[24bb006408] Bijlage 1 behorende bij 24bb006406 - Ontwerpbestemmingsplan 'Nelson Mandelapark'
Tekst van het document
Het Rotterdams parkeerbeleid biedt daarvoor ruimte door middel van vrijstellingsmogelijkheden op de parkeereis (zoals nabijheid OV-stations, extra fietsparkeercapaciteit en inzet op deelmobiliteit). Dit is vastgelegd in het bestuurlijk vastgestelde document 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022' waarin de parkeernormen voor zowel auto's als fietsen zijn opgenomen.
Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
27
Het parkeren voor auto en fiets moet voldoen aan de eisen beschreven in het document Beleidsregeling parkeernormen auto en fiets 2022, vastgesteld in 2021 door de gemeente Rotterdam. Voor het autoparkeren zijn in Rotterdam drie zones (A, B en C) aangewezen. Het plangebied ligt zowel in zone A als in zone B. Om aan het beleid te kunnen toetsen is er in het bestemmingsplan een bepaling opgenomen waarin staat dat er alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien
Afbeelding 4.5 Verdeling parkeerzones (bron: Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022)
4.6
Juridische planbeschrijving
4.6.1
Inleiding
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld conform de gemeentelijke standaard, met inachtneming van de bepalingen die zijn opgenomen in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro), zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) en het coderingssysteem Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (IMRO). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de regels en verbeelding van voorliggend plan zijn opgebouwd. 4.6.2
De opzet van de planregels
De regels bestaan uit vier hoofdstukken: ^ Inleidende regels (hoofdstuk 1); • Bestemmingsregels (hoofdstuk 2); ^ Algemene regels (hoofdstuk 3); ^ Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4). De regels zijn in overeenstemming met de gemeentelijke standaard. Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende bestemmingen.
Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
28
Inleidende regels In dit hoofdstuk is een aantal begrippen verklaard die worden gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is het artikel "Wijze van meten" opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.
Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Tevens zijn, waar mogelijk, flexibiliteitsbepalingen opgenomen. Onder de bestemmingsomschrijving is aangegeven voor welke functies de gronden bestemd zijn. Voor sommige functies is een functieaanduiding opgenomen op de verbeelding. In de bouwregels zijn de bebouwingsmogelijkheden bepaald. Voor de bebouwing zijn bouwvlakken op de verbeelding aangegeven. De bebouwing dient in principe binnen het bouwvlak gesitueerd te zijn. Hieronder wordt kort ingegaan op de verschillende bestemmingen. Groen Het park is een structureel groengebied gelegen tussen de stedelijke blokken en het water en is bestemd als 'Groen'. Hier zijn ook dagrecreatie, evenementen en sport- en speelvoorzieningen mogelijk. Bebouwing is alleen toegestaan ten behoeve van het horecapaviljoen en een uitkijkpunt. Binnen het horecapaviljoen is enkel daghoreca (horeca-categorie 1) toegestaan. Bij de horecavoorzieningen (het paviljoen en de aangrenzende Maassilo) zijn terrassen mogelijk binnen de aanduiding 'terras'. Ook waterbergende voorzieningen, voet- en fietspaden vallen binnen deze bestemming.
Verkeer - Verblijfsgebied De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' is opgenomen voor een smalle strook aan de zijde van de Maashaven Oostzijde. Deze bestemming is conform het vigerende bestemmingsplan en bedoeld om de bestemmingsplangrenzen op elkaar te laten aansluiten. Deze verkeersbestemming geldt voor de ontsluitingswegen met de bijbehorende trottoirs. Daarnaast passen pleinen, snippergroen, speeltoestellen en dergelijke ook binnen deze bestemming. Verder is binnen deze bestemming ook de aanleg van nieuwe waterpartijen en watergangen en waterberging mogelijk, indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming). In de verkeersbestemming zijn daarnaast kleine gebouwtjes van openbaar nut toegestaan. Water Het water van de Maashaven is bestemd als 'Water'. In de haven zijn voorzieningen zoals steigers en pontons toegestaan. Steigers zijn bedoeld voor het aanleggen van schepen en boten, waaronder de watertaxi, maar ook vaste of drijvende steigers ten behoeve van verblijven, wandelen, recreëren en groen. Dubbelbestemmingen Binnen het bestemmingsplan zijn verschillende dubbelbestemmingen opgenomen.
Deze bestemmingen liggen over de enkelbestemmingen en regelen feitelijk dubbelgebruik of bescherming van de gronden. De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 3 zijn in de regels opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden in het plangebied. Voor bepaalde werkzaamheden in de grond die dieper reiken dan respectievelijk 2 meter onder het maaiveld, de onderwaterbodem en 6,65 meter onder NAP en die tevens een terreinoppervlak groter dan 200 m2 beslaan is een omgevingsvergunning nodig. Een beschrijving van de archeologische waarden is gegeven in hoofdstuk 3. Het plangebied ligt achter primaire waterkeringen die deel uitmaken van dijkring 17 (IJsselmonde). De in het plangebied gelegen keringen is de Maashaven-Oostzijde. Deze waterkering en de beschermingszone is met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' aangegeven.
Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
29
Algemene regels In dit hoofdstuk worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gesteld. Anti-dubbeltelregel In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Algemene bouwregels In dit artikel is een aantal algemene regels opgenomen met betrekking tot het bouwen. Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is opgenomen welke regels gelden voor het houden van evenementen. Algemene aanduidingsregels In de algemene aanduidingsregels is opgenomen waar en hoeveel evenementen zijn toegestaan binnen het plangebied. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een aanvulling op de specifieke afwijkingsregels uit de bestemmingen. In het artikel is een aantal algemene afwijkingen opgenomen, dat met een 'reguliere omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan' kan worden verleend. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan bij een omgevingsvergunning mogelijk te maken.
Het gaat bijvoorbeeld om een geringe overschrijding van de toegestane bouwhoogte of het mogelijk maken van de bouw van bouwwerken voor het openbaar nut in het openbare gebied. Overige regels In dit artikel is een voorwaardelijke verplichting over parkeren opgenomen, waarbij wordt verwezen naar de 'Beleidsregeling parkeernormen voor auto en fiets gemeente Rotterdam 2022'.
Overgangs- en slotregels In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald. 4.6.3
Geometrische plaatsbepaling | verbeelding
Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGT-ondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor onder meer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar. De gegevens zijn digitaal raadpleegbaar. Via de digitale portal waarop het plan wordt gepubliceerd kan, door te klikken op een bepaalde locatie, de bijbehorende bestemmingsregeling worden opgeroepen.
Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
30
5.
Water
5.1
Beleidskader
5.5.1
Rijksbeleid
In 2009 is de Waterwet in werking getreden en op 1 januari 2017 zijn hierin nieuwe normen voor de primaire waterkeringen opgenomen. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Nationaal Water Programma 2022-2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van het NWP: ^ Een veilige en klimaatbestendige delta. ^ Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. ^ Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. Voor bouwen en aanleggen in het rivierbed (het buitendijks gebied) van de grote rivieren is, op grond van de Waterwet en het bijbehorende Waterbesluit, een vergunning nodig van Rijkswaterstaat. Nieuwe (bouw)werken in het rivierbed mogen geen afbreuk doen aan de waterhuishoudkundige functie van de rivier.
In het Waterbesluit zijn een aantal (vooral stedelijke) gebieden aangewezen waarop de vergunningplicht niet van toepassing is aangezien die gebieden rivierkundig van minder belang zijn. De Rijnhaven behoort tot het gebied waar geen vergunning van Rijkswaterstaat is vereist. Buitendijks gebied kan bij hoog water overstromen. Eigenaren in het buitendijks gebied zijn zelf aansprakelijk voor schade door hoog water en zelf verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen om zich tegen potentiële schade te beschermen. De gemeente is verantwoordelijk voor de veiligheid in openbaar gebied. Bij bestaande situaties kan de gemeente bijdragen aan een goede veiligheidssituatie door het opstellen van evacuatieplannen, bij nieuwe situaties kan dit ook door het opnemen van bepalingen in het ruimtelijk plan. 5.5.2
Provinciaal beleid
De provincie ziet het als haar rol om te zorgen dat gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen een goede afweging maken van de hoogwaterrisico's. Gemeenten moeten bij nieuwe ontwikkelingen en herstructureringen in buitendijkse gebieden een inschatting maken van het slachtofferrisico bij overstromingen en verantwoorden hoe zij daarmee zijn omgegaan. Het beleidskader is opgenomen in de Provinciale Visie ruimte en mobiliteit en in de Provinciale Verordening Ruimte (VR). De provincie heeft een Risico Applicatie Buitendijks (RAB) ontwikkeld, die gemeenten hierbij kunnen gebruiken. Met de Visie en Uitvoeringsagenda Rijke Groenblauwe Leefomgeving, Zuid-Holland investeert de provincie in een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. De Visie Rijke Groenblauwe Leefomgeving is een van de bouwstenen voor de toekomstige Provinciale Omgevingsvisie. Het geheel van waterlopen, cultuurhistorie en natuur wordt in de visie opgevat als verweven, een groenblauw netwerk dat ingezet wordt als verbinder tussen landschap, cultuurhistorisch erfgoed, ecologie, recreatie en economie. De provincie wil het groenblauwe netwerk inzetten om het leef- en vestigingsklimaat in de steden te verbeteren door (groenblauwe) verbindingen te leggen tussen de stadscentra en de buitengebieden. Drager van deze verbindingen zijn de historische watersystemen.
Voor Rotterdam zijn in de Visie de Rotte en de Schie expliciet benoemd. Een achterliggend doel is herstel van de band van de inwoners van Zuid-Holland met hun leefomgeving. In de bijbehorende uitvoeringsagenda heeft de provincie een prioritering aangebracht in de ambities uit de visie en een strategische agenda met hoofdopgaven benoemd. De grootste opgave ligt in de stadscentra van Den Haag en Rotterdam.
Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
31
Voor Rotterdam zijn voor het beleidsveld water vooral de 2e en 3e hoofdopgave van belang; ^ Transitie naar een groen en waterrijk stedelijk landschap en infrastructuur. ^ Aantrekkelijk en gezond verbinden in een waterrijk Zuid-Holland. 5.5.3
Regionaal beleid
De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen: ^ Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk; ^ Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig; ^ Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen. Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma 2013-2018. 5.5.4
Beleid waterbeheerder
Waterbeheerplan 2022-2027, Waterschap Hollandse Delta In het Waterbeheerprogramma (WBP) van Waterschap Hollandse Delta zijn de doelen beschreven die het waterschap tijdens de planperiode 2022-2027 wil bereiken voor de primaire taken waterveiligheid, watersysteem, waterketen en wegen. De doelen voor deze planperiode zijn afgeleid uit de ambities voor de langere termijn (2050). Deze ambities worden, nog meer dan voorheen, beïnvloed door de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd, waar het waterschap voor staat. Het omgaan met de gevolgen van een veranderend klimaat én het tegengaan van verdere klimaatverandering springen hierbij het meest in het oog. Behalve de ambities voor de lange termijn en de doelen die het waterschap in 2027 bereikt wil hebben, gaat het Waterbeheerprogramma ook in op de strategie om te komen tot realisatie van deze doelen. De doelen voor 2027 en de strategie vormen de basis voor de concreet uit te voeren maatregelen. De maatregelen zelf maken geen deel uit van dit Waterbeheerprogramma, maar worden elk jaar opnieuw in het kader van de reguliere planning en controlcyclus bepaald. 5.5.5
Rotterdams Weerwoord
Het college van B&W heeft in februari 2019 het Rotterdams Weerwoord vastgesteld. Het Weerwoord is het Rotterdamse antwoord op de klimaatverandering. Als stad in de delta van Nederland met een dalende bodem is Rotterdam kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering. Klimaatadaptatie, het aanpassen van Rotterdam aan die verandering, is nodig. Want de gevolgen van extremer weer raken iedereen. Om hevige regenval, maar ook langdurige droogte en hitte, grondwateronder- en overlast en bodemdaling aan te pakken zijn sneller en meer ingrepen noodzakelijk in openbaar gebied en op particulier terrein. Door nu actie te ondernemen, kan schade in de toekomst worden beperkt. Tegelijk is flexibiliteit nodig om de aanpak bij te kunnen stellen op basis van nieuwe inzichten. Het Rotterdams Weerwoord richt zich vooral op maatregelen op wijkniveau. In 2019 is samen met de waterschappen gewerkt aan uitvoeringsafspraken. De belangrijkste versterkingen zijn: ^ Vergroening van de stad als adaptatiemaatregel om hitte tegen te gaan, draagt ook bij aan de vertraging van neerslag.
Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
32
^
^
^ ^
Vervangen van verharding door groen of doorlatende verharding vergroot de opnamecapaciteit van neerslag én zorgt voor aanvulling van het grondwater. Dit is goed voor gebieden met (te) lage grondwaterstanden. Waterbergende voorzieningen op gebouwen combineren met verkoelende maatregelen (groen dak) draagt bij aan reductie van wateroverlast en hitte. Zonnepanelen op groene daken hebben een hogere opbrengst. De ontwikkeling naar gebiedsgerichte adaptatie strategieën om de buitendijkse gebieden weerbaar te houden bij hoogwater. Integratie van de dijken en stedenbouw.
De belangrijkste belemmeringen zijn: ^ Meer bomen en groen in de stad zorgt voor een grotere watervraag die de gevolgen van droge perioden versterken. ^ Vervangen van verharding door groen of doorlatende verharding vergroot de opnamecapaciteit van neerslag én zorgt voor aanvulling van het grondwater. Dit is nadelig voor gebieden met (te) hoge grondwaterstanden.
5.2
Watertoets
Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende 'waterthema's', zoals die beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema's levert de watertoets op. Oppervlaktewater Het plangebied ligt geheel buitendijks en bestaat in de huidige situatie vrijwel geheel uit oppervlaktewater. De Maashaven is eigendom van de gemeente Rotterdam. Het water wordt nautisch beheerd door het Havenbedrijf Rotterdam, divisie Havenmeester. De gemeente is verantwoordelijk voor het beheer van de havenbodem. Voor de aanleg van het park zal een gedeelte van de haven gedempt worden. Dit gebeurt op basis van het vigerende bestemmingsplan. Voor de Waterwet maakt het plangebied deel uit van een waterstaatswerk, te weten rivierbed Nieuwe Maas. De Rijnhaven is onderdeel van het waterstaatwerk 'Rivier' onder de Waterwet, waardoor in principe een vergunning moet worden aangevraagd bij het Rijk (art. 6.5). De Maashaven valt echter in de zone waarvoor een geen vergunning van Rijkswaterstaat is vereist voor het gebruik maken van waterstaatswerken (Waterbesluit art 6.16). RWS heeft echter als waterkwaliteitsbeheerder aangegeven dit project niet als grootschalige bodemtoepassing te beschouwen, maar wil het hergebruik van grond middels een Watervergunning regelen (zie ook paragraaf 9.3).
De Maashaven ligt daarnaast niet in het stroomvoerend deel van de Nieuwe Maas (Grote Rivieren) waardoor de bestemmingsbeperkingen uit artikelen 2.4.3 en 2.4.4 van het Barro niet van toepassing zijn. De rivier de Nieuwe Maas en het havenbekken Maashaven liggen in een delta: de overgang van de zee naar het rivierenlandschap. Het water van de Maashaven gaat nu twee keer per dag bijna 1,5 meter op en neer als gevolg van het dagelijks tij. Het gemiddeld hoogwater is ongeveer 136 centimeter + NAP en het gemiddeld laagwater is ongeveer -37 centimeter + NAP (gemeten bij Boerengat). In de toekomst zal dit iets stijgen. Het water is meestal zoet, maar onderin is het water zouter (brak). Door verzilting wordt het water in de toekomst vaker brak. (Grond)wateroverlast en bodemdaling Het park is klimaatrobuust ingericht. De inrichting van het park zorgt ervoor dat nadelige gevolgen van hevige regenbuien, langdurige droogte, hitte, bodemdaling en overstroming zoveel mogelijk worden beperkt. De aanleghoogte van het park en de voorzieningen (zoals het paviljoen) is minimaal 3.60 meter + NAP (tenzij de veiligheid op een andere manier is aangetoond). Dit is volgens het huidige beleid voor buitendijks bouwen. Voor mogelijke vitale voorzieningen in het park, zoals gemalen of voorzieningen voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater, is een aanleghoogte van minimaal 3.90 meter + NAP vereist.
Deze waarden hangen samen met een gematigd KNMI-scenario uit 2006 voor het jaar 2100. De op korte termijn verwachte nieuwe klimaatscenario's van het KNMI leiden mogelijk tot nieuwe inzichten en bijgestelde (hogere) eisen.
Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
33
Zuid doorsnede van Afrikaanderwijk naar Maashaven
As THE KNOLL FOREST
Noord doorsnede van Afrikaanderwijk naar Maashaven
VIEWING LAWN
Afbeelding 5.2: Doorsnedes Nelson Mandelapark
Wateroverlast in de openbare ruimte wordt geaccepteerd voor de situaties zoals opgenomen in de verdere uitwerking van de klimaatgerichte normering uit het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2021-2025. Eventueel nieuw aan te leggen riolering moet functioneren volgens de uitgangspunten in het Gemeentelijk Rioleringsplan en het geldende programma van eisen Stedelijk water. Uitgangspunt is dat meer dan 50 procent van de neerslagafvoer in een plan- of projectgebied bovengronds zichtbaar en beleefbaar is. Door de aanleg en inrichting van het park verandert de grondwaterstand van de Maashaven en omgeving. De inrichting van het park houdt hier rekening mee. Vooral het groen is ingericht op de lokale grondwaterstand en fluctuaties daarin. Bij het ontwerp van de aanleg en inrichting van het park wordt rekening gehouden met bodemdaling om het park stabiel te houden en verdere bodemdaling in omgeving tegen te gaan. Het assortiment gekozen bomen past bij de grondwaterstand en toekomstig brak water. In de toekomst wordt verdere verzilting van de Nieuwe Maas verwacht. Het gekozen groen kan tegen zilte lucht. Voor het gehele park is een overstromingsrobuuste inrichting en materiaalkeuze belangrijk, zoals overstromingsbestendige materialen, constructies en groen. Veiligheid De primaire waterkering loopt ten zuiden en oosten van de Maashaven, langs de Brielselaan en de Maashaven Oostzijde.
De primaire waterkering is in grote delen van Rotterdam een duidelijk herkenbare groene, brede dijk. Maar hier is deze een vaak nauwelijks zichtbare verhoging, opgenomen in de bundeling van verkeerswegen en de metrobaan van de Maashaven-Oostzijde. De waterkering is soms zelfs alleen herkenbaar aan muurtjes als onderdeel van de gebouwde omgeving. Aan de Brielselaan - ten zuiden van de havengebouwen en de infrastructuur - is het nog een groene dijk. De primaire waterkering verdeelt het gebied in binnendijks en buitendijks gebied. Het binnendijks gebied wordt door de dijk (primaire waterkering) beschermd tegen overstromingen. Het buitendijks gebied wordt niet beschermd door dijken. De kans op een overstroming is groter dan voor het binnendijks gebied. Alleen kan het water er veel minder diep staan, omdat de buitendijkse gebieden hoog liggen. Momenteel is de kans op water op de kades en overslaande golven in de Maashaven klein. In de toekomst neemt de kans (en de gevolgen) van een overstroming toe door klimaatverandering.
Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
34
De ligging van het park versterkt waar mogelijk de huidige primaire dijk, zodat deze beter bestand is tegen hogere waterstanden. Het park heeft een grote golfremmende werking, waardoor de waterkering bij extreem hoog water veel minder wordt belast. Het nieuwe park draagt zo bij aan het meer robuust maken van de primaire waterkering van de Maashaven-Oostzijde. Hiermee wordt ingespeeld op het veranderende klimaat. Een robuust ontwerp voor het park verbetert de waterveiligheid, nu en vooral op de (zeer) lange termijn. Voor het dijktraject dat grenst aan het plangebied (de Maashaven-Oostzijde en Brielselaan) is een veiligheidsnorm van 1:3000 (signaleringsnorm) Z 1:1000 (ondergrens) vastgesteld. Deze waterkering is goedgekeurd in de eerste wettelijke beoordelingsronde (2017-2023) met de nieuwe waterveiligheidsnormen. Voor deze kering is op korte termijn geen versterkingsopgave. Het Waterschap Hollandse Delta beheert de primaire waterkering en toetst of de planontwikkelingen voldoen aan de bestaande eisen en regels (zoals de keur en de legger) van het Waterschap. Voor ontwikkelingen op en rondom de dijk is een vergunning van het Waterschap nodig die ook hieraan voldoet. Het nieuwe park draagt bij aan de sterkte van de hoofdwaterkering. Het park functioneert als een soort van (grote) vooroever voor de hoofdwaterkering en verbetert daarmee de waterveiligheid.
Mogelijk kan hiermee toekomstige versterking uitgesteld worden. In de verdere uitwerking moet duidelijk worden of en zo ja op welke wijze deze extra bescherming voor de toekomst gewaarborgd moet worden. Het is van belang om in iedere volgende fase de laatste stand van het beleid van zowel de gemeente (uitgiftepeilen) als het waterschap na te gaan en deze toe te passen in verband met de continue kennisontwikkeling over onder andere zeespiegelstijging en beoordeling van dijken op nationaal niveau.
Afbeelding 5.3: Infiltratiemogelijkheden Nelson Mandelapark
Waterkwaliteit De Nieuwe Maas en de aanliggende havens zijn een KRW waterlichaam. Gegevens over de waterkwaliteit zijn beschikbaar in de factsheets die een bijlage vormen bij de stroomgebiedsplannen 2022-2026. De Nieuwe Maas wordt gekarakteriseerd als een sterk veranderd waterlichaam. Dit betekent dat de Nieuwe Maas door menselijke activiteiten wezenlijk is veranderd van aard en dat dit niet door herstelmaatregelen ongedaan gemaakt kan worden. Voor een sterk veranderd waterlichaam is herstel naar een goede ecologische toestand meestal niet haalbaar. Voor sterk veranderde waterlichamen zijn daarom aangepaste normen geformuleerd.
Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
35
De gemeente Rotterdam overweegt, in het kader van het circulair maken van grondstromen, om voor het dempen van het oostelijke deel van de Maashaven Rotterdamse stadgrond te gebruiken. Hiervoor is onderzoek gedaan naar het toepassen van hergebruiksgrond in een voormalige industriehaven (Maashaven) onder de Waterwet. Deze onderzoeken zijn opgenomen als bijlage 5 en 6 bij deze toelichting. De doelstelling van de Waterwet is het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. In het onderzoek is laten zien dat chemische en ecologische kwaliteit van de Maashaven zal verbeteren door de aanleg van het Nelson Mandelapark met hergebruiksgrond, waarbij tegelijk een enorme impuls wordt gegeven aan de maatschappelijke functies van het gebied. Op basis van deze integrale benadering wordt gesteld dat het aanleggen van het Mandelapark met klasse Industriegrond de voorkeur heeft boven het gebruik primaire grondstoffen. Hiermee wordt niet alleen voldaan aan de doelstellingen van de Waterwet maar ook aan doelstellingen op andere beleidsterreinen zoals circulariteit en klimaat (stikstof- en CO2-reductie; doordat zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van materialen die in de regio vrijkomen).
Doordat een aantal hectare vervuilde waterbodem door de aanleg van het park wordt verwijderd en afgedekt wordt de emissie vanuit de verontreinigde waterbodem weggenomen. Dit geeft een kwaliteitsimpuls aan de waterkwaliteit van de haven. De waterkwaliteit verbetert dus ten opzichte van de oude situatie en de kwaliteit van de grond is vergelijkbaar met bagger die vrij verspreid wordt in de Rijn en op de Noordzee. Dit zal daarom niet tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden. Riolering Binnen het plangebied ligt momenteel geen riolering. Het bestemmingsplangebied valt binnen rioleringsdistrict 28 (Zuiden). In de omgeving van het plangebied ligt grotendeels een gemengd stelsel, wat betekent dat het huishoudelijk afvalwater gezamenlijk met het hemelwater wordt afgevoerd naar de afvalwaterzuivering (AWZI). District Zuiden voert af naar district 23 Charlois en vervolgens naar de AWZI Dokhaven. Regenwater dat op de kades valt wordt gedeeltelijk rechtstreeks afgevoerd naar de havenbekkens en de Nieuwe Maas. Voor het plan wordt gestreefd naar het scheiden van vervuilde en schone waterstromen. Het schone hemelwater wordt zoveel mogelijk lokaal verwerkt en/of opnieuw gebruikt.
Bij de aanleg van het park wordt rekening gehouden met de bestaande uitlaten van het rioolstelsel aan de Maashaven-Noordzijde en met het uitstroompunt van de persleiding van het waterschap Hollandse Delta aan de Maashaven-Oostzijde. Beide lozingspunten dienen functioneel te blijven na aanleg van het park. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente Rotterdam. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Voor de natuurvriendelijke oever is het streven om deze onderhoudsvriendelijk te maken. Erosie van de oevers en dichtslibbing van de geul moet beperkt blijven. Daar waar dit niet kan of niet gewenst is, moet er voldoende vrije ruimte zijn voor erosie of voldoende overdiepte om de sedimentatie op te vangen. Gemeente Rotterdam en Rijkswaterstaat maken hier samen afspraken over in het vervolgtraject. Aandachtspunt is het verwijderen van (drijf)vuil op de overgangen tussen land en water. Gemeente Rotterdam, Havenbedrijf Rotterdam, Rijkswaterstaat en mogelijk andere partijen maken hierover afspraken.
5.3
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
36
6.
Milieu
6.1
Inleiding
Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam streeft ernaar om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit als totaal te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden.
Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig. Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.
6.2
Milieuzonering
6.2.1
Kader
Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen nieuwe bedrijven/activiteiten en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven/activiteiten, of welke bedrijven en activiteiten aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen.
In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave. 6.2.2
Plangebied en omgeving
Het Rijnhaven-Maashavengebied is een gebied waar diverse verspreid liggende functies voorkomen en kan daarom volgens de verdeling binnen de gemeente Rotterdam aangemerkt worden als gebiedstype 'gemengde wijk'. Op basis van de VNG-brochure is dit gelijk te stellen aan een 'gemengd gebied'; een gebied met een matige tot sterke functiemenging of een gebied dat gelegen is nabij hoofdinfrastructuur. Het projectgebied is gelegen in
Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
37
een gebied met verscheidene functies, waaronder detailhandel, kantoren, bedrijvigheid en wonen. Daarnaast ligt het metrostation Maashaven naast het plangebied. Kenmerkend voor het omgevingstype 'gemengd gebied' is dat sprake is van een zekere verstoring en dus van een relevant andere omgevingskwaliteit dan in een rustig woongebied. Gelet op de aanwezige functies en infrastructuur is ter plaatse van het voorliggende plangebied sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied', waardoor de richtafstand terug kan worden gebracht met één afstandsstap. Dit geldt niet voor de richtafstand voor veiligheid. Terrassen De wens bestaat om een horecapaviljoen (met terras) te realiseren in het park, en terrassen mogelijk te maken op het plein voor de Maassilo. Om de optredende geluidniveaus ten gevolge van de terrassen ter plaatse van de omliggende geluidgevoelige bestemmingen te bepalen en beoordelen, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen. Voor de beoordeling is allereerst gebruik gemaakt van de beoordelingssystematiek uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Daarnaast is de geluidbelasting beoordeeld op basis van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De berekeningen zijn uitgevoerd overeenkomstig de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai' 1999.
De meest nabijgelegen bestaande geluidgevoelige bestemmingen (woningen) betreffen: ^ De woningen ten oosten van de Maashaven Oostzijde, ten oosten van de terrassen, op circa 80 meter afstand. » De woningen ten noorden van de Maashaven Noordzijde, ten noorden van de terrassen, op circa 160 meter afstand. Toetsingskader - VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Volgens bijlage 1 van de VNG-publicatie vallen 'Restaurants, cafetaria's, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen e.d.' in milieucategorie 1, met een richtafstand van 0 meter in geval van omgevingstype 'gemengd gebied'. Horecagelegenheden met terrassen zijn in de VNG-publicatie echter niet als zodanig benoemd. Vanwege de zwaardere milieubelasting die het terras veroorzaakt ten opzichte van een horecagelegenheid zonder terras heeft de gemeente om een akoestisch onderzoek verzocht, ondanks dat in beginsel aan stap 1 wordt voldaan.
Uit het akoestisch onderzoek volgen de volgende berekeningsresultaten: Berekeningsresultaten - langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau: ^ Ten gevolge van het terras 'horecapaviljoen' ten hoogste LAr,LT = 43 dB(A) etmaalwaarde bedraagt; ^ Ten gevolge van het terras 'maassilo' ten hoogste LAr,LT = 48 dB(A) etmaalwaarde bedraagt; ^ Ten gevolge van het terras 'gebouw 1-5' ten hoogste LAr,LT = 46 dB(A) etmaalwaarde bedraagt; ^ Ten gevolge van de drie terrassen gezamenlijk ten hoogste LAr,LT = 50 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Uit de toetsing van de berekeningsresultaten blijkt dat voor wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en de toetswaarden uit de VNG-publicatie. Daarmee is voor wat betreft dit aspect sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Berekeningsresultaten - maximale geluidsniveaus Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat het maximale geluidsniveau ten hoogste 48 dB(A) in alle beoordelingsperioden bedraagt. Uit de toetsing van de berekeningsresultaten blijkt dat voor wat betreft het maximale geluidsniveau voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en de toetswaarden uit de VNG-publicatie. Daarmee is voor wat betreft dit aspect sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat zowel voor wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als het maximale geluidsniveau ter plaatse van de omliggende woningen voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en de toetswaarden uit de VNG-publicatie. Daarmee is sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en kunnen de terrassen gerealiseerd worden.
Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
38
6.2.3
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
6.3
Geluid
6.3.1
Kader
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, wegverkeer, spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden, maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen die in de Wet geluidhinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt (maar dit wel kunnen zijn) en naar de typologie en inrichting van de gebieden, zoals een levendig gebied met horeca, parken of plekken voor voorzieningen of installaties.
Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven. Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zo veel mogelijk terug te dringen. 6.3.2
Plangebied
Met dit bestemmingsplan worden geen geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt, waardoor een toetsing aan de Wet geluidhinder niet van toepassing is. Wel kan het park voor geluidsoverlast zorgen op de omliggende woningen, onder andere door de toekomstige evenementen die in het park zullen plaatsvinden. Het geluid vanuit de horecavoorzieningen die in het park mogelijk worden gemaakt worden nader toegelicht onder het kopje 'bedrijven en milieuzonering'. Industrielawaai Het plangebied ligt binnen de geluidzone van het industrieterrein Maashaven-Rijnhaven. Er is een bestemmingsplan in voorbereiding waarin het industrieterrein verkleind wordt en daarmee ook de geluidzone Maashaven-Rijnhaven. Dit plan heeft reeds als ontwerp ter inzage gelegen. De geluidzone zal na verkleining slechts voor een klein gedeelte over het park liggen. Binnen dit gebied worden geen gevoelige objecten mogelijk gemaakt. Dit aspect leidt dan ook niet tot belemmeringen. Evenementen Ten behoeve van de evenementen die in de toekomst zullen worden gerealiseerd in het Nelson Mandelapark, is onderstaand kader opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan:
Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
39
In dit nieuwe park kan door middel van evenementen de cultuurparticipatie worden vergroot in een gebied waar dit nu nog achterblijft. Op basis van vergelijkbare locaties, de hoge ambities in dit nieuwe park en de gewenste verlevendiging van Rotterdam - Zuid is onderstaand kader opgenomen in de regels. Categorie
Maximaal aantal bezoekers gelijktijdig aanwezig
Maximaal aantal evenementen per jaar
Maximaal aantal evenementen dagen per jaar
Maximale geluidbelasting ter plaatse van de gevel het dichtstbijzijnde geluidgevoelige object
Groot I
^500 tm 10000
2
2
81 dB(A), 96 dB(C)*
Groot II
^500 tm 10000
2
2
75 dB(A), 90 dB(C)
Groot III
^500 tm 10000
2
6
70 dB(A), 80 dB(C)
Middel
501tm 2500
2
4
70 dB(A), 80 dB(C)
Klein
^00
8
12
65 dB(A), 75 dB(C)
* dit geluidniveau mag maximaal 5 uur per evenement plaatsvinden Geluid speelt een belangrijke rol bij evenementen aangezien veel muziekevenementen of sportevenementen versterkt geluid nodig hebben om het publiek te bereiken. Er is geen wetgeving die voorziet in een duidelijke geluidgrenswaarde waaraan evenementen moeten voldoen ter bescherming van een goed woon- en leefklimaat. In dit bestemmingsplan is de balans gezocht tussen een rustig park dat enkele dagen per jaar gebruikt mag worden voor een evenement met een hoge geluidbelasting. Om succesvol een muziekevenement te kunnen houden voor 10.000 mensen is een hoge geluidbelasting noodzakelijk. In het bestemmingsplan is opgenomen dat dit maximaal twee keer per jaar mag, categorie Groot I met maximaal 81 dB(A) en 96 dB(C). Daarnaast zijn twee evenementendagen voor een groot evenement toegestaan met relatief hoge geluidbelasting van 75 dB(A) en 90 dB(C). Categorie Groot III is bijvoorbeeld geschikt om sportevenementen te kunnen organiseren. Een hoge geluidgrenswaarde is acceptabel omdat dit maximaal 4 keer per jaar is toegestaan tot maximaal tot 23:00 uur. Evenementen van deze omvang worden jaarlijks voorafgaand aan het evenementenseizoen bekend gemaakt via het Evenementenoverzicht dat door het college van B&W wordt vastgesteld.
Op deze manier is tijdig duidelijk wanneer grote evenementen in het Nelson Mandelapark zullen plaatsvinden. De evenementenorganisator is verantwoordelijk voor een goede, duidelijke communicatie met bewoners en ondernemers. De manier waarop gecommuniceerd wordt met de bewoners is onderdeel van de evenementenvergunningaanvraag. Zie hiervoor ook Nota Evenementenvergunningen 2019. 6.3.3
Conclusie
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
6.4
Luchtkwaliteit
6.4.1
Kader
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
40
overal de grenswaarden worden gehaald. Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.
De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: ^ er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; ^ de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; ^ er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; ^ het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; ^ de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld. Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang.
De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan. Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden toegekend waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn. 6.4.2
Plangebied
De ontwikkeling van het park leidt niet tot extra (gemotoriseerde) verkeersbewegingen (zie paragraaf 4.5). Daarmee leidt de ontwikkeling dan ook niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Goede ruimtelijke ordening Voor de volledigheid zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bekeken ter plaatse van het plangebied. Afbeelding 6.2 toont de jaargemiddelde concentraties weergegeven voor het peiljaar 2022 ter hoogte van de planlocatie. Uit deze afbeelding blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan de jaargemiddelde grenswaarde van 40 ^g/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 ^g/m3 (voor PM2,5). Gezien bovenstaande is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
41
Afbeelding 6.2: Concentraties PM25, PM10 en NO2 (2020) (bron: RIVM)
6.4.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
6.5
Bodem
6.5.1
Kader
De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is.
Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
42
6.5.2
Plangebied
Als voorbereiding op de aanleg van het park is in 2018 al de eerste (onderwater)fase uitgevoerd. Uit waterbodemonderzoek in 2017 en 2018 (bijlage 2 en 3) bleek dat een groot deel van de waterbodem van de Maashaven sterk verontreinigd was. Hierom en om de gewenste stabiliteit te realiseren is in samenwerking met het Havenbedrijf Rotterdam een hoeveelheid slap materiaal (zoals baggerspecie en klei) gebaggerd tot ongeveer -12,50 meter NAP. Ook is een hoeveelheid gedumpt vuil verwijderd. In totaal is ongeveer 80.000 m3 sterk verontreinigde baggerspecie en sterk verontreinigd vuil verwijderd en afgevoerd naar verwerkers en de Slufter. Vervolgens is in 2018 ongeveer 200.000 m3 zand aangevoerd vanuit het project 'Verdieping Nieuwe Waterweg'. Het zand is aangebracht op de gebaggerde waterbodem tot aan een diepte van ongeveer -6,65 meter NAP om de nautisch gegarandeerde diepte (NGD) te waarborgen. In het kader van de aanleg van het park zal aanvullend gebaggerd moeten worden, aangezien het huidige plangebied groter is dan in 2018 het geval was. Hiervoor is aanvullend waterbodemonderzoek verricht om inzicht te krijgen in de waterbodemkwaliteit in het te baggeren gebied. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 4 bij deze toelichting. In deze paragraaf zijn de belangrijkste conclusies beschreven.
Op basis van de resultaten blijkt dat de eerste 0,5 meter van het slib niet sterk verontreinigd is en de lagen eronder wel. Dit duidt erop dat de belasting van de onderzoekslocatie de laatste jaren minder is geweest dan in het verleden. De bepalende parameters zijn zware metalen en minerale olie. Gezien de te verwijderen baggerspecie niet toepasbaar is onder water of op landbodem is het aannemelijk dat de baggerspecie afgevoerd zal worden naar een erkend verwerker, de Slufter. De monsters zijn aan de normen van de Sluftertoets getoetst en hieruit blijkt dat al het slib geschikt is voor berging de Slufter. De kleilaag die onder de sliblaag is gelegen, is niet geschikt voor de Slufter, deze is te schoon. Indien klei verwijderd zal worden dan zal dit hooguit 0,5 meter zijn. Gezien de oppervlakte van de locatie zal het in praktijk lastig worden om tijdens de werkzaamheden het slib van de kleilaag te scheiden. Wanneer het gemiddelde van de kwaliteit van de onderste sliblaag en de kleilaag wordt genomen, dan is de kwaliteit wel geschikt om het materiaal naar de Slufter af te voeren (bepalende parameter EtFOSAA). Gezien de praktische uitvoerbaarheid en het gemiddelde gehalte van EtFOSAA zal ook de kleilaag naar de Slufter afgevoerd kunnen worden. Voorafgaand aan de werkzaamheden moet een melding in het kader van artikel 1.10 in samenhang met 1.19 Blbi te worden verricht.
Gezien de kwaliteit van de baggerspecie de interventiewaarde overschrijdt en een hoeveelheid van meer dan 1.000 m3 is, moet bij deze melding een werkplan worden toegevoegd. Tevens dienen de werkzaamheden uitgevoerd te worden onder milieukundige begeleiding (BRL SIKB 6000, protocol 6003). Ook is het uitvoeren van de baggerwerkzaamheden door een BRL SIKB 7000, protocol 7003 erkende aannemer noodzakelijk. 6.5.3
Conclusie
De nieuwe baggerwerkzaamheden zijn reeds gestart. Als die werkzaamheden zijn afgerond, wordt gestart met het aanbrengen van zand. Waarschijnlijk wordt het aanbrengen van zand gecombineerd met het aanbrengen van damwanden, glooiingen en steigers. Deze bouwwerkzaamheden zijn naar verwachting eind 2023 of 2024 gereed. Het zandpakket klinkt nog gedurende 1 jaar ongeveer 1 à 2 meter in (consolideren). Na deze consolidatieperiode kan vanaf 2025 of 2026 worden gestart met het definitief inrichten van het park.
6.6
Externe veiligheid
6.6.1
Kader
Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een
Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
43
incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) beschrijft het beleid van de overheid over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. De zone is 40 meter bij zeeschepen en 25 meter voor binnenvaartschepen. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR).
Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriëntatiewaarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt.
Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR). 6.6.2
Plangebied
Voorgenomen ontwikkeling maakt geen (nieuwe) hinderbronnen mogelijk. Toekomstige bezoekers van het park zullen binnen het plangebied niet voor langere aaneengesloten tijd verblijven, maar de toekomstige functies kennen wel een grote publiekaantrekkende werking. Tevens worden er maximaal 4 grote evenementen per jaar georganiseerd. Het Nelson Mandelapark ligt buiten het effectgebied externe veiligheid zoals dat in bestemmingsplan Parapluherziening evenementen is opgenomen. Hierdoor gelden er geen aanvullende veiligheidsvoorschriften voor het houden van evenementen. Vervoer gevaarlijke stoffen Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied in de nabijheid ligt van de Nieuwe Maas, waar transport van gevaarlijke stoffen over plaatsvindt. Over de Nieuwe Maas is ter hoogte van het plangebied uitsluitend sprake van binnenvaart. Dit deel van de rivier is aangeduid als een zogenaamde zwarte route, wat wil zeggen dat de 10-6plaatsgebonden risicocontour van de vaarroute alleen over het water van de Nieuwe Maas ligt. Het plaatsgebonden risico van het transport van gevaarlijke stoffen over de rivier vormt dus geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. Langs de Nieuwe Maas is een plasbrandaandachtsgebied gelegen met een breedte van 25 meter vanaf de oever. Het plangebied blijft hier buiten.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen 200 meter vanaf de rand van de vaarweg moet het groepsrisico van het transport van gevaarlijke stoffen worden berekend. De afstand van het plangebied tot de rivier Nieuwe Maas is circa 800 meter, waardoor een berekening niet benodigd is. Daarnaast blijkt uit groepsrisicoberekeningen voor
Bestemmingsplan 'Nelson Mandelapark' Toelichting
44
naastgelegen ontwikkelingen dat het groepsrisico van de maatgevende kilometer vaarweglengte minder dan 0,001 maal de oriëntatiewaarde bedraagt, een zeer laag groepsrisico. Daarnaast vindt er ook transport van gevaarlijke stoffen plaats over de spoorlijn Rotterdam-Barendrecht. De afstand van het plangebied tot de spoorlijn is circa 1.000 meter. Vanwege deze grote afstand en het relatief lage vervoersaantal van toxische stoffen in de stofcategorie D4 zal het plangebied geen significante invloed hebben op het groepsrisico en is berekening van het groepsrisico niet benodigd. Zodoende dient alleen een beschrijving te worden gegeven van de aspecten 'zelfredzaamheid' en 'bestrijdbaarheid'. Scenario toxische gassen Door een incident kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt. De toxische stof verdampt deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. Het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur van ammoniak. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario.