[24bb003748] Bijlage 4 behorende bij 24bb003750 over zienswijzenota en Nota van Wijzigingen Windwinning Hoeksebaan
Tekst van het document
Er is nog geen enkel onderzoek gedaan naar de precieze effecten van zulke hoge windturbines. In het kader van het voorzorgsbeginsel bent u verplicht mogelijke gevaren voor de volksgezondheid, de veiligheid en het milieu te voorkomen. Reactie Ten behoeve van de ontwikkeling zijn alle relevante milieuaspecten onderzocht en in beeld gebracht. Hierbij is uitgegaan van de maximale bandbreedte en afmetingen en zijn alle effecten op het gebied van geluid, slagschaduw en externe veiligheid in beeld gebracht. Ook wordt in paragraaf 5.9.5 (Gezondheid) van de Toelichting ingegaan op de gezondheidsaspecten. Hieruit komt naar voren dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en een goed woon-, werk- en leefklimaat voor de omgeving. Conclusie Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 12.7 Andere locaties Bij een goede ruimtelijke ordening hoort een onderzoek welke mogelijke locaties de voorkeur (VKA) heeft. Er zijn verschillende opties geweest om windmolens te plaatsen. Geen van deze alternatieven is gelijk aan dit plan. De toelichting en het akoestisch onderzoek maken niet duidelijk waarom dit VKA is gekozen als uitkomst van de MER met 3 alternatieven. De gevolgen zijn dus niet goed onderzocht en het plan is niet goed onderbouwd.
Reactie De locatie voor Windwinning Hoeksebaan is aangewezen in het kader van het planMER voor de Visie Ruimte en Mobiliteit van de provincie Zuid-Holland. Verwezen wordt naar paragraaf 4.1 van de Toelichting voor een nadere toelichting en de afweging van de gevolgen van het project en daarmee de onderbouwing van het plan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening hoeven niet persé verschillende locaties afgewogen te worden maar dient
44 onderbouwd te worden dat er voor het plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Er is voor dit plan geen sprake van een MER met 3 alternatieven. Onduidelijk is waar reclamant op duidt. Conclusie Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 12.8 Slagschaduw Er zal grote hinder worden ondervonden door mensen die langdurig op één plek aanwezig zijn in kantoor van relamant. In de toelichting behorende bij het ontwerpplan staat beschreven dat er maatregelen getroffen kunnen worden voor het beperken van slagschaduwhinder door bijvoorbeeld het toepassen van zonwering bij de gevels waar slagschaduw wordt verwacht of het toepassen van een stilstandvoorziening voor de windturbines. Om onduidelijke redenen wordt er gesteld dat er geen aanleiding zou zijn om voor bedrijven dezelfde norm voor slagschaduw te hanteren als voor woningen. Dit terwijl kantoren waarschijnlijk de grootste overlast ervaren, omdat hun werknemers juist overdag aanwezig zijn en dan te maken krijgen met slagschaduw. Elk bedrijf heeft hierin gelet op de bedrijvigheid andere behoeftes. In de toelichting is aangegeven dat er geen aanleiding is om een algemeen aanvaardbare norm neer te leggen, omdat de slagschaduw door middel van individuele afspraken met bedrijven zonder meer acceptabel is en deze afspraken in overeenkomsten worden vastgelegd. Er is voor zover bekend geen enkele afspraak gemaakt.
Er is nader onderzoek naar deze maatregelen vereist om te kunnen spreken van een goede ruimtelijke ordening. Reactie Ten behoeve van de ontwikkeling is slagschaduwonderzoek, Onderzoek akoestiek en Slagschaduw Windwinning Hoeksebaan uitgevoerd door Pondera d.d. 23 mei 2023. Dit is Bijlage 1 bij de Toelichting van het bestemmingsplan Windwinning Hoeksebaan. Woningen zijn gevoelige objecten. De bedrijfsgronden en –gebouwen en tuinen/erven zijn geen slagschaduwgevoelige objecten. Het gebruik van dergelijke objecten is anders dan woningen, zodat bij bedrijfsgronden en –gebouwen en tuinen/erven dus niet per definitie eenzelfde beschermingsniveau dient te worden verkregen als bijvoorbeeld bij een woning. Het inzichtelijk maken van slagschaduwduur en de afweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening maakt wel onderdeel uit van de planvorming. In het slagschaduwonderzoek zijn slagschaduwcontouren opgenomen die een indicatiegeven van slagschaduw op bedrijfspanden en ander objecten/terreinen. Hierbij kunnen kantoren meer hinder ervaren van slagschaduw dan overige bedrijven. Immers personen die in een kantoorgebouw de hele dag bij een raam zitten te werken, met name achter een beeldscherm, kunnen enige hinder van slagschaduw ondervinden bij hun werk. Deze slagschaduwcontouren geven de te verwachten ongelimiteerde worst-case slagschaduwduur in de omgeving van de windturbine aan.
Hiernaast is voor direct omliggende bedrijven met een kantoorfunctie berekent wat de gemiddelde slagschaduw per jaar is en hoeveel van deze slagschaduw tijdens bedrijfstijd optreedt. Voor deze berekening is uitgegaan van bedrijfstijden tussen 7:30 uur en 17:30 uur, de zomertijd-periode van het jaar 2022 en 5/7e kans dat de slagschaduw op een weekdag optreedt om een inschatting te krijgen van de hoeveelheid slagschaduwduur tijdens werktijd. Deze berekening staat in Tabel 5.7 van de toelichting.
45 Jaarlijks schijnt de zon, volgens de KNMI, gemiddeld zo'n 1.550 uur in Nederland (minimaal circa 1.400 uur en maximaal circa 1.700 uur). Een jaar telt 8.760 uren en de daglichtperiode is ongeveer de helft daarvan (4.380 uur). Dit betekent dat ongeveer 15% van het jaar de zon schijnt. Er is dus slechts een beperkt deel van het jaar dat slagschaduw kan optreden. De slagschaduw bedraagt voor deze bedrijven maximaal 87 uur per jaar tijdens bedrijfstijd. Dit gaat om slagschaduwduur op de kantoordelen van de bedrijven, daar is het meest waarschijnlijke dat hinder wordt ondervonden vanwege beeldschermwerk op een vaste plek nabij ramen. De mitigerende maatregelen die getroffen worden voor woningen hebben daarnaast een beperkt positief effect op bedrijven die niet in de berekening is meegenomen. Uitgaande van een daglichtperiode voor weekdagen van circa 3.129 uur (4.380*5/7) is een slagschaduwduur van 87 uur per jaar maar 2,7% van het totaal aantal daglichturen tijdens werkdagen per jaar. In praktijk kan iemand op dat moment niet aan het werk zijn (vakantie, vrij, of afspraken elders) of zich ergens in het pand bevinden waar de slagschaduw niet merkbaar is. Blootstelling aan slagschaduw is op jaarbasis dus zeer beperkt en dus zonder meer aanvaardbaar. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening bij de kantoordelen van bedrijven en daarmee bij de bedrijven.
De slagschaduwhinder is in beeld gebracht en er is sprake van een goede ruimtelijke ordening en een goed woon-, werk- en leefklimaat voor de omgeving. Wel merken wij op dat er inderdaad voor zover ons bekend geen afspraken gemaakt zijn met de indiener van de zienswijze. Conclusie Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 12.9 Uitzicht Reclamant heeft vanuit zijn kantoor nu uitzicht op de lucht zonder enige hoogbouw. Als er hele hoge windturbines komen wordt het bestaande uitzicht in ernstige mate aangetast. Om het vrije uitzicht zoveel mogelijk te houden is aanpassing van het plan noodzakelijk. Dit kan door minder en lagere windturbines te plaatsen en een grotere afstand tot gevoelige objecten aan te houden. Reactie Door de komst van de twee windturbines zal het uitzicht van de indiener van de zienswijze inderdaad veranderen. Vooropgesteld wordt dat er juridisch gezien geen recht is op vrij uitzicht. Daarnaast wordt erop gewezen dat het kantoor van de indiener van de zienswijze gelegen is op een bestaand middelzwaar tot zwaar bedrijventerrein in de nabijheid van andere bedrijven, en dus niet in een gebied waar nu geen bebouwing is. Een windturbine is bovendien een bouwwerk dat het gezichtsbeeld niet volledig vult.
De mast van de windturbine is smal (enkele meters), de windturbine is gepland op een afstand van ruim 100 meter dus er blijft altijd zicht langs de mast van de windturbine. Lagere windturbine leveren niet per definitie minder zichtbeperking op omdat dan naast de mast wellicht ook de rotoren (een deel van) het gezichtsbeeld vullen. De kans dat reclamant onder de rotoren doorkijkt is bij een hogere windturbine groter dan bij een kleine. Om overigens dezelfde elektriciteitsopbrengst te krijgen met kleinere windturbines, ten opzichte van het voorliggende plan met twee windturbines, zijn er juist meer in plaats van minder windturbines nodig. Dit zorgt ook voor meer effecten op de omgeving.
46 Zoals hiervoor al eerder is aangegeven is een kantoor is overigens geen gevoelig object. Conclusie We stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 12.10 Strijd met de gemeentelijke structuurvisie In gemeentelijke structuurvisie kiest de gemeente ervoor om de karakteristieke openheid als kwaliteit te behouden. Dat betekent volgens de visie dat het gebied zo veel mogelijk gevrijwaard wordt van stedelijke ontwikkelingen, zoals aanleg van windturbines. Voor zover een windturbine wel toegestaan moet worden, moet aansluiting gezocht worden bij bestaande windparken. Om onduidelijke redenen wordt er geen gehoor gegeven aan de structuurvisie. In paragraaf 5.6 van de toelichting behorende bij het ontwerpbestemmingsplan wordt ingegaan op de beoordeling van het beleid. Hier is overduidelijk sprake van doelredenering en wordt geen enkele blijk gegeven van een onafhankelijk en neutraal onderzoek naar de gevolgen voor de omgeving en beoordeling van de criteria. Reactie Zoals is aangegeven in paragraaf 2.5.1. van de Toelichting op het bestemmingsplan past de beoogde ontwikkeling wel degelijk in de in 2021 door de gemeenteraad vastgestelde Omgevingsvisie Rotterdam “De Veranderstad, werken aan een wereldstad voor iedereen”. De beoogde locatie valt binnen de hoofdkeuze 'Rotterdam zet de schouders onder de energie- en grondstoffentransitie'.
Daarbij wordt uitgegaan van de concrete ambitie voor windenergie van 350 MW opgesteld vermogen in 2025 zoals ook opgenomen in het Rotterdams Duurzaamheidskompas. Ten behoeve van de 350 MW is het gebied ten westen van de Maeslantkering, waar onderhavig plangebied deel van uitmaakt, in de Omgevingsvisie aangewezen als zoeklocatie voor windenergie op land. Conclusie Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 12.11 Het plan bevat veel tegenstrijdigheden In de toelichting staat dat de samenhang met kleinere elementen en structuren in het landschap zoals verkavelingsrichtingen is op het hoogste schaalniveau nauwelijks of niet waarneembaar. In de toelichting staat echter ook staat dat het initiatief op dit criterium en op dit schaalniveau wordt beoordeeld als positief (*, vanwege een waarneembare samenhang met de landschappelijke (hoofd)structuren, dan wel dat deze samenhang wordt vermoed. Beide turbines liggen min of meer in lijn liggen met de Nieuwe Waterweg). Op grotere afstand is de opstelling herkenbaar als zelfstandige, samenhangende lijnopstelling van twee turbines, gelet op de visualisaties in Figuur 5.20. Maar twee turbines vormen een beperkte lijn en bovendien is de onderlinge afstand vrij groot (circa 1,2 kilometer), zeker in verhouding tot de afstand van de oostelijke turbine tot de meest westelijke turbine van Windpark Nieuwe Waterweg (circa 0,9 kilometer).
Dit heeft tot gevolg dat vanaf sommige standpunten de opstelling duidelijk herkenbaar is als zelfstandige opstelling, terwijl vanaf andere punten dat minder duidelijk het geval is, bijvoorbeeld doordat slechts één turbine zichtbaar is (zie visualisatie 1 in Figuur 5.21). Omdat de opstelling in het merendeel van de visualisaties op dit schaalniveau als toch zelfstandige opstelling herkenbaar is, wordt dit effect op dit schaalniveau als licht positief (0/+, enige herkenbaarheid (vaak, maar lang niet altijd) van de opstelling) beoordeeld.
47
Totaal onduidelijk is waarom de ontwikkeling op dit punt als ‘licht positief wordt beoordeeld. Dit terwijl op andere criteria het plan duidelijk negatief scoort. Zo is de opstelling is minder goed herkenbaar als zelfstandige opstelling, door de relatief grote onderlinge afstand met de andere windturbines. Het initiatief scoort negatief als het gaat om het effect op interferentie met andere hoge elementen in het landschap, de invloed op de openheid van het landschap, de invloed op de visuele rust. De horizonvervuiling indien deze windmolen nabij de dorpskern van Hoek van Holland worden geplaatst is ook onvoldoende meegewogen. Dergelijke belangrijke aspecten zijn duidelijk niet goed afgewogen. Reactie Standaard onderdeel van een landschappelijke effectbeoordeling is een uitleg over de methode van effectbeoordeling. Allereerst is gesteld dat deze methode de waarnemer centraal stelt. Vervolgens is aangegeven dat de methode is gebaseerd op drie verschillende onderdelen: beoordelingscriteria, schaalniveaus en standpunten. Per onderdeel is uitgelegd wat daarmee wordt bedoeld en hoe daar in de effectbeoordeling mee is omgegaan. Reclamant spreekt van ‘tegenstrijdigheden’. In de uitleg op de beoordelingsmethodiek wordt aangegeven dat een initiatief op sommige criteria positief beoordeeld kan worden en op andere negatief.
Dan is er niet zo zeer sprake van tegenstrijdigheden, maar van andere beoordelingen op andere criteria, op andere schaalniveaus (of afstanden) en/of vanaf andere standpunten. Ter illustratie volgt hier een toelichting op de beoordeling aan de hand van schaalniveaus. Schaalniveaus hebben te maken met de afstand van de waarnemer tot het initiatief (in dit geval de voorgenomen bouw van twee nieuwe windturbines). Afhankelijk van de afstand van de waarnemer tot de twee windturbines kan een effect op één van de criteria (bijvoorbeeld ‘aansluiting op de landschappelijke structuur’) dan weer positief, dan weer negatief zijn. Op grote afstand zijn namelijk andere landschappelijke structuren relevant dan op kleine afstand. In deze situatie is bijvoorbeeld de Nieuwe Waterweg op het hoogste schaalniveau (grote afstand) relevant en de verkavelingsrichting op het laagste schaalniveau (kleine afstand). In de beoordeling is beoordeeld dat er wel sprake is van een waarneembare samenhang met landschappelijke (hoofd-)structuren op het hoogste schaalniveau (samenhang met onder andere de Nieuwe Waterweg, gezien vanaf grote afstand), maar niet van een waarneembare samenhang met landschappelijke structuren op het laagste schaalniveau (samenhang met onder andere de verkavelingsrichting, gezien vanaf korte afstand).
Ook het standpunt waarvandaan de waarnemer het initiatief ziet (zijn of haar afstand tot het initiatief) kan in hoge mate bepalen wat het effect is op een bepaald criterium. Een windturbine kan op korte afstand als bijzonder groot worden ervaren en op grote afstand als bijzonder klein. Een windturbine kan vanuit het ene standpunt nauw samenhangen met een andere windturbine, vanuit een ander standpunt daar juist los van lijken te staan. Ook in dergelijke gevallen is er geen sprake van ‘tegenstrijdigheden’, maar van twee effecten die er beide zijn. De indiener van de zienswijze geeft aan dat horizonvervuiling onvoldoende zou zijn meegenomen. Bij deze effectbeoordeling in deze landschappelijke context is het effect op de horizon(-beleving) niet als apart criterium beoordeeld, maar wel degelijk als onderdeel van andere criteria. Het apart hanteren van een criterium ‘horizon’ of ‘effect op horizon’ gebeurt
48 meestal alleen in een zeer open of lege landschappelijke context (zoals in zeer open poldergebieden of op zee), maar daarvan is in deze situatie geen sprake. Hier is juist gelet op het effect op openheid en interferentie, omdat er in de (ruimere) omgeving sprake is van een zekere mate van openheid, maar ook van andere hoge objecten (denk bijvoorbeeld aan de skyline van Europoort en het voorkomen van hoogspanningslijnen en andere hoge objecten). Conclusie Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 12.12 Advies Commissie Omgevingskwaliteit ontbreekt Zonder advies van de Commissie Omgevingskwaliteit kan niet geconcludeerd worden dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De hoogte van de windturbines staat in geen enkele verhouding tot andere landschapselementen of bebouwing. Door de enorme hoogte is ook een extra brede voet noodzakelijk. Reactie Dit plan is ter inzage gelegd op 8 december 2023. Dus voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. De Commissie Omgevingskwaliteit en Cultureel Erfgoed Rotterdam is de opvolger van de Commissie voor Welstand en Monumenten onder de Omgevingswet. De welstandscommissie heeft op 26 oktober 2023 positief geadviseerd op het bouwplan. Conclusie Wij stellen voor deze zienswijze ongegrond te verklaren.
12.13 Niet goed getoetst aan provinciaal beleid en windenergiebeleid Uit paragraaf 2.3 van de toelichting behorende bij het ontwerpbestemmingsplan blijkt dat het plaatsen van de windturbines deels onderdeel zijn van het PlanMER Partiële Herziening VRM Windenergie Zuid-Holland (2018). Hierbij wordt aangehaakt bij het plan voor de Nieuwe Waterweg terwijl eerder wordt gesteld dat het juist een apart project is en geen MERbeoordeling noodzakelijk zou zijn. Daarbij komt dat het plan niet geheel in het gebied ‘locatie windenergie’ ligt. Het beoogde plangebied is dus niet aangewezen door de provincie als voorkeurslocatie. Zonder nadere motivering kan niet worden gesteld dat wordt voldaan aan provinciaal beleid. Volgens de Partiële herziening Visie ruimte en mobiliteit Windenergie zijn draagvlak en participatie van groot belang. De provincie raadt aan om de participatie te starten voordat het ruimtelijk besluitvormingsproces begint. Van participatie door omwonenden is niet of nauwelijks sprake. Ook is er onvoldoende draagvlak bij belanghebbenden voor zulke hoge windturbines. De toelichting op het bestemmingsplan gaat niet in op het draagvlak in de omgeving, maar zegt hooguit iets over het draagvlak bij de Nederlandse bevolking. Maar dat is niet wat de provincie met haar beleidslijn bedoelde.
Daarnaast zegt de Beleidslijn Windenergie dat de locatie Beuningen moet worden gezien als een van de locaties voor de lange termijn, de periode tot 2050. Onduidelijk is waarom dit plan nu al in procedure wordt gebracht. Uit de Beleidslijn Windenergie blijkt dat hiermee geen haast hoeft te worden gemaakt. Daarom is er voldoende tijd om grondig onderzoek te doen naar de effecten van megawindturbines. Reactie Voor wat betreft de noodzaak van dit project en het feit dat het plan nu in procedure is gebracht wordt verwezen naar de reactie op zienswijze 1.9.
49
Voor wat betreft de toets aan het provinciaal beleid wordt verwezen naar de Toelichting bij het bestemmingsplan In paragraaf 2.3.2 van die Toelichting wordt ingegaan op de aanwijzing van de locatie in de provinciale Omgevingsverordening. In paragraaf 4.1 wordt ingegaan op de nadere onderbouwing van het project binnen locatie voor windenergie uit de provinciale omgevingsverordening en beperkte aanpassing van de begrenzing. De partiële herziening Visie ruimte en mobiliteit Windenergie is inmiddels opgegaan in de Omgevingsvisie ZuidHolland. De bijbehorende Omgevingsverordening Zuid-Holland geeft de juridisch bindende regels voor de gemeente. De Omgevingsvisie geeft het beleid van de provincie zelf en is zelfbindend. Het plangebied bevindt zich nabij het in de Provinciale Omgevingsverordening aangewezen locatie voor plaatsing van windturbines '32 - Verlenging Nieuwe Waterweg / Stenaterrein' en nabij de grotendeels ingevulde locatie '31 - Nieuwe Waterweg'. De provincie Zuid-Holland geeft in haar Omgevingsverordening het volgende aan over windenergie in artikel 6.28 lid 1 en 2: 1. "Een bestemmingsplan laat nieuwe windturbines alleen toe op gronden binnen de locaties voor windenergie, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 16 in bijlage II. 2.
In het bestemmingsplan kan de begrenzing van de in het eerste lid bedoelde locaties in beperkte mate worden aangepast, rekening houdend met de lokale omstandigheden. 3. (…)." De twee bestemde posities voor de windturbines zijn op basis van een belemmeringenanalyse van de locatie en in overleg tussen initiatiefnemers en gemeente aangewezen als best mogelijke posities binnen en nabij de in de Omgevingsverordening aangewezen locatie voor windenergie. Plaatsing van windturbines volledig in aangewezen zoekgebied blijkt technisch gezien niet mogelijk en de plaatsing van windturbines (deels) buiten dit gebied leidt niet tot andere milieueffecten. In afstemming met de provincie ZuidHolland maakt de gemeente Rotterdam daarom gebruik van de mogelijkheid om in beperkte mate van de begrenzing van de locatie voor windenergie aan te passen op basis van artikel 6.28 lid 2 uit de provinciale Omgevingsverordening. De provinciale Omgevingsverordening geeft geen richtlijnen voor participatie. Het is aan de gemeente zelf om de participatie vorm te geven. Voor dit project zijn de participatiemogelijkheden voor aanvang van de formele procedure vastgelegd in een participatieplan (zie Bijlage 14 bij de Toelichting op het bestemmingsplan). Dit participatieplan is tot stand is gekomen in samenwerking met de gemeente, het Hoogheemraadschap van Delfland en Renewi.
In paragraaf 7.2 van de Toelichting bij het bestemmingsplan staat beschreven hoe de participatie heeft plaatsgevonden. Zie verder ook de reactie op zienswijze 9.1. Conclusie Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 12.14. Keuze voor windenergie niet onderbouwd Er zijn andere mogelijkheden om duurzame energie op te wekken die veel minder impact hebben om de ruimtelijke kwaliteit, bijvoorbeeld door daken vol te leggen met zonnepanelen, net als geluidswallen, bedrijventerreinen en dergelijke. In de toelichting op het bestemmingsplan wordt daar niets over gezegd, laat staan over andere duurzame vormen van energie en over energiebesparing. De keuze voor windenergie is totaal niet onderbouwd.
50 De gemeente beroept zich op een opdracht van de provincie waarbij niet alle andere mogelijkheden tot alternatieve opwekking van energie voldoende zijn onderzocht. Een deugdelijk onderzoek naar alternatieven is noodzakelijk om te kunnen concluderen dat deze ontwikkeling wenselijk is. Daarbij komt dat windturbines weinig effectief zijn. Wel 70% van de opgewekte stroom via windenergie gaat verloren door productiepieken die zorgen voor overbelasting van het net. Reactie Verwezen wordt naar de reactie op zienswijze 1.9. Conclusie Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 12.15 Natuur Onvoldoende is onderzocht of de windturbines slecht zijn voor het welzijn van vele soorten vogels. Er is überhaupt geen onderzoek gedaan naar gevolgen voor de natuur. Het is bekend dat door de turbulentie via de wieken het welzijn van veel vogelsoorten ernstig kan worden geschaad. Reactie Zie reactie op zienswijze 1.6. Conclusie Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 12.16 Planschade Nu bij planschadeclaims een steeds groter deel van het nadeel voor eigen risico blijft, hoort dit nadeel zo klein mogelijk te blijven. Een goede ruimtelijke ordening vraagt dat het nadeel voor omwonenden zo klein mogelijk wordt gehouden. Planschade kan worden voorkomen door een aanpassing van het plan. De te berekenen schade bestaat uit twee aspecten.
Enerzijds een waardedaling van het onroerend goed, maar anderzijds ook zeer hoge kosten ingeval reclamant de uitbreidingmogelijkheden op een andere wijze moet inrichten, waarbij de mogelijkheden tot bebouwing niet meer mogelijk zijn als benodigd. Voor reclamant geldt dat als deze haar huidige nog niet bebouwde terrein in de toekomst voor de benodigde uitbreiding van de oppervlakte bedrijfshallen en kantoren wil realiseren, er dan zeker forse extra bouwtechnische voorzieningen benodigd zijn vanwege de bedrijfsveiligheid in het gebouw. Een kantoor van meer dan 1500m2 is volgens de regelgeving niet meer mogelijk. Dit betekent concreet dat reclamant geen kantoor aan de voorzijde kan bouwen van voldoende omvang. Dit betekent dat de bedrijfshal aan de achterzijde van de locatie deels moet worden weggebroken en moet worden vervangen door een nieuw te bouwen hoofdkantoor en dat in de toekomst de nu al aanwezige kantoren moeten worden verwijderd omdat deze ruimte dan ingericht en gebruikt moet kunnen worden als bedrijfshal. Dit betekent qua aanwendbaarheid van deze locatie dan dat er vanaf de zijde waar de windmolen gepland staat er een nieuwe bedrijfshal gebouwd zou moeten worden met daarin extra verstevigingen voor voldoende veiligheid in deze bedrijfshal voor het aldaar aanwezige personeel.
De financiële gevolgen bedragen tussen 1.250.000,- en 1.500.000,- voor de extra specialistische bouwkosten en een waardedaling van de bestaande bedrijfsopstanden van 450.000,- tot 600.000,- .
51 Reactie Voor eventuele waardedaling ten gevolge van windturbines kan een verzoek om planschade in het kader van de Wet ruimtelijke ordening worden gedaan na het onherroepelijk worden van het plan. Deze wettelijke regeling is bedoeld om tegemoet te komen in de schade als gevolg van een planologisch besluit. Een verzoek om planschade kan worden ingediend binnen 5 jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. Conclusie Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. Zienswijze 13. Stichting Achmea Rechtsbijstand namens Marest vastgoed B.V. te Poeldijk. 13.1 Beperkingen De huidige afstand, uitgedrukt in meters, vanaf hoek van het perceel van reclamant tot aan de beoogde windturbine is circa 50 meter. Bij een rotordiameter van 140 meter (zijnde 2 x 70 meter) komt de punt van de rotor tot aan de gevel van het kantoorgebouw. Het perceel aan de Kulkweg 60 omvat o.a. een bedrijfshal van ca 4500m2 met op- en overslag aan de voor- en achterzijde, een vrijstaand kantoorgebouw met daarin nu 55 werkplekken die dagelijks bezet zijn, een parkeerterrein voor ca. 50 personenauto's en een demo-kas waar allerhande nieuwe technieken worden getest en ook worden gepresenteerd aan de internationale klanten van de huidige huurder.
Reclamant wil geen enkele beperking qua gebruik van alle in bezit zijnde eigendommen ten opzichte van heden, geen beperkingen voor alternatieve aanwendbaarheid in de toekomst voor mogelijke andere activiteiten van eigendommen en geen beperkingen die mogelijke uitbreiding van activiteiten op haar eigendommen zou kunnen beperken. Reactie Het perceel van reclamant ligt in het gebied van onderhavige herziening Windwinning Hoeksebaan en ligt binnen de veiligheidszone-windturbine PR10-6. Beperkt kwetsbare objecten toegestaan, kwetsbare objecten niet toegestaan. Tevens ligt het perceel in het gebied waar het bestemmingsplan ‘Hoek van Holland-Bedrijventerreinen’ van kracht is en heeft hierin de bestemming ‘Bedrijf 2’, bestemd voor bedrijven t/m categorie 4.2 van de lijst van bedrijfsactiviteiten behorende bij de regels en bedrijfsgebonden kantoren per bedrijf niet meer dan 50% van het bruto vloeroppervlak met een maximum van 3000m2.
Het perceel van reclamant is aangegeven met een omlijnde rechthoek.
52 De voorliggende herziening dient wat betreft woningen te voldoen aan de geldende geluids-, slagschaduw- en externe veiligheidsnormen. In de herziening en bijbehorende onderzoeken is hieraan getoetst en geconcludeerd dat aan de normen wordt voldaan. Bedrijven zijn geen gevoelige bestemmingen voor geluid en slagschaduw, waardoor de windturbines in principe niet beperkend zijn voor toegestane en toekomstige bedrijfsactiviteiten vanuit die aspecten. Hoewel bedrijven geen gevoelige objecten zijn, dient echter vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wel te worden beoordeeld of de geluid en slagschaduwhinder op de bedrijven aanvaardbaar zal zijn. Wat betreft het aspect externe veiligheid, wordt bedrijfsbebouwing in lijn met de begripsbepaling uit het Bevi in principe aangemerkt als een beperkt kwetsbaar object. Beperkt kwetsbare objecten mogen volgens het bestemmingsplan niet worden opgericht binnen de contour PR10-5 van de windturbines. De contour ligt generiek volgens het handboek risicozonering windturbines op een afstand van een halve rotordiameter (90 meter) en specifiek op een afstand van 75 meter (zie figuur 5.5 Toelichting bij het bestemmingsplan) maar is uiteindelijk in het bestemmingsplan vastgelegd op een maximale afstand van 55 meter vanwege bestaande bebouwing op het bedrijventerrein (zie paragraaf 5.4.2. onder ‘toekomstige bebouwing').
Hierdoor gaat de cirkel maar beperkt (circa 1-2 meter) over het perceel van reclamant. Reclamant wordt dus in zijn toekomstige bedrijfsbebouwing in die zin beperkt, dat op die 1 á 2 meter gronden geen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten meer gerealiseerd kunnen worden. Een dergelijke zeer geringe beperking van de gebruiksmogelijkheden wordt in algemene zin aanvaardbaar geacht in het belang van de realisatie van de windturbines vanwege de energietransitie en is niet onevenredig voor de betreffende bedrijven. Daarbij wordt betrokken dat er op dit moment niet dergelijke objecten gerealiseerd zijn ter plaatse van de contour van de windturbines. De bestaande bedrijfsbebouwing is beperkt kwetsbaar en ligt buiten de PR10-5 contour van de windturbine. Hiermee heeft het bestemmingsplan geen effect op de huidige bedrijfsbebouwing van reclamant. In de herziening is een maximale specifieke PR10-6 contour van 204 meter opgenomen, waarin kwetsbare objecten worden uitgesloten, tenzij ze deel uitmaken van de inrichting waar ook de windturbine deel van uitmaakt. Dit komt doordat de enige mogelijk te realiseren kwetsbare objecten in de zin van het Bevi kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak groter dan 1.500 m2 zouden kunnen zijn.
Daaromtrent is in het bestemmingsplan “Hoek van Holland – Bedrijventerreinen” bepaald dat bedrijfsgebonden kantoren per bedrijf niet meer dan 50% van het bruto vloeroppervlak mogen innemen, met een maximum van 3.000 m2. Op het perceel is momenteel een bedrijfsgebouw van ca. 2900m2 en een separaat kantoorgebouw van 1100.m3 aanwezig. Er is op 18 augustus 2023 omgevingsvergunning verleend voor uitbreiding van het kantoor tot 1499,55 m2. Dit zijn beperkt kwetsbare objecten. Uit kadastrale gegevens blijkt dat Uit kadastrale gegevens blijkt dat gelet op de oppervlakte van het perceel het realiseren van een kantoor met een oppervlakte groter dan 1500m2 planologisch mogelijk is. Hiervoor dient wel tevens het bedrijfsgebouw uitgebreid te worden. Met de realisatie van deze windturbines wordt een bijdrage geleverd aan de gemeentelijke, provinciale en Rijksdoelstelling voor windenergie op land en daarmee aan de energietransitie. In dit kader zijn alle betrokken belangen afgewogen en is een bepaalde beperking acceptabel geacht. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening kan een verzoek om planschade worden gedaan na het onherroepelijk worden van het plan. Deze wettelijke regeling is bedoeld om tegemoet te komen in de schade als gevolg van een planologisch
53 besluit. Een verzoek om planschade kan worden ingediend binnen 5 jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. Conclusie Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. Zie voor de reactie op zienswijzen 13.2 tot en met 13.16 de reactie op zienswijzen 12.2 tot en met 12.16. 13.17 Vergunning voor uitbreiding kantoorpand groter dan 1500m2. Reclamant heeft in 2023 op verzoek van zijn huidige huurder een omgevingsvergunning aangevraagd en verkregen voor een uitbreiding van het kantoorgebouw. Na de uitbreiding is de oppervlakte van het kantoorpand ca. 1580 m2 dus fors groter dan 1500 m2. In een aanvullende mail is aangegeven dat dit 1558 m2 dient te zijn. Door de verkregen omgevingsvergunning voor uitbreiding van het kantoorgebouw tot meer dan 1500 m2 vloeroppervlakte is de beoogde windturbine op deze locatie niet toegestaan. Reactie Op 18 augustus 2023 is omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van het kantoorpand aan de Kulkweg 60 te Hoek van Holland. Naar aanleiding van de zienswijze is de omgevingsvergunning voorgelegd aan het ingenieursbureau Nieman. Dit bureau heeft de vergunde afmetingen nader berekend. Er is omgevingsvergunning verleend voor een kantoorgebouw van in totaal 1499,55 m2. Hiermee is sprake van een beperkt kwetsbaar object in de zin van het Bevi.
Realisatie van de windturbines is dus mogelijk naast de vergunde uitbreiding van het kantoorpand omdat het kantoorpand met uitbreiding niet groter is dan 1500 m2 bvo en dus beperkt kwetsbaar is. Het kantoorpand ligt in de veiligheidszone PR10-6, binnen deze zone zijn beperkt kwetsbare objecten toegestaan. Conclusie Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 13.18 Planschade Nu bij planschadeclaims een steeds groter deel van het nadeel voor eigen risico blijft, hoort dit nadeel zo klein mogelijk te blijven. Een goede ruimtelijke ordening vraagt dat het nadeel voor omwonenden zo klein mogelijk wordt gehouden. Planschade kan worden voorkomen door een aanpassing van het plan. De indiener van de zienswijze wijst erop dat hij reeds beschikt over een omgevingsvergunning voor een kantoorgebouw van meer dan 1500 m2. Mocht de windturbine toch gebouwd worden, dan zal er een aanzienlijke schade ontstaan. Naast waardedaling als gevolg van forse huurderving vanwege het mogelijk niet realiseren van uitbreidingsplannen van de huurder van het pand zal er ook forse huurderving zijn als gevolg van overlast door geluidshinder, horizonvervuiling, gevaar voor mensen die werken op locatie en het gebruik van de demo-kas die niet meer verantwoord is. In het huidige kantoor werken nu al 55 personen, maar na de uitbreiding vanuit de verkregen omgevingsvergunning zullen dit er ca.
75 tot 80 zijn. Op basis van overleg met een bouwbedrijf volgt dat de financiële gevolgen minimaal 1.875.000 tot € 2.500.000,- zal bedragen. Reactie
54 Voor eventuele waardedaling ten gevolge van windturbines kan een verzoek om planschade in het kader van de Wet ruimtelijke ordening worden gedaan na het onherroepelijk worden van het plan. Deze wettelijke regeling is bedoeld om tegemoet te komen in de schade als gevolg van een planologisch besluit. Een verzoek om planschade kan worden ingediend binnen 5 jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan. Conclusie Wij stellen voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. Zienswijze 14. Spuistraat 10 Advocaten namens Beyond Chrysant B.V. Beyond Chrysant B.V. Eigenaar Dwarshaak 36 Hoek van Holland. 64.000m2 kassen en Dwarshaak 10. Beide percelen betreffen vormen een aaneengesloten kassencomplex. 14.1 Geluid In het rapport 'Akoestiek en slagschaduw' wordt uitgegaan van een onjuist uitgangspunt. In het ontwerpbestemmingsplan wordt een windturbine toegestaan met een maximale tiphoogte van 260 meter (maximale rotordiameter 180 meter en maximale ashoogte 170 meter). Dat is alsnog een stuk groter dan de 'worst-case windturbine' met een tiphoogte van 250 meter en een rotordiameter van 160 meter waar in het akoestische onderzoek van uit wordt gegaan. In het ontwerpbesluit noch in het ontwerpbestemmingsplan wordt vastgesteld welk type windturbine met welke afmetingen ter plekke is toegestaan/zal worden vergund.
Dat betekent dat een windturbine mogelijk is die groter is dan de windturbine die ten grondslag ligt aan het Rapport. Hiermee is het Rapport niet representatief en kan dit niet als onderbouwing dienen bij het ontwerpbestemmingsplan en de ontwerp omgevingsvergunning. Tevens zijn uitsluitend bedrijven met een kantoorfunctie betrokken. Er is geen berekening gemaakt voor tuinbouwkassen. Er is dan ook geen sprake van een goede ruimtelijke ordening. Reactie Verwezen wordt naar de reactie op zienswijze 1.7 voor wat betreft de uitleg bandbreedte vergunning. In de bouwregels van het bestemmingsplan is deze bandbreedte van windturbineafmetingen ook vastgelegd. De windturbines mogen dus nooit meer dan 250 meter hoog worden. Wanneer gekozen wordt voor bijvoorbeeld een windturbine met een rotordiameter van maximaal 180 meter dan kan deze dus automatisch geen hogere ashoogte krijgen dan 160 meter omdat ook aan de maximale tiphoogte van 250 meter moet worden voldaan. Voor het bepalen van milieueffecten wordt gebruik gemaakt van een voorbeeldturbine, omdat de keuze voor exacte afmetingen pas in een later stadium plaats vindt. Voor het aspect geluid wordt uitgegaan van een luide windturbine (zie ook paragraaf 5.1.1. plantoelichting en Bijlage 1) – binnen de bandbreedte van afmetingen - die als maatgevend wordt beschouwd voor de maximale geluidbelasting.
Deze windturbine is niet de allerluidste op de markt, maar wel de luidste die voor dit project toegepast kan worden en in die zin 'worst case' specifiek voor dit project. Het maximale (toe te stane) bronvermogen van de windturbine en de maximale tiphoogte zijn bepalend voor de maximale geluidbelasting binnen de bandbreedte van afmetingen. Concreet is daarom voor geluidonderzoek ter bepaling van de maximale akoestische effecten uitgegaan van een relatief luide windturbine voorzien van 'serrated edges', de Enercon E160 EP5 E3 STE 5,6 MW windturbine met een rotordiameter van 160 meter op een (fictieve) ashoogte van 170 meter, uitgaande van een maximale tiphoogte van 250 meter. Dit is een beproefde en algemeen geaccepteerde wijze van onderzoek bij een bandbreedte vergunning voor windturbines. Het onderzoek is op juiste gronden uitgevoerd.
55
Conclusie Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 14.2 Slagschaduw In het ontwerpbestemmingsplan wordt een windturbine met een tiphoogte van 260 meter en een ashoogte van 170 meter en rotordiameter van 180 meter mogelijk gemaakt. Dat is groter dan de fictieve windturbine uit het onderzoek ‘rapport Akoestiek en slagschaduw’. De stelling dat de 'maximale effecten zichtbaar zijn gemaakt’ kan dus niet opgaan. De stelling dat de 'maximale effecten zichtbaar zijn gemaakt’ kan dus niet opgaan. In de ontwerpomgevingsvergunning wordt voorts geen enkel voorbehoud gemaakt ten aanzien van de maximale afmetingen van de windturbines. Dit betekent dat het onderzoek niet representatief is en niet ten grondslag kan worden gelegd aan het ontwerpbestemmingsplan en de ontwerpvergunning. Ook ontbreekt een goede ruimtelijke ordening. In paragraaf 3.1 van het Rapport valt te lezen dat in het onderzoek naar slagschaduw, alleen woningen van derden (gevoelige objecten) zijn betrokken. In zijn uitspraak van 29 mei 2019; ECLI:NL:RVS:2019:1781, heeft de Afdeling echter bepaald dat het feit dat geen sprake is van een gevoelig object, niet wegneemt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening alsnog beoordeeld dient te worden of ter plaatse van niet gevoelige objecten sprake is van een aanvaardbare mate van hinder door slagschaduw.
Dit is vervolgens uitsluitend gedaan voor bedrijven met een kantoorfunctie. Er is niet gekeken naar omliggende bedrijven met aaneengesloten rijen glazen tuinbouwkassen waar dagelijks werknemers aanwezig zijn. Het perceel waar windturbine 1 is beoogd grenst rechtstreeks aan het perceel Dwarshoek 36, waarbij windturbine 1 op slechts 120 meter afstand van het perceel is verwijderd. Het perceel Dwarshaak 6,10 en 36 maar ook omliggende percelen zijn volledig bebouwd met glazen tuinbouwkassen. Dit komt neer op een totale oppervlakte van maar liefst 350.000 m2, dat is 35 hectare glazen kassen. In deze kassen werken dagelijks mensen. Gezien de gigantische oppervlakte met daarop aaneengesloten rijen glazen tuinbouwkassen, gelegen in de directe nabijheid van de beoogde windturbine-1 en - in iets mindere mate - windturbine-2, kan niet gesproken worden van een goede ruimtelijke ordening nu de glazen tuinbouwkassen niet zijn meegenomen in het onderzoek naar slagschaduw. Dit geldt des temeer nu met standaard toetspunten 8x5 is gerekend. Voor bedrijven met grotere lichtdoorlatende gevels kan de slagschaduwhinder hoger uitvallen. Op basis van het huidige rapport kan niet beoordeeld worden of de ruimtelijke effecten van de slagschaduw op het bedrijf van reclamant aanvaardbaar kunnen worden geacht.
Reactie Zoals ook is aangegeven in de reactie op zienswijze 14.1 is de maximale tiphoogte vastgelegd op 250 meter, een windturbine mag dus niet groter worden. Voor slagschaduwonderzoek is daar dan ook van uit gegaan. Ter bepaling van de maximale slagschaduweffecten is in het slagschaduwonderzoek voor het plan uitgegaan van turbines met een maximale rotordiameter (180 meter) en maximale tiphoogte (250 meter), en daarom met een ashoogte van 160 meter. Voor de slagschaduwberekeningen zijn enkel de eerste twee geometrische eigenschappen van belang. Voor slagschaduwonderzoek geldt dat een windturbine met maximale afmetingen de worst-case situatie is, de onderzoekconclusies zijn dan ook geldig voor kleinere en lagere windturbinetypes dan de voorbeeldwindturbine. Er is geen noodzaak om nieuw onderzoek uit te voeren. Het onderzoek is op de juiste gronden uitgevoerd. Conclusie Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 14.3 Externe veiligheid
56 In het Onderzoek externe veiligheid d.d. 14 september 2023, behorend bij het ontwerpbestemmingsplan zijn de kassen aangemerkt als beperkt kwetsbaar object. De tuinbouwkassen dienen op grond van het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (hierna: Bevi) te worden aangemerkt als een kwetsbaar object en ook als zodanig in het onderzoek te worden meegenomen. Uit de Nota van Toelichting bij het Bevi (Staatsblad 2004 nr. 250) volgt dat wat de wetgever specifiek heeft bedoeld met de begrippen beperkt kwetsbaar en kwetsbaar is de bescherming van mensen die verkeren in de buurt van een activiteit waar iets gedaan wordt dat risicovol is en gevaar kan opleveren. Er kan altijd iets misgaan met die activiteit (het risico) en dan moet de burger kunnen rekenen op een minimaal beschermingsniveau. Het komt er op neer dat naar mate er meer mensen permanent in een object verblijven, of dit soort objecten meer gegroepeerd bij elkaar zijn gesitueerd, het karakter van een object verschuift van beperkt kwetsbaar naar kwetsbaar. Met name aantal en verblijfsduur zijn hier belangrijke criteria. De grens tussen beperkt kwetsbaar en kwetsbaar ligt bij 50 personen. Daaronder is het doorgaans beperkt kwetsbaar, daarboven kwetsbaar.
In de regelgeving is hier soms direct rekening mee gehouden door het getal van 50 personen aan te geven, soms indirect waarbij 50 personen is afgeleid van het bruto vloeroppervlak. De overheid wil aldus voorkomen dat grote groepen mensen in de nabijheid van een risicovolle activiteit verblijven. In de kassen op de totale oppervlakte van 350.000 m2 werken dagelijks meer dan 50 personen. Per bedrijf zijn doorgaans ten minste een tiental personen actief in de kassen. De conclusie is dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening omdat de tuinbouwkassen ten onrechte niet zijn meegenomen als kwetsbaar object. Reactie Voor externe veiligheid dient met windturbines ten opzichte van kwetsbare objecten een plaatsgebonden risicocontour aangehouden te worden van PR10-6. Reclamant geeft aan dat de kassen als kwetsbaar object gezien moeten worden omdat er doorgaans meer dan 50 personen werken. We gaan daar hierna verder op in. Voor windturbines wordt voor de definitie van wat kwetsbaar en beperkt kwetsbaar object is aangesloten op de definities van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), zoals dat ten tijde van het ter inzage leggen van ontwerpbestemmingsplan gold. Voor de definitie van kwetsbare objecten op grond van artikel 1 van het Bevi wordt verwezen naar de reactie op zienswijze 12.4.
Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is gebaseerd op een aantal overwegingen die zijn ontleend aan de maatschappelijke opvattingen over de groepen mensen in de samenleving die in het bijzonder moeten worden beschermd. In de eerste plaats behoren objecten waar mensen doorgaans dag en nacht verblijven bijzondere bescherming te genieten (woningen). Daarnaast verdienen bepaalde groepen mensen uit hoofde van hun fysieke of psychische gesteldheid een bijzondere bescherming (kinderen, ouderen, zieken of psychisch kwetsbare personen). Naast de genoemde maatschappelijke opvattingen is het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gebaseerd op het aantal en de verblijftijd van groepen mensen en op de aanwezigheid van adequate vluchtmogelijkheden (zelfredzaamheid). De 50 personen waar de indiener van de zienswijze op wijst als afgeleide van het bruto vloeroppervlak gaat over kantoren. Voor kantoren is namelijk in de definitie van kwetsbaar object een vloeroppervlak opgenomen van 1500 m2. Dat staat voor de aanwezigheid van 50 personen, uitgaande van een dichtheid van 1 persoon per 30 m2. Een kas is volgens de definitie van het Bevi geen kwetsbaar object. Gezien de aard van de activiteit is een kas, of een complex van meerdere
57 aparte kassen zoals indiener benoemd, ook niet gelijk te stellen met een kantoor. In de kassen is de personendichtheid veel kleiner dan in een kantoor, zo ook de duur van de (dagelijkse) aanwezigheid op een specifieke plek. Er is dus geen enkele reden een kas gelijk te stellen met een kantoor van meer dan 1500 m2 en als kwetsbaar object te beschouwen. Een kas, waarin dagelijks wel personen werkzaam zijn, is meer vergelijkbaar met (overige)bedrijfspanden en daarmee beperkt kwetsbaar volgens de definities van het Bevi. Conclusie Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 14.4 PR10-05 contour In paragraaf 5.4.2 van de Toelichting is aangegeven dat binnen de maximale PR10-05 contour een gebouw van Kras Recycling (gebouw G) is gelegen. Daarbij is aangegeven dat het een gebouw is met een industriefunctie en geen kantoordelen heeft waar mensen langdurig aanwezig zijn. Het betreft een beperkt kwetsbaar object. Deze is niet binnen de PR10-05 contour toegestaan. De afstand vanaf WT02 tot de rand van het pand bedraagt 72 m. De generieke PR1E-05 contour ligt op 95 m, de specifieke PR1E-05 contour ligt op 75 m. Dit betekent dat het pand ook binnen de specifieke worst-case PR10-05 contour ligt.
Om te voorkomen dat het pand bínnen de daadwerkelijke PR10-05 zal liggen, moet de specifieke PR1E-05 contour of de rotordiameter van de windturbine worden beperkt tot maximaal 72 m. Deze beperking is echter noch in de ontwerp omgevingsvergunning noch in het ontwerpbestemmingsplan terug te vinden. In artikel 3.2.1 (‘Windturbinepark’) onder j. van het ontwerpbestemmingsplan is voorts opgenomen: ‘de windturbines in het windturbinepark dienen gelijk te zijn.’ De in het ontwerpbestemmingsplan in artikel 3.2.1 sub e. opgenomen maximale rotordiameter bedraagt 180 meter. De in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen maximale diameter voldoet derhalve niet aan de normen uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Dit geldt voor de beide windturbines. Reactie In het citaat dat de indiener van de zienswijze aanhaalt staat “om te voorkomen dat het pand binnen de daadwerkelijke PR1 E-05 zal liggen, moet de specifieke PR1 E-05 contour of de rotordiameter van de windturbine worden beperkt tot maximaal 72 m.”. Er staat dus niet dat de rotordiameter verkleind móet worden, er worden twee mogelijke oplossingen genoemd. In paragraaf 5.4.2. van de Toelichting bij het bestemmingsplan wordt daar onder het kopje 'bebouwing’ nader op in gegaan.
De generieke plaatsgebonden risicocontour PR10-5 van een windturbine is de rotoroverdraai, maar de specifieke is over het algemeen kleiner en te berekenen op basis van het Handboek Risicozonering Windturbines. De specifiek berekenende PR10-5 contour is hier worst-case 75 meter. Omdat er binnen de 72 meter van de windturbine sprake is van bestaande bedrijfspanden (overigens niet de bedrijfspanden van reclamant, die liggen erbuiten; zie Figuur 5.5. in de Toelichting op het bestemmingsplan), en binnen circa 55 meter van geprojecteerde mogelijkheden voor realisatie van bedrijfspanden, is de PR10-5 contour verder verkleind naar 55 meter en als zodanig vastgelegd in het bestemmingsplan. Op deze wijze worden de aanwezige bedrijven niet in hun (uitbreidings)mogelijkheden beperkt en er zijn nog steeds voldoende windturbinekeuzeopties voor de initiatiefnemers. De in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen maximale diameter van de windturbine hoeft dus niet te voldoen aan de normen uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). De plaatsgebonden risicocontouren (PR) 10-5 en 10-6 van de te plaatsen windturbines dienen
58 te voldoen aan het Activiteitenbesluit en de begripsbepaling voor kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten uit het Bevi. Voor de afmeting van de rotordiameter gelden de bouwregels uit het bestemmingsplan voor de windturbines. De generieke PR10-5 is gelijk aan de rotoroverdraai maar de berekende specifieke PR10-5 is altijd kleiner. Conclusie Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 14.5 Huidige planologische mogelijkheden Onduidelijk is of aandacht is besteed aan de huidige ruimtelijke mogelijkheden, zoals de mogelijkheden op grond van het huidige bestemmingsplan. Te denken valt aan een mogelijke uitbreiding of wijziging van de bedrijfsbebouwing, bedrijfswoning of overige woningen. Niet duidelijk is of de realisatie van het voorliggende plan een beperking voor deze bestemmingsplanmogelijkheden met zich meebrengt. Dit dient nader onderzocht te worden, althans dient er een bepaling te worden opgenomen dat de huidige ruimtelijke mogelijkheden niet mogen worden beperkt. Een goede ruimtelijke onderbouwing ontbreekt nu geen onderzoek is verricht naar de effecten van het voorliggende plan op de bestaande ruimtelijke mogelijkheden op grond van het bestemmingsplan Reactie Met de ruimtelijke mogelijkheden op basis het van het bestaande bestemmingsplan is wel degelijk rekening gehouden.
Vooral vanuit het aspect externe veiligheid kunnen windturbines een beperking betekenen voor een bedrijf. Andersom kan de planologische mogelijkheid dat een bedrijf kan uitbreiden op basis van het geldende bestemmingsplan een beperking betekenen voor een windturbine. Dat is beschouwd in Bijlage 2 bij het bestemmingsplan (Onderzoek externe veiligheid) Ook in paragraaf 5.4 van de Toelichting op het bestemmingsplan wordt hier op ingegaan. Het perceel van reclamant ligt in het gebied waar het bestemmingsplan ‘Hoek van HollandBuitengebied’ van kracht is en heeft hierin de bestemming Agrarisch- Tuinbouw en een bedrijfswoning. Dit verandert niet met de voorliggende parapluherziening. Er ontstaan geen beperkingen voor de percelen van reclamant. Het perceel ligt geheel buiten het onderhavige plangebied.
De paarse prikker geeft het dichtstbijzijnde punt van het perceel t.o.v. het plangebied aan. Conclusie Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. 14.6 Zonnepanelen
59 Reclamant overweegt voorts om op korte termijn zonnepanelen aan te brengen bij het bedrijf/bijbehorende woningen. Uit onderzoek van TNO is naar voren gekomen dat de opbrengst van zonnepanelen per definitie lager uitvalt vanwege de schaduw van de windturbines en met name de schaduw van de turbinebladen zijn een probleem voor zonnepanelen. Dit vanwege de hoge snelheid waarmee ze ronddraaien: de bladen blokkeren het zonlicht elke keer slechts enkele milliseconden, en daar kan de regelapparatuur van zonnepanelen slecht tegen. Het gecombineerde effect van de langzame schaduw van de turbinepalen en de snelle schaduw van de turbinebladen, levert gemiddeld 6 procent energieverlies op. Goede ruimtelijke onderbouwing ontbreekt nu geen onderzoek is verricht naar de opbrengst van te plaatsen zonnepanelen. Reactie Even afgezien van de vraag of zonnepanelen op kassen een reële en rendabele optie zijn, is het ook niet zo dat bij het opstellen van een plan met alle theoretisch mogelijke ontwikkelingen rekening hoeft te worden gehouden. Op dit moment is er geen wet- en regelgeving die het verplicht om bij nieuwbouw rekening te houden met de mogelijkheden voor zonnepanelen bij bestaande, omliggende bebouwing. Dit is ook bevestigd in uitspraken van de Raad van State.
Om die reden is er geen onderzoek uitgevoerd naar effecten op toekomstige zonnepanelen en is het niet duidelijk of en wat de effecten zijn op eventuele zonnepanelen. Het onderzoek van TNO waar de indiener van de zienswijze naar verwijst gaat over gecombineerde wind- en zonneparken, waarbij sprake is van gecombineerd grondgebruik door (grootschalige) wind en zon. Het onderzoek gaat dus niet over dakgebonden of grondgebonden (particuliere) zonnepanelen in de omgeving van een windpark. De conclusies uit genoemd TNO-onderzoek zijn dus niet zonder meer door te trekken naar de onderhavige situatie. Conclusie Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. Zienswijze 15. Spuistraat 10 Advocaten namens de eigenaren van een aantal woningen aan de Dwarshaak. 15.1 Akoestisch onderzoek niet representatief. In het ontwerpbestemmingsplan wordt een windturbine toegestaan met een maximale tiphoogte van 260 meter (maximale rotordiameter 180 meter en maximale ashoogte 170 meter). Dat is alsnog een stuk groter dan de 'worst-case windturbine’ met een tiphoogte van 250 meter en een rotordiameter van 160 meter waar in het akoestische onderzoek van uit wordt gegaan. In het ontwerpbesluit noch in het ontwerpbestemmingsplan wordt vastgesteld welk type windturbine met welke afmetingen ter plekke is toegestaan/zal worden vergund.
Dat betekent dat een windturbine mogelijk is die groter is dan de windturbine die ten grondslag ligt aan het akoestisch rapport. Hiermee is het akoestisch onderzoek niet representatief en kan dit niet als onderbouwing dienen bij het ontwerpbestemmingsplan en de ontwerpomgevingsvergunning. Reactie Zie reactie op zienswijze 14.1. Conclusie Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 15.2 Geluidsrapport – toetspunten
60 Uit het akoestisch onderzoek blijkt uit dat niet op alle toetspunten kan worden voldaan aan de geluidnorm. Er moeten geluidmitigerende voorzieningen worden getroffen, of er moet een andere windturbine met een lagere geluidemissie of met een lagere ashoogte worden gehanteerd. Dit wordt echter niet nader gespecificeerd of uitgewerkt, niet in het ontwerpbestemmingsplan noch in de ontwerpomgevingsvergunning. Daardoor kan niet vastgesteld worden of sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau voor de omgeving. Reactie Wettelijk is vastgelegd dat voldaan moet worden aan de norm van 47 dB Lden, al dan niet met mitigatie. Dat betekent ook wettelijk een verplichting om mitigatie toe te passen als de gekozen windturbine daar niet zonder meer aan kan voldoen. Voor de definitieve keuze van de windturbine moet dan ook door middel van een melding aangetoond worden dat (en hoe) aan de wettelijke normstelling wordt voldaan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening hoeft alleen aangetoond te worden dat de referentiewindturbine, en daarmee ook het plan, kan voldoen aan de wettelijke geluidsnorm. Dat kan door middel van mitigatie. In Bijlage 1 van de toelichting is de mitigatie voor de referentiewindturbine verder uitgewerkt. Conclusie Wij stellen voor deze zienswijze ongegrond te verklaren.
15.3 Geluidsrapport – cumulatie In het akoestisch onderzoek is voor de berekening van cumulatie uitgegaan van de realisatie van Windwinning Hoeksebaan mét geluidvoorzieningen. Desondanks is er nog steeds sprake van een overschrijding. Hiervoor is maatwerk nodig waarbij verdere geluidvoorzieningen toegepast moeten worden. Dit wordt echter niet nader gespecificeerd, daardoor kan niet vastgesteld worden of sprake is van een aanvaardbaar geluidniveau voor de omgeving. Reactie In Tabel 5.1 van de plantoelichting wordt de Lden en Lnight op toetspunten eerst gegeven zonder mitigatie op basis van de worst-case windturbine voor dit project. Slechts op 2 punten is er dan een overschrijding van de Lden met 48 dB. Er is geen sprake van een overschrijding van de Lnight. Mitigatie is van rechtswege verplicht zodat op alle toetspunten aan een Lden van maximaal 47 dB Lden en Lnight van 41 dB kan worden voldaan. Toegelicht staat dat “door middel van het treffen van geluidvoorzieningen bij de windturbine (aanpassen bedrijfsinstellingen windturbines, zodat de windturbine onder omstandigheden minder dan wel niet draait om de geluidsproductie te verminderen) kan voldaan worden aan de geluidsnormen.
Ook het kiezen van een stillere windturbine kan gezien worden als mitigerende maatregel, waarbij deze stillere windturbine met minder of geen geluidvoorzieningen kan draaien (zoals bijvoorbeeld de gehanteerde gemiddelde windturbine). Aangezien de windturbines altijd moeten voldoen aan de normering uit het Activiteitenbesluit omdat deze normering rechtstreeks werkend is, is het treffen van voornoemde voorzieningen in beginsel ook afdoende geborgd op basis van het Activiteitenbesluit.” Ten aanzien van de cumulatie van de windturbines Windwinning Hoeksebaan wijst de indiener van de zienswijze er terecht op dat de motivatie ontbreekt ten aanzien van al dan niet de noodzaak tot het stellen van maatwerkvoorschriften voor cumulatief geluid met andere windturbines. Deze hoort in de plantoelichting te staan. Maar het is niet zo dat een maatwerkvoorschrift gesteld moet worden, het dient afgewogen te worden. Ten onrechte is deze afweging niet opgenomen in de plantoelichting. Zie verder de reactie op zienswijze 11.3. Conclusie
61 Wij stellen u voor de zienswijze ongegrond te verklaren. Wel wordt ambtshalve voorgesteld de toelichting in het bestemmingsplan aan te vullen voor wat betreft het aspect cumulatie met andere windturbines, zoals aangegeven in de reactie op zienswijze 11.3. 15.4 Slagschaduw Ook in het onderzoek naar slagschaduw is uitgegaan van een fictieve windturbine die kleiner is dan de in het ontwerpbestemmingsplan toegestane windturbine met een maximale ashoogte van 170 meter en een tiphoogte van 260 meter. De stelling dat de ‘maximale effecten zichtbaar zijn gemaakt’ kan dus niet opgaan. Reactie Zie reactie op zienswijze 14.2. Conclusie Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 15.5 Slagschaduw – vormgeving standstillvoorziening De indiener van de zienwijze bestrijdt dat voldoende onderbouwd is dat de uren overschrijding van de slagschaduwnorm terug zijn te dringen tot de aanvaardbare zes uur norm. In het onderzoek naar slagschaduw wordt nergens helder gemaakt hoe de standstillvoorziening vorm wordt gegeven. Bovendien wordt in het onderzoeksrapport uitgegaan van een lagere windturbine dan in het bestemmingsplan planologisch mogelijk wordt gemaakt. Reactie Voor wat betreft de gebruikte referentiewindturbine die in beantwoording is gebruikt wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 14.2.
Zoals al eerder aangegeven mag slagschaduw bij gevoelige objecten zoals woningen gemiddeld niet meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag optreden. In de praktijk komt dat neer op maximaal 6 uur per jaar.
Wordt dat getal overschreden, zoals het geval is bij de woningen aan de Dwarshaak die genoemd worden in de zienswijze, dan is bij wet geregeld dat een windturbine van een automatische stilstandvoorziening voorzien moet worden. De toepassing van een automatische stilstandvoorziening is wettelijk geregeld op basis van het Activiteitenbesluit/-regeling waardoor dat niet in het bestemmingsplan opgenomen hoeft te worden. Daarmee is uitvoerbaarheid ook automatisch geregeld. Een overschrijding van de slagschaduwnorm van 6 uur per jaar met 33 tot ruim 45 uur per jaar is overigens zeer beperkt in tegenstelling tot wat in de zienswijze wordt verondersteld. Een korte rekensom: Een jaar telt 8.760 uren en de daglichtperiode is ongeveer de helft daarvan (4.380 uur). Slagschaduw kan alleen tijdens de daglichtperiode optreden. 45 uur slagschaduwduur is slechts 1% van de totale daglichtperiode per jaar en 0,5% van het totaal aantal uren per jaar. Conclusie Wij stellen u voor deze zienswijze ongegrond te verklaren. 15.6 Contour PR10-5 – Beperking rotordiameter tot max. 72 meter Merkt op dat volgens het bij het ontwerpbestemmingsplan behorende Onderzoek externe veiligheid de rotordiameter beperkt moet worden tot 72 meter om te voorkomen dat een
62 pand van de indieners van de zienswijze binnen de contour PR10-5 valt. Dit is echter niet vastgelegd in de regels van het ontwerpbestemmingsplan noch in de ontwerpomgevingsvergunning. Integendeel, de in het ontwerpbestemmingsplan in artikel 3.2.1 sub e. opgenomen maximale rotordiameter bedraagt 180 meter. De in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen maximale diameter voldoet derhalve niet aan de in het Rapport opgenomen aanwijzing en daarmee ook niet aan de normen uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Reactie In het citaat dat reclamant aanhaalt staat “om te voorkomen dat het pand binnen de daadwerkelijke PR1 E-05 zal liggen, moet de specifieke PR1 E-05 contour of de rotordiameter van de windturbine worden beperkt tot maximaal 72 m.” Er staat dus niet dat de rotordiameter verkleind móet worden, er worden twee mogelijke oplossingen genoemd. In paragraaf 5.4.2. van de plantoelichting onder 'bebouwing’ wordt daar nader op in gegaan. De generieke plaatsgebonden risicocontour PR10-5 van een windturbine is de rotoroverdraai, maar de specifieke is over het algemeen kleiner en te berekenen op basis van het Handboek Risicozonering Windturbines. De specifiek berekenende PR10-5 contour is hier worst-case 75 meter.