[24bb004466] Bijlage 1 behorende bij 24bb004465 over NI PV, Extreem geweld in Rotterdam: Het brandweeroptreden en de multidisciplinaire samenwerking
Tekst van het document
25/84
3.3 Een tweede CoPI: zelf doen of laten doen? Het bijzondere aan deze casus was onder andere dat er twee CoPI’s gelijktijdig actief waren, zowel tijdens het incident als nadien was er discussie over het CoPI bij het Erasmus MC. Dit had te maken met het feit dat er vanuit de meldkamer een verzoek was uitgegaan aan Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid om een CoPI-unit met basisbemensing te leveren. 10 Toen dit team met de CoPI-unit aanrijdend was, werd gemeld dat hun inzet niet meer nodig werd geacht. Volgens de leider CoPI waren er op dat moment voldoende functionarissen van Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond aanwezig om de rollen in het CoPI te vervullen. Er ontbraken aanvankelijk nog wel twee functionarissen: een informatiemanager en een communicatieadviseur. Ook was het onduidelijk of er nog een communicatieadviseur van de politie kon aanschuiven. Achteraf had iedereen wel een mening over het terugsturen van het team van Zuid-Holland Zuid; eigenlijk vonden de meesten het ongepast. Enkele weken eerder had Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond nog dankbaar gebruikgemaakt van een team van Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid bij een langdurige brand bij het Rotterdamse afvalverwerkingsbedrijf AVR.
Maar bij dit ‘serieuze’ geweldsincident werd een aanrijdend team teruggestuurd? Op zich waren de argumenten van de leider CoPI om geen gebruik te maken van functionarissen uit Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid valide. Men verwachtte dat de opkomsttijd van het team vrij lang zou zijn in verband met de drukte in stad, terwijl de gebeurtenissen elkaar snel opvolgden. In het motorkapoverleg werkte men al met elkaar samen en om nu verschillende personen te vervangen was onhandig. De overdracht zou alleen maar extra tijd kosten, onder andere door de dynamische omstandigheden. Bovendien waren de eigen functionarissen van Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, door eerdere ervaringen en OTO-activiteiten, goed bekend met de indeling en complexiteit van het Erasmus MC. Ook kenden zij de andere betrokken crisisfunctionarissen uit de regio. Toch is er ‒ de balans opmakend ‒ nog wel iets te zeggen voor de optie om het team uit Zuid-Holland Zuid wel in te zetten en eerst eens te bezien wat werkbaar zou zijn. Eventueel had er dan alsnog kunnen worden aangegeven dat sommige personen niet meer nodig waren. Tenslotte was het CoPI bij het Erasmus MC nog niet compleet en konden extra handjes nuttig zijn gezien de complexiteit van de situatie.
Eveneens betekende het dat de al ingezette functionarissen een andere rol gingen vervullen dan ze aanvankelijk deden en dat hun voormalige rol eveneens moest worden ingevuld. Er waren al veel functionarissen van verschillende hulpdiensten op de been en het vullen van een tweede CoPI betekende een extra druk op de personele capaciteit van de veiligheidsregio. De OvD-G miste bijvoorbeeld ondersteuning en binnen de brandweer was een wisseling van de wacht nodig om het CoPI te kunnen voorzien van een functionaris. De wisseling van functionarissen vroeg ook de nodige coördinatie van de al drukbezette meldkamer. Wat ons in de gesprekken opviel, was dat leidinggevenden van Veiligheidsregio RotterdamRijnmond meer moeite hadden met de manier waarop het deze keer gegaan was, dan de direct betrokkenen van Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid. Wellicht was het gemakkelijker geweest om gewoon de procedures te volgen, maar desondanks waren er geen directe gevolgen verbonden aan het afslaan van het aanbod uit Zuid-Holland Zuid voor het verloop van het incident. Hoewel er onderling afspraken zijn gemaakt tussen beide veiligheidsregio’s, was over de precieze invulling daarvan nog beperkt nagedacht. 10 Volgens de procedures van de veiligheidsregio wordt er voor een tweede CoPI bijstand gevraagd aan een buurregio.
26/84
Bijvoorbeeld: wat betekent het als een functionaris uit een andere regio onbekend is met allerlei ‘regionale’ procedures en personen? Dat is niet alleen voor de desbetreffende functionaris lastig, maar ook voor anderen. In de praktijk betekent het vaker dat een tweede team vanuit de eigen regio wordt geregeld wanneer een tweede CoPI nodig is, omdat functionarissen uit een andere regio moeten worden voorzien van ‘lokale kennis’. Zonder een nadere invulling van afspraken en meer betrokkenheid bij gezamenlijke oefeningen, is onderlinge bijstand deels ‒ en zo wordt dat ook beleefd ‒ een papieren constructie. Aansturing van twee CoPI’s Omdat zich zowel aan het Heiman Dullaertplein als bij het Erasmus MC een incident voordeed, werden op beide locaties parallel processen opgestart. De hulpdiensten op de incidentlocaties opereerden vrijwel onafhankelijk van elkaar en konden zodoende inspelen op de situatie ter plaatse. Al waren er overeenkomsten tussen beide incidentlocaties, de dynamiek was verschillend. Hoewel op beide locaties sprake was van brandstichting en een schietincident, deden op het Heiman Dullaertplein de gebeurtenissen zich voor in een woonwijk, terwijl de andere locatie een ziekenhuiscomplex betrof. Op sommige vlakken was er wel onderlinge samenwerking tussen de twee CoPI’s. Ook vond er gezamenlijk communicatie over de gebeurtenissen plaats.
Veel hulpverleners waren echter niet op de hoogte van wat zich op de andere locatie afspeelde; sommigen schermden zich daar ook bewust vanaf om zich te kunnen concentreren op hun werkzaamheden ter plaatse.
3.4 Flitsincident: designed of frontline organiseren? Wanneer zich een crisissituatie voordoet, wordt er een crisisorganisatie geactiveerd om de inzet van de hulpdiensten te coördineren. Afhankelijk van de aard en omvang van de situatie kan de crisisorganisatie verschillen, maar opschaling vindt veelal plaats volgens vooraf vastgestelde procedures. Deze procedures scheppen duidelijkheid over de bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Dat betekent overigens niet dat de crisisorganisatie in de praktijk altijd op dezelfde manier fungeert, mede omdat de structuren kunnen botsen met de snelheid en flexibiliteit die nodig zijn om adequaat te handelen. In recent verschenen onderzoek worden een aantal modaliteiten van organiseren onderscheiden, die voornamelijk verschillen in flexibiliteit en de mate waarin de besluitvormingsprocessen centraal of decentraal worden aangestuurd (Schakel & Wolbers, 2021; zie ook onderstaand kader). 11 Omdat elk van deze modaliteiten voor- en nadelen heeft, bepalen de omstandigheden van een crisissituatie welke modaliteit het beste past.
11 Hulpdiensten refereren met verschillende termen en typologieën naar de organisatieprincipes. Zo spreekt defensie eerder
van ‘command and control’ en ‘commander’s intent’. De brandweer kent het begrip van situationele commandovoering en onderscheidt daarbij drie vormen (i.e. hiërarchisch, specialistisch, en swarming). De stijl van commandovoering, oftewel leidinggeven en besluitvorming, is verbonden met de organisatieprincipes (Wolbers, 2020). Omdat we in dit geval de multidisciplinaire samenwerking belichten, is in deze rapportage voor een meer algemene benaming van de organisatieprincipes gekozen. Waar het nodig is, passen de we de termen aan, aan de betreffende hulpdienst (zie Hoofdstuk 5). Deze rapportage leent zich niet voor een onderzoek naar de terminologie.
27/84
Twee modaliteiten van organiseren Designed organiseren ‒ Vooraf gedefinieerde structuren worden gebruikt om eenheden te mobiliseren en aan te sturen. Besluiten over de adequate respons komen tot stand door gestructureerde processen en afwegingen over bestaande handelingskaders. Deze manier van organiseren sluit aan bij een situatie die zich volgens een relatief standaard patroon ontvouwt. Frontline organiseren ‒ Bevelvoering ad hoc is gedelegeerd naar de eenheden die dicht bij de actie staan. Op basis van de relevante informatie over de situatie ter plaatse en improvisatie binnen bepaalde handelingskaders, kunnen eenheden snel reageren op de situatie die ambigu is en zich snel ontwikkelt. Geformuleerd op basis van Wolbers (2020) en Schakel & Wolbers (2021).
De vraag is hoe deze vormen van organiseren een rol hebben gespeeld bij het ‘flitsincident’ zoals dat zich op 28 september voordeed in Rotterdam. Onderstaand wordt eerst designed organiseren beschouwd, daarna wordt ingegaan op frontline organiseren. Beide vormen van organiseren kwamen tijdens het geweldsincident in Rotterdam voor.
Designed organiseren
Het zogenoemde designed organiseren kreeg in Rotterdam vooral vorm door de driehoek, de twee CoPI’s en het ROT. De betekenis van deze crisisteams was echter relatief beperkt wat betreft de coördinatie en besluitvorming in de acute fase. Dat had vooral te maken met de snelheid waarmee de gebeurtenissen zich ontvouwden. De tijdspanne tussen de eerste meldingen van de incidenten en de aanhouding van de dader besloeg slechts anderhalf uur. De ontwikkelingen volgden elkaar snel op. Verschillende gremia startten pas goed en wel op toen de dader al was aangehouden. Besluiten met betrekking tot de inzet van de hulpdiensten waren toen al lang en breed genomen (zie Tabel 3.1). Bij flitsincidenten met een grote dynamiek ‒ waar in deze casus duidelijk sprake van was – zijn overlegstructuren relatief log en traag, omdat het tijd kost om deze structuren te operationaliseren. Daardoor speelde sturing van bovenaf een beperkte rol gedurende de chaotische fase 12 van het incident, maar de betekenis van deze gremia was daarmee niet minder waardevol. Zo waren de crisisteams van waarde bij: > het op enige afstand overzien en duiden (bijvoorbeeld van het slachtofferbeeld) > het verder vooruit kijken (scenario-denken) en > het beperken van de omgevingseffecten.
Daarnaast zou bij een langere tijdsduur van het incident de rol van de crisisteams waarschijnlijk groter zijn geworden, en dan is het goed als daarvoor een heldere structuur bestaat. In dat geval had er bijvoorbeeld een handelingsperspectief voor omwonenden moeten worden opgesteld of meer tussentijdse berichtgeving naar buiten moeten gaan. Mede door vroegtijdige opschaling waren de crisisteams al in stelling gebracht om besluiten te nemen met betrekking tot de nafase (bijvoorbeeld het opstarten van de zorg, organiseren van opvang en nazorg voor het eigen personeel en overdracht naar de gemeente).
12 Soms wordt er ook wel van het ‘gouden uur’ gesproken.
28/84
Tabel 3.1 Melding van geweldsincidenten en eerste bijeenkomst crisisteams Activiteit
Tijdstip
Eerste bijeenkomst
Tijdstip
Eerste melding HD-plein
14.11 uur
CoPI HD-plein
15.15 uur
Eerste melding Erasmus MC
14.20 uur
CoPI Erasmus MC
16.00 uur
Melding brand Erasmus MC
15.29 uur
ROT
15.45 uur
Aanhouding verdachte
15.30 uur
Driehoek
16.00 uur
Frontline organiseren
Op beide incidentlocaties werden belangrijke beslissingen genomen met betrekking tot de inzet van hulpdiensten. Bij het Heiman Dullaertplein waren het brandweeroptreden, maar ook dat van de politie en ambulancemedewerkers (ten behoeve van het zwaargewonde meisje), vormen van frontlijnsturing. Toen bij het Erasmus MC de brandweerinzet zich verplaatste naar de Westzeedijk, werden ter plaatse afspraken gemaakt over de taakverdeling en het moment van optreden. “Daar staken we de koppen bij elkaar: wie gaat wat doen, wie valt onder wie”, aldus een brandweerfunctionaris. Een ultiem voorbeeld van frontlijnsturing die dag was het optreden van de DSI. Deze was belast met de klopjacht op de dader (of zogenoemde ‘manhunt’). DSI’ers vonden het zo belangrijk de dader snel uit te schakelen, dat ze de eventuele rook van de brand voor lief namen. De DSI wist ‒ op basis van goede politiële ondersteuning en medewerking van het Erasmus MC – bijzonder snel de (vermoedelijke) dader op te pakken. Het was een bepalende factor voor het verdere verloop van de dag na de zo tragische voorvallen. Op beide locaties vormde het zogenoemde motorkapoverleg op straat de belangrijkste vorm van frontlijnsturing. Hierin vond de noodzakelijke multidisciplinaire afstemming plaats.
Soms was dat een gestructureerd motorkapoverleg, maar vaker een kort overleg tussen bijvoorbeeld een brandweerofficier en een OvD-P of iemand van de DSI. De nadruk lag dus op decentrale aansturing. Dit komt overeen met de wijze waarop tijdens de tramaanslag in Utrecht de crisisstructuur functioneerde (Wolbers, 2020). Ook Van Duin et al. (2012) concludeerden al dat bij het schietdrama in Alpen aan de Rijn (2011) beslissingen veelal op operationeel niveau genomen werden en dat de rol van de autoriteiten daardoor veranderde. De rol van de CaCo en meldkamer De veiligheidsregio is bezig met een heroriëntatie op de rol van de CaCo en een herinrichting van de meldkamer. De meldkamer en het overleg aldaar tussen de verschillende diensten onder leiding van de CaCo hebben tijdens het schietincident een positieve rol gespeeld. Het was een grote uitdaging om de beeldvorming en informatievoorziening compleet te krijgen, voornamelijk vanwege de snelheid waarmee het incident zich ontwikkelde en het grote aantal ingezette crisisfunctionarissen van verschillende disciplines. De CaCo bracht op de meldkamer de hulpdiensten op een laagdrempelige manier fysiek bij elkaar en orkestreerde de informatie-uitwisseling.
Niet voor niets gaven na afloop verschillende respondenten aan dat deze casus (weer) het sprekende bewijs was van het voordeel van het dicht bij elkaar houden van de verschillende diensten op de meldkamer. Wel gaf een enkeling aan dat het wenselijk is om de CaCo te voorzien van de juiste faciliteiten (bijvoorbeeld ruimte en audiovisuele middelen) om deze rol te kunnen vervullen. Daarnaast is volgens de CaCo bekendheid onder crisisfunctionarissen met het werk van de meldkamer van belang voor goede informatie-uitwisseling. Regelmatig gaat men dan ook op werkbezoek, bijvoorbeeld in kazernes.
29/84
Combinatie van designed en frontline organiseren
In de praktijk bestaan vaak de verschillende organisatievormen naast elkaar, zoals ook in Rotterdam het geval was. Wanneer er een verbinding bestaat tussen de eenheden in het veld en de operationele crisisteams kunnen beide vormen elkaar ondersteunen (Wolbers, 2020). De operationele crisisteams kunnen het grotere plaatje overzien en waar nodig bijsturen, terwijl in het veld snel en flexibel kan worden ingespeeld op de omstandigheden. Wanneer er bijvoorbeeld besluiten moeten worden genomen over de inzet van schaarse capaciteit, wat onder omstandigheden van extreem geweld niet ondenkbaar is, is een overkoepelend beeld van de situatie belangrijk. Zonder een goede verbinding tussen de frontlinie en de operationele crisisteams kunnen er autonome eenheden ontstaan, die hun eigen sturing vormgeven (Wolbers, 2020). 13 Daarnaast zien we dat ook de onderlinge verhoudingen verschuiven gedurende het incident. Naarmate het incident vordert en voorbereidingen worden getroffen voor de afschaling, krijgt designed organiseren een nadrukkelijkere rol. In Rotterdam bleek de combinatie van beide vormen van aansturing niet zonder strubbelingen. Informatie over de situatie ter plaatse kwam in de CoPI’s en het ROT met enige vertraging aan, zoals mag blijken uit het volgende citaat van een crisisfunctionaris: “Ik had echt het idee dat we soms werden ingehaald door de werkelijkheid.
Ik zag op sociale media dingen voorbijkomen die nog niet waren gemeld”. Daardoor conflicteerde soms de informatie die binnenkwam uit veld met de informatie met de informatie die onderling in de crisisteams werd gedeeld. Het bleek lastig om tot een gedeelde beeldvorming tussen de verschillende crisisteams te komen. Onderstaand kader geeft een aantal voorbeelden van zaken waarover lang onduidelijkheid bleef bestaan. Zo was het vrij lang onduidelijk of de situatie nu voldoende veilig was om op te treden. Betrokkenen op zowel strategisch als operationeel niveau hadden het gevoel dat cruciale informatie over het politiële proces ontbrak. Het is voor ons niet mogelijk om een goed antwoord te geven op de vraag of er onderling voldoende informatie is gedeeld, zonder grondig onderzoek te hebben gedaan naar alle informatie die op verschillende momenten beschikbaar was en de mate waarin deze wel of niet werd gedeeld. Wel dient te worden genoemd dat het incident veel vroeg van de politie terwijl het zwaartepunt bij het strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde lag. Wel is duidelijk dat in het eerste anderhalf uur de koppeling tussen de DSI en de andere operationele crisisteams op sommige vlakken uitdagend was. Eveneens heerst er onder betrokkenen onduidelijkheid over de bestaande afspraken.
Conform de procedure zou er in ieder geval een verbinding moeten zijn tussen de DSI, de SGBO en het CoPI. Een OvD-DSI maakt geen standaard deel uit van het CoPI, maar kan wel (als dat nodig blijkt en mogelijk is) worden opgeroepen als adviseur binnen het CoPI. De OvD-P vormt normaliter de schakel tussen de DSI en het CoPI. De DSI kan ook zitting nemen in de driehoek. In Rotterdam was de verbinding van de DSI met de SGBO door middel van de HINT gewaarborgd, maar een verbinding met het CoPI ontbrak. De OvD-DSI nam, zoals dat wel het geval was tijdens de gijzelingen in de Apple store in Amsterdam (2022) en in Ede (2024), officieel geen zitting in het CoPI. In vergelijking met de andere twee incidenten was de situatie in Rotterdam dynamischer en de incidentlocatie van het Erasmus MC Schakel en Wolbers (2021) spreken in dit geval van gepartitioneerd organiseren als derde modaliteit. Hier gaan wij niet nader op in.
13
30/84
onoverzichtelijker. Ondanks dat het de intentie was om later in het CoPI aan te sluiten, waren gedurende de chaotische fase alle middelen bij de DSI gericht op de ‘man hunt’. De OvD-DSI was in het veld gepositioneerd aan de kant van de Westzeedijk en overlegde aldaar met de aan die zijde aanwezig zijnde OvD-P en de hulpdiensten. Deze informatie kwam echter, door de fysieke afstand, beperkt door bij de OvD-P die zitting had in het CoPI aan de andere zijde van het complex. Door het ontbreken van een directe verbinding met het CoPI ontstond er een vertraging in de informatievoorziening. Zo ontstond door gehoorde ‘knallen’ echter verwarring tussen hulpverleners ter plaatse en operationele crisisteams op afstand over het veilig kunnen optreden van de hulpdiensten bij het Erasmus MC. Later bleek dat dit betrekking had op de AMOK-procedure van de DSI om de schutter te achterhalen (en imponeren) en het pand te schonen. Ook bleef lange tijd onduidelijkheid bestaan over een mogelijke tweede dader. Waar het voor de politiefunctionarissen die belast waren met de opsporing al vroeg in het proces helder was dat het zeer waarschijnlijk om één dader ging, leefde bij anderen langer het beeld c.q. gerucht van een (mogelijke) tweede dader.
Onduidelijkheden in de beeldvorming >
Een dreiging voor heel Rotterdam? Naast meldingen van het brand- en schietincident kwamen ook meldingen van andere incidenten binnen op de meldkamer. Normaliter wekken meldingen over andere locaties niet meteen onzekerheid op de meldkamer. Omdat het Heiman Dullaertplein en het Erasmus MC echter aan elkaar verbonden bleken, was men niet zeker of andere meldingen niet óók aan het brand- en schietincident gekoppeld waren. Zo kwam een bommelding binnen van het Sophia kinderziekenhuis, werd melding gedaan van een schietpartij op Rotterdam-Zuid, en kwam bij het WPC een automatische brandmelding binnen. De vraag of al deze meldingen aan elkaar verbonden waren, werd definitief beantwoord toen de politie communiceerde dat er sprake was van één dader. De overige meldingen stonden dus los van de incidenten aan het Heiman Dullaertplein en in het Erasmus MC.
>
Hoe handelde de dader? Hoe was de dader van het Heiman Dullaertplein naar het Erasmus MC gegaan? Had hij onderweg iemand van zijn motor beroofd? De dader heeft zich, na het onder vuur nemen van de docent, verplaatst van het lesgedeelte naar het Atrium. De vraag is: hoe heeft hij zich verplaatst? Eerst was onduidelijk of hij buitenom met de motor of lopend binnen het Erasmus MC naar het Atrium ging. Bij veel doorgangen is een toegangspas nodig. Had hij een toegangspas of had hij aanwezigen een pas afhandig gemaakt? Er gingen verhalen rond dat de dader medewerkers onder schot hield. Was dit vanwege die toegangspas of had dit een andere reden? Veel zaken waren ook voor degenen die wij in het kader van dit onderzoek spraken toen, maar soms ook later nog, onduidelijk.
>
Het vierde slachtoffer? Het bleef vrij lang onduidelijk of er drie of vier personen waren omgekomen door de schietincidenten. Het mogelijk vierde slachtoffer, een man van 53 jaar, zou woonachtig zijn aan het Heiman Dullaertplein. Gelukkig bleek achteraf dat de man niet in de woning aanwezig was tijdens het incident. Wel waren er de nodige tijd en inspanning gemoeid om met zekerheid het aantal slachtoffers vast te stellen.
31/84
>
Een plaats delict? Het zwaar gewonde meisje werd per ambulance van het Heiman Dullaertplein naar het Erasmus MC vervoerd. Omdat het Erasmus MC zogezegd op ‘zwart’ ging, werd de ambulance bij aankomst doorverwezen naar het Sint Franciscus Ziekenhuis. De trauma-arts, die in de ambulance aanwezig was, besloot op het kruispunt bij de Rochussenstraat een spoedoperatie uit te voeren, omdat de aanrijdtijd naar het Sint Franciscus Ziekenhuis mogelijk te lang zou duren. Hierbij knapte echter een bloedzak, waardoor veel bloed daardoor op straat terechtkwam. Tot aan het einde van de dag was het voor de hulpdiensten onduidelijk van wie het bloed was. De locatie werd daarom als plaats delict beschouwd waar mogelijk nog een slachtoffer was gevallen.
Onder de omstandigheden zoals die zich op 28 september 2023 voordeden, valt er niet aan te ontkomen dat een belangrijk deel van de coördinatie en besluitvorming en ook het overleg tussen de diensten decentraal te beleggen. Hoewel de rol van de operationele centra in besluitvormende betekenis de eerste periode enigszins beperkt bleef, hebben zij zich faciliterend richting het veld opgesteld. Tijdens de tramaanslag in Utrecht (2019) vertraagden commandocentra als de driehoek juist het proces. Door het ontbreken van een goede verbinding met het veld ontstond een tegenstrijdige beeld- en besluitvorming (Wolbers, 2020). De onderlinge samenwerking wordt door veel betrokkenen als positief beschouwd, maar verbeteringen op het gebied van communicatie en informatiedeling waren zeker mogelijk geweest. In tegenstelling tot de situatie in Utrecht heeft dit hier echter niet tot forse knelpunten geleid. Desondanks zal chaos onderdeel blijven van de eerste fase in een dergelijke casus wanneer verschillende diensten proberen tegelijkertijd een beeld te vormen van de situatie. Verbindingen tussen het veld en crisisteams op afstand kunnen wel geruchten beperken.
3.5 Tot slot In dit hoofdstuk stonden de crisisorganisatiestructuur en de koppelingen daartussen centraal. Er was een veelheid van crisisgremia tegelijkertijd actief die samen verantwoordelijk waren voor de crisisrespons. De dynamiek van de situatie zorgde ervoor dat op een aantal punten deze koppelingen niet of slechts in beperkte mate tot stand kwamen. Dit maakte uiteindelijk echter niet zo heel veel uit voor het verloop van de gebeurtenissen van deze specifieke casus. Er werd veelal op een prettige manier samengewerkt, maar de verbinding tussen het ROT en de driehoek zou voor toekomstige casussen explicieter vormgegeven kunnen worden. We onderscheiden twee vormen van organiseren: frontline en designed. Cruciale beslissingen met betrekking tot de inzet werden gedurende de eerste, chaotische fase veelal door functionarissen in het veld genomen. Het motorkapoverleg was cruciaal voor de afstemming tussen de diensten. De operationele crisisteams op afstand ondersteunden het veld en kregen naarmate het incident vorderde een meer besluitvormende rol, onder andere met betrekking tot de afschaling. Door de dynamiek en grootschaligheid van het incident, was de beeldvorming lastig. Dat is deels te wijten aan dat samengewerkt moest worden met tal van gremia, maar ook aan (het ontbreken van) de koppeling tussen de vormen van organiseren.
Het tweede CoPI leverde de nodige discussie, maar invulling vanuit de eigen of de buurregio behelsde voor- en nadelen die nadere aandacht verdienen.
32/84
4 Crisiscommunicatie De gebeurtenissen in Rotterdam waren niet alleen bijzonder voor de hulpverleners, maar ook betekenisvol voor al diegenen die er direct of indirect mee geconfronteerd werden. Al vrij snel waren veel journalisten ter plaatse en circuleerden er op sociale media videobeelden en foto's van de incidentlocaties. Bovendien vond er een persconferentie van de driehoek plaats die door de NOS live werd uitgezonden. Naast het Actiecentrum Communicatie van de veiligheidsregio waren ook andere communicatieteams actief, zoals die van de politie. Dat roept de vraag op hoe de samenwerking tussen deze communicatieteams verliep. Communicatieadviseurs van hulpdiensten beogen door tijdige berichtgeving in te spelen op de informatiebehoefte onder de bevolking om mogelijke onrust weg te nemen. In dit hoofdstuk wordt eerst beschreven hoe de berichtgeving op 28 september plaatsvond. Vervolgens wordt ingegaan op de samenwerking en onderlinge afstemming tussen communicatieadviseurs van de veiligheidsregio en de politie. Ten slotte bespreken we hoe tijdens dit incident is omgegaan met het bekende dilemma tussen zorgvuldigheid en snelheid in crisiscommunicatie.
4.1 Crisiscommunicatie tijdens extreem geweld Zowel Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond als de politie Rotterdam voorzagen in berichten over de incidenten die in Rotterdam hadden plaatsgevonden. Ook het Openbaar Ministerie (OM), de gemeente Rotterdam en het Erasmus MC informeerden burgers over de gebeurtenissen. Voor de gebeurtenissen bestond veel media-aandacht (zie onderstaand kader). Media-aandacht voor het brand- en schietincident in Rotterdam Er ging veel media-aandacht uit naar het brand- en schietincident in Rotterdam. Op X zijn tussen 28 en 30 september in totaal 5190 berichten geplaatst en er werden 186 nieuwsberichten over het incident gepubliceerd. Op 28 september keken zo’n 1.361.000 miljoen mensen naar het extra ingelaste journaal met de persconferentie van de driehoek (Nationaal media onderzoek, 2023). Daarnaast hielden alle landelijke nieuwssites een liveblog bij en was het incident onderwerp in internationale media. Op 29 september bracht Koning Willem-Alexander een bezoek aan Rotterdam, waar ook menig journalist bij aanwezig was en dat veel media-aandacht kreeg.
Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond en de politie gebruikten verschillende kanalen voor de berichtgeving over het incident. Communicatieadviseurs van zowel de politie als van de veiligheidsregio stonden de pers te woord. Online werd er voornamelijk gecommuniceerd via liveblogs op politie.nl, RijnmondVeilig.nl en via X-accounts (het voormalige Twitter). Een kwartier na de eerste melding over het Heiman Dullaertplein plaatste de veiligheidsregio een eerste bericht over het incident op de website RijnmondVeilig en op X, waarin burgers werden geïnformeerd over de brand. Ook werd een handelingsperspectief meegegeven aan
33/84
omwonenden en werd verzocht om de hulpdiensten de ruimte te geven. Een half uur later, om 15.05 uur, meldde de veiligheidsregio dat er mogelijk sprake was van een onveilige situatie en werd er opgeroepen om vooral niet naar de plaats van het incident te gaan. Onduidelijk bleef waarom de situatie onveilig was. Eén minuut later werd door de politie een bericht naar buiten gebracht, waarin voor het eerst werd gesproken van een schietincident. Niet alleen werd er bericht over de situatie aan het Heiman Dullaertplein, ook sprak de politie over een schietincident in een leslokaal van het Erasmus MC: @Pol_Rotterdam - In een woning aan het #Heiman Dullaertplein en een leslokaal van het #EMC aan de #Rochussenstraat in #Rotterdam hebben op 28 september twee schietincidenten plaatsgevonden. Twee personen raakten gewond.
Daaropvolgend werd een bericht geplaatst met informatie over de dader naar wie de politie op zoek was, met het verzoek direct 112 te bellen wanneer deze zou worden gesignaleerd. Om 15.17 verscheen op RijnmondVeilig een bericht over de schietpartij in het Erasmus MC, met een verwijzing naar het X-account van de politie voor meer informatie. Tot 16.00 uur verschenen op RijnmondVeilig nog twee berichten over het verloop van incident, maar daarna bleef berichtgeving door de veiligheidsregio ruim twee uur uit. In deze twee uur werden vanaf het politieaccount verschillende berichten geplaatst over de aanhouding van de schutter. Om 16.33 uur meldde de politie dat op het helideck van het Erasmus MC een 32-jarige Rotterdammer was aangehouden. Zo’n drie kwartier later is dit bericht gecorrigeerd door te melden dat de aanhouding niet op, maar onder het helideck had plaatsgevonden. Ook werd voor het eerst verdere informatie verstrekt over de aangehouden persoon, onder andere dat deze werd verdacht van betrokkenheid bij beide schietincidenten in de stad en dat er slechts van één verdachte werd uitgegaan. Dit bericht communiceerde de politie rond 17.50 uur. In de uren die volgden berichtte de politie nog over het opsporingsonderzoek en de toestand van de slachtoffers.
Vanaf 18.35 uur volgden op RijnmondVeilig berichten over de opvang van slachtoffers en het vrijgeven van wegen in de omgeving van het Erasmus MC. Om 21.00 uur plaatste RijnmondVeilig een afsluitend bericht: @Rijnmondveilig - Alle collega's van de hulpdiensten hebben vandaag onder bijzondere omstandigheden hun werk moeten doen. Met elkaar hebben zij de incidenten snel onder controle gekregen.
Naast online berichtgeving vond om 18.45 uur de persconferentie van de driehoek plaats, waarmee het publiek werd geïnformeerd over het incident. De driehoek deelde relatief veel informatie. Zo werden bijvoorbeeld over de dader veel gegevens naar buiten gebracht. Dit betrof deels informatie die reeds bij de media bekend was. Hoewel het incident een sterk politieel karakter had, werd tijdens de persconferentie benadrukt dat naast de politie ook de andere hulpdiensten een belangrijke bijdrage hadden geleverd. Door menigeen werd de persconferentie – zowel op basis van datgene wat werd gezegd als door de empathische toon – op prijs gesteld.
34/84
4.2 Wie: veiligheidsregio of politie? Er waren verschillende crisisteams actief die verantwoordelijk waren voor de communicatie richting de samenleving. Bij een complex incident is het van belang dat informatie eenduidig en helder gecommuniceerd wordt (NCTV, 2023). Daarom dient afstemming plaats te vinden tussen betrokken actoren over de crisiscommunicatie. Maar hoe vindt die afstemming plaats en wie communiceert wat?
Onderlinge afstemming
De gebeurtenissen aan het Heiman Dullaertplein werden in de beginfase nog beschouwd als een ‘rood’ incident waarbij vooral inzet van de brandweer nodig was. De afspraak tussen de hulpdiensten was aanvankelijk dat de veiligheidsregio de woordvoering zou doen voor het Heiman Dullaertplein. Maar later bleek dat daar niet alleen brandstichting, maar ook een schietincident had plaatsgevonden. In lijn met de GRIP-regeling werd de communicatieadviseur van de politie gevraagd om naar het Heiman Dullaertplein te komen. 14 Bij het CoPI van het Erasmus MC waren vanaf het eerste overleg de communicatieadviseurs van de veiligheidsregio en de politie aanwezig. In het CoPI gaf één communicatieadviseur van de politie advies over de communicatiestrategie aan de leider CoPI. De andere communicatieadviseur van de politie stond de pers te woord en hield de berichtgeving over het incident in de gaten. De communicatieadviseur van de veiligheidsregio ondersteunde de politie en informeerde het Actiecentrum Communicatie. In het incidentbestrijdingsplan van Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond staat dat, afhankelijk van het opschalingsniveau de SGBO of het ROT verantwoordelijk is om afstemming tussen de betrokken partijen over de communicatiestrategie te bereiken. Bij een aanslag ligt de verantwoordelijkheid voor de afstemming bij het ROT.
Tussen het hoofd Communicatie van het ROT en het hoofd Communicatie (HCom) van de SGBO vond dan ook regelmatig overleg plaats, waarbij afspraken werden gemaakt met betrekking tot wie wat zou communiceren. De veiligheidsregio zou zich toeleggen op de communicatie die betrekking had op de effecten voor de omgeving, zoals het afsluiten van wegen en gebouwen of de beschikbaarheid van opvanglocaties voor getroffenen. De SGBO legde zich toe op de communicatie over het opsporingsproces en de voorbereiding op de persconferentie.
Complete berichtgeving?
De communicatieteams van de politie en de veiligheidsregio hadden een duidelijke taakverdeling afgesproken conform bestaande procedures. Op een gegeven moment werden echter door functionarissen van de veiligheidsregio vragen gesteld over de gang van zaken. Zo werden er vraagtekens geplaatst bij de rol van de veiligheidsregio in het communicatieproces: was de berichtgeving niet te veel georiënteerd op het politiële proces en te weinig op de effecten voor de omgeving? Dat de gemaakte afspraken tijdens de acute fase van het incident ter discussie werden gesteld is door het communicatieteam van de veiligheidsregio en de politie als onprettig en storend ervaren. Uit de gesprekken blijkt dat er eveneens verschillende beelden bestaan over wie welke rol had ten aanzien van de crisisstructuur. De vraag is dus of Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond in deze casus een prominentere rol in de crisiscommunicatie had moeten vervullen. De gevolgde strategie lijkt
Volgens de GRIP-regeling dient een communicatieadviseur van de politie aan te sluiten bij het CoPI wanneer het gaat om een incident met openbare ordeproblemen, een groot opsporingselement of een (dreiging van een) aanslag.
14
35/84
ons inziens de meest passende te zijn geweest. Wel zijn er enkele aandachtspunten om richting het publiek een zo compleet mogelijk beeld te communiceren. Zonder meer hadden de gebeurtenissen een zwaar politieel accent; er was sprake van twee schietincidenten. Conform de notitie Crisiscommunicatie bij extreem geweld en terrorisme en is de politie verantwoordelijk voor de crisiscommunicatie over het politieproces, waardoor zij tijdens dit incident een prominente rol had in de crisiscommunicatie. Uit de omgevingsanalyses van de veiligheidsregio en de politie bleek dat het publiek voornamelijk behoefte had aan informatie over de relatie tussen beide incidenten en over de dader(s) en slachtoffers. In onderstaand kader worden enkele voorbeelden gegeven van conversaties onder het publiek op X. Deze informatie kon alleen door de politie worden verstrekt. Bovendien was de politie in dit geval veel beter in staat om het publiek te bereiken met de haar beschikbare communicatiemiddelen. Het X-account van politie Rotterdam had met 204.700 volgers en 96.600 lezers een veel groter bereik dan RijnmondVeilig, dat op X een bereik heeft van 66.300 en tijdens het schietincident 10.400 lezers had, wat dus aanzienlijk lager was.
Voorbeelden van conversaties op X op 28 september 2023 15 #Chaos @Netje9 - Chaos #schietpartij #Rotterdam, verkeer staat vast, politie en ambulances, mogelijk nog 2e schutter - 16.15, 107.2 k weergaven @BaukeH - Wat is je bron voor een tweede schutter? - 16.16 @Netje9 - Omstanders - 16.17 @RonnieFCR - Praat niet zo raar. Er is nooit een 2e schutter geweest. - 16.29 #Daders gepakt @Linda30992318 - Ik hoop zo dat ze de daders hebben - 16.26, 10.9 k weergaven @Pombohitam - Ik heb alles gemist! � Wat is er aan de hand?? - 16.28 @djdakman2 - 1 dader hebben ze nu.- 16.29 @Erik_Slot -1 persoon overleden � - 16.56 @Willemijjna1952 - De school die er naast staat was mijn kleindochter ze mochten niet de school verlaten. Is nu onderweg naar huis.� - 17.25 #Meerdere daders? @HenryJP5 - Eén dader opgepakt, nog twee gezocht, OV mag niet worden gebruikt.16.42, 78.8 k weergaven @Tim0436659108 - Houden die andere 2 verdachten zich schuil in OV? Las dat als je langs Eendrachtsplein, dijkzicht of Coolhaven moet het OV niet moet gebruiken-16.44 @Showhatishidde - Huh?? Nog 2 daders voortvluchtig?? - 16.57
De gebeurtenissen hadden duidelijk gevolgen voor de omgeving: wegen en een metrostation werden afgesloten en de zorgcontinuïteit van het Erasmus MC stond onder druk. Volgens sommigen zou er daarom die middag ook een informatiebehoefte bestaan over de afsluiting van wegen en de bereikbaarheid van het Erasmus MC. Maar zowel de communicatiesectie van de politie als die van de veiligheidsregio herkende dit niet op basis van de omgevingsanalyses die bij hen bekend waren. Doordat de informatie-uitwisseling tussen het ROT en de politiële processen op sommige vlakken als complex werd ervaren en binnen de SGBO niet 15 Niet de gehele conversatie is in dit voorbeeld opgenomen.
36/84
alle knoppen actief waren, kan het zijn dat bij hen de beeldvorming over het incident te eenzijdig was. Toen eenmaal de verdachte was aangehouden, werd voor de SGBO en het ROT duidelijk dat het verkeer in de stad was vastgelopen. Bij betrokken communicatieadviseurs leefde toen de vraag of er een handelingsperspectief gegeven kon worden over de bereikbaarheid van het Erasmus MC. Er bestond op dat moment echter nog onduidelijkheid over een mogelijke tweede dader, wat voor onrust zorgde bij burgers en in de communicatie dus prioriteit kreeg. Daarnaast konden de communicatieadviseurs geen contact krijgen met de communicatiemedewerkers van het Erasmus MC. Over het algemeen is het in de crisiscommunicatie van belang om recht te doen aan de omgevingseffecten, maar dat moet wel worden afgewogen tegen de prioriteiten. Het vastlopen van het verkeer in de stad en de problemen rondom de zorgcontinuïteit van het ziekenhuis waren mogelijk reden geweest om hierover aanvullend te communiceren via de kanalen van de veiligheidsregio, maar gezien de snelheid waarmee het incident zich ontvouwde, is het de vraag of de berichtgeving hierover effect zou hebben gehad. Gedurende de tijdspanne waarin de focus lag op het opsporen van de dader bleef communicatie via RijnmondVeilig uit. Tussentijds communiceerde de politie over het incident.
Alle relevante berichtgeving naar het publiek was beschikbaar, maar de berichtgeving werd niet altijd onderling gedeeld waardoor een integraal beeld van het incident ontbrak. Dit is iets wat door de betrokken communicatieadviseurs ook als leerpunt is onderkend. Over de invulling van het communicatiekanaal lijken binnen veiligheidsregio wel verschillende ideeën te bestaan, en dit incident liet zien dat het belangrijk is om hier een eenduidig standpunt over in te nemen. De communicatiekanalen van de veiligheidsregio kunnen fungeren als knooppunt in de crisiscommunicatie. Bijvoorbeeld door berichten van de politie en andere actoren te delen en te bundelen. Zo werd in de berichtgeving op RijnmondVeilig verwezen naar het X-account van politie Rotterdam, de website van de RET en het telefoonnummer van Slachtofferhulp. Een dergelijke invulling van het communicatiekanaal sluit aan bij de netwerkfunctie die de veiligheidsregio heeft. De vraagtekens en aandachtspunten hebben het verloop van de crisiscommunicatie niet nadelig beïnvloed. Al snel was besloten om de procedure te blijven volgen, zoals deze was afgesproken, maar er ontstond wel kortstondig en onnodig verwarring binnen de crisisstructuur over de gevolgde strategie.
Desondanks kijken de communicatiemedewerkers die binnen de diverse crisisteams actief waren positief terug op de aanpak van de crisiscommunicatie en de onderlinge samenwerking. Er waren duidelijke afspraken gemaakt en ook de taakverdeling was helder. Bovendien waren er korte lijnen en was er bereidheid om elkaar te helpen waar nodig.
4.3 Wanneer: zorgvuldig of snel? Vooral in de eerste acute fase van een crisissituatie ontstaan veel vragen en geruchten over de aard van het incident. De waarde van crisiscommunicatie is dan om tijdig en nauwkeurig in te spelen op deze informatiebehoefte. Zorgvuldige berichtgeving kan evenwel haaks staan op de snelheid van communiceren. Het is dus aan de communicatieadviseurs om de juiste afweging te maken wanneer welk bericht naar buiten te brengen. In Rotterdam gebeurde er op 28 september veel tegelijkertijd; de gebeurtenissen volgden elkaar snel op, terwijl er een
37/84
mogelijke dreiging bestond voor de omgeving. Hoe kon onder zulke omstandigheden snel en nauwkeurig gecommuniceerd worden? Nauwkeurige berichtgeving vereiste naast duidelijke verwoording richting het publiek ook correcte informatie over de gebeurtenissen waarop de berichtgeving gebaseerd kan worden. Op 28 september 2023 was er vooral veel onduidelijkheid over de link tussen het Heiman Dullaertplein en het Erasmus MC, en was niet duidelijk of sprake was van meerdere schutters en wie en hoeveel slachtoffers er waren. Aangezien behoefte bleek te bestaan aan berichtgeving over deze thema’s (de link tussen de incidenten, dader en slachtoffers), moesten de communicatieadviseurs werken met de daarover bestaande onduidelijkheden. De druk om de samenleving tijdig te informeren over het incident werd nog verder opgevoerd toen bleek dat de persconferentie al vroeg in de avond zou plaatsvinden. Voor verschillende communicatieteams was het dus een voortdurende afweging wanneer informatie gedeeld kon worden. Als je te snel bent, worden er eerder fouten in berichtgeving gemaakt en komt ook de betrouwbaarheid van de berichtgeving onder druk te staan. Als te lang wordt gewacht, ontstaan er allerlei geruchten. Door communicatieadviseurs en ook andere crisisfunctionarissen werd met name ingezet op het verkrijgen van accurate informatie over de dader en het slachtofferbeeld.
Het verkrijgen van informatie hierover vergde de nodige inspanning. Het opsporingsproces was nog in volle gang, terwijl het ziekenhuis moeizaam informatie deelde over slachtoffers, mede in verband met hun privacy. Het lijkt er dus op dat de communicatieprocessen hinder ondervonden van de gecompliceerde beeldvorming en het gemis van een sterke koppeling tussen de crisisgremia en het veld (zie onderstaand kader). Geruchten? Bijna onlosmakelijk verbonden aan crisissituaties zijn geruchten. Verhalen en beelden die gaandeweg ontstaan, hardnekkig worden en een eigen leven gaan leiden. Bij het schietdrama in de Ridderhof in Alphen aan den Rijn (Van Duin et al., 2011) was in de loop van de middag een groot deel van een persconferentie gewijd aan het ontzenuwen van dergelijke geruchten. Zo opperde iemand destijds op Twitter (nu bekend als X) dat de dader mogelijk wel eens een gefrustreerde militair kon zijn en een ander dat de dader op weg was naar zijn moeder die in het betreffende winkelcentrum werkte. Waar de eerste twitteraars dergelijke zaken nog als een optie opperden (vraagteken in de zin), waren enige tijd later deze berichten al werkelijkheden geworden. ‘Rumor control’ – het controleren van verhalen en ontzenuwen van de onjuiste – is niet voor niets een belangrijk proces om greep te houden op de werkelijkheid.
Ook in deze casus ontstonden geruchten; bijvoorbeeld over een tweede dader. Een belangrijke constatering in deze situatie is echter dat een aantal van de hardnekkige verhalen niet in de buitenwereld ontstonden. Zo was er een verhaal over de 53-jarige bewoner van het Heiman Dullaertplein die ook slachtoffer zou zijn. Dit verhaal ontstond in de loop van de middag. Het vereiste vervolgens veel inzet van crisisfunctionarissen om te achterhalen dat de betreffende man op een andere locatie was en dus niet bij deze schietpartij betrokken kon zijn. Een ander gerucht betrof het slachtoffer dat zou zijn overleden in de nabijheid van het ziekenhuis en waarvan de bloedplas een stille getuige zou zijn. Hier was de werkelijkheid ook een andere. Beide verhalen ontstonden niet ergens op sociale media; sterker nog, in sociale media is hier niet eens over gesproken. Deze voorbeelden ontstonden tussen betrokken crisisteams en hulpdiensten en zeggen eerder iets over de gecompliceerde informatiedeling en beeldvorming.
38/84
Toch lukte het de communicatieadviseurs om over deze zaken veelal tijdig en correct te communiceren richting het publiek. Twee keer moest berichtgeving gerectificeerd worden. Op X werd namelijk gecommuniceerd dat de aanhouding plaatsvond op het helikopterdeck van het Erasmus MC, maar ooggetuigen zagen dat dit onder het helikopterdeck gebeurde. Daardoor ontstond het gerucht dat er twee daders zou zijn. De politie heeft deze geruchten ontkracht door zo snel mogelijk de juiste informatie te delen in een nieuw bericht. Later werd, na overleg en snelle goedkeuring van het OM, door de politie gecommuniceerd dat er sprake was van één schutter en dat dit de aangehouden persoon betrof. 16 Ook de leeftijd van het mannelijke dodelijke slachtoffer is gerectificeerd. Zowel voor de SGBO als het ROT kwam het tijdstip van de persconferentie enigszins als een verrassing. Hoewel het een effectief tijdstip was om een groot publiek te bereiken, waren er op dat moment nog allerlei operationele processen volop gaande. Daardoor was er weinig tijd voor een gedegen toetsing en duiding van beschikbare informatie. Het was voor betrokkenen een uitdaging om tijdig de feitelijk correcte informatie te leveren aan de driehoek en de boodschap goed af te stemmen.
“Je ontvangt veel informatie die je moet checken en dubbelchecken, voordat het in een persconferentie naar buiten gaat”, aldus een communicatieadviseur. Daarom werd ervoor gekozen om bepaalde informatie onder voorbehoud te communiceren. Zo bestond bijvoorbeeld nog enige onduidelijkheid over het slachtofferbeeld: moest er gesproken worden van drie of vier slachtoffers? Pas na de persconferentie, die zowel van toon als van inhoud van hoog niveau was, werd duidelijk dat er sprake was van drie dodelijke slachtoffers. Heel Nederland leefde met de nabestaanden en andere getroffenen mee. De crisiscommunicatie heeft tijdig ingespeeld op de informatiebehoefte van het publiek. De rectificatie is ons inziens geen reden om te stellen dat langer gewacht had moeten worden met het delen van de informatie gezien de aard en complexiteit van het incident. Door fouten snel te rectificeren of iets onder voorbehoud te communiceren werd goed ingespeeld op dynamische situatie en de samenleving niet te lang in onzekerheid gehouden.
4.4 Tot slot Bij dit geweldsincident is door crisiscommunicatiefunctionarissen van de veiligheidsregio en politie veel bewerkstelligd ten behoeve van de externe communicatie. Door de aard van het incident en de informatiebehoefte onder het publiek had de politie een prominente rol in de crisiscommunicatie, maar met twee brand- en schietincidenten en verschillende partijen die richting de samenleving communiceerden was het van belang om de verantwoordelijkheden en berichtgeving goed af te stemmen. De betrokken crisiscommunicatiefunctionarissen waren over het algemeen tevreden over de onderlinge samenwerking en hebben elkaar actief opgezocht. Het communicatieproces is gebaat bij helderheid over de bestaande afspraken en de invulling van de communicatiekanalen van de veiligheidsregio. De samenleving werd snel geïnformeerd over wat er op 28 september gaande was. Een juiste of volledig berichtgeving was mede door de complexe beeldvorming niet mogelijk, maar fouten werd snel gerectificeerd of er werd een slag om de arm gehouden.
16 De schutter was reeds opgepakt en daardoor had het OM eigenaarschap over de communicatie rondom de schutter.
39/84
5 Grootschalig en specialistisch brandweeroptreden Toen op 28 september 2023 omstreeks 14.11 uur bij de meldkamer de eerste meldingen binnenkwamen, had de brandweer niet kunnen bevroeden dat op deze dag uiteindelijk een groot deel van het brandweerpotentieel moest worden ingezet. Niet alleen moest het eigen QRT gealarmeerd worden, ook werd interregionale bijstand van het QRT-Haaglanden aangevraagd. Met meerdere brandweerpelotons en twee QRT’s was sprake van een grootschalig en specialistisch brandweeroptreden. Maar hoe zo’n grootschalige, specialistische inzet te organiseren? Hoe hebben de betrokken brandweerfunctionarissen de onderlinge samenwerking ervaren? In dit hoofdstuk gaan wij in op deze vragen.
5.1 ‘Alles uit de kazerne’ Direct na de eerste melding van een explosie en schietpartij aan het Heiman Dullaertplein stuurde de meldkamer de eerste twee brandweereenheden naar de incidentlocatie. Nadat was opgeschaald naar ‘zeer grote brand’, kwamen daar nog twee tankautospuiten bij. Omdat er vermoedelijk was geschoten, werd ook het QRT van Rotterdam-Rijnmond gealarmeerd om naar het Heiman Dullaertplein te gaan. Het QRT is een brandweeronderdeel dat speciaal is opgeleid om met de politie op te treden onder omstandigheden van extreem geweld en terrorisme. 17 De eerste melding van het incident in het Erasmus MC betrof een ‘traumatische reanimatie’. Daarop is een eerste tankautospuit naar de locatie gestuurd. Toen duidelijk werd dat hier eveneens geschoten was, werd ook het QRT gealarmeerd. Maar aangezien het QRT van Rotterdam-Rijnmond al werd ingezet aan het Heiman Dullaertplein, werd het QRTHaaglanden om bijstand gevraagd. Toen in de loop van de middag ook nog brand uitbrak in het Erasmus MC, was het aantal brandweereenheden uitgebreid met twee pelotons. Het aantal gealarmeerde tankautospuiten kwam daarmee op 13. De brandweer leverde ook twee HOvD’s en een AC om respectievelijk plaats te nemen in de twee CoPI’s en het ROT. Op beide incidentlocaties waren meerdere (H)OvDs aanwezig om de aansturing van de pelotons te verzorgen.
Ook moesten de meldkamer en het Actiecentrum Brandweer worden bemenst om de meldingen te beantwoorden, dekking te regelen en de teams op locatie te ondersteunen.
17 Ook binnen de brandweer wordt nog vaak over grof en extreem geweld gesproken. In deze rapportage hanteren
wij de nieuwe term, extreem geweld en terrorisme, in lijn met het Landelijk Crisisplan Extreem Geweld en Terrorisme (NCTV, 2023).
40/84
Daarnaast werd het Team Digitale Verkenning ingezet om met drones ter plaatse een beeld te verkrijgen van de situatie. Ook waren nog diverse teams en functionarissen aanwezig voor extra brandweermaterieel, het brandonderzoek en eventueel onderzoek naar gevaarlijke stoffen. Verder waren diverse collega’s van de brandweer belast met de opvang en nazorg aan het brandweerpersoneel. Naar schatting zijn in totaal zo’n 100 brandweerfunctionarissen op één of andere manier bij het incident betrokken geweest. Om het incident te bestrijden moest letterlijk ‘alles uit de kazernes’ worden gereden. De inzet van de brandweereenheden aan het Heiman Dullaertplein betrof voornamelijk repressief optreden om de uitslaande brand onder controle te krijgen en verdere schade aan het woonblok te voorkomen. Ook bij het Erasmus MC werd ingezet op het controleren van mogelijk meerdere brandhaarden; de brand in het onderwijscentrum bleek uiteindelijk voornamelijk door de sprinklers te zijn geblust. Ventileren van het gebouw om het te ontdoen van schadelijke rookgassen kreeg vervolgens de aandacht. Omdat rekening werd gehouden met een aanzienlijk aantal slachtoffers, had de brandweerinzet bij het Erasmus MC ook betrekking op het voorbereiden van een zogenoemd ‘gewondennest’, oftewel een locatie waar slachtoffers opgevangen worden en medische hulp krijgen om vervolgens getrieerd te worden.
Brandweereenheden zochten ook naar mogelijke gewonden en andere aanwezigen in het gebouw. Omdat de veiligheid van het brandweerpersoneel op beide locaties niet gegarandeerd kon worden, vanwege aanwezigheid van een mogelijke schutter, moesten sommige brandweereenheden een tijd wachten voordat ze veilig konden optreden. Kortom, er zijn veel brandweerfunctionarissen ingezet die een divers palet aan taken hebben opgepakt om het incident te bestrijden. Brandweer Rotterdam-Rijnmond in cijfers De brandweer van Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond is verantwoordelijk voor zo’n 1,2 miljoen mensen en telt 48 brandweerkazernes met 51 beschikbare tankautospuiten (Brandweer Nederland, z.d.; Min JenV, 2018). Het werkgebied omvat ook diverse complexe objecten zoals het vliegveld Rotterdam-The Hague Airport, het havengebied en de petrochemische industrie. In 2023 werd de brandweer van Rotterdam-Rijnmond zo’n 12.876 keer gealarmeerd (Brandweer Nederland, z.d.; Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, 2023). Wanneer er naar een GRIP-niveau wordt opgeschaald, maakt de brandweer standaard deel uit van het multidisciplinaire optreden. In 2023 werd de regio 20 keer geconfronteerd met een GRIP-situatie. Slechts eenmaal betrof het een GRIP-2 situatie, namelijk op de bewuste 28 september (Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond, 2023).
Over het algemeen waren de brandweerfunctionarissen tevreden over de manier waarop de inzet is verlopen. Vooral de onderlinge samenwerking werd genoemd als iets waar men het meest tevreden over was. Uit de enquête bleek dat 64 van de 68 ondervraagde brandweerfunctionarissen tevreden waren over de onderlinge samenwerking binnen het eigen team; 55 van hen waren zelfs zeer tevreden. De onderlinge communicatie, interne rust, strakke commandovoering en discipline van de collega’s werden erg gewaardeerd. Desondanks, bracht het grootschalig en specialistisch brandweeroptreden ook een aantal aandachtspunten met zich mee. Bijvoorbeeld: in hoeverre is een beroep te doen op de eigen regio en wanneer moet om interregionale bijstand worden gevraagd? En hoe zorg je voor een goede beeld-, oordeels- en besluitvorming wanneer met diverse staven wordt samengewerkt op een groot complex als het Erasmus MC? Nederland telt vijf QRT’s die elk in hun eigen werkgebied een bepaalde taakstelling hebben, maar hoe werkt dat wanneer er om interregionale bijstand wordt gevraagd? In het vervolg van dit hoofdstuk wordt hierop ingegaan.
41/84
5.2 Een systeemtest: bijstand of improvisatie? Gezien het aantal gealarmeerde tankautospuiten kunnen we in dit geval spreken van een grootschalige brandweerinzet. Een inzet van de brandweer wordt grootschalig genoemd wanneer een brand met meer dan vier tankautospuiten moet worden bestreden. Gemiddeld komt dit in heel Nederland één keer per week voor (Van ’t Padje et al., 2014). Tussen 2016 en 2018 kreeg Rotterdam-Rijnmond gemiddeld 16 keer per jaar te maken met een grootschalige brandweerinzet. Bij een op de vier van de inzetten in Rotterdam-Rijnmond werd bijstand vanuit een andere regio gevraagd (Kobes, 2019). Hoewel een grootschalige brandweerinzet dus met enige regelmaat voorkomt, is het grootschalige brandweeroptreden tijdens een geweldsincident zoals zich dat op 28 september voordeed bijzonder te noemen, en wel om de volgende redenen. > Waar normaal gesproken bij een grootschalige inzet gemiddeld vijf tankautospuiten uitrukken (Kobes, 2019), werden in dit geval 13 tankautospuiten opgeroepen. > De grootschalige brandweerinzet vond niet plaats op één locatie, maar verspreid over twee verschillende locaties in de stad. > Hoewel een grootschalig brandweeroptreden nog geregeld plaatsvindt, komt een combinatie van grootschalig en specialistisch optreden, zoals in Rotterdam met de inzet van twee QRT's, veel minder vaak voor.
Quick Response Teams in Nederland Nederland telt op dit moment vijf QRT’s, waarvan die van Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond er één is. Deze eenheden zijn speciaal opgeleid om op te treden bij incidenten met extreem geweld en terrorisme. Zij hebben daarvoor ook specialistisch materiaal ter beschikking. Vier veiligheidsregio’s hebben een QRT, zijnde: Amsterdam-Amstelland, Haaglanden, Rotterdam-Rijnmond en Utrecht. Een vijfde QRT is onderdeel van Schiphol dat binnen de veiligheidsregio Kennemerland valt. Het is niet vreemd dat juist deze regio’s een dergelijk specialisme hebben, gezien het verhoogde risico op extreem geweld en terrorisme in grote steden en bij vitale objecten als Schiphol. De QRT’s kunnen echter ook buiten hun eigen regio optreden.
Een incident met extreem geweld of waarbij sprake is van terrorisme vraagt altijd een forse inzet van hulpdiensten (NCTV, 2023). Zo ook vroeg het incident dat zich op 28 september 2023 voordeed veel capaciteit van de brandweer, zowel qua personeel als materieel. Wanneer er zoveel van de brandweer wordt gevraagd, kan er op een gegeven moment schaarste ontstaan, met als gevolg dat de brandweer minder optimale zorg kan leveren. Wanneer de brandweer met (potentiële) schaarste te maken krijgt, zijn er ten minste twee opties om hiermee om te gaan: 1. Bijstand aanvragen uit een naburige veiligheidsregio. 2. Creatief omgaan met de beschikbare capaciteit. Brandweer Rotterdam-Rijnmond heeft op 28 september beide strategieën toegepast.
Bijstand uit een naburige veiligheidsregio
Omdat het QRT van Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond al bij het Heiman Dullaertplein werd ingezet, werd het QRT van Veiligheidsregio Haaglanden opgeroepen om naar het Erasmus MC te komen. Door de specialistische opleiding van de teamleden kan de rol van een QRT niet zomaar door een basiseenheid worden overgenomen. Door de inzet van het
42/84
QRT-Haaglanden bij het Erasmus MC kon het QRT-Rotterdam-Rijnmond korte tijd worden ontzien, totdat ook dit team naar het Erasmus MC vertrok om daar te worden ingezet. Door interregionale bijstand aan te vragen kan dus de specialistische slagkracht worden vergroot. Een keerzijde is echter, dat de opkomsttijd gemiddeld langer duurt en de eenheden minder bekend zijn met specifieke objecten en aanrijroutes in de andere regio. Zo duurde het ongeveer 45 minuten na alarmering voordat het QRT-Haaglanden ter plaatse was. De aanrijdtijd werd echter gebruikt om kennis te nemen van de beschikbare informatie over het incident.
Inzet uit eigen veiligheidsregio
De eenheden die op de twee locaties belast waren met de basisbrandweerzorg waren afkomstig uit de eigen regio. Bij een grootschalige inzet gaat het veelal om twee brandweerpelotons, maar in dit geval waren drie pelotons nodig. Omdat de geweldsincidenten plaatsvonden in het centrum van de stad, had de inzet invloed op de dekking van de brandweerzorg in dit stadsdeel. Een algemene stelregel binnen de regio is, dat als eenheden langer dan één uur worden ingezet, er voor herbezetting van de kazernes moet worden gezorgd. Om ervoor te zorgen dat er geen acuut tekort ontstaat, bestaat er in RotterdamRijnmond een zogenoemd instandhoudingsplan brandweerzorg (Brandweer RotterdamRijnmond, 2018). In het plan worden maatregelen beschreven om de beschikbare capaciteit op een dusdanige manier te verdelen, zodat de meest optimale zorg met de nog beschikbare capaciteit geboden kan worden. Als uitgangspunt bij een grootschalige inzet geldt in de regio dat 50 % van de capaciteit beschikbaar moet zijn voor de restdekking en dat 50 % van de kazernes leeg mag staan. Om voor voldoende restdekking te zorgen, heeft de regio tien speciale slagkracht tankautospuiten beschikbaar waarvan er acht zijn ingezet. Zes kazernes stonden tijdelijk leeg.
Al met al heeft de brandweer laten zien dat ze een stevig potentieel in huis heeft om een incident dat om een grootschalige inzet vraagt te bestrijden, en tegelijkertijd over voldoende slagkracht beschikt om in overige brandweerzorg te blijven voorzien. Dit vroeg ook om een flinke inspanning van de meldkamer van de brandweer. Daarnaast onderstreepte de inzet volgens betrokkenen de werking van het instandhoudingsplan. Een factor die tevens belangrijk is om mee te nemen bij een grootschalige inzet, is de tijdsduur. Het geweldsincident op 28 september 2023 was gelukkig van betrekkelijk korte duur. Een grootschalige inzet van de brandweer onder dergelijke omstandigheden voor een langere periode kan gevolgen hebben voor de slagkracht. Zeker wanneer brandweerfunctionarissen met zeer ingrijpende gebeurtenissen worden geconfronteerd of langdurig moeten worden ingezet, zullen zij na een dergelijk incident niet direct weer inzetbaar zijn.
Improvisatie
De brandweer improviseerde ook door brandweerfuncties die normaliter door één persoon worden vervuld, te verdelen over meerdere personen. Hierdoor kon worden voorkomen dat bepaalde functionarissen werden overvraagd. Bepaalde taken werden nu bij verschillende personen belegd. Tevens had dit als voordeel dat functionarissen zich geheel konden toespitsen op één bepaalde taak. Zo is de functie van tactisch officier alarmcentrale (TOA) opgesplitst in twee taken: één persoon focuste zich op de dekking en spreiding en de ander verwerkte alle inkomende informatie over het incident. Eveneens werd het Actiecentrum Brandweer niet losgekoppeld van de meldkamer. Zo kon relevante informatie (bijvoorbeeld ten aanzien van de veiligheid en opstelling van de voertuigen) direct worden doorgegeven aan het veld.