Agendabundel
Tekst van het document
Wanneer een inwoner niet in staat is zelf regie te voeren over de ondersteuning en/of zijn leven, worden er verschillende mogelijkheden onderzocht. Er wordt allereerst gekeken of iemand uit het netwerk de inwoner kan ondersteunen in het voeren van de regie of tijdelijk en/of gedeeltelijk de regie kan overnemen. Als dit niet mogelijk is, kan een zorgaanbieder tijdelijk deze rol krijgen vanuit de opdracht van de gemeente. Indien nodig, bijvoorbeeld als sprake is van een complexe situatie en daarbij problematiek op meerdere levensgebieden, kan de consulent van de gemeente tijdelijk de rol van procesregisseur op zich nemen. Ook als er een casemanager/casusregisseur of procesregisseur van de gemeente is, blijft de daadwerkelijke uitvoering van de ondersteuning bij inwoner en zorgaanbieders. Ook blijft bijvoorbeeld bij volwassenen de GGZ verantwoordelijk voor de psychiatrische zorg en de reclassering verantwoordelijk voor de justitiële zorg. En bij jeugdige inwoners bepaalt de Gecertificeerde Instelling (GI) bijvoorbeeld welke jeugdhulp wordt ingezet tijdens een kinderbeschermingsmaatregel. Een consulent blijft betrokken bij de inwoner wanneer het onderzoek nog niet afgerond is of wanneer de consulent procesregie voert omdat dit volgens wettelijke kaders of onderliggende afspraken in het kader van zorg en veiligheid noodzakelijk is.
Bij veiligheid casuïstiek is dit nodig totdat er voor het gezin sprake is van een acceptabel niveau van veiligheid op basis van het veiligheidsplan.
Artikel 10 Onvoldoende informatie bij het onderzoek De inwoner heeft de belangrijke verantwoordelijkheid om mee te werken aan het onderzoek en de nodige informatie ter beschikking te stellen van de consulent. Wanneer er onvoldoende informatie wordt verstrekt door de inwoner om tot een passend besluit te komen, kan het zijn dat een inwoner hierdoor minder of geen ondersteuning ontvangt dan in zijn/haar ogen passend of wenselijk is. Artikel 11 Integraal plan of onderzoeksverslag 1. De consulent draagt zorg voor schriftelijke vastlegging van de uitkomsten van het onderzoek, in een integraal plan of onderzoeksverslag. Bij een evaluatie draagt de consulent zorg voor het ontvangen van een evaluatieplan en legt de conclusie en doelen schriftelijk vast. Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2023 Vastgesteld bij B&W besluit d.d. 28 februari 2023
Pagina 7
2. In het integraal plan of onderzoeksverslag staat de hulpvraag van de inwoner, de weging van de feiten, de krachten en zwakten, de doelen en de oplossingsrichting van de inwoner en het sociale netwerk. Daarbij volgt de consulent de door de CRvB geformuleerde stappen waar het onderzoek aan moet voldoen: 1. Vaststellen van de hulpvraag van de inwoner. 2. Alleen bij Jeugd: Vaststellen of de gemeente verantwoordelijk is (woonplaatsbeginsel). 3. In kaart brengen van de beperkingen/problematiek van de inwoner. Voor Wmo gaat het dan om beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. Bij Jeugd gaat het om opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. 4. Bepalen welke hulp naar aard en omvang nodig is. 5. Bepalen in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk, algemene voorzieningen en algemeen gebruikelijke voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Daarna kan de consulent concluderen of er wat overblijft om te compenseren via een maatwerkvoorziening. De consulent schrijft een motivatie met het advies voor passende ondersteuning. Daarnaast zijn er specifieke, meetbare, haalbare, realistische en tijdgebonden doelen geformuleerd. Wanneer er meerdere hulpvragers in een gezin/huishouden zijn, wordt dit, indien mogelijk, in één plan geschreven.
Hiermee wordt invulling gegeven aan 1 gezin, 1 plan, 1 regie. Kanttekening hierbij is dat de privacyregels niet zijn aangepast op het uitgangspunt van 1 gezin, 1 plan, 1 regie. Iedereen die zelf zijn/haar privacyrechten uitoefent, moet toestemming geven voor het inzien van gegevens door een ander lid van het gezin en het domeinoverstijgend verwerken van gegevens (bijvoorbeeld Wmo en Jeugdwet). Bij de toegang tot jeugdhulp geldt dat voor jeugdigen tot 12 jaar de ouder(s) met gezag of voogd(en) de privacyrechten uitvoeren. Vanaf 12 jaar kan de jeugdige zelf toestemming geven, tenzij de jeugdige (nog) ‘niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen’. Dan oefenen de ouder(s) met gezag of voogd(en) het privacyrecht uit, totdat de jeugdige 18 jaar is. Er wordt dus altijd bekeken of een integraal plan mogelijk is, rekening houdend met de privacyregels. Als de inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en deze in de vorm van een pgb wenst te ontvangen, toetst de consulent aan de hand van artikel 2 van de nadere regels of de inwoner voldoet aan de voorwaarden voor een pgb. 3. Er wordt binnen maximaal 6 weken na het afronden van het gesprek, een integraal plan of onderzoeksverslag verstrekt aan de inwoner met de uitkomsten van het onderzoek. 4.
Indien een zorgaanbieder een evaluatieplan opstuurt, blijft de consulent eindverantwoordelijk voor een weging van dit plan. De consulent toetst het plan van de zorgaanbieder. Benodigde aanvullende informatie haalt de consulent op bij de inwoner of zorgaanbieder. 5. Als er langer dan 6 weken nodig is voor het onderzoek en het gaat om de Wmo, dan wordt hierover overlegd met cliënt. Het staat de cliënt op basis van de Wmo vrij om na 6 weken vast een aanvraag in te dienen. Maar en zorgvuldig onderzoek is het uitgangspunt. Het zal daarom meestal niet in het nadeel van de cliënt zijn om in te stemmen met een langere duur van het onderzoek. Artikel 12 Afwijkende routes bij aanvraag 1. In spoedeisende gevallen, wordt er zo snel als mogelijk een passende tijdelijke maatwerkvoorziening ingezet. Onder spoed wordt een onverwachte situatie verstaan, waarbij ernstigere problemen voorkomen dienen te worden. Voorbeelden hiervan zijn: a. acute ernstige onveiligheid als gevolg van huiselijk geweld, mishandeling en/of verwaarlozing; Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2023 Vastgesteld bij B&W besluit d.d. 28 februari 2023
Pagina 8
b. acute en levensbedreigende situaties; c. huisuitzetting of uithuisplaatsing van een jeugdige inwoner; d. eerwraak. Er hoeft dan niet gewacht te worden op een ondertekende aanvraag. Het besluit (de beschikking) wordt binnen 6 weken verstrekt. 2. Wanneer een inwoner zorg vermijdt en er bemoeizorg noodzakelijk is volgens de consulent, kan er gekozen worden om zonder een aanvraag een maatwerkvoorziening in te zetten. Bemoeizorg staat op gespannen voet met het zelfbeschikkingsrecht van inwoners en hun privacy. Bemoeizorg wordt daarom alleen ingezet als het geen optie is om af te wachten tot de cliënt zelf om die hulp vraagt en/of om verdere verwaarlozing te voorkomen. In de volgende gevallen kan daar sprake van zijn: a. Uit onderzoek blijkt dat vanwege onveiligheid of overlast de inzet van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. De inwoner is bereid een gesprek aan te gaan, mee te werken aan ondersteuning, maar weigert een plan of verslag te ondertekenen. b. Uit onderzoek blijkt dat vanwege onveiligheid of overlast de inzet van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. De inwoner weigert tot nu toe mee te werken. Er wordt gekozen voor een motivatietraject. Artikel 13 Het besluit, de beschikking 1. De toekenning of afwijzing voor een maatwerkvoorziening wordt vastgelegd in een besluit (een beschikking). 2. De beschikking voldoet aan de eisen zoals opgenomen in de verordening.
Daarbij moet uit de beschikking voldoende blijken wat de reden voor het verstrekken of afwijzen van de voorziening is (motivatie). Hiervoor kan in de beschikking ook worden verwezen naar het integraal plan of onderzoeksverslag. 3. Er wordt door de inwoner of zorgaanbieder binnen 3 maanden gebruikgemaakt van het besluit, anders kan het besluit worden ingetrokken. Het recht op de ondersteuning blijkt dan niet noodzakelijk te zijn. Dit geldt zowel bij ondersteuning in natura als bij een pgb. 4. Opschorting van de beslistermijn van 2 weken (Wmo) of 8 weken (Jeugdwet) wordt gecommuniceerd aan de inwoner. De inwoner ontvangt hiervoor een schriftelijke bevestiging. Hierin staan de datum van de aanvraag, de aangevraagde ondersteuning, de reden van uitstel, wat nog nodig is voor het besluit en de nieuwe beslistermijn. 5. Verlengen van de beslistermijn van 2 weken (Wmo) of 8 weken (Jeugdwet) wordt gecommuniceerd aan de inwoner. De inwoner ontvangt hiervoor een schriftelijke bevestiging. Hierin staan de datum van de aanvraag, de aangevraagde ondersteuning, de reden van uitstel, wat nog nodig is voor het besluit en de nieuwe beslistermijn (zo kort mogelijk). Artikel 14 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon 1. Als een inwoner dit wenst, kan hij zich bij de melding en/of aanvraag laten ondersteunen door een derde.
De inwoner mag zich laten ondersteunen door iemand uit het netwerk, maar kan ook een beroep doen op onafhankelijke cliëntondersteuning. 2. De consulent wijst inwoners op de mogelijkheid dat zij zich kosteloos kunnen laten bijstaan door een (onafhankelijke) cliëntondersteuner dan wel vertrouwenspersoon. De gemeente zorgt ervoor dat alle inwoners hierop desgewenst een beroep kunnen doen. 3. De (onafhankelijke) cliëntondersteuner zal ook het netwerk proberen te versterken en samen met de inwoner op zoek gaan naar een duurzame oplossing binnen het netwerk. Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2023 Vastgesteld bij B&W besluit d.d. 28 februari 2023
Pagina 9
4. Een vertrouwenspersoon voor bij jeugdhulp, is landelijk georganiseerd via het Advies en Klachtbureau Jeugdzorg (www.AKJ.nl). Als er zaken in de hulpverlening niet goed lopen, kan de vertrouwenspersoon daarbij helpen. Er wordt samen met de jeugdige, de ouder, verzorgende of gezaghebbende naar een oplossing gezocht. HOOFDSTUK 4 Maatwerkvoorzieningen Jeugdwet Artikel 15 Overzicht maatwerkvoorzieningen Voorbeelden van maatwerkvoorzieningen vanuit de Jeugdwet zijn: a. Begeleiding individueel b. Groepsbegeleiding c. Behandeling individueel, zoals basis, specialistisch en hoog-specialistisch d. Groepsbehandeling e. Pleegzorg f. Gezinshuiszorg g. Residentiële jeugdhulp h. Gesloten jeugdhulp i. Preventieve jeugdbescherming en beschermingsmaatregelen instellingen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering j. Crisisjeugdhulp Artikel 16 Groepsbegeleiding en dagbehandeling 1. De kerndoelen van groepsbegeleiding (dagbesteding en dagactiviteiten) vanuit de sociale basis voor jeugdigen zijn: a. Het stabiel houden van fysieke en/of cognitieve zelfstandigheid van de jeugdige; b. Het aangaan van sociale contacten en/of het sociale netwerk uitbreiden; c. Het ontlasten van de mantelzorger en/of ouder; d. Het structuur bieden in de dag/week. 2. De kerndoelen van groepsbegeleiding (dagbesteding en dagactiviteiten) vanuit een maatwerkvoorziening voor jeugdigen zijn: a.
Het aanleren, uitbreiden en oefenen van sociale vaardigheden; b. Het aangaan van sociale contacten en/of het sociale netwerk uitbreiden; c. Het ontlasten van de ouders/verzorgers en/of mantelzorger; d. Het structuur bieden in de dag/week. 3. Leren binnen groepsverband is voorliggend op individuele ondersteuning. Artikel 17 Begeleiding 1. De nadruk bij begeleiding vanuit de sociale basis voor jeugdige inwoners is gericht op: a. De jeugdige activeren en aanbrengen van (dag)structuur; b. Stabiliseren (op orde brengen) of handhaven van de situatie; c. Oefenen en inslijpen/toepassen van vaardigheden samen met de Jeugdige; d. Ondersteunen bij het regelen/overnemen van dagelijks/praktische bezigheden (dagstructuur, participatie, sociale contacten, gezondheid en dergelijke); e. Ondersteuning van mantelzorg, ouders, verzorgers en voogd. Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2023 Vastgesteld bij B&W besluit d.d. 28 februari 2023
Pagina 10
2. Specialistische begeleiding vanuit een maatwerkvoorziening Jeugdhulp is gericht op: a. Het aanleren van nieuwe vaardigheden en gedrag waardoor bij de jeugdige toekomstige verergering van de beperking en mogelijke uithuisplaatsing kan worden voorkomen. Door interventie verbeteren van de opvoedingssituatie zodat het gezin in staat is om de opvoeding en ontwikkeling van de cliënt te waarborgen. Verbetering van de uitvoering van opvoedingstaken, zodat de ouders op een positieve manier de ouderrol op zich kunnen nemen; b. En/of het zelfstandig functioneren en participatie behouden of vergroten, of het voorkomen/vertragen van achteruitgang met behulp van het eigen netwerk (vergroting samenredzaamheid), bijvoorbeeld aan de hand van concrete doelen op één of meer leefgebieden; c. Overbrugging tot de behandeling of ter motivatie tot behandeling; d. Het methodisch trainen van vaardigheden volgend op behandeling. Artikel 18 Verblijf 1. Uitgangspunt bij verblijf is dat er slechts aanspraak op gemaakt kan worden indien de inwoner meer dan drie etmalen per week daarop is aangewezen. Uitzondering hierop zijn kortdurend verblijf, logeerhuis en weekend/deeltijdpleegzorg. 2. Wanneer er sprake is van blijvend intensieve zorgbehoefte en wanneer er 24 uur per dag zorg dichtbij of permanent toezicht nodig is, komt de inwoner hoogstwaarschijnlijk in aanmerking voor verblijf vanuit de WLZ.
Van de inwoner wordt verwacht dat deze aantoonbaar actief inspanningen verricht om een aanvraag voor een overige voorziening in te dienen. Artikel 19 Vervoer 1. Het vervoeren van jeugdige inwoners naar school, dagbesteding, vrijetijdsactiviteiten en jeugdhulp valt onder de gebruikelijke zorg van ouders. 2. Vanuit de Jeugdwet is alleen vervoer mogelijk voor een jeugdige van en naar de locatie waar jeugdhulp gegeven wordt en de jeugdige in verband met een medische noodzaak of een gebrek aan zelfredzaamheid niet in staat is om zelfstandig van en naar de locatie te komen waar de jeugdhulp wordt gegeven. Op voorwaarde dat er geen sprake is van gebruikelijke hulp en er geen verdere mogelijkheden zijn vanuit de eigen kracht, en/of andere voorliggende voorzieningen. Dit vervoer kan binnen of buiten de gemeentegrenzen zijn. 3. Er kan een maatwerkvoorziening vervoer worden ingezet wanneer de jeugdhulpondersteuning aan de jeugdige inwoner stagneert, als deze vervoersvoorziening niet wordt ingezet. 4. Er kan een maatwerkvoorziening vervoer worden ingezet wanneer het (bovengebruikelijke) vervoer door ouders aantoonbaar leidt tot overbelasting van ouders en er geen andere voorliggende mogelijkheden/voorzieningen zijn. 5. Vormen van vervoer in het kader van de jeugdwet zijn: • Aangepast vervoer • Kilometervergoeding aan ouders • OV-vergoeding met begeleiding 6.
De frequentie van de jeugdhulp is niet bepalend voor het toekennen van een vervoersvoorziening.
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2023 Vastgesteld bij B&W besluit d.d. 28 februari 2023
Pagina 11
Artikel 20 Persoonlijke verzorging Persoonlijke verzorging is een vorm van begeleiding die de inwoner ondersteunt bij bijvoorbeeld het wassen, aan- en uitkleden, in of uit bed komen, toiletteren, drinken, eten, verzorging van haren, tanden, huid en nagels. Meestal gaat het om aansturing en worden er geen handelingen overgenomen. Als overname noodzakelijk is, kan hiervoor meestal namelijk aanspraak gemaakt worden op de Zvw. Vanuit de Zvw kan er aanspraak gemaakt worden op persoonlijke verzorging, als er behoefte is aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. De kinderverpleegkundige beoordeelt dit. Als het onduidelijk is of de verzorging vanuit de Jeugdwet of Zvw moet worden ingezet, is het daarom van belang om af te stemmen met de kinderverpleegkundige.
HOOFDSTUK 5 Maatwerkvoorzieningen Wmo Artikel 21 Overzicht maatwerkvoorzieningen Voorbeelden van maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo zijn: a. b. c. d. e. f.
Ambulante begeleiding Groepsbegeleiding Huishoudelijke ondersteuning Woningaanpassingen (voor normale gebruik van de woning) Hulpmiddelen (bijvoorbeeld rolstoelen) Vervoersvoorziening (bijvoorbeeld regiotaxi, doelgroepenvervoer, scootmobiel)
Artikel 22 Groepsbegeleiding 1. De kerndoelen van groepsbegeleiding (dagbesteding en dagactiviteiten) vanuit de sociale basis zijn: a. Het stabiel houden van fysieke en/of cognitieve zelfstandigheid van de inwoner; b. Het aangaan van sociale contacten en/of het sociale netwerk uitbreiden; c. Het ontlasten van de mantelzorger en/of partner; d. Het structuur bieden in de dag/week. 2. Waarbij de volgende uitgangspunten gehanteerd worden: a. Zo passend mogelijk: de talenten, mogelijkheden en ondersteuning behoefte van de inwoner staan centraal (niet de problematiek); b. Zo inclusief mogelijk: elke groepsbegeleidingsplek voorziet in een inclusief aanbod (niet gericht op specifieke problematiek); c. Zo lokaal mogelijk: groepsbegeleiding vindt plaats in het dorp waar inwoner woont. Als de benodigde groepsbegeleiding niet aanwezig is in hetzelfde dorp wordt naar het dichtstbijzijnde alternatief gekeken binnen de gemeente; d. Gericht op zelfredzaamheid: er is bij groepsbegeleiding zoveel mogelijk aandacht voor de zelfredzaamheid van de inwoner. 3. De kerndoelen van groepsbegeleiding (dagbesteding en dagactiviteiten) vanuit een Wmo maatwerkvoorziening zijn: a. Het aanleren, uitbreiden en oefenen van sociale vaardigheden;. b. Het leren aangaan van sociale contacten en/of het sociale netwerk uitbreiden;
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2023 Vastgesteld bij B&W besluit d.d. 28 februari 2023
Pagina 12
c. Het aanbrengen van structuur in de dag/week waarbij toegewerkt wordt naar een weer stabiele situatie en welke weer vanuit de Sociale basis in de nabije toekomst ondersteund kan worden. 4. Groepsbegeleiding vanuit een Wmo maatwerkvoorziening betreft in principe tijdelijke ondersteuning waarbij toegewerkt wordt naar een situatie waarin de ondersteuning weer geboden kan worden vanuit de Sociale Basis. 5. Van zorgaanbieders die zorg en ondersteuning bieden vanuit een Wmo maatwerkvoorziening wordt verwacht dat zij periodiek de vorderingen op de in de indicatie van de inwoner afgesproken doelen middels een schriftelijk evaluatieverslag deelt met de consulent van de gemeente. 6. Leren binnen groepsverband is voorliggend op individuele ondersteuning. Artikel 23 Begeleiding 1. De nadruk bij begeleiding vanuit de sociale basis voor volwassenen is gericht op: a. Het creëren en/of behouden van een stabiele situatie; b. De inwoner activeren en het aanbrengen van structuur in het dagelijks leven; c. Het oefenen en (door herhaling) toepassen van praktische vaardigheden samen met de inwoner om achteruitgang te voorkomen; d. Ondersteunen bij het regelen/overnemen van dagelijks/praktische bezigheden (financiën, dagstructuur, zelfstandig wonen, participatie, sociale contacten, gezondheid/persoonlijke verzorging, e.d.); e. en betreft voornamelijk planbare ondersteuning. 2.
Specialistische begeleiding vanuit een maatwerkvoorziening Wmo is gericht op: a. De inwoner in staat te stellen om te kunnen blijven meedoen in de maatschappij bij ernstig regieverlies; b. En/of het overbruggen tot een behandelingstraject; c. En/of het methodisch trainen van vaardigheden volgend op behandeling; d. En/of ontwikkelingsgericht trainen van vaardigheden met behulp van methodische interventies; e. Er is aantoonbaar sprake van een noodzaak om naast geplande ondersteuningsmomenten ook op ongeplande momenten ondersteuning te moeten bieden in verband met een te groot (gezondheid)risico bij de inwoner; f. De ondersteuning is gericht op het verbeteren of stabiliseren van de situatie en het toeleiden van de hulpvraag naar een vorm van ondersteuning vanuit de Sociale Basis. 3. Specialistische begeleiding Wmo vanuit een maatwerkvoorziening betreft in principe tijdelijke ondersteuning waarna er afgeschaald wordt. Bijvoorbeeld naar lichtere vormen van begeleiding geboden vanuit de “sociale basis”. Daarom zal in eerste instantie begeleiding ingezet worden vanuit de “Sociale Basis” en is begeleiding vanuit een maatwerkvoorziening slechts aanvullend mogelijk op de begeleiding vanuit de “Sociale Basis”. 4.
Indien blijkt dat er aanvullend een vorm van specialistische begeleiding vanuit een Wmo maatwerkvoorziening nodig is dan zal dit altijd tijdelijk van aard zijn en in de meeste gevallen in combinatie en in samenwerking met een ondersteuningsvorm zijn vanuit de Sociale Basis. 5. Van zorgaanbieders die zorg en ondersteuning bieden vanuit een Wmo maatwerkvoorziening wordt verwacht dat zij periodiek de vorderingen op de in de indicatie van de inwoner afgesproken doelen middels een schriftelijk evaluatieverslag deelt met de consulent van de gemeente. Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2023 Vastgesteld bij B&W besluit d.d. 28 februari 2023
Pagina 13
Artikel 24 Verblijf Wanneer er sprake is van blijvend intensieve zorgbehoefte en wanneer er 24 uur per dag zorg dichtbij of permanent toezicht nodig is, komt de inwoner hoogstwaarschijnlijk in aanmerking voor verblijf vanuit de WLZ. Van de inwoner wordt verwacht dat deze aantoonbaar actief inspanningen verricht om een aanvraag voor een overige voorziening in te dienen. Artikel 25 Vervoer 1. Een inwoner kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor vervoer, indien een inwoner vanwege zijn beperkingen: a. geen gebruik kan maken van het Openbaar Vervoer; b. geen gebruik kan maken van eigen vervoer; c. onvoldoende of geen mogelijkheden heeft in de omgeving om in de behoefte te voorzien. 2. Wanneer een inwoner aanspraak wil maken op de maatwerkvoorziening vervoer, wordt er altijd eerst gekeken naar de leerbaarheid van de inwoner. Mogelijk kan een inwoner geactiveerd worden om zelfstandig reizen aan te leren. 3. Aanvullende criteria voor vervoer: a. De maatwerkvoorziening collectief vraag afhankelijk vervoer heeft voorrang boven individuele vervoersvoorzieningen. Dat wil zeggen dat een cliënt alleen in aanmerking komt voor een individuele vervoersvoorziening als het collectief vervoer voor cliënt geen adequate compensatie vormt. b.
Wanneer een inwoner niet in staat is om 500 meter of meer te lopen, kan de inwoner in aanmerking komen voor collectief vervoer op grond van de Wmo. Voor vervoer tot 500 meter kan de inwoner zelf algemeen gebruikelijke hulpmiddelen aanschaffen zoals een wandelstok of rollator. Hiervoor wordt er in principe geen collectief vervoer op grond van de Wmo ingezet. c. Wanneer een inwoner beschikt over een scootmobiel of aangepaste fiets, wordt er in principe geen andere maatwerkvoorziening voor vervoer ingezet tot en met 4 kilometer. Dit is immers de afstand die een inwoner kan afleggen met de scootmobiel of fiets. d. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening(en) wordt bij de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving. Daarbij gaat het om een gebied van 25 kilometer rondom het adres waar de inwoner zijn hoofdverblijf heeft. Met de verstrekte vervoervoorziening(en) en eventuele eigen vervoersmogelijkheden moet de inwoner in totaal 1.500 kilometer op jaarbasis kunnen reizen. Als de inwoner een hogere vervoersbehoefte heeft, dan is het aan hem/haar om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen dat dit zo is.
Een vervoersvoorziening voor verplaatsingen op loop- en fietsafstand in de directe omgeving, bijvoorbeeld een scootmobiel, stelt de inwoner in staat een afstand van 750 km per jaar af te leggen. Beschikt cliënt over een dergelijke voorziening, dan wordt de reisafstand voor een vervoersvoorziening voor de middellange afstanden, bijvoorbeeld collectief vervoer, op maximaal 750 km gesteld. e. Wanneer het noodzakelijk is dat er een medisch begeleider meereist met de maatwerkvoorziening, kan een inwoner niet alleen reizen. Dit zou voor onveilige situaties kunnen zorgen. Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2023 Vastgesteld bij B&W besluit d.d. 28 februari 2023
Pagina 14
f.
Individueel vervoer wordt alleen bij uitzonderingssituaties ingezet. Alleen wanneer (op basis van medisch advies) is vastgesteld dat collectief vervoer of (kleinschalig) instellingsvervoer voor de betreffende inwoner niet voldoet (bijvoorbeeld in geval van onbeheersbare incontinentie of ernstige gedragsproblemen), kan de vervoerder gevraagd worden individuele ritten te verzorgen of een vergoeding voor gebruik eigen auto of vervoer door derden worden verstrekt. Een vergoeding voor het gebruik van de eigen auto wordt verder alleen verstrekt als dat in het concrete geval niet algemeen gebruikelijk is. Het uitgangspunt is dat het gebruik van de eigen auto algemeen gebruikelijk is. Ook iemand met een inkomen op minimumniveau wordt geacht de vervoerskosten te kunnen voldoen om in aanvaardbare mate deel te kunnen nemen aan het leven van alledag en sociale contacten te onderhouden. Alleen in bijzondere omstandigheden is daarom een vergoeding mogelijk. Bijvoorbeeld als de kosten veel hoger dan gemiddeld zijn, doordat iemand door zijn beperkingen ook voor alle verplaatsingen op de korte afstand de auto moet gebruiken of afhankelijk is van een auto met veel hogere gebruikskosten. g. Een vervoersvoorziening wordt niet ingezet om het inkomen te compenseren. h.
Een vervoersvoorziening wordt niet ingezet wanneer een inwoner niet gemotiveerd is om gebruik te maken van de eigen mogelijkheden en mogelijkheden binnen de gemeente, tenzij deze niet toereikend zijn. Artikel 26 De eigen en andere mogelijkheden voor hulp bij het huishouden 1. Er wordt alleen een maatwerkvoorziening geboden, wanneer er geen andere oplossingen zijn. 2. Activiteiten die door de inwoner zelf kunnen worden uitgevoerd, behoren ook tot de eigen verantwoordelijkheid. In de dagelijkse praktijk kan dit ook betekenen dat een deel van het huishouden door de inwoner wordt uitgevoerd en voor een ander deel ondersteuning wordt geboden. 3. Een inwoner kiest voor een type en grootte van de woning. Dit is een keuze waarop de inwoner zelf invloed kan uitoefenen. Daarom is dit niet van invloed op de hoeveelheid ondersteuning. Het onderhoud van de tuin wordt hierdoor ook niet tot het huishouden gerekend. 4. Hetzelfde geldt voor het verzorgen van huisdieren. De gevolgen hiervan op de schoonmaak en het zoeken van oplossingen daarvoor behoort in de eerste plaats tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Tenzij een inwoner gebruik maakt van een gecertificeerde en opgeleide hulphond op basis van de zorgverzekeringswet er aantoonbaar sprake is van extra vervuiling van de woning door deze hulphond. 5.
Het beschikken over en aanschaffen van een wasmachine is de verantwoordelijkheid van de inwoner. 6. Een andere vorm van eigen mogelijkheden is, het meewerken aan zo efficiënt mogelijke ondersteuning. Dit betekent dat van de inwoner mag worden verwacht dat de inwoner rekening houdt of veranderingen aanbrengt bij de inrichting van de woning (ergonomisch verantwoord) en planning voor de uitvoering van de huishoudelijke werkzaamheden. Voorbeelden hiervan zijn: a. Voorbereiden van de was. b. Aanschaffen van strijkloze kleding. c. Aanschaffen van een droger. d. De wasmachine en droger op hoogte plaatsen zodat bukken en reiken wordt vermeden. e. Voorwerpen voor de sier of verzameling zo veel als mogelijk beperken. f. Beperken van de was door het gebruiken van incontinentiemateriaal of antiallergieproducten. Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2023 Vastgesteld bij B&W besluit d.d. 28 februari 2023
Pagina 15
7. Bij verwaarlozing van het huishouden wordt altijd gekeken of behandeling eerst noodzakelijk is. Artikel 27 Normtijden hulp bij het huishouden Wanneer een maatwerkvoorziening voor hulp bij het huishouden wordt ingezet, worden de richtlijnen van het CIZ hiervoor gebruikt. Deze worden aangevuld met extra uren op maat indien noodzakelijk. Artikel 28 Regie voeren en aanleren van huishoudelijke taken 1. Ondersteuning bij regie voeren, het organiseren van huishoudelijke taken wordt ingezet wanneer de inwoner niet zelf tot regie en planning van de werkzaamheden in staat is. 2. Daarnaast wordt er altijd gekeken naar de leerbaarheid en activeringsmogelijkheden van een inwoner. Voordat het duidelijk is dat huishoudelijke taken structureel moeten worden overgenomen, onderzoekt de zorgverlener of het mogelijk is de inwoner in de eigen kracht te zetten door taken aan te leren en de inwoner te activeren. Dit betekent zowel het oefenen van huishoudelijke taken als het inzetten van algemeen gebruikelijk huishoudelijke hulpmiddelen uitproberen. Wanneer er binnen 3 tot 6 maanden onvoldoende leerbaarheid en activeringsmogelijkheden blijken te zijn, wordt er overgegaan op structurele overname van handelingen. Dit staat los van de motivatie en de wil van de inwoner hieraan mee te werken.
Het is de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner mee te werken aan het onderzoek, de in samenwerking opgestelde doelen en het zoeken naar de best passende oplossing. 3. Er wordt bij de volgende situaties altijd eerst gekeken naar de leerbaarheid en activeringsmogelijkheden: a. Wegvallen van partner door bijvoorbeeld overlijden, opname, verhuizing of einde relatie. b. Onduidelijkheid over de beperking of mogelijkheden. c. Om leren gaan met een ziekte of beperking. d. Verstandelijke of psychische beperking. e. Zelfstandig of thuis wonen na opname of verblijf in een instelling. f. Het aanleren van huishoudelijk taken bij kinderen wanneer van hen verwacht mag worden dat zij deze gebruikelijke zorg op zich kunnen nemen. Artikel 29 Zware vervuiling huishouden 1. Bij uitzonderingsituaties is er sprake van een zware vervuiling van het huishouden waardoor er gezondheidsrisico’s ontstaan. Hiervoor is in principe geen maatwerkvoorziening beschikbaar. De inwoner is zelf verantwoordelijk voor de kosten. De gemeenten ondersteunt wel in het aanvragen van een huis schoonmaak. Artikel 30 Langdurige noodzakelijkheid maatschappelijke ondersteuning 1. Bij het bepalen van de meest passende goedkoopst adequate Wmo voorziening, wordt rekening gehouden met de (te verwachten) gebruiksduur en intensiteit van het gebruik.
Er wordt geen maatwerkvoorziening toegekend als deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding. Is hulp bij het huishouden of begeleiding kortdurend of incidenteel mogelijk, dan wordt een groter beroep op eigen mogelijkheden of de inzet van algemene of andere voorzieningen gedaan. Uiteraard wordt hierbij rekening gehouden met de feitelijke aanwezigheid hiervan. 2. Onder langdurig noodzakelijk wordt een periode langer dan 6 maanden bedoeld. Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2023 Vastgesteld bij B&W besluit d.d. 28 februari 2023
Pagina 16
Artikel 31 Wonen in een geschikt huis 1. Het zoeken, vinden en beschikken over een woning behoort tot de eigen verantwoordelijkheid. Dit geldt in beginsel ook voor het beschikken over een zo geschikt mogelijke woning. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid om passende maatregelen te nemen behorend bij de levensfase en te verwachten beperkingen. Kleine aanpassingen die voor iedereen algemeen toegankelijk zijn, worden niet vanuit de Wmo verstrekt. 2. Een woningaanpassing of ondersteuning bij het vinden van een geschikte woning wordt in het kader van de Wmo alleen verleend, indien het ontstaan van beperkingen, verminderde zelfredzaamheid en/of participatieproblemen het gevolg is/zijn van onvoorziene en onverwachte omstandigheden, gelegen buiten eigen toedoen. Er kan alleen gebruik worden gemaakt van een woningaanpassing vanuit de Wmo, indien de algemene en andere voorzieningen, niet passend zijn gebleken bij de situatie. 3. De inwoner kan bij verhuizen alleen rekening houden met de (medische) situatie, als op dat moment duidelijk is dat er beperkingen zijn of ontstaan bij het normale gebruik van de nieuwe woning.
Indien een inwoner alsnog besluit te verhuizen naar een woning waarbij bekend is dat deze niet passend is in gebruik of qua onderhoud bij de (medische) situatie van de inwoner, is de inwoner zelf verantwoordelijk om ondersteuning en aanpassingen te organiseren en te betalen. De inwoner had immers de mogelijkheid om te zoeken naar een woning passend bij de situatie. Artikel 32 Aard en omvang van de woningaanpassing 1. Bij het bepalen van de aard en omvang van de te verstrekken woningaanpassing gelden de volgende uitgangspunten: a. Het op de woning van toepassing zijnde bouwbesluit wordt als uitgangspunt genomen voor wat betreft wat er bij de woning aanwezig hoort te zijn. b. De woningaanpassing is functioneel, passend en langdurig adequaat. Langdurig adequaat betekent langer dan 6 maanden. Hierdoor hoeft de woningaanpassing in de toekomst niet nogmaals aangepast te worden. Artikel 33 Vervangende woningaanpassing of hulpmiddel, reparatie en onderhoud 1. Om te bepalen of een voorziening technisch is afgeschreven als bedoeld in artikel 6 lid 4 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning, hanteert het college de termijnen zoals opgenomen in bijlage II. 2. Onderhoud en reparatie van een hulpmiddel of woningaanpassing worden ook gerekend als maatwerkvoorziening. Indien van toepassing, geldt hiervoor ook een eigen bijdrage.
Artikel 34 Verhuizen op indicatie van de gemeente (verhuisindicatie) 1. Een inwoner komt in aanmerking voor een verhuisindicatie als aan alle onderstaande criteria wordt voldaan: a. Er is sprake van langdurige, aantoonbare beperkingen in het normale gebruik van de woning, bijvoorbeeld met traplopen. Daardoor is het medisch noodzakelijk om uit de woning te verhuizen. Dit was nog niet bekend bij de inwoner, toen de inwoner de huidige woning accepteerde of heeft aangepast. b. Verhuizen is de goedkoopst adequate oplossing binnen de Wmo, en kan plaatsvinden binnen een medisch verantwoorde termijn. Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2023 Vastgesteld bij B&W besluit d.d. 28 februari 2023
Pagina 17
2. 3. 4. 5.
6.
c. De inwoner woont zelfstandig en verhuist naar een zelfstandige woning waar het hele jaar gewoond wordt (geen recreatiewoning). d. De inwoner verhuist naar een geschikte woning binnen Nederland. De woning voldoet aan de eisen die in het besluit (de beschikking) staan die de inwoner ontvangt. e. De inwoner heeft tijdens het onderzoek en de aanvraag de huur nog niet opgezegd of het huis nog niet verkocht. Een verhuisindicatie is één keer inzetbaar. Na het accepteren van een geschikte woning vervalt de geldigheid van de indicatie. Indien een inwoner 3 keer een geschikte woning afwijst, is de inwoner hierna zelf verantwoordelijk. De inwoner wijst immers een passende oplossing af. De inwoner ontvangt een verhuisindicatie voor de periode van 1 jaar. Voor een tussentijdse oplossing kan de inwoner gebruikmaken van uitleen hulpmiddelen vanuit de Zvw. Een woningzoekende die in de gemeente mantelzorg verleent of ontvangt, komt in aanmerking voor een verhuisindicatie (mantelzorgurgentieverklaring) wanneer: a. er sprake is van een ondersteuningsvraag in de vorm van huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging en/of verpleging en individuele begeleiding; b. de ondersteuning thuis geboden wordt; c. sprake is van een mantelzorgrelatie waarin de mantelzorger voor gemiddeld 2 uur per dag en minimaal 10 uur per week besteedt aan het bieden van mantelzorg; en d.
waarbij de verwachting is dat de mantelzorgrelatie minimaal een jaar in stand blijft; e. de reisafstand tussen de woningen van mantelzorggever en mantelzorgontvanger binnen dezelfde gemeente of plaats is na de verhuizing; f. het aannemelijk is dat door de mantelzorg er in mindere mate aanspraak gemaakt wordt op een algemene of maatwerkvoorziening vanuit de Wmo of Jeugdwet. Het inkomen van het huishouden van de aanvrager is niet hoger dan de door de rijksoverheid vastgestelde inkomensnorm voor sociale huurwoningen.
Artikel 35 Vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten 1. Er kan alleen een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten geboden worden, wanneer er door de gemeente ook een verhuisindicatie is afgegeven. Hiervoor gelden dezelfde criteria als bij een verhuisurgentie. 2. Hoe hoog de tegemoetkoming is, staat in de nadere regels en wordt vastgelegd in het besluit (de beschikking) die de inwoner ontvangt. 3. Indien een inwoner voor het eerst op zichzelf gaat wonen, komt de inwoner niet in aanmerking voor een verhuiskostenvergoeding. Dit valt onder algemene gebruikelijk kosten zoals bij ieder ander. 4. Indien er sprake is van een verhuizing naar een Wlz-instelling, wordt er geen verhuiskostenvergoeding verstrekt. Artikel 36 Hulpmiddelen 1. Er zijn diverse hulpmiddelen die de inwoner behulpzaam kunnen zijn bij het zich verplaatsen in of om de woning. Deze zijn in de reguliere handel verkrijgbaar en zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen zolang deze financieel draagbaar zijn met een minimuminkomen. Voorbeelden hiervan kunnen zijn: a. Aankoppelfietsen voor kinderen. Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2023 Vastgesteld bij B&W besluit d.d. 28 februari 2023
Pagina 18
b. Airco-units. c. Antisliptegels en/of antislipcoating. d. Auto aanpassingen (automatische transmissie, stuur- en rembekrachtiging, verstelbare voorstoelen/buitenspiegels, elektrische raambediening, neerklapbare achterbank, derde/vijfde deur, interval op ruitenwissers, airconditioning, trekhaaken aanhanger). e. Automatische deuropeners voor garages. f. Bad. g. Bed (ook waterbed). h. Bromfiets, bromscooters en brommobielen. i. Centrale verwarming, verwarming units (niet gerelateerd aan woningaanpassing vanuit de Wmo). j. Dakkapellen. k. Douche; ruimte/bak verwijderen en/of plaatsen (niet gerelateerd aan woningaanpassing vanuit de Wmo). l. Douchekop en glijstang, douchescherm. m. Eenvoudige handgrepen/standaard muurbeugels (niet gerelateerd aan woningaanpassing vanuit de Wmo). n. Eengreeps-mengkranen (niet gerelateerd aan woningaanpassing vanuit de Wmo). o. Extra bel (aanschaf en plaatsen). p. Fiets (ook: ligfiets, bakfiets, tandem). q. Fiets met trap-/elektrische ondersteuning. r. Kookplaten (niet gerelateerd aan woningaanpassing vanuit de Wmo). s. Kantelbare spiegels. t. Keukenapparatuur (niet gerelateerd aan woningaanpassing vanuit de Wmo). u. Korfladen in de keuken (niet gerelateerd aan woningaanpassing vanuit de Wmo). v. Kosten voor halen rijbewijs en APK. w. Luchtbevochtigers en ontvochtigers. x. Losse antislipvoorzieningen (zoals badmat en antislipstickers). y.
Oplaadkosten van een scootermobiel. z. Sta-op stoel. aa. Thermostatische mengkranen (niet gerelateerd aan woningaanpassing vanuit de Wmo). bb. Trapleuningen, extra (niet gerelateerd aan woningaanpassing vanuit de Wmo). cc. Toilet (tweede toilet, hangtoilet). dd. losse douchestoel op poten ee. inpandige drempels ff. badplank gg. toiletverhoger 2. Hulpmiddelen voor revalidatie en kortdurend gebruik vallen tot 6 maanden onder de Zorgverzekeringswet. Daarnaast mag van een inwoner verwacht worden dat een gewenst hulpmiddel uitgeprobeerd wordt bij de uitleenwinkel, wanneer dit mogelijk is. 3. Wanneer een hulpmiddel langdurig nodig is, en/of de algemeen gebruikelijke voorzieningen leiden tot onvoldoende resultaat, wordt onderzocht of de inzet van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is en zo ja, welke. 4. Een rolstoel wordt verstrekt indien er een langdurige noodzaak is voor zittend verplaatsen.
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2023 Vastgesteld bij B&W besluit d.d. 28 februari 2023
Pagina 19
5. Bij de vaststelling van de specificaties van een hulpmiddel wordt binnen de mogelijkheden van de goedkoopst adequate oplossing rekening gehouden met de behoeften van de inwoner en betrokkenen. Waar nodig wordt er gebruikgemaakt van het advies van een ergotherapeut. 6. Bij een scootmobiel is het van belang dat een scootmobiel opgeladen en veilig en droog gestald kan worden. Bij de stalling wordt er gekeken naar de brandveiligheid (bijv. vrijhouden van vluchtwegen). Mogelijk is er toestemming nodig van de woningeigenaar om de scootmobiel te mogen stallen. Artikel 37 Sportvoorziening 1. Uniek Sporten is een voorliggende mogelijkheid op een sportvoorziening. Uniek Sporten is een uitleenservice van sportrolstoelen en handbikes voor inwoners. Inwoners met een fysieke beperking kunnen kosteloos, voor een periode van maximaal 6 maanden, via Uniek Sporten sporthulpmiddelen en verschillende sporten uitproberen. Uniek Sporten kan hierna in samenwerking met de inwoner een melding en aanvraag indienen voor en sportvoorziening bij de gemeente. 2. Er wordt voor maximaal één sport één sportvoorziening toegekend. 3. Het sporten is gericht op de maatschappelijke participatie. Daarom wordt een voorziening hiervoor alleen verstrekt voor sporten in verenigd verband of aantoonbaar vergelijkbaar met een verenigd verband. Zoals een trainingsgroep onder leiding van een professional. 4.
Sportvoorzieningen voor gezamenlijk of collectief gebruik komen niet voor individuele compensatie in aanmerking. Artikel 38 Mantelzorgwoning/unit of aanbouw 1. Een inwoner kan in aanmerking komen voor een mantelzorgwoning of aanbouw, wanneer alle onderstaande criteria gelden: a. De inwoner ervaart belemmeringen in het normale gebruik van de woning en het verstrekken van een mantelzorgwoning of het ombouwen van een bestaande woning tot een mantelzorgwoning is hiervoor de goedkoopst adequate oplossing; b. Er is dagelijkse mantelzorg noodzakelijk in de vorm van huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging en/of verpleging en individuele begeleiding. c. De ondersteuning wordt thuis geboden. d. Er wordt voor gemiddeld 2 uur per dag en minimaal 10 uur per week mantelzorg geleverd. e. De verwachting is dat de mantelzorgrelatie minimaal een jaar in stand blijft. f. De woningen van mantelzorggever en mantelzorgontvanger op een dusdanige reisafstand waardoor de mantelzorger niet de nodige mantelzorg kan (blijven) geven; g. Het is aannemelijk dat door de mantelzorg er in mindere mate aanspraak gemaakt wordt op een algemene of maatwerkvoorziening vanuit de Wmo of Jeugdwet. h. De woning of aanbouw is conform bestemmingsplan en de Bor. i. De woning of aanbouw is functioneel, passend en langdurig adequaat, waardoor de woning of aanbouw in de toekomst niet nogmaals hoeft te worden aangepast.
j. De mantelzorgwoning/unit wordt verwijderd als het doel van mantelzorg verdwijnt. k. De aanbouw (bijbehorende bouwwerk) mag blijven staan, maar het mag niet als aparte woning gebruikt worden. Een eventuele keuken of badkamer moet hierom worden verwijderd. Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2023 Vastgesteld bij B&W besluit d.d. 28 februari 2023
Pagina 20
Artikel 39 Persoonlijke verzorging Persoonlijke verzorging is een vorm van begeleiding die de inwoner ondersteunt bij bijvoorbeeld het wassen, aan- en uitkleden, in of uit bed komen, toiletteren, drinken, eten, verzorging van haren, tanden, huid en nagels. Meestal gaat het om aansturing en worden er geen handelingen overgenomen. Als overname noodzakelijk is, kan hiervoor meestal namelijk aanspraak gemaakt worden op de Zvw. Als de zorg verband houdt met de behoefte aan de geneeskundige zorg of een hoog risico daarop valt de persoonlijke verzorging namelijk onder de Zvw. De wijkverpleegkundige/kinderverpleegkundige beoordeelt dit. Als het onduidelijk is of de verzorging vanuit de Wmo/Jeugdwet of Zvw moet worden ingezet, is het daarom van belang om af te stemmen met de wijkverpleegkundige/kinderverpleegkundige. Artikel 40 Financiële tegemoetkoming 1. Een financiële tegemoetkoming is niet bedoeld als inkomenscompensatie. 2. De hoogte en de uitbetaling van de financiële tegemoetkoming is geregeld in de nadere regels. HOOFDSTUK 6 Overige bepalingen Artikel 41 Slotbepalingen 1. 2. 3.
De beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2019 worden ingetrokken. Deze beleidsregels treden in werking de dag na bekendmaking. Dit besluit wordt aangehaald als de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2023.
Rozendaal d.d. 28 februari 2023 Burgemeester en wethouders voornoemd,
De secretaris a.i. Kees de Haas
De burgemeester Ester Weststeijn
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2023 Vastgesteld bij B&W besluit d.d. 28 februari 2023
Pagina 21
BIJLAGE I Gebruikelijke hulp 1. Inleiding In de Wmo 2015 staat onder andere dat een inwoner pas in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening wanneer hij/zij niet met gebruikelijke hulp voldoende zelfredzaam is of in staat tot participatie. In de verordening is deze bepaling ook opgenomen. Uit de Jeugdwet volgt dat het college geen voorziening voor jeugdhulp hoeft te verstrekken voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn. In de verordening is, ter uitwerking hiervan, onder andere vastgelegd dat jeugdigen of ouders slechts in aanmerking kunnen komen voor een maatwerkvoorziening voor zover zij met gebruikelijke hulp geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag. In deze bijlage staat beschreven wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp. Hierbij wordt er specifiek ingegaan op gebruikelijke hulp bij hulp bij het huishouden (alleen Wmo), persoonlijke verzorging en begeleiding. De regels voor de Wmo zijn gebaseerd op het CIZ protocol gebruikelijke zorg in combinatie met de bepalingen in de Wmo 2015, relevante jurisprudentie en gemeentelijke beleidsuitgangspunten. Bij de regels Jeugd is aangesloten bij de richtlijnen die vóór 1 januari 2015 in de AWBZ en bij jeugdggz werden gehanteerd: de CIZ-indicatiewijzer en het Handboek Indicatiestelling jeugd-ggz.
De regels bieden een juridische en praktische ondersteuning om onderscheid te maken tussen gebruikelijke hulp en bovengebruikelijke hulp. In elke individuele situatie wordt op basis van deze regels een zorgvuldige individuele afweging gemaakt. Daarbij wordt rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van de inwoner. 2.
Gebruikelijke hulp in de Wmo 2015
2.1.Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Volgens de regering is het in onze samenleving normaal dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk taken overnemen in het huishouden, wanneer er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. 2.2.Van wie er gebruikelijke hulp wordt verwacht De leden van het huishouden vormen de leefeenheid van de inwoner. De leefeenheid is verantwoordelijk voor het functioneren van de leefeenheid. Dat betekent dat bij uitval van één van de leden van die leefeenheid, er gestreefd wordt naar een herverdeling van de huishoudelijke taken binnen die leefeenheid. 2.3.Leefeenheid De leefeenheid waartoe inwoner behoort, bestaat, gelet op artikel 1.1.1 Wmo 2015, uit de inwonende: • •
echtgenoot; ouders; Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2023 Vastgesteld bij B&W besluit d.d. 28 februari 2023
Pagina 22
• kinderen; of • andere huisgenoten waarmee inwoner een gezamenlijke huishouding voert. Gelet op de definitie van gebruikelijke hulp in de Wmo 2015, en Memorie van Toelichting, kunnen meer dan twee volwassen personen tot de leefeenheid behoren. Volwassenen die een kamer huren, horen niet bij de leefeenheid. Zij voeren immers hun eigen huishouden. Als de inwoner deel uitmaakt van een leefeenheid bestaande uit meerdere personen (meerpersoonshuishouden), stelt de consulent vast wat in dat geval verstaan wordt onder gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar. 2.4. Echtgenoot Met een echtgenoot wordt gelijkgesteld (artikel 1.1.2 Wmo 2015): • •
de geregistreerde partner; de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het om een bloedverwant in de eerste graad gaat.
2.5.Gezamenlijke huishouding De algemene wettelijke definitie bevat drie eisen waaraan moet zijn voldaan (artikel 1.1.2 lid 3 Wmo): 1. het gaat om twee personen; 2. men heeft het hoofdverblijf in dezelfde woning; 3. men draagt zorg voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten of activiteiten van de huishouding, dan wel anderzins. 2.5.0. Twee personen Het is niet mogelijk dat meer dan twee personen met elkaar een gezamenlijke huishouding voeren. Behoren er meer dan twee personen tot de leefeenheid, dan kan er bij de andere huisgenoten wel ook sprake zijn van gebruikelijke hulp. Echter, zal dan vastgesteld moeten worden wat gebruikelijke hulp is voor deze huisgenoten ten opzichte van de inwoner. 2.5.1. Hoofdverblijf Het gaat erom dat men feitelijk zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning. De enkele inschrijving in de Brp is onvoldoende om de vraag te beantwoorden waar iemand zijn woonadres heeft. Die vraag moet beantwoord worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Het enkele feit dat een persoon in het Brp is ingeschreven op het adres van de cliënt is onvoldoende om te spreken van hoofdverblijf in dezelfde woning. Soms kan er twijfel bestaan of het gaat om huisgenoten of dat men feitelijk in twee verschillende woningen verblijft. Denk hierbij aan de situatie waarbij iemand woont in een apart bijgebouw.
In die situatie kunnen de volgende factoren onderzocht worden om te bepalen of het gaat om één leefeenheid: • • • •
zijn de woningen kadastraal gesplitst? hebben ze een eigen huisnummer? is er sprake van een huurovereenkomst? is het mogelijk om huurtoeslag aan te vragen voor de woning? Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2023 Vastgesteld bij B&W besluit d.d. 28 februari 2023
Pagina 23
• •
beschikt de woning over algemeen gebruikelijke voorzieningen? heeft de woning een eigen toegangsdeur?
2.5.2. Zorg dragen voor elkaar Een ander belangrijk criterium voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding wordt ook het verzorgingscriterium genoemd. De betrokkenen moeten voor elkaar zorg dragen door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten of activiteiten van de huishouding dan wel anderszins. Een contract of bewijsstukken dat er huur of kostgeld wordt betaald, betekent niet automatisch dat de betrokkenen geen gezamenlijke huishouding kunnen voeren. Het is niet vereist dat de geboden verzorging aan elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft. Wanneer er enkel door één van beide personen zorg wordt geboden, is aan het verzorgingscriterium niet voldaan. Bij (onder)huurders en kostgangers is sprake van een zuiver zakelijke relatie. Daarvan is geen sprake als de relatie verder gaat dan alleen de betaling van de huur of het kostgeld. Bijvoorbeeld door het samen delen van maaltijden en de was. Zoals dat ook het geval is in andere situaties waarin de betrokkenen beweren niet elkaars partners te zijn, kan de gemeente een onderzoek instellen naar de feitelijke omstandigheden van de betrokkenen. 2.6. Gebruikelijke hulp door kinderen Wanneer er gebruikelijke hulp van een kind wordt verwacht, dan moet er onderzoek gedaan worden naar het vermogen van dit kind voor wat betreft de taken waar het om gaat.
Er moet rekening gehouden worden met wat op een bepaalde leeftijd als bijdrage van een kind mag worden verwacht, de ontwikkelingsfase van het kind en het feitelijke vermogen van het kind om een bijdrage te leveren. De inzet van kinderen mag niet ten koste gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder schoolprestaties. 2.7. Verschil met mantelzorg Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) zorg in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden. Bovendien hoeven mantelzorgers niet perse een gezamenlijke huishouding te voeren met de zorgvrager. 2.8. Wanneer er geen gebruikelijke hulp kan worden verwacht 2.8.0. Geobjectiveerde beperkingen/ ontbreken kennis & vaardigheden Wanneer partner, ouders, kind en/of elke andere huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en of kennis/vaardigheden mist, hoeven zij geen gebruikelijke hulp te bieden. 2.8.1. Niet-inwonende kinderen Niet-inwonende kinderen hoeven geen gebruikelijke hulp te bieden, want zij behoren niet tot de leefeenheid. De consulent kan wel met de inwoner bespreken of niet-inwonende kinderen (op vrijwillige basis) een helpende hand kunnen bieden.
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2023 Vastgesteld bij B&W besluit d.d. 28 februari 2023
Pagina 24
2.8.2. Dreigende overbelasting Bij gebruikelijke hulp moet onderzocht worden of diegene waarvan gebruikelijke hulp wordt verwacht, ook in staat is om deze gebruikelijke hulp te bieden of dat er sprake is van (dreigende) overbelasting. Bij dat onderzoek moet het college aandacht besteden aan draaglast en draagkracht. Bekeken moet worden of de echtgenoot of huisgenoot, naast zijn/haar werk en de door hem te verlenen zorg aan zijn echtgenoot of huisgenoot, fysiek en psychisch nog in staat is gebruikelijke hulp aan inwoner te verlenen. Als dat niet het geval is en er sprake is van (dreigende) overbelasting, kan de gemeente (tijdelijk) ondersteuning verstrekken. In eerste instantie zal die toewijzing van korte duur zijn om de gelegenheid te bieden de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner/ouder ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder dreigt overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen. Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp met andere activiteiten, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan op zich geen reden zijn om geen toepassing te geven aan het uitgangspunt van de gebruikelijke hulp. 2.8.3.
Korte levensverwachting Als de zorgvrager een korte levensverwachting heeft, kan ter fysieke en psychische ontlasting van de leefeenheid van de zorgvrager besloten worden om geen toepassing te geven aan het uitgangspunt van de gebruikelijke hulp. 2.9. Respijtzorg Wanneer de huisgenoot, partner of ouder niet in staat is gebruikelijke hulp op zich te nemen vanwege (dreigende) overbelasting, kan er respijtzorg worden ingezet. De gemeente beoordeelt de situatie dan alsof de inwoner zonder huisgenoot voor gebruikelijke hulp woont. Wanneer er geen andere oplossingen mogelijk zijn, biedt de gemeente ondersteuning. Er is een variëteit aan respijtvoorzieningen waarmee vervangende zorg vorm zou kunnen krijgen. Hierbij kan gedacht worden aan begeleiding thuis, informele zorg, dagopvang/activiteit, een logeerhuis en kortdurend verblijf. Ook kan het maatwerk bestaan uit het bieden van diensten, hulpmiddelen of andere maatregelen die van belang zijn bij het ondersteunen van een inwoner door een mantelzorger. 2.10. Afweging gebruikelijke en boven gebruikelijke hulp Bij gebruikelijke hulp wordt gekeken naar wat aan tijdsbesteding bij die activiteit bij een gezond persoon gebruikelijk is. Daarbij omvat gebruikelijke hulp de zorg die iedereen nodig heeft (wassen, eten, schoonmaken en dergelijke), maar ook de zorg die deze activiteiten vervangt.
Denk hierbij aan stomaverzorging in plaats van toiletgang en sondevoeding in plaats van eten. Van boven gebruikelijke hulp is sprake wanneer mensen elkaar bij ziekte of handicap langdurig meer zorg bieden dan wat binnen de sociale relatie gewoon is.
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2023 Vastgesteld bij B&W besluit d.d. 28 februari 2023
Pagina 25
Voorbeeld: het is niet gebruikelijk dat een volwassene langdurig hulp nodig heeft bij de toiletgang. Hier is dus sprake van boven gebruikelijke hulp. 2.11. Culturele diversiteit Bij het inventariseren van de eigen mogelijkheden van het huishouden wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Er is sprake van een pluriforme samenleving waarin iedereen gelijke aanspraken op zorg kan maken. 2.12. Opvang en verzorging van kinderen Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen, in het kader van de opvoeding. Dit houdt in het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn, het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles. Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van een kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg voor de kinderen over. Gebruikelijke zorg voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon, zoals de leeftijd en ontwikkeling van het kind vereisen.
Indien nodig dient de ouder gebruik te maken van de voor hem/haar geldende mogelijkheden van zorgverlof. Indien dit niet mogelijk is, dient de ouder gebruik te maken van (een combinatie van) algemeen gebruikelijke en voorliggende voorzieningen zoals bijvoorbeeld crèche, buitenschoolse opvang, gastouderbureau. Het verplichte gebruik van alternatieve opvangmogelijkheden wordt redelijk geacht, onafhankelijk van de financiële omstandigheden. Zijn deze mogelijkheden reeds maximaal gebruikt of afwezig, of is er slechts kortdurende overbrugging nodig, dan kan hiervoor hulp worden ingezet. Indien er sprake is van uitval van de ouder in een eenoudergezin, en de voorliggende algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn niet aanwezig, niet toepasbaar of uitgeput, dan kan, afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van het kind, ondersteuning tot maximaal 40 uur per week voor oppas, opvang, begeleiding en verzorging van gezonde kinderen toegewezen worden. Een dergelijke toewijzing is in principe van korte duur (maximaal 3 maanden), met de bedoeling binnen deze termijn een eigen oplossing te realiseren. 2.13.
Van wie kan gebruikelijke hulp worden verwacht bij huishoudelijke verzorging?
2.13.0. Volwassene Van een volwassen gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze alle huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt. Uit een uitspraak van de CRvB volgt dat wanneer de echtgenoot, huisgenoot of inwonende zoon of dochter wel in staat is om gebruikelijke hulp te verlenen maar weigert om huishoudelijke taken te verrichten, de gemeente geen hulp bij het huishouden hoeft te verstrekken met toepassing van de hardheidsclausule (ECLI:NL:CRVB:2016:3665). 2.13.1. Taken van een 18-23 jarige
Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Rozendaal 2023 Vastgesteld bij B&W besluit d.d. 28 februari 2023
Pagina 26
Een 18-23 jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn: • schoonhouden van wc en badkamer; • schoonhouden van keuken, leefruimte en één slaapkamer; • wasverzorging; • boodschappen doen; • maaltijd verzorgen; • afwassen en opruimen. Dit betekent dat er huishoudelijke verzorging wordt toegekend voor het schoonhouden van overige slaapkamer(s) inclusief het verschonen van bedden, het schoonmaken van de hal/bijkeuken en het zemen van ramen aan de binnenzijde. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden. 2.13.2. Bijdrage van kinderen aan het huishouden Wanneer er kinderen binnen de leefeenheid aanwezig zijn, dan gaat de consulent ervan uit, dat de kinderen, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Passend bij de leeftijd en psychosociaal functioneren. • •
•
Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien. Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.