Agendabundel
Tekst van het document
stelt het dagelijks bestuur voorafgaande aan het vaststellen van de begroting door het algemeen bestuur de raden van de deelnemende gemeenten schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld onder d, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt; f. stelt het algemeen bestuur de begroting en de meerjarenraming vast vóór 15 september van het jaar, voorafgaande aan het jaar 5/8
Gemeenschappelijke Regeling VGGM waarvoor de begroting moet dienen; g. stuurt het algemeen bestuur de vastgestelde begroting en de meerjarenraming toe aan de raden van de deelnemende gemeenten, die de in deze begroting voor de gemeente als bijdrage in de kosten van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden geraamde bedragen in de gemeentebegroting voor het betreffende jaar opnemen; h. zendt het dagelijks bestuur de vastgestelde begroting en de meerjarenraming binnen twee weken na de vaststelling doch in ieder geval vóór 15 september aan gedeputeerde staten. In het geval de begroting niet in evenwicht is en het niet aannemelijk is dat in de eerstvolgende jaren een evenwicht wordt bereikt, verzoekt het dagelijks bestuur daarbij om goedkeuring van gedeputeerde staten. Van de goedkeuring doet het dagelijks bestuur mededeling aan het algemeen bestuur en de deelnemende gemeenten. 2. Het bepaalde in dit artikel is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. Artikel 33 Bijdragen van de gemeenten Het algemeen bestuur van de VGGM stelt in een bijdrageregeling vast op welke wijze berekend wordt welke bijdrage de colleges verschuldigd zijn voor de uitvoering van de basistaken. Voordat het algemeen bestuur de bijdrageregeling bij unaniem besluit vaststelt, wordt deze ter zienswijze aan de raden voorgelegd. Artikel 34 Jaarstukken 1.
Het dagelijks bestuur legt aan het algemeen bestuur over elk begrotingsjaar verantwoording af over het door hem gevoerde beleid, onder overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag en overige relevante stukken. 2. De jaarstukken, genoemd in lid 1, voldoen aan het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, voor zover van toepassing. 3. In de jaarrekening wordt het door elk van de deelnemende gemeenten over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen. 4. De in het eerste lid bedoelde stukken liggen, zodra zij aan het algemeen bestuur zijn overgelegd, voor een ieder ter inzage en zijn algemeen verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaar stelling wordt openbaar kennisgegeven. Het algemeen bestuur beraadslaagt over de jaarrekening en het jaarverslag niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving. 5. Het algemeen bestuur stelt de jaarstukken vast voor 15 juli volgende op het jaar waarop deze betrekking hebben. Het dagelijks bestuur zendt de door het algemeen bestuur vastgestelde jaarstukken binnen twee weken aan gedeputeerde staten. 6. Vaststelling van de jaarrekening strekt het dagelijks bestuur tot décharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden. HOOFDSTUK XI ARCHIEF Artikel 35 Archief 1.
Het dagelijks bestuur is voor zover het gedelegeerde taken betreft, belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de Veiligheidsen Gezondheidsregio Gelderland-Midden en haar organen, overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen regeling. Deze regeling wordt aan gedeputeerde staten medegedeeld. 2. De zorg voor de archiefbescheiden die ontstaan uit hoofde van de door de deelnemers gemandateerde taken berusten bij deze deelnemers. De deelnemers en het dagelijks bestuur maken hierover nadere afspraken in een dienstverleningsovereenkomst, onder meer over de verrekening van kosten van beheer van de archiefbescheiden voor zover daar sprake van is. 3. De directie is belast met het beheer van de archiefbescheiden, bedoeld in het eerste en tweede lid voor zover die niet zijn overgebracht naar de aangewezen archiefbewaarplaats. 4. Voor de bewaring van over te brengen archiefbescheiden wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats aan. 5. De beheerder van de in het vorige lid aan te wijzen archiefbewaarplaats oefent overeenkomstig de regeling als bedoeld in het eerste lid toezicht uit op het beheer van de archiefbescheiden van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden en haar organen, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.
HOOFDSTUK XII EVALUATIE, TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING Artikel 36 Evaluatie 1. Het algemeen bestuur draagt zorg voor een periodieke evaluatie van deze regeling, minimaal één keer per 4 jaar. 2. Het algemeen bestuur bepaalt het moment, de onderwerpen en de diepgang van het evaluatieonderzoek. Artikel 37 Toetreding 1. Toetreding van gemeenten is mogelijk na wijziging van de indeling van gemeenten in regio’s volgens de bijlage bij artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s. 2. De toetreding van een gemeente komt tot stand indien de colleges van de deelnemende gemeenten en het college dat wenst toe te treden daartoe hebben besloten, na voorafgaande zienswijze en toestemming van hun raden daartoe. 3. Het algemeen bestuur regelt de procedure en alle gevolgen van de toetreding en kan voorwaarden verbinden aan de toetreding. Artikel 38 Uittreding 1. Uittreding is alleen mogelijk voor zover de wet erin voorziet. 2. Een college kan besluiten tot uittreding, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 3. Een college zendt, na voorafgaande zienswijze en toestemming van zijn raad, het besluit tot uittreding aan het bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen. 4.
Het algemeen bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het concept- uittredingsplan. 5. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 6. De uittreding gaat in op 1 januari van het jaar volgende op het verstrijken van een termijn van twee jaren na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeen komen. Artikel 39 Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1. Elk van de colleges kan, na zienswijze daarop door en met verkregen toestemming van de raad, besluiten uit deze regeling te treden met ingang van een begrotingsjaar, mits het opzeggende college het voorgenomen besluit daartoe tenminste 2 jaar voordien ter kennis heeft gebracht van de overige colleges. 2. Het algemeen bestuur stelt een voorstel op voor financiële, personele en overige gevolgen van de uittreding. Het college dat voornemens is uit te treden neemt op basis van het voorstel een definitief besluit, onverminderd het bepaalde in artikel 1, tweede en derde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De kosten voor het maken van het voorstel komen voor rekening van het college dat voornemens is uit te treden. 3.
Ten behoeve van het voorstel voor de financiële, personele en overige gevolgen, bedoeld in het vorige lid, wordt een in overleg met de uittredende deelnemer aan te wijzen onafhankelijke registeraccountant opdracht verleend de genoemde gevolgen in kaart te brengen. 6/8
Gemeenschappelijke Regeling VGGM
4.
5. 6.
7.
8.
9.
De opdracht wordt verstrekt door het dagelijks bestuur. Voorafgaand aan de opdrachtverstrekking wordt de uittredende deelnemer in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de opdracht. Het voorstel bedoeld in het tweede lid wordt definitief vastgesteld door het algemeen bestuur nadat de uittredende deelnemer in de gelegenheid is gesteld een zienswijze te geven. Alsdan zijn de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen bindend. Het definitieve voorstel wordt vastgesteld uiterlijk acht kalendermaanden nadat de deelnemer zijn voornemen tot uittreding, als bedoeld in het eerste lid, bekend heeft gemaakt. Het algemeen bestuur en de uittredende deelnemer en de blijvende deelnemers spannen zich gezamenlijk in om frictiekosten en desintegratiekosten zo laag mogelijk te houden. Het voorstel bedoeld in het derde en vierde lid vermeldt de verdeling van desintegratieskosten en frictiekosten. Financieel uitgangspunt voor de bepaling van kosten en prijzen vormt de meest recente vastgestelde jaarrekening op dat moment.
Bij de verdeling komen in ieder geval, maar niet uitsluitend, de volgende aspecten aan de orde: a) overname door deelnemers van geactiveerde goederen dan wel vergoeding wegens niet overnemen; b) overname van contractuele verplichtingen jegens leveranciers, dan wel vergoeding wegens niet overname; c) overname door deelnemers van personeelsleden, dan wel vergoeding wegens niet overname, en d) eventuele nadelige financiële consequenties in verband met omzetbelastingen/of vennootschapsbelasting. Bij de bepaling van de desintegratiekosten wordt uitgegaan van het volgende principe: de uittredende deelnemer betaalt: - het eerste jaar 100% van de desintegratiekosten; - het tweede jaar 80% van de desintegratiekosten; - het derde jaar 60% van de desintegratiekosten; - het vierde jaar 40% van de desintegratiekosten, en - het vijfde jaar 20% van de desintegratiekosten. Nadat het voorstel overeenkomstig het vierde lid is vastgesteld is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen te voldoen. Het algemeen bestuur stelt de uittredende deelnemer desgewenst in de gelegenheid door overname van personeel, materieel, activa en passiva de hoogte van de desintegratiekosten te verminderen.
De gevolgen van de uittreding worden, op basis van het voorstel, bedoeld in het vierde lid, bij gelijkluidend besluit vastgesteld door de colleges.
Artikel 40 Wijziging 1. Zowel het algemeen bestuur, al dan niet op voorstel van het dagelijks bestuur, als de colleges van tenminste vier deelnemende gemeenten kunnen met redenen omklede voorstellen aan alle colleges doen tot wijziging van de regeling. 2. Een wijziging van de regeling is tot stand gekomen wanneer ter vergadering van het algemeen bestuur blijkt dat de colleges van ten minste twee derde van de deelnemende gemeenten tot de wijziging hebben besloten, na daaraan voorafgaand zienswijze te hebben gevraagd en toestemming hebben verkregen van hun raden overeenkomstig artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 41 Opheffing 1. De regeling wordt opgeheven wanneer ter vergadering van het algemeen bestuur blijkt dat colleges van ten minste twee derde van de deelnemende gemeenten tot opheffing hebben besloten, met inachtneming van de bepalingen in artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 2. Ingeval van opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige regelen in het liquidatieplan. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling worden afgeweken. Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, de colleges van de deelnemende gemeenten gehoord, vastgesteld. 3. Het liquidatieplan voorziet in ieder geval in: a.
de verplichting van de deelnemende gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de beëindiging van de regeling; b. de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel, en c. de gevolgen voor de door de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden en haar organen gevormde archieven. 4. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie. 5. Zo nodig blijven de organen van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden in functie ook na het tijdstip van opheffing, totdat de liquidatie is voltooid. HOOFDSTUK XIII GESCHILLEN Artikel 42 Geschillen 1. Voordat over een geschil als bedoeld in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen de beslissing van gedeputeerde staten wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een daartoe door partijen in te stellen geschillencommissie. 2. De geschillencommissie bestaat uit vertegenwoordigers, aangewezen door elk der bij het geschil betrokken partijen, alsmede een door deze vertegenwoordigers aangewezen onafhankelijke voorzitter. 3. De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen. 4. De geschillencommissie brengt aan het algemeen bestuur advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen. HOOFDSTUK XIV SLOTBEPALINGEN Artikel 43 Duur van de regeling De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.
Artikel 44 Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op de dag volgend op de dag van bekendmaking. Artikel 45 Titel De regeling wordt aangehaald als Gemeenschappelijke regeling Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden.
7/8
Toelichting op gewijzigde “Gemeenschappelijke Regeling Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden 2025” In verband met de wijziging van de Wet Gemeenschappelijke regelingen (Wgr) is het noodzakelijk de “Gemeenschappelijke Regeling Veiligheids-en Gezondheidsregio Gelderland-Midden” (hierna: de regeling) te actualiseren. De wetgever heeft bepaald dat de regeling uiterlijk per 1 juli 2024 dient te zijn aangepast aan de Wgr. In deze notitie wordt een toelichting gegeven op de belangrijkste wijzigingen in voorliggende ontwerpregeling VGGM 2025. Kleinere (technische) wijzigingen zijn opgenomen in de “was/wordt lijst”.
Inleiding De Wgr maakt (publiekrechtelijke) samenwerking mogelijk tussen provincies, gemeenten en/of waterschappen. De regeling Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) betreft een zogenaamde “verplichte” gemeenschappelijke regeling. Met de gewijzigde wet beoogt de wetgever de betrokkenheid van gemeenteraden bij het bestuur van een samenwerkingsverband te verbeteren. Zo introduceert de gewijzigde Wgr extra mogelijkheden en instrumenten voor raden om hun kaderstellende en controlerende rol beter in te vullen. Aangezien samenwerkingsverbanden verschillend van aard zijn, hebben gemeenschappelijke regelingen ruimte om de gewijzigde Wgr op een eigen manier toe te passen. De raden van deelnemende gemeenten bepalen hoe ze met de nieuwe mogelijkheden omgaan. VGGM heeft de volgende uitgangspunten gehanteerd bij de wijziging van de regeling: 1. In de regeling worden zo min mogelijk teksten opgenomen die ook al staan in andere weten regelgeving, tenzij dit de leesbaarheid van de regeling niet ten goede komt. Wel kan de regeling verwijzingen bevatten naar deze wet- en regelgeving. 2. De nieuwe regeling is zodanig algemeen beschreven wordt dat de regeling toekomstbestendig is en zo min mogelijk hoeft te worden gewijzigd. 3. De wijzigingen die betrekking hebben op het extra instrumentarium van raden worden afgestemd met griffiers en raden.
Hiertoe is afstemming met griffiers in maart 2023 een tweetal bijeenkomsten georganiseerd om een beeld op te halen hoe de aanwezigen raadsleden aankeken tegen het nieuwe instrumentarium in relatie tot VGGM. Ten aanzien van de uitwerking van het nieuwe instrumentarium uit de gewijzigde Wgr heeft in maart 2023 een regionale bijeenkomst plaatsgevonden waarin met raadsleden is gesproken over de nadere uitwerking van het nieuw instrumentarium. In onderstaande tabel wordt aangegeven hoe deze uitwerking is vormgegeven in de ontwerpregeling.
Nieuwe instrumentarium raad met wijziging Wgr 1. Adviescommissies instellen De mogelijkheid om per gemeenschappelijke regeling een gemeenschappelijke adviescommissie in te stellen
Verwerking in regeling VGGM
2. Zienswijzen uitbreiden Voor zwaarwegende besluiten binnen een gemeenschappelijke regeling. Er moet aangewezen worden voor welke besluiten een zienswijze-procedure geldt. 3. Actieve informatieplicht Er moet worden vastgelegd op welke wijze de gemeenschappelijke regeling invulling geeft aan een actieve informatieplicht richting raden. Dit is een plicht over alles wat er binnen de gemeenschappelijke regeling speelt. Niet beperkt tot te nemen besluiten. 4. Participatie inwoners en belanghebbenden Er moet worden vastgelegd op welke wijze inwoners en belanghebbenden betrokken worden bij voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. 5. Evaluatieverplichtingen Er moet een bepaling zijn over evaluatie van de regeling. 6. Uittredingsregeling De bepalingen rondom uittreding worden aangescherpt, het is niet meer voldoende te volstaan met een bepaling dat het Algemeen Bestuur gevolgen van een uittreding regelt.
Uitgewerkt in artikel 13 van de regeling
Niet opgenomen in de regeling. Een adviescommissie kan overigens wel op enig moment worden geïnitieerd op verzoek van de betrokken raden. Dit staat los van het wel of niet opnemen in de regeling.
Uitgewerkt in artikel 26 van de regeling. Het algemeen bestuur stelt een informatieprotocol vast waarin hieraan nadere uitwerking wordt gegeven.
Uitgewerkt in artikel 14 van de regeling
Uitgewerkt in artikel 36 van de regeling De wetgever lijkt zich bij de uittredingsregeling vooral te richten op vrijwillige regelingen. De Veiligheidsregio’s zijn echter verplichte regelingen. Van uittreden of opheffen is daarom geen sprake. Uitzondering is een gemeentelijke herindeling waarbij het grondgebied van een Veiligheidsregio verandert of een situatie waarbij de wetgever kiest voor een andere regio-indeling. In dat geval volgt uit de Wvr de verplichting om een nieuwe regeling te treffen. Om toch tegemoet te komen aan de verplichting tot het opnemen van een uittredingsregeling, is artikel 39 toegevoegd.
8. Aanpassing begrotingscyclus Aanpassingen van de termijnen voor kadernota, ontwerpbegroting en begroting zodat de cyclus van een regeling beter aansluit op die van gemeenten.
De artikelen in hoofdstuk X zijn aangepast in overeenstemming met de nieuwe termijnen.
Tabel 1: uitwerking nieuw instrumentarium Wgr in ontwerpregeling VGGM
Algemene toelichting op de ontwerp- gemeenschappelijke regeling VGGM 2025 HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN In artikel 14 van de Wet Publieke Gezondheid (Wpg) en in artikel 9 van de Wet Veiligheidsregio’s (Wvr) is bepaald dat de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten die behoren tot een regio een gemeenschappelijke regeling treffen voor het instellen van een openbaar lichaam die namens deelnemende gemeenten uitvoering geeft aan wettelijk vastgelegde taken op deze taakvelden. De rol van de gemeenteraden is volgens de Memorie van Toelichting als volgt
weergegeven: Allereerst dienen de gemeenteraden van de verschillende gemeenten op grond van artikel 1, tweede lid WGR toestemming te geven voor het treffen of wijzigen van een gemeenschappelijke regeling. Daarnaast kan de raad kaders stellen en is de controlerende taak van de raad geborgd via de planning- en controlcyclus. De burgemeester legt als lid van het algemeen bestuur verantwoording af aan de gemeenteraad. De belangen t.a.v. veiligheid en gezondheid als het gaat om de uitvoering van taken, blijven ondergebracht in één gemeenschappelijke regeling. Wens is om de verschillende bestuurlijke verantwoordelijkheden duidelijker te onderscheiden, daarbij aansluitend bij de verschillende bestuurlijke verantwoordelijkheden binnen de colleges. Bij de vorming van VGGM uit haar rechtsvoorganger Hulpverlening Gelderland Midden is door het toenmalige bestuur de wens uitgesproken om het takenpakket beschreven in de regeling niet op te knippen in twee regelingen: één voor de veiligheidsregiotaken en één voor de GGD-taken. In andere regio’s was dat wel het geval. De achtergrond van deze keuze daarbij was dat er schaalvoordelen zijn voor met name de bedrijfsvoering en dat beleidsmatig gezien er raakvlakken zijn tussen zorg en veiligheid. Vanuit deze historische context is de huidige regeling vormgegeven.
In 2022 en 2023 is door het bestuur gesproken over de verbetering van een aantal knelpunten als het gaat om de governance van de organisatie. Hierbij is opnieuw gesproken over de reikwijdte van de gemeenschappelijke regeling. Het bestuur, als vertegenwoordigers van de colleges van deelnemende gemeente, hecht aan het behoud van het brede takenpakket wat nu in de regeling VGGM is beschreven. De meerwaarde hiervan is gelegen in de mogelijkheid om: 1. bij crises organisatorisch snel op te kunnen schalen en af te stemmen; 2. op het gebied van de bedrijfsvoering synergievoordelen te realiseren; 3. op thematische onderdelen, zoals bijvoorbeeld de inrichting van de leefomgeving, beleidsmatige samenhang te realiseren tussen veiligheid en gezondheid. T.a.v. het realiseren van synergievoordelen op het gebied van bedrijfsvoering is geconstateerd dat er schaalvoordelen te behalen zijn maar dat het in een complexe organisatie als VGGM ook mogelijk is juist nadeel te ondervinden. Bijvoorbeeld als een afdeling HRM moet werken met vier verschillende cao’s. Daarom is het van belang de bedrijfsvoering zodanig in te richten dat aandacht is voor de verschillen binnen de onderdelen van VGGM. Centraal waar het moet, decentraal waar het kan.
Tevens is geconstateerd, kijkend naar met name de ervaringen met de bestrijding van de Covid-19 pandemie, dat het voor de crisisbeheersing behulpzaam is dat GGD en Veiligheidsregio in één organisatie zitten. Korte lijnen maken de afstemming makkelijker en er kon vanuit andere onderdelen hulp worden geboden aan het onderdeel GGD.
HOOFDSTUK 2 BELANGEN, TAKEN EN VERANTWOORDELIJKHEDEN Artikel 3 Belangen Op grond van artikel 10 van de Wgr vermeldt de regeling het belang of de belangen ter behartiging waarvan de regeling is getroffen. Onder belang kan worden verstaan het beleidsterrein waarop wordt samen gewerkt, waardoor het werkgebied van de gemeenschappelijke regeling wordt afgebakend. Artikel 4 en 5 Taken en verantwoordelijkheden Er wordt een onderscheid gemaakt naar wettelijke taken en aanvullende (plus)taken. De uitvoering en financiering van aanvullende (plus)taken wordt geregeld in dienstverleningsovereenkomsten. In beginsel vallen alle taken op het gebied van veiligheid onder het basistakenpakket. Ten aanzien van de taken op het gebied van publieke gezondheid wordt een onderscheid gemaakt tussen basistaken en plustaken (of maatwerk). In artikel 5 wordt de grondslag voor de wettelijk overgedragen taken benoemd. Overigens heeft de wetgever tevens enkele verantwoordelijkheden bij wet rechtstreeks toegekend aan de commandant van de brandweer en aan de directeur publieke gezondheid.
Artikel 8 Klachtenafhandeling Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht regelt de Klachtbehandeling. Dit hoofdstuk legt het recht vast voor burgers op een onafhankelijke behandeling van bestuursorganen. Deze is ook van toepassing op de bestuursorganen van alle gemeenschappelijke regelingen. De gemeenschappelijke regelingen vallen van rechtswege onder de Nationale Ombudsman tenzij in de gemeenschappelijke regeling zelf wordt aangegeven dat externe klachten behandeld worden via een ombudsvoorziening. Deze mogelijkheid is opgenomen in de regeling, maar er wordt (nu) géén verdere uitwerking aan gegeven. HOOFDSTUK III – VII ORGANEN Artikel 9 In dit artikel worden de verschillende bestuursorganen benoemd. Deze worden uitgewerkt in de daarop volgende hoofdstukken IV (algemeen bestuur), V (dagelijks bestuur), VI (voorzitter) en VII (commissies) Artikelen 10 en 11 Artikel 10 beschrijft dat ingevolge artikel 11, eerste lid van de Wet Veiligheidsregio het algemeen bestuur bestaat uit de burgemeesters van de deelnemende gemeenten. Omdat het lidmaatschap van het algemeen bestuur is gekoppeld aan de functie van burgemeester, is de zittingstermijn niet gebonden aan een termijn. Het lidmaatschap eindigt bij beëindiging van het burgemeesterschap.
Vervanging van leden van het algemeen bestuur vindt, gelet op de gedachte van verlengd lokaal bestuur, plaats conform de vervangingsregels in artikel 77 en 78 van de Gemeentewet. Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van het openbaar lichaam. Vanuit deze positie neemt het algemeen bestuur alle besluiten die betrekking hebben op de behartiging van het belang van de regeling en de uitoefening van de bevoegdheden van het openbaar lichaam, tenzij deze bij wet of deze regeling aan een ander orgaan (dagelijks bestuur, voorzitter of commissies) zijn toegekend. Artikel 11, lid 6 De wet Toelating zorginstellingen stelt eisen aan een onafhankelijk toezicht op het bestuur van de ambulancezorg. Daartoe is artikel 11b toegevoegd die daar nadere invulling aan geeft. De wet stelt specifieke eisen aan het toezicht en het bestuur op de ambulancezorg. Dit betekent dat bepaalde besluiten (genoemd in artikel 15, tweede lid van de Wet Ambulancezorgvoorziening) goedkeuring behoeven van het Algemeen Bestuur. Deze bevoegdheid van het Algemeen Bestuur is wettelijk toegewezen aan het Algemeen Bestuur en kan daarmee niet worden overgedragen aan een bestuurscommissie. Artikel 12 Besluitvorming In de regeling is een nieuwe werkwijze opgenomen ten aanzien van gewogen stemming omdat de werkwijze uit de oude regeling strijdig is met de wet ingevolge artikel 14, derde lid van de Wgr.
In de praktijk is, sinds het bestaan van VGGM en haar rechtsvoorganger HGM, nimmer sprake geweest van een stemming over de begroting of jaarrekening. De Wgr (artikel 14 lid 3) schrijft voor dat het DB (zowel in aantal leden als in de stemverhouding) in het AB geen meerderheid mag vormen. Dat is in de huidige samenstelling wél het geval bij besluiten met een gewogen stemming. Door wijziging van de samenstelling van het DB is het denkbaar dat dit probleem zich vanzelf oplost maar het is ook heel goed mogelijk dat dit niet zo is. Daarom is overwogen óf een andere gewogen besluitvorming op te nemen in de GR óf de gewogen besluitvorming geheel te schrappen (waarbij dus voor alle stemmingen geldt dat elke gemeente één stem heeft). Gekozen is voor een andere gewogen stemverhouding. Bij toepassing van de nieuwe verdeling kan een DB bestaande uit 4 leden (incl. voorzitter) nooit een meerderheid in het AB vormen. Bij een DB bestaande uit 5
leden is dit nog wel mogelijk. Dit betekent dat het AB bij de benoeming van DB leden daar rekening mee moet houden. Op grond van de Wgr is het niet toegestaan dat de gemeenschappelijke regeling een bepaling bevat die de voorzitter een doorslaggevende stem geeft bij stakende stemmen. In artikel 11 vijfde lid van de Wvr is echter opgenomen dat bij het staken van de stemmen de stem van de voorzitter de doorslag geeft. Artikel 13 Zienswijzen In de Wgr is opgenomen dat in de regeling moet worden bepaald voor welke besluiten verplicht een zienswijzeprocedure – bij de raden– moet worden doorlopen. Op grond van de Wgr was het al zo dat voor de begroting een zienswijzeprocedure wordt gevolgd. De gewijzigde Wgr maakt het mogelijk om zo’n procedure ook voor andere zwaarwegende besluiten te volgen, zoals besluiten met een aanzienlijk financieel belang, politiek gevoelige besluiten of beleidsmatige keuzes. In de regeling is opgenomen dat het algemeen bestuur hierover besluit. Een aantal zienswijzen volgen uit andere wettelijke verplichtingen zoals de zienswijze op de begroting, het wijzigen van deze regeling, het instellen van commissies en het besluiten tot oprichting van deelneming in andere entiteiten. Binnen VGGM is het historisch zo gegroeid dat ook de resultaatbestemming aan de gemeenteraden wordt aangeboden voor een zienswijze. Dit kent geen wettelijke grondslag.
Artikel 14 Participatie De Wgr stelt aanvullende verplichtingen over de wijze waarop ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken worden. Tijdens de bijeenkomst met raadsleden in maart 2023 is door aanwezigen raadsleden de wens uitgesproken dat VGGM als uitvoeringsorganisatie zoveel mogelijk aansluiting zoekt bij het participatiebeleid in de gemeenten. Die werkwijze zal worden gevolgd, tenzij er sprake is van eigen beleid van VGGM. In de regeling is opgenomen dat het algemeen bestuur de participatie t.a.v. eigen beleid vastlegt in een participatieregeling. Artikel 15 Samenstelling dagelijks bestuur Het bestuur heeft in 2023 de wens uitgesproken de taken en rollen van de verschillende bestuursorganen duidelijker van elkaar te onderscheiden. Voor wat betreft het dagelijks bestuur is aangegeven dat de focus van het dagelijks bestuur minder ligt bij de inhoud van de verschillende beleidsvelden en meer ligt bij de bedrijfsvoering.
Tevens is aangegeven dat het aantal DB leden lager mag zijn (passend bij de taken die belegd zijn bij het DB), dat lidmaatschap voor onbepaalde tijd niet wenselijk is om afwisseling te bevorderen en dat de eerder opgenomen geografische spreiding mag verdwijnen omdat het belang van goede competentie en ervaring op het gebied van bedrijfsvoering prevaleert boven het belang van geografische spreiding. Wettelijk is bepaald dat het DB bestaat uit de voorzitter en minimaal 2 leden uit het Algemeen Bestuur. Daarnaast is het mogelijk een lid toe te voegen aan het DB die niet afkomstig is uit het AB. Dat kan alleen als er sprake is van een “aanmerkelijk belang” en dat is bij VGGM het geval omdat VGGM niet alleen een veiligheidsregio maar ook een gezondheidsregio is. Om enige flexibiliteit te houden, is in de nieuwe regeling opgenomen dat er drie leden uit het AB worden benoemd als DB lid. Bij de benoeming van een derde lid uit het AB als DB lid, dient het AB rekening te houden met het gestelde bij artikel 12 van de regeling.
Artikel 16 Werkwijze De bevoegdheden van het dagelijks bestuur vloeien voort uit artikel 33b Wgr. Het dagelijks bestuur kan daarbij een portefeuilleverdeling maken of bevoegdheden in mandaat opdragen aan de algemeen directeur of andere functionarissen (art 10:3 Awb). Hoofdstuk VI Voorzitter Op de voorzitter is het Besluit rechtspositie voorzitters veiligheidsregio’s van toepassing. Op basis van artikel 11, tweede lid Wvr, wordt de voorzitter van de veiligheidsregio benoemd, geschorst en ontslagen bij koninklijk besluit op voordracht van de Minister van Justitie en Veiligheid. Er is niet voor gekozen de aanwijzing van de voorzitter van de veiligheidsregio aan de regio zelf over te laten. De positie van de voorzitter van de veiligheidsregio’s brengt mee dat de mogelijkheid dient te bestaan de voorzitter te ontslaan. In de AMvB “Besluit rechtspositie voorzitters veiligheidsregio’s” zijn nadere regels gesteld over de rechtspositie van de voorzitter. Hoofdstuk VII Commissies Artikel 24 van de Wgr regelt in het eerste lid dat het algemeen bestuur van een openbaar lichaam commissies van advies kan instellen. Artikel 22 van de Gemeentewet is daarbij van overeenkomstige toepassing.
Hierin is bepaald dat de instelling vaste commissies van advies aan het dagelijks bestuur of de voorzitter eveneens geschiedt door het algemeen bestuur, maar dan op voorstel van het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter. Andere commissies van advies aan het dagelijks bestuur of de voorzitter worden door het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter ingesteld. Op grond van artikel 25 van de Wgr kan het algemeen bestuur ook commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen, indien althans de regeling in deze mogelijkheid voorziet. Dit zijn de zogenaamde bestuurscommissies. Indien het algemeen bestuur van deze mogelijkheid gebruik wenst te maken is daarvoor (per in te stellen bestuurscommissie) voorafgaande toestemming van de raden van elk der deelnemende gemeenten vereist. In voorkomend geval dient het algemeen bestuur de bevoegdheden en de samenstelling van een dergelijke commissie te regelen. In de ontwerp regeling VGGM 2024 is opgenomen dat er twee bestuurscommissies wordt ingesteld: één bestuurscommissie Veiligheid (bestaande uit burgemeesters) en één commissie Gezondheid (bestaande uit wethouders).
In het concept “Instellingsbesluit bestuurscommissies VGGM” is uitgewerkt welke bevoegdheden worden overdragen en is de werkwijze van de bestuurscommissies geregeld, waarbij vanzelfsprekend de bevoegdheden op het gebied van veiligheid aan de bestuurscommissie Veiligheid worden overgedragen en de bevoegdheden op het gebied van gezondheid aan de bestuurscommissie Gezondheid. Op deze overdracht zijn de bepalingen over delegatie in Afdeling 10.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Daaruit volgt dat het algemeen bestuur bij het delegeren van de bevoegdheden beleidsregels, oftewel instructies, kan geven aan de bestuurscommissie over de uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheden. Het gaat dan niet om concrete gevallen, maar om instructies die algemeen gelden bij de uitoefening van de bevoegdheden in de bestuurscommissies. Dat kan in het Instellingsbesluit bestuurscommissies worden opgenomen, maar dat kan ook op een later moment. Naast de instructiemogelijkheid geeft de Algemene wet bestuursrecht aan dat de bestuurscommissies inlichtingen dienen de geven als daarom door het algemeen bestuur wordt verzocht.
Bij de aanbieding van het ontwerp- wijzigingsbesluit gemeenschappelijke regeling VGGM is het ontwerp-instellingsbesluit voor deze commissies (Instellingsbesluit bestuurscommissies VGGM) toegevoegd waarbij de raden in de gelegenheid zijn gesteld wensen en bedenkingen te uiten over dit ontwerp-instellingsbesluit. Deze procedure heeft niet geleid tot inhoudelijke wensen en bedenkingen waarmee het instellingsbesluit ongewijzigd kan worden vastgesteld door het algemeen bestuur VGGM. Verhoudingen op het gebied van informatie en verantwoording tussen de verschillende bestuursorganen, te weten het algemeen bestuur, de bestuurscommissies, het dagelijks bestuur, de colleges en de gemeenteraden. Het algemeen bestuur kan aan een bestuurscommissie bevoegdheden van het algemeen bestuur overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich daartegen verzet. Het algemeen bestuur kan in ieder geval niet overdragen de bevoegdheid tot: a. het vaststellen van de begroting of van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34 Wgr; b. het heffen van rechten, bedoeld in artikel 30, eerste lid, sub a Wgr; c. het vaststellen van verordeningen door strafbepaling of bestuursdwang te handhaven. Aanvullend is in het Instellingsbesluit Bestuurscommissies VGGM opgenomen dat ook de bevoegdheden genoemd in artikel 11 derde lid van de regeling niet worden overgedragen.
Daarbij gaat het onder andere om het besluit om deel te nemen aan een stichting, het vaststellen van het (meerjaren)beleidsplan en het wijzingen van regelingen. De bestuurscommissie legt verantwoording af aan het algemeen bestuur, omdat die zijn bevoegdheden heeft gedelegeerd. Een lid van het algemeen bestuur is verantwoording schuldig richting het eigen college en de raad van de eigen gemeente over de aan de bestuurscommissies overgedragen bevoegdheden. Een lid van een bestuurscommissie legt geen verantwoording af aan het college of de raad van zijn gemeente, maar alleen aan het algemeen bestuur. De bestuurscommissies kunnen hun overgedragen bevoegdheden slechts uitoefenen binnen de door het algemeen bestuur vastgestelde kaders, waaronder de financiële kaders in de vastgestelde begroting. Ten aanzien van de vergadering van een commissie waaraan bevoegdheden van het algemeen bestuur zijn overgedragen is artikel 22, derde, vierde en vijfde lid Wgr van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van door het algemeen bestuur vastgestelde nadere regels. Dit betekent dat de vergaderingen van de bestuurscommissie in beginsel openbaar zijn. De voorbereiding en uitvoering van besluiten van het algemeen bestuur is in artikel 33b Wgr een bevoegdheid van het dagelijks bestuur.
In lijn daarmee wordt, nu de beslissingen van het algemeen bestuur zijn overgedragen aan de bestuurscommissies, de voorbereiding uitvoering van besluiten van de bestuurscommissies eveneens bij het dagelijks bestuur neergelegd. Dat past ook bij de rol die het dagelijks bestuur in het nieuwe governance toebedeeld is, namelijk de verantwoordelijkheid voor de bedrijfsvoering. Het algemeen bestuur kan besluiten en andere, niet-schriftelijke beslissingen gericht op enig rechtsgevolg van een door hem ingestelde commissie vernietigen. Het algemeen bestuur kan zijn bevoegdheid tot schorsing overdragen aan het dagelijks bestuur. Ten aanzien van de vernietiging van niet-schriftelijke beslissingen gericht op enig rechtsgevolg zijn de afdelingen 10.2.2. en 10.2.3. van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK VIII Inlichtingen, verantwoording en ontslag De artikelen 16 en 17 van de Wgr schrijven voor dat een gemeenschappelijke regeling bepalingen bevat over het verstrekken van informatie en het afleggen van verantwoording en de wijze waarop dit gebeurd. Daarbij gaat het zowel om de informatie- en verantwoordingsplicht binnen de gemeenschappelijke regeling (de relatie tussen het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur) als om de informatie- en verantwoordingsplicht van het bestuur van de gemeenschappelijke regeling ten opzichte van de raden van de deelnemende gemeenten. Een verzoek om inlichtingen te verschaffen en/of verantwoording af te leggen kan uitsluitend worden geweigerd op de gronden vermeld Wet open overheid. In artikel 26 van de regeling is opgenomen dat de nadere uitwerking hiervan wordt geregeld in een informatieprotocol. HOOFDSTUK X FINANCIËLE BEPALINGEN
In artikel 32 zijn gewijzigde termijn opgenomen als genoemd in de gewijzigde Wgr. Op verzoek van enkele gemeenten is dit artikel opgenomen dat de “algemene en financiële kaders” voor de begroting eerder worden aangeboden dan wettelijk is bepaald. Hierbij worden de raden in gelegenheid gesteld een zienswijze uit te brengen.
HOOFDSTUK XII EVALUATIE, TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING
Een gemeenschappelijke regeling dient een regeling te bevatten omtrent de toetreding en uittreding (artikel 9 Wgr). Op basis van artikel 9 van de WVR moeten de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten die behoren tot een regio als bedoeld in artikel 8 van die wet een gemeenschappelijke regeling treffen. Dit betekent dat een gemeente alleen kan toetreden tot of uittreden uit een gemeenschappelijke regeling als de verdeling van de gemeenten in regio’s wordt gewijzigd. In dat geval zijn de gemeenten waarop de wijziging betrekking heeft zelfs verplicht om over te gaan naar een andere regeling.
Wijziging van de gemeenschappelijke regeling Veiligheids-en Gezondheidsregio Gelderland-Midden De colleges van de gemeenten Arnhem, Barneveld, Doesburg, Duiven, Ede, Lingewaard, Nijkerk, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Scherpenzeel, Wageningen, Westervoort en Zevenaar, gelet op de inwerkingtreding van de nieuwe Wet gemeenschappelijke regelingen op 1 juli 2022; gelet op het voorstel van het algemeen bestuur Veiligheids-en Gezondheidsregio. besluiten vast te stellen: Het besluit tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden;
I
Wijzigingen
De gemeenschappelijke regeling Veiligheids-en Gezondheidsregio Gelderland-Midden wordt als volgt gewijzigd: A. In de aanhef vervalt “Rijnwaarden”. B. In de aanhef wordt de verwijzing naar “Tijdelijke wet ambulancezorg” vervangen door: “Wet ambulancevoorzieningen”. C. In de aanhef wordt “1 januari 2025” vervangen door: “1 juli 2022”. D. Aan het eind van de aanhef wordt toegevoegd “. Zodat deze als volgt luidt:” E. In artikel 1, tweede lid vervalt “Rijnwaarden”. F. Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het eerste lid onder h wordt: “de voorzitter: de voorzitter van de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden;“; 2. In het eerste lid onder i wordt “artikel 28, tweede lid” vervangen door “artikel 29, tweede lid”; 3. Het eerste lid onder j vervalt; 4. Onder verlettering van het eerste lid onder k naar j wordt de begripsomschrijving voor de GHOR: “Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie in de Regio als bedoeld in artikel 32 van de Wet veiligheidsregio’s.” G. In de titel van Hoofdstuk II wordt “DOEL” vervangen door “BELANGEN” H. Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd: 1. Onder d wordt “GHOR’ vervangen door “Geneeskundige hulpverlening” 2. Onder f wordt “meldkamer” vervangen door “meldkamerfunctie” I.
Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd: 1. In de titel wordt “Wettelijke taken en bevoegdheden” gewijzigd in “Basistaken en plustaken” 2. Het eerste lid komt te luiden: “1. De inhoud van het basistakenpakket van de Veiligheids- en Gezondheidsregio
Gelderland-Midden wordt bepaald door de taken en bevoegdheden, genoemd in artikel 10 van de Wet veiligheidsregio’s ten aanzien van brandweerzorg, rampenbestrijding, crisisbestrijding en geneeskundige hulpverlening en wat bij of krachtens de vigerende wetgeving aan de gemeenten is opgedragen.” 3. Het tweede lid komt, onder vernummering van artikel 5, derde lid tot artikel 4, tweede lid te luiden: “2. De taken die geen onderdeel uitmaken van het basistakenpakket, zijn ondergebracht in een plustakenpakket, mits de uitvoering daarvan valt onder de in artikel 3 benoemde belangen. Indien afname van producten en diensten uit dit pakket plaatsvindt, geschiedt zulks op basis van een daartoe tussen de gemeente(n) en de Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden te sluiten overeenkomst waarin de rechten en verplichtingen van beide partijen zijn opgenomen, waaronder ook de financiering. Het dagelijks bestuur stelt een modelovereenkomst vast.” 4. Er wordt een lid toegevoegd, luidende: “3. De deelnemende gemeenten verlenen ieder afzonderlijk de mandaten, volmachten en machtigingen aan het openbaar lichaam die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken." J. Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd: 1. In de titel wordt “Andere” gewijzigd in “Wettelijke” 2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende: “1.
De colleges van de deelnemende gemeenten dragen de wettelijke taken en bevoegdheden ter behartiging van de in artikel 3 onder a, d, e en f genoemde belangen over aan VGGM, met inachtneming van het hierover gestelde in de Wet veiligheidsregio's en op die wet gebaseerde nadere regelgeving.” 3. Onder vernummering van artikel 4, tweede lid tot artikel 5, tweede lid wordt: 1. “in artikel 3 bedoelde doelen” gewijzigd in “in artikel 3 onder b, c en g bedoelde belangen”; 2. Onder e “Tijdelijke wet ambulancezorg” gewijzigd in “Wet ambulancevoorzieningen”; 3. Onder f voor de tekst toegevoegd: “de taken als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op het vlak van de forensische zorg en” K. In artikel 6 wordt “bestuur” gewijzigd in “algemeen bestuur” en “Politiewet” gewijzigd in “Politiewet 2012”. L. Onder vernummering van artikel 6a tot artikel 7 komt de oorspronkelijke tekst uit artikel 7 te vervallen. M. Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het tweede tot en met het zevende lid alsmede het achtste lid onder a t/m d komen te vervallen. Het nieuwe tweede lid komt te luiden: “ 2. Behalve de in de wet vastgelegde deelnemers, zijn tevens als adviseurs bij de vergaderingen van het algemeen bestuur genodigd: a. de voorzitter van de bestuurscommissie Gezondheid; b. de directeur brandweer tevens zijnde commandant brandweer zoals bedoeld in de Wet; c.
de directeur publieke gezondheid zoals bedoeld in de Wet publieke gezondheid; d. de coördinerend functionaris gemeenten aangewezen op grond van artikel 36 Wet veiligheidsregio’s; e. een vertegenwoordiger van het ministerie van Defensie;
f. een vertegenwoordiger van het ministerie van Justitie en Veiligheid; g. een vertegenwoordiger van de eenheidsleiding Politie Oost-Nederland.
2. Onder vernummering van het achtste lid onder e tot het derde lid komt dit derde lid te luiden: “3. De voorzitter kan andere functionarissen, van wie de aanwezigheid in verband met de te behandelen onderwerpen van belang is, uitnodigen deel te nemen aan de vergaderingen van het algemeen bestuur.” N. Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt “of het dagelijks bestuur dit nodig oordelen, dan wel indien tenminste drie leden daarom verzoeken.” gewijzigd in “dit nodig acht.” 2. Het derde lid vervalt. 3. Onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot derde en vierde lid wordt in het vierde lid “zijn overeenkomstig van toepassing.” gewijzigd in “zijn van overeenkomstige toepassing.” en wordt de tekst daarop volgend verplaatst naar een nieuw vijfde lid dat komt te luiden: “5. Stukken die van het algemeen bestuur uitgaan worden ondertekend door de voorzitter en, ingevolge artikel 32a Gemeentewet, medeondertekend door een lid van de directie in de hoedanigheid als secretaris.” 4. Het zesde lid vervalt. O. Na artikel 11 wordt onder vernummering van artikel 13 eerste lid een artikel ingevoegd, luidende: “Artikel 11a Verordeningen Het algemeen bestuur is bevoegd verordeningen vast te stellen, die nodig zijn ter regeling van organisatorische en huishoudelijke zaken.” P.
Na artikel 11a wordt een artikel ingevoegd, luidende: ”Artikel 11b Toezicht Ambulancezorg Het algemeen bestuur houdt toezicht op de uitvoering van de Regionale Ambulancevoorziening met publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid als bedoeld in artikel 16 juncto artikel 15, tweede lid, van de Wet ambulancezorgvoorzieningen.” Q. Artikel 12 komt te luiden: “Artikel 12 De besluitvorming 1. Ieder lid van het algemeen bestuur heeft één stem. 2. De besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. Indien de stemmen staken, geeft de stem van de voorzitter de doorslag. 3. Besluiten betreffende de (meerjaren-) begroting en de jaarrekening, alsmede de aan de begrotingen ten grondslag liggende (meerjaren-) beleidsplannen worden genomen op basis van gewogen stemrecht. Het stemgewicht voor elke gemeente wordt jaarlijks bepaald op basis van het inwonertal op 1 januari van het voorafgaande jaar, zoals dit is opgenomen in de bevolkingsstatistiek van het Centraal Bureau voor de Statistiek, waarbij de volgende verdeling geldt: - gemeenten tot 40.000 inwoners: 1 stem - gemeenten met 40.000 tot en met 100.000 inwoners: 3 stemmen - gemeenten met meer dan 100.000 inwoners: 5 stemmen.” R. Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd: 1. Met inachtneming van wijziging N vervalt de tekst uit dit artikel. Het nieuwe artikel 13 komt te luiden: “Artikel 13 Zienswijze op besluiten van het algemeen bestuur
1. Het algemeen bestuur besluit, voorafgaand aan het nemen ervan, welke besluiten ter zienswijze, als bedoeld in artikel 10, vijfde en zesde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen, aan de raden worden voorgelegd, naast de besluiten waarvan bij of krachtens de wet is bepaald dat deze verplicht aan de raden ter zienswijze worden voorgelegd en de overige in deze regeling genoemde gevallen. 2. In ieder geval wordt aan de raden ter zienswijze voorgelegd: a. Voorgenomen besluiten van het algemeen bestuur alsmede voorgenomen besluiten van een bestuurscommissie, die voor deelnemende gemeenten ingrijpende effecten hebben voor de gezondheid of veiligheid; b. De participatieregeling als bedoeld in artikel 14; c. Het informatieprotocol als bedoeld in artikel 26, eerste lid; d. De bijdrageregeling als bedoeld in artikel 33; e. De algemene financiële en beleidsmatige kaders als bedoeld in artikel 32 onder a en b; f. De ontwerpbegroting en meerjarenraming als bedoeld in artikel 32 onder c en d; 3. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de zienswijzeprocedure. 4. De zienswijzetermijn bedraagt 10 weken tenzij anders in deze regeling of bij wet is bepaald. “ S. Na artikel 13 wordt een nieuw artikel 14 ingevoegd dat komt te luiden: “Artikel 14 Participatie 1.
Ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken voor zover dat bij of krachtens de wet is vereist, of voor zover door het algemeen bestuur is bepaald, of ingeval van delegatie van bevoegdheden vanuit het algemeen bestuur aan de bestuurscommissie, door de bestuurscommissie is bepaald. De participatie vindt plaats op de in de betreffende gemeente gebruikelijke wijze of een door het algemeen bestuur bepaalde wijze, vastgelegd in een participatieregeling. 2. Bij de participatie kan een andere procedure dan die van afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd worden.” T. Onder vernummering van artikel 14 naar artikel 15 komt artikel 15 te luiden: Artikel 15 Samenstelling 1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en drie leden uit het algemeen bestuur. Tevens is de voorzitter van de bestuurscommissie gezondheid lid van het dagelijks bestuur. 2. De leden van het dagelijks bestuur, niet zijnde de voorzitter, worden benoemd door het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur benoemt de leden van het dagelijks bestuur voor bepaalde tijd. Na afloop van deze zittingsperiode kunnen de leden van het dagelijks bestuur maximaal één keer worden herbenoemd. De leden van het dagelijks bestuur blijven hun functie waarnemen totdat in hun opvolging is voorzien. 3.
Indien tussentijds een plaats van een lid openvalt, wordt zo spoedig mogelijk een nieuw lid aangewezen.
4. Degene die ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur of de bestuurscommissies, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn.” U. Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd: 1. De tekst uit artikel 16 wordt geschrapt. 2. Onder vernummer van artikel 15 naar 16 wordt artikel 16 als volgt gewijzigd: a. in het eerste lid wordt “minimaal drie maal per jaar” gewijzigd in “minimaal vier maal per jaar” b. in het derde lid wordt aan het eind van de eerste zin toegevoegd “, waarbij ieder lid één stem heeft.” c. Er wordt een vierde lid toegevoegd dat komt te luiden: “4. Besluiten die uitgaan van het dagelijks bestuur worden ondertekend door de voorzitter en, ingevolge artikel 59a, eerste lid Gemeentewet, medeondertekend door een lid van de directie in hoedanigheid als secretaris.” V. Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd: 1. De titel van dit artikel komt te luiden: “Artikel 17 Taken en bevoegdheden” 2. In het tweede lid onder b,c,d en j wordt “bestuurscommissie” gewijzigd in “bestuurscommissies”. W. In het eerste lid van artikel 18 wordt “De leden van de veiligheidsdirectie” gewijzigd in “De directie, concerncontroller en bestuurssecretaris van Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden”. X. Na artikel 18 wordt een nieuw artikel ingevoegd wat komt te luiden: “Artikel 19 Zienswijze op besluiten
Er zijn geen besluiten van het dagelijks bestuur waarvoor aan de raden van de deelnemende gemeenten vooraf een zienswijze wordt gevraagd, als bedoeld in artikel 10, vijfde en zesde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen, buiten de in deze regeling of bij of krachtens wet bepaalde gevallen.” Y. Onder vernummering van artikel 19 naar artikel 20 wordt in het eerste lid “en gezondheid” geschrapt en wordt in het tweede lid “een van zijn leden” vervangen door “een of meerdere van zijn leden”. Z. Onder vernummering van artikel 20 naar artikel 21 wordt in het eerste lid “en gezondheid” geschrapt en wordt in het derde lid geschrapt. AA.De tekst uit artikel 23 komt te vervallen. BB.Onder vernummering van artikel 21 naar artikel 23 wordt in het derde lid “adviescommissie” gewijzigd in “auditcommissie”. CC. Onder vernummering van artikel 22 naar artikel 24 wordt dit artikel als volgt gewijzigd: 1. In het tweede lid wordt “en gezondheid” gewijzigd in “en een bestuurscommissie gezondheid”; 2. Het derde lid komt te luiden: “3. Het algemeen bestuur regelt in het instellingsbesluit de samenstelling en de taken en bevoegdheden van de commissie overeenkomstig artikel 25 van de Wet gemeenschappelijke regelingen”. 3. Het vierde tot en met achtste lid komen te vervallen.
DD. Na artikel 21 een nieuw artikel ingevoegd wat komt te luiden: “Artikel 22 Zienswijze op besluiten Er zijn geen besluiten van de voorzitter waarvoor aan de raden van de deelnemende gemeenten vooraf een zienswijze wordt gevraagd, als bedoeld in artikel 10, vijfde en zesde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen, buiten de in deze regeling of bij of krachtens wet bepaalde gevallen.” EE.Onder vernummering van artikel 24 naar artikel 25 dit artikel als volgt gewijzigd: 1. In de titel wordt “/bestuurscommissie veiligheid en gezondheid” geschrapt; 2. In het eerste, tweede en derde lid wordt “dan wel de bestuurscommissie veiligheid en gezondheid” geschrapt. 3. In het vijfde lid wordt na “dagelijks bestuur” toegevoegd “, uitgezonderd de voorzitter,”. FF. Onder vernummering van artikel 25 naar 26 wordt dit artikel als volgt gewijzigd: 1. In de titel wordt voor “algemeen” toegevoegd “Voorzitter,”; 2. Het eerste lid komt te luiden: “1. Het algemeen bestuur stelt een informatieprotocol vast waarin staat beschreven op welke wijze raden actief worden voorzien van informatie van het bestuur die nodig is voor het vervullen van hun taak en die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is.” 3. Het derde lid wordt geschrapt. GG.
Vernummering artikelen 26, 29 en 30 naar artikelen 27, 30 en 31.
HH. Onder vernummering van artikel 27 naar artikel 28 wordt dit artikel als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt “bestuurscommissie veiligheid en gezondheid” gewijzigd in “bestuurscommissie” 2. Het tweede lid wordt geschrapt. Hiermee vervalt de verdeling in het eerste en tweede lid. II. Onder vernummering van artikel 28 naar artikel 29 wordt dit artikel als volgt gewijzigd: 1. In het tweede lid wordt “brandweer en volksgezondheid, verder aangeduid “directie”” geschrapt; 2. In het derde lid wordt “Het dagelijks bestuur” vervangen door “De directie” en wordt aan het eind van de tekst toegevoegd “van deze regeling”; 3. Het vierde tot en met het zevende lid worden geschrapt. JJ. Onder vernummering van artikel 31 naar artikel 32 wordt dit artikel als volgt gewijzigd: 1. Onder verlettering van het eerste lid onder a tot het eerste lid onder c wordt “1 april” gewijzigd in “30 april”; 2. Onder verlettering van het eerste lid onder b tot het eerste lid onder d wordt “acht weken” gewijzigd in “twaalf weken”; 3. Onder verlettering van het eerste lid onder c tot het eerste lid onder f wordt “1 juli” gewijzigd in “15 september”; 4. Onder verlettering van het eerste lid onder d en e tot het eerste lid onder g en h wordt “15 juli” gewijzigd in “15 september”; 5. Het eerste lid onder a komt te luiden:
“a. zendt het dagelijks bestuur jaarlijks vóór 15 december van het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden van de deelnemende gemeenten;” 6. Het eerste lid onder b komt te luiden: “b. geeft het dagelijks bestuur de raden van de deelnemende gemeenten acht weken na toezending gelegenheid om bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de algemene financiële en beleidsmatige kaders , bedoeld onder lid 1 onder a, naar voren te brengen. Het dagelijks bestuur betrekt de commentaren, waarin deze zienswijzen zijn vervat, bij de totstandkoming van de ontwerpbegroting en de meerjarenraming. De in artikel 13, vierde lid vermeldde reactietermijn van 10 weken is van overeenkomstige toepassing;” 7. Het eerste lid onder e komt te luiden: “e.
Stelt het dagelijks bestuur voorafgaande aan het vaststellen van de begroting door het algemeen bestuur de raden van de deelnemende gemeenten schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld onder d, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt;” KK.Onder vernummering van artikel 32 naar artikel 33 komt dit artikel te luiden: “Artikel 33 Bijdragen van de gemeenten Het algemeen bestuur van de VGGM stelt in een bijdrageregeling vast op welke wijze berekend wordt welke bijdrage de colleges verschuldigd zijn voor de uitvoering van de basistaken. Voordat het algemeen bestuur de bijdrageregeling bij unaniem besluit vaststelt, wordt deze ter zienswijze aan de raden voorgelegd.” LL. Onder vernummering van artikel 33 naar artikel 34 wordt dit artikel als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt “Het dagelijks bestuur voegt daarbij de stukken, bedoeld in artikel 30, derde lid.” gewijzigd in “en overige relevante stukken.” 2. In het vijfde lid wordt “1 juli” gewijzigd in “15 juli” MM. Onder vernummering van artikel 34 naar artikel 35 wordt dit artikel als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt na “Het dagelijks bestuur is” toegevoegd “voor zover het gedelegeerde taken betreft,” 2.
Onder vernummering van het tweede, derde en vierde lid naar het derde, vierde en vijfde lid wordt na het eerste lid een nieuw lid toegevoegd dat komt te luiden: “2. De zorg voor de archiefbescheiden die ontstaan uit hoofde van de door de deelnemers gemandateerde taken berusten bij deze deelnemers. De deelnemers en het dagelijks bestuur maken hierover nadere afspraken in een dienstverleningsovereenkomst, onder meer over de verrekening van kosten van beheer van de archiefbescheiden voor zover daar sprake van is. “ 3. In het derde lid wordt na “het eerste” toegevoegd “en het tweede”.
NN. De titel van hoofdstuk XII wordt gewijzigd in “HOOFDSTUK XII EVALUATIE, TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING” OO. Onder vernummering van artikel 35 naar artikel 37 wordt dit artikel als volgt gewijzigd:
1. Onder omnummering van het tweede lid tot derde lid wordt komt dit lid te luiden: “3. Het algemeen bestuur regelt de procedure en alle gevolgen van de toetreding en kan voorwaarden verbinden aan de toetreding.” 2. Na het eerste lid wordt een nieuw lid ingevoegd dat komt te luiden: “2. De toetreding van een gemeente komt tot stand indien de colleges van de deelnemende gemeenten en het college dat wenst toe te treden daartoe hebben besloten, na voorafgaande zienswijze en toestemming van hun raden daartoe.” PP.In de titel van hoofdstuk XII wordt voor “TOETREDING” toegevoegd “EVALUATIE, ”. QQ. Onder vernummering van artikel 36 naar artikel 40 wordt in het tweede lid aan het eind van de laatste zin toegevoegd: …”, na daaraan voorafgaand zienswijze te hebben gevraagd en toestemming hebben verkregen van hun raden overeenkomstig artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.” RR.
Na artikel 35 wordt een nieuw artikel ingevoegd dat komt te luiden: “Artikel 36 Evaluatie 1. Het algemeen bestuur draagt zorg voor een periodieke evaluatie van deze regeling, minimaal één keer per 4 jaar. 2. Het algemeen bestuur bepaalt het moment, de onderwerpen en de diepgang van het evaluatieonderzoek.
SS.Onder vernummering van artikel 37 naar artikel 41 wordt in het tweede lid aan het eind van de laatste zin toegevoegd: …”, na daaraan voorafgaand zienswijze te hebben gevraagd en toestemming hebben verkregen van hun raden overeenkomstig artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.” TT. Vernummering artikelen 38 tot en met 39 naar artikelen 42 tot en met 45. UU.
Na artikel 37 worden twee nieuwe artikelen ingevoegd die komen te luiden:
“Artikel 38 Uittreding
1. Uittreding is alleen mogelijk voor zover de wet erin voorziet. 2. Een college kan besluiten tot uittreding, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. 3. Een college zendt, na voorafgaande zienswijze en toestemming van zijn raad, het besluit tot uittreding aan het bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen. 4. Het algemeen bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het concept- uittredingsplan. 5. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 6. De uittreding gaat in op 1 januari van het jaar volgende op het verstrijken van een termijn van twee jaren na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij de colleges unaniem een andere opzegtermijn overeen komen.” “Artikel 39 Procedure voor vaststelling uittredingsplan 1. Elk van de colleges kan, na zienswijze daarop door en met verkregen toestemming van de raad, besluiten uit deze regeling te treden met ingang van een begrotingsjaar, mits het opzeggende college het voorgenomen besluit daartoe tenminste 2 jaar voordien ter kennis heeft gebracht van de overige colleges.
2. Het algemeen bestuur stelt een voorstel op voor financiële, personele en overige gevolgen van de uittreding. Het college dat voornemens is uit te treden neemt op basis van het voorstel een definitief besluit, onverminderd het bepaalde in artikel 1, tweede en derde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen. De kosten voor het maken van het voorstel komen voor rekening van het college dat voornemens is uit te treden. 3. Ten behoeve van het voorstel voor de financiële, personele en overige gevolgen, bedoeld in het vorige lid, wordt een in overleg met de uittredende deelnemer aan te wijzen onafhankelijke registeraccountant opdracht verleend de genoemde gevolgen in kaart te brengen. De opdracht wordt verstrekt door het dagelijks bestuur. Voorafgaand aan de opdrachtverstrekking wordt de uittredende deelnemer in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de opdracht. 4. Het voorstel bedoeld in het tweede lid wordt definitief vastgesteld door het algemeen bestuur nadat de uittredende deelnemer in de gelegenheid is gesteld een zienswijze te geven. Alsdan zijn de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen bindend. Het definitieve voorstel wordt vastgesteld uiterlijk acht kalendermaanden nadat de deelnemer zijn voornemen tot uittreding, als bedoeld in het eerste lid, bekend heeft gemaakt. 5.