rutte over de sluiting van de scholen en de noodzaak van zoveel mogelijk thuis werken, zag je bij veel organisaties en professionals terughoudendheid om op cliënten af te stappen. In de meeste sectoren werd het face-to-facecontact behoorlijk teruggeschroefd; zeker ook in het sociaal domein. Vaak werd geredeneerd dat een groot deel van de cliënten kon worden geholpen door te bellen of beeldbellen. Menige professional zei in de weken erna: We horen niet echt heel ernstige dingen, dus misschien valt het allemaal wel mee. Ik vind dat een zorgelijke ontwikkeling.” Koekkoek licht toe: “‘Geen bericht’ is niet altijd ‘goed bericht’. Veel mensen zijn telefonisch lastig te bereiken.
Bauke Koekkoek: ‘Geen bericht is niet altijd goed bericht.’
Ik kan me niet voorstellen dat de gespannen periode die in maart begon en die mogelijk nog op ons afkomt, geen psychische en sociale effecten zal hebben. Bij degenen die zeggen dat misschien allemaal wel zal meevallen, hoor ik vaak de levensvisie en context doorklinken van de gemiddelde professional of bestuurder. In hún kringen werkt beeldbellen doorgaans wel, maar dat geldt niet voor alle lagen van de bevolking. Niet iedereen kan zich aanpassen aan een crisissituatie en een sociaal netwerk inschakelen. Het is daarom essentieel nuchter na te denken over de vraag: wie heeft persoonlijk contact nodig? Daarbij moeten we een goede afweging maken van besmettingsrisico enerzijds en afglijdende mensen of escalerende situaties aan de andere kant.”
Lef Denken en beleven vanuit het perspectief van de burger. Pragt stipt een hierbij vaak voorkomende valkuil aan met een oneliner: “Je moet er geen lást van hebben dat je opgeleid bent.” Hij legt uit: “Een arts is opgeleid om een probleem vanuit medisch oogpunt te bekijken. Een wijkverpleegkundige heeft geleerd vanuit het huishouden te denken en een maatschappelijk werker vanuit het psychisch hart. Dat leidt er bijna automatisch toe dat je de cliënt gekleurd benadert: vanuit je kennis als arts, wijkverpleegkundige of maatschappelijk werker. Dit impliceert het risico dat je de ander uitsluit als mens en >>
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
17
Eerstelijntjes Drie wetten, één beeld Een gezin met behoefte aan jeugdzorg kan bijvoorbeeld ook schulddienstverlening nodig hebben. Mede daarom kijkt de gemeente Veldhoven tegenwoordig naar het complete plaatje: Wmo, Jeugdwet en Participatiewet. Mariënne van Dongen kan worden beschouwd als de belichaming van de integrale aanpak die de gemeente Veldhoven sinds 2017 hanteert voor het sociale domein. Zij zegt: “Tot die tijd had ik als wethouder de voorzieningen en instrumenten van de Wmo en Participatiewet in mijn portefeuille. Niet die van de Jeugdwet dus. In de voorbereiding op mijn tweede bestuursperiode maakte ik de wens kenbaar het hele sociale domein in één hand te hebben. Ik had gemerkt dat zaken uit de drie wetten vaak veel met elkaar te maken hebben. Voor een groot deel, zeker bij de complexere casuïstiek, spelen er bij burgers en families altijd vraagstukken op verschillende terreinen.” De gemeente besloot ook tot verweving op uitvoerend niveau. De drie clusters voor het sociaal domein, samen circa zeventig medewerkers tellend, werden onder het beheer van één managementteamlid gebracht.
Van Dongen: “Ook fysiek zijn de medewerkers dichter bij elkaar gekomen.” Silvie van Gansewinkel, coördinator van de clusters Wmo en Jeugdwet, vult aan: “Het nieuwe denken en handelen heeft onder meer gestalte gekregen dankzij de integrale casuïstiekbesprekingen waaraan medewerkers uit de drie clusters meedoen. Zo leren ze van elkaar.” Het hele verhaal lezen? Ga naar www.de-eerstelijns.nl.
Martin Pragt: ‘Bij deze groep gaan de acceptatie en relatie vaak vóór de boodschap.’
ARM GEZIN Een vader die met een oorlogstrauma was teruggekeerd uit voormalig Nederlands-Indië en een moeder die zich er een leven lang voor schaamde dat ze het niet tot non had gebracht. Martin Pragt (64) groeide op in een gezin dat arm was aan communicatie en affectie. “Ik voelde me thuis nooit gezien en gehoord. Van mijn elfde tot achttiende, we woonden destijds afgelegen, ben ik heel eenzaam geweest. Ik ontmoette verder alleen mensen op school, maar vond er geen aansluiting. Vanuit mij eigen ervaring weet ik dat je patronen uit je jeugd maar moeilijk kwijtraakt. Wanneer ik later in mijn leven een compliment kreeg, dacht ik: dat kan toch niet kloppen, dat kan toch niet voor mij bedoeld zijn?” Pragt is inmiddels bijna 25 jaar communicatietrainer. Hij traint bijvoorbeeld hulpverleners die gericht zijn op sociale uitsluiting. Meer informatie: https://www.de-eerstelijns.nl/dossier/4-2020.
hem reduceert tot cliënt of patiënt. Heb het lef om je positie te verlaten en van mens tot mens te communiceren.” Pragt beseft dat dit kan worden bemoeilijkt door een eigenschap die de meeste zorgverleners met elkaar delen. “Zij zijn geneigd te handelen. Een arts streeft ernaar problemen op te lossen: eerst de diagnose stellen, daarna een handeling uitvoeren. En hulpverleners, het woord zegt het al, willen hulp verlenen. Probeer je
18
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
desondanks te verdiepen in de ander en hem in eerste instantie als mens te zien. Zeker bij sociale uitsluiting is dit belangrijk: bij deze groep gaan de acceptatie en relatie vaak vóór de boodschap.” <<
‘HUISARTSEN EN SOCIAAL DOMEIN MOETEN SAMEN LEREN’ Sommige burgers hebben hoge gezondheidsrisico’s en problemen in verschillende leefdomeinen. Binnen de vernieuwende, integrale aanpak Krachtige basiszorg wordt dan ook het 4D-model gehanteerd: lichaam, geest, maatschappelijk en sociaal. Krachtige basiszorg is inmiddels ingevoerd op dertien locaties in achterstandswijken in Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht, met een projectfinanciering van zorgverzekeraars en achterstandsfondsen. Huisarts Nikki Makkes uit de Utrechtse wijk Overvecht heeft er volop ervaring mee. Ze benadrukt het belang van samenwerking tussen huisarts en sociaal domein. “Je moet als huisarts de stap naar het sociaal domein zetten, want de patiënt zelf doet dat niet”, vertelt ze. “Maar als ik het ook niet doe, blijft die patiënt terugkomen op mijn spreekuur. Bovendien moet je investeren in het contact met die patiënt, want die heeft niet altijd een vanzelfsprekend vertrouwen in hulpverleners. Daarnaast moet je als huisartsen en aanbieders in het sociaal domein bereid zijn om samen te leren op basis van
Huisartsen Arlette Hemel (links) en Nikki Makkes van de Huisartsenkliniek Overvecht
casuïstiek. Dat vraagt om tijd, ruimte én competenties. Gemeenten en zorgverzekeraars moeten daar ook hun verantwoordelijkheid voor nemen, de Landelijke Huisartsen Vereniging en het ministerie van VWS dus ook.” Het hele verhaal lezen? Ga naar www.de-eerstelijns.nl.
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
19
PARTNERBIJDRAGE
BEKOSTIGING & FINANCIERING
Gezonde Toekomst Dichterbij
Kansen voor gezin in achterstandssituatie
Vermogensfonds FNO heeft de ambitie gezinnen in achterstandssituaties verbetering van de ervaren gezondheid te bieden en zo een beter maatschappelijk perspectief te geven. Een forse uitdaging, weet Monique Schrijver, die leiding geeft aan het programma Gezonde Toekomst Dichterbij, die vraagt om actieve inzet van alle partijen in zorg en sociaal domein.
TEKST: FRANK VAN WIJCK
Complexe problemen vragen om een lange adem. En dan nog is het ambitieus te wensen dat ooit een definitieve oplossing zal worden gevonden voor de problematiek van mensen met lage sociaaleconomische status. Wat dat betreft is Monique Schrijver van FNO heel nuchter. “We hebben echter wel de ambitie om deze kwetsbare gezinnen met een programmatische aanpak oplossingen te bieden voor een beter toekomstperspectief en een betere gezondheid”, zegt ze. “Omdat FNO een vermogensfonds is, geeft ons dat juist de lange adem die voor deze problematiek zo essentieel is.”
Integrale aanpak Schrijver is bij FNO verantwoordelijk voor het programma Gezonde Toekomst Dichterbij. Kern hiervan is het verbeteren van de gezondheid van gezinnen in achterstandssituaties. Ze legt uit: “Dit programma is gestart in 2015 en gaat uit van een integrale aanpak van gezondheid. We weten dat mensen met een lage sociaaleconomische status zes jaar korter leven en vijftien jaar in slechtere gezondheid leven dan andere groepen. Ook weten we dat het bij uitstek de groep is waarbij verandering van leefstijl het moeilijkst te bereiken is en dat problemen van generatie op generatie overgaan. Deze groep heeft zoveel problemen, die met elkaar samenhangen, dat zeggen ‘U moet stoppen met roken’ totaal geen effect heeft. Het is zaak te inventariseren wat er precies speelt bij ieder van deze gezinnen, oplossingen op maat te bieden en daaraan gericht leefstijladvies te koppelen. Als je bijvoorbeeld eerst helpt bij het wegnemen van schulden of het krijgen van een passende baan, is er minder stress en ontstaat ruimte om gezonder te gaan eten en meer te bewegen en is er een grotere kans dat afvallen blijvend lukt.” In het kader van Gezonde Toekomst Dichterbij heeft FNO in de afgelopen vijf jaar 46 integrale aanpakken
20
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
het programma geëvalueerd en de onderzoekers vanaf de start bij het programma betrokken. We hebben er drie belangrijke lessen uit geleerd.” Ze somt op: “Om te beginnen dat het geen zin heeft zoiets zonder de bewoners te doen. Het gaat immers om hen, dus zijn de bewoners gedurende het hele traject actief betrokken gebleven, om te kunnen aansluiten bij hun specifieke behoeften. De tweede les is dat het erg helpend is als professionals de ruimte krijgen om maatwerk te leveren voor deze mensen. Ze kunnen dan experimenteren met potentiële oplossingen die met de bestaande schotten tussen zorg, sociaal domein, gemeenten en scholen niet zo snel tot stand zouden komen. Soms is het nodig specifieke tools te ontwikkelen voor de verschillende doelgroepen. Een ‘stoppen met roken’-programma specifiek voor tienermoeders is een goed voorbeeld.” De derde les is dat een aanpak van gezondheidsachterstanden alleen succesvol kan zijn als alle betrokken partijen bereid zijn over de periode van beleidscycli heen plannen te maken en uit te voeren. Met daarbij gezamenlijk de stip op de horizon in het oog houden voor verbetering van de gezondheid van de doelgroep. “Het vraagt om een andere manier van denken, werken en financieren”, zegt Schrijver. “Dat willen we ook meenemen in het vervolgprogramma dat we in 2021 starten.”
Vervolgprogramma Monique Schrijver: ‘Problemen van mensen met een lage sociaaleconomische status gaan vaak over van generatie op generatie’.
gefinancierd. “Bij een deel van deze projecten financierden we bewust de fase van het maken van het plan: bewoners en professionals kregen geld om dit samen te maken.”
Lessen Tijdens de duur van het programma is in opdracht van FNO onderzoek gedaan om in kaart te brengen wat het heeft opgeleverd en welke lessen geleerd zijn voor het hele veld. “Van subsidiegeld is vaak moeilijk te zeggen wat het precies oplevert”, vertelt Schrijver. “Ons primaire doel was immers de gezondheid van mensen te verbeteren, door aan te sluiten bij datgene wat speelt in de gezinnen. We wilden hiervan leren en hebben daarom
Met het nieuwe programma wil FNO verder de diepte in binnen een aantal gebieden waar de gezondheidsachterstanden en de urgentie hiervan groot zijn. “Dit vraagt
VIER PROGRAMMA’S
participatie van veel partijen”, zegt Schrijver, “bijvoorbeeld zorg, sociaal domein, onderwijs, werkgevers, gemeenten, zorgverzekeraars. In een eerste inventarisatie hebben we geleerd dat er al best wat netwerken zijn, maar dat die nog vaak vooral de zorg als insteek hebben. Dit heeft een breder palet nodig, want we weten dat de problemen van mensen met een lage sociaaleconomische status vaak van generatie op generatie overgaan.”
‘We hebben een breder palet nodig dan alleen zorg’ Het vraagt ook om een financiële aanpak die al deze partijen ruimte biedt, stelt Schrijver. “We hebben het hier immers over preventie en we weten dat de effecten daarvan pas op langere termijn zichtbaar worden. Bovendien doen de baten zich in veel gevallen later voor en bij andere partijen dan die erin investeren”, zegt ze. “Naar zo’n financieringsmodel gaan we dus ook op zoek. Nóg een forse uitdaging, maar wel essentieel om blijvende positieve verandering tot stand te brengen in het leven van de groep mensen met lage sociaaleconomische status.” << Artikel in samenwerking met FNO
Gezonde Toekomst Dichterbij is een van de vier programma’s waarmee FNO invulling geeft aan haar uitgangspunt dat een kwetsbare gezondheid een volwaardig leven niet in de weg mag staan. De andere drie programma’s zijn: P Geestkracht (kansen vergroten voor psychisch kwetsbare jongvolwassenen) P Klein Geluk (voor een goede levenskwaliteit van mensen met een langdurige beperking op het vlak van gezondheid) P Jongeren INC (om jongeren met een chronische aandoening naar wens en vermogen te kunnen laten meedoen in een inclusieve samenleving) Meer informatie: www.fnozorgvoorkansen.nl.
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
21
LEIDERSCHAP & SAMENWERKING
Grote diversiteit thuiswonende ouderen
‘Het sociaal werk hoort bij de eerste lijn’
Nu ouderen zo veel en zo lang mogelijk thuis wonen, is de sociaal werker een logische partner voor huisartsen en wijkverpleegkundigen. Maar samenwerking is niet vanzelfsprekend. “We merkten dat het concept van positieve gezondheid ons een gezamenlijke taal gaf.”
TEKST: PIET-HEIN PEETERS FOTO: ROB LAMPING
Jenny Zwijnenburg was in 2014 ‘Sociaal werker van het jaar’. Een titel die jaarlijks wordt toegekend aan een sociaal werker die tot de besten in het vak gerekend mag worden. Ze is goed thuis in het werken met zorgmijders: contact krijgen, contact houden en er zelfs voor zorgen deze mensen elkaar gaan ondersteunen in hun herstel. Het ministerie van VWS benaderde haar en collega Sjef van der Klein, Sociaal werker van het jaar 2018, voor een ‘actieonderzoek’ naar de mogelijke meerwaarde van hun beroepsgroep in de eerstelijnsondersteuning voor thuiswonende ouderen. Zwijnenburg: “Ze zagen de potentie van ons werk, maar het was hen niet precies duidelijk wat sociaal werk dan precies doet voor ouderen.” De vraag alleen al liet de relatieve onwetendheid van VWS zien. ‘Sociaal werk’ en ’ouderen’ zijn volgens Zwijnenburg zeer algemene termen waarachter een grote diversiteit schuilgaat.
maar ook met gemeenten. Welke problematiek zien we en wie kan daar wat aan doen?”
Wegkwijnen Zwijnenberg wijst desgevraagd op de ouderen ’die langzaam wegkwijnen’ als subgroep die vaak door de eerste lijn, inclusief sociaal werk, over het hoofd wordt gezien. “Mensen die het niet meer lukt mee te doen, van wie het netwerk heel klein of verdwenen is. Dat zijn geen zorgmijders. En hoe kom je er dan achter dat die meneer of mevrouw niet meer het huis uitkomt, de post niet meer openmaakt, zich steeds minder goed verzorgt?” De huisarts of diens praktijkondersteuner is dan essentieel. “Die mensen komen nog wel bij de huisarts, maar dan met een medisch probleem. Eén, twee extra vragen naar het netwerk en de thuissituatie kan dan veel meer in beeld brengen.”
‘Wij zorgen ervoor dat mensen weer op hun manier meedoen’ Van der Klein en Zwijnenburg ontwikkelden een indeling van tien ‘typen’ thuiswonende ouderen: van de actieve vrijwilliger die anderen ondersteunt tot degene die moeite heeft te blijven meedoen of de zorgmijder (zie https:// www.de-eerstelijns.nl/dossier/4-2020/). “De constatering dat dé oudere niet bestaat, is echt belangrijk”, zegt Zwijnenberg. “Ik denk dat onze indeling kan helpen bij het gesprek tussen professionals onderling, in de eerste lijn,
22
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
Vervolgens is de sociaal werker de logische partner van de huisartsenpraktijk. “Stel je voor dat iemand geen geld meer heeft om te eten, omdat die zogenaamd vriendelijke buur de rekening heeft leeggeplukt. Ik zorg er dan voor dat er een spoedpakket komt van de voedselbank. Ik regel schuldhulpverlening. Ik schat in dat deze meneer wellicht licht dementerend is en organiseer een screening waarna eventueel zorg ingezet wordt. En ik help meneer op weg naar een koffieochtend enkele straten verderop waar mensen zoals hij komen.”
Spinnenweb Zwijnenburg wil maar zeggen: de sociaal werker is net als de huisarts en de wijkverpleegkundige een specialist. “Wij zorgen er bijvoorbeeld voor dat mensen weer op hun manier meedoen.” En ze is snel bereikbaar. “Het verschilt helaas per gemeente, maar we zijn idealiter geen tweedelijnsvoorziening waar je als oudere eerst voor geïndiceerd moet worden. Eén telefoontje en ik ga gewoon aan de slag.” In de jaren dat ze werkt, heeft ze inmiddels geleerd dat juist dat ‘gewoon aan de slag gaan’ de essentiële factor is voor succesvolle samenwerking. “Het gaat allemaal om de relatie. Je moet niet naar de huisarts toe gaan met een
ANDER TYPE OPLOSSING
'Hoe begrijp je nou wat je met elkaar voor thuiswonende ouderen doet?' project of een brochure. Het gaat erom dat de huisarts zijn of haar vraag makkelijk bij jou kwijt kan. En dan kan het ook andersom werken. Dat wij een bepaalde casus met de huisarts of de poh bespreken.” In het onderzoek van Zwijnenburg en Van der Klein bleek gaandeweg dat het concept ’positieve gezondheid’, ontwikkeld door Machteld Huber, het kader bood waarbinnen men elkaar vond in deze ‘nieuwe’ eerste lijn. Ze vertelt: “We hebben bijeenkomsten georganiseerd met vertegenwoordigers uit de verschillende beroepsgroepen die in de eerste lijn werken. Daar kwam uit naar voren dat er behoefte is aan een gezamenlijke taal. Sociaal werkers werken op een bepaalde manier, wijkverpleegkundigen ook, huisartsen ook. Maar hoe begrijp je nou wat je met elkaar voor thuiswonende ouderen doet?” Het spinnenweb van Huber met aan de uiteinden van het web de zes dimensies, waaronder ’meedoen’, die samen de mate van positieve gezondheid bepalen, bleek het handvat te zijn (zie ook kadertekst ‘Ander type oplossing’). <<
Het denkkader positieve gezondheid vraagt volgens Jenny Zwijnenburg een bredere taakopvatting bij de huisarts. Ze vertelt: “In de jaren dat ik mijn werk doe, had ik huisartsen waar ik mee kon lezen en schrijven en huisartsen waar ik nooit contact mee kreeg. Nu ouderen langer thuis wonen, is dat geen optie meer. De definitie van de eerste lijn wordt verbreed. Je kunt als oudere bij de poh ggz terechtkomen. Die zijn sterk in het individueel welbevinden, het coachen en adviseren daarop. Rouwklachten, eenzaamheid, dat kun je heel psychologisch infietsen, maar de sociaal werker heeft een ander type oplossing in het dagelijks leven zelf te bieden. Denk bijvoorbeeld ook aan Welzijn op Recept, dat nu in veel gemeenten praktijk geworden is. Die oplossingen moeten een vast onderdeel worden van het aanbod van de eerste lijn.”
Jenny Zwijnenburg: ‘De constatering dat dé oudere niet bestaat, is echt belangrijk.’
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
23
STRATEGIE & INNOVATIE
Praktijkondersteuner voor patiënt met financiële problemen
Ziekmakende schulden Geldschulden zijn ziekmakend. Die dagelijkse constatering door Rotterdamse huisartsen heeft geleid tot de komst van iets nieuws: een praktijkondersteuner voor patiënten met financiële problemen. Sinds 1 maart is zij actief. “Het idee is letterlijk: keert u die schoenendoos met rekeningen en ongeopende brieven hier maar om.” TEKST: GERBEN STOLK FOTO: CSAMHABER / PIXABAY.COM
Hoe serieus en belangrijk het initiatief ook is, binnen Gezondheidscentrum Lijn 2 kon men dit voorjaar soms een glimlach niet onderdrukken wanneer werd gediscussieerd over de functiebenaming van de nieuwe collega. Moest het ‘praktijkondersteuner financieel’ of ‘praktijkondersteuner financiën’ worden? Die uitdrukkingen dekten weliswaar de lading, maar zouden gepaard gaan met de afkorting ‘pof’, terwijl ‘op de pof leven’ nou net iets is waar de nieuw medewerker patiënten voor wil behoeden… “En dus zal het waarschijnlijk iets worden als financieel adviseur of zakelijk dienstverlener”, zegt Jan Galesloot medio maart.
‘Veel mensen lopen vast in het ambtelijk circuit’ Hij is een van de drie dokters binnen Huisartsenpraktijk Mozaiek in Gezondheidscentrum Lijn 2, gevestigd in de Rotterdamse wijk Feijenoord. Twee jaar geleden gaf Galesloot een interview aan de Volkskrant. De kop boven het artikel: ‘Geen geld om bloed te laten prikken: armoede in Rotterdam-Zuid’. Het was ook in die periode dat de huisartsen van Mozaiek en de twee beroepsgenoten van de andere praktijk in het gezondheidscentrum het thema ‘problematische schulden’ onder de aandacht brachten van het bestuur, waarvan de leden volgens Galesloot “actief en maatschappelijk betrokken” zijn. Vanaf dat moment ging Gezondheidscentrum Lijn 2 zich oriënteren op de mogelijkheden patiënten met deze sores beter van dienst te zijn.
paar duizend euro. Hoe het bijvoorbeeld kan gaan in de praktijk? Iemand meldt zich met somatische klachten. Tijdens het gesprek zie ik de patiënt in tranen. Ik krijg een vermoeden dat er méér aan de hand is en vraag: ‘Wat voor werk heeft u?’ Het antwoord: ‘Ik heb geen werk.’ Waarop ik vraag: ‘Hoe doet u het dan allemaal? Hoe gaat het financieel, want u bent vorig jaar toch gescheiden? Heeft u schulden?’ Dan komt soms het verhaal eruit. Iemand blijkt tienduizenden euro in het rood te staan en zegt: ‘Ik kom er nooit meer van af, ik zou wel dood willen.’ Vaak is het begonnen met iets relatief kleins, waarna de incasso-industrie op gang is gekomen. Extra schrijnend vind ik de patiënten bij wie de problemen ontstonden vanwege een zorgpremieschuld.” Het gezondheidscentrum biedt ‘Welzijn op Recept’, maar gezien de omvang en de aard van problematiek bleek dat niet afdoende te zijn. Galesloot: “De maatschappelijk
SCHRIJNEND
“Ik voelde me machteloos. Het maakte me duidelijk dat je erbovenop moet zitten bij mensen met schuldenproblematiek.”
Dat zegt huisarts Jan Galesloot over een casus die hij “schrijnend” noemt. “Het ging om een jonge man. Hij was opgegroeid in een gezin zonder zijn biologische vader, met wie hij wel contact onderhield. Als jongvolwassene zette hij samen met zijn vader een zaak op. Toen die failliet ging, vertrok de vader naar zijn geboorteland en bleef de jongen achter met een schuld van een ton, waarmee hij niet terechtkon bij zijn moeder, stiefvader, halfbroers en halfzussen. Schuldhulpverlening kwam om de een
Vuilniszak vol
of andere reden niet op gang. Uiteindelijk raakt hij psychotisch
Galesloot: “Zij heeft de hbo-opleiding sociaal financiële dienstverlening gevolgd en doet bij Veritas vooral bewindvoering voor mensen met een verstandelijke beperking. Bij ons is de doelgroep veel breder; onze ervaring is dat schuldenproblematiek voorkomt binnen alle lagen van de maatschappij. Ze gaat te werk volgens de
en manisch depressief. Zoals gezegd: ik voelde me machteloos.
Klein begonnen
Deze jonge man was een van de patiënten die me doordrong
Galesloot: “Van de mensen die wij op het spreekuur krijgen, heeft ongeveer tien procent problematische schulden. En dan hebben we het doorgaans niet over een
van de noodzaak iemand met kennis van sociaal financiële
24
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
werker vertelde dat ze niet alles kon oplossen. Daarom zijn het bestuur en de huisartsen ook op zoek gegaan naar andere wegen.” Het resultaat: een medewerker die tot eind dit jaar projectmatig vier dagen per week patiënten ziet in de dokterspraktijken of de thuissituatie. Drie partijen maken dit financieel mogelijk en leveren alle een even hoge bijdrage. Het gezondheidscentrum wendt GEZ-gelden aan. Galesloot: “Wij zijn niet aangesloten bij een regionale zorggroep; daardoor houden we meer overhead over en hebben we bij dit soort aparte initiatieven meer eigen beslissingsruimte.” De andere initiatiefnemers en financiers zijn welzijnsorganisatie Humanitas en Stichting Veritas Vertegenwoordiging, een bedrijf dat onder meer voorziet in budgetbeheer en bewindvoering. De nieuwe medewerker in de huisartsenpraktijken is in dienst van Veritas, maar wordt door deze organisatie gedetacheerd.
dienstverlening toe te voegen aan de praktijk.”
filosofie van Veritas: een proactieve benadering om mensen te helpen een overzicht te krijgen over inkomsten en uitgaven. Het wordt ook wel ‘een financiële diagnose’ genoemd. Mensen moeten al hun financiële papieren meenemen. Vaak zijn er ook ongeopende brieven. Soms hebben ze een schoenendoos vol paperassen bij zich, een enkele keer zelfs een vuilniszak. De praktijkondersteuner financiën, zoals we haar nog maar even zullen noemen, heeft maar liefst twee uur de tijd voor de patiënt. Blijkt dat niet voldoende te zijn om de financiën op een rijtje te krijgen? Dan wordt een nieuwe afspraak van twee uur gemaakt.”
Niet passend De vraag rijst: is dit alles een taak voor de eerste lijn? Horen patiënten met achterliggende financiële problematiek niet te worden verwezen naar het sociaal domein? Hier heeft in Rotterdam lange tijd de schoen gewrongen. De Rekenkamer Rotterdam meldde vorig jaar dat de gemeente er in de periode 2012-2015 niet in was geslaagd het aantal inwoners met problematische schulden omlaag te brengen. De gemeente berichtte: “In de Maasstad lopen zo’n 60.000 huishoudens een risico op problematische schulden. De afgelopen jaren is volgens de gemeente gebleken dat deze groep niet goed weet >>
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
25
STRATEGIE & INNOVATIE
waar en hoe ze hulp kunnen vragen, of de aangeboden hulp blijkt niet te passen.” Deze conclusies waren overigens een prikkel om verbeteringen aan te kondigen; deze zijn weergegeven in het uitvoeringsplan Reset Rotterdam. Galesloot: “Wij hopen dat onze nieuwe medewerker mensen kan helpen de juiste weg naar de juiste hulp te vinden. De ervaring van Veritas is dat veel mensen met schuldproblemen vastlopen in het ambtelijk circuit. Ze gaan bijvoorbeeld naar het gemeenteloket VraagWijzer, vertellen kort over hun problemen en krijgen misschien het advies eerst te gaan overleggen met de dienst Werk en Inkomen om daarna terug te komen. Mensen verdwalen in dat circuit. Intussen gaat kostbare tijd verloren, terwijl de schulden oplopen. Het idee van Veritas, dat nu dus ook bij ons in de praktijk wordt gebracht, is dat iemand bij ons zijn financiële diagnose krijgt – een keurig overzicht – waarmee hij bijvoorbeeld veel effectiever naar de gemeente kan gaan en zo nodig sneller terechtkan bij de Kredietbank Rotterdam.”
‘Binnenkomen met hartkloppingen en vertrekken met financiële ondersteuning’
multidisciplinaire karakter van het gezondheidscentrum. Maar laat het duidelijk zijn: we kunnen niet zeggen of dit het ei van Columbus is. Na de evaluatie aan het eind van het jaar weten we meer.”
Vraag achter de vraag De context waarbinnen de praktijkondersteuner in Rotterdam werd geboren, is niet nieuw. In het vorige decennium dienden zich in de eerste lijn ook veel patiënten aan met “een vraag achter de vraag”, zoals Hillary Hendriks het noemt. Zij is huisarts in Gezondheidscentrum Reeshof te Tilburg. Ze zegt: “Iemand presenteert zich met hoofd- of spierpijn, maar als je doorvraagt, krijg je bijvoorbeeld signalen van huisvestingsproblematiek.” De vijf huisartsen van GC Reeshof en zes collega’s uit omliggende praktijken konden ruim een jaar lang een professional inschakelen wanneer ze een achterliggende vraag vermoedden. Hendriks noemt een resultaat: “Een vrouw kwam met hartkloppingen op het spreekuur en was uiteindelijk geholpen met financiële ondersteuning en een cursus bloemschikken. Ze ging weer meer deel uitmaken van de maatschappij.”
Versleten meubels Genoemde professional had praktijkondersteuner welzijn kunnen heten, maar om verwarring met de andere poh’ers te voorkomen, werd gekozen voor ‘consulent maatschappelijke ondersteuning’ (cmo). Hoe werkte het?
Trots
26
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
Frans van Muilwijk: ‘Huisartsen
‘We hadden hier in Tilburg
merkten dat cliënten gerichter
iets wat optimaal werkte.’
konden worden geholpen.’
Huisarts Ad Stokmans: “Ik vertelde de patiënt dat er volgens mij vooral een niet-medisch probleem speelde en dat we in de praktijk iemand hadden met meer verstand daarvan dan ik. Als de patiënt instemde, vroeg ik de cmo contact te zoeken. Meestal bezocht die de patiënt thuis, met als doel iemand in zijn eigen omgeving te zien. De meubels konden bijvoorbeeld helemaal versleten zijn. Nadat de situatie in kaart was gebracht, benaderde de cmo het welzijnswerk, maatschappelijk werk, de wijkverpleegkundige of de gemeente. Zij kende ook de gemeentelijke regelingen, bijvoorbeeld op het vlak van schuldhulpverlening.”
‘Als ik iemand naar een grote organisatie stuur, hoop ik altijd maar dat die persoon op de goede plek terechtkomt’
Tevreden
Durft iemand dit niet of geneert hij zich? Dan kan een ‘buddy’ van Humanitas uitkomst bieden. Galesloot: “Een buddy is een ervaringsdeskundige, iemand die zelf ooit schuldenproblematiek had en de gang van zaken bij de gemeente kent. Die gaat met de patiënt mee naar de gemeente en kan bijvoorbeeld beter beoordelen of een ambtenaar de situatie juist inschat en de goede regeling treft voor de schuldenaar.”
Zal het initiatief de werkdruk van de huisartsen verminderen? Gaan zij minder mensen zien die eigenlijk niet kunnen worden geholpen tijdens hun spreekuur? Galesloot: “Dat zou je verwachten. Maar vaak gaat het om mensen die hun spanningen lichamelijk beleven; de neiging om naar de huisarts te gaan is natuurlijk niet meteen over. Maar los daarvan: als huisartsen voelen we ons trots dat we nu een collega hebben met kennis van sociaal financiële dienstverlening. Het is een verrijking van het
Ad Stokmans en Hillary Hendriks:
initiatief te stoppen en te proberen het wiel opnieuw uit te vinden. Nu moeten we het hier doen met een soort second best.” Hendriks doelt op de vaste contactpersonen die de huisartsenpraktijken hebben bij het sociaal wijkteam, de welzijnszorg en thuiszorg. De laatste is een wijkverpleegkundige die S1-achtige taken mag verrichten. Stokmans: “Maar een wijkverpleegkundige is toch meer gericht op zorg. En voor de andere contactpersonen geldt: bij grote organisaties is veel personeelsverloop. Vaak zijn ze binnen een jaar alweer vertrokken. Bovendien moet je ook met een vaste aanspreekpersoon maar afwachten of het degene is die daadwerkelijk bereikbaar is en met de cliënt aan de slag gaat.” Hendriks: “Als ik iemand naar een grote organisatie stuur, hoop ik altijd maar dat die persoon op de goede plek terechtkomt.”
Huisarts Jan Galesloot: ‘Twee uur de tijd voor een financiële diagnose.’
Het project was succesvol, vertellen de twee huisartsen en Frans van Muilwijk, directeur Gezondheidscentrum Reeshof. Laatstgenoemde: “Huisartsen merkten dat cliënten gerichter konden worden geholpen. En een onderzoek onder 180 cliënten wees uit dat ook zij tevreden waren.” Desondanks kreeg het initiatief geen vervolg. Van Muilwijk: Het project werd gefinancierd door Versterking Eerstelijn Zuid-Nederland (VEZN), onderdeel van CZ en VGZ. Het liep af. De gemeente en CZ, die in de stuurgroep waren vertegenwoordigd, hadden de verwachting dat de werkzaamheden van de cmo spontaan zouden kunnen worden overgenomen door de S1-verpleegkundige en het nieuwe sociale wijkteam van de gemeente. Ook een poh ggz-achtige constructie, waarbij gemeente en zorgverzekeraars alle deels tekenen voor de financiering, bleek op dat moment niet haalbaar.” Hendriks: “Nog steeds is er de grootschalige problematiek van ‘een vraag achter de vraag’. Zorgverzekeraars, eerste lijn en sociaal domein zoeken volop naar oplossingen. Dan denk ik: we hadden hier in Tilburg iets wat optimaal werkte, iets wat daadwerkelijk effect had op het gevoel van eigenwaarde. Het is zonde een goed lopend
Onderdeel team Stokmans: “Het beste scenario is een professional die onderdeel is van het team in de huisartsenpraktijk. Iemand die je direct kunt aanspreken. Onze cmo was van huis uit verpleegkundige en daarmee BIG-geregistreerd. Ze mocht meekijken in het HIS en had dus al voorkennis vergaard wanneer ze op huisbezoek ging. En ik kon later in het dossier zien wat er was afgesproken en hoe het allemaal liep.” Van Muilwijk: “We blijven proberen de cmo nieuw leven in te blazen.” <<
1,35 MILJOEN HUISHOUDENS In 2018 had een op de vijf Nederlandse huishoudens betalingsproblemen, zo concludeerde Nibud, het kenniscentrum voor de huishoudportemonnee. Het ging om 1,35 miljoen huishoudens.
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
27
ORGANISATIE VAN ZORG
Herstelcirkel mensen met diabetes
‘Overgewicht los je niet in de spreekkamer op’ Diabetespatiënten komen bij hun huisarts met problemen die deze dokter niet kan oplossen. Henk Schers ontwikkelde de herstelcirkel. ‘De kracht van de groep is nu onderdeel van mijn instrumentarium.”
Schulden, rouw, eenzaamheid. “Dat kan leiden tot nieuwe zorgvragen bij de huisarts. Of juist bij het wijkteam. De coaches kunnen op individueel niveau een beetje helpen. Die kijken dan vooral wat er aan extra ondersteuning nodig is. Ze kennen de lokale sociale kaart. Diegene moet het wel zelf regelen.”
TEKST: PIET-HEIN PEETERS
‘Huisarts moet geen verantwoordelijkheid nemen voor nietmedisch probleem’
Ongemak. Daar begon het voor huisarts Henk Schers mee. “Huisartsen zijn gemiddeld genomen betuttelend bezig met mensen met diabetes.” Patiënten komen elke drie maanden binnen. De huisarts meet dan en als de uitslag niet goed is, krijgen ze te horen wat ze meer of minder moeten doen. Schers: ‘Wat ze natuurlijk allang weten. Maar ze worden te weinig geholpen bij waar ze in hun omgang met diabetes iedere dag tegenaan lopen.” Schers werd geïnspireerd door een ontwikkeling in de artrosezorg. In een samenwerkingsproject met de Sint Maartenskliniek kwamen groepen patiënten met artrose in de wijk bij elkaar om scholing te krijgen en ervaringen uit te wisselen. ‘Mensen hielpen elkaar, waardoor er ook meer eigen regie ontstond.” Niks nieuws natuurlijk, beaamt Schers. “Zoiets bestaat al veel langer. Denk aan de anonieme alcoholisten die al voor de tweede wereldoorlog bestonden. Je brengt peers met elkaar in contact en zegt: Jullie zijn zelf de belangrijkste spelers, niet de zorgverleners.” Maar het zat niet in de gereedschapskist van de huisarts en het bestond evenmin op wijkniveau. “Ik had over dat laatste wel twijfels. Vinden mensen het leuk als ze elkaar elders tegen komen? Bijvoorbeeld in de supermarkt. Dat ze van elkaar weten dat ze diabetes hebben en welke zorgen ze hebben. Maar dat bleek juist als positief te worden ervaren.”
Verantwoordelijkheid De rol van de huisarts is volgens Schers vrij beperkt. Hij levert deelnemers aan, maar wat in zijn ogen “in hoge mate geen medisch probleem is, moet je ook niet medisch maken”. Zijn praktijk bemoeit zich niet met de organisatie van de cirkels. Hooguit komt er iemand een keer een presentatie geven, “maar verder blijf je zoveel mogelijk uit de groep”. Schers benadrukt ‘het eigenaarschap’ van de groep. Wie gezondheid in een buurt wil bevorderen, doet dat door
MEER REGIO'S Henk Schers: ‘We zeggen: Jullie zijn zelf de belangrijkste spelers,
Groepsdynamiek
niet de zorgverleners.’
Zo ontstond, al brainstormend met mensen binnen en buiten zijn werkveld, de herstelcirkel. Een groep van vijftien tot twintig burgers met diabetes die elkaar ondersteunen in het dagelijks leven met hun ziekte en zo veel minder vaak bij de huisarts komen. Ze wisselen ervaringen uit, geven elkaar tips. Inmiddels bestaan er rondom de praktijk van Schers in Nijmegen-Noord vier groepen. Hij en collega’s dragen de herstelcirkel als optie aan bij hun patiënten, maar de ontwikkeling van de groep wordt aan de deelnemers zelf overgelaten. Waar ze bij elkaar komen, wie de trekkers zijn in de groep, het is aan hen.
“Iedere groep krijgt wel een coach. Die heeft geen medische rol, maar is er om de groep op gang te krijgen en te zorgen dat de groep zelf de verantwoordelijkheid neemt.” De coaches zijn mensen uit de verslavingszorg, uit de ggz, leefstijlcoaches. “We hebben een competentieprofiel en een training. Ze moeten hun handen op de rug kunnen houden. Het zijn zeker geen tweede poh’s, liefst weten ze niets van bloedsuikers.” In de groepsdynamiek kan individuele problematiek op tafel komen waarbij de groep niet meer kan helpen.
28
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
Herstelcirkel in de wijk probeert de verschuiving van ziekte en zorg naar gedrag en gezondheid mogelijk te maken. De deelnemers hebben een chronische aandoening als diabetes type 2 of angst- en depressieklachten. Henk Schers: “Zij werken met zelf gestelde leefstijldoelen in groepen van vijftien tot twintig personen aan meer grip, energie en verbinding.” Herstelcirkel streeft naar een gezondheid bevorderende cultuur en structuur in de wijk. De ambitie is om over vijf jaar actief te zijn in dertien regio’s.
burgers verantwoordelijkheid te geven. Idealiter ontwikkelen ze zo samen een omgeving waar gezond leven normaler wordt, gestimuleerd wordt. “We zijn chronische aandoeningen te veel gaan medicaliseren. Bij diabetes is veel van de problematiek niet medisch, maar maatschappelijk. Overgewicht los je niet in de spreekkamer op. Huisartsen moeten geen verantwoordelijkheid nemen voor een probleem dat niet medisch is en waarvan bekend is dat er nauwelijks effectieve interventies zijn.”
Financieren De herstelcirkel als onderdeel van het aanbod van de huisarts is “uniek in Nederland”, denkt Schers. Zorgverzekeraar Menzis ondersteunt het project. Opvallend, omdat er feitelijk geen sprake is van zorgverlening. “Het zit aan de randen van de zorgverzekering. Dat vindt Menzis ook. Eigenlijk wil je het anders financieren, maar de gemeente hier staat nog niet in de stand om dit op te pakken.” Schers noemt de financiering een belangrijke vraag. “Nu zijn herstelcrirkels financieel alleen haalbaar als component van medische zorg. Maar ik zie het ook als een stukje verantwoordelijkheid van gemeenten en werkgevers.” Want de herstelcirkels zijn succesvol. “We weten inmiddels dat deelnemers minder medicatie gebruiken en gewicht verliezen. Mensen zijn niet slechter ingesteld dan wanneer ze vaker bij ons zouden komen. We zien een positieve ontwikkeling van het HDL-cholesterol. En misschien wel het belangrijkste: mensen worden zich door de groep meer bewust van wat ze zelf kunnen en willen.” Op die uitkomsten is volgens Schers wetenschappelijk heus nog wel wat af dingen, “maar deze resultaten zijn hoopgevend.” Vanuit de praktijk van Schers wordt nu eveneens gewerkt aan herstelcirkels voor mensen met psychische problematiek. “Je ziet ook daar veel afhankelijkheid van de medische zorg.
Ook daar gaat het om het aanspreken van de eigen kracht.” Schers is door de ontwikkeling van de herstelcirkels anders naar zijn werk gaan kijken. “Steeds meer mensen gaan makkelijker over hun eigen data en gezondheid beschikken en dus ook meer eigenaar van hun ziekte worden. Daar hebben we gebruik van te maken. En het inzetten op sociale verbondenheid, de kracht van de groep, is nu onderdeel van mijn instrumentarium.” <<
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
29
LEIDERSCHAP & SAMENWERKING
Welzijn op Recept
Kleur aan het leven geven Jan Joost Meijs, voorzitter van het Landelijk kennisnetwerk Welzijn op Recept, is verheugd dat al in meer dan honderd gemeenten enthousiast aan de slag is gegaan met het door hem ontwikkelde gedachtegoed. Voor het optimaliseren van het concept moet de samenwerking van die gemeenten met de zorgverzekeraars worden versterkt, stelt hij. TEKST: FRANK VAN WIJCK
Hoe komt een huisarts tot de ontwikkeling van een gedachtegoed als Welzijn op Recept? In de kern heel simpel: door een data-analyse toe te passen op zijn eigen patiëntenpopulatie, en daarvan te leren dat een groep van 950 patiënten vijf keer per jaar naar de praktijk kwam met niet-medische klachten. “Zo begon het”, vertelt Meijs. “In die tijd las ik net Mentaal vermogen. Investeren in geluk van Jan Auke Walburg. Zijn kernvraag – wat heb je nodig om gelukkig te worden – sloot naadloos aan bij wat ik dacht wat voor die 950 patiënten nodig was.”
welzijnscoach moet heel goed het aanbod in het sociaal domein kennen.” Een verwijzing naar het sociaal domein is zowel voor de huisarts als voor de professionals in het sociaal domein nog wennen, erkent Meijs. “Maar je wilt verwijzingen naar de tweede lijn voorkomen. Daarvoor is die verwijzing naar het sociaal domein essentieel, waar de ruimte bestaat om de patiënt in een andere modus te brengen: niet ingaan op de klachten, maar focussen op wat iemand energie geeft.”
Samen verkennen
‘Het sociaal domein heeft een poortwachter nodig’ Veel herkenning Uit dit alles ontstond het concept dat we nu kennen als Welzijn op Recept, waarmee inmiddels in meer dan honderd gemeenten actief gewerkt wordt. “Dat gaat heel hard”, zegt Meijs enthousiast. “Als ik huisartsen vertel over de patiënten voor wie dit primair bedoeld is, zien ze zo iemand gewoon voor zich. De herkenning is groot. De uitvoering van Welzijn op Recept is afhankelijk van de lokale context en kent daardoor veel lokaal maatwerk. Dat is goed, op voorwaarde dat de cruciale elementen in acht worden genomen die we in het Welzijn op Recept Handboek hebben beschreven. Kernelementen zijn bijvoorbeeld het selecteren van de ‘juiste patiënt’, het goede gesprek met hem voeren, hem correct verwijzen en terugkoppeling tussen de welzijnscoach en de huisarts. En de
30
DEEERSTELIJNSZORG EN GEMEENTEN 2020
Het begint met het terrein verkennen, stelt Meijs. “Niet meteen je huisartspraktijk anders inrichten, maar eerst de welzijnscoach en elkaars werkwijze leren kennen en samen verkennen wat je in samenspraak met de professionals in het sociaal domein kunt bereiken voor mensen. Dan je patiëntenbestand screenen en de patiënten om wie het gaat uitnodigen voor een gesprek dat breder gaat dan alleen diens medische problemen. Die gesprekken moet je echt proactief plannen, anders komt het er niet van.” In dat stadium speelt de poh’er een belangrijke rol, stelt Meijs. “Die heeft meer tijd en ziet veel patiënten elke drie maanden terug. Daarnaast kan de poh’er in de praktische uitvoering veel taken overnemen, zoals het frequente contact met de welzijnscoach. Hier zit wel een grens aan. Hoewel goed bedoeld, plaats ik persoonlijk vraagtekens bij het aanstellen van een poh’er armoede of schuldhulpverlening, omdat dit nu juist het werkterrein en de deskundigheid is van het sociaal domein. Goed diagnosticeren en gepast verwijzen is dan het motto voor de huisarts.”