Regioplan beleidsonderzoek Met gepast geweld
Tekst van het document
77%
28%
5%
Naar de grond brengen
37%
28%
17%
Wurggreep/nekklem
43%
26%
4%
Armklem
9%
20%
3%
Slaan***
23%
18%
31%
Schoppen
7%
9%
8%
Fixeren
-
8%
10%
Beenklem
1%
5%
1%
Knietje
5%
4%
4%
Overig
-
-
16%
* Omdat per voorval meer dan één soort geweld kan worden ingezet, tellen de percentages in deze figuur op tot meer dan 100%. ** Cijfers over 2005 en 2010 bevatten voorvallen over duwen en trekken. Cijfers over 2016 hebben alleen betrekking op duwen. *** Slaan omvat een vuistslag of een klap met de vlakke hand. In eerdere publicaties over deze cijfers in 2005 en 2010 waren deze soorten gescheiden. Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016; Bleijendaal e.a. (2008); Timmer & Visser (2015)
3.3.
Waarschuwingen
3.3.1
Feitelijke beschrijving
Art. 7 lid 1 PW 2012 schrijft voor: ‘Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf ’. Uit de dossiers blijkt dat zo’n waarschuwing in de praktijk kan bestaan uit een algemene formulering, zoals ‘als u niet meewerkt, zal geweld toegepast worden’, of uit een meer gerichte waarschuwing waarbij gedreigd wordt met de inzet van een specifiek geweldmiddel. In het eerste geval betreft het voornamelijk een waarschuwing in een vroeg stadium van het politieoptreden waarbij nog geen geweldmiddel, zoals wapenstok, pepperspray of vuurwapen, ter hand is genomen. In het tweede geval is het geweldmiddel vaak al ter hand genomen, omdat de agenten inschatten dat de situatie dreigt te escaleren. Voorafgaand aan twee derde van alle geweldsvoorvallen in 2016 is minimaal één waarschuwing gegeven door een agent (figuur 3.6). 31
3.
Omvang geweldsaanwending politie
Figuur 3.6 Verdeling aantal waarschuwingen voorafgaand aan het geweldgebruik (n= 6.577 voorvallen)
2.189
0%
3.348
20%
40%
768
60%
372
80%
100%
Geen waarschuwing (33%)
Twee waarschuwingen (12%)
Éen waarschuwing (49%)
Drie of meer waarschuwingen (6%)
Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016
Wanneer we het al dan niet geven van een waarschuwing afzetten tegen het soort geweldsaanwending, dan blijkt dat bij voorvallen waarin de wapenstok (82%) of een diensthond zijn ingezet (92%) relatief vaak gewaarschuwd wordt (figuur 3.7). In de onderzoeken over de jaren 2000, 2005 en 2010 waren vergelijkbare gegevens niet beschikbaar. Figuur 3.7 Verdeling waarschuwing naar soort geweld*
100% 90%
1.614
307
269
81
22
2.973
656
931
364
271
Fysiek geweld (65%)
Vuurwapen (68%)
Pepperspray (78%)
Wapenstok (82%)
Diensthond (92%)
80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
Wel waarschuwing
Geen waarschuwing
* Fysiek geweld n=4.587 voorvallen, vuurwapen n=963 voorvallen, pepperspray n=1.200 voorvallen, wapenstok n=445 voorvallen, diensthond n=293 voorvallen. Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016
32
Gewelddoel, werkzaamheden en gevaarsituaties
3.3.2
3.4.
Typering casuïstiek waarschuwingen
Of de agent wel of niet waarschuwt voorafgaand aan het politiegeweld, hangt meestal af van de omstandigheden. Als agenten zich overrompeld voelen door de situatie, de verdachte of mogelijk ook door het gedrag van een collega kunnen zij kwetsbaarder zijn. Uit de dossiers blijkt dat vooral wanneer agenten fysiek geweld gebruiken een waarschuwing vaak uitblijft. Bij deze voorvallen was er veelal sprake van een snelle escalatie van (fysiek) verzet van de betrokken burgers. Waarschuwingen zijn eveneens achterwege gelaten bij ‘geïmproviseerd geweld’, dat wil zeggen doorgaans onverwachte situaties waarbij gebruik is gemaakt van de middelen die op dat moment voor handen waren (bijvoorbeeld een zaklamp of autoportier). Daarnaast is voornamelijk afgezien van een waarschuwing wanneer slechts één of twee agenten bij de geweldsaanwending betrokken zijn, als er geen sprake is van optreden tegen agressieve verstoorden of een gevaarindicatie ontbreekt, als het voorval zich afspeelt in het donker en wanneer betrokken burgers mannen zijn tussen de 18 en 37 jaar oud. Verder lijken vrouwelijke agenten minder vaak te waarschuwen dan mannelijke agenten. Op basis van de dossiers is geen patroon te herkennen in het al dan niet waarschuwen en de dag van de week, het dagdeel of de werkzaamheden ten tijde van het voorval. Dit onderzoek is gericht op geweldsaanwendingen.
Politieoptreden waarbij geen politiegeweld is gebruikt, valt buiten de reikwijdte van dit onderzoek. Hierdoor is het binnen dit onderzoek niet mogelijk om uitspraken te doen over de effectiviteit van een waarschuwing voor geweldsaanwending. In de voorvallen waarin verschillende soorten politiegeweld na elkaar zijn aangewend, werkt het eerdere geweldgebruik als waarschuwing voor het eventueel daarna volgende. In de betreffende meldingen komt dit niet expliciet aan de orde. Uit eerder onderzoek (Timmer e.a., 1996; Timmer, 2005) is bekend dat iets meer dan de helft van alle ruwweg 200 politieschietincidenten jaarlijks voorvallen betreft waarin uitsluitend een of meer waarschuwingsschoten zijn afgevuurd. De effectiviteit daarvan is beperkt. Veel mensen horen in de spanning de knal niet of herkennen de knal niet als een schot, laat staan als een waarschuwing. Bij sommige verdachten werkt een waarschuwingsschot aldus eerder als een startschot dan als een stopschot. 3.4.
Gewelddoel, werkzaamheden en gevaarsituaties
Ter aanvulling op de analyse van de meldingsformulieren geweldsaanwending zijn 40 politiedossiers onderzocht. Op basis van informatie uit deze dossiers bespreken we in deze paragraaf het doel van het geweldgebruik, de werkzaamheden en situaties met betrekking tot de geweldsaanwendingen. 3.4.1
Typering casuïstiek geweldsdoel
Agenten wenden geweld aan met verschillende doeleinden. Uit de dossiers blijkt dat ruim de helft van het geweldgebruik van agenten (24 van de 40 dossiers) plaatsvindt ter aanhouding en overbrenging van verdachten, dikwijls gecombineerd met het afwen33
3.
Omvang geweldsaanwending politie
den van geweld door burgers. Bij een kwart (6 van de 23) van de dossiers stond het geweldgebruik in dienst van het handhaven van de openbare orde. Ook in 2000, 2005 en 2010 was het aanhouden van een verdachte het meest voorkomende doel van politiegeweld. Het was in 2010 met 74% iets lager dan in 2000 (80%) en 2005 (88%) (Bleijendaal e.a., 2008: p. 56). In 68% van de gevallen gebruikte de politie in 2010 geweld om geweld van de burger af te wenden. In 61% van de gevallen ging het daarbij om het afwenden van geweld gericht tegen de politieambtenaar zelf, in 48% tegen een collega, in 15% tegen burgers of de verdachte zelf en in 5% tegen zaken. Ook als het politiegeweld niet het afwenden van geweld tot doel heeft, kan er sprake zijn van geweldgebruik door burgers tijdens het geweldsvoorval. Wanneer door burgers geweld gebruikt wordt tijdens het voorval gaat het in bijna de helft van de voorvallen om fysiek geweld (17 van de 33), al dan niet in combinatie met een intimiderende houding of verbaal geweld (tezamen 8 van de 17). Daarnaast bestaat burgergeweld tijdens voorvallen waar de politie geweld gebruikt uit verbaal geweld, gooi- en smijtwerk en het gebruik van steekwapens en vuurwapens. 3.4.2
Typering casuïstiek werkzaamheden
Gerelateerd aan het doel van het geweld blijkt uit de dossiers dat ruim de helft van de voorvallen (21 van de 40) plaatsvond tijdens het aanhouden en overbrengen van verdachten. Daarnaast vond een deel van de geweldsaanwendingen plaats tijdens de werkzaamheden assistentieverlening, corrigerend aanspreken, staande houden en bekeuren en tijdens surveilleren (figuur 3.8). Figuur 3.8 Werkzaamheden ten tijde van geweldsaanwending (n=40)
21
0%
20%
5
40%
60%
2 2
2
8
80%
Aanhouden en overbrengen (53%)
Staande houden en bekeuren (5%)
Surveilleren (13%)
Assistentieverlening (5%)
Corrigerend aanspreken (5%)
Overige werkzaamheden (20%)*
100%
* De categorie ‘overige werkzaamheden’ bestaat uit het handhaven van de openbare orde, een arrestant uit een cellencomplex verwijderen, een verward persoon of slachtoffer van een ongeluk vervoeren en het voorkomen dat bewijsmateriaal vernietigd wordt. Bron: politiedossiers 2016
34
3.5.
Deelconclusie
3.4.3
Typering casuïstiek gevaarsituaties
Ruim de helft van de voorvallen waarbij de politie geweld heeft gebruikt, betrof een gevaarsituatie (figuur 3.9). Het ging met name om agressieve verstoorden (7 van de 40), groepsgeweld (6 van de 40) en vuurwapengerelateerd geweld (3 van de 40). ‘Verstoorden’ zijn psychisch gestoorde of gedrogeerde personen (Kruize en Wijmer, 1994). Figuur 3.9 Gevaarsituaties ten tijde van voorval (n=40)
17
0%
20%
7
40%
6
60%
3
2
2
80%
33
100%
Geen gevaarsituatie (43%)
Huiselijk geweld (5%)
Aggressieve verstoorden (18%)
Uitgaansgerelateerd geweld (5%)
Groepsgeweld (15%)
Overige gevaarsituaties (8%)
Vuurwapengerelateerd geweld (8%) Bron: politiedossiers 2016
3.5.
Deelconclusie
Net als in voorgaande jaren is het merendeel van het door agenten toegepaste geweld fysiek geweld. Pepperspray, vuurwapen en wapenstok zijn in mindere mate gebruikt. In vergelijking met 2000, 2005 en 2010 blijkt dat in 2016 het aandeel geweldsvoorvallen waarin fysiek geweld gebruikt is, is afgenomen en het aandeel van vuurwapen- en pepperspraygebruik gestegen is. Wanneer we kijken naar het soort fysiek geweld dat toegepast is, blijkt het vooral te gaan om slaan. Voor de relatieve toename daarvan en van het fixeren van verdachten is geen voor de hand liggende verklaring. Agenten passen de technieken duwen en trekken, naar de grond brengen, verwurgingen, armklemmen en schoppen minder toe dan in 2010 en 2005. Voor een deel past dat in het beeld dat de politie er naar streeft om agenten vooral de aangeleerde en getrainde technieken te laten gebruiken. Anderzijds kan dit ook te verklaren zijn uit het feit dat agenten minder uren hun fysieke vaardigheden trainen en daardoor mogelijk meer terugvallen op het gebruik van geweldmiddelen. De politie Amsterdam lijkt minder vaak gebruik te maken van geweldmiddelen zoals pepperspray, vuurwapen en wapenstok en wat vaker van fysiek geweld.
35
3.
Omvang geweldsaanwending politie
Voorafgaand aan twee derde van de voorvallen is minimaal één waarschuwing voorafgegaan. Vooral vóór de inzet van een wapenstok of diensthond wordt vaak een waarschuwing gegeven. Voor toepassing van fysiek geweld blijft een waarschuwing relatief vaak uit. Het uitblijven van een waarschuwing voor het toepassen van geweld lijkt, op basis van de dossierstudie, gerelateerd te zijn aan de (on)voorspelbaarheid van de situatie. Gezien de wettelijke verplichting om te waarschuwing voorafgaand aan geweldgebruik is het ontbreken daarvan in een derde van de geweldsaanwendingen een punt van aandacht voor opleiding en training. Uit de dossierstudie blijkt dat er in ruim de helft van de voorvallen waarbij de politie geweld heeft gebruikt sprake was van een gevaarsituatie. In de overige voorvallen is er geen sprake van direct gevaar en maakt politie dus gebruik van de geweldsbevoegdheid in de taakuitoefening zonder noodzaak tot ‘afweer’, noodweer of het beschermen van personen. Verder blijkt dat politiegeweld door de BPZ hoofdzakelijk plaatsvindt in bestek van de uitvoering van de kerntaken van politie. Dat is de handhaving van recht (aanhouden) en orde en het beschermen van personen.
36
4.1.
Locatie en tijd geweldsaanduiding
4.
In dit hoofdstuk bespreken we de spreiding van voorvallen waarbij agenten geweld gebruikt hebben. We gaan eerst in op de geografische spreiding over politie-eenheden en gemeenten. Daarna beschrijven we de temporele spreiding van voorvallen naar dag, dagdeel en uur. Vervolgens gaan we in op de locatie van het voorval: gebeurde het bijvoorbeeld op de openbare weg of in een woonhuis? We sluiten het hoofdstuk af met een deelconclusie. 4.1.
Politie-eenheden en gemeenten
4.1.1
Feitelijke beschrijving
In de eenheid Den Haag is het aantal voorvallen in absolute zin het hoogst (1.227 voorvallen). Den Haag wordt gevolgd door Rotterdam (904 voorvallen) en Midden-Nederland (886 voorvallen). In Limburg (404 voorvallen) en Noord-Nederland (443 voorvallen) is het aantal voorvallen in absolute zin het laagst (figuur 4.1). Figuur 4.1 Verdeling geweldsvoorvallen naar eenheid (n= 6.706 voorvallen)
Den Haag (18%)
1.227
Limburg (6%) Midden-Nederland (13%) Noord-Holland (8%)
404
Noord-Nederland (7%)
443
886 557
Oost-Brabant (12%)
825
Oost-Nederland (11%) Rotterdam (13%) Zeeland-West-Brabant (10%) Landelijke Eenheid (1%)
727 904 675 76 0
300
600
900
1.200
1.500
Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016
37
4.
Locatie en tijd geweldsaanduiding
Wanneer het aantal voorvallen afgezet wordt tegen het aantal inwoners per eenheid, zien we dat Den Haag (65), Oost-Brabant (61), Midden-Nederland (57) en Rotterdam (51) een relatief hoog aantal voorvallen kennen (figuur 4.2). Het aantal voorvallen, ten opzichte van het aantal inwoners, is relatief laag in Noord-Nederland (21) en in Oost-Nederland (23). Figuur 4.2 Aantal voorvallen per 100.000 inwoners, per eenheid
Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016 (aantal voorvallen), CBS StatLine (aantal inwoners)
Afgezet tegen het aantal operationele agenten (exclusief aspiranten), blijkt dat het aantal voorvallen relatief hoog is in de eenheid Oost-Brabant (27). In Noord-Nederland (9) en Oost-Nederland (11) is het aantal voorvallen ten opzichte van het aantal opera-
38
Politie-eenheden en gemeenten
4.1.
tionele agenten (excl. aspiranten) relatief laag. De eenheden Den Haag (21) en Midden-Nederland (20), tezamen met Zeeland-West-Brabant (19) behoren tot de middenmoot (figuur 4.3). In bijlage 5 is het aantal voorvallen afgezet tegen het aantal operationele agenten inclusief aspiranten. Het algemene beeld van het aantal voorvallen per eenheid, ten opzichte van het aantal operationele eenheden exclusief aspiranten, verschilt niet wezenlijk van het beeld inclusief aspiranten. Figuur 4.3 Aantal voorvallen per 100 operationele agenten (excl. aspiranten), naar eenheid
Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016 (aantal voorvallen), Jaarverantwoording politie 2016 (aantal agenten)
39
4.
Locatie en tijd geweldsaanduiding
In de eenheid Oost-Brabant bestaat een relatief groot deel van de (meest voorkomende typen) geweldsaanwendingen uit fysiek geweld, vergeleken met de andere eenheden (figuur 4.4). Het gebruik van het vuurwapen is in deze eenheid relatief laag. In de eenheid Rotterdam zien we een tegengesteld beeld: relatief weinig fysiek geweld, en relatief veel vuurwapengebruik. Ook het gebruik van pepperspray, wapenstok en diensthond is relatief hoog in de eenheid Rotterdam, vergeleken met de andere eenheden. Figuur 4.4 Verdeling van meest voorkomende ingezette geweldmiddelen (en diensthond) naar eenheid*
875
Den Haag
139
223 71 41 46 107 49 20
703
Oost-Brabant Midden-Nederland
677
95
141
83 38
Oost-Nederland ZeelandWest-Brabant Rotterdam
512 453
99 84
124 130
48 37 40 37
433
286
206
84 64
Noord-Holland
426
Limburg
277
49
83
26 24
Noord-Nederland
426
75
110
3314
Landelijke Eenheid 0%
47 20%
75
40%
60%
Fysiek geweld
Vuurwapen
Wapenstok
Diensthond
110
27 80%
33 14
4 3 100%
Pepperspray
Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016
Wanneer we naar de spreiding van voorvallen over de gemeenten (per 1.000 inwoners) kijken, valt op dat er in enkele gemeenten bovengemiddeld veel voorvallen hebben plaatsgevonden. In Noordwijk en Bergen (Limburg) is de ratio relatief hoog, gevolgd door Waterland, Den Haag, Houten, Eindhoven, Helmond, Rozendaal en Schiermonnikoog (figuur 4.5).
40
Dag, dagdeel en uur
4.2.
Figuur 4.5 Spreiding geweldsvoorvallen naar gemeente, per 1.000 inwoners
Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016 (aantal voorvallen), CBS StatLine (aantal inwoners)
4.2.
Dag, dagdeel en uur
4.2.1
Feitelijke beschrijving
Ruim de helft van de geweldsvoorvallen (55%) heeft plaatsgevonden op vrijdag (15%), zaterdag (18%) en zondag (22%). De overige voorvallen zijn evenredig verdeeld over 41
4.
Locatie en tijd geweldsaanduiding
maandag tot en met donderdag (figuur 4.6). Dit is hetzelfde beeld als voor de jaren 2000 (Timmer, 2005), 2005 (Bleijendaal e.a., 2008) en 2010 (Timmer & Visser, 2015). Figuur 4.6 Verdeling voorvallen naar dag voorval (n= 6.395 voorvallen)
714
0%
702
20%
750
762
40%
937
1.132
60%
Maandag (11%)
Dinsdag (11%)
Woensdag (12%)
Vrijdag (15%)
Zaterdag (18%)
Zondag (22%)
1.398
80%
100%
Donderdag (12%)
Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016
Als we de verdeling van de meest voorkomende soorten geweldsaanwending (en diensthond) per dag bekijken, zien we dat het aandeel fysiek geweld min of meer evenredig verdeeld is over de dagen van de week (figuur 4.7). Vuurwapens blijken relatief meer op doordeweekse dagen gebruikt te worden dan in het weekend en de wapenstok relatief gezien meer op zondagen. Het aandeel van het gebruik van pepperspray is stabiel over de dagen van de week, ten opzichte van andere geweldmiddelen. Uit de dossierstudie blijkt dat het doel van het politiegeweld op maandag t/m donderdag niet wezenlijk verschilt van vrijdag t/m zondag. Verder lijkt er geen verschil te zijn in de verdeling van de inzet van verschillende soorten geweldmiddelen doordeweeks ten opzichte van het weekend.
42
4.2.
Dag, dagdeel en uur
Figuur 4.7 Verdeling meest voorkomende soorten geweld (en diensthond) naar dag*
Maandag
484
128
130
41 35
Dinsdag
474
119
147
24 31
Woensdag
503
135
128
28 32
Donderdag
510
138
158
2727
Vrijdag
661
131
161
45 47
Zaterdag
819
132
201
82 41
Zondag
1.016
0%
20%
140 40%
Fysiek geweld
Vuurwapen
Wapenstok
Diensthond
60%
242 80%
182 69 100%
Pepperspray
Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016
Op hoofdlijnen is dit hetzelfde beeld als in eerdere Nederlandse onderzoeken naar politiegeweld in de jaren 2000 (Timmer, 2005), 2005 (Bleijendaal e.a., 2008) en 2010 (Timmer & Visser, 2015). Het zwaartepunt van het gebruik van politiegeweld ligt op de uitgaans- en feestavonden niet alleen ter handhaving van de openbare orde met fysiek geweld, wapenstok en politiehond, maar ook ter strafrechtelijke handhaving tegen verdachten van strafbare feiten. Het gebruik van de pepperspray en gebruik van het vuurwapen is veel vlakker verdeeld over de dagen van de week. Bijna de helft van de voorvallen heeft zich afgespeeld in de nacht (41%) en nog eens een kwart in de avonduren (26%). In de ochtend vinden de minste voorvallen plaats (11%) (figuur 4.8). Ook dit komt op hoofdlijnen overeen met de jaren 2000 (Timmer, 2005), 2005 (Bleijendaal e.a., 2008) en 2010 (Timmer & Visser, 2015).
43
4.
Locatie en tijd geweldsaanduiding
Figuur 4.8 Verdeling voorvallen per dagdeel (n= 6.520 voorvallen)*
710 0%
1.434 20%
Ochtend (11%)
1.699
2.677
40% Middag (22%)
60% Avond (26%)
80%
100%
Nacht (41%)
* Gerapporteerde tijden zijn afgerond op uren waarna dagdelen als volgt zijn gedefinieerd: ochtend (07.00u-12.00u); middag (13.00u-18.00u); avond (19.00u-23.00u); nacht (01.00u-06.00u). Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016
Het aantal voorvallen piekt rond 04.00 uur. Rond 07.00 uur in de ochtend is het aantal geweldsvoorvallen het laagst, om daarna gestaag op te lopen met een dal rond etenstijd (figuur 4.9). Ook dit lijkt sterk op het beeld voor de jaren 2000 (Timmer, 2005), 2005 (Bleijendaal e.a., 2008) en 2010 (Timmer & Visser, 2015). Figuur 4.9 Aantal voorvallen per uur (n= 6.520 voorvallen)
500 450 400 350 300 250 200 150 100 0
00.00 01.00 02.00 03.00 04.00 05.00 06.00 07.00 08.00 09.00 10.00 11.00 12.00 13.00 14.00 15.00 16.00 17.00 18.00 19.00 20.00 21.00 22.00 23.00
50
Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016
Wanneer we de verdeling van de voorvallen per dagdeel over de dagen van de week bekijken, blijkt dat het aandeel voorvallen gedurende de middag afneemt en gedurende de nacht toeneemt vanaf vrijdag tot en met zondag (figuur 4.10). Opnieuw lijkt dit
44
4.2.
Dag, dagdeel en uur
beeld sterk op dat voor de jaren 2000 (Timmer, 2005), 2005 (Bleijendaal e.a., 2008) en 2010 (Timmer & Visser, 2015). Figuur 4.10 Verdeling voorvallen naar dagdeel per dag (n= 6.342 voorvallen)
Maandag
88
201
Dinsdag
96
208
211
179
Woensdag
93
218
214
215
Donderdag
105
221
233
195
Vrijdag
113
207
Zaterdag 95
172
Zondag 103
170
0%
191
227
297
313
267
594
231
885
20% Ochtend
40%
60%
80%
Middag
Avond
100%
Nacht
Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016
Als we vervolgens per dagdeel bezien hoe de inzet van de vijf meest voorkomende geweldmiddelen (en politiehond) verdeeld is, zien we een redelijk constant beeld voor de ochtend, middag en avond. In de nacht is het aandeel fysiek geweld vergelijkbaar met de andere dagdelen, maar het aandeel vuurwapengebruik is kleiner terwijl pepperspray, wapenstok en diensthond in de nacht meer ingezet worden (figuur 4.11). Figuur 4.11 Meest voorkomende soorten geweld (en diensthond) naar dagdeel*
Ochtend
490
119
135
18 11
Middag
1.006
246
280
3837
Avond
1.148
308
314
70 60
Nacht
1.896
0% 20% Fysiek geweld Wapenstok
40% Vuurwapen Diensthond
292
449
60% 80% Pepperspray
316 177 100%
Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016
4.2.2 Dag van geweldsaanwending in eenheid Amsterdam De geweldsaanwendingen zijn in de eenheid Amsterdam redelijk evenredig over de dagen van de week verdeeld, met een kleine piek op zaterdag (figuur 4.12). Hoewel een zuivere vergelijking tussen de eenheid Amsterdam en de overige eenheden niet mogelijk is, lijkt het geweldgebruik in de eenheid Amsterdam meer gelijkmatig verdeeld te 45
4.
Locatie en tijd geweldsaanduiding
zijn over de dagen van de week dan in de andere eenheden. Op basis van de voorvallen in de andere eenheden blijkt er een toename van geweld door agenten op vrijdag, zaterdag en zondag (zie figuur 4.6). Figuur 4.12 Verdeling geweldsaanwendingen Amsterdam naar dag*
337
0%
332
20%
407
379
40%
435
515
60%
Maandag (12%)
Dinsdag (12%)
Woensdag (14%)
Vrijdag (15%)
Zaterdag (18%)
Zondag (15%)
420
80%
100%
Donderdag (13%)
* Voor de eenheid Amsterdam is de data op het niveau van geweldsaanwendingen, niet op het niveau van voorvallen. Bron: registratie politie-eenheid Amsterdam 2016
4.3.
Locatie
4.3.1
Feitelijke beschrijving
Ruim de helft van de voorvallen in de dossierstudie (22 van de 40) heeft op de openbare weg plaatsgevonden. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om verdachten die na een achtervolging over de snelweg worden aangehouden, inbrekers die worden gepakt tijdens hun vlucht door de wijk of onruststokers die in de binnenstad worden aangesproken. Daarnaast hebben zeven voorvallen in of om een woning/tuin plaatsgevonden, vier voorvallen binnen/direct buiten een horecagelegenheid en twee bij een bedrijfspand (zie ook figuur 4.13). De locatie van een voorval lijkt niet bepalend te zijn voor het type geweld dat agenten inzetten. Ook in 2010 vond het merendeel van het politiegeweld (65%) plaats op de openbare weg (Timmer & Visser, 2015). Burgerwoningen stonden toen voor 14% en politiebureaus voor 8% van de plekken waar politiegeweld werd aangewend. Dit was ongeveer een verdubbeling ten opzichte van 2005 (Bleijendaal e.a., 2008:p. 69) en 2000 (Naeyé, 2005).
46
4.3.
Locatie
Figuur 4.13 Locatie geweldsaanwending politie (n=40)
22 0%
20%
7 40%
60%
4
2
80%
2
3 100%
Openbare weg (55%)
Woning/tuin (18%)
Horeca (10%)
Bedrijfsruimte (5%)
Politiecellencomplex (5%)
Overige locaties
Bron: politiedossiers 2016
4.3.2
Typering casuïstiek locatie
Geweldsvoorvallen op de openbare weg worden niet gekenmerkt door een bepaald soort politieel geweld, blijkt uit de dossierstudie. De voorvallen op de openbare weg vinden meestal plaats gedurende de avond en nacht. Bij deze voorvallen zijn relatief vaak meerdere (mannelijke) verdachten betrokken en zijn zij relatief vaak in de leeftijd van 18 t/m 27 jaar. Zoals hierboven al vermeld, heeft het merendeel van de geweldsaanwendingen het afwenden van burgergeweld tot doel. Dit geldt ongeacht de locatie van het voorval. Het type geweld tegen de politie varieert wel enigszins per locatie. Hoewel de hoofdmoot van het burgergeweld bestaat uit fysiek geweld, krijgen agenten op de openbare weg relatief vaak te maken met verbaal geweld door burgers. In ruim de helft van de onderzochte voorvallen op de openbare weg (12 van de 22) was er een gevaarsituatie tijdens het politieoptreden: groepsgeweld (4), vuurwapengerelateerd geweld (3), agressieve verstoorden (2), uitgaansgerelateerd geweld (2) en verzetpleger (1). Daar staat tegenover dat dit ook de locatie is waar relatief vaak geen sprake is van geweld tegen de politie. Uit de dossierstudie blijkt dat geweldsvoorvallen die in of rondom horecagelegenheden of bedrijfsruimten plaatsvinden, niet gekenmerkt worden door een specifiek soort geweldmiddel en zich veelal op vrijdag t/m zondag afspelen.
Burgergeweld tijdens de voorvallen bestaat voornamelijk uit fysiek geweld, de helft van de tijd is dat groepsgeweld. Bij geweldsvoorvallen in woningen en tuinen is relatief vaak een vuurwapen gebruikt door agenten en ze vinden meestal in de avond of nacht plaats. Naast fysiek geweld, krijgen agenten in woningen en bijbehorende tuinen relatief vaak te maken met burgers met een steekwapen. In de drie onderzochte dossiers volgde de inzet van politiegeweld op een melding van huiselijk geweld of burenoverlast.
47
4.4.
Deelconclusie
Politiegeweld speelt vooral tegen het einde van de week en gedurende het weekeinde, in de kleine uurtjes en op de openbare weg. Het beeld van het politiegeweld in tijd en ruimte in 2016 verschilt niet wezenlijk van de jaren 2005 en 2010. Dat neemt niet weg dat verschillen naar dorp, stad, gemeente, district en eenheid groot kunnen zijn. Als het aantal voorvallen afgezet wordt tegen het aantal inwoners blijkt dat het aantal voorvallen in de eenheden Den Haag en Oost-Brabant relatief hoog is. In de eenheden Oost-Nederland en Noord-Nederland is het aantal geweldstoepassingen door agenten relatief laag. Afgezet tegen het aantal operationele eenheden blijkt in Oost-Brabant het aantal geweldsvoorvallen relatief hoog te zijn. In eenheid Amsterdam zijn de verschillen tussen de dagen van de week in het voorkomen van politiegeweld gering. Verder is er een aantal gemeenten waar het aantal geweldsvoorvallen (naar inwoneraantal) relatief hoog is.
5.1.
Kenmerken betrokken agenten
5.
In dit hoofdstuk beschrijven we kenmerken van agenten die betrokken zijn bij geweldsvoorvallen. Daarbij gaan we eerst in op het aantal betrokken agenten per voorval, waarna we achtereenvolgens het aantal dienstjaren, certificering, geslacht en kleding van betrokken agenten bespreken. Het hoofdstuk wordt afgesloten met de deelconclusie. Aantal betrokken agenten
5.1.
Resultaten in dit hoofdstuk zijn niet gerapporteerd op voorvalniveau, maar op het niveau van betrokken agenten op basis van de individuele meldingsformulieren. De informatie uit de meldingsformulieren geweldsaanwending is aangevuld met informatie uit de dossierstudie en de interviews. 5.1.1
Feitelijke beschrijving
Bij het merendeel van de voorvallen is één agent betrokken bij de gemelde geweldsaanwending (77%). Bij 13% zijn er twee agenten betrokken (figuur 5.1). In 2005 was een derde van de geweldsvoorvallen een een-op-een situatie agent versus verdachte en eveneens een derde betrof een twee-op-een-situatie (Bleijendaal e.a., 2008: p. 73). Figuur 5.1 Aantal betrokken agenten per voorval (n= 6.711 voorvallen)
5.181
0%
20% 1 agent (77%) 4 agenten (3%)
40%
866
60%
2 agenten (13%) 5 of meer agenten (3%)
80%
292 190 182 100%
3 agenten (4%)
Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016
49
5.
Kenmerken betrokken agenten
5.2.
Dienstjaren
5.2.1
Feitelijke beschrijving
Het aantal dienstjaren van agenten die geweld gebruiken is relatief evenredig verdeeld: ruim een derde heeft minder dan vijf dienstjaren (35%). In 2000, 2005 en 2010 was dat respectievelijk 31% (Naeyé, 2005), 45% (Bleijendaal e.a., 2008) en 35% (Timmer & Visser, 2015). Krap een derde heeft vijf t/m negen dienstjaren (28%); tegen 25% respectievelijk 20% en 24% in 2000, 2005 en 2010. Ruim een derde heeft meer dan tien dienstjaren (37%) ten tijde van het voorval (figuur 5.2) tegen respectievelijk 44% in 2000, 35% in 2005 en 41% in 2010. Het betreft ononderbroken dienstjaren exclusief primaire opleiding. Dit is gebaseerd op de eerst genoemde betrokken agent op de meldingsformulieren. Figuur 5.2 Aantal dienstjaren van betrokken agenten (n= 8.661 meldingsformulieren)*
2.994 0%
20% < 5 dienstjaren (35%)
2.449 40%
3.218 60%
5 t/m 9 dienstjaren (28%)
80%
100%
10 of meer dienstjaren (37%)
* Figuur is gebaseerd op de gegevens van de eerstgenoemde betrokken agent op het meldingsformulier. Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016
Het is onbekend hoe het operationele personeel verdeeld is over de dienstjaren. Daarom is de leeftijdsverdeling van operationele agenten, ter indicatie, gebruikt om de verdeling van het aantal dienstjaren van bij voorvallen betrokken agenten tegen af te zetten. Daaruit blijkt dat relatief jonge agenten waarschijnlijk enigszins oververtegenwoordigd zijn bij geweldsvoorvallen: 37% van het korps is onder de 40 jaar en 23% van het korps is 40 tot 50 jaar (Politie, 2016: p. 63). Het is waarschijnlijk dat zij op die leeftijd meer dan de respectievelijk vijf en vijf t/m negen jaren in dienst zijn. 5.3.
Certificering
5.3.1
Feitelijke beschrijving
De Regeling Training Gevaarbeheersing Politie (RTGP; BZK, 2001/2009) regelt het vereiste van geoefendheid (art. 4 Ambtsinstructie 1994). De RGTP verplicht de politieorganisatie om aan alle agenten minimaal 32 uren per jaar een Integrale Beroepsvaardighedentraining (IBT) aan te bieden. Binnen die 32 uren (dus officieel minimaal vier
50
5.4.
Geslacht
werkdagen) vallen ook de twee verplichte toetsen die agenten moeten afleggen in fysieke vaardigheden voor aanhouding en zelfverdediging (AZV), in het vuurwapengebruik (schiettoets), in wetskennis en in fysieke fitheid (Fysieke Vaardigheidstoets, FVT). De behaalde toetsen zijn in totaal maximaal twee jaar geldig. Ruim de helft van de betrokken agenten (60%) in dit onderzoek heeft in het kalenderjaar van het voorval zijn certificaten behaald. Nog eens 14% is gecertificeerd in het jaar daarvoor (2015) en bij 1% van de betrokken agenten is het langer geleden. Van de overige betrokkenen is onbekend wanneer zij voor het laatst hun certificaten gehaald hebben (figuur 5.3). Veelal zijn de certificaten geweldsaanwending en vuurwapengebruik in hetzelfde jaar behaald. Dit betekent dat 75% van de agenten die in 2016 geweld hebben gebruikt zeker gecertificeerd was en dus ook met de bewapening mocht gaan werken. Deze 75% certificering is beduidend lager dan de 90% die de toenmalige Inspectie Openbare Orde en Veiligheid over het jaar 2005 rapporteerde (BZK, 2009). Figuur 5.3 Verdeling jaar behalen certificaat (n= 7.352 meldingsformulieren)*
5.886 0%
20% 2016 (60%)
1.375 40%
2015 (14%)
2.432
53
60% > 2 jaar geleden (1%)
80%
100%
Onbekend (25%)
* Figuur is gebaseerd op de gegevens van de eerstgenoemde betrokken agent op het meldingsformulier. Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016
5.4.
Geslacht
5.4.1
Feitelijke beschrijving
Negen van de tien betrokken agenten zijn man (figuur 5.4). Deze verdeling komt overeen met eerdere bevindingen, voornamelijk met betrekking tot de politie Amsterdam. In het jaar 2000 was het percentage vrouwen in de executieve politiedienst 16% (Brugman, 2007). Toch was maar 8% van het gemelde politiegeweld aangewend door een vrouwelijke agent. In 2005 was ongeveer 30% van de executieve Amsterdamse agenten een vrouw, maar was 24% van de geweldsaanwendingen afkomstig van een vrouwelijke agent (Brugman, 2007). Ook in 2010 werd 90% van het gemelde geweld aangewend door een mannelijke agent (Timmer & Visser, 2015). In 2016 was bij de politie in Nederland de man-vrouwverdeling 68-32% (Politie, 2016: p. 63). Vrouwelijke agenten zijn dus ondervertegenwoordigd in het geweldgebruik. Dit is ongeveer hetzelfde beeld als voor de jaren 2000, 2005 en 2010.
51
5.
Kenmerken betrokken agenten
Figuur 5.4 Verdeling geslacht betrokken agenten (n= 9.528 meldingsformulieren)*
995 Man (90%) Vrouw (10%)
8.533
* Figuur is gebaseerd op de gegevens van de eerstgenoemde betrokken agent op het meldingsformulier. Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016
5.5.
Kleding
5.5.1
Feitelijke beschrijving
Tijdens de geweldsvoorvallen was het merendeel van de betrokken agenten gekleed in uniform (95%). Van de betrokken agenten was 5% gekleed in burger en niet herkenbaar als politie (figuur 5.5). In 2005 en 2010 werd respectievelijk 99 en 92% van het gemelde politiegeweld aangewend door agenten in uniform. Dit zijn marginale verschillen over de tijd. Figuur 5.5 Kleding van betrokken agenten (n= 9.181 meldingsformulieren)*
8.679 0%
20% Uniform (95%)**
424 78 40%
60%
Burger, niet als politie herkenbaar (5%)**
80%
100%
Overig, wel als politie herkenbaar (1%)**
* Figuur is gebaseerd op de gegevens van de eerstgenoemde betrokken agent op het meldingsformulier. ** De percentages tellen op tot meer dan 100% in verband met de afronding van de percentages op één decimaal. Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016
52
Deelconclusie
5.6.
Uit de dossierstudie blijkt dat tijdens de helft van de voorvallen waarbij agenten een vuurwapen hebben gebruikt, de betrokken agent heeft vermeld dat zij of hij een zogeheten veiligheidsvest droeg. Van de andere helft van de voorvallen is dit niet bekend. 5.6.
Deelconclusie
Uit de meldingsformulieren geweldsaanwending blijkt dat in 2016 ongeveer een derde van de betrokken agenten minder dan vijf jaar in dienst was, een derde was vijf tot tien jaar in dienst en een derde langer dan tien jaar. Dit beeld komt overeen met de metingen over 2000, 2005 en 2010. Binnen de politieorganisatie heerst veelal het beeld dat het vooral de jongere agenten zijn die naar verhouding meer geweld gebruiken, maar onderzoek naar de praktijk laat consequent anders zien. Van drie kwart van de agenten is bekend dat zij gecertificeerd waren ten tijde van het geweldgebruik in 2016. Dit is lager dan eerder onderzoek liet zien. In 25% van de gevallen ontbreekt deze informatie echter. Mogelijk vullen agenten deze vraag slecht in. Volgens de interne richtlijn moeten de IBT-docenten van de agenten die hun toetsen niet hebben gehaald het vuurwapen namelijk meteen innemen. Dan kunnen zij daar dus ook geen geweld meer mee aanwenden. Verder zijn ongeveer negen van de tien agenten die betrokken zijn bij voorvallen met politiegeweld man. Hier volgt uit dat vrouwelijke agenten in 2016, net als in 2005 en 2010, ondervertegenwoordigd zijn in de geweldsvoorvallen. Het merendeel van de geweldsaanwendingen is gemeld door geüniformeerde agenten. Doorgaans dragen zij een veiligheidsvest en hebben zij minder dan tien dienstjaren.
Een enkele keer is de agent in burger gekleed en onherkenbaar als agent. Van 75% van de agenten die in 2016 geweld hebben gebruikt staat vast dat zij gecertificeerd waren en dus ook bevoegd waren om hun geweldbevoegdheden aan te wenden. Deze 75% is geringer dan de 90% in het jaar 2005.
53
6.1.
6.
Rake politieschoten
In dit hoofdstuk beschrijven we eerst de onderzochte rechercheonderzoeken, gevolgd door een beschrijving van agenten en de tegenstrevers. Vervolgens gaan we in op de beoordeling van het toegepaste vuurwapengeweld. Het hoofdstuk sluiten we af met de deelconclusie. 6.1.
Rijksrechercheonderzoeken
Het doel van dit onderzoek is om inzicht te geven in het politiegeweld in het jaar 2016 en in de ontwikkelingen wat betreft doel, omstandigheden, gevolgen en afwikkeling van dit politiegeweld vergeleken met de metingen voor de jaren 2000, 2005 en 2010. Deze studies maken deel uit van een langer lopende onderzoekslijn aan de VU die in 1993 is begonnen met een onderzoek naar het politieel vuurwapengebruik vanaf 1978 (Timmer e.a., 1996). Van die onderzoekslijn maakt vanaf het begin ook de bestudering van de relevante processen-verbaal van Rijksrechercheonderzoeken naar politiegeweld deel uit. Volgens een aanwijzing van de Procureurs-Generaal onderzoekt de van de politie onafhankelijke Rijksrecherche alle voorvallen waarbij tijdens of na een politieoptreden of anderszins onder de hoede van de politie personen zeer ernstig gewond raken of overlijden. Denk aan het overlijden van Mitch Henriquez tijdens een aanhouding met veel fysiek geweld in Den Haag in 2015 (de Volkskrant, 19 juni 2019). Dat kan ook personen betreffen die tijdens een politieachtervolging om het leven komen, personen die uit een raam of van een balkon vallen of springen tijdens een politieoptreden of personen die tijdens of voor het politieoptreden een einde aan hun leven maken.
Alle voorvallen van politieel vuurwapengebruik met letsel of de dood tot gevolg zijn verplicht onderwerp van onderzoek door de Rijksrecherche. De Rijksrecherche werkt in die onderzoeken onder de verantwoordelijkheid van de Hoofdofficier van Justitie (HOvJ) van het arrondissement waar het voorval heeft plaatsgevonden. Op basis van het Rijksrecherchedossier beoordeelt de HOvJ of de betrokken agent(en) rechtmatig heeft (hebben) gehandeld. Het betreft gemiddeld tussen de 20 en 45 onderzoekdossiers per jaar, per onderzoek variërend van één tot twintig ordners in omvang. Deze onderzoeken van de Rijksrecherche naar politiegeweld betreffen de harde kern van het politiegeweld. Deze voorvallen bepalen het (maatschappelijke) beeld van, de ontwikkelingen in, maar vooral ook de discussie over politiegeweld in de samenleving en ook in de wetenschap. Het zijn daardoor ook juist deze casussen die tot politiek-bestuurlijke discussies kunnen leiden die wet- en regelgeving kunnen genereren. Daarom
55
6.
Rake politieschoten
is het van belang dat alle en niet maar een steekproef van deze dossiers worden bestudeerd. Inventarisatie Om een vollediger beeld te krijgen zijn de relevante Rijksrecherchedossiers over voorvallen uit 2011 en 2016 bijeengezocht. In het jaar 2011 vielen er 5 doden en 29 gewonden door politiekogels. In 2016 vielen er 4 doden door politiekogels en 34 gewonden. Beide jaren zitten daarmee boven het gemiddelde in de afgelopen decennia, maar passen wel binnen het gebruikelijke beeld (Timmer & Visser, 2015). Het gemiddelde over veertig jaren is 3 doden en 17 gewonden door Nederlandse politiekogels (figuur 6.1). Ook is de verhouding doden-gewonden zoals die in 2011 lag met 1 op ongeveer 6 gebruikelijk. Overigens schoot in 2011 één van de door politiekogels verwonde verdachten kort daarvoor een politieman dood met diens eigen politiepistool. Ook dit omvangrijke dossier is bestudeerd. In totaal zijn er dertig dossiers uit 2011 bestudeerd en minstens 26 uit 2016. Niet alle dossiers zijn tijdig fysiek beschikbaar gekomen voor dit onderzoek. Figuur 6.1 Letsel door politiekogels 1978 tot en met 2018
50 Gewonden Doden
40 30 20
0
6.2.
1978 1979 1980 1981 1982 1983 1984 1985 1986 1987 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
10
Agenten en tegenstrevers
Deze paragraaf geeft een indruk van een aantal vraagstukken dat mede op basis van de bestudeerde Rijksrecherchedossiers aan de orde komt.
56
Agenten en tegenstrevers
6.2.1
6.2.
Personen met verward gedrag
De laatste jaren staat de problematiek van de zogenoemde ‘personen met verward gedrag’ in relatie tot politiewerk sterk in de aandacht, ook in verband met geweld van en tegen de politie. De veronderstelling is vrij algemeen dat de confrontaties van agenten met verwarde personen toenamen in aantal en ernst. In 2011 zijn er vooralsnog zeven van in totaal dertig politieschietincidenten met letsel tot gevolg aan te wijzen waarin de tegenstrever van de politie in gedrag en achtergrond voldoet aan de globale omschrijving van ‘verward’. Enkele van deze personen gedroegen zich (al enige tijd) vreemd. In enkele gevallen had de persoon in kwestie een (omvangrijke) psychiatrische voorgeschiedenis. Soms was dat ook bij de agenten in kwestie bekend. Drie van deze zeven voorvallen kenden een dodelijke afloop. In 2016 vielen er 4 doden door politiekogels en 34 gewonden van wie één agent door een schot van een collega tijdens een confrontatie met verdachten van een woninginbraak. Elf van deze voorvallen betroffen een burger met verward gedrag. In zeker vier van deze gevallen wilde het slachtoffer zich duidelijk door de politie laten doodschieten. In twee van deze gevallen is deze opzet ook geslaagd. Deze categorie voorvallen is ook relevant voor de nu en dan weer opduikende discussie over de geweldsbevoegdheden van de politie in ‘GGZ-achtige’ situaties.
(Bijna) dagelijks roepen instellingen voor geestelijke gezondheidszorg de hulp in van de sterke arm, bijvoorbeeld omdat een patiënt niet meewerkt aan een behandeling of gedwongen opname. Als zo’n patiënt geen strafbaar feit pleegt of heeft gepleegd waarvoor hij of zij moet worden aangehouden, ontbreekt het de politie aan een wettelijke bevoegdheid om geweld te gebruiken (Naeyé, 2006; Timmer, 2018). Dergelijk optreden, eventueel met geweldgebruik, wordt doorgaans verantwoord met een beroep op art. 3 Pw 2012. Maar dit is een taakstellend artikel en geeft geen bevoegdheid. De rechter heeft zich in die zin ook al uitgesproken, maar dat heeft nog niet geleid tot aanpassing van de wet. Halverwege de proef met het stroomstootwapen in de BPZ heeft de Tweede Kamer naar aanleiding van enkele incidenten bepaald dat het stroomstootwapen niet mag worden toegepast in GGZ-omstandigheden. 6.2.2
Suicide by cop
In 8 van de 30 politieschietincidenten in 2011 met letsel of de dood tot gevolg had de tegenstrever vermoedelijk de (achterliggende) wens om zich door de politie te laten doodschieten. Bij 2 van deze 8 is dat ook gelukt. In een ander voorval schoot de aan te houden verdachte zichzelf dood op het moment dat het arrestatieteam zijn woning betrad. Dit voorval telt niet als een politieschietincident. In 2016 was het in vier gevallen de (vermoedelijke) intentie van het slachtoffer om zich door de politie te laten doodschieten. In twee van deze gevallen is deze opzet geslaagd. Dat is dus de helft van de dodelijke politieschietincidenten. In 2016 en 2019 trokken twee geslaagde gevallen van suicide by cop veel media-aandacht. Het eerste speelde zich af in het Beatrixpark in
57
6.
Rake politieschoten
Schiedam (de Volkskrant, 1 juni 2016) Het tweede vond plaats bij de Nederlandsche Bank in Amsterdam (Het Parool, 7 februari 2019). In de Verenigde Staten hebben onderzoekers voorzichtig geschat dat een dergelijk motief speelt in zeker 10% van de politieschietincidenten met dodelijke afloop (Homant & Kennedy, 2000). Voor (het westen van) Canada geldt zelfs dat aan, naar schatting, 54% van de dodelijke politieschietincidenten een dergelijk motief ten grondslag ligt (Parent, 1998). In Nederland is deze materie wel eerder onder de aandacht gebracht, maar nog nauwelijks getalsmatig onderzocht (Timmer, 2005). Toch is in de Nederlandse politieorganisatie het besef nog nauwelijks aanwezig dat dit verschijnsel ook al jaren in Nederland voorkomt. In de literatuur komt een aantal mogelijk voorspellende kenmerken naar voren van personen die (mogelijk) de intentie hebben om zich te laten doodschieten door een agent (Homant & Kennedy, 2000; Parent, 1998). Deze zijn in de Nederlandse casussen vrijwel altijd ook te herkennen. Het gaat doorgaans om personen met een psychiatrische geschiedenis, met vaak gedocumenteerde, eerdere zelfmoordplannen en/of -pogingen. Menigeen wil na een weinig opmerkelijk leven toch groots en meeslepend sterven. Verder verkeert dit soort personen vaak in een zwakke sociaaleconomische positie en kunnen zij niet goed omgaan met problemen en teleurstellingen.
Dit soort personen heeft vaak een hoge culturele of emotionele drempel om zelf een einde aan hun leven te maken, bijvoorbeeld omdat dat naderhand schande kan brengen over de nabestaanden. Ook in het concrete gedrag voor of tijdens zo’n politieconfrontatie barricaderen personen met een dergelijke intentie zich nogal eens, melden zij zelf een delict met hun eigen signalement als dat van de vermeende verdachte, voeren zij een gijzeling uit zonder onderhandelingen om er zelf levend uit te komen en hebben zij vaak kort tevoren een ingrijpende levenservaring gehad, zoals het overlijden van een dierbare of het uitraken van een relatie. 6.2.3
Aanhoudingsvuur en noodweervuur
Eerdere onderzoeken hebben laten zien dat er een geleidelijke verschuiving gaande is van ‘noodweer’ (art. 41 Sr) als belangrijkste motief van agenten om gericht te schieten op een verdachte naar aanhoudingsvuur op grond van een wettelijk bevoegdheid (art. 42 Sr). Die verhouding was in de jaren tachtig en negentig ongeveer 75% noodweer tegen 25% aanhoudingsvuur. Onder invloed van verduidelijkingen in de wet- en regelgeving en vooral van intensievere en betere opleiding en training heeft deze verhouding zich de laatste jaren ontwikkeld naar ongeveer een derde tegen twee derde (Timmer & Visser, 2015). Voor zover nu duidelijk lag in 2011 die verhouding als volgt. In vooralsnog negen zaken was het politiemotief hoofdzakelijk noodweer (47%) en in tien zaken (53%) aanhoudingsvuur. In 2012 was 67% van de rake politiezaken aanhoudingsvuur. In 2016 was in 18 van de 26 bestudeerde politieschietincidenten het motief om gericht te schieten hoofdzakelijk aanhoudingen (69%) en in 8 gevallen hoofdzakelijk noodweer (31%).
58
Beoordeling geweldgebruik
6.3.
Beoordeling geweldgebruik
6.3.1
Beoordeling politiegeweld
6.3.
In een klein deel van de dossiers is de beoordeling van de HOvJ aanwezig met de vervolgingsbeslissing. Soms is toevallig ook het advies van de interne OM Adviescommissie Vuurwapengebruik aanwezig. Het achterhalen van alle beoordelingen van de schietincidenten door de Hoofdofficier en de eventuele vonnissen van de strafrechter past niet in het bestek van dit onderzoek. Voor eerder onderzoek is daar wel informatie over verzameld. De analyse daarvan levert het beeld op dat in de periode van 1978 tot en met 2000 van de 346 politieschietincidenten met letsel of de dood tot gevolg de Hoofdofficier in 31 gevallen (9%) vervolging heeft gelast (Timmer, 2005). In twintig van die gevallen sprak de rechter de agentschutter(s) vrij. De rechter achtte elf agenten schuldig aan een strafbaar feit. Van hen kreeg één geen straf. De anderen kregen in vier gevallen een boete, in vier andere gevallen een voorwaardelijke celstraf (nooit uitgezeten) en één kreeg een taakstraf van 240 uur. Een wachtmeester der eerste klasse van de KMar die zonder legitieme reden een automobilist doodschot kreeg twee jaar celstraf. Kortom: de rechter acht 3% van de politieschietincidenten met letsel strafwaardig in die periode. In de volgende periode tot en met 2015 waren er 338 politieschietincidenten met letsel of de dood tot gevolg. In 23 daarvan vervolgde het OM de agentschutter(s).
Negen agenten werden veroordeeld. De straffen beperkten zich tot boetes, voorwaardelijke celstraf en taakstraffen. Één agent werd onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke celstraf van één maand. Hij schoot een autobestuurder een dwarslaesie (Van der Steeg, 2016). In deze periode is het beeld nagenoeg het zelfde als in de vorige: minder dan 3% van de politieschietincidenten acht de rechter strafwaardig. Van de politieschietincidenten met 34 gewonden en 4 doden tot gevolg in 2016 is in één geval vervolging ingesteld (rechtspraak.nl). Die ene vervolging heeft geleid tot een vrijspraak. In enkele andere gevallen is na een sepot door het OM door slachtoffers of nabestaanden actie ondernomen om door middel van een beklaagschrift bij het Gerechtshof alsnog vervolging te laten bevelen (art. 12 Sv). Die pogingen hebben gefaald. Voor zover bekend zijn er dus geen agenten veroordeeld voor een politieschietincident in 2016. Of er eventueel wel disciplinaire straffen aan deze agentschutters zijn opgelegd, is niet na te gaan. 6.3.2
Operationele aspecten en geoefendheid
Onderzoeken van de Rijksrecherche naar politiegeweld omvatten naast de feiten en omstandigheden van het voorval ook altijd de aanleiding en de ontwikkeling van het optreden, de aansturing en de communicatie voor, tijdens en na het optreden. Zo worden bijvoorbeeld ook de relevante opnamen van telefoon-, mobilofoon-, en portofoongesprekken tussen de politie en burgers en tussen de betrokken agenten onderling en de meldkamer veiliggesteld en onderzocht. Aspecten van eventuele des- of miscom-
59
6.
Rake politieschoten
municatie evenals aspecten van sturing of juist het ontbreken daarvan worden daarbij ook onderzocht en in het proces-verbaal vastgelegd. Dit zijn voor de betreffende voorvallen relevante elementen, ook voor dit onderzoek en de relevantie van de rapportage voor operationele aansturing en verbetering en voor opleiding en training. De Rijksrechercheonderzoeken worden evenwel vrijwel nooit door agenten, leidinggevenden, docenten of onderwijsontwikkelaars ingezien. Daarom is het van belang om in de rapportage over dit onderzoek deze aspecten opnieuw onder de aandacht te brengen. Art. 4 Ambtsinstructie 1994 verplicht de ambtenaar van politie die met geweldmiddelen bij zich dienst doet om in het gebruik daarvan ‘geoefend’ te zijn. In de onderliggende Regeling Training Gevaarbeheersing Politie (RTGP) is dat zo geoperationaliseerd dat de politie aan alle agenten minimaal 32 uren per jaar aan Integrale Beroepsvaardighedentraining (IBT) moet aanbieden. Binnen die 32 uren (dus officieel minimaal vier werkdagen) vallen ook de twee verplichte toetsen die agenten moeten afleggen in fysieke vaardigheden voor aanhouding en zelfverdediging (AZV), in het vuurwapengebruik (schiettoets), in wetskennis en in fysieke fitheid (Fysieke Vaardigheidstoets, FVT).
In de onderzoeken van de Rijksrecherche vragen de rijksrechercheurs de toetsinformatie op uit het politiesysteem en vragen zij de betreffende agent(en) daar in het verhoor ook naar. Sinds de regel én de praktijk zo zijn dat van agenten die de toets niet hebben behaald direct de geweldmiddelen worden ingenomen, hebben vrijwel alle agenten die subject zijn van een Rijksrechercheonderzoek naar politiegeweld de RTGP-toetsen gehaald. In 2016 gingen de Rijksrechercheonderzoeken op het punt van de geoefendheid van de agent(en) nog niet verder dan het (al dan niet) vaststellen of zij hun twee toetsen hadden gehaald. Als het goed is, kijken en vragen Rijksrechercheurs sinds enige tijd vaker en beter naar het aantal daadwerkelijk getrainde uren. Dan blijkt het met de geoefendheid van agenten zoals bedoeld door de Commissie Heijder (Bezinning op geweldgebruik, 1987) én door de wetgever in art. 4 Ambtsinstructie 1994 soms anders te liggen. De meeste agenten doen en halen hun RTGP-toetsen. Dat zijn ongeveer twee dagdelen van de bedoelde vier dagen IBT, dus ongeveer acht uren. Lang niet alle agenten volgen daarnaast niet alle resterende 22 uren training. De verplichte bijscholingen zoals omscholing naar het nieuwe dienstpistool en de training Extreem Geweld worden trouw gevolgd.
De agenten die in 2016 schutter waren in een schietincident dat is onderzocht door de Rijksrecherche waren allen RTGP-gecertificeerd. Of zij ook alle 32 uren IBT-training hadden gevolgd, is niet bekend. 6.4.
Deelconclusie
Van alle politiegeweld is de scherpste kant, namelijk letsel door politiekogels, relatief goed gedocumenteerd en gearchiveerd. Dat komt niet doordat de politie dit zelf goed bijhoudt, maar doordat het al sinds de jaren zestig verplicht is om de Rijksrecherche dergelijke zaken te laten onderzoeken (Timmer e.a., 1996). Een cijfermatige analyse van dit materiaal levert het volgende beeld op. In de 34 jaar van 1978 tot en met 2016
60
Deelconclusie
6.4.
vielen er zeker 111 doden en 657 gewonden door politiekogels in Nederland. Gemiddeld komen er drie mensen per jaar om door politiekogels en lopen er 17 per jaar letsel op. Dit is door de jaren een tamelijk stabiel beeld, hoewel over de jaren heen de fluctuaties aanzienlijk zijn. Zo schommelt het aantal gewonden tussen de zeven en de 29 en het aantal doden tussen de één en zeven in één jaar. In 2010 vielen er 23 gewonden en 3 doden door politiekogels, in 2011 29 gewonden en 3 doden in 30 voorvallen en in 2016 34 gewonden en 4 doden. Er zijn twee ontwikkelingen in dit materiaal te signaleren. De eerste ontwikkeling is dat er een verschuiving plaatsvindt van voornamelijk schieten uit zelfverdediging (noodweer), namelijk ongeveer 75 procent in de jaren tachtig en negentig naar in kleine meerderheid ter aanhouding de laatste jaren (52%). Nadere analyse leidt tot de conclusie dat deze verschuiving van noodweervuur naar aanhoudingsvuur vermoedelijk te maken heeft met de verbetering van opleiding en training. Dit houdt verband met de komst van de Integrale Beroepsvaardigheidstraining (IBT) en de trainingscentra na de introductie van het vereiste van geoefendheid in de Ambtsinstructie 1994 (art. 4) en met de daarop volgende professionalisering van de trainingsdocenten in die centra.
Dit is meteen een deel van het antwoord op onderzoekvraag 5 ‘Hoe verhouden de in de praktijk aangewende technieken en tactieken zich tot de in opleiding en training aangeleerde technieken en tactieken?’ De verschuiving van het aandeel ‘noodweer’ in de politieschietincidenten met letsel is het resultaat van de verbetering in de wet- en regelgeving en in de daarmee verbonden inhoud en organisatie van de opleiding en training en de daaraan gekoppelde professionalisering van de docenten daarin. Een tweede ontwikkeling is dat er de laatste jaren gemiddeld meer schoten worden afgevuurd per voorval en dat er ook in sommige gevallen meer dan één slachtoffer valt. De introductie van het nieuwe dienstpistool met een bijna twee keer zo grote capaciteit in de patroonhouder (van 8 naar 15 patronen) maakt meer schoten per voorval nu ook mogelijk. Personen met verward gedrag vormen al sinds jaar en dag een substantieel deel van de slachtoffers van politiekogels in Nederland: ongeveer een kwart in 2011 en 2016. Een deel van deze personen heeft de intentie om zich te laten doodschieten door een agent. Enkele malen per jaar lukt dat ook. Ongeveer een even groot aantal raakt alleen gewond. Het is onbekend in hoeveel gevallen die intentie van suicide by cop wel een rol speelt, maar de politie de kwestie geheel anders oplost.
Tot 1 maart 2020 is er één agentschutter vervolgd en vrijgesproken voor een politieschietincident in 2016. Verder zijn er geen vervolgingen van agentschutters bekend voor politieschietincidenten in 2016.
61
7.1.
Na de geweldsmelding
7.
In dit hoofdstuk gaan we in op de afwikkeling van de geweldsaanwending. Daartoe bespreken we eerst het aanhouden en bijbehorende aanhoudingsgronden. Vervolgens gaan we kort in op letsel als gevolg van het toegepaste geweld en eventueel ingesteld onderzoek. 7.1.
Aanhouding en aanhoudingsgrond
7.1.1
Feitelijke beschrijving
Ten tijde van twee derde van de voorvallen is een aanhouding verricht (67%). Tijdens een derde van de voorvallen is dat niet het geval (33%) (figuur 7.1). Figuur 7.1 Verdeling wel/geen aanhouding verricht ten tijde van het voorval (n=6.711 voorvallen)
2.210 Wel aanhouding (67%) Geen aanhouding (33%) 4.501
Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016
Van ruim twee derde van de voorvallen waarbij een aanhouding is verricht (69%) is een aanhoudingsgrond bekend. In driekwart van deze voorvallen betreft het een aanhouding op basis van delicten in het Wetboek van Strafrecht (74%), gevolgd door de Wet Wapens en Munitie (7%), de Wegenverkeerswet (7%) en de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) (6%) (figuur 7.2). Ook in 2000, 2005 en 2010 was het meest voorkomende doel het aanhouden van een verdachte. Het was in 2010 met 74 % wel iets lager dan in 2000 (80%) en 2005 (88%) (Bleijendaal e.a., 2008: 56).
63
7.
Na de geweldsmelding
Mogelijk worden aanhoudingen waarbij alcohol en drugs een rol spelen geregistreerd onder de APV en het Wetboek van Strafrecht op basis van bijvoorbeeld verstoring van de openbare orde en belediging. Figuur 7.2 Verdeling aanhoudingsgrond voor aanhouding ten tijde van het voorval (n= 3.102 voorvallen)
2.299 0%
227 206
183
187
20% 40% 60% 80% 100% Wegenverkeerswet (7%) Wetboek van Strafrecht (74%) Algemene Plaatselijke Verordening (6%) Wet Wapens en Munitie (7%) Overige aanhoudingsgronden (6%)*
* Overige aanhoudingsgronden bestaan uit de Opiumwet, de Wet op Identificatieplicht, de Politiewet, het Vuurwerkbesluit en de Wet Personenvervoer. Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016
De dossierstudie laat zien dat aanhoudingen op basis van het Wetboek van Strafrecht betrekking hebben op onder andere bedreiging, vernieling, mishandeling en (gekwalificeerde) diefstal. Daarnaast zijn aanhoudingen verricht in geweldsvoorvallen voor het voorhanden hebben van een vuurwapen, gevaarlijk rijgedrag en rijden onder invloed. Aanhoudingen op grond van een APV zien vooral op verstoring van de openbare orde. De aanhoudingsgrond hangt, op basis van de dossierstudie, niet samen met het soort geweld dat de politie heeft gebruikt. Voor de jaren 2000 en 2010 waren dit soort gegevens niet beschikbaar. In 2005 bestond de verdeling van grondfeiten voor het aangewende politiegeweld uit gezag- en geweldmisdrijven (36%), overtredingen (33%), vermogensmisdrijven (11%), vernieling en verkeer (11%), de Opiumwet (2%) en overige misdrijven (7%) (tabel 7.1). Tabel 7.1 Verdeling grondfeiten voor politiegeweld in 2005 Grondfeiten
Percentage
Gezag- en geweldmisdrijven
36%
Overtredingen
33%
Vermogensmisdrijven
11%
Vernieling en verkeer
11%
Opiumwet
2%
Overige misdrijven
7%
Bron: Bleijendaal e.a., (2008: 84)
64
7.1.
Aanhouding en aanhoudingsgrond
Voor dit onderzoek naar het jaar 2005 zijn ook de achterliggende documenten zoals het processen-verbaal van aanhouding en het proces-verbaal van bevinding onderzocht. Die mogelijkheid bestond voor het huidige onderzoek niet. De vergelijking over de jaren op dit onderdeel is daarom lastig. Wanneer we het al dan niet verrichten van een aanhouding ten tijde van het voorval afzetten tegen de meest voorkomende soorten geweldsaanwending (en diensthond) zien we dat voorvallen waarbij fysiek geweld (35%) en het gebruik van een wapenstok (48%) ingezet worden, relatief vaak niet resulteren in een aanhouding (figuur 7.3). Figuur 7.3 Verdeling wel/geen aanhouding ten tijde van het voorval naar soort geweld*
100% 90%
1.646
196
219
219
55
3.016
805
999
233
240
Wapenstok (52%)
Diensthond (81%)
80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%
Fysiek geweld Vuurwapen Pepperspray (65%) (80%) (82%) Wel aanhouding
Geen aanhouding
* Fysiek geweld n=4.662 voorvallen, vuurwapen n=1.001 voorvallen, pepperspray n=1.218 voorvallen, wapenstok n=452 voorvallen, diensthond n=295 voorvallen. Bron: meldingsformulieren geweldsaanwending 2016
Uit de dossierstudie blijkt dat fysiek politiegeweld en het gebruik van de wapenstok naar verhouding vaak plaatsvinden tijdens een verstoring van de openbare orde (grootén kleinschalig). Bij openbare orde is het doel vaker het verspreiden of op afstand houden van personen ten opzichte van de politieambtenaar. De inzet van het vuurwapen, van de pepperspray en van de diensthond betreft doorgaans ernstiger zaken waarbij aanhouding ook een belangrijker doel is.
65
7.
Na de geweldsmelding
7.2.
Letsel na geweldsaanwending
7.2.1
Feitelijke beschrijving
Uit de analyse van de meldingsformulieren blijkt dat in het merendeel van de geweldsvoorvallen is vermeld dat er geen letsel is bij betrokken agent (92%), burger (76%) of derden (96%). Er is geen zwaar letsel gerapporteerd. Onder burgers is het percentage voorvallen met gering letsel relatief hoog, te weten 16% van de voorvallen, tegenover 7% bij agenten en 1% bij derden. Uit de analyse van de meldingsformulieren blijkt dat in een meerderheid van de geweldsvoorvallen de geweldsaanwending, ongeacht soort geweld, niet tot letsel bij agenten leidt. Als agenten gering letsel ervaren, is dat meestal na gebruik van fysiek geweld (10%), pepperspray (8%) of wapenstok (7%). De politiedossiers maken inzichtelijk dat het gaat om kneuzingen, blauwe plekken, opgerekte pezen en schaaf- en bijtwonden. In een van de bestudeerde voorvallen had een agent een beenwond opgelopen doordat burgers stenen hadden gegooid in reactie op politieoptreden in een uitgaanssituatie. Uit de meldingsformulieren blijkt dat burgers met enige regelmaat gering letsel hebben nadat agenten fysiek geweld (20%), pepperspray (12%) of wapenstok (13%) hebben gebruikt. Het gaat na gebruik van fysiek geweld en de wapenstok om kneuzingen, schrammen, bloeduitstortingen en bij pepperspray om pijn aan de ogen bij burgers, blijkt uit de dossiers.
Uit de meldingsformulieren blijkt verder dat in 40% van de voorvallen waarbij een diensthond is ingezet, dit geleid heeft tot gering letsel bij een burger. Uit de dossierstudie blijkt dat het bijvoorbeeld krassen betreft door het bijten van de hond. Als de hond daadwerkelijk inbijt heeft de burger letsel van meer dan geringe betekenis. 7.2.2
Vergelijking met 2005 en 2010
In de registratie van letsel aan burgerzijde is onderscheid gemaakt naar de ernst van het letsel. Daarbij is een uitsplitsing gemaakt naar het soort geweldsaanwending. In 2016 hebben relatief gezien minder voorvallen waarbij fysiek geweld of een diensthond zijn ingezet geresulteerd in gering letsel. Daar staat tegenover dat in 2016, ongeacht geweldtype, geen zwaar letsel aan burgerzijde is gerapporteerd. In 2014 was dat wel het geval (figuur 7.4).