[24bb004793] Bijlage 1 behorende bij 24bb004792 over toelichting Havenziekenhuis eo
Tekst van het document
47
waarin staat dat alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. Met de bepaling is bedoeld dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto's en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag kan geheel of gedeeltelijk afwijken van de parkeernormen. De afwijking moet goed en navolgbaar onderbouwd worden. Van het afwijken van de parkeereis kan sprake zijn bij: Maatwerk: de afwijking moet onderbouwd worden aan de hand van specifieke kenmerken van de locatie, functie of doelgroep van het project. Locatie: er moet sprake zijn van een locatie waar het feitelijk onmogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de parkeereis te voldoen of waar het in alle redelijkheid onmogelijk of onwenselijk is om geheel of gedeeltelijk te voldoen aan de parkeereis. De volgende bijzondere vrijstellingen kunnen worden toegepast: Nabijheid OV-stations: Als een ontwikkeling wordt gerealiseerd in de nabijheid van specifieke OV-stations wordt de autoparkeereis verminderd conform de opgenomen tabel.
Extra fietsparkeerruimte: als een ontwikkeling in betaald parkeergebied voorziet in extra fietsparkeervoorzieningen op eigen terrein, wordt de autoparkeereis met maximaal 10% verlaagd in de verhouding twee fietsparkeerplaatsen in plaats van één autoparkeerplaats. Deze extra fietsparkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd op eigen terrein en zijn bedoeld voor langparkeerders (bewoners, werkers, studenten). Deelauto’s: als bij een woningontwikkeling in betaald parkeergebied structureel, dat wil zeggen voor minimaal 10 jaar, commercieel aangeboden deelauto’s ter beschikking worden gesteld op geoormerkte deelautoparkeerplaatsen, wordt de autoparkeereis met maximaal 20% verlaagd in de verhouding één autoparkeerplaats met deelauto in plaats van vijf gewone autoparkeerplaatsen. De deelauto’s mogen ook worden geplaatst in een nabijgelegen parkeervoorziening op geoormerkte deelautoparkeerplaatsen. Mobility as a Service ( MaaS ): als bij een ontwikkeling in betaald parkeergebied gebied voor alle toekomstige gebruikers Mobility as a Service structureel, dat wil zeggen voor minimaal 10 jaar, beschikbaar wordt gesteld, wordt de autoparkeereis met maximaal 20% verlaagd.
Voor de berekening van de verkeersgeneratie en de toekomstige verkeersgeneratie zal gebruik gemaakt worden van de rekentool 'Verkeersgeneratie & parkeren' van het CROW (zie ook CROW-publicatie 381 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'). Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van een plan moet in de rekentool aangegeven worden 1) wat voor een gemeente (zeer sterk, sterk, matig, weinig, niet stedelijk) het betreft en 2) in welk gebied (centrum, schil centrum, rest bebouwde kom, buitengebied) het bouwplan gerealiseerd wordt. De gemeente Rotterdam is een 'zeer sterk stedelijke' gemeente en het plangebied is gelegen in het 'centrum'. 6.4.2
Plangebied
Autoparkeren Volgens het parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam is het plangebied aangemerkt als 'hoogstedelijk gebied'. voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij de normen die voor dat gebied gelden. De ontwikkellocatie is op ruim 500 meter van het treinstation De Blaak gelegen, waardoor een reductie van 30% toegepast mag worden. Het structureel gebruik maken van deelauto's, waarbij één autoparkeerplaats voor de deelauto vijf gewone parkeerplaatsen vervangt, resulteert tevens in een reductie van 20% in de parkeerbehoefte. Als Mobility as a Service (MaaS) structureel beschikbaar wordt gesteld, mag de parkeereis opnieuw met 20% verlaagd worden. Bijzondere vrijstellingen mogen bij elkaar worden opgeteld, wat tot een maximale verlaging van 70% kan leiden. De voorwaardelijke verplichting ten aanzien van parkeren (zoals opgenomen in artikel 13 van de planregels) waarborgt dat bij de aanvraag omgevingsvergunning in voldoende parkeerplaatsen moet worden voorzien, afhankelijk van het definitieve aan te vragen programma. Naast deze dynamische
48
parkeerverwijzing moet het wel mogelijk zijn om, afhankelijk van het in te dienen plan, de benodigde parkeerplaatsen te kunnen realiseren. Met andere woorden: de gekozen bestemming en bouwmogelijkheden die in de regels en op de verbeelding van dit bestemmingsplan aangegeven zijn, moet het wel mogelijk maken om de parkeerplaatsen te realiseren. In voorliggend bestemmingsplan is de gekozen bestemming 'Centrum'. Binnen deze bestemming worden parkeerplaatsen, zowel in kelders als in de verdiepingen mogelijk gemaakt. Parkeren staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg. Daarnaast is door Arcadis een mobiliteitsplan opgesteld (zie bijlage 1), waarbij ook het concrete bouwplan van initiatiefnemer alsmede de maximale planologische mogelijkheden getoetst zijn aan de parkeernormen. In dit mobiliteitsplan wordt aan de hand van het Rotterdamse beleid uitvoering ingegaan op de mobiliteitsaspecten om basis van de parkeernormen en vrijstellingbepalingen. Ten aanzien van het concrete programma van 379 woningen en diverse commerciële voorzieningen heeft Arcadis het volgende berekend. De te realiseren 379 woningen en de verschillende commerciële en maatschappelijke functies in de plint zoals gepresenteerd in de inleiding resulteren volgens de geldende normering in een minimaal parkeeraanbod van 320 parkeerplekken.
Gegeven de locatie van het Havenziekenhuis, de nabijheid van OV-station Blaak en het aanbieden van zowel deelmobiliteit als MaaS concepten voor de toekomstige bewoners worden er verschillende bijzondere vrijstellingen op de parkeereis toegepast. Met het toepassen van deze vrijstellingen, zie tabel 6.2 hieronder, worden er 224 parkeerplekken in mindering gebracht op het minimale parkeeraanbod. Tabel 6.2 Parkeerbehoefte concreet bouwplan (bron: Arcadis, september 2022)
De optelsom van deze vrijstellingen leidt tot een parkeereis van minimaal 96 parkeerplekken voor bewoners en gebruikers. In de parkeergarage van het Havenziekenhuis is ruimte gereserveerd voor 114 plekken. De parkeergarage voldoet daarmee aan de minimale eis die de gemeente Rotterdam stelt, en creëert een positief saldo van 18 parkeerplekken. Bij deze herontwikkeling wordt ingezet op deelmobiliteit en MaaS om het minimale parkeeraanbod te verlagen. Het aanbod van deelauto’s (13 deelauto’s conform vrijstelling) moet ook een plaats krijgen in de parkeergarage. Gezien het positieve saldo is hier ook ruimte voor. Conclusie parkeren Met het opnemen van de dynamische parkeerverwijzing en daarmee de waarborg dat elk concreet bouwplan moet voorzien in voldoende parkeerplaatsen op basis van het geldende parkeerbeleid, wordt voldaan aan het uitvoerbaarheidsaspect parkeren. Dit is terug te vinden in artikel 13 van de regels behorende bij dit bestemmingsplan. De gekozen bestemming en bouwmogelijkheden bieden daarnaast voldoende mogelijkheden om de benodigde parkeerplaatsen ook daadwerkelijk te kunnen realiseren. Bovendien is het concrete bouwvoornemen getoetst en is geconcludeerd dat dit plan in voldoende parkeerplaatsen voorziet. Fietsparkeren
49
Voor de fietsen bij woningen is uitgegaan van de Rotterdamse gelijkwaardigheid voor de buitenberging. Wanneer een buitenberging (5 m², bereikbaar vanuit gemeenschappelijke verkeersruimte) wordt toegevoegd hoeven geen fietsen in de gemeenschappelijke fietsenstalling gereserveerd te worden. Fietsparkeerplaatsen ten behoeve van het kort stallen van fietsen dienen bij voorkeur op het maaiveld gerealiseerd te worden. De andere fietsparkeerplaatsen worden gerealiseerd binnen de kelder (-1 en -2). Ook de fietsparkeerbehoefte dient nader uitgewerkt te worden en te voldoen aan de Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022, zoals de voorwaardelijke verplichting in artikel 13 regelt. Arcadis heeft ook voor het concrete bouwplan het fietsparkeren beoordeeld en komt tot de conclusie dat het totaalaanbod aan fietsenstallingen voor de verschillende categorieën fietsen in beide gebouwdelen realiseerbaar is en voldoet aan de minimale vraag op basis van de geldende parkeernormering. Fietsparkeren voor bezoekers en personeel is deels af te wikkelen middels inpandige stallingsvoorzieningen. Ontsluiting en verkeersgeneratie De ontsluiting van het perceel vindt via de oostzijde van het perceel plaats vanaf de Haringvliet naar de S100. Voertuigen zullen via de S107 afrijden, waarna zij direct de nabijgelegen autosnelweg A16 kunnen oprijden.
Aan de noordzijde is het Oostplein gelegen. Een centrale locatie in het centrum waar ook een metrohalte aanwezig is. De ontwikkellocatie is gelegen in het Centrum van Rotterdam, met een zeer sterk stedelijke stedelijkheidsgraad. Voor de verkeersgeneratie wordt uitgegaan van een worstcase scenario met 500 dure koop appartementen en 5.000 m² aan commerciële ruimte. Voor dure appartementen geldt een verkeersgeneratie van 4,5-5,3 verkeersbewegingen per etmaal per woning. Voor 500 dure koopappartementen geldt een verkeersgeneratie van 2.250-2.650 verkeersbewegingen per etmaal. Voor de commerciële functies is gebruik gemaakt van de verkeersgeneratie voor een binnenstad of hoofdwinkelcentrum met meer dan 175.000 inwoners. De verkeersgeneratie bedraagt 14,2-19,3 per 100 m² bvo. In totaal bedraagt de verkeersgeneratie 710 - 965 verkeersbewegingen per etmaal voor de commerciële functies. Volgens de rekenmethode bedraagt de totale verkeersgeneratie op een gemiddelde weekdag maximaal 2.650 mvt/etmaal voor alleen de woningen. Voor de overige functies dit er nog eens maximaal 965 bewegingen per etmaal. In totaal bedraagt de verkeersgeneratie maximaal 3.615 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag. Aangezien conform het beleid voor de parkeernorm een reductie van 70% kan worden toegepast, dan geldt deze reductie ook voor de verkeersgeneratie.
Na toepassing van de reductie bedraagt de verkeersgeneratie maximaal 1.085 mvt/etmaal op een gemiddelde weekdag.
6.4.3
Conclusie
De ontsluiting van het plangebied voor de verschillende vervoerswijzen is goed. Op eigen terrein kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte mede gebaseerd op de Rotterdamse parkeernomen. De te realiseren parkeervoorziening en ontsluiting is hiermee afdoende en staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
50
6.5
Geluid
6.5.1
Algemeen
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg-en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn. Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven.
Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen. 6.5.2
Plangebied
Plangebied Vanwege de realisatie van geluidgevoelige functies binnen de geluidzone van onder andere de Maasboulevard en de Oostmolenwerf is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 4. Opgemerkt wordt dat in het onderzoek is uitgegaan van 600 woningen en 6,000 m2 aan commerciele en maatschappelijke voorzieningen. Ondanks dat sprake is van minder woningen en minder vierkante meters commercieel en maatschappelijk zijn de resultaten nog steeds representatief. Uit het onderzoek volgt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer ter plaatse van de beoogde woningen ten gevolge van wegverkeerslawaai uit de omgeving wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt echter niet overschreden. De maximaal optredende geluidbelasting bedraagt 61 dB ten gevolge van het wegverkeer over de Maasboulevard en Haringvliet (zuidelijke kade). De maximaal optredende geluidbelasting ten gevolge van de Maasboulevard treedt op op een hoogte van 13,5 meter ter plaatse van de woningen aan de noordzijde van de plint. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 13 dB overschreden ten gevolge van wegverkeer. Alsmede wordt de voorkeursgrenswaarde als gevolg van wegverkeer over de Oostmolenwerf en het Haringvliet overschreden. De maximale geluidbelasting bedraagt respectievelijk 60 en 61 dB.
De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt hiermee niet overschreden. Daar waar de voorkeursgrenswaarde (48 dB) wordt overschreden maar niet de maximale ontheffingswaarde, dient een ontheffing “hogere grenswaarde“ aangevraagd te worden. Hogere waarden kunnen op grond van de Wgh slechts worden vastgesteld indien het redelijkerwijs niet mogelijk is aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Derhalve dient voorafgaand aan het nemen van een hogere waarden besluit onderzocht te worden of het mogelijk is geluidreducerende maatregelen te treffen. Daarbij geldt de voorkeursvolgorde bron-overdracht-ontvanger, hetgeen inhoudt dat het treffen van
51
maatregelen aan de bron de voorkeur verdient boven het treffen van maatregelen in de overdracht, en dat het treffen van maatregelen in de overdracht de voorkeur verdient boven het treffen van maatregelen bij de ontvanger. Aangezien de voorkeursgrenswaarde in de voorliggende situatie wordt overschreden, dienen er hogere waarden aangevraagd te worden. Hierbij dient aangesloten te worden op het Beleid hogere grenswaarden Wet geluidhinder van de gemeente Rotterdam. Opgemerkt dient te worden dat hogere waarden pas kunnen worden verleend indien de maximale ontheffingswaarde niet meer wordt overschreden. Hogere waarden kunnen op grond van het geluidbeleid van de gemeente Rotterdam worden verleend indien aan de ontheffingsvoorwaarden wordt voldaan (geluidluwe gevel en buitenruimte). De cumulatieve geluidbelasting (Lden) ten gevolge van wegverkeer op deze geluidluwe gevel/buitenruimte mag niet hoger zijn dan 53 dB (na aftrek conform artikel 3.4 Rmg 2012). Tevens geldt dat wanneer er geen sprake is van een buitenruimte wordt met de aanwezigheid van een geluidluwe gevel voldoende kwaliteit gerealiseerd. Voor de beoogde woningen die zijn gesitueerd op de hogere verdiepingen van beide torens geldt dat de geluidbelasting met 5 dB gereduceerd moet worden om te komen tot een geluidluwe gevel.
Om dit te bereiken worden deze woningen voorzien van een buitenruimte met verhoogde afscherming van 1,5 meter en, indien er ook een balkon boven gelegen is, een geluidabsorberend plafond. Hiermee wordt een geluidluwe buitenruimte verkregen en ook de achtergelegen gevel wordt geluidluw gemaakt. Voor de lagere verdiepingen van de torens zal de geluidbelasting met 9 dB moeten worden gereduceerd om te komen tot een geluidluwe gevel. Deze woningen kennen tevens een balkon met verhoogde afscherming en een geluidabsorberend plafond (wanneer er een bovengelegen balkon is). Echter, dit zal naar verwachting niet voldoende zijn om een geluidluwe buitenruimte en gevel te creëren. In de plint van lagere toren is bovendien een groot deel van de woningen eenzijdig georiënteerd zonder buitenruimte. Deze woningen hebben ook geen geluidluwe gevel en buitenruimte. Het gemeentelijk geluidbeleid geeft daarbij de mogelijkheid om af te wijken van diens criteria. Om geluidhinder zoveel mogelijk te voorkomen zal daarbij gezocht moeten worden naar alternatieve oplossingen. Voor dergelijke woningen kan bijvoorbeeld een gemeenschappelijke geluidluwe buitenruimte gerealiseerd worden. Pas als alternatieve oplossingen niet mogelijk zijn kan tot afwijking van het ontheffingsbeleid worden verzocht. Voor deze woningen wordt voorzien in een gemeenschappelijke geluidluwe buitenruimte.
De gevel van het historisch bouwdeel, wat tussen de beide woontorens is gelegen, is aangemerkt als ‘beeldbepalend’. Dit betekent dat in het gevelontwerp zoveel mogelijk aansluiting gezocht moet worden bij de historische situatie. De woningen in dit deel hebben geen buitenruimte en zijn eenzijdig georiënteerd, waardoor er ook geen geluidluwe zijde is. De hier gesitueerde woningen krijgen een geluidluwe spuivoorziening door middel van een kleine erker met daarachter een spuivoorziening. Op deze wijze kan geluidluw worden gespuid. Voor de woningen in de plint van de hoogste woontoren geldt dat deze een loggia als buitenruimte verkrijgen. De loggia kan worden afgesloten, om zo daarachter een geluidluwe gevel te krijgen. De loggia’s hebben een verhoogde borstwering en geluidabsorberend plafond, om zo in gesloten toestand een geluidluwe buitenruimte te creëren. Voor deze loggia's geldt dat in gesloten toestand sprake zal zijn van buitenluchtcondities. Tot slot wordt opgemerkt dat indien het niet mogelijk blijkt te zijn om aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid te voldoen, en het niet mogelijk is om alternatieve oplossingen te- treffen, het gemeentelijk geluidbeleid tevens mogelijkheden biedt om hier gemotiveerd van af te wijken.
In voorliggende situatie worden echter maatregelen getroffen, en zal daarnaast nog worden voorzien in alternatieve oplossingen in de vorm van gemeenschappelijke buitenruimten. Ten behoeve van de te realiseren woningen (maximaal 500) worden hogere waarden aangevraagd. Voor alle woningen wordt uitgegaan van een maximale geluidbelasting van 61 dB vanwege zowel de Maasboulevard als Haringvliet (zuidelijke kade) en een maximale geluidbelasting van 60 dB vanwege de Oostmolenwerf. Voorgaande in het (ontwerp)besluit hogere waarden vastgelegd. In de planregels is geborgd dat de beoogde ontwikkeling aan het (ontwerp)besluit hogere waarden moet voldoen.
52
6.5.3
Conclusie
In dit geval is een besluit hogere waarden nodig vanwege wegverkeerslawaai afkomstig van verschillende wegen en railverkeerslawaai. In de planregels is geborgd dat de beoogde ontwikkeling aan dit besluit wordt dient te voldoen. Bij de verdere uitwerking van het plan zal hier dan ook voor worden zorggedragen.
6.6
Luchtkwaliteit
6.6.1
Algemeen
Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.
Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.
De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld. Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan.
53
6.6.2
Plangebied
In het bestemmingsplan worden er nieuwe gevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Toetsing van het plan aan het Besluit gevoelige bestemmingen is derhalve aan de orde. Ten behoeve van het bestemmingsplan is nagegaan of de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt wel of niet in betekenende mate bijdragen aan een toename van de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. De ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt betreffen woningen en daarbij behorende voorzieningen. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate (3% van de grenswaarde, oftewel 1,2 microgram per m3) bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen zijn categorieën van gevallen aangewezen waarvan bekend is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Dit is onder andere het geval bij ontwikkelingen met niet meer dan 3.000 woningen en tenminste twee ontsluitingswegen. De ontwikkelingen in het bestemmingsplan Havenziekenhuis e.o. blijven hier ruim onder.
Volledigheidshalve is op basis van de te verwachten verkeersaantrekkende werking van het plan (zie ook paragraaf 6.4) de NIBM-tool ingevuld en daaruit volgt dat de ontwikkeling in niet betekende mate bijdraagt aan de heersende achtegrondconcentraties, zodat duidelijk is dat dit bestemmingsplan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Tabel 6.2. NIBM-tool
Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het projectgebied. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m3 voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m3 voor fijnstof PM10 en 25 µg/m3 voor fijnstof PM2,5. Onderstaande tabel toont de grootschalige achtergrondconcentraties ter plaatse van het dichtstbijzijnde rekenpunt nabij het projectgebied (geraadpleegd via NSL Monitoringstool op 24 maart 2022). De maximale bijdrage van het extra verkeer is niet van zodanige omvang dat de concentraties van zowel fijnstof als stikstofdioxide de grenswaarden overschrijden. Tabel 6.3. Totale concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied Jaar GCN-achtergrondconcentra tie locatie ID 15966179
54
NO2 PM10 PM2,5 (µg/m3) (µg/m3) (µg/m3)
6.6.3
2020 25.4
18.8
10.4
2030 18.9
16.8
8.9
Gren 40 swaa rden
40
25
Conclusie
Het bestemmingsplan Havenziekenhuis e.o. zorgt niet voor een toename van de concentratie van schadelijke stoffen in de buitenlucht. Er wordt derhalve voldaan aan de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. Aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot luchtkwaliteit wordt eveneens voldaan. Luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan Havenziekenhuis e.o..
6.7
Bodem
6.7.1
Algemeen
De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. 6.7.2
Plangebied
Ten behoeve van de voorgenomen herontwikkeling is in 2019 een bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 5. Het plangebied is ten behoeve van het bodemonderzoek opgedeeld in een tweetal deellocaties: Deellocatie 1: De Havenpolikliniek en Achterharingvliet (westelijk onderzoeksgebied) Deellocatie 2: De Oostmolenwerf (oostelijk onderzoeksgebied) De resultaten luiden als volgt: Deellocatie 1 In de grond zijn zintuiglijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen, kolengruis, metselpuin en teer) waargenomen. De bovengrond is plaatselijk licht tot matig verontreinigd met zware metalen, PAK, PCB en minerale olie. De ondergrond is plaatselijk matig tot sterk verontreinigd met zware metalen. De overige ondergrond is licht verontreinigd met zware metalen, PAK, molybdeen en PAK. Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met barium, molybdeen, naftaleen, minerale olie en nikkel. Deellocatie 2 In de grond zijn zintuiglijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen en beton)
55
waargenomen. De bovengrond is licht verontreinigd met zware metalen en PCB. De ondergrond is licht verontreinig met zware metalen en PAK. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. De resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd in het rapport van Terra Milieu met kenmerk 17-528 (d.d. 12-12-2017). De aangetoonde verontreiniging met zware metalen ter plaatse van de ondergrondse tank (deellocatie 1) is hiermee bevestigultaten uit het nader onderzoek uitgevoerd door Terra Milieu met kenmerk 17-528, d.d. 12-12-2017. De verontreiniging met zware metalen in de grond is aangetoond op een diepte van circa 1 tot 2 m-mv. Vermoedelijk is de verontreiniging in de grond te relateren aan het bodemvreemde materiaal (o.a. kolengruis). De totale omvang van de verontreiniging is op basis van de resultaten uit onderhavig onderzoek vergroot ten opzichte van het voorgaande onderzoek. Deze wordt geschat op ca. 95 m3 met een gemiddelde diepte van 0,5 m. Het inpandige deel is niet onderzocht en het is onbekend hoe de sterke verontreiniging zich verhoudt met het inpandige deel. Voorgesteld wordt om in te stemmen met de aanbeveling uit het nader onderzoek van Terra Milieu om de bestaande dan wel bekende verontreiniging met zware metalen nabij de ondergrondse tank te verwijderen wanneer op locatie reconstructie-/graafwerkzaamheden zijn gepland.
Ten behoeve van deze werkzaamheden zal een BUS-melding moeten worden opgesteld. De omvang van de olieverontreiniging wordt nader bepaald en verwijderd. Het geval van ernstige bodemverontreiniging met zware metalen dient te worden gesaneerd bij de beoogde herontwikkeling. Hiervoor dient een BUS-melding of saneringsplan te worden opgesteld. Voor het overige terrein zijn analytisch zijn enkele interventiewaarden met lood in de ondergrond aangetoond op een diepte van circa 1 tot 2 m-mv dan wel tussenwaarde met lood in de bovengrond aangetoond. Dit duidt op een sterk heterogeen diffuus verspreid voorkomen. Mogelijk zijn de verhogingen te realteren aan het bodemvreemde materiaal dan wel de stedelijke ophooglaag. Door sterk heterogeen diffuus verspreid voorkomen wordt voorgesteld eventuele aanvullende onderzoeksinspanningen af te stemmen op de definitieve inrichtingsplannen. In combinatie met de verkregen onderzoeksresultaten is in afdoende mate beeld verkregen van de verontreinigingssituatie ter plaatse van deellocatie 1. Op basis van definitieve inrichtingsplannen wordt het nut/noodzaak tot aanvullende onderzoekswerkzaamheden met het bevoegd gezag afgestemd. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat ook is nagegeaan of ter plaatse van het plangebied in de bodem sprake is van gesprongen explosieven.
De gemeente Rotterdam heeft aangegeven dat de locatie onverdacht is verklaard ten aanzien van niet gesprongen explosieven op basis van de bij hen bekende info, zie ook bijlage 6. Dit vraagt dan ook niet om nadere aandacht. 6.7.3
Conclusie
Met de uitgevoerde onderzoeken is de bodemkwaliteit in grotendeels in voldoende mate vastgelegd. De omvang van de olieverontreiniging zal nader moeten worden bepaald en moeten worden verwijderd. Het geval van ernstige bodemverontreiniging met zware metalen dient te worden gesaneerd bij de beoogde herontwikkeling. Hiervoor dient een BUS-melding of saneringsplan te worden opgesteld. Aan voorgaande zal invulling worden gegeven, zodat het aspect bodem de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat.
6.8
Archeologie en cultuurhistorie
6.8.1
Algemeen
Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke
56
archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureau-onderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen. 6.8.2
Plangebied
Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. Op de Archeologische Waardenen Beleidskaart Rotterdam (AWK 2005) wordt aan de locatie een zeer hoge archeologische verwachting toegekend. Conform het bestemmingsplan "Haringvliet" geldt ter plaatse van het plangebied een de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie – 1' en 'Waarde – Archeologie – 2'. Dit betekent dat het verboden is zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren. Dit geldt voor bodemingrepen die dieper reiken dan respectievelijk 0 meter en een oppervlakte groter dan 200 m2 dan wel dieper dan 1,5 meter maaiveld (ongeacht de oppervlakte van de bodemingreep). Met de beoogde ontwikkeling worden voornoemde drempelwaarden overschreden. Op dit moment is de exacte omvang van de bodemverstorende werkzaamheden onbekend. Het BOOR zal in het kader van de omgevingsvergunning en op basis van een uitgewerkt funderingsplan toetsen of een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. De op de gronden van toepassing zijnde dubbelbestemming blijft derhalve in dit bestemmingsplan van toepassing.
In de Cultuurhistorische Verkenning & Waardenstelling Waterstad-oost Rotterdam (november 2016) is de historie en ruimtelijke ontwikkeling van het gebied geheel beschreven, naast ook een beschrijving en waardering van de cultuurhistorische structuren en bebouwing voor het gehele gebied van het Haringvliet e.o (Waterstad-oost) en per deelgebied. Het plangebied bevindt zich binnen het deelgebied 'Haringvliet zuid'. Haringvliet Zuidzijde (bron: bestemmingsplan Haringvliet)
57
Onderstaande cultuurhistorische aspecten kunnen als waardevol en behoudenswaardig worden beschouwd: 1600 - 1850 1. De hoogtes en het profiel van het Haringvliet, omdat deze nog altijd (nagenoeg) hetzelfde profiel heeft als het pre-industriële Haringvliet. 2. Het ensemble van vooroorlogse panden aan Haringvliet en Oudehoofdplein, als de enige rij binnen- stadspanden uit de pre-industriële periode (16de –19de eeuw) die in Rotterdam bewaard zijn gebleven en oorspronkelijk zijn. 3. Het historische dakenlandschap van de rij pre-industriële panden, voor zover niet verwijderd en afgeplat. 4. Het silhouet en de plastiek van de achtergevels van de vooroorlogse panden aan het Haringvliet als uitdrukking van op Nederlandse schaal zeldzame, op recreatie en uitzicht ontworpen pre-industriële stadsarchitectuur. 5. De achtergevelrooilijnen van de historische panden en de achtergevelrooilijn (rooilijn aan de Maasboulevard-zijde) van alle panden die er op aan sluiten, als uitdrukking van de lijn waar voor de aanleg van de Oosterkade de Maas heeft gestroomd. 6. De brughoofdpleinen op de koppen van het Haringvliet, hoewel gewijzigd en in het oosten zelfs verschoven, als voorbeelden van de aan de bruggen en water gekoppelde verbijzonderde openbare ruimten in de Waterstad. 7.
De koppeling van het water van het Haringvliet met het Boerengat, als uitdrukking van de historisch-functionele verbinding van deze wateren en de grote rol die de Admiraliteit en Marine hier voor meer dan drie eeuwen in beide wateren gespeeld hebben. 8. Het doorzicht over het Haringvliet naar het Witte Huis, als uitdrukking van het ruimtelijk systeem dat de havens tezamen vormden. 9. De aanwezigheid van bomenrijen langs de kade, als een openbaar inrichtingselement dat enigszins aansluit bij het historische profiel van voor de oorlog, en zelfs het historische profiel van de 17de t/m begin 20ste eeuw. 1850 - 1940 10. De achtertuinen en - erven achter de panden van het Haringvliet, als uitdrukking van de compensatie die de gemeente in 1859 aan de bewoners van deze panden gaf voor het aantasten van hun uitzicht over de rivier met de aanleg van de Oosterkade en het Maasstation. Deze tuinen zijn tevens de enige (afgeleide) reminiscentie aan het verdwenen Maasstation. 11. Het Oudehoofdplein als laatste restant van een kadeplein waarvan de maatvoering (dit inclusief de maatvoering van de toerit van Maasboulevard naar Spanjaardbrug) nog herinnert aan de Oudehoofdpoort die hier gestaan heeft. 12. De Spanjaardsbrug, als enige restant van de bruggen van G.J. de Jongh en de enige vooroorlogse brug in dit gebied. 13.
Het ensemble van het Havenziekenhuis, als uitdrukking van het medische complex dat hier voor de oorlog zich heeft ontwikkeld, samen met het Ooglijders ziekenhuis. 1940 - 1965 14. De in het water uitgebouwde kades aan de oost- en westkant van het Haringvliet zuidzijde als laatste restanten van de binnenhaven- en bedrijventerreinfunctie die dit gebied van 1940 tot 1985 had. 15. De aanplempingen van de Boerengatkade ten noorden en ten zuiden van de Oostbrug, als locaties voor woningbouw zoals deze waren ingepland in het Basisplan. 1965 – 1985 16. Geen cultuurhistorische waarden. 1985 – 2015 17. Geen cultuurhistorische waarden. De hoogtes en het profiel van het Haringvliet blijven met de beoogde ontwikkeling in basis behouden. Dit geldt ook zoveel mogelijk voor de rooillijnen. Alleen bouwhoogte en wijze van materialisering veranderd. Dit wordt echter op zodanige manier gedaan dat het ensemble van het Havenziekenhuis blijft behouden. opgemerkt wordt dat in de cultuurhistorische verkenning het Haringvliet 2-10 als beeldbepalend is aangewezen. Op basis van gewijzigde inzichten gaat het echter niet om het gehele gebouw, maar
58
alleen om het oudste deel van het Havenziekenhuis, zie ook onderstaande figuur.
Het beeldbepalende object heeft, in tegenstelling tot de monumenten, geen juridische status op grond van de Monumentenwet 1988 en de Monumentenverordening Rotterdam 2010. Om te borgen dat dit ook in de toekomst dit deel van de bebouwing gehandhaafd blijft wordt dit deel voorzien van een dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'.
6.8.3
Conclusie
Met het opnemen van een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Cultuurhistorie' zijn de gronden mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische- en cultuurhistorische waarden.
6.9
Externe veiligheid
6.9.1
Algemeen
Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden
59
veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd. Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie heeft in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers.
Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag. Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). 6.9.2
Plangebied
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van kwetsbare objecten conform wetgeving op het gebied van externe veiligheid. In het kader van de externe veiligheid zijn nabij de beoogde ontwikkeling een aantal risicobronnen gesitueerd. Op nog grotere afstand van het plangebied bevinden zich geen verdere risicobronnen waarvan het plangebied binnen diens invloedsgebied is gelegen. Sprake is van de volgende mogelijk relevante risicobronnen (zie figuur 6.2): 1. 2. 3. 4.
Transport van gevaarlijke stoffen over de waterweg de Nieuwe Maas; Transport van gevaarlijke stoffen over het nabijgelegen spoortraject; Een benzineservicestation aan de Maaskade 33; Ammoniakinstallatie aan de Nassaukade 3.
60
Figuur 6.2 Uitsnede risicokaart (Bron: QRA, zie bijlage 7)
Transport van gevaarlijke stoffen over de Nieuwe Maas Ten zuiden van de beoogde ontwikkeling is de waterweg de Nieuwe Maas gelegen. De beoogde bebouwing is op circa 90 meter van de Nieuwe Maas gelegen. Deze waterweg valt onder de werkingssfeer van het Basisnet en wordt benoemd in bijlage II van de Regeling Basisnet. Deze waterweg behoort tot de binnenvaartroute ‘Corridor Rotterdam – Duitsland’. Conform het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de bijbehorende Regeling Basisnet kan het zijn dat beperkingen worden gesteld aan ruimtelijke ontwikkelingen binnen een zone van 200 meter aan weerszijden van een transportroute. De Nieuwe Maas bevindt zich op minder dan 200 meter afstand van de beoogde ontwikkeling, hetgeen betekent dat de externe veiligheidsrisico’s nader inzichtelijk gemaakt te worden middels een kwantitatieve risicoanalyse (QRA). Voor de ontwikkeling is dan ook een QRA uitgevoerd, zie bijlage 7. Daaruit volgt dat de beoogde ontwikkeling niet gelegen is binnen een plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar, aangezien voor de Nieuwe Maas geen sprake is van een risicocontour van 10-6 per jaar die verder reikt dan de oever. Aan deze grenswaarde wordt aldus voldaan. Uit de berekening van het groepsrisico volgt dat sprake is van een lichte toename van het groepsrisico.
De oriëntatiewaarde wordt echter niet overschreden en het groepsrisico is lager dan 10% van de oriëntatiewaarde. Een verantwoording van het groepsrisico is daarom conform artikel 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) niet aan de orde. Ondanks dat een verantwoording conform artikel 8 van het Bevt niet aan de orde is, dient conform artikel 7 Bevt, onafhankelijk van de hoogte van het groepsrisico voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van transport van gevaarlijke stoffen, aandacht besteed te worden aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien een ramp zich voordoet. Vanuit het gemeentelijk beleid inzake externe veiligheid gelden geen aanvullende eisen met betrekking tot de verantwoording van het groepsrisico, aangezien het groepsrisico lager ligt dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Transport over het spoortraject Rotterdam - Lombardijken - Rotterdam CS Ten westen van de beoogde ontwikkeling is het spoortraject ‘Rotterdam Lombardijen – Rotterdam CS’ gelegen. Dit spoortraject valt eveneens onder de werkingssfeer van het Basisnet en wordt benoemd in bijlage II van de Regeling Basisnet.
Deze spoorweg bevindt zich echter op circa 300 meter afstand van de beoogde ontwikkeling, hetgeen betekent dat de externe veiligheidsrisico’s niet kwantitief nader inzichtelijk gemaakt hoeven te worden; dit moet alleen wanneer de ontwikkeling zich binnen 200 meter van het spoor bevindt. Wel bevindt de beoogde ontwikkeling zich binnen het invloedsgebied (maximaal > 4.000 meter) van deze spoorweg, aangezien hierover giftige vloeistoffen en brandbare en toxische
61
gassen worden getransporteerd. Dit betekent dat in principe wel een kwalitatieve afweging moet worden gemaakt waarom de ontwikkeling op deze locatie kan worden toegestaan. Aangezien het spoortraject ter hoogte van het plangebied echter ondergronds is gelegen, vraagt dit in dit geval niet om een nadere beschouwing. Benzineservicestation Op circa 375 meter afstand bevindt zich aan de Maaskade 33 een benzineservicestation van Exploitatiemaatschappij Bunker-Rama BV. Er is geen sprake van een risicovolle inrichting in het kader van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. (Bevi) Dit station is daarnaast op een ruime afstand gelegen en vormt aldus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ammoniakkoelinstallatie Aan de Nassaukade, op circa 670 meter afstand van het plangebied, is sprake van een ammoniakkoelinstallatie. Dit betreft een installatie van Unilever BCS Sourcing Nederland B.V. Er is hierbij sprake een risicovolle inrichting in het kader van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) waarbij het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de machinekamer binnen de inrichting is gelegen. Daarnaast is deze installatie op een ruime afstand gelegen en vormt daarmee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Verantwoording In voorliggende situatie wordt de oriëntatiewaarde niet overschreden en ligt het groepsrisico lager dan 10% van de oriëntatiewaarde. Hiermee is conform wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid geen uitgebreide verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Wel dienen de mogelijkheden tot voorbereiding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van personen die zich bevinden binnen het invloedsgebied beschouwd te worden. In de voorliggende situatie is het maatgevende ongevalsscenario de 'toxische wolk'. De mogelijke maatregelen ten einde de zelfredzaamheid en de beheersbaarheid te bevorderen zullen zich dan ook voornamelijk op dit scenario moeten richten. Wat betreft de toxische wolk zijn eenvoudige maatregelen mogelijk, zoals centraal en eenvoudig uitschakelbare en afsluitbare ventilatievoorzieningen en luchtbehandelingsinstallaties (hetgeen met de komst van de Omgevingswet ook verplicht wordt gesteld). De aanwezige personen betreffen naar verwachting hoofdzakelijk volwassenen. Er wordt aangenomen dat geen of in zeer beperkte mate personen met een lichamelijke of geestelijke beperking binnen het plangebied aanwezig zullen zijn. Zodoende zal geen sprake zijn van een hoge concentratie van “verminderd zelfredzame” personen.
Er worden weliswaar ter plaatse van het plangebied zorgfuncties mogelijk gemaakt, maar hier zullen naar alle verwachting geen beperkt zelfredzame personen voor langere tijd verblijven. Dit betekent dat de personen die aanwezig zijn zelfstandig kunnen vluchten ten tijde van een ongeval met gevaarlijke stoffen in de nabijheid van het plangebied. In het ontwerp zal rekening gehouden worden met vluchtwegen en ontsnappingsmogelijkheden voor aanwezige personen. De toekomstige bevolking dient goed geïnformeerd te worden over hoe te handelen bij een calamiteit. Hiertoe zal een adequaat ontruimings- en alarmeringsplan opgesteld moeten worden.Dit zal waarschijnlijk als voorwaarde in de omgevingsvergunning worden opgenomen. Het is immers raadzaam om te voorzien in duidelijke instructies en communicatie ten tijden van een mogelijke ramp. Indien nodig zal tevens een calamiteitenplan opgesteld worden. De VRR heeft aangegeven dat er geen relevante fysieke veiligheidsaspecten zijn geconstateerd. Wel adviseert de VRR bij de ontwikkeling zorg te dragen voor toereikende bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen, zodat de hulpdienten bij een incident adequaat kunnen optreden. De regionaal vastgestelde 'Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR' biedt de mogelijkheden om daar invulling aan te geven. Met voorgaand advies zal rekening worden gehouden.
62
6.9.3
Conclusie
Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een transportroute met gevaarlijke stoffen, namelijk de Nieuwe Maas. Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling is middels onderzoek aangetoond dat geen sprake is van een PR en het GR onder de oriëntatiewaarde blijft. Uit de verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Hiermee wordt voldaan aan de van toepassing zijnde regels en beleidskaders. Het aspect externe veiligheid levert daarmee geen belemmering op voor de beoogde ontwikkeling.
6.10
Natuur
6.10.1 Algemeen Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen: het behouden en ontwikkelen van natuur; het behouden en herstellen van de biodiversiteit; het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten; het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van de Habitatrichtlijn (HR). Deze gebieden zijn aangewezen als Natura-2000 gebied omdat er bijzondere habitattypen en/of bijzondere plant- en diersoorten aanwezig zijn. Laatstgenoemde kunnen van stikstofgevoelige habitattypen afhankelijk zijn. Vanaf 1 juli 2015 is gewerkt met de PAS: de Programmatische Aanpak Stikstof. De PAS is het beleid waarmee Nederland het hoofd bood aan de problematiek rond stikstof en natuur.
In de PAS zijn alle Natura 2000-gebieden opgenomen waarbinnen ten minste één stikstofgevoelig habitattype voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Dit is het geval voor 117 van de ruim 160 Natura 2000-gebieden. Met een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen (ECLI:NL:RVS:2019:1603). De uitspraak heeft een aantal belangrijke gevolgen voor toekomstige en bestaande ontwikkelingen. Zo zijn de eerder geldende drempelwaarden komen te vervallen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze toename van stikstofdepositie kan het gevolg zijn van de realisatiefase (bouwwerkzaamheden) en de gebruiksfase (het gebruiken van het plan). Op het moment dat een ontwikkeling leidt tot een toename van stikstofdepositie vraagt dit om nadere aandacht. Wanneer sprake is van een bijdrage zal worst case een passende beoordeling gemaakt moeten worden. In geval van een bestemmingsplanprocedure leidt dit tot een planMER-plicht. Soortenbescherming Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden.
Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst.
63
Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Rotterdams beleid Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied maakt geen deel uit van een kerngebieden of van een (potentiële) binnenstedelijke ecologische verbindingen. 6.10.2 Plangebied Het bestemmingsplangebied is vrijwel helemaal bestraat en geasfalteerd. Het aanwezige groen bestaat vooral uit gras langs de wegen en de aanwezigheid van enkele bomen. Daarnaast is reeds bebouwing aanwezig welke is voorzien van platte daken. Gebiedsbescherming De Wet natuurbescherming is één van de belangrijkste kaders voor gebiedsbescherming van natuurwaarden. Deze wet regelt de bescherming van gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangewezen.
Wanneer in of in de nabijheid van een dergelijk gebied een activiteit plaatsvindt die leidt tot nadelige effecten op de natuurdoelstellingen van het gebied, dan dient hiervoor een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast bestaan gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); deze gebieden worden beschermd via het ruimtelijk ordeningsrecht (Barro en/of provinciale structuurvisies en bestemmingsplannen). Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is Oude Maas, op circa 9 kilometer afstand tot het plangebied. Op circa 10 kilometer is Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk gelegen. De in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben op voorhand geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied. Hiervoor is de afstand tussen het bestemmingsplangebied en het Natura 2000-gebied te groot. Volledigheidshalve is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd voor zowel de aanleg als de gebruiksfase, zie bijlage 13. Daaruit volgt dat geen sprake is van een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de daarvoor gevoelige gebieden, zodat dit aspect niet om nadere aandacht vraagt. De Nieuwe Maas, gelegen ten zuiden van het plangebied behoort tot het Natuurnetwerk Nederland en is gelegen op een afstand van circa 100 meter. Gezien deze afstand heeft de ontwikkeling geen effect op dit gebied.
Soortbescherming Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Bij de voor het bestemmingsplan uitgevoerde Flora- en Faunatoets is nagegaan door welke beschermde soorten het plangebied wordt gebruikt danwel geschikt is. Uit de uitgevoerde quick scan flora en fauna (zie bijlage 10) volgt dat behalve vleermuizen geen beschermde dier- en plantsoorten ter plaatse van het plangebied aanwezig zijn, zie ook tabel 6.1. Wel is het mogelijk dat met de plannen vaste rusten verblijfplaatsen worden aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde vleermuizen.
64
6.4. Overzicht onderzochte soortgroepen en onderzoeksresultaten in het plangebied (Bron, quick scan flora en fauna, zie ook bijlage 10)
Vanwege de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen is een nader onderzoek hiernaar uitgevoerd,zie bjilage 11. Daaruit blijkt dat in de Havenpolikliniek is 1 zomerverblijf is aangetroffen. Door voortschrijdend inzicht is de ecoloog tot de conclusie gekomen dat ten onrechte een aantal waarnemingen niet zijn bestempeld als een aanwezige verblijfplaats. Vanuit een worst case benadering wordt er daarom van uitgegaan dat naast de vastgestelde zomerverblijfplaats nog drie paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis aanwezig zijn in het plangebied. Op 4 augustus 2020 zijn door een deskundig ecoloog van IDDS daarom twaalf vleermuiskasten van het type Almovodar opgehangen. Daarnaast is vanwege de beoogde werkzaamheden op 23 december 2020 een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd. De verblijfplaatsen van vleermuizen zijn goed te mitigeren (en deze maatregelen reeds zijn getroffen). De ontheffing is op 15 maart 3022 verleend (zie ook bijlage 12). Bij de planrealisatie zal rekening houden met de in de ontheffing opgenomen voorwaarden en daarmee levert het aspect natuur geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling. 6.10.3 Conclusie Gezien het bovenstaande is de conclusie dat het bestemmingsplan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van de Wet natuurbescherming.
6.11
Bezonning
6.11.1 Algemeen Voor de beoordeling van bezonning van woningen gelden geen landelijke normen. Om een indruk te krijgen van de bezonningssituatie wordt in de praktijk voor een bestemmingsplanprocedure vaak gebruik gemaakt van de 'lichte TNO- norm'. Een gebouw voldoet aan deze norm wanneer er gedurende twee uren per etmaal bezonning mogelijk is in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. In paragraaf 3.3.9 is de hoogbouwvisie van de gemeente uiteengezet. Binnen de gemeente Rotterdam is gekozen voor een specifieke aanpak, beschreven in de Hoogouwvisie 2019, waarbij de nadruk niet ligt op de omringende bebouwing, maar juist op de openbare ruimte rond het plan. In de gebieden en plekken die zijn aangewezen, de zogenaamde sunspots, mag géén verslechtering plaatsvinden binnen de aangewezen tijden van het gebruik. Daarnaast zijn er plekken die een specifieke dan wel representatieve kwaliteit hebben voor de stad en waar zon belangrijk is. Hier mag de schaduw maximaal toenemen met 1 uur binnen de aangegeven tijden. De overige gebieden, met straten en bestaande gebouwen met woningen en winkels, die buiten de aangewezen plekken vallen mogen maximaal 2 uur extra schaduw hebben t.o.v. de huidige situatie. De genoemde tijden gelden binnen de maatgevende periode (21 maart tot 21 september) en gelden vanaf de Rotterdamse laag (onderbouw).