[24bb001865] Bijlage behorende bij 24bb001864 over Schouwrapport Dagprogrammering tweede ronde 2023
Tekst van het document
Op één school na, die een deel van het aanbod facultatief aanbiedt, geven alle po-scholen aan dat leerlingen verplicht aan de activiteiten deelnemen. Dit maakt dat alle groepen en alle leerlingen van het aanbod profiteren. Dit is een verschil met de uitkomsten uit de vorige schouwronde, aangezien meerdere van de toen geschouwde basisscholen ervoor kozen om (een deel van) het aanbod facultatief aan te bieden.
3.2.2 Plaats van Dagprogrammering in het rooster: vo Uitkomsten vorige schouwronde De vormgeving van de Dagprogrammering op de geschouwde vo-scholen is vergelijkbaar met die in het po, ondanks dat zij minder extra uren hoeven aan te bieden (zes uur) aan minder leerlingen (een derde) . Ook op deze scholen is een deel van de extra uren verplicht en verweven in het rooster van leerlingen. De extra uren in de namiddag zijn bijlesuren of verdiepingsvakken/activiteiten en deelname hieraan wordt gestimuleerd, maar is vrijwillig. In het vo is er dan ook een lagere deelname-eis (een derde van de leerlingen). Met name leerlingen uit de eerste leerjaren nemen deel aan de vrijwillige activiteiten na schooltijd, oudere leerlingen hebben vaker een bijbaan of andere verplichtingen. De bevindingen van deze schouwronde komen deels overeen met die van de vorige schouwronde. In tegenstelling tot de scholen uit de eerste schouwronde, zetten de recent geschouwde vo-scholen de extra uren alleen in de onderbouw in. Alleen als er extra sportdagen en dergelijke worden georganiseerd, wordt de bovenbouw nog wel eens betrokken. Alle geschouwde vo-scholen vullen een deel van de Dagprogrammering in onder schooltijd, waarin extra les- of huiswerkbegeleidingsuren zijn ingeroosterd waar leerlingen verplicht aan moeten deelnemen. Verder bieden veel scholen activiteiten aan waar leerlingen uit kunnen kiezen.
De helft van de vo-scholen laat het aan de leerlingen over of zij überhaupt deelnemen aan deze keuze-activiteiten. Eén van deze vo-scholen registreert vervolgens wel van leerlingen als zij niet deelnemen aan een keuze-activiteit en stimuleert deze leerlingen vervolgens om de volgende keer wel deel te nemen aan een activiteit. Op de andere helft van de vo-scholen wordt verwacht dat leerlingen ten minste deelnemen aan één van de keuze-activiteiten en daarmee deelnemen aan de Dagprogrammeringsuren.
Schouwen Dagprogrammering ronde 2
22
Sardes en DSP-groep 2023
3.2.3 Veranderingen over tijd Uitkomsten vorige schouwronde Vergeleken met de startperiode is op een aantal geschouwde scholen inmiddels het een en ander veranderd in de Dagprogrammering. Een aantal scholen geeft aan dat de Dagprogammeringsactiviteiten voorheen los werden gezien van het reguliere aanbod en vaak door externen werd ingevuld, maar dat het inmiddels meer onderdeel uitmaakt van de school. Enerzijds doordat de activiteiten beter zijn afgestemd op elkaar, maar ook doordat de externe vakdocenten meer deel uitmaken van het team of omdat activiteiten of vakken inmiddels intern worden opgepakt en niet meer door externe aanbieders worden uitgevoerd. De ‘binnenschoolse’ Dagprogrammeringsuren worden steeds beter in het curriculum geïntegreerd. Ook op de scholen in deze schouwronde hebben veranderingen plaatsgevonden op het gebied van de Dagprogrammering. Zo hadden meerdere po-scholen voorheen keuze-activiteiten en/of hoefden kinderen niet verplicht deel te nemen aan de naschoolse Dagprogammeringsactiviteiten. Sommige van deze scholen hebben ervoor gekozen om de activiteiten nu te verplichten voor hun leerlingen. Ook bieden de scholen leerlingen vaak geen keuze meer tussen verschillende activiteiten, omdat men merkte dat het aanbod versnipperd en de organisatie chaotisch was.
Scholen ervaarden dat leerlingen niet per se de activiteiten kozen die ze zelf het leukste vonden, maar activiteiten waar medeleerlingen voor kozen of activiteiten waar vooral de ouders enthousiast over waren. Zo raakten ‘populaire’ activiteiten snel vol, waardoor veel leerlingen niet de activiteit van hun eerste keuze konden doen en ze alsnog door de school moesten worden verdeeld over andere activiteiten. Het loslaten van het keuze-element en vooraf vastleggen van het programma van het schooljaar scheelt scholen organisatiewerk en biedt tevens meer zekerheid voor de aanbieders. Daarnaast merken deze scholen ook dat de externe vakdocenten en hun lessen nu beter geïntegreerd raken in het eigen onderwijs. Tot slot zien scholen dat veel leerlingen en ouders het niet erg vinden dat de keuzevrijheid rondom de Dagprogrammering is weggevallen. Er zijn ook enkele po-scholen die weinig aan hun Dagprogrammering hebben veranderd, doordat ze al heel tevreden zijn met hun aanbod of nog niet volledig tevreden zijn maar nog geen aanpak voor zich zien die beter past bij de visie van de school op de Dagprogrammering. Op een groot deel van de vo-scholen is na verloop van tijd afscheid genomen van enkele externe partijen en is men de organisatie van de Dagprogrammering meer intern op gaan pakken.
Hierdoor worden de Dagprogrammeringsuren die onder schooltijd zijn gepland beter in het curriculum geïntegreerd.
3.2.4 Ouder- en leerlingbetrokkenheid Uitkomsten vorige schouwronde De geschouwde scholen bepalen in principe zelf welke Dagprogammeringsactiviteiten zij organiseren. Met name de geschouwde po-scholen houden hierbij niet specifiek rekening met de wensen en behoeften van de leerlingen en ouders. Leerlingen en ouders op die scholen geven aan dat ze graag wel inspraak zouden hebben in het programma. Ouders geven aan meer informatie te willen hebben en beter betrokken te willen zijn bij de Dagprogrammering. De informatiebijeenkomsten over de Dagprogrammering, door een aantal scholen georganiseerd, worden echter slecht bezocht. Ouders zijn over het algemeen tevreden of zelfs enthousiast over de extra activiteiten die voor hun kinderen worden georganiseerd op school. Onder Dagprogrammering verstaan veel ouders met name de ‘buitenschoolse’ activiteiten. Niet elke ouder heeft goed zicht op wat er tijdens school al aan extra lessen gegeven wordt onder de noemer van Dagprogrammering. Wel zijn ze het over het algemeen wel eens met de keuzes die de school daarin maakt. In het vo kiezen de leerlingen zelf of ze deelnemen aan het niet verplichte deel van de Dagprogammeringsactiviteiten. Omdat de scholen graag zien dat zoveel mogelijk leerlingen aan de activiteiten deelnemen, proberen ze met de activiteiten aan te sluiten bij de interesses van de leerlingen.
‘Keuze zorgt voor commitment, verplichten zorgt voor demotivatie’, geeft een van de scholen aan. Leerlingen mogen zelf ideeën inbrengen voor de activiteiten. De geschouwde vo-scholen zoeken nog wel Schouwen Dagprogrammering ronde 2
23
Sardes en DSP-groep 2023
naar goede manieren om leerlingen te motiveren mee te doen. Bij de ene activiteit lukt dat beter dan bij de andere. Ook in deze schouwronde bepalen de scholen vaak zelf welke Dagprogammeringsactiviteiten zij organiseren. Ze kiezen er doorgaans voor om ouders en leerlingen niet actief te betrekken bij het bepalen van het aanbod. In tegenstelling tot de vorige schouwronde vinden de ouders dit niet erg, het aanbod is vaak al heel breed. Bovendien denken sommige ouders dat het betrekken van ouders alleen maar tijd kost voor de school zonder dat het veel oplevert. Ook de leerlingen worden vaak niet in een structurele vorm betrokken bij het bepalen van het aanbod. In een enkele school gebeurt dat wel, de klassenvertegenwoordigers mogen daar meedenken. Het lijkt erop dat leerlingen het niet erg vinden dat ze niet op een structurele manier betrokken worden bij het kiezen van het aanbod. “Er is altijd leuk en minder leuk aanbod waar je aan meedoet, maar je leert veel van het aanbod en het is leuker dan de lessen in de klas”. Ondanks dat ouders niet per se betrokken hoeven te worden bij het bepalen van het aanbod, willen zij wel graag geïnformeerd worden over het aanbod en over wat hun kinderen er van kunnen verwachten en van kunnen leren. Op enkele scholen vinden ouders namelijk dat de informatievoorziening nog niet voldoende is.
Net zoals bij de vorige schouwronde, hebben veel ouders en leerlingen niet door dat een groot deel van de Dagprogrammeringsuren ook onder schooltijd plaatsvindt. Ouders en leerlingen zijn veelal positief over het aanbod binnen de Dagprogrammering dat na schooltijd plaatsvindt. Een nuance is hier op zijn plaats: we hebben per schouw een selecte groep ouders en leerlingen gesproken waar bovenstaande punten uit naar boven kwamen. Andere ouders en leerlingen zouden hier anders over kunnen denken.
3.2.5 Deelname en keuzevrijheid Uitkomsten vorige schouwronde De werving en selectie van leerlingen voor een eventueel keuzedeel van de Dagprogrammering verschilt per geschouwde basisschool. Sommige scholen hebben alle activiteiten van de Dagprogrammering verplicht gemaakt voor iedereen waardoor er geen werving en selectie nodig is. Andere scholen bieden een keuze in activiteiten en/of een keuze aan deelname aan. Op de geschouwde vo-scholen is een deel van de activiteiten vrijwillig: leerlingen schrijven zich voor de activiteit in als zij mee willen doen. Hiervoor zetten de geschouwde vo-scholen verscheidene wervingstechnieken in. Het behalen van de deelname van een derde van de leerlingen blijkt ondanks het gebruik van de wervingstechnieken nog lastig. Leerlingen en ouders Leerlingen vinden het over het algemeen fijn als zij zelf mogen kiezen waar ze aan mee willen doen. De vo-leerlingen vinden het bovendien prettig dat deelname niet verplicht is, omdat sommige van hen al andere activiteiten zoals sport of werk na school hebben. Op drie van de geschouwde po-scholen geven ouders aan dat ze meer keuzevrijheid en inspraak in het Dagprogrammeringsaanbod zouden waarderen.
Op de vo-scholen wordt verwacht dat ten minste 33% van de leerlingen deelneemt aan de uren van Dagprogrammering. Doordat alle geschouwde vo-scholen in deze schouwronde een deel van hun uren verplicht maken voor alle leerlingen, komen zij al snel aan het deelnamepercentage. De vo-school die in deze schouwronde facultatieve activiteiten aanbiedt heeft geen moeite met het vullen van deze activiteiten, in tegenstelling tot de ervaring van de scholen uit de vorige schouwronde.
Schouwen Dagprogrammering ronde 2
24
Sardes en DSP-groep 2023
3.3 Inhoudelijke invulling 3.3.1 Invulling Dagprogammeringsactiviteiten Uitkomsten vorige schouwronde De geschouwde scholen realiseren dat de meeste leerlingen op hun school in hun vrije tijd minder ontwikkelingsaanbod krijgen dan kinderen uit andere wijken. De Dagprogrammering zetten zij in om dit verschil te compenseren. Leerlingen krijgen binnen de Dagprogrammering sportieve en culturele vakken, techniek, ICT en wereldoriëntatie. Sommige scholen organiseren ook excursies buiten de school. Naast het verrijken van de wereld van kinderen zetten de geschouwde scholen binnen de Dagprogrammering ook in op het versterken van de basisvaardigheden. Niet elke extra activiteit buiten het reguliere lesaanbod die wordt meegeteld in de uren eis wordt direct met Dagprogrammering subsidies betaald. Zo heeft elke geschouwde po-school pauzebegeleiding, in de vorm van begeleid spelen, dan wel gerichte pauzeactiviteiten, die zij mee tellen in de uren eis. Voor deze pauzebegeleiding wordt veelal de hulp van een externe aanbieder ingezet, zodat groepsleerkrachten pauze hebben. De recent geschouwde scholen vullen de Dagprogrammering vergelijkbaar in als de scholen die in de eerste ronde zijn geschouwd, namelijk met een breed aanbod aan activiteiten waaruit al dan niet (deels) gekozen kan worden. Sommige scholen zetten de Dagprogrammeringsuren gerichter in.
Zij zetten veelal in op ‘leren leren’ of op de ontwikkeling van basisvaardigheden. Elke geschouwde vo-school biedt de leerlingen binnen de Dagprogrammering huiswerkbegeleiding aan. Ook wordt ingezet op basisvaardigheden in de vorm van extra taal- en rekenlessen. Daarnaast biedt iedere geschouwde vo-school in meer of mindere mate brede talentontwikkelingsactiviteiten. Ook bij de geschouwde po-scholen is meestal sprake van een combinatie van basisvaardigheden en brede talentontwikkeling binnen de Dagprogrammering. Veel geschouwde po-scholen bieden met name activiteiten gericht op de brede talentontwikkeling. Denk aan culturele activiteiten zoals theater of dans, maar ook ICT-lessen, zoals programmeren en typles en sportieve activiteiten. Een aantal po-scholen geeft aan ook bewust ruimte te bieden voor loopbaanactiviteiten, in de vorm van technieklessen, snuffelstages en/of excursies. Eén geschouwde po-school zet heel duidelijk in op het bieden van een perspectief of ‘het openen van luikjes’ zoals de directie het verwoordt. Met de Dagprogrammering zet deze school in op (internationale) projecten zoals olympiades en wetenschapsprojecten om leerlingen te laten zien dat dit ook binnen hun mogelijkheden past.
Een aantal geschouwde scholen (zowel po als vo) zet daarnaast gericht in op sociale vaardigheden en weerbaarheid, bijvoorbeeld in de vorm van de Rots en watertraining of de Kanjertraining. Twee vo-scholen bieden binnen de Dagprogrammering persoonlijke coaching aan. Verder tellen net zoals de vorige schouwronde veel po-scholen de pauze mee in de uren eis, doordat zij begeleide pauzetijd organiseren. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om georganiseerde sport- en spelactiviteiten georganiseerd door o.a. bsomedewerkers en Feyenoord.
3.3.2 Kwaliteit aanbieders Dagprogrammering Uitkomsten vorige schouwronde De Dagprogrammeringsscholen laten zich bij het kiezen van externe aanbieders vooral leiden door eerdere ervaringen met organisaties. Scholen geven aan dat het opbouwen van een goede relatie met de aanbieders veel tijd en energie kost. Veel scholen hebben slechte ervaringen gehad met externe aanbieders. De geschouwde scholen zijn positiever over organisaties die hun eigen personeel scholen in het werken met de doelgroep. Geschouwde scholen vinden het belangrijk dat uitvoerende professionals beschikken over: - sterke pedagogisch-didactische vaardigheden;
Schouwen Dagprogrammering ronde 2
25
Sardes en DSP-groep 2023
- een goede vakkennis; - affiniteit met de doelgroep. Wanneer dit ontbreekt, moet de groepsleerkracht het pedagogische klimaat in de klas herstellen, wat vooral extra werk oplevert. Sommige geschouwde scholen nodigen vakdocenten uit voor interne scholingsdagen, maar soms ontbreekt het hiervoor aan budget en organisatie. Er zijn ook externe organisaties die hun eigen personeel scholen. De inhoudelijke kennis van vakleerkrachten zit meestal goed, maar de pedagogisch-didactische vaardigheden kunnen beter. De externe aanbieders worstelen, net als de scholen, enorm met personele wisselingen en een tekort aan goede vakkrachten. Dit heeft gevolgen voor de kwaliteit van het aanbod. De recent geschouwde scholen geven hetzelfde aan wat betreft de kwaliteit van de aanbieders als de scholen uit de vorige schouwronde. Met name de pedagogische vaardigheden en affiniteit met de doelgroep (wat in de praktijk erg samenhangt) worden als belangrijke voorwaarden gezien. Sommige scholen bieden de vakleerkrachten veel ondersteuning. Zo is er een school waar voor de vakleerkrachten regelmatig intervisie wordt verzorgd. Onder begeleiding van de ondersteuner Dagprogrammering bespreken de vakleerkrachten op deze school hun ervaringen, praten ze over klassenmanagement en logistieke zaken die het lesgeven met zich meebrengt.
Ook zijn er scholen waar de vakleerkrachten meedoen aan delen van de nascholing van de leraren en is er een school waar deelname aan het programma Level Up aan de Thomas More hogeschool voor vakleerkrachten sterk is gestimuleerd en elke vakleerkracht zich heeft opgegeven. Andere geschouwde scholen bieden ondersteuning in de vorm van het inzetten van eigen personeel bij de activiteiten verzorgd door vakleerkrachten. Dit brengt wel de nodige financiële en organisatorische problemen met zich mee. Immers: een dubbele bezetting brengt dubbele kosten en extra werkdruk met zich mee en er is niet altijd voldoende personeel voorhanden Ook werken de geschouwde scholen soms met aanbieders die zelf scholing organiseren voor hun vakkrachten, net als in de vorige schouwronde. Uit de schouwen blijkt dat de scholen inmiddels de nodige ervaring hebben met externe aanbieders. Ook hebben de scholen doorgaans afscheid genomen van externe aanbieders waar zij heel ontevreden over waren, omdat zij de afspraken niet nakwamen of doordat de school vond dat het de vakleerkrachten ontbreekt aan de noodzakelijke pedagogisch-didactische vaardigheden. Op de meeste geschouwde scholen wordt inmiddels al een langere tijd samengewerkt met ten minste één aanbieder. Een langdurige samenwerking tussen school en aanbieder lijkt de pedagogische kwaliteit van het aanbod van deze aanbieder ten goede te komen.
Enerzijds doordat vakleerkrachten vertrouwde gezichten worden zodra zij langer op een school komen, wat de band met leerlingen en de school versterkt. De vakleerkrachten maken meer deel uit van het team en leren van de groepsleerkrachten. Zo geeft een vakleerkracht aan: “Natuurlijke autoriteit voor de groep moest ik nog leren. Ik doe daarin de groepsleerkrachten ook na. Zo leren we van elkaar.” Anderzijds lijkt een langdurige samenwerking voor een verbetering te zorgen omdat de aanbieder en school op praktisch én inhoudelijk niveau steeds beter met elkaar afstemmen. Zo geeft een school aan dat zij inmiddels hebben geleerd de wederzijdse verwachtingen duidelijk te formuleren en communiceren. Zij verwachten van aanbieders dat zij: voorbereid zijn (dat wil zeggen: ze hebben een lesprogramma); aanwezig zijn (en zo niet, ruim van tevoren laten weten en in de basis vervanging regelen) en professioneel zijn. Andersom kan de aanbieder verwachten dat de school de vakleerkrachten ondersteunt (ze krijgen ruimte om hun les te geven) en dat zij naar de leerlingen toe verwachtingen uitspreken over hun gedrag (en de school ondersteunt in opvang als leerlingen zich niet gedragen).
Schouwen Dagprogrammering ronde 2
26
Sardes en DSP-groep 2023
4. Resultaten: wat levert Dagprogrammering op? “In een wijk waar weinig mogelijkheden zijn om te sporten hebben de kinderen minimaal drie uur per week gesport. Ze hebben een typediploma behaald. Ze hebben hun woordenschat vergroot. Ze zijn gegroeid in de beheersing van de Engelse taal en in het leren leren. Daarnaast is gewerkt aan samenwerken, persoonlijke ontwikkeling en creatief denken.” “Het geeft leerlingen op Zuid perspectief. Perspectief dat ze van huis uit onvoldoende meekrijgen.” “Door de culturele workshops en lessen verdiepen leerlingen hun algemene ontwikkeling. Door sportieve workshops verbeteren ze hun conditie en motoriek en ervaren ze plezier in sport en samenwerken. En door huiswerkbegeleiding ontwikkelen en verbeteren ze hun arbeidsethos en studievaardigheden. Dat zorgt voor meer homogeniteit en eerlijkere en gelijkwaardigere kansen.” “We worden er een betere en leukere school door. Leerlingen krijgen een bredere belevingswereld en komen buiten hun comfortzone. Hun resultaten op taal, rekenen, Turks en Arabisch gaan omhoog. Taal is ook belangrijk om jezelf sociaalemotioneel te kunnen uiten; je gevoelens onder woorden brengen en je niet buitengesloten voelen omdat je sommige woorden niet kent.”
Zie hier het antwoord van verschillende schooldirecties en andere betrokkenen op de vraag wat Dagprogrammering hun school en leerlingen oplevert. Hoewel de formulering en het accent van school tot school en van persoon tot persoon verschillen, ligt de ervaren meerwaarde grotendeels op dezelfde vlakken. Zonder uitzondering geven betrokkenen aan dat Dagprogrammering positief doorwerkt op: • brede ontwikkeling en talentontwikkeling (verbreden van de blik op de wereld); • leervaardigheden en -prestaties; • de sociaal-emotionele ontwikkeling. Aan elk van deze drie resultaatgebieden wijden we in dit hoofdstuk een paragraaf. Daaraan voorafgaand gaan we in paragraaf 4.1 in op het leerlingbereik en we ronden het hoofdstuk in paragraaf 4.5 af met andere, bijkomende resultaten. Kanttekeningen vooraf Net als in de rapportage over schouwronde 1 plaatsen we ook nu, met het oog op de resultaten in schouwronde 2, een aantal kanttekeningen vooraf: 1.
De bijdrage van Dagprogrammering valt niet te isoleren Dagprogrammering vindt plaats in een dynamische schoolcontext, waarin allerlei factoren, methoden, interventies en programma’s op elkaar inwerken. Dat betekent dat de afzonderlijke bijdrage en meerwaarde van al die losse elementen, waaronder Dagprogrammering, niet te bepalen valt: “Juist omdat Dagprogrammering onderdeel vormt van een groter geheel, is het lastig om iets te zeggen over het effect ervan. Er zijn zóveel factoren die effect hebben op de kindontwikkeling. Maar dat Dagprogrammering een onmisbare schakel is in het geheel staat voor ons vast. Het fungeert als een soort vliegwiel.”
2.
Het ontbreekt aan concrete en meetbare prestatie-indicatoren In aansluiting op de eerste kanttekening hanteren de geschouwde scholen nauwelijks concrete en meetbare prestatie-indicatoren c.q. streefresultaten . Of waar dat wel gebeurt – één school streeft bijvoorbeeld naar meer leerlingen die uitstromen op 2F-niveau – valt dat niet direct te koppelen aan Dagprogrammering. Kortom, de doelen waar met Dagprogrammering op wordt ingezet zijn niet of nauwelijks specifiek en meetbaar te maken. Dat maakt het moeilijk zo niet onmogelijk om vast te stellen of en wanneer Dagprogrammering is geslaagd. In plaats daarvan worden resultaten in algemene termen en/of in de vorm van voorbeelden geformuleerd: “Leerlingen komen op plekken en doen
Schouwen Dagprogrammering ronde 2
27
Sardes en DSP-groep 2023
activiteiten die ze niet kennen”, “De woordenschat van leerlingen gaat zienderogen omhoog”, “Leerling X heeft ontdekt dat dat ze heel goed kan schilderen”, “Leerling Y blijkt een kei in verhalen verzinnen” en “Hoe bijzonder is het dat een heel verlegen meisje nu ineens in haar eentje voor de klas durfde te zingen?!” Kortom, het hoogst haalbare lijkt meten op output-niveau: zoals meer inzet op de cognitieve vakken, meer belangstelling wekken voor techniek en oriëntatie op het beroepsleven (zie 2.1). Effectonderzoek een brug te ver, maar voldoende aangrijpingspunten voor monitoring en evaluatie In het licht van voorgaande twee kanttekeningen is het niet verwonderlijk dat de scholen zich niet wagen aan effectonderzoek: “Omdat Dagprogrammering niet apart is te onderscheiden, heeft het geen zin om de opbrengsten ervan apart in kaart te brengen. Dat kan simpelweg niet.” Tegen de stroom in heeft één geschouwde school samenwerking met een universiteit gezocht om toch inzicht te krijgen in het daadwerkelijke effect van Dagprogrammering op het specifieke aspect sociaalemotioneel welbevinden. Dit onderzoek bevindt zich nu in het derde jaar en naar verwachting verschijnen binnenkort de eerste resultaten. De looptijd van het onderzoek maakt duidelijk dat dit geen sinecure is. Een begrip als sociaal-emotioneel welbevinden laat zich niet eenvoudig operationaliseren.
Eveneens vinden de onderzoekers van de universiteit allerlei praktische uitdagingen op hun weg: hoe ervoor te zorgen dat leerlingen periodiek vragenlijsten blijven invullen én ouders zover krijgen dat zij hier ook schriftelijk toestemming voor geven? Effectonderzoek is voor de meeste scholen dus een brug te ver. Maar wat doen zij wél om te zien of ze op de goede weg zitten? En wat kunnen ze daartoe (nog meer) doen? Alle geschouwde scholen zetten vormen van monitoring en evaluatie in als middel om te reflecteren op hun aanbod en verbeterpunten in beeld te krijgen. Daarbij valt op dat de wijze waarop dit wordt ingevuld sterk verschillend is: van ad hoc, basaal en willekeurig tot periodiek, specifiek en systematisch; en alles daar tussenin. Het hangt vooral af van de houding van de schoolleiding tegenover leren, ontwikkelen en reflecteren. Waar de ene schooldirectie hier in zin algemeenheid gericht op stuurt, is dit voor de andere een sluitpost. Een aantal (goede) voorbeelden van monitor- en evaluatiemethoden die worden ingezet zijn en die navolging verdienen: • • • • • • •
Een evaluatiegesprek met alle vakleerkrachten ter afsluiting van elk activiteitenblok. Reflectie als onderdeel van de wekelijkse intervisiesessies van de vakleerkrachten. Observaties door de coördinator Dagprogrammering, die regelmatig aanwezig is bij de activiteiten. Periodiek afstemmings-, reflectie- of evaluatieoverleg met kernbetrokkenen (coördinator school, coördinator aanbieder, schooldirecteur). Korte leerling- en ouderenquête na elke activiteitenreeks. Kwaliteitsmedewerkers die de vakleerkrachten tweejaarlijks bezoeken en bevragen. Registratie van deelnemers aan (facultatieve) naschoolse activiteiten.
Alle geschouwde scholen doen dus wel iets aan monitoring en evaluatie, maar vaak beperkt. Soms gaat het niet veel verder dan registratie van aantallen deelnemers, hoewel ook dat soms lastig blijkt: ”In de praktijk verwatert dat vaak. Voor de externe aanbieders ligt daar geen prioriteit. Dus heel veel doen we hier niet mee en we hebben dus ook niet echt een goed overzicht hoeveel leerlingen aan alle verschillende activiteiten meedoen.” Dit kan en moet beter. Zonder uitzondering geven de geschouwde scholen aan dat de uitgevoerde schouw in het licht van reflectie van belangrijke toegevoegde waarde is, omdat alle verschillende betrokken perspectieven (leerlingen, ouders, leraren, vakleerkrachten, aanbieders, coördinatoren, directie, ondersteuner) hierin systematisch worden uitgevraagd en daar veel van te leren valt. In aansluiting hierop spraken meerdere scholen uit: “Dat moeten we ook vaker zelf gaan organiseren.”
Schouwen Dagprogrammering ronde 2
28
Sardes en DSP-groep 2023
4.1
Leerlingbereik
Uitkomsten vorige schouwronde In het po worden alle leerlingen bereikt, aangezien de uren verplicht zijn. Een enkele leerling krijgt deels een vrijstelling als er andere activiteiten op een bepaalde middag zijn. In het vo wordt zo’n 15-20 procent van de leerlingen bereikt. “In principe krijgt elke leerling wat betreft de Dagprogrammering hetzelfde aanbod: een extra taal- en rekenles, een uur huiswerkbegeleiding en de mogelijkheid om zich aan te melden voor vrijdagmiddagactiviteiten. Alleen de sport- en cultuuractiviteiten aan het einde van de week zijn optioneel. Die wisselen per week en dat gaat op inschrijving.” “Dat we Dagprogrammering alleen voor de onderbouw kunnen inzetten (vo) is jammer in het kader van kansengelijkheid, want zo maak je ook direct een onderverdeling. Maar liever een heel goed programma voor een derde van de leerlingen dan voor iedereen net niks. Meer kunnen we niet bolwerken.”
De resultaten en effecten van Dagprogrammering hangen natuurlijk in sterke mate samen met het aantal leerlingen dat ervan profiteert. Hoe hoger het bereik, hoe beter. Primair onderwijs In het primair onderwijs richt het grootste deel van de Dagprogammeringsactiviteiten zich op alle leerlingen, van groep 1 tot en met groep 8. Het leeuwendeel van de activiteiten vindt hier onder reguliere schooltijd plaats10 en vormt daarmee een vast onderdeel van het onderwijsprogramma. Ook dit zorgt dus voor een 100% deelname. Naast deze voor iedereen min of meer verplichte Dagprogammeringsactiviteiten biedt een deel van de geschouwde scholen ook naschoolse Dagprogammeringsactiviteiten aan; op een of meerdere doordeweekse middagen, in het weekend of tijdens vakanties. Deze activiteiten zijn facultatief: leerlingen (of hun ouders) kunnen zich hiervoor inschrijven. Soms worden kinderen hier speciaal voor geselecteerd. Zo is er een school die naschools extra taal- en rekenactiviteiten aanbiedt specifiek aan leerlingen uit groep 3 die achterlopen. Het bereik van de facultatieve activiteiten is logischerwijs lager. Het blijkt voor de scholen lastig om het bereik van dit naschoolse Dagprogrammeringsaanbod precies aan te geven, maar naar schatting loopt dit uiteen van 5 tot 50%. Leerlingen in de lagere leerjaren doen gemiddeld genomen vaker mee dan leerlingen in de bovenbouw.
Volgens verschillende betrokkenen zijn de jongere leerlingen gemiddeld genomen gemotiveerder en minder kritisch. Voortgezet onderwijs Ook op het vo maakt het grootste deel van het Dagprogrammeringsprogramma deel uit van het reguliere onderwijscurriculum. Dat betekent dus dat deze Dagprogammeringsactiviteiten voor de leerlingen en klassen die eraan meedoen verplicht is. Daarnaast bieden de meeste van de geschouwde vo-scholen facultatieve naschoolse sport- en cultuuractiviteiten aan, waarvoor leerlingen zichzelf kunnen inschrijven. De deelname hieraan wisselt sterk. Meestal blijft het bereik hiervan beperkt tot een relatief kleine groep leerlingen, die zich heel gericht inschrijven omdat het aanbod hen aanspreekt. Positieve uitzondering in dit verband is een geschouwde vo-school waar Dagprogrammering zich uitsluitend richt op brugklassers. Hier worden ook de facultatieve sport- en cultuuractiviteiten druk bezocht; vrijwel de hele groep doet mee. Een combinatie van factoren lijkt dit succes te verklaren, met name een aanbod van aansprekende activiteiten die aansluiten op de behoefte én een impliciete norm ‘dit is niet extra, maar hoort erbij’.
10
Veel scholen rekken de schooldag iets op. Doordat de schooldagen wat langer duren ontstaat er ruimte voor Dagprogrammeringsactiviteiten ‘onder schooltijd’.
Schouwen Dagprogrammering ronde 2
29
Sardes en DSP-groep 2023
4.2
Brede ontwikkeling en talentontwikkeling – verbreden van de blik op de wereld
Uitkomsten vorige schouwronde Scholen, ouders en leerlingen onderschrijven dat de Dagprogrammering bijdraagt aan brede ontwikkeling en talentontwikkeling. Ouders vinden dit niet het belangrijkste doel, een deel vindt het werken aan schoolresultaten verbeteren belangrijker. Er zijn grote verschillen in de manier waarop scholen invulling geven aan het brede ontwikkelingsdoel. “Ik doe dingen die ik anders nooit zou doen! En het is leuk om niet de hele tijd stil te moeten zitten.” “Ze komen in aanraking komen met ervaringen, activiteiten en materialen die anders buiten hun bereik zouden liggen. Op die manier wordt hun horizon verbreed en leren ze ook echt nieuwe dingen. Sommige leerlingen ontdekken verborgen talenten!” “Leerlingen die minder cognitief zijn, blijken door de Dagprogrammering wel goed te zijn op andere vlakken. Dat geeft een boost aan hun zelfvertrouwen. En doordat leerlingen dit ook van elkaar zien, werkt dat ook positief door in de groepsdynamiek.”
Net als schouwronde 1 maakt ook schouwronde 2 duidelijk dat het van school tot school verschilt welke brede ontwikkelingsactiviteiten leerlingen krijgen aangereikt. Op welke vlakken Dagprogrammering hun blik op de wereld verbreedt en welke talenten zij bij zichzelf (kunnen) ontdekken is dus sterk wisselend, maar dát dit gebeurt staat vast. Het enthousiasme bij deelnemende leerlingen voor de aangeboden brede ontwikkelingsactiviteiten is onverminderd groot. Dat klinkt door in de gesprekken die we met henzelf voeren tijdens de schouwen. En ook ouders vertellen dat kinderen thuis, als hen naar school wordt gevraagd, vooral praten over de Dagprogammeringsactiviteiten. Of hun kinderen laten ter plekke thuis zien wat ze hebben geleerd, zoals dansjes, voetbaltrucjes, een schilderwerk of hun kookkunsten. Het algemene beeld is dus dat leerlingen de brede ontwikkelingsactiviteiten hoog waarderen, maar natuurlijk spreekt de ene activiteit meer aan dan de andere. Wat leuk en wat saai wordt gevonden, is voor iedereen verschillend. Leerlingen in het voortgezet onderwijs zijn over het algemeen kritischer en hun ervaringen zijn dan ook wisselender.
Sommige vo-leerlingen vinden het geweldig dat ze op school iets kunnen doen wat ze heel erg aanspreekt: “Ik ben gek op dansen, dus schrijf me elke keer weer bij die clinics in.” Bij andere leerlingen in het vo is de teneur vooral, passend bij de leeftijd: “Dit is beter en leuker dan gewoon les, even wat anders, maar het blijft school.” Ook de ouders die we tijdens de schouwen spreken (alleen po) geven hoog op over de brede ontwikkelingsactiviteiten die de school hun kinderen biedt. Ze zien in dat het wereldbeeld van hun kinderen op deze manier wordt vergroot. Waar in schouwronde 1 een deel van de ouders liever zag dat de Dagprogrammering zich meer zou richten op het verbeteren van leerprestaties, komt dit in schouwronde 2 niet meer naar voren. Juist de mix van doelen en resultaten, waaronder dus ook brede ontwikkeling, wordt gewaardeerd. Net als in schouwronde 1 geldt ook in schouwronde 2 dat we tijdens de schouwen vermoedelijk te maken hebben met een selectieve groep ouders. We spraken vooral betrokken ouders, die regelmatig op school komen en veel belang hechten aan een goede en brede ontwikkeling van hun kinderen. We horen van hen ook verhalen terug over andere ouders die veel minder betrokken zijn en die niet de moeite nemen om hun kinderen op te geven voor naschoolse keuze-activiteiten gericht op brede ontwikkeling.
“Ik zou nooit bedenken om mijn dochter op theater te zetten, maar ze bloeide echt op en werd veel minder onzeker. Ze stond twee keer vooraan op het podium!”
Schouwen Dagprogrammering ronde 2
30
Sardes en DSP-groep 2023
4.3
Verbeteren van leervaardigheden en -prestaties
Uitkomsten vorige schouwronde Scholen zetten ook activiteiten in die gericht zijn op het verbeteren van leerprestaties, zoals huiswerkbegeleiding, extra taal en rekenen en dubbele dosis uren. Ze geven aan dat niet meetbaar is wat de directe invloed van deze uren op leerprestaties is, maar ze ervaren wel verbeteringen. “Bij Dagprogammeringsactiviteiten waarin de basisvaardigheden worden gestimuleerd, zoals bij dubbele dosis11 en Cito-toets ondersteuning, wordt de voortgang van de leerlingen gemonitord en geanalyseerd. Hier worden vorderingen opgemerkt op cognitief gebied.” “Ik zie duidelijk resultaten bij de taalontwikkeling, zeker bij de woordenschat. Maar het blijft lastig om dit ook echt zichtbaar te maken.” (onderwijsassistent die zorgt voor intensivering groep 1 en 2)”
Net als in schouwronde 1 leggen de scholen zelf ook in schouwronde 2 een directe link tussen Dagprogrammering en leerprestaties. Betrokkenen zijn er alom van overtuigd dat de extra taal- en rekenuren, extra begeleiding bij groep 1 en 2 (intensivering) en de ingezette studiebegeleiding (leren leren) en huiswerkbegeleiding goed besteed zijn. Zij geven aan dat dit alles er in zijn algemeenheid aan bijdraagt dat leerlingen meer ‘naar vermogen’ gaan presteren en meer in het bijzonder dat leerlingen ‘aan de onderkant’ beter kunnen meekomen. Deels wordt hierbij gewezen op de meerwaarde van extra uren voor taal en rekenen (kwantiteit), deels ook op de meerwaarde van aandacht voor leren leren en verdiepend leren (kwaliteit). Zo spreken schoolbetrokkenen van een betere leer- en wekhouding bij leerlingen: “Ze nemen meer verantwoordelijkheid in hun leerproces. Ze komen bijvoorbeeld sneller naar je toe om te vragen wat ze de volgende keer beter kunnen doen.” Nogmaals moet benadrukt worden dat de bijdrage van Dagprogrammering niet te isoleren valt; nog heel veel andere factoren zijn van invloed op de cognitieve schoolprestaties. De (voor de hand liggende) veronderstelling is dat Dagprogrammering (extra uren) meerwaarde heeft voor de leerontwikkeling van leerlingen, mits er sprake is van een kwalitatief goede invulling van de uren.
De scholen zien dat ook in de praktijk: “We zien onder andere dat de onderlaag van de klas naar boven komt en dat er qua niveau dus een kleinere spreiding is binnen de klas. Leerlingen komen makkelijker mee, lezen dieper en hebben bijvoorbeeld meer leesplezier. Het kan niet anders dan dat Dagprogrammering hierin een belangrijke rol speelt.”
4.4
Bevorderen van sociaal-emotionele ontwikkeling
Uitkomsten vorige schouwronde Scholen geven aan dat de Dagprogrammering bijdraagt aan de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen. Daarbij noemen ze verschillende dingen: de rust binnen de school is groter, er zijn minder zorgleerlingen en/of de vaardigheden van leerlingen zijn verbeterd (denk aan zelfvertrouwen, samenwerken, verantwoordelijkheid). “Het is mooi dat de leerlingen leren naar anderen te luisteren. En ze leren om leerling te zijn, om open te staan voor alles wat ze krijgen aangereikt. Ik ben nu op school, en dus in mijn leerlingmodus.”
11
Dubbele dosis wil zeggen: naast de eigen leerkracht een paar extra handen en ogen in de klas voor extra begeleiding (intensivering) door bijvoorbeeld een onderwijsassistent of leerlingcoach.
Schouwen Dagprogrammering ronde 2
31
Sardes en DSP-groep 2023
“Leerlingen durven zich meer open te stellen: ‘Juf, ik zit hiermee’. Dat was eerst niet zo. Dan vroeg ik leerlingen hoe het ging, maar dat negeerden ze dan of ze zeiden ‘niets’, terwijl er duidelijk iets was. Nu komen ze beetje bij beetje bij me. En durven ze zich ook naar elkaar uit te spreken. Omdat dat kan en mag en gewaardeerd wordt.” “De activiteiten zijn in het begin vaak nog onbekend en spannend, maar op het einde zijn leerlingen enthousiast en zijn ze trots wat ze hebben geleerd. Dat geeft een boost aan hun eigenwaarde.”
Net als in schouwronde 1 benoemen betrokkenen ook in schouwronde 2 veel resultaten die onder de brede noemer sociaal-emotionele ontwikkeling vallen. Meer specifiek gaat het dan om: • Versterking van zelfvertrouwen door onbekende en daardoor soms spannende uitdagingen aan te gaan • Leerlingen uit hun comfortzone halen en laten oefenen in ‘de zone van de naaste ontwikkeling’: steeds een klein stapje moeilijker (bijv. spreken voor de groep) • Jezelf leren en durven uiten vanuit een gevoel van veiligheid • Beter leren samenwerken • Leren omgaan met en verhouden tot andere leerlingen die je anders niet zo snel of vaak opzoekt • Kinderen laten ervaren dat iedereen andere talenten heeft • Meer afwisseling tussen zaak- en praktijkvakken en tussen zitten en bewegen zorgt voor meer focus en betere motivatie • Dagprogammeringsactiviteiten als moment van ontspanning en als uitlaatklep • Energie leren benutten en beheersen: ontladen en opladen • Flexibel leren omgaan met verschillende vakleerkrachten en met hiërarchie(mede ter voorbereiding op het vo, waar leerlingen ook te maken krijgen met andere leraren voor verschillende vakken) • Versterken van een positieve sfeer op school Deels gaat het hier om ingrediënten met betrekking tot de invulling van de activiteiten (bijvoorbeeld veel aandacht voor samenwerking).
Deels ook is het een logisch gevolg (resultante) van het Dagprogrammeringsaanbod als geheel. Zo maken veel leuke en afwisselende activiteiten leerlingen blij en dat zorgt voor een goede sfeer en veel energie op school. Ook hier geldt weer dat het om zachte, niet goed meetbare, resultaten gaat.
4.5
Andere, bijkomende resultaten ‘Dagprogrammering is de lijm tussen de losse vakken.’
Uitkomsten vorige schouwronde In schouwronde 1 kwamen de volgende bijkomende resultaten c.q. bijeffecten van Dagprogrammering aan de orde: • Dagprogrammering legt een basis voor en stimuleert leerlingen tot een actieve leefstijl. • Inzet van externe vakleerkrachten geeft groepsleerkrachten meer lucht en ruimte voor onder andere administratieve taken. • Dagprogrammering maakt het werk voor veel leraren leuker en uitdagender; het zorgt voor een grotere betrokkenheid en meer werkplezier, zeker als ze zelf ook af en toe Dagprogammeringsactiviteiten begeleiden. Hier tegenover staat één school waar leerkrachten juist het omgekeerde ervaren, omdat vakleerkrachten expressievakken en dergelijke overnemen: “Ons eigen vak wordt daardoor wel kaler. Ik mis het knutselen et cetera. Dan zag je de kinderen ook eens op een andere manier en dat is nu minder.” In schouwronde 2 zien we deze bijkomende resultaten ook weer en zijn er nog enkele aanvullingen: • Dagprogrammering bevordert de band tussen leerlingen en leraren, wanneer leraren betrokken zijn bij de Dagprogammeringsactiviteiten, omdat zij elkaar dan op een hele andere manier leren kennen.
Schouwen Dagprogrammering ronde 2
32
Sardes en DSP-groep 2023
•
•
Dagprogrammering kan ouderbetrokkenheid bevorderen door ouders te vragen als vakleerkracht of assistent bij activiteiten die nabij liggen (bijvoorbeeld voor het vak Arabisch, voor een naailes of voor een basketbalclinic) of ouders te laten vertellen over hun beroep. De verscheidenheid aan vakleerkrachten brengt meer diversiteit de school in. Met het oog op rolmodellen voor leerlingen is dat belangrijk: “We hebben bijna alleen maar juffen voor de groep staan. Veel Dagprogammeringsactiviteiten worden begeleid door mannen. Dat zorgt voor een betere mix en is goed voor de dynamiek.”
Schouwen Dagprogrammering ronde 2
33
Sardes en DSP-groep 2023
5. Scholen kunnen leren van elkaar: kritische succesfactoren in beeld Uitkomsten vorige schouwronde Succesfactoren: • Dagprogrammering als onderdeel van bredere, gezamenlijke visie • Gemotiveerde leraren en aanbieders • Dagprogrammering zoveel mogelijk als vast onderdeel in het schoolrooster • Een goede mix van activiteiten • Een goede organisatie en opzet Belemmerende factoren: • Te weinig afstemming tussen aanbieders en leraren • Extensivering is voor een grote groep te intensief • Communicatie met en betrokkenheid van ouders kan beter • Tijdelijke projectfinanciering maakt kwetsbaar • Knellende kaders “De opzet van Dagprogrammering blijft in ontwikkeling. We weten steeds beter wat werkt en wat niet werkt.”
Betrokkenen zijn overtuigd van de meerwaarde van Dagprogrammering, zo maakt het vorige hoofdstuk duidelijk. Dagprogrammering levert veel op, maar dat gaat niet vanzelf. Een aantal factoren blijkt sterk bepalend (bevorderend) voor het succes van Dagprogrammering. Tegelijkertijd gelden die factoren voor andere scholen juist als belemmering of verbeterpunt. Want bevorderende en belemmerende factoren vormen elkaars spiegelbeeld. We behandelen ze in dit hoofdstuk onder de gezamenlijke noemer ‘kritische succesfactoren’. Daarbij valt op dat elke school in de opzet van de Dagprogrammering zowel sterke als minder sterke punten heeft. In dat opzicht kunnen scholen van elkaar leren. Voor de knelpunten waar de een tegenaan loopt, heeft de ander inmiddels een oplossing gevonden. En op een ander vlak is dat weer andersom. De belangrijkste knelpunten én oplossingen passeren hieronder de revue.
5.1 Uitgaan van eigen kracht: Dagprogrammering als integraal onderdeel van de schoolvisie “Dagprogrammering sluit naadloos aan bij de bredere visie van onze school. Het vormt er een integraal onderdeel van.” “We doen het niet omdat het moet, maar omdat het nodig is.”
Ook in schouwronde 1 kwam het al aan de orde: Dagprogrammering vormt bij voorkeur een logisch onderdeel van een bredere schoolvisie. In schouwronde 2 komt dit nog nadrukkelijker naar voren. Aan de ene kant van het continuüm zijn er scholen die door fusies of een nieuwe locatie van de grond af aan konden bouwen aan “een nieuw, onderwijskundig totaalconcept”. Dat blijkt een enorm voordeel. Dagprogrammering vormt hier “de lijm” tussen de losse vakken: “Het zorgt voor samenhang en dan krijg je kwaliteit.” De scholen met een duidelijke visie – die vaak start bij de schoolleiding – zien Dagprogrammering vooral als kans. Zij gaan uit van eigen kracht, zetten Dagprogrammering in om hun Schouwen Dagprogrammering ronde 2
34
Sardes en DSP-groep 2023
eigen schooldoelen te verwezenlijken, knopen verschillende subsidiebudgetten aan elkaar en gaan creatief om met de gestelde eisen. Aan de andere kant zijn er scholen waar Dagprogrammering primair als extra taak wordt gezien. Een taak die weliswaar meerwaarde heeft omdat het ook de leerlingen iets extra’s biedt, maar tevens een taak die min of meer “op het bestaande onderwijsprogramma is geplakt”. Deze scholen lopen meer aan tegen de gestelde eisen en kaders, zoals de urennorm en het aantal te bereiken leerlingen in het vo. Ook de verantwoording richting de gemeente ervaren zij als grotere last. Het risico is hier groot dat de boel draaiende houden – de waan van de dag – alle aandacht vraagt. De meeste scholen zitten tussen deze twee uitersten in. Hoe dan ook is het goed om, zoals verschillende betrokkenen aangeven, af en toe uit te zoomen en stil te staan bij de gedachte en visie achter Dagprogrammering. Waarom doen we dit ook alweer? Hoe past het in het bredere plaatje? Doen we het goede en doen we het goede goed? Cruciaal hiervoor blijkt de aanwezigheid van een actief en goed samenwerkend ‘kernteam Dagprogrammering’, dat zich periodiek buigt over deze vragen, van daaruit invulling geeft aan Dagprogrammering, waar nodig bijstelt en andere betrokkenen hierin enthousiasmeert en meeneemt.
Meestal bestaat zo’n kernteam uit enkele kartrekkers, doorgaans de directeur, een coördinator binnen de school en een coördinator van de aanbieders.
5.2
Strakke coördinatie, heldere organisatie en keuzes “De inzet van een vaste coördinator heeft een grote impuls gegeven. Zij regelt en faciliteert. En onderhoudt korte lijntjes met iedereen. Allerlei praktische problemen worden daardoor snel opgelost. En het zorgt ervoor dat het Dagprogrammeringsprogramma steeds beter wordt. We blijven ons zo ontwikkelen.”
Van Plusklas en studie-uur tot huiswerkbegeleiding, van extra rekenen en taal tot Engels en Arabisch, van techniek- en kookles tot ‘Islam en wetenschap’, van een schilder- en beeldhouwworkshop tot een keer paardrijden en boulderen, van een uitje naar de Maastunnel, de Erasmusbrug en Adventure City tot een eigen theatervoorstelling en van begeleide pauze-activiteiten tot een kennismakingscursus tennis of freerunnen. Zie hier een greep uit het enorme activiteitenaanbod Dagprogrammering op de verschillende scholen. Wat opvalt is dat elke school een eigen aanbod heeft samengesteld, afhankelijk van de mogelijkheden in de omgeving én in aansluiting op (de inschatting van) wat leerlingen willen en nodig hebben. Voor ieder wat wils, is het adagium! Het brede en diverse activiteitenaanbod vraagt nogal wat op het gebied van organisatie en coördinatie. Hoe zorg je ervoor dat iedereen – van docenten tot leerlingen en van ouders tot uitvoerders – weet wat, waar, wanneer, met wie en waarom de verschillende Dagprogammeringsactiviteiten worden ingezet. Hoe voorkom je chaos, uitval van uren en dubbel geboekte ruimtes? Inzet van een of twee coördinatoren, die de boel vooraf goed regelen en inplannen, erop toezien dat alles op rolletjes loopt en ingrijpen als dingen niet goed gaan of afspraken niet worden nageleefd, blijkt óók in schouwronde 2 weer onontbeerlijk.
Het vormt de basis van de Dagprogrammering. In elke geschouwde school is de coördinatierol belegd, maar op de ene school nadrukkelijker, uitgebreider en beter dan op de andere. Dit geldt zowel voor het po als het vo. Het varieert van een leerkracht die een halve dag in de week is vrij geroosterd om Dagprogrammering te coördineren tot aanwezigheid van een vaste coördinator de hele week. Grotere scholen met meer formatie en meer financieringsmogelijkheden zijn hierbij in het voordeel. Door schaalvoordeel is het voor hen makkelijker om een collega voor coördinatietaken vrij te spelen of hier extern iemand voor in te huren, soms ook door verschillende budgetten te combineren. Formeel mag coördinatie niet als aparte post vanuit Dagprogammeringsmiddelen worden gefinancierd, maar wel kan het in de kostprijs en begroting worden verdisconteerd). De coördinator is bij voorkeur veel op de school aanwezig, want daarmee krijgt Dagprogrammering voor iedereen binnen en buiten de school “een vast gezicht en aanspreekpunt”. Vooral op kleinere scholen is de coördinatietijd vaak beperkt, met als gevolg dat de coördinator moet roeien met de riemen die hij of zij heeft en keuzes moet maken. Logischerwijs ligt de nadruk dan doorgaans vooral op de praktische kant: “Alle ballen in de lucht houden.” Inhoudelijk coördinatie – verbinden van het schoolse Schouwen Dagprogrammering ronde 2
35
Sardes en DSP-groep 2023
en het buitenschoolse aanbod, linken leggen met de wijk, evalueren en reflecteren met betrokkenen, nieuwe aanbieders zoeken, enz. – schiet er dan vaak bij in. Keuzes in organisatie en opzet van Dagprogrammering In de eerste schouwronde kwamen een aantal kritische succesfactoren aangaande de organisatie van Dagprogrammering naar voren. Die worden ook in de tweede schouwronde herkend, hoewel nu duidelijker is geworden dat het hierbij deels ook gaat om keuzes die de coördinator samen met het kernteam Dagprogrammering moet maken. Daarbij geldt dat de ene keuze niet altijd op voorhand beter is dan de andere. Van belang is vooral dát afgewogen en samenhangende keuzes worden gemaakt die passen bij de leerlingpopulatie en de mogelijkheden en context van de school. En dat vervolgens wordt nagedacht over de consequenties van die keuzes voor de invulling en opzet van Dagprogrammering. •
•
•
•
•
Focus op brede ontwikkeling en talentontwikkeling of op verbeteren van leerprestaties en schoolpresteren? Onder de geschouwde scholen komen we beide tegen. De meeste zetten in op beide doelen, maar op enkele vo-scholen beperkt Dagprogrammering zich tot een uitgebreid cultuur- en sportaanbod. Daarbij ligt vervolgens weer de vraag voor: willen we leerlingen vooral in aanraking brengen met veel verschillende activiteiten en organisaties (d.m.v. losse excursies en workshops) of ligt de nadruk op een diepgaandere kennismaking en het leren van vaardigheden (d.m.v. een lessenreeks of langere cursus)? Vormt toeleiding naar regulier verenigingsaanbod een expliciet doel? De geschouwde scholen stellen zichzelf te weinig de vraag of ze leerlingen al dan niet willen toeleiden naar het reguliere verenigingsleven. Slechts enkele geschouwde scholen geven expliciet aan dat ze op dit vlak geen taak voor zichzelf zien weggelegd: “Het punt is nu juist dat er weinig aanbod in de buurt is hier en dat onze leerlingen de middelen niet hebben om de wijk uit te gaan. Dus de mogelijkheden zullen op en rond de school moeten plaatsvinden. Dat is de kracht van Dagprogrammering.” Nog minder scholen zien doorstroom richting reguliere sport- en cultuurverenigingen als belangrijk perspectief: “Je slaat de plank mis als je al het aanbod op school houdt.
Je wil leerlingen juist naar de verenigingen zien te krijgen. We moeten toe naar een doorgaande lijn.” Het valt echter op dat ook deze scholen hier niet nadrukkelijk op inzetten. Informatie over vervolgaanbod en over fondsen wordt niet actief verspreid en het is doorgaans niet bekend of leerlingen doorstromen. Hier valt dus winst te boeken. Samenwerken met één grote aanbieder of inzet van veel verschillende losse aanbieders? Een aantal scholen werken samen met een of twee grote aanbieders, die het leeuwendeel van het Dagprogrammeringsaanbod invullen. Mits er korte lijntjes zijn tussen de school en de coördinator van zo’n aanbieder (bijvoorbeeld in het kernteam), kan deze constructie de school veel werk op organisatieen coördinatievlak uit handen nemen (ontzorgen). Zo moet bij uitval niet de school, maar de verantwoordelijke aanbieder op zoek naar vervanging. Nadeel is dat de school afhankelijker is en minder goed zelf kan sturen op inhoud, mensen (vakleerkrachten) en doelen. Invloed van leerlingen op activiteitenaanbod Bij de samenstelling van het aanbod aan Dagprogammeringsactiviteiten is het altijd zoeken naar een balans tussen enerzijds inschatten wat leerlingen nodig hebben (en behoeften creëren) en anderzijds aansluiten op hun eigen wensen en behoeften (wat vinden zij leuk?).
De open vraag aan leerlingen welke activiteiten wat hen betreft in het Dagprogrammeringsaanbod moeten worden opgenomen wordt weinig gesteld De meeste geschouwde scholen kiezen ervoor om te werken met een vast aanbod, waarbij leerlingen af en toe hun keuze kunnen aangeven (bijvoorbeeld middels een top 3): “Je krijgt een andere sfeer als leerlingen zelf mogen kiezen. Dat zorgt voor meer motivatie.” De andere kant is dat dit ook teleurstelling in de hand kan werken: “Ik ben nog nooit ingedeeld bij mijn eerste keuze!”. Dit lijkt vooral te vragen om zorgvuldige communicatie. Dagprogammeringsactiviteiten inweven in schooldag/-week of bundelen aan eind van de dag/week? Sommige scholen bieden alle (brede ontwikkelings)activiteiten aan het eind van de schooldag aan of als vrijdagmiddagprogramma (vo). Dit creëert duidelijkheid, voorkomt onrust bij leerlingen vanwege de schakelmomenten, maakt Dagprogrammering makkelijker inplanbaar en bevordert een efficiënte inzet
Schouwen Dagprogrammering ronde 2
36
Sardes en DSP-groep 2023
•
5.3
van aanbieders, omdat zij niet voor losse uurtjes hoeven op te draven. De keerzijde die zij vaak ook noemen is dat leerlingen aan het eind van de dag niet altijd zin meer hebben: “Sommige leerlingen willen ook gewoon liever zo snel mogelijk naar huis.” Dat maakt het voor vakleerkrachten extra zwaar om hun activiteiten uit te voeren. In aansluiting hierop kiezen andere scholen ervoor om de Dagprogammeringsactiviteiten af te wisselen met de reguliere lessen. Zij merken dat dit ten goede komt aan de spanningsboog en motivatie van leerlingen en Dagprogrammering op die manier meer integraal onderdeel wordt van het onderwijs. Groepsgrootte en locatie van activiteiten In kleine groepjes is een intensieve en kwalitatief goede kennismaking met en verdieping van Dagprogammeringsactiviteiten uiteraard beter mogelijk. Evenzo helpt het als de activiteiten plaatsvinden op een locatie die aanspreekt: “Een tennisclinic op het schoolplein is echt anders dan op een echte tennisbaan.” Maar wat een optimale groepsgrootte en geschikte locatie is, verschilt van activiteit tot activiteit. Het is aan de coördinator en het kernteam om hier per activiteit een afweging in te maken. En ook om daarin rekening te houden met wat praktisch mogelijk is.
Zo willen veel geschouwde scholen de groepen voor de Dagprogammeringsactiviteiten in tweeën splitsen, maar lukt dat soms niet door beperkingen in ruimte of personeel. Evenzo maakt het nogal wat uit of je als school een mooi Cruyff-court voor de deur hebt liggen of het moet doen met een (te) klein schoolplein.
Dagprogrammering: volledig verplicht voor iedereen of deels facultatief? “We willen juist ook de leerlingen bereiken die het het hardste nodig hebben. Die mogen niet buiten de boot vallen!” (vo) “Richting schoolvakanties neemt de deelname aan de naschoolse activiteiten vaak af. Sommige leerlingen komen dan niet meer opdagen.” (po) “Alles wat verplicht is, is per definitie minder aantrekkelijk. Je merkt het gelijk als kinderen echt zelf willen.” (vo)
Een verstrekkende keuze, die we hier daarom apart belichten, betreft de plek van Dagprogrammering in het schoolrooster. In paragraaf 5.1 zagen we al dat hierin verschillen zijn. Waar op de ene school alle Dagprogammeringsactiviteiten een vast en verplicht onderdeel vormen van het schoolrooster (doorgaans door verruimde schooltijden te hanteren), daar stelt de andere school een (soms aanzienlijk) deel van de Dagprogammeringsactiviteiten facultatief (optioneel) beschikbaar voor leerlingen (en ouders) die hierop zelf intekenen. Dit geldt voor zowel po als vo, met de aantekening dat de leertijduitbreiding in het po wel en in het vo niet verplicht is. In het po komt het facultatieve aanbod dus bovenop de verplichte 10 uur extra voor alle leerlingen. Aan beide opties – een volledig verplicht of deels facultatief aanbod – kleven voor- en nadelen. Grootste voordeel van Dagprogrammering als vast onderdeel van het curriculum (‘dit is niet extra, maar hoort erbij’) is een gegarandeerd 100 procent bereik: alle leerlingen profiteren ervan. Bij facultatieve Dagprogammeringsactiviteiten is het bereik sterk wisselend, zo zagen we eerder. Daarmee werkt een facultatief aanbod kansenongelijkheid alsnog in de hand, omdat het in belangrijke mate afhangt van de betrokkenheid, alertheid en bereidheid van ouders of leerlingen al dan niet meedoen: “Sommige ouders zie en hoor je nooit.
Die laten ook dit soort kansen aan zich voorbij gaan.” En: “Als een jonger broertje of zusje eerder moet worden opgehaald, gaan ze niet later nog een keer heen en weer.” Nog los van de praktische bezwaren die we zowel in het po als vo terughoren (“Als iedereen voor het naschoolse en vakantieaanbod zou intekenen komen we ruimte en begeleiders tekort”), heeft een verplicht aanbod als nadeel dat het ten koste gaat van de motivatie van leerlingen: alles wat verplicht is, is minder aantrekkelijk, zo merken de scholen. Dit geldt nog sterker als de activiteiten aan het eind van de dag plaatsvinden: “Het 8e of 9e uur hebben ze er vaak geen zin meer in.” Verschillende betrokkenen gaan nog een stap verder. Zij benadrukken dat tenminste een deel van de leerlingen wordt overvraagd. Een school zegt hierover: “Aan het eind van de dag zijn leerlingen compleet Schouwen Dagprogrammering ronde 2
37
Sardes en DSP-groep 2023
afgedraaid. Dan hebben ze geen focus meer en komt niks meer binnen. Dus wat heeft het dan nog voor zin?” Een ouder: “Ik krijg mijn kind regelmatig afgemat thuis.” Een leerling: “Vrijdagmiddag ben ik al bezig met het weekend. Dan zit je er niet op te wachten om langer op school te moeten blijven.” Extensivering zou voor een aanzienlijke groep leerlingen dus te intensief zijn, zo horen we terug tijdens diverse schouwen. Sommige scholen en ouders pleiten om die reden voor meer maatwerk: niet verplicht tien uur Dagprogrammering voor alle leerlingen, maar rekening houden met wie wat aankan en wie wat nodig heeft: “Tien uur is niet per se effectief, het kan ook zes uur zijn. Het gaat om de kwaliteit, meer dan de kwantiteit.” Vooral voor de onderbouw in het primair onderwijs zou de overgang te groot zijn: “Steeds weer andere mensen voor de groep, steeds wisselende locaties en dan ook nog lange dagen.” Een van de geschouwde scholen heeft hier inmiddels zelf een oplossing voor gevonden: “Gelijke kansen krijg je alleen als je ongelijk behandelt. Zo zetten we nu in groep 3 in op intensivering. Dat komt uit een ander potje, want binnen Dagprogrammering mag dat niet. Extra taal en rekenen na schooltijd voor leerlingen die dat echt nodig hebben betalen we wel uit het potje Dagprogrammering, want dat is extensivering.
”Maar eigenlijk zou deze school nog een stap verder willen gaan in het bieden van Dagprogrammeringsmaatwerk en differentiatie: “Ook in de bovenbouw zitten leerlingen die meer baat zouden hebben bij intensivering dan bij extensivering. Zeker als leerlingen na schooltijd zelf al dingen doen is extra aanbod soms niet nodig. Dan wordt het te veel en is het dubbelop.”
5.4
Voldoende én goede mensen voor de groep “We krijgen subsidies, dat is mooi, maar vind maar eens de mensen die het uitvoeren.” “Het gaat om de mensen die het doen. Er zijn veel goede, maar ook minder goede voorbeelden. De goede weet leerlingen te boeien. Maar er zijn ook vakdocenten die niet serieus worden genomen. Die laten kinderen die niet luisteren een boek lezen, soms wel anderhalf uur lang.” “We hadden een keer boksles van iemand die deed alsof we volgende week de ring in moesten. Terwijl onze doelstelling met de les is: omgaan met eigen lichaam, niet elkaar een bloedneus slaan.”
Het succes van elke Dagprogrammeringsactiviteit staat of valt met degene die het aanbiedt. Of dat nu de eigen leerkracht, een andere docent op school of een uitvoerder van een partnerorganisatie is, zo kwam naar voren in schouwronde 1. Dit is in schouwronde 2 niet anders. Passie voor de activiteit in combinatie pedagogisch-didactische vaardigheden en affiniteit met de doelgroep zijn cruciale competenties om leerlingen te enthousiasmeren én iets bij te brengen. De ene aanbieder heeft dit van nature meer in de vingers dan de ander, maar er zijn verschillende mogelijkheden om dit te bevorderen, zo laten diverse goede voorbeelden op de geschouwde scholen zien: •
•
• • •
Inzet van eigen leraren, die een activiteit begeleiden waar zij passie voor hebben. Bijvoorbeeld de groepsleerkracht die in zijn vrije tijd gitarist is. Het grote voordeel is dat zij al geschoold zijn op pedagogisch-didactisch gebied. Inzet van breder inzetbare vakkrachten, bijvoorbeeld een sportinstructeur in plaats van een specifieke tennisleraar. Hierdoor ontstaat meer continuïteit (“Met vaste gezichten creëer je rust, veiligheid en vertrouwen”) en ruimte om te investeren in trainingen op pedagogisch-didactisch gebied en afstemming. Wekelijkse intervisie met vakkrachten (onder leiding van de coördinator) om te bespreken waar ze tegenaan lopen en hen te trainen en ondersteunen. Bij inzet van externen de eerste periode een leraar laten meedraaien om te ondersteunen en coachen. Ook in de praktijkvakken (koken, muziek, techniek, enz.) duidelijke leerlijnen hanteren.