CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb004793] Bijlage 1 behorende bij 24bb004792 over toelichting Havenziekenhuis eo

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 28 augustus 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen30.780 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De grootste uitdaging is om de functies van wonen, werken, uitgaan en het bezoeken van festiviteiten in redelijke harmonie naast elkaar te laten bestaan. Uit het wijkprofiel blijkt dat Stadsdriehoek op de meeste onderdelen gemiddeld en bovengemiddeld scoort. Het gaat dan bijvoorbeeld om onderdelen als capaciteiten van bewoners, de woontevredenheid en voorzieningen. De scores zijn lager op de onderdelen diefstal en overlast. Deze zijn verklaarbaar door de regionale winkel- en uitgaansfunctie van de wijk. Strategieën waar op wordt ingezet zijn: aantrekkelijker verblijfsklimaat, inzet op gastvrijheid, inzet op levendigheid, betere fysieke inrichting, Met de beoogde ontwikkeling waarbij zowel woningen als diverse functies worden toegevoegd wordt een bijdrage geleverd aan het verblijfsklimaat, levendigheid en fysieke inrichting van het plangebied. Daarbij wordt aandacht besteed aan de buitenruimte voor de toekomstige bewoners. Bij het ontwerp van het plan zal aandacht zijn voor de verlichting, zodat er geen donkere plekken ontstaan wat het woonklimaat en de veiligheid ten goede komt. Een dergelijke ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten van het gebiedsplan.

28

3.3.7

Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022

Vastgesteld op 16 december 2022 door de Rotterdamse Gemeenteraad De beleidsregeling 'Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022' is het instrument om het aantal auto- en fietsparkeerplaatsen te bepalen bij nieuwe bouwontwikkelingen en transformaties. De regeling waarborgt dat initiatiefnemers voldoende parkeercapaciteit realiseren voor auto en fiets bij ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Tot 16 december 2021 waren de auto- en fietsparkeernormen vastgelegd in de beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018. Deze is komen te vervallen met de inwerkingtreding van de nieuwe beleidsregeling. Relatie met het plangebied Binnen het plangebied wordt voorzien in parkeergelegenheid op eigen terrein ten behoeve van de bewoners en bezoekers van de woonfunctie alsmede van de commerciële voorzieningen. Met de beoogde invulling kan aan het van toepassing zijnde parkeerbeleid worden voldaan. In paragraaf 6.4 wordt nader ingegaan op het aspect parkeren. Het plan voldoet aan de beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022. In de planregels bij dit bestemmingsplan is een dynamische regeling opgenomen, waarmee wordt geborgd dat bouwaanvragen moeten voldoen aan het op dat moment geldende parkeerbeleid. 3.3.8

Horecagebiedsplan Centrum 2022-2024

In het gebiedsplan voor het centrum staat beschreven wat voor horeca zich daar kan vestigen. Het horecagebiedsplan is zowel een visie- als uitvoeringsdocument. Dat wil zeggen dat enerzijds op basis van de aard en het karakter van het gebied het perspectief voor de ontwikkeling van horeca in de komende jaren wordt geschetst. De ruimtelijke ontwikkeling, de economische stand van zaken c.q. het vestigingsklimaat en de veiligheidssituatie worden hierin meegenomen. Anderzijds wordt ook aangegeven hoe die ontwikkeling concreet vormgegeven en uitgevoerd kan worden. In de beschrijvingen per gebied wordt nader ingegaan op de ontwikkelruimte die wordt geboden voor ondernemers. Op basis van de ontwikkelingen die worden gezien of worden beoogd is opgenomen wat de gemeente toestaat aan horeca-activiteiten. Relatie met het plan De ontwikkeling is gelegen in de wijk 'Stadsdriehoek'. Dit is een wijk met verschillende karakters. Het streven naar een aantrekkelijker verblijfsklimaat moet resulteren in het aantrekken van meer bewoners, bezoekers en werkenden. Dit gebeurt onder meer door in te zetten op de levendigheid en gastvrijheid van het gebied. De programmering is daarbij essentieel. Omdat de Stadsdriehoek een groot gebied bestrijkt met een sterk wisselende uitstraling is ervoor gekozen om de diverse gebieden/straten apart te beschreven.

Straten die niet zijn beschreven worden gezien als woonstraten. Voor het gebied Haringvliet is aangegeven dat dit gebied slechts een minimale ontwikkelmogelijkheid kent gelet op de reeds aanwezige hoeveelheid horeca en de druk op het woon- en leefklimaat. De gewenste ontwikkelingsrichting is als volgt: Bestaande en nieuwe inrichtingen: consolideren. uitgezonderd het Havenziekenhuis waar ontwikkelingen tot en met categorie 1 zijn toegestaan. Vrijgesteld van vergunningplicht: toegestaan Consolideren betekent dat geen nieuwe horeca inrichtingen zijn toegestaan. Ook is een verzwaring van activiteiten en/of categorieën niet mogelijk en kan het vloeroppervlakte en terras van bestaande inrichtingen in principe niet toenemen. Dit tenzij het een gering aantal m2 inpandig betreft of eisen worden gesteld in landelijke wetgeving waardoor ondernemers gedwongen worden aanpassingen in het pand aan te brengen. Inmiddels zijn de inzichten voor het Haringvliet gewijzigd en is de locatie in de Hoogebouwvisie 2019 aangewezen als hoogbouwzone. Dit is dan ook de reden dat voor de herontwikkeling van het Havenziekenhuis, waar voorliggend bestemmingsplan betrekking op heeft, horeca gewenst is. Aldaar is horeca tot en met categorie 1 toegestaan:

29

In de regels van voorliggend bestemmingsplan wordt gewerkt met de categorisering conform de Staat van horeca-activiteiten (bijlage bij de regels). Middels voorliggend bestemmingsplan wordt maximaal categorie 1 conform de Staat van horeca-activiteiten toegestaan. Dit zijn hoofdzakelijk activiteiten die betrekking hebben de verstrekking van dranken al dan niet in combinatie met het verstrekken van etenswaren en maaltijden. Nachthoreca (categorie 2) en zware horeca (categorie 3 conform de Staat van horeca-activiteiten), welke voor een goed functioneren ook 's nachts geopend is, wordt niet toegestaan. Een discotheek, bar-dancing en partycentrum zijn daarmee onder meer uitgesloten. De beoogde ontwikkeling is daarmee in lijn met het Horecagebiedsplan 2022-2024. Hetgeen dat maximaal wordt toegestaan is daarmee vergelijkbaar met de in het horecagebiedsplan gedefinieerde vorm van 'reguliere horeca' als het gaat om cafés, restaurants en bars, etc. Aangezien dit type horeca wordt toegestaan wordt met het bestemmingsplan aangesloten bij hetgeen met het horecagebiedsplan is beoogd. 3.3.9

Hoogbouwvisie 2019

Op 16 oktober 2019 is de Hoogbouwvisie 2019 vastgesteld. In de hoogbouwvisie is aangegeven waar, hoe en waarom hoogbouw in Rotterdam wenselijk is. De visie is een middel om tot kwalitatief goede hoogbouw te komen en schetst de ambities die de stad heeft op het gebied van het realiseren van hoogbouw die bijdraagt aan een aantrekkelijke stad. Deze hoogbouwvisie is een tweede update van de visie uit 2000, een eerste update vond plaats in 2011. De hoogbouwvisie kent drie schaalniveaus: de stad, de straat en het gebouw. Op elk van de niveaus zijn er onderwerpen die relevant zijn voor hoogbouw. In de visie zijn op het niveau van de stad hoogbouwzones aangegeven. De grens van de hoogbouwzone voor de binnenstad blijft en wordt uitgebreid met Pompenburg en de omgeving Rijnhaven. Daarnaast worden nog drie gebieden toegevoegd waar ook hoogbouw mogelijk wordt gemaakt. Het gaat hier om Feyenoord City, Hart van Zuid en Alexanderknoop. De minimale grens van de definitie hoogbouw is 70 meter. Deze grens is opgesteld in lijn met het Bouwbesluit. Dit betekent dat toetsing aan de hoogbouwvisie noodzakelijk is voor gebouwen die op grond van het Bouwbesluit als hoogbouw worden aangemerkt. Daarvan is sprake zodra de hoogste verdiepingsvloer boven de 70 meter is gelegen.

Vanaf die hoogte gelden op grond van het Bouwbesluit andere normen met betrekking tot brandveiligheid, zoals ook beschreven in de Hoogbouwvisie. Indien sprake is van hoogbouw is toetsing aan de hoogbouwvisie aan de orde. Aspecten als windhinder, bezonning, woonklimaat, bereikbaarheid, parkeren en inpassing in het bestaande stedelijk weefsel

30

(bebouwing en openbare ruimte) zullen daarbij in de besluitvorming moeten worden afgewogen. Gebouwen die niet als hoogbouw worden aangemerkt, behoeven niet aan de Hoogbouwvisie getoetst te worden. Relatie met het plan Het plangebied is gelegen in de hoogbouwzone. Dit betekent dat hoogbouw daar wenselijk is. De locatie is aangewezen als comfortzone. Dit betekent dat wind en schaduw om aandacht vragen. Concreet zijn de volgende randvoorwaarden in de hoogbouwvisie opgenomen: Per gebied moet er vooraf een quickscan worden gemaakt op een aantal aspecten. Hierdoor is het mogelijk snel een uitspraak te doen over de mate waarin de ondergrond kansen biedt voor hoogbouw. Hierbij gaat het om zaken zoals: te verwachten zettingsgedrag als gevolg van lokale omstandigheden, eventueel aanwezige gevoelige objecten in de directe omgeving,Geohydrologische omstandigheden en in de omgeving aanwezige KWO’s. Bij iedere ontwikkeling zal in een vroeg stadium van het ontwerptraject een gesprek moeten worden aangegaan omtrent de brandpreventie. Zo kan vanaf het begin in kaart gebracht worden welke vraagstukken er liggen in het kader van de brandveiligheid. De benodigde ingrepen kunnen dan tijdig worden meegenomen in de ontwikkeling. Het patroon van straten, pleinen en kades is leidend voor de nieuwe bebouwing.

Hoogbouw dient onderdeel te zijn van een (groter) stedelijk weefsel en specifiek aan te sluiten op de Rotterdamse laag. De Rotterdamse laag en de invulling van de plint vormen en activeren de stedelijke ruimte. Hoogbouw zal zich door opbouw, geleding, materialisatie en positionering met respect moeten voegen in de bestaande stad. Uitgangspunt is hierbij: niet slopen, tenzij. De architectuur van de hoogbouw moet de kwaliteit nastreven die zowel in de welstandsnota Rotterdam als in het architectuurbeleid wordt omschreven. De beëindiging van een toren moet zo vormgegeven worden dat de technische zaken aan het zicht worden onttrokken. Er moet extra aandacht besteed worden aan de kwalitatieve afwerking van de gemeenschappelijke ruimtes binnen de hoogbouw. De plint moet transparant en verticaal geleed zijn en meerdere ruimtes (met deuren) hebben om recht te doen aan de stad op ooghoogte. Daarnaast hangt de hoogte van de onderbouw af van de zogenoemde Rotterdamse laag. Deze Rotterdamse laag kan per gebied verschillen en is de gemiddelde bebouwingshoogte in een gebied, meestal tussen de 15 en 25 meter. Boven de Rotterdamse laag (onderbouw) mag maximaal 50 procent van de totale onderbouw als toren bebouwd worden. Boven de Rotterdamse laag mag de diagonaal van de toren niet groter zijn dan 56 meter (40 x 40 meter, een oppervlakte van 1.600 m2).

Door een diagonaal te gebruiken, wordt gestimuleerd dat er daadwerkelijk torens worden gemaakt in plaats van andere gebouwvormen. Bij gebouwen onder de 150 meter is er vanaf 70 meter een diagonaal van 42 meter (30 x 30 meter, een oppervlakte van 900 m²) tilitaire functies moeten zo goed mogelijk ingepast worden binnen de rooilijnen van het gebouw en aan de minst publieke zijdes van het gebouw. Dit geeft de mogelijkheid om de publieke zijdes van het gebouw onderdeel te maken van de stad. De Rotterdamse laag dient gehandhaafd te blijven en een beperkt deel van de oppervlakte mag gebruikt worden om daadwerkelijk hoogbouw te realiseren. Op deze manier wordt er een grotere plint toegevoegd die bijdraagt aan de stad op ooghoogte. Daarnaast is het van belang dat hoogbouw bijdraagt aan de stedelijke mix van de stad. Dit houdt in dat niet alleen commerciële maar ook maatschappelijke functies een plek kunnen krijgen in de plint. Voor windonderzoek moet de NEN-8100 worden gebruikt. Om tot een goed inzicht te komen moet vooraf bepaald worden welke windniveau op welke plek acceptabel is. Per gebied zijn er sunspots en/of representatieve ruimtes aangewezen. Deze zijn gekozen op basis van loopstroomdata, tijden van gebruik en verblijfscijfers. Ook is er per plek een tijd weergegeven waarbinnen er geen, dan wel geringe afname mag zijn van zon.

Het stimuleren van ontmoeting moet een van de speerpunten zijn bij de ontwikkeling van hoogbouw. Dit gaat de eenzaamheid van bewoners tegen, is een goed middel om ondermijning te bestrijden en draagt bij aan een verhoogde woonkwaliteit en betrokkenheid. Uitgangspunt voor elk gebouw is dat er een multifunctioneel plein moet zijn waar uitwisseling tussen

31

personen en functies centraal staat. In het gebouw moeten routes zo vormgegeven worden dat vanuit elke entree (ook parkeren) het plein onderdeel van die route is. Het is niet mogelijk direct vanuit de parkeergarage naar de woonverdieping te gaan. Iedere bewoner komt eerst door de hal voordat hij/zij naar de woonverdieping kan gaan. Zo gaan we anonimiteit tegen en stimuleren we ontmoeting. Elk nieuw hoogbouwinitiatief moet naast een ruimtelijke onderbouwing ook een onderbouwing geven over hoe ontmoeting wordt georganiseerd in het gebouw. Uitgangspunt hierbij is dat anonimiteit pas achter de voordeur begint. Dit moet bij het begin van de ontwikkeling helder zijn. De gemeenschappelijke ruimtes in een gebouw moeten hoogwaardig en kwalitatief vormgegeven worden. Het moeten plekken zijn die uitnodigen tot ontmoeten en verblijven. Bij nieuwe hoogbouwinitiatieven moet er een check zijn op de flexibiliteit van een gebouw. Is het in de toekomst mogelijk om een gebouw een andere functie te geven zonder dat er majeure (en meestal te dure) ingrepen nodig zijn. Circulair afvalscheidingssysteem. Essentieel is dat er vooraf wordt nagedacht over het inzamelingsysteem in het gebouw én dat hier ruimte voor wordt gemaakt (of gereserveerd) in leidingen en ruimtes.

Elk nieuwe hoogbouwontwikkeling moet waar mogelijk rekening houden met een maximale benutting van wind, zon, vergroening en synergie tussen functies om een bijdrage te leveren aan de energie opgave en de klimaatdoelen van de stad. Het daklandschap moet een combinatie van functies bevatten, waar vanzelfsprekend alle noodzakelijke technische zaken goed zijn ingepast. Voor de gebied en in de hoogbouwzone ligt de focus vooral op: groen, gebruik, water en energie. Er is een duidelijk verschil tussen het lage(re) dak en het hoge(re) dak. Het nieuwe beleid voor de parkeernormen maakt het mogelijk om vrijstellingen te krijgen voor het aantal te realiseren autoparkeerplaatsen. Hierdoor kan er een verduurzaming van mobiliteit plaatsvinden en kan de leefbaarheid van de stad gewaarborgd blijven. De dominante rol van parkeren in de openbare ruimte kan hiermee beperkt worden. Tevens introduceert deze regeling ook een fietsparkeernorm: de stijging in fietsverkeer vraagt om het realiseren van kwalitatief goede fietsenstallingen. Aan bovenstaande randvoorwaarden wordt grotendeels voldaan. Zo is al in een vroeg stadium aandacht besteed aan de impact van de ontwikkeling voor wat betreft de onderwerpen windhinder en bezonnining. Daarnaast is reeds afstemming plaatsgevonden omtrent het aspect brandveiligheid.

Het beeldbepalende pand is op een zorgvuldige manier ingepast in de architectuur en vormt een coherent onderdeel van het nieuwe ensemble. Ook wordt rekening gehouden met de Rotterdamse laag. De bebouwing krijgt een duidelijke kenmerkende hoogte die aansluit op de hoogte van het bestaande historische havenziekenhuis, die met het bestaande een mooi ensemble en duidelijke Rotterdamse laag vormt. Voor de afmetingen van de hoogbouw in relatie tot de onderbouw wordt aangesloten bij de randvoorwaarden die in de Nota van Uitgangspunten zijn geformuleerd (zie ook paragraaf 3.3.11). Als gevolg wordt beperkt afgeweken van het uitgangspunt dat maximaal 50% van de totale onderbouw als toren bebouwd mag worden. Deze geringe afwijking zorgt echter niet voor een significante aantasting van de stedenbouwkundige uitgangspunten. Mede omdat wel degelijk aan de andere uitgangspunten ten aanzien van techniek, (brand)veiligheid, verschijningsvorm, architectuur, dakandschappen en terrassen zal worden voldaan. De aspecten windhinder en bezonning zijn in hoge mate van invloed voor het comfort bij, langs en rond hoogbouw. Voorafgaand aan de planologische procedure is reeds uitvoering aandacht besteed aan beide aspecten en is het ontwerp zodanig geoptimaliseerd dat sprake is van een acceptabele situatie. In paragraaf 6.11 en 6.12 wordt hier nader op ingegaan.

Gezien voorgaande voldoet de ontwikkeling aan bij hetgeen met de Hoogbouwvisie is beoogd. 3.3.10 Afwegingskader bezonning Vastgesteld op 9 september 2021 door de gemeenteraad In het Afwegingskader bezonning zijn kaders gesteld voor de effecten van bezonning van gevels van bestaande woningen als gevolg van nieuwe ontwikkelingen die met een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Nieuwe ontwikkelingen die 1,5 maal hoger zijn dan de gemiddelde hoogte binnen 1

32

maal de straal van de hoogte van die ontwikkeling, worden aan een stappenplan getoetst. Dat geldt ook voor nieuwe ontwikkelingen hoger dan 10 meter die liggen op een binnenterrein. Aan de hand van dat stappenplan wordt beoordeeld of de ontwikkelingen voldoen aan de gestelde kaders voor bezonning op bestaande woningen. Conclusie Voor de beoogde ontwikkeling is een bezonningsstudie uitgevoerd. Daaruit volgt dat voldaan wordt aan het afwegingskader bezonning, zie ook paragraaf 6.11. 3.3.11 Nota van Uitgangspunten Voor de ontwikkeling is in navolging van de Hoogbouwvisie een Nota van Uitgangspunten opgesteld. Dit document vormt de basis (en het toetsingskader) voor de verdere ontwikkeling van de locatie waar de nota betrekking op heeft. Voor de toekomst van het gebied wordt opnieuw gezocht naar een (publiek-) programmatische mix waarmee dit stuk stad een onderdeel wordt van de rest van de stedelijke ontwikkelingen in Rotterdam. Het gebied ligt op een schakelpunt tussen veel verschillende stukken stad. De verbinding van Oostplein met de rivier is een unieke kans die met deze ontwikkeling versterkt kan worden. De ligging van het projectgebied bevindt zich tussen twee totaal verschillende sferen: die van de lange landschappelijke lijn van de Maasboulevard en van de kleine korrel en historie aan de Haringvliet. De architectonische opzet dient hier een passende omgang mee te veinden.

Aan het Boerengat liggen grote kansen om een kwalitatieve verblijfsplek aan het water te realiseren en looproutes te versterken. De nota begint met de beschrijving van de locatie en haar positie in stad. De vuistregels zijn leidend in alle ontwikkelingen in de stad en deze worden vervolgens thematisch toegelicht in de NvU. Tenslotte wordt toegewerkt naar het stedenbouwkundig matenplan (smp), dat als kader dient voor de verdere ontwikkeling en uitwerking. Opgemerkt wordt dat voor de verkoop van het Havenziekenhuis eind 2018 reeds een Nota van Uitgangspunten is opgesteld. Deze NvU betrof randvoorwaarden voor herontwikkeling van het pand Havenziekenhuis. In 2020 is het project groter gemaakt door het betrekken van de locatie Hoge Wiek en de locaties Haringvliet en Maasboulevard, beide in bezit van Woonstad. Hierdoor is een gebiedsontwikkeling ontstaan, waarvoor uitgebreidere randvoorwaarden gelden. De NvU uit 2018 komt met de nieuwe nota te vervallen. Daarbij maakt de gebiedsontwikkeling onderdeel uit van de Hoogbouwvisie, herziening 2019. Gezien voorgaande is een hoger volume denkbaar dan in de oorspronkelijke NvU (2018) het geval was. Op 16 februari 2021 is de Nota van Uitgangspunten "Havenziekenhuis en directe omgeving" vastgesteld. Zowel de uitbreiding van de hoogbouwzone als de uitbreiding van het ontwikkelgebied geven aanleiding voor het vergroten van de toegestane volumes.

De beide ontwikkelingen staan weliswaar los van elkaar, maar vormen samen een samenhangend stedenbouwkundig ensemble, waarmee de hoogbouwzone aan de oostkant van de stad een (eerste) invulling krijgt en het gebied zich krachtig kan positioneren in de directe omgeving én op grotere schaal van de stad. Het uitbreiden van de Nota van Uitgangspunten leidt niet alleen tot het toestaan van meer volume maar ook tot scherpere programmatische eisen: de hoeveelheid maatschappelijk programma (2.221 m² vvo) en de grootte en kwaliteit van de woningen. Vanwege de sluiting van zowel het ziekenhuis als het verderop gelegen voormalige zwembad Tropicana heeft de locatie opnieuw een sterke publieke, maatschappelijke of culturele trekker nodig om een betekenis te krijgen in de programmering van de binnenstad. Hier wordt in de herontwikkeling sterk op ingezet. Het stedenbouwkunding masterplan geeft de kaders weer van de toekomstige gebiedsontwikkeling, zie ook onderstaande figuur. Figuur 3.4 Stedenbouwkundige uitgangspunten (bron: Nota van Uitgangspunten).

33

Havenziekenhuis Het oudste deel van het Havenziekenhuis is aangewezen als beeldbepalend pand. De rooilijnen van de bebouwing van het Havenziekenhuis sluiten aan op die van de omgeving aan de Haringvliet en ook aan de Oostmolenwerf. Met actieve plinten en een sterke aansluiting op de directe buitenruimte is de sokkel van de Rotterdamse Laag een voortzetting van het bestaande weefsel van de stad. Een verticale parcellering in de massa doorbreekt de massieve aanwezigheid. De alzijdigheid en de kop van het Havenziekenhuis dient zich nadrukkelijk te tonen. Het Havenziekenhuis dient de overhoekse oriëntatie in de huidige situatie te behouden. In de omgang met het beeldbepalende deel dient zorgvuldige aansluiting te worden gezocht met de nieuwbouw, waarin voldoende de overhoekse oriëntatie van het bestaande pand tot z’n recht kan komen. De torenvolumes zijn divers van architectuur en zijn met een stevige setback op de sokkel geplaatst. Daarnaast zijn een aantal uitgangspunten geformuleerd voor de hoogteopbouw van de bebouwing: behoud van het beeldbepalende deel van het Havenziekenhuis (Rotterdamse laag) bouwen tot 70 m aan de westzijde, maximale diameter 37 m. bouwen tot 110 m aan de oostzijde, maximale diameter 41,5 m.

gevel terugleggen tussen beeldbepalende deel Havenziekenhuis en de nieuwbouw over een breedte van tenminste 4 meter met een significante diepte zodat het oude gebouw leesbaar blijft in de parcellering. sunspot Oostplein niet overtreden. windhinder onderzoek passend bij de typering van het verblijfsgebied. Voor het programma 'stedelijke mix' gelden de volgende uitgangspunten: woningdifferentiatie over het gehele aanbod. minimaal 30% van de woningen groter dan 85 m² GBO geen woningen kleiner dan 40 m². minimaal 30% behoort tot het segment middenhuur (€737 - €1.040), voor gedurende 15 jaar met maximaal 1,25% huurverhoging per jaar bovenop de consumentenprijsindex (CPIL maximaal 20% van het project mag bestaan uit co-living. Uitgangspunten zijn dan 1. het gebouw biedt differentiatie in woningtypes en woningoppervlaktes. De woonfunctie moet zichtbaar zijn in de uitstraling van de gevel, plint en entreepartij. 2. appartementen met al dan niet gelijkwaardige slaapkamers en/of eigen badkamers en een woonkamer inclusief keuken van minimaal 20 m². Iedere bewoner (maximaal 2 of 3) heeft een slaapkamer van minimaal 12 m².

34

bij woningaantallen hoger dan 50 dient het gebouw collectieve functies voor ontmoeting te voorzien en kent bij voorkeur de aanwezigheid van portier of beheerder. ‘harde knip’ tussen parkeergarage en entrees woningen, via bijvoorbeeld een lobby. goed bruikbare (groene), royale privé-buitenruimten per woning, danwel een collectief equivalent. terugplaatsing polikliniek ruimtereservering maatschappelijk programma 2.221 m². geen afgeplakte plinten op maaiveldniveau voorzover dit mogelijk is. dichte ruimtes op hogere verdiepingen voorzover dit mogelijk is. toegankelijk voor minder validen. maximaal 1.000 m² kantoren en bedrijfsruimte (niet zijnde kantoren) minimaal 10%. Voor plinten, daken, kaden en dijken gelden de volgende uitgangspunten voor initiatiefnemers: alle plinten hebben royale verdiepingshoogte. entrees langs alle zijden van de gebouwen voorzover dit mogelijk is. zoveel mogelijk mix aan functies op maaiveldniveau: commercieel, maatschappelijk, wonen. publiek toegankelijk dak voor alle Rotterdammers op voormalig Havenziekenhuis. onderzoeken mogelijkheden skybar op de toren. Rondom het plangebied staan diverse bijzondere en waardevolle groenstructuren. Behoud van alle bomen met een beschermde status op deze dijk is daarbij het uitgangspunt.

Ook dient in het ontwerp aandacht te worden besteed aan duurzaamheid middels aardgasvrije gebouwen, waterberging, BENG-normering, circulair slopen en natuurinclusief bouwen. Naar aanleiding van de coronacrisis dient het gebouw ‘pandemie-proof ingericht te worden, met aandacht voor flexibel te gebruiken ontsluitingen, thuiswerkfaciliteiten en voldoende buitenruimte. Relatie met het plan Voorliggend bestemmingsplan ziet toe op een deel van het gebied waar de Nota van Uitgangspunten (NvU) betrekking op heeft. In hoofdstuk 2 van onderhavig bestemmingsplan wordt de planbeschrijving toegelicht. Volledigheidshalve wordt in deze paragraaf de relatie met de NvU gelegd. Het beeldbepalende deel krijgt een dubbelbestemming en de maximale bouwhoogtes en daarbij behorende maximale diameters net als de setbacks zijn op de verbeelding en in de regels vastgelegd. De gevel tussen het beeldbepalende deel van het Havenziekenhuis en de nieuwbouw wordt over een breedte van tenminste 4 meter teruggelegd, dit is in de regels en verbeelding gewaarborgd. Daarnaast krijgen de torens binnen dit bestemmingsplan een maximale bouwhoogte van respectievelijk 73 en 113 te meter. De uitgangspunten uit de NvU hebben betrekking op torens van 70 en 110 meter. Vanwege de technische uitwerking is het echter wenselijk om een iets hogere bouwhoogte toe te staan.

Daarbij is het programma reeds in de planregels gemaximaliseerd en zal de hogere bouwhoogte niet leiden tot het kunnen realiseren van meer woningen en/of commerciële vierkante meters. Om de flexibiliteit ten aanzien van de technische uitwerking te behouden wordt de aangegeven bouwhoogte uit de NvU overschreden. In hoofdstuk 6.11 en 6.12 wordt nader ingegaan op de aspecten bezonning en windhinder. Daaruit volgt ook dat voor deze aspecten aan de Nota van Uitgangspunten voldaan. De torens liggen zodanig terug ten opzichte van de rotterdamse laag dat sprake is van een duidelijke setback. Wat betreft de programmering wordt voldaan aan de woningdifferentiatie. Er worden appartementen met een grootte van circa 40 tot en met circa 190 m² ontwikkeld. Meer dan 30% van de woning krijgt een oppervlakte van 85 m² of meer. Woningen kleiner dan 40 m² worden niet gerealiseerd. De appartementen worden voorzien van buitenruimten. Binnen het ontwerp wordt voorzien in onder andere horecafuncties en commerciële en maatschappelijke functies. Ook kunnen bewoners elkaar ontmoeten op de stadsbalkons. De parkeergarage en fietsenbergingen zijn gelegen in de kelder en de plint. Via trappen en liften komen de bewoners in een ruimte die aansluit op de hoofd- en reguliere entree. De plinten worden niet afgeplakt op maaiveld, terwijl dichte ruimtes worden gerealiseerd op de verdiepingen.

Ook is het gebouw toegankelijk voor mindervalide. De plinten worden voorzien van royale verdiepingshoogte. De hoofd- en reguliere entree zijn via de Haringvliet te bereiken. Echter is het gebouw tevens via de oost- en westzijde van het gebouw te bereiken, via de ruimte met de liften en trappen die in verbinding staan met de parkeergarage. Via de

35

Maasboulevard is het gebouw te betreden. Op het niveau van het maaiveld wordt de plint ingericht met onder andere horeca, commerciële en maatschappelijke functies, installatieruimten, kantoorruimte en een personeelsruimte. Het dak van het beeldbepalend gebouw van het Havenziekenhuis wordt ingericht ten behoeve van horeca en is grotendeels publiek toegankelijk. In het ontwerp zal aandacht worden besteed aan de buitenruimtes. Het streven is deze royaal vorm te geven, zodat de meeste middenhuur appartementen een eigen buitenruimte krijgen. De polikliniek wordt vooralsnog niet teruggeplaatst. Het maatschappelijk programma dat gerealiseerd zal worden is mede afhankelijk van de exacte invulling van het plangebied (met name het daadwerkelijk aantal te realiseren woningen is bepalend voor het gewenste oppervlakte aan maatschappelijke voorzieningen). Het totale programma voor niet-woonfuncties is in voorliggend bestemmingsplan gemaximaliseerd op 5.000 m2. 3.3.12 Nota detailhandel Vastgesteld op 22 en 29 juni 2017 door de Rotterdamse gemeenteraad De Nota Detailhandel uit 2013 is in 2017 geactualiseerd. De nota bestaat uit een algemeen deel dat de stedelijke ambities ten aanzien van dit onderwerp bevat en 13 separate gebiedsgerichte uitwerkingen, die het detailhandelsbeleid per gebied beschrijven.

De nota en de gebiedskoersen doen geen uitspraken over het centrum, hiervoor blijft de nota 'WNKLN N RTTRDM' het relevant beleidskader. Stedelijke ambities en spelregels ten aanzien van detailhandel Het detailhandelsbeleid bestaat in de basis uit een beleidskader, waarin op grond van de trends en ontwikkelingen de visie en ambitie van Rotterdam op de detailhandelsstructuur wordt uitgesproken. Met dit kader zet Rotterdam in op een krachtige, toekomstbestendige winkelstructuur, waarbij de consument centraal staat en sprake is van complete, compacte comfortabele en levensvatbare centra. Om deze ambities te realiseren, is een aantal spelregels onontbeerlijk en zijn vier stedelijke ambities geformuleerd: Een evenwichtige detailhandelsstructuur (aantrekkelijk, levensvatbaar, complementair) Meer flexibiliteit en dynamiek ter versterking van de detailhandelsstructuur Detailhandelsbeleid als kader voor ruimtelijke ontwikkelingen Een bruisende Binnenstad! De spelregels die nodig zijn om de ambities te behalen zijn: Nieuwe ontwikkelingen zijn alleen mogelijk in de winkelconcentratiegebieden zoals in de Gebiedskoersen Detailhandel zijn vastgesteld. Creëren van nieuwe winkelgebieden is enkel onder strikte voorwaarden mogelijk. Geen nieuwe solitaire vestiging van winkels buiten de detailhandelsstructuur van winkelgebieden.

In kleine kernen kan maatwerk vereist zijn, om de kwaliteit van de leefomgeving te behouden. Vestiging van grootschalige detailhandel bekijken we kritisch. Geen nieuwe perifere concentratiegebieden. Tuincentra en bouwmarkten buiten de aangewezen winkelgebieden zijn onder voorwaarden bespreekbaar. Geen detailhandel op bedrijventerreinen. Winkels in tweedehandsgoederen vestigen we in winkelgebieden; uitzondering voor kringloopwinkels. Internetwinkels en -afhaalpunten met een (beperkte) bezoekersfunctie worden enkel toegestaan in de winkelgebieden en op trafficlocaties. Voor winkels geldt in de horecanota Rotterdam 2017-2021 de basisvrijstelling. Het uitgangspunt voor ontwikkelingen buiten het winkelgebied is de dynamiek in de detailhandel alleen te faciliteren als deze nieuwe ontwikkelingen landen in- of grenzen aan de bestaande winkelgebieden en themacentra. Ontwikkelingen en uitbreiding van winkelplannen van meer dan 2.000 m2 bvo in winkelgebieden en plannen van meer dan 1.000 m2 bvo buiten de winkelgebieden wordt ter advisering voorgelegd aan de samenwerkende gemeenten in de MRDH. Relatie tot plangebied

36

In de Nota Detailhandel 2017 is het plangebied gelegen buiten de begrenzing van het winkelgebied en bevindt zich net buiten het gebied dat is aangewezen als binnenstad.

Het centrum van Rotterdam is groter dan het gebied dat vanuit detailhandelsperspectief als de Binnenstad gedefinieerd wordt. Vanuit detailhandelsperspectief is een duidelijke begrenzing van de Binnenstad als winkelgebied belangrijk, zodat optimaal beantwoord wordt aan uitgangspunten van concentratie en profilering. Het plangebied is gelegen buiten het winkelgebied, maar wel gelegen in de nabijheid van het winkelgebied. Aangezien woningen worden toegevoegd wordt op deze locaties detailhandel als passend ervaren. Om ervoor te zorgen dat geen sprake is van grootschalige detailhandel dan wel een grote supermarkt is in de regels vastgelegd dat maximaal één gemakswinkel is toegestaan met een oppervlakte van 400 m2 en dat daarnaast vooral kleinschalige en ondergeschikte detailhandel is toegestaan. De beoogde detailhandel is daarmee in lijn met de ambities uit de Nota Detailhandel en afstemming met de MRDH is gezien de omvang niet aan de orde. Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de Nota Detailhandel.

37

Hoofdstuk 4 4.1

Planbeschrijving

Inleiding

In voorliggend hoofdstuk wordt het plan nader toegelicht. Ingegaan wordt op de opzet van het plan, de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt alsmede de juridische planbeschrijving.

4.2

Ontwikkelingen

De beoogde ontwikkeling bestaat uit het realiseren van maximaal 500 woningen. Daarnaast wordt voorzien in maatschappelijke en zorggerelateerde functies, horeca, kantoren, commerciële dienstverlening, buurtvoorzieningen en mogelijk ook sportvoorzieningen. In totaal gaat het om maximaal 5.000 m2 aan voorzieningen. De herontwikkeling van het Havenziekenhuis zal gebruik maken van de coördinatieregeling. Dit betekent dat de omgevingsvergunning gelijktijdig met het (ontwerp)bestemmingsplan ter inzage wordt gelegd, zie ook hoofdstuk 9.

4.3

Juridische planbeschrijving

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling wordt een nieuwe functie in het plangebied gerealiseerd. De van toepassing zijnde bestemmingen zijn hieronder nader toegelicht. 4.3.1

Centrum

De beoogde bebouwing binnen het plangebied heeft de bestemming "Centrum" gekregen. Binnen de bestemming centrum zijn alle soorten centrumfuncties (o.a. wonen, kantoren, detailhandel, dienstverlening, horeca, maatschappelijk) toegestaan, ook op - voor sommige functies een beperkt aantal - de verdiepingen. Ook is een parkeergarage binnen deze bestemming mogelijk. Deze wijze van bestemmen is in lijn met de wijze van bestemmen op andere locaties in het centrum. In de planregels zijn de maximale woningaantallen en het maximaal aantal vierkante meters aan overige functies vastgelegd. Ook de maximale bouwhoogte is in de regels vastgelegd. Om te borgen dat sprake blijft van een goed woon- en leefklimaat is voor de beoogde horeca-activiteiten een voorwaardelijke verplichting opgenomen. 4.3.2

Groen

De bestemming "Groen" is opgenomen voor de zuidzijde van het plangebied, aangezien dit gebied als een groene bufferzone wordt ingericht. Wel zijn hier ook overige voorzieningen toegestaan, denk bijvoorbeeld aan voorzieningen voor rijdende en stilstaande voertuigen, zoals rijstroken, fietspaden en parkeerplaatsen, waterpartijen en terrassen behorend bij aangrenzende bestemmingen. De bouwmogelijkheden zijn beperkt tot kleine gebouwen voor bijvoorbeeld openbaar nut, verkeer en vervoer. De toegestane bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt 2 meter. 4.3.3

Verkeers- en verblijfsgebied

De bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" is opgenomen voor de ontsluitingswegen met de bijbehorende trottoirs en parkeergelegenheid (inclusief parkeergarages). En daarnaast voor pleinen, snippergroen, speeltoestellen en dergelijke. Binnen deze bestemmingen is ook de aanleg van nieuwe waterpartijen en watergangen en waterberging mogelijk indien dit vanuit het oogpunt van waterbeheer wenselijk is. Dit betekent dat veranderingen in de inrichting van de openbare ruimte kunnen worden doorgevoerd zonder planherziening (mits de veranderingen passen binnen deze bestemming). 4.3.4

Parkeerregeling

Dynamische verwijzing

38

Op 1 juli 2018 zijn de stedenbouwkundige voorschriften uit de Bouwverordening 2010 van de gemeente Rotterdam, waaronder de voorschriften over parkeernormen, komen te vervallen. Dat betekent dat vanaf dat moment niet meer getoetst kan worden aan die voorschriften en dus geen parkeernormen meer gelden. Gelet daarop, is op 1 februari 2018 over parkeren beleid vastgesteld. Het betreft de “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022” (hierna: de beleidsregeling). De beleidsregeling is op 16 december 2021 vastgesteld. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto's én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. Om aan dit beleid te kunnen toetsen is in het bestemmingsplan in artikel 13 een bepaling opgenomen waarin staat dat alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen of gebruiken van gronden of bouwwerken mag worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen op basis van het geldende beleid ten aanzien van parkeren in de gemeente Rotterdam. De bepaling is vormgegeven als een zogenaamde “dynamische verwijzing”. Dat wil zeggen dat alleen wordt geregeld dat er voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor fietsers en auto's conform het in de gemeente Rotterdam geldende parkeerbeleid.

In de bepaling wordt expliciet verwezen naar de hiervoor genoemde beleidsregeling of de rechtsopvolger daarvan. Op deze manier wordt tegemoet gekomen aan eventuele wijzigingen van het beleid en wordt voorkomen dat het bestemmingsplan dan moet worden aangepast. Met de bepaling is bedoeld dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voldoende parkeergelegenheid moet zijn voor auto's en fietsen op basis van parkeerbeleid van de gemeente Rotterdam dat geldt op het moment van verlenen van de omgevingsvergunning. Beleidsregeling De op dit moment geldende “Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022” is via de volgende link te raadplegen: Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022 De desbetreffende beleidsregeling geeft parkeernormen voor zowel auto's als fietsen. Bij de omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het gebruiken van gronden of bouwwerken wordt een parkeereis gesteld conform de gebiedsindeling die bij de beleidsregeling als bijlage is opgenomen. De parkeereis moet in beginsel volledig op eigen terrein worden opgelost. Er kunnen aanvullende voorwaarden worden gesteld, bijvoorbeeld ten aanzien van de inpassing van de parkeervoorzieningen in het gebouw of de omgeving, het laden en lossen etc. Van de parkeereis kan (geheel of gedeeltelijk) worden afgeweken. Tevens kan vrijstelling van de parkeereis worden verleend.

In de beleidsregeling wordt beschreven onder welke omstandigheden daar sprake van is. In paragraaf 6.4 wordt nader ingegaan op het aspect parkeren.

4.3.5

Waarde - Cultuurhistorie

In het plangebied zijn cultuurhistorische waarden gelegen. Dit betreft een deel van het huidige Havenziekenhuis. Om deze waarden te borgen is ter plaatse van dit gebouw - in lijn het met vigerende bestemmingsplan - een dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' opgenomen. Op de voor 'Waarde - Cultuurhistorie' bestemde gronden is het verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders bouwwerken geheel of gedeeltelijk te slopen. De vergunning wordt verleend wanneer: a. sprake is van zwaarwegende maatschappelijke, technische, dan wel economische overwegingen, en b. nieuwbouw mogelijk is en aanvrager aannemelijk heeft gemaakt dat op de plaats van het (gedeeltelijk) te slopen bouwwerk nieuwbouw zal plaatsvinden met inachtneming van de vanuit cultuurhistorisch oogpunt van belang zijnde stedenbouwkundige, bouwkundige, architectonische en ensemble waarden, die onder andere worden gevormd door de situering, schaal, vorm en geleding van de bebouwing.

39

4.3.6

Waarde - Archeologie

Het plangebied kent een archeologische verwachtingswaarde. In lijn met het vigerende bestemmingsplan is vanwege deze archeologische verwachtingswaarde zowel een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' als 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen. 4.3.7

Waterstaat - Waterkering

De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor waterkering.

40

Hoofdstuk 5

Water

5.1

Beleidskader

5.1.1

Rijksbeleid

In 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Het Nationaal Waterplan (2016-2021) bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. 5.1.2

Provinciaal beleid

Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 (11 november 2009 vastgesteld door Provinciale Staten van Zuid-Holland) bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor deze periode. Het plan komt in plaats van het waterbeleid zoals is vastgelegd in het beleidsplan Groen, Water en Milieu (2006). Het provinciaal waterplan vervangt tevens het Grondwaterplan 2007-2013 en beschrijft dus ook het strategische grondwaterbeleid voor Zuid-Holland. De provinciale rol in het waterveld spitst zich toe op kaderstelling en toezicht. 5.1.3

Rotterdams en regionaal beleid

De gemeenteraad van Rotterdam heeft op 18 september 2007 het Waterplan 2 Rotterdam vastgesteld. Het Waterplan 2 is een gezamenlijk en integraal product van alle waterbeheerders in de regio. In het Waterplan 2 staat in hoofdlijnen beschreven hoe de gemeente Rotterdam en de waterschappen de komende tijd willen omgaan met het water in de stad. Hierbij wordt met name gekeken naar drie cruciale ontwikkelingen: Een hogere waterstand door de stijging van de zeespiegel. In buitendijkse gebieden ontstaan risico's op overstromingen. Versterking van waterkeringen is onvermijdelijk; Wateroverlast door toenemende neerslag. Door klimaatsverandering kan er in korte tijd veel neerslag vallen. Om dat water te verwerken is opvang en berging nodig; Strengere eisen aan de kwaliteit van het water. Rotterdam wil een aantrekkelijke waterstad zijn, met schoon, helder en plantrijk water. De stad moet bovendien voldoen aan de eisen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Er worden voor alle wateren in de stad kwaliteitsbeelden opgesteld volgens die eisen. Het Waterplan 2 biedt tevens een perspectief voor Rotterdam als waterstad in 2030. De gemeente en de andere waterbeheerders hebben op 5 juni 2013 de herijking van het Waterplan 2 vastgesteld. Dit betreft een herijking van de realisatiestrategie en de introductie van een nieuw uitvoeringsprogramma 2013-2018.

5.2

Samenwerking met de waterbeheerder

De gemeente Rotterdam werkt in overleg met alle betrokken waterbeheerders aan een gemeenschappelijke procedurele en inhoudelijke invulling van de Watertoets en de waterparagraaf. Conform de Watertoets heeft de gemeente in algemene zin overleg gevoerd met de waterbeheerders. Het plangebied is gelegen binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Op basis van de Keur verlenen de waterschappen vergunningen voor werken op, in en rond watergangen en waterkeringen en voor werken die de waterhuishouding beïnvloeden. De gemeente Rotterdam (Stadsbeheer, afdeling Water) is de rioolbeheerder.

41

5.3

Huidige watersysteem

5.3.1

Oppervlaktewater

Het plangebied is gelegen aan Haringvliet te Rotterdam. Binnen het plangebied is geen sprake van primair oppervlaktewater. Ten noorden van het plangebied is een hoofdwatergang gelegen, zie ook figuur 5.1. Figuur 5.1. Uitsnede Legger Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard

5.3.2

Grondwater

Voor grondwater is een peilbuis in de nabije omgeving van het plangebied gelegen (buiscode 130567). Deze peilbuis meet de ontwateringsdiepte (de afstand tussen het maaiveld en het grondwaterpeil). Uitde gegevens blijkt dat het grondwater zich circa 2 meter onder het maaiveld bevindt. Een afstand tussen maaiveld en grondwaterpeil van meer dan 80 centimeter betekent dat (de kans op) grondwateroverlast beperkt zal blijven. 5.3.3

Waterkering

Een deel van het plangebied is gelegen binnen de beschermingszone van een primaire waterkering, zie ook figuur 5.1. Aangezien het plangebied gelegen is binnen een beschermingszone is voor de handelingen hierbinnen wel een watervergunning noodzakelijk. Hierbinnen mag gebouwd worden mits het belang van de waterkering hierdoor niet wordt geschaad. Om binnen deze zone te bouwen, dient een schriftelijk advies van de dijkbeheerder te worden ingewonnen, alvorens een ontheffing kan worden verleend. Om te borgen dat hier te allen tijde rekening mee wordt gehouden heeft de beschermingszone, voor zover deze is gelegen binnen het plangebied, wederom een dubbelbestemming 'Waterstaat Waterkering' gekregen'. 5.3.4

Riolering

De bebouwing binnen het plangebied zal worden aangesloten op een gescheiden rioleringsstelsel.

42

5.4

De wateropgave

5.4.1

Oppervlaktewater

De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een toename van het aantal vierkante meters verhard oppervlakte. Watercompensatie is dan ook niet aan de orde. Conform het Gemeentelijk Rioleringsplan dient 50 mm water geborgen te worden. Uitgaande van een bebouwd/verhard oppervlakte van 3.802 m2 is de watercompensatie opgave 190 m3. Hier zal aan worden voldaan. 5.4.2

Grondwater

De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een toename van het verhard oppervlak. Gezien diepte van de beoogde parkeerkelder heeft de ontwikkeling in zijn geheel geen invloed op de grondwaterstand. In april 2019 was het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenwaard voornemens een vergunning te verlenen voor onderhavige ontwikkeling. In het recentste ontwerp is de parkeerkelder verlegd richting het gebouw, wat de grondwaterstand ten goede komt. 5.4.3

Waterkering en waterveiligheid

Waterveiligheid binnendijks Het plangebied ligt binnendijks, binnen de primaire waterkeringen van dijkring PSA 015. Deze dijkring heeft een overschrijdingskans van 1/10.000 per jaar. Dit betekent dat deze waterkering is ontworpen om een waterhoogte te keren met een terugkeertijd van gemiddeld eens per 10.000 jaar. De gevolgen van een overstroming binnendijks (bij een dijkdoorbraak) zijn afhankelijk van meerdere aspecten, zoals de locatie waar de overstroming plaatsvindt, de afstand tot de waterkering en de maaiveldhoogtes in het gebied. Om een indicatie van de risico's te krijgen heeft de provincie Zuid-Holland voor de gehele provincie berekend welke gebieden in de huidige situatie bij een doorbraak van de primaire waterkering onder water lopen en indicatief welke overstromingsdiepte er op de kwetsbare locaties bereikt kan worden. Bij een dijkdoorbraak blijft (volgens beschikbare gegevens in het vigerende bestemmingsplan) het plangebied droog. Dit komt door de relatief hoge ligging van het plangebied. 5.4.4

Riolering

De ontwikkeling zal worden aangesloten op een gescheiden rioleringsstelsel. Ten aanzien van de belasting van het bestaande rioolstelsel worden geen belemmeringen verwacht.

43

Hoofdstuk 6 6.1

Milieu

Inleiding

Rotterdam is een compacte stad. Compact bouwen biedt aan de ene kant grote voordelen voor milieu en duurzaamheid op een hoger schaalniveau (minder mobiliteit, minder aantasting van natuurlijk en landelijk gebied). Aan de andere kant kan door compact bouwen de milieubelasting in de stad toenemen. Dit wordt de paradox van de compacte stad genoemd. Rotterdam moet bovenal een leefbare stad zijn. Een woonomgeving met weinig milieuhinder is één van de aspecten die de leefkwaliteit bepalen naast bijvoorbeeld voorzieningen, bereikbaarheid, kwaliteit van de publieke ruimte en sociale veiligheid. Het milieubeleid in Rotterdam is erop gericht om ondanks de verdichting en intensivering van de stad toch de milieubelasting terug te dringen en de leefkwaliteit te verbeteren. In het bestemmingsplan moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging worden gemaakt van de wijze waarop milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen ten opzichte van elkaar moeten worden gesitueerd. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied, de opgave en eventuele wettelijke eisen. De gemeente Rotterdam is verplicht om bij de voorbereiding van het bestemmingsplan te onderzoeken welke (milieu)waarden bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. Voor de meeste milieuthema's is er landelijk milieuwetgeving aanwezig.

Een voorbeeld hiervan is de Wet geluidhinder. Daarnaast is er voor sommige milieuthema's Rotterdams beleid aanwezig. De voor dit plan relevante thema's worden hieronder verder uitgewerkt.

6.2

Milieu effectrapportage

6.2.1

Algemeen

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel bij het nemen van besluiten. Op deze manier krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de 'moederprocedure'. Dit is de procedure op grond waarvan de besluitvorming plaatsvindt, bijvoorbeeld de bestemmingsplanprocedure, of een omgevingsvergunningsprocedure. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een m.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht dan wel een plan-m.e.r. plicht geldt indien de grenswaarden worden overschreden in geval van respectievelijk een besluit of een plan. Bij de m.e.r.-boordeling dient te worden beoordeeld in hoeverre er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen worden uitgesloten, dan is een m.e.r. niet noodzakelijk. Voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd in hoeverre belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.

Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

44

Figuur 6.1 Overzicht verschillende m.e.r.-procedures (bron: www.infomil.nl )

Met het op 7 juli 2017 in werking getreden wijziging Besluit m.e.r. dient bij elk plan waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde een aanmeldingsnotitie te worden opgesteld.

6.2.2

Plangebied

Het bestemmingsplan Havenziekenhuis e.o. maakt woningen en een diversiteit aan daarbij behorende voorzieningen mogelijk. Deze mogelijkheden moeten worden gezien als een activiteit (categorie D11.2) die voorkomt op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Tabel 6.1 Relevant onderdeel D. Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 tot en met 7.20 van de wet van toepassing is

D 11.2

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

De aanleg, In gevallen waarin de wijziging of activiteit betrekking heeft uitbreiding van op: een stedelijk 1°. een oppervlakte van ontwikkelings 100 hectare of meer, project met 2°. een aaneengesloten inbegrip van gebied en 2000 of meer de bouw van woningen omvat, of winkelcentra 3°. Een of bedrijfsvloeroppervlakte parkeerterrein van 200.000 m2 of meer. en.

De structuurvisie, De vaststelling van bedoeld in de het plan, bedoeld in artikelen 2.1, 2.2 en artikel 3.6, eerste lid, 2.3 van de Wet onderdelen a en b, ruimtelijke ordening, van de Wet ruimtelijke en het plan, bedoeld ordening dan wel bij in artikel 3.1, eerste het ontbreken daarvan lid, van die wet. van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Omdat de ontwikkeling niet boven de drempelwaarde van 2.000 woningen dan wel 200.000 m2 of meer bvo ligt het totale plan onder de drempelwaarden waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht dan wel een planMER-plicht geldt (kolom 2). In dat kader wordt volledigheidshalve opgemerkt dat de ontwikkeling van het Havenziekenhuis geen financiële, bouwkundige en organisatorische samenhang kent met de ontwikkeling van de Hoge Wiek en dat het Havenziekenhuis daarom op zichzelf staand is beschouwd. Op basis van Europese regelgeving dient voor de herontwikkeling van het Havenziekenhuis een vormvrije-m.e.r.-beoordeling plaats te vinden. Doel van deze vormvrije-m.e.r.-beoordeling is het toetsen of een plan of besluit voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Met een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling) is gemotiveerd dat het bestemmingsplan niet leidt tot significant negatieve milieueffecten (zie bijlage 2). De ontwikkelingen liggen niet in of nabij een gevoelig gebied, zoals de ecologische hoofdstructuur of een Natura 2000-gebied.

Bovendien hebben de ontwikkelingen vanwege de beperkte omvang geen grote

45

negatieve effecten op het milieu. Dit blijkt uit de milieuonderzoeken waarvan de resultaten beschreven zijn in voorliggend hoofdstuk van dit bestemmingsplan. Op grond van het bovenstaande is het bestemmingsplan Havenziekenhuis e.o. niet m.e.r.-beoordelingsplichtig en daarmee ook niet m.e.r.-plichtig (zie ook bijlage 3). 6.2.3

Conclusie

Het plangebied ligt niet in of nabij een gevoelig gebied, zoals de ecologische hoofdstructuur of een Natura 2000-gebied. Op grond van het bovenstaande is bestemmingsplan Havenziekenhuis e.o. niet m.e.r.-beoordelingsplichtig en daarmee ook niet m.e.r.-plichtig. Het bestemmingsplan is eveneens niet kaderstellend voor mogelijke toekomstige m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten, zodat het bestemmingsplan niet planm.e.r.-plichtig is.

6.3

Milieuzonering

6.3.1

Algemeen

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk.

Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave. 6.3.2

Plangebied

Voor de gebiedstypering wordt gebruik gemaakt van de kaart bij het boekje Bedrijven en Milieuzonering Rotterdam. De gemeente Rotterdam heeft de VNG-lijst vertaald naar de Rotterdamse situatie en heeft daarbij een verdeling aangegeven in woongebied, gemengd woongebied/overgangsgebied en industriegebied I, II, III. De gedachte hierachter is dat de indicatieve afstanden van de VNG bedoeld zijn vanaf een bedrijf van gemiddelde omvang tot woningen in een woonwijk. Voor gemengde gebieden of bij industriegebieden, en/of bedrijven die aanzienlijk kleiner zijn dan een gemiddeld bedrijf biedt het Rotterdamse beleid een standaard om gemotiveerd af te wijken van de indicatieve afstanden. Bedrijven in de nabije omgeving van het plangebied In de omgeving is sprake van een bestemming 'Gemengd' en 'Wonen' . Ter plaatse van de bestemming 'Wonen' zijn enkel aan huis gebonden bedrijven tot categorie 1 toegestaan. Daarnaast is horeca alleen toegestaan indien een aanduiding in het bestemmingsplan is opgenomen. Op een afstand van ruim 80 meter ten zuiden van de projectocatie is horeca toegestaan en aanwezig. het gaat om een restaurant welke een mliieucategorie 1 kent.Dit betekent dat aan de richtafstand wordt voldaan. Daarbij zijn direct

46

naast deze horecagelegenheid reeds woningen aanwezig. Ter plaatse van de bestemming 'Gemengd' zijn kantoren en maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Dergelijke functies kennen maximaal een milieucategorie 2. Gezien de afstand van ruim 50 meter tot aan deze bestemming wordt aan de van toepassing zijnde reichtafstanden voldaan. Daarbij zijn ook ten aanzien van deze activiteiten reeds op kortere afstanden woningen aanwezig. Ten noorden van het plangebied is op een afstand van meer dan 80 meter detailhandel toegestaan. Ook ten aanzien van deze activiteiten wordt aan de richtafstanden voldaan én zijn reeds op kortere afstand woningen aanwezig. Daar komt bij dat voor het uitoefenen van bedrijfsactiviteiten, bijvoorbeeld voor technische installaties, te allen tijde voldaan moet worden aan het Activiteitenbesluit. Bedrijven in het plangebied Het plangebied van dit bestemmingsplan is volgens de Rotterdamse systematiek aangeduid als een gemengd gebied. Dit houdt in principe in dat binnen het plangebied activiteiten in de milieucategorieën 1 en 2 direct naast gevoelige functies als wonen zijn toegestaan. Met voorliggend bestemmingsplan worden ter plaatse van het plangebied naast wonen ook bedrijfsactiviteiten toegestaan. Denk daarbij aan detailhandel, horeca en dienstverlenende bedrijven.

Deze inrichtingen hebben allen maximaal een milieucategorie 2, wat betekent dat ze direct toelaatbaar worden geacht naast hindergevoelige functies zoals wonen. Op basis van het Rotterdamse gebiedstype 'gemengd gebied' gelden er namelijk geen richtafstanden. Dit bestemmingsplan bevat geen bestemmingen waarbinnen bedrijven zijn toegestaan, behoudens bedrijven in de vorm van detailhandel, dienstverlening, horeca, maatschappelijke doeleinden en kantoren. De enige mogelijkheid tot andersoortige bedrijvigheid wordt geboden in de vorm van de bedrijf aan huis-regeling binnen de centrumbestemming. Deze bedrijvigheid is ondergeschikt aan de woonfunctie en mag ten hoogste in categorie 2 vallen. Hinderveroorzakende bedrijven zijn dus niet toegestaan op basis van dit bestemmingsplan. Horeca is toegestaan voor zover het niet betreft een discotheek, barcancing en/of partycentrum. Ten behoeve van de beoogde horeca-activiteiten binnen het plangebied is een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Daarin is opgenomen dat gebruik van de gronden ten behoeve van horeca en daarbij behorende terrassen uitsluitend is toegestaan indien met een akoestisch wordt aangetoond dat - rekening houdend met stemgeluid - de maximale geluidbelasting op de gevel van aanwezige en geprojecteerde woningen en andere geluidgevoelige objecten voldoet aan het Activiteitenbesluit milieubeheer dan wel de eventueel van toepassing zijnde maatwerkvoorschriften. Gezien voorgaande is een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. 6.3.3

Conclusie

Ter plaatse van het plangebied zal gezien de beoogde functies sprake zijn van een goed- woon en leefklimaat. Dit aspect vraagt dan ook niet om nadere aandacht.

6.4

Verkeer en parkeren

6.4.1

Algemeen

Het plan omvat de woningen en daarbij behorende voorzieningen. Deze functies kennen een verkeersaantrekkende werking. Om te bepalen wat de invloed hiervan op de omgeving is, is de verkeersaantrekkende werking in deze paragraaf inzichtelijk gemaakt. De gemeente Rotterdam beschikt over eigen parkeerbeleid. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt dan ook getoetst aan de 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022'. De beleidsregeling is op 16 december 2021 vastgesteld. De beleidsregeling geeft normen voor parkeren van auto's én fietsen. Aan deze normen moet voldaan worden bij een omgevingsvergunning voor het bouwen of bij een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken. Om aan dit beleid te kunnen toetsen is in het bestemmingsplan in artikel 13 een bepaling opgenomen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=c3a1af46-0165-4521-953f-6bee1f2a52ff