[24bb004793] Bijlage 1 behorende bij 24bb004792 over toelichting Havenziekenhuis eo
Tekst van het document
Havenziekenhuis e.o. Ontwerpbestemmingsplan
Status
ontwerp
Kenmerk
NL.IMRO.0599.BP2213Havenziekh-0N01
Datum
7 april 2023
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk1
Inleiding
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Gekozen planopzet
5
1.3
Ligging en begrenzing plangebied
5
1.4
Vigerende bestemmingsplannen
6
Beschrijving van het plangebied
9
2.1
Huidig gebruik
9
2.2
Beoogde ontwikkeling
9
Beleid
14
3.1
Rijksbeleid
14
3.2
Provinciaal beleid
16
3.3
Gemeentelijk beleid
24
Hoofdstuk4
Planbeschrijving
38
4.1
Inleiding
38
4.2
Ontwikkelingen
38
4.3
Juridische planbeschrijving
38
Water
41
5.1
Beleidskader
41
5.2
Samenwerking met de waterbeheerder
41
5.3
Huidige watersysteem
42
5.4
De wateropgave
43
Hoofdstuk6
Milieu
44
6.1
Inleiding
44
6.2
Milieu effectrapportage
44
6.3
Milieuzonering
46
6.4
Verkeer en parkeren
47
6.5
Geluid
51
6.6
Luchtkwaliteit
53
6.7
Bodem
55
6.8
Archeologie en cultuurhistorie
56
6.9
Externe veiligheid
59
6.10
Natuur
63
6.11
Bezonning
65
Hoofdstuk2
Hoofdstuk3
Hoofdstuk5
2
6.12
Windhinder
67
6.13
Duurzaamheid
71
Hoofdstuk7
Handhaving
73
Hoofdstuk8
Financiële uitvoerbaarheid
74
Hoofdstuk9
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
75
9.1
Participatie
75
9.2
Vooroverleg
77
Bijlagen Bijlage 1
Mobiliteitsplan
Bijlage 2
Aanmeldnotitie m.e.r.
Bijlage 3
M.e.r.-beoordelingsbesluit
Bijlage 4
Akoestischonderzoek
Bijlage 5
Bodemonderzoek
Bijlage 6
Controleverzoek explosieven
Bijlage 7
Onderzoek externe veiligheid
Bijlage 8
Bezonningsstudie
Bijlage 9
Windhinderonderzoek
Bijlage 10
Quick scan flora en fauna
Bijlage 11
Nader ecologisch onderzoek
Bijlage 12
Ontheffing Wnb
Bijlage 13
Stikstofdepositieberekening
3
4
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Het Havenziekenhuis is gelegen aan de Haringvliet te Rotterdam. Het voornemen bestaat om het Havenziekenhuis te herontwikkelen. De functie wonen zal een prominente plaats gaan innemen. Tevens wordt voorzien in commerciële en maatschappelijke functies. Hierbij kan gedacht worden aan zorggerelateerde functies, horeca, kantoren, commerciële dienstverlening, buurtvoorzieningen en mogelijk ook sportvoorzieningen. De beoogde herontwikkeling is niet mogelijk volgens de regels van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat om de ontwikkeling mogelijk te maken een planologische procedure moet worden doorlopen. Vanwege de gewenste flexibiliteit is gekozen voor het opstellen van een (postzegel)bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan bestaat onder andere uit een toelichting waarin wordt beschreven dat sprake blijft van een goede ruimtelijke ordening. Voorliggend document bevat deze toelichting.
1.2
Gekozen planopzet
Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling die voorziet in voldoende flexibiliteit om de geplande ontwikkeling en de beoogde buitenruimte te realiseren. De regeling geschiedt door middel van bindende documenten, te weten de tot het bestemmingsplan toebehorende regels en verbeelding. Deze plandelen omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 3) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 4). De bindende delen worden nader onderbouwd met een toelichting op zowel de regels als de verbeelding. In de toelichting wordt nader ingegaan op de ruimtelijke inpasbaarheid van de beoogde ontwikkeling (hoofdstuk 5 en 6) en de uitvoerbaarheid ervan (hoofdstuk 8 en 9). De gehanteerde plansystematiek sluit aan op de gangbare systematiek binnen de gemeente Rotterdam en het vigerende bestemmingsplan "Haringvliet", met inachtneming van de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012) en het Informatie Model Ruimtelijke Ordening (IMRO 2012).
1.3
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied is gelegen aan het Haringvliet te Rotterdam. Het Haringvliet ligt ten noorden van de locatie. Ten oosten van het plangebied is de Oostmolenwerf gelegen. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan de Maasboulevard (S100). Het plangebied wordt via deze weg ontsloten. De oostzijde van het plangebied wordt begrensd door woningen van Stichting Woonstad Rotterdam die gelegen zijn aan het Achterharingvliet en het Haringvliet.
5
Figuur 1.1. Indicatieve begrenzing van het plangebied weergegeven op een luchtfoto (Bron: Google Maps)
1.4
Vigerende bestemmingsplannen
Het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied is bestemmingsplan "Haringvliet". Dit bestemmingsplan is in juli 2017 vastgesteld (onherroepelijk op 2 september 2017). Op basis van het vigerende bestemmingsplan kent het plangebied de enkelbestemmingen 'Maatschappelijk', Wonen', 'Verkeer - Erf' en Verkeer - Verblijfsgebied'. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen 'Waterstaat Waterkering', 'Waarde - Cultuurhistorie 2', 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2' van kracht. In figuur 1.2 is een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan opgenomen.
6
Figuur 1.2. Uitsnede vigerende bestemmingsplannen en daarop aangegeven het plangebied (Bron Qgis; PDOK, geraadpleegd op 16 oktober 2020)
Naast het vigerende bestemmingsplan "Haringvliet" gelden ter plaatse van het plangebied de bestemmingsplannen "Parapluherziening parkeernormering Rotterdam" en de "Parapluherziening biologische veiligheid". Parapluherziening parkeernormering Rotterdam Ter plaatse van het plangebied is de "Parapluherziening parkeernormering Rotterdam", zoals vastgesteld op 14 december 2017, van kracht. In deze parapluherziening is een regeling in de vorm van een voorwaardelijke verplichting opgenomen, die verwijst naar de parkeernormen voor auto's in het geldende beleid. Deze parapluherziening maakt geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk. In de huidige situatie is de "Beleidsregeling Parkeernomen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022" het geldende beleid. De "Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022" is vastgesteld door de Raad van de gemeente Rotterdam op 16 december 2021. Deze beleidsregeling is het instrument om het aantal benodigde auto- en fietsparkeerplaatsen te bepalen bij nieuwe bouwontwikkelingen en transformaties. De regeling waarborgt dat initiatiefnemers voldoende parkeercapaciteit realiseren voor auto en fiets bij ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. In paragraaf 6.4 wordt hier dieper op ingegaan.
Parapluherziening biologische veiligheid Het doel van deze parapluherziening is om het vestigen of uitbreiden van biologische laboratoria met een hoog risico uitsluitend toe te staan als het beleids- en toetsingskader is getoetst en daaruit blijkt dat het laboratorium wenselijk is op de beoogde locatie. In onderhavig geval bestaat niet de wens om een biologisch laboratorium te vestigen. Voornoemde parapluherziening is niet relevant voor de beoogde ontwikkeling en vormt daarmee geen belemmering of randvoorwaarde voor de beoogde ontwikkeling. Relatie tot het plangebied De beoogde ontwikkeling bestaan voornamelijk uit woningen, daarnaast worden maatschappelijke en commerciële functies, en daarbij behorende voorzieningen mogelijk maakt. De beoogde bebouwing
7
bestaat daarnaast uit meerdere bouwhoogten, variërend tussen 23 meter en maximaal 113 meter. Aangezien de beoogde ontwikkeling niet past binnen de zowel de gebruiks- als bouwregels van het geldende bestemmingsplan is een nieuw bestemmingsplan opgesteld om de ontwikkeling planologisch mogelijk te maken.
8
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving van het plangebied
Huidig gebruik
Het perceel aan het Haringvliet is in zijn huidige vorm in gebruik als ziekenhuis, een parkeerterrein, rijbanen en groengebied. Figuur 2.1 geeft het huidige gebruik van het terrein weer. In 2017 is het Havenziekenhuis failliet verklaard. Daarna is gezocht naar een tijdelijke invulling. In 2021 is een vergunning verleend voor de invulling met woon- en kantoorruimtes. Figuur 2.1. Huidige situatie plangebied (Bron: Google Maps)
2.2
Beoogde ontwikkeling
Het voornemen bestaat om de locatie van het Havenziekenhuis en de naastgelegen percelen te herontwikkelen. De bestaande bebouwing wordt gedeeltelijk of als geheel gesloopt.Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zijn een aantal ruimtelijke en programmatische voorwaarden meegegeven (zie ook paragraaf 3.3.11 Nota van Uitgangspunten). Op basis van deze randvoorwaarden is het bestemmingsplan tot stand gekomen, zie ook de volumestudie die in figuur 2.2 is weergegeven.
Figuur 2.2 Volumestudie aan de hand van randvoorwaarde (Bron: Mecanoo, d.d. 28 september 2020)
9
Centraal in het project ligt het voormalige havenziekenhuis, wat wordt behouden en integraal onderdeel wordt van de ontwikkeling. Dit historische gebouw wordt getransformeerd en biedt ruimtes met riante vrije hoogtes. Bijzondere detaillering zoals gietijzeren balkonhekken worden behouden en waar nodig gerestaureerd. Op het dak wordt een publiek dakterras met paviljoen gemaakt, een ‘stadsbalkon’ met zichten over zowel Maas als binnenstad. De dakrand en opbouw met paviljoen zijn geinspireerd door de originele opbouw en vormen een markante bekroning van het pand. De ontwikkeling houdt zoveel mogelijk rekening met bovenstaande kenmerken van de locatie, omdat de locatie is gelegen op een locatie waar hoogbouw is beoogd. Ten behoeve van de aansluiting op de omliggende bebouwing is gekozen voor verschillende bouwhoogtes waarbij de toren aan de zijde van Oostmolenwerf de hoogste hoogte krijgt.De torens krijgen respectievelijk een hoogte van maximaal 73 en 113 meter (exclusief technische installaties en ondergeschikte bouwdelen). Het deel daar tussenin krijgt een hoogte van maximaal 30 meter. Aan beide zijden van het bestaande pand komt de gevel voor een deel terug te liggen om de nieuwbouw en oudbouw van elkaar te onderscheiden. De plint krijgt een hoogte van maximaal 23 meter, in lijn met de 'Rotterdamse laag'. Het maaiveld in de omgeving van de beoogde bebouwing wisselt.
Zo is de hoogte aan de zuidzijde van de bebouwing een meter hoger dan het maaiveld nabij het Haringvliet. Wanneer een bouwwerk aan meer dan één weg wordt gebouwd, is het peil van de hoogstgelegen weg maatgevend. De bouwhoogten worden daarom gemeten vanaf de zuidzijde van het plangebied. Naast wonen is een mix van (ondersteunende) functies in het plan opgenomen waaronder: maatschappelijke en zorggerelateerde functies, horeca, kantoor, commerciële dienstverlening, buurtvoorzieningen en sportvoorzieningen. In totaal gaat het om maximaal 500 woningen en 5.000 m2 aan niet woonfuncties. Daarnaast wordt voorzien in een tweelaagse parkeerkelder. Het dak van het beeldbepalend gebouw van het Havenziekenhuis wordt ingericht ten behoeve van horeca en is toegankelijk voor de inwoners van Rotterdam. Figuur 2.3. Indicatieve indeling beoogde bebouwingssituatie (bron: Mecanoo, d.d. 11 maart 2022)
10
Figuur 2.4. Impressie nieuwbouw (bron: Mecanoo, d.d. 11 maart 2022)
Aan de zijde van de Maasboulevard is een monumentale boom aanwezig. Deze blijft behouden. Ook tijdens de bouw zal deze boom gerespecteerd en voldoende beschermd worden. Daarnaast wordt ook het overige aanwezige groen zoveel mogelijk behouden en wordt op een aantal plaatsen groen toegevoegd, zie ook figuur 2.6. Figuur 2.5. Aanwezig groen rondom het plangebied
11
Figuur 2.6. Situatietekening rondom het plangebied
12
13
Hoofdstuk 3 3.1
Beleid
Rijksbeleid
Algemeen Met de komst van de Wet ruimtelijke ordening in 2008 zijn de juridische mogelijkheden van het Rijk gewijzigd. Structuurvisies zullen voortaan de hoofdlijnen van het nationale ruimtelijk beleid aangeven en de nationale belangen die met dat beleid worden behartigd proberen veilig te stellen. Ter verwezenlijking daarvan heeft het Rijk de beschikking over nieuwe juridische mogelijkheden. Het Rijk kan een bestemmingsplan opstellen, een zogenaamd rijksinpassingsplan. Daarnaast zijn er instrumenten die uitvoering van het rijksbeleid kunnen verzekeren zoals de bevoegdheid tot het stellen van algemene regels in een algemene maatregel van bestuur (amvb) en het opleggen van aanwijzingen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is in werking getreden en geeft de rijksbelangen weer die doorwerken in gemeentelijke bestemmingsplannen. 3.1.1
Nationale Omgevingsvisie
Vastgesteld op 11 september 2020 In de Nationale Omgevingsvisie zijn de kaders van het nieuwe rijksbeleid opgenomen. In het kader van de nahangprocedure kunnen in de Nationale omgevingsvisie nog opmerkingen en wensen van de Tweede Kamer worden verwerkt. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt door het Rijk een langetermijnvisie gegeven op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. Figuur 3.1. Afwegen met de NOVI (bron: Nationale Omgevingsvisie)
De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met de ambities: wat willen we bereiken? Vervolgens worden de 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. De vier prioriteiten De Uitvoeringsagenda beschrijft de vier prioriteiten. De opgaven uit de toelichting kunnen veelal niet
14
apart van elkaar worden aangepakt. Als een samenhangende, integrale aanpak nodig is, over de sectoren heen, vraagt dit een andere inzet. De samenhang tussen opgaven manifesteert zich rond vier prioriteiten. 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio's Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
Drie afwegingsprincipes Het doel van de Omgevingswet is het bereiken van een balans tussen: '(a) het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften'. Beschermen en ontwikkelen sluiten elkaar niet per definitie uit en kunnen elkaar zelfs versterken. Echter, gaan beschermen en ontwikkelen niet altijd en overal zonder meer samen en zijn soms echt onverenigbaar. Een optimale balans tussen deze twee vergt steeds een zorgvuldige afweging en prioritering van ongelijksoortige belangen. Om dit afwegingsproces en de omgeving inclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combineren boven enkelvoudig 2. Kenmerken & identiteit 3. Afwentelen voorkomen In de NOVI zijn de volgende nationale belangen genoemd die het project raken: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en alle onderdelen van de fysieke leefomgeving Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.
Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. Voor wat betreft de volgende nationale belangen “Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en alle onderdelen van de fysieke leefomgeving”, “Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit” en “Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving” wordt verwezen naar de milieuonderzoeken, zoals die in hoofdstuk 6 Milieu aan de orde komen. Het realiseren van een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften behelst een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming. Vraaggericht programmeren en realiseren van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio's leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en overprogrammering te worden voorkomen. Om beide te bereiken, is een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Zie hierna onder paragraaf 3.2.2.
Voor de nationale belangen “Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid “en “Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater” wordt verwezen naar hoofdstuk 5 Water.
3.1.2
Erfgoed
Vastgesteld op 15 juni 2011 In de jaren 2012-2016 heeft de Rijksdienst in vijf programmalijnen uitvoering gegeven aan de beleidsnota Visie Erfgoed en Ruimte, Kiezen voor Karakter. In de beleidsnota schetst het kabinet haar visie op het borgen van onroerend cultureel erfgoed in de ruimtelijke ordening. De beleidsvisie is complementair aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het ministerie van I&M. Het programma Erfgoed en
15
Ruimte wordt met een paar jaar verlengd, tot aan de invoering van de Omgevingswet in. In het plangebied is geen sprake van bebouwing, noch erfgoed. De archeologische verwachting is in paragraaf 6.8 nader toegelicht. 3.1.3
Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking)
In werking getreden op 1 oktober 2012, gewijzigd per 1 juli 2017 Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Dit belang staat beschreven in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte binnen een breder kader van een goede ruimtelijke ordening. Gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens de Ladder. Concreet betekent dit dat het bestemmingsplan een beschrijving bevat van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Wanneer deze ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied gerealiseerd wordt, moet gemotiveerd worden waarom er niet binnen het stedelijk gebied voorzien kan worden in de behoefte. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Bestemmingsplan Met voorliggend bestemmingsplan worden maximaal 500 woningen en 5.000 m2 bvo aan commerciële voorzieningen mogelijk gemaakt.
Woningbouw De regiogemeenten hebben de woonvisie "Dat spreken we af! - Woningmarktstrategie Regio Rotterdam 2014-2020" (vastgesteld op 12 februari 2014 door de stadsregio Rotterdam) opgesteld ter uitwerking van het provinciale beleid. Deze Woonvisie is als regionale woonvisie te beschouwen en in april 2014 aanvaard door de provincie. Een actualisering van de regionale woonvisies is op 26 september 2017 aanvaard door Provinciale Staten. Uit de (acualisering van) de woonvisies blijkt dat er de komende jaren in de provincie vooral vraag is naar stedelijke woonmilieus: een relatief hoge dichtheid, goede bereikbaarheid, een hoog voorzieningenniveau en functiemenging. Hier wordt met de ontwikkeling invulling aan gegeven. In paragraaf 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt nader ingegaan op de ladderonderbouwing. Daarin wordt ook ingegaan op de behoefte aan het commerciële programma. Conclusie De woningen die in dit bestemmingsplan mogelijk maakt voorzien in een actuele behoefte, liggen binnen bestaand stedelijk gebied. Gezien het bovenstaande voldoet het bestemmingsplan aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2
Provinciaal beleid
Algemeen De hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijk beleid zijn weergegeven in de Omgevingsvisie Zuid-Holland, de Omgevingsverordening Zuid-Holland en het Programma Ruimte. In de volgende paragrafen wordt hier nader op ingegaan. 3.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
Vastgesteld door Provinciale Staten in 2019 (geconsolideerde versie 2022) In de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie d.d. 25 oktober 2022 is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving op visieniveau samengevoegd in een Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De provincie wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Er is daarom geen eindbeeld voor 2030 of 2050 opgenomen, maar de maatschappelijke opgaven zijn vertaald in ambities.
16
De provincie heeft hiervoor 7 vernieuwingsambities geformuleerd. Deze ambities dienen als stip op de horizon: 1. Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland. 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen. Door in te zetten op de zeven ambities draagt Zuid-Holland bij aan een betere leefomgeving in de provincie.
Beleid ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening ('handelingskader ruimtelijke kwaliteit'). De kwaliteitskaart en de richtpunten geven richting aan de interpretatie van ruimtelijke kwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.
Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Figuur 3.1 Soorten ontwikkelingen (bron: Omgevingsvisie Zuid-Holland)
17
De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau, en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. Relatie tot het plan Het plangebied is gelegen binnen het bebouwde gebied (steden en dorpen), zie figuur 3.2. Figuur 3.2 Uitsnede kaart Laag van de stedelijke occupatie (Bron: http://gebiedsprofielen.zuid-holland.nl/)
Vanwege de ligging in het gebied aanwezen als 'steden en dorpen' zijn de volgende richtpunten van toepassing: Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de
18
overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads- en dorpsranden). Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht. Daarnaast is het aangewezen als 'Stedelijk centrumgebied'. De historische centra en kernen met hun compacte bebouwingsstructuur zijn waardevolle woon- en vestigingsmilieus in Zuid-Holland en dragen bij aan de toeristische kwaliteit. Als ontwikkelingen plaatsvinden in of in de nabijheid van het historisch centrum dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de vitale stads- en dorpscentra met een gevarieerd functioneel en ruimtelijk beeld. De beoogde ontwikkeling bestaat uit het mogelijk maken van woontorens inclusief een diversiteit aan functies. Hiermee biedt het plan ruimte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het plangebied is reeds deels bestemd voor maatschappelijke - en woonfuncties. Gezien de ligging nabij in het stedelijk centrumgebied passen de beoogde activiteiten bij de schaal en aard van het gebied. Daarmee is sprake van inpassing.
Het plan heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten. Met de beoogde ontwikkeling wordt gestreefd naar behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Hiermee past het plan binnen de uitgangspunten van de Omgevingsvisie.
3.2.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland
Vastgesteld door Provinciale Staten in 2019 (geconsolideerde versie 2022) Per oktober 2022 is, naast de Omgevingsvisie, ook de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. De inhoud van de omgevingsvisie is voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening. In de verordening van provinciale staten van Zuid-Holland zijn de regels opgenomen voor het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Aan deze regels moeten ruimtelijke plannen van de gemeenten voldoen. Enkele relevante speerpunten uit de omgevingsverordening zijn de regels voor ruimtelijke kwaliteit en het toepassen van de ladder voor duurzame verstedelijking. Voor de ladder voor duurzame verstedelijking geldt overigens dat deze op basis van landelijke regelgeving niet van toepassing is, maar dat de provincie de bevoegdheid heeft nadere regels te stellen met betrekking tot de onderbouwing van de (regionale) behoefte, hetgeen de provincie Zuid-Holland in haar verordening heeft gedaan. Relatie tot het plan Er zijn diverse regels uit de Omgevingsverordening waar de voorgenomen ontwikkeling aan moet voldoen. Een samenvatting van deze regels met de relevante voorwaarden voor de voorgenomen ontwikkeling is onderstaand weergegeven. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit: 5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a.
de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; Het plangebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied. De locatie is gelegen binnen het gebied dat is aangewezen als grootstedelijke top- en centrumlocatie, zie ook onderstaande figuur. Daarmee wordt voldaan aan het uitgangspunt dat stedelijke ontwikkelingen bij voorkeur op dergelijke locaties plaatsvinden. In onderhavig geval is sprake van inpassing van een ontwikkeling die voldoet aan de richtpunten van de kwaliteitskaart, zie ook paragraaf 3.2.1. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen:
19
1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria in bijlage X. 2. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan wat hierover is vastgelegd in de geldende door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale woonvisie. 3. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen.
In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 4. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Op grond van de provinciale Omgevingsverordening dient ingegaan te worden op de Ladder voor duurzame verstedelijking. Daarbij dient zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte aan de ontwikkeling te worden aangetoond. Ten aanzien van de kwantitatieve woningbehoefte worden door de provincie de Woningbehoefteraming (WBR) en de Trendraming (TR) gebruikt. De provincie stelt de hoogste uitkomst vast als regionale behoefte aan nieuwe woningen in een bepaalde periode. Hierdoor is er, in plaats van de eerder gehanteerde bandbreedte, één richtgetal per regio. In de praktijk betekent dit dat voor regio's waar de TR lager dan de WBR uitvalt, de WBR het uitgangspunt voor de behoefte is, en voor regio's waar de TR hoger dan de WBR uitvalt, de TR dat is. In tabel 3.1 is de WBR afgezet tegen de BP van de regio Rotterdam voor de komende decennia. De tabel is beperkt tot de regio Rotterdam Centrum.
Tabel 3.2 betreft een weergave van de TR van de regio Rotterdam voor dezelfde periode. Tabel 3.1 WBR en BP uitgedrukt in woningvoorraadontwikkeling, Staat van Zuid-Holland (bron: http://staatvan.zuid-holland.nl/portfolio_page/prognoses-naar-gebied-en-periode)
Tabel 3.2 Trendraming regio Rotterdam - Centrum (bron: http://staatvan.zuid-holland.nl/portfolio_page/prognoses-naar-gebied-en-periode)
Op basis van de WBR en BP blijkt voor de periode 2022-2029 een woningbehoefte van 3.613 woningen ten opzichte van een bevolkingsprognose van 3.015 Uit de TR blijkt voor de periode 2020-2030 een te
20
woningvoorraadtoename van 22.530 woningen voor het gehele centrum van Rotterdam. De TR valt daarmee hoger uit dan de WBR en is daarmee het uitgangspunt voor de behoefte. Het toevoegen van maximaal 500 woningen draagt bij aan de woningbehoefte in de regio. De voorgenomen ontwikkeling maakt daarnaast maximaal 5.000 m2 aan commerciële functies, waaronder detailhandel, kantoren en horeca mogelijk. Gezien de toevoeging van woningbouw in voorliggend plan en de ligging aan de rand van het centrum, dient te worden voorzien in ondersteunende, lokale voorzieningen. Voorliggend plan voorziet in voorzieningen op lokaal niveau. Het plangebied is gelegen aan het Haringvliet nabij het centrum van Rotterdam, waar de provincie graag meer beleidsruimte wil toekennen wanneer het gaat om de realisatie van detailhandel, kantoren en andere commerciële functies. De locatie leent zich uitstekend voor vestiging van voorzieningen, gelet op de ligging van het plangebied nabij het centrum. Om ervoor zorg te dragen dat aan de regels van de verodening wordt voldaan zijn in de planregels specifieke gebruiksregels opgenomen. Daarin is vastgelegd dat maximaal 1.000 m2 bvo aan detaihandel is toegestaan waarbij maimaal 400 m2 bvo per vestiging. Daarnaast is voornamelijk kleinschalige en ondergeschikte detailhandel toegestaan en maximaal één gemakswinkel.
Daarnaast is vastgelegd dat maximaal 1.000 m2 aan kantoorvloeroppervlak is toegestaan. Daarnaast draagt een woningbouw in combinatie met commerciële voorzieningen bij aan de ambitie voor het gebied, namelijk het creëren van een hoogstedelijk woonmilieu met veel functiemenging, zoals met de Nota van Uitgangspunten is beoogd. Gesteld kan worden dat de Ladder met succes is doorlopen. Artikel 6.10a Dichtheid en verscheidenheid woningbouw 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt buiten bestaand stads- en dorpsgebied, houdt rekening met een zo hoog mogelijke woningdichtheid en draagt bij aan een goede woon- en leefomgeving. 2. Het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, betrekt de mogelijkheden voor gevarieerde woningtypen bij het toelaten van woningbouw. Met het beoogde plan wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijke woningdichtheid waar sprake is van een goede woon- en leefomgeving. Hiermee wordt voldaan aan artikel 6.10a. Artikel 6.10b Parkeernorm sociale huur 1. Een bestemmingsplan dat voorziet in nieuwe sociale huurwoningen hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning. 2. In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als de gemeente op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren heeft vastgesteld.
De gemeente Rotterdam beschikt over parkeerbeleid waarin voor sociale huurwoningen specifieke parkeernormen zijn opgenomen. De norm uit de verordening wordt dan ook niet gehanteerd. Artikel 6.10d Bereikbaarheid Een bestemmingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Conform artikel 6.10d is in de verkeersanalyse ingegaan op de gevolgen van de ontwikkeling voor de bereikbaarheid, zie ook paragraaf 6.4 Verkeer en parkeren. Artikel 6.11 Kantoren 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in nieuwe kantoren op gronden: a. binnen de grootstedelijke top- en centrumlocaties, waarvan de plaats indicatief geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II; b. binnen de OV-knooppuntlocaties en centrum- en (intercity)stationslocaties, waarvan de plaats indicatief geometrisch en verbeeld op kaart 10 in bijlage II, mits is aangetoond dat de behoefte aan kantoren groter is dan de nog onbenutte plancapaciteit voor kantoren op de desbetreffende locatie; c. binnen de bijzondere locaties, waarbij de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II, mits passend in het profiel van deze locaties. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op:
21
a. kantoren die in overeenstemming zijn met een actuele regionale visie die is aanvaard door gedeputeerde staten; b. kleinschalige zelfstandige kantoren tot een bruto vloeroppervlak van 1.000 m² per vestiging; c. kantoren met een lokaal verzorgingsgebied; d. bedrijfsgebonden kantoren met een bruto vloeroppervlak dat minder bedraagt dan 50% van het totale bruto vloeroppervlak van het bedrijf; en e. functiegebonden kantoren bij een luchthaven, een haven of een veiling. Op de bij de provinciale Omgevingsverordening behorende kaart 10 in bijlage II is het plangebied aangewezen niet als 'grootstedelijke top- en centrumlocatie'. Conform lid 2 wordt alleen kleinschalige zelfstandige kantoren toegestaan. In de planregels is de oppervlaktemaat van maximaal 1.000 m2 vastgelegd. Daarbij wordt verwacht dat de kantoorruimte in gebruik zal worden genomen door kantoren met een lokaal verzorgingsgebied, zodat dit passend is binnen de regels van de verordening.
Artikel 6.13 Detailhandel 1. Een bestemmingsplan voorziet uitsluitend in nieuwe detailhandel op gronden: a. binnen of aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden, dorpen en wijken; b. binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk; c. binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van herallocatie. 2. De nieuwe detailhandel, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de volgende eisen: a. de ontwikkeling is in overeenstemming met het in het Programma ruimte en de Omgevingsvisie beschreven ontwikkelingsperspectief voor de daarin benoemde te versterken centra, te b. aangetoond is dat als gevolg van de ontwikkeling het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat; c. voor zover de ontwikkeling een omvang heeft van meer dan 4.000 m2 bruto vloeroppervlakin de binnensteden van Rotterdam en Den Haag of 2.000 m2 bruto vloeroppervlak in de andere centra, is mede met het oog op de eisen onder a en b, advies gevraagd aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op een bestemmingsplan dat voorziet in de volgende nieuwe detailhandel: a.
detailhandel in goederen die qua aard of omvang van de aangeboden goederen niet of niet goed inpasbaar is in de centra: 1° detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen; 2° detailhandel in volumineuze goederen; 3° meubelbedrijven, inclusief in ondergeschikte mate een assortiment woninginrichting en stoffering, alsmede detailhandel in de volumineuze woongoederen: keukens, badkamers, vloeren, zonwering en jacuzzi’s, voor zover de ontwikkeling plaatsvindt binnen de bedrijventerreinen met locaties voor perifere detailhandelsvestigingen (PDV) waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II; 4° tuincentra; 5° bouwmarkten; b. kleinschalige detailhandel: 1° in de vorm van een gemakswinkel; 2° bij sport-, culturele, medische, onderwijs, recreatie- en vrije tijdsvoorzieningen,alsmede andere locaties met veel bezoekers of passanten, met een assortiment dat aansluit op de aard van deze voorzieningen of locaties; c. ondergeschikte detailhandel: 1° in ter plaatse vervaardigde goederen bij een productiebedrijf; 2° bij een beroep aan huis of bij een ambachtelijk of dienstverlenend bedrijf, met een assortiment dat aansluit bij de hoofdbestemming; 3° bij een agrarisch bedrijf met een assortiment van producten uit eigen teelt; d. afhaalpunten voor niet-dagelijkse artikelen op goed bereikbare locaties; e. kringloopwinkels;
22
f.
supermarkten net buiten het winkelconcentratiegebied in kleine kernen, als is aangetoond dat hiervoor onvoldoende ruimte is in een bestaande winkelconcentratie. 4. Het bestemmingsplan voorziet uitsluitend in de nieuwe detailhandel, bedoeld in het derde lid onder a en f, als is aangetoond dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat. Mede met het oog hierop is advies gevraagd aan de adviescommissie detailhandel Zuid-Holland, voor zover het gaat om de nieuwe detailhandel, bedoeld in het derde lid onder a, onderdelen 3, 4 of 5, of bedoeld in het derde lid, onder f, en voor zover die nieuwe detailhandel een omvang heeft van meer dan 1.000 m2 bruto vloer oppervlak. 5. Een bestemmingsplan dat voorziet in detailhandel als bedoeld in het derde lid, onder a stelt de volgende voorwaarden aan de nevenassortimenten: a. a. ten hoogste 20% van het netto verkoopvloeroppervlak wordt voor de verkoop van het nevenassortiment gebruikt; en b. het nevenassortiment past bij het hoofdassortiment. Het bestemmingsplan staat maximaal 1.000 m2 toe waarbij is vastgelegd dat dit in lijn met de verordening voornamelijk kleinschalige, dan wel ondergeschikte detailhandel betreft. Tevens is vastgelegd dat maximaal 1 gemakswinkel is toegestaan met een oppervlakte van 400 m2 bvo toegestaan.
Artikel 6.22 Regionale waterkeringen 1. Een bestemmingsplan voor gronden waarop een regionale waterkering ligt als bedoeld in artikel 2.2, bestemt die waterkering als zodanig. 2. Een bestemmingsplan voor gronden die deel uitmaken van een beschermingszone langs een regionale waterkering, bestemt die beschermingszone als zodanig of duidt die als zodanig aan. 3. Voor het bepalen van de omvang van de gronden, bedoeld in het eerste lid en in het tweede lid, wordt uitgegaan van de door de beheerder van de waterkering vastgestelde legger. 4. Met betrekking tot de gronden waarop een regionale waterkering of een beschermingszone ligt, kan een bestemmingsplan worden vastgesteld dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de regionale waterkering. 5. Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het vierde lid wordt advies gevraagd aan de beheerder van de waterkering. Het plan is gelegen nabij een regionale waterkering. Uit overleg met het hoogheemraadschap (zie hoofdstuk 5) volgt dat het plan niet leidt tot belemmeringen als het gaat om het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheid voor versterking van de regionale waterkering. Hiermee wordt aan artikel 6.22 voldaan.
Volledigheidshalve wordt op de verbeelding wederom een dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Artikel 6.35a risico’s van klimaatverandering In een bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. b. c. d. e.
wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte; droogte; alsmede de effecten van de bovengenoemde risico’s op het risico van bodemdaling.
Voor zover risico’s zich voordoen wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen, dan wel het gericht aanvaarden van deze risico’s. In de planuitwerking wordt voldoende rekening gehouden met de risico's ten aanzien van klimaatverandering. Een en ander wordt ook nader toegelicht in paragraaf 6.13 Duurzaamheid. Conclusie
23
De ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van het provinciale beleid.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Nota kantoren 2019
Op 12 maart 2020 heeft de gemeenteraad de Nota Kantoren vastgesteld. Doel van het beleid is om richting te geven aan de ontwikkeling van de Rotterdamse kantorenmarkt, door: Het versterken van de nieuwe economie door concentratie van kantoren op zes locaties met de beste bereikbaarheid en verblijfskwaliteit, en ontwikkeling van specifieke clusters op vijf andere locaties; Een goede balans tussen vraag en aanbod door introductie van een Rotterdamse ladder (zodat snel duidelijk is of er een markttechnische onderbouwing is voor nieuwbouw); Het stimuleren van verduurzaming van de kantorenvoorraad en -omgeving. Het nieuwe Rotterdamse beleid sluit aan op de Strategie Werklocaties van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH), waarin de regiogemeenten afspraken hebben gemaakt over de programmering van kantoren, bedrijfsruimte en detailhandel. De Nota Kantoren vormt samen met de Nota Bedrijfsruimte 2020 en de Nota Detailhandel 2017 een totaalbeleid voor werklocaties in Rotterdam. Dit samenhangende beleid dient onder meer als basis voor gemeentelijke investeringen in de lokale economie. Kantorenkoersen per gebied De lange termijn ambities voor kantoren zijn vertaald naar koersen per gebied voor de korte termijn. Relatie tot plangebied Binnen Rotterdam zijn er verschillende toekomstbestendige vestigingsgebieden voor kantoren, de zogenaamde concentratiegebieden.
De locatie is gelegen buiten een dergelijk concentratiegebied. Ambitie voorraad 2030: forse groei- en verduurzamingsopgave Vanwege de economische groei en de bevolkingstoename in Rotterdam en regio is uitbreiding van de voorraad gewenst met 80.000 m² t.o.v. de situatie begin 2019. Daarnaast is er ter compensatie van de transformatie nog 100.000 m2 nieuwe kantoren nodig. Dit is onder andere de kans om A-kwaliteit kantoren toe te voegen voor hoofdkantoren en nieuwe internationale gebruikers. Hoewel bijna 60 procent van de kantorenvoorraad energielabel C of hoger scoort, zal nog circa 400.000 m2 moeten worden geüpgraded om in 2023 te beschikken over tenminste energielabel C. Voor de nieuwbouw van circa 180.000 m2 kantoren zijn meer locaties nodig dan in het verleden bedacht. Want grote monofunctionele kantorenprojecten blijken te riskant en dragen vaak ook niet bij aan de gewenste levendigheid van de stad. Rond de grote OV-knopen (zoals Churchillplein) is weliswaar ruimte, maar liggen ook complexe opgaven m.b.t. mobiliteit, energievoorziening en openbaar gebied. Upgrading van de bestaande voorraad is daarom ook van belang.
Daarbij is in het kleinere èn grotere segment in sommige gebieden sprake van schaarste Randvoorwaarde: verbetering verblijfskwaliteit en levendigheid Om bedrijven en werknemers een aantrekkelijke omgeving te bieden is intensivering van de “citylounge” en met name de invulling van de plinten een aandachtspunt. Toevoeging van woningen biedt perspectief op een groter draagvlak voor voorzieningen en leidt tot meer sociale veiligheid buiten de openingstijden van de winkels. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling met realisatie van een beperkt kantorenprogramma en woningen in het plangebied in lijn is met de ambities aansluit bij hetgeen met de Nota kantoren 2019 is beoogd.
24
3.3.2 Omgevingsvisie Rotterdam 'De Veranderstad, werken aan een wereldstad voor iedereen' Vastgesteld door gemeenteraad op 2 december 2021 De Omgevingsvisie beschrijft de stedelijke koers voor de ontwikkeling van Rotterdam. Het is een nieuwe stadsvisie die richting geeft aan de verdere ontwikkeling van Rotterdam. Deze Omgevingsvisie vervangt de in 2007 vastgestelde Stadsvisie Rotterdam 2030. Tot de datum van invoering van de Omgevingswet krijgt de Omgevingsvisie de status van structuurvisie onder het huidige regime van de Wet ruimtelijke ordening. Hoofdlijn van de Omgevingsvisie is dat Rotterdam kiest voor goede groei. Groei die bijdraagt aan het welzijn van de inwoners, aan een duurzame samenleving en aan economische vooruitgang. Groei die het Rotterdamse rijke erfgoed en de identiteit ondersteunt en versterkt. De Omgevingsvisie gaat uit van 5 lange termijn doelen (perspectieven): compact, inclusief, duurzaam, gezond, productief. Mede aan de hand daarvan worden in de Omgevingsvisie vijf hoofdkeuzes benoemd waarmee invulling wordt gegeven aan de koers voor Rotterdam voor goede groei: Rotterdam zet in op prettig leven in de delta: Rotterdam wordt een gezonde, groene en aantrekkelijke stad in de grotere metropoolregio om te wonen, werken, recreëren, sporten en bewegen. Rotterdam gaat verstedelijken & verbinden.
Er wordt verstedelijkt binnen de bestaande stad om de stad te versterken. Verstedelijking gebeurt vooral bij en rondom bestaand of nieuw hoogwaardig openbaar vervoer. Rotterdam zet in op vitale wijken met een divers aanbod aan woon- en werkruimte en passende maatschappelijke voorzieningen. Het moet niet uitmaken waar je opgroeit om dezelfde kans te hebben op goed onderwijs, een goede woning en passend werk. In de wijken komen een heleboel opgaven samen: deze worden in samenhang aangepakt om de wijken toekomstbestendig te maken. Rotterdam zet de schouders onder de energie- en grondstoffentransitie: Er wordt gewerkt aan een stad die klimaatneutraal is en waar grondstoffen hergebruikt worden. Zo wordt een duurzaam Rotterdam gecreëerd met een bloeiende en innovatieve economie. Voor nu en toekomstige generaties. Rotterdam vernieuwt het verdienvermogen: Rotterdam heeft een sterke economische uitgangspositie. Tegelijkertijd is Rotterdam, onder meer door zijn uitstekende (internationale) bereikbaarheid, een middelpunt van innovatie en van kennisintensieve dienstverlening. Er is een aantal gebieden waar meerdere grote opgaven bij elkaar komen en waar er tegelijkertijd kansen liggen om veel van onze stedelijke doelstellingen te realiseren. Deze strategische gebieden vragen om gebiedsspecifieke richtinggevende keuzes.
Het betreft de binnenstad, Alexander tot en met Zuidplein en Rotterdam-Zuid. Voor de ontwikkeling van deze gebieden formuleert de Omgevingsvisie enkele gebiedskeuzes. Binnenstad De binnenstad, waar het plangebied onderdeel van uitmaakt, is een gebied waar meerdere opgaven bij elkaar komen en kansen liggen om stedelijke doelstellingen te realiseren. De binnenstad is een zeer geschikte plek om verder te verdichten en daarmee de aantrekkelijkheid te vergroten voor zowel wonen, werken als recreëren. Een hoge mate aan functiemenging wordt geambieerd. De gemeente streeft naar een balans tussen rust en reuring. Daarbij blijft het een gebied waar iedereen elkaar kan ontmoeten. In de binnenstad is sturing nodig op de gewenste programmering. Dde druk op de beschikbare ruimte neemt snel toe en zorgt voor verdringing van functies. De betaalbaarheid van sommige functies staat onder druk; wonen in het betaalbare segment (sociaal en midden), betaalbare kantoor- en bedrijfsruimtes en ruimtes voor (maatschappelijke) voorzieningen. Wanneer daar niet op wordt gestuurd leidt dit tot verschraling van de diversiteit van het aanbod en uitsluiting van groepen bewoners en ondernemers. Daarnaast kent de binnenstad een toenemende druk op de openbare ruimte. Denk aan de toename van het aantal verplaatsingen door steeds meer mensen (bewoners, werkers en bezoekers).
De ruimte die nodig is voor georganiseerde activiteiten maar ook om even tot rust te komen. Zowel
25
boven- als ondergronds is ruimte nodig om de transities in goede banen te leiden; meer ruimte voor voetganger en fiets, vergroening en stadsecologie, waterberging en een duurzame energievoorziening. Dit vraagt om méér en hoogwaardig ingerichte openbare ruimte voor intensief gebruik en daardoor ook intensief beheer en onderhoud. Daarom zijn keuzes en investeringen in het publieke domein nodig om transities voldoende ruimte te geven én om leefomgevingskwaliteit toe te voegen. Relatie tot het plangebied Met de ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan het verdichten van de binnenstad. Door zowel te voorzien in woningen als commerciele functies ontstaat binnen het plangebied een aantrekkelijk woonen werkmilieu. Tevens wordt de locatie met het toevoegen van een horecagelegenheid aantrekkelijk voor bezoekers van de binnenstad. De zuidzijde van het plangebied blijft een groene zone. De beoogde ontwikkeling levert daarmee een bijdrage aan hetgeen met de omgevingsvisie is beoogd. 3.3.3
Woonvisie Rotterdam, Koers naar 2030, agenda tot 2020
Vastgesteld op 15 december 2016 door de Rotterdamse gemeenteraad De Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld. Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door: de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen; te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; en woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid. Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad; ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden; en energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen.
De basis op orde houden door: het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen; betaalbaarheidproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk; goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken; toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt; en woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning. De Woonvisie is een visie op hoofdlijnen en doet geen gebiedsgerichte uitspraken. De Woonvisie is een instrumentele uitwerking van de Stadsvisie op het onderwerp wonen op de korte termijn. De Woonvisie richt zich op acties in de huidige woningmarkt, binnen de kaders van het collegeprogramma, om zo de ambitie van de Stadsvisie te helpen realiseren. Relatie met het plan De voorgenomen ontwikkeling voorziet in minimaal 30% middeldure huurappartementen (conform de Nota van Uitgangspunten). Uit de Woonvisie volgt dat het aanbod in dit segment ver achter blijft bij de vraag. Aangezien maximaal 500 woningen mogelijk worden gemaakt wordt een bijdrage geleverd aan de woningvooraad voor een gediferentieerde doelgroep. De ontwikkeling geeft invulling aan de ambities uit de Woonvisie Rotterdam. 3.3.4
Stedelijk Verkeersplan Rotterdam 2017 - 2030+
Vastgesteld op 11 mei 2017 door de Rotterdamse Gemeenteraad Het Stedelijk Verkeersplan is een plan waarbij bereikbaarheid in dienst van een economisch sterk en
26
gezond Rotterdam staat. Het Stedelijk Verkeersplan zet de lange termijnvisie neer, waarbij het uitgangspunt is dat mobiliteit geen doel op zich is, maar een belangrijke randvoorwaarde voor een economische sterk, gezond en aantrekkelijk Rotterdam. De Rotterdamse Mobiliteitsagenda kent een drietal vertrekpunten: de groei en stedelijke verdichting van Rotterdam naar 690.000 inwoners in 2035; de economische vernieuwing (Next Economy) en de daarbij horende energietransitie; de stedelijke mobiliteitstransitie naar meer fiets en ov-gebruik. Bovengenoemde ontwikkelingen zijn vertaald in een verschillend aantal kansen en bereikbaarheidsmaatregelen die bijdragen aan Rotterdam als levendige en sterke economische stad. Een goede balans in modaliteiten, oftewel een nieuw evenwicht tussen fietsers, voetgangers, auto’s en het openbaar vervoer is daarbij vertrekpunt. Dit betekent dat de verdichting met woningen binnen het stedelijk gebied prioriteit krijgt en de transitie naar de Next Economy het regionaal en stedelijk vervoersnetwerk vorm geeft. Hierbij staat de gezondheid van de Rotterdammer voorop en wordt geïnvesteerd in slimme mobiliteit, waarbij de stad functioneert als proeftuin.
De structuuringrepen binnen het Stedelijk Verkeersplan bieden de meeste kansen om een stedelijk en regionaal infrastructuur netwerk te vormen dat voldoende flexibel en genoeg adaptief is om de stad van de toekomst (Next City) vorm te geven. De mobiliteitsstrategie ontstaat vanuit de gewenste ruimtelijke en economische ontwikkeling van stad en regio en wordt -wanneer de bereikbaarheidsopgave in de toekomst verandertsteeds opnieuw aan de tijdgeest aangepast, omdat het geen volgordelijkheid kent. Dit leidt tot de volgende beleidskeuzen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
stimuleren van fiets en ov; een samenhangend regionaal en stedelijk netwerk: wegen en ov in evenwicht; regionale en stedelijke oeververbindingen: nieuwe en transformatie van bestaande; aantrekkelijke en levendige (Binnen)stad: de City Lounge versterkt; versterken nieuwe vervoerswijzen: vervoer over water en Last Mile; geen vervoersarmoede: sociale en maatschappelijke participatie versterkt; gezonde leefomgeving: versterken ruimtelijke kwaliteit, luchtkwaliteit en Zero Emissie; slimme mobiliteit: technologische innovatie en ict; gebieden Buiten de Ring: duurzaam verbinden.
Relatie met het plan Met voorliggend plan wordt herstructurering van het plangebied mogelijk gemaakt waarbij wordt voorzien in woningen en voorzieningen. In paragraaf 6.4 wordt nader ingegaan op het aspect verkeer. Daaruit volgt dat wordt voldaan aan de uitgangspunten van het verkeersplan. 3.3.5 Beleidsnota Archeologie 2008-2011, Archeologische Waarden en Beleidskaart (AWK), lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), Archeologieverordening Rotterdam Vastgesteld op 17 juli 2008 door de Rotterdamse Gemeenteraad, vastgesteld op 31 januari 2006 en vastgesteld op 29 september 2009 door de Burgemeester en Wethouders van Rotterdam, vastgesteld op 5 november 2009 door de Rotterdamse Gemeenteraad Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van het Rotterdamse archeologiebeleid is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden.
De gemeente Rotterdam bezit een vastgestelde Archeologische Waarden- en Beleidskaart (AWK), een vastgestelde Beleidsnota Archeologie 2008-2011 en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de eveneens vastgestelde Archeologieverordening Rotterdam. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Relatie met het plan Het plangebied kent volgens de Archeologische Waarden- en Beleidskaart Rotterdam (AWK 2005) een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde. Figuur 3.3 Uitsnede Archeologosiche waarden- en beleidskaart Rotterdam
27
Conform het bestemmingsplan "Haringvliet" geldt voor de locatie een dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1' en deels een bestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Dit betekent dat het verboden is zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren. Dit geldt voor bodemingrepen die dieper reiken dan respectievelijk 0 meter NAP en een oppervlakte groter dan 200 m2 dan wel dieper dan 1,5 meter maaiveld (ongeacht de oppervlakte van de bodemingreep). 3.3.6
Gebiedsplan Rotterdam Centrum
In 2016 is het gebiedsplan centrum vastgesteld en in 2017 is het plan gewijzigd. In het gebiedsplan wordt aan de hand van vijf te onderscheiden deelgebied aangegeven waar de gemeente op wil inzetten. Per wijk wordt stilgestaan bij een algemene beschrijving, gevolgd door kansen en bedreigingen. Vervolgens komen de opvallende scores uit het wijkprofiel aan de orde, gevolgd door de doelen en strategieën, prioriteiten en knelpunten. Daarnaast zijn er een aantal wijkoverstijgende thema's. Dit zijn: draaglijker, drugsoverlast, prestatie-inkoop Welzijn, Verkeersveiligheid, Leegstand op ooghoogte, verlichting, kunstwerken in de buitenruimte, stedelijk programma's Welzijn, meer wijkagenten in de wijk, parkeren en horeca. Relatie met het plan Het plangebied is gelegen binnen het deelgebied Stadsdriehoek en CS-kwartier. In Stadsdriehoek zijn vooral veel eenpersoonshuishoudens (62% van het totaal); huishoudens met kinderen (8%) zijn sterk in de minderheid. De gemiddelde leeftijd in het hele gebied ligt rond de 35 jaar, maar het aantal 65-plussers groeit snel. 66% van de inwoners heeft inkomsten uit werk. Het inkomen van bewoners in Stadsdriehoek is ten opzichte van het gemiddelde in Rotterdam hoog. De woningvoorraad is erg versnipperd qua eigendom en grotendeels in particuliere handen. Het aandeel van woningcorporaties is laag. De woontevredenheid is hoog in de Stadsdriehoek.