CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb001805] Aanvraag Regeling van werkzaamheden Lansink - Bastemeijer en van Wifferen over bespreking onderzoek WODC over daders van geweld tegen LHBTQ-personen voor

Commissie Bestuur, Organisatie, Financiën en Veiligheid (2022 - 2026) 28 maart 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Regeling van werkzaamheden42.334 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

4.3 Registraties naar regio 2017-2021 Ten slotte is gekeken naar de verdeling van het aantal registraties over de verschillende eenheden. Daarbij zijn registraties van discriminatie vanwege seksuele gerichtheid en geslacht samengevoegd. In figuur 4.3a staan de eenheden weergegeven met de meeste registraties. In figuur 4.3b de eenheden met de minste registraties.

44

LHBTQ-discriminatie in politieregistraties

350 300

250 200 150 100 50 0

2017

2018

2019

2020

Eenheid Amsterdam

Eenheid Den Haag

Eenheid Midden-Nederland

Eenheid Oost-Nederland

2021

Eenheid Rotterdam

Figuur 4.3a: Registraties van discriminatie vanwege seksuele gerichtheid en geslacht naar eenheid, 2017-2021 (N) Bron: politieregistraties, bewerking Risbo

350 300 250 200 150 100

50 0

2017

2018

2019

2020

2021

Eenheid Noord-Nederland

Eenheid Oost-Brabant

Eenheid Limburg

Eenheid Zeeland-West-Brabant

Eenheid Noord-Holland Figuur 4.3b: Registraties van discriminatie vanwege seksuele gerichtheid en geslacht naar eenheid, 2017-2021 (N) Bron: politieregistraties, bewerking Risbo

45

Richten op de regenboog Uit de figuren komt naar voren dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen het aantal registraties per eenheid. Vier van de vijf eenheden waar de meeste registraties zijn, bevinden zich in de Randstad. Het aantal registraties is het kleinst in Limburg, gevolgd door Oost-Brabant en Zeeland-West-Brabant. Er is geen verklaring gevonden voor de piek in het aantal meldingen in Zeeland-West-Brabant in 2020. Ook is het opvallend te noemen dat het aantal registraties bij een aantal eenheden fors toeneemt in de periode 2017-2021, terwijl in andere eenheden een veel wisselender beeld zichtbaar is. Analyse van het soort registratie naar eenheid, toont aan dat er geen grote verschillen zijn in het soort discriminatie per regio. Voor alle eenheden geldt dat de meeste registraties betrekking hebben op uitlatingen, gevolgd door bedreigingen. Het is lastig om de verschillen tussen eenheden te duiden. Zo zijn er verschillen in het aantal inwoners die de eenheden bedienen, in capaciteit van de eenheden maar ook in de omvang van de woonachtige LHBTQ-gemeenschap. In tabel 4.3 wordt het aantal registraties per eenheid gerelateerd aan het aantal inwoners.8 Tabel 4.3: Registraties van discriminatie vanwege seksuele gerichtheid en geslacht naar eenheid en inwoners

Meldingen 2021 Eenheid Amsterdam Eenheid Den Haag Eenheid Limburg Eenheid Midden-Nederland Eenheid Noord-Holland Eenheid Noord-Nederland Eenheid Oost-Brabant Eenheid Oost-Nederland Eenheid Rotterdam Eenheid Zeeland-West-Brabant

317 276 93 282 154 171 129 308 305 131

Inwoners 2022

Meldingen per 10.000 inwoners 1.121.790 2,8 1.979.070 1,4 1.126.750 0,8 2.071.280 1,4 1.581.140 1,0 1.757.650 1,0 1.472.950 0,9 3.314.570 0,9 1.817.500 1,7 1.539.500 0,9

Bron: politieregistraties, CBS, bewerking Risbo

Het valt op dat binnen de eenheid Amsterdam relatief gezien het meeste aantal registraties van dit soort discriminatie wordt gedaan (2,8 registraties per 10.000 inwoners). Ook in de andere eenheden behorende tot de Randstad is het aantal meldingen per 10.000 inwoners hoger dan in de overige gebieden. Binnen de eenheid Rotterdam betreft het 1,7 registraties per 10.000 inwoners. In MiddenNederland en Den Haag worden 1,4 registraties per 10.000 inwoners gedaan. Het aantal registraties in Oost-Nederland per 10.000 inwoners is in absolute zin relatief laag omdat de eenheid een groot aantal inwoners bedient. Het blijft echter de vraag hoe deze verschillen geïnterpreteerd dienen te worden. Zo wonen naar verwachting meer LHBTQ-personen in de grote steden en zijn er verschillen in politiecapaciteit.

4.4 Bevindingen aan de hand van de onderzoeksvragen De data afkomstig uit de politieregistraties geeft breder inzicht in de ervaren discriminatie vanwege seksuele gerichtheid en geslacht in de periode 2017-2021. Hieronder wordt voor de uitkomsten van de analyse van politieregistraties besproken per onderzoeksvraag.

8

In de tabel wordt het aantal meldingen in 2021 gerelateerd aan het aantal inwoners per 31-12-2022. Het aantal inwoners per politie-eenheid is niet beschikbaar voor 2021.

46

LHBTQ-discriminatie in politieregistraties Wat is er bekend over de prevalentie van geweld tegen LHBTQ-personen in Nederland? In 2021 waren er 2.113 registraties met betrekking tot discriminatie van seksuele gerichtheid en 53 met betrekking tot geslacht. In de periode 2017-2021 neemt zowel het aantal registraties van discriminatie vanwege seksuele gerichtheid en geweld (fors) toe. Daarbij valt op dat er met name sprake is van een grote toename van het aantal registraties bij politie-eenheden in de Randstad en Oost-Nederland. Het is echter moeilijk om deze ontwikkelingen te duiden. Het is niet duidelijk of de toename tussen 2017-2021 betekent dat deze vormen van discriminatie vaker voorkomen of dat dit andere oorzaken heeft. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat er meer aandacht is gekomen voor deze vorm van discriminatie of dat er beleidsmatig meer aandacht aan wordt besteed (binnen bepaalde eenheden). Welke vormen van geweld tegen LHBTQ-personen kunnen worden onderscheiden? De politieregistraties op grond van seksuele gerichtheid gaan grotendeels over uitlatingen (60,7 procent in 2021). Het gaat bijvoorbeeld om naroepen of beledigen in combinatie met de nadruk op seksuele gerichtheid. Bij veel uitlatingen gaat het om mensen die worden beledigd op grond van hun (vermeende) homoseksuele gerichtheid.

Het lijkt daarbij meestal te gaan over het gebruik van het woord 'homo' als een scheldwoord. Een deel van de incidenten heeft betrekking op andere vormen van geweld, zoals bedreiging (15,3 procent in 2021) en fysiek geweld in combinatie met een uitlating (14,5 procent in 2021). Een steekproefsgewijze kwalitatieve analyse van bedreigingen en geweldsincidenten die te maken hebben met de discriminatiegrond seksuele gerichtheid biedt in de meeste gevallen geen antwoord op de vraag of de seksuele gerichtheid van de betrokkenen aanleiding is tot het incident. Wederom is het lastig om de vormen van geweld tegen LHBTQ-personen te duiden op basis van enkel de politieregistraties. Een steekproefsgewijze kwalitatieve analyse van de registraties geeft de indruk dat een groot deel van de registraties betrekking heeft op politieagenten in functie of op mensen waartegen met ‘homo’ wordt gescholden. Het wordt lang niet altijd duidelijk of de registraties betrekking hebben op LHBTQ-personen. In die zin tonen de registraties een bepaalde mate van normalisering in de samenleving voor het schelden met ‘homo’. Dit neemt overigens niet weg dat er ook registraties zijn waarbij het wel duidelijk lijkt dat de seksuele gerichtheid van één van de betrokkenen de aanleiding is voor bedreiging of geweld.

Welke groepen binnen de LHBTQ-gemeenschap zijn het meest kwetsbaar voor geweld? De politieregistraties geven geen duidelijk inzicht in kwetsbare groepen. Enkel kan geconcludeerd worden dat discriminatie vanwege geslacht vaak betrekking heeft op transpersonen. Het is echter de vraag of dit komt doordat zij vaak slachtoffer zijn, of dat dit beeld ontstaat vanwege het bestaan van de discriminatiegrond ‘geslacht’ waarbinnen discriminatie tegen transpersonen vaak wordt ondergebracht. Zo zal discriminatie tegen homoseksuele, lesbische en biseksuele personen samengevoegd worden binnen de discriminatiegrond ‘seksuele gerichtheid’. Welke regionale verschillen bestaan er met betrekking tot geweld tegen LHBTQ-personen? Uitsplitsing van het aantal politieregistraties laat zien dat er verschillen bestaan in het aantal registraties per eenheid. Met name bij eenheden binnen de Randstad en Oost-Nederland worden meer registraties gedaan dan in andere eenheden. Ook is het opvallend te noemen dat het aantal registraties bij een aantal eenheden fors toeneemt in de periode 2017-2021, terwijl in andere eenheden een veel wisselender beeld zichtbaar is. Analyse van het soort registratie naar eenheid, toont aan dat er geen grote verschillen zijn in de vorm van het geregistreerde geweld per regio.

47

Richten op de regenboog Wanneer gekeken wordt naar het aantal registraties per eenheid gerelateerd aan het inwoneraantal, dan valt op dat het aantal registraties in Amsterdam en de andere Randstedelijke gebieden het grootst is. Het blijft echter lastig om de verschillen tussen eenheden te duiden omdat er ook verschillen zijn in capaciteit van de eenheden en de omvang van de aldaar woonachtige LHBTQ-gemeenschap. Wat zijn de achtergrondkenmerken van daders die betrokken zijn bij de verschillende categorieën van geweld tegen LHBTQ-personen? De politieregistraties geven een indicatief inzicht in een beperkt aantal achtergrondkenmerken van verdachten van discriminatie vanwege seksuele gerichtheid en/of geslacht. In de periode 2017-2021 is meer dan 90 procent van de verdachten van dit soort registraties man. De meeste verdachten zijn minderjarigen (23 procent in 2021) en jongvolwassenen (27,5 procent in 2021). Ook valt het grote aantal verdachten met antecedenten op (74 procent in 2021).

48

5.

Over de slachtoffers en context van de geweldsincidenten In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de slachtoffers en de context waarbinnen de incidenten plaatsvonden. De data in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de 88 dossiers waarbij tot een veroordeling is gekomen. Deze dossiers hebben betrekking op 70 unieke zaken. Dit komt doordat er bij achttien zaken sprake is van meerdere daders, maar het hetzelfde incident met dezelfde slachtoffers betrof. Behalve dat er sprake is van meerdere daders, is er ook een aantal zaken waarbij meerdere slachtoffers betrokken zijn. In totaal zijn er 119 slachtoffers in de dossiers aanwezig.9 In 55 zaken is er sprake van één slachtoffer, bij 28 zaken zijn er twee slachtoffers en in twee gevallen waren er drie slachtoffers. Daar waar in dit hoofdstuk over slachtoffers wordt gesproken, hebben de cijfers betrekking op 119 personen. Bij het bespreken van de context waarbinnen een misdrijf plaatsvond, hebben de cijfers betrekking op de 70 casussen. De data uit de strafdossiers worden aangevuld met uitkomsten uit de enquête. Op die manier krijgen we een betere duiding en een breder beeld van de mate waarin de strafdossiers overeenkomen of afwijken met de ervaringen van de slachtoffergroep. In de conclusie van het hoofdstuk worden de resultaten geduid met wat er bekend is uit de wetenschappelijke literatuur.

5.1 Slachtoffers De geanalyseerde strafdossiers hebben vooral betrekking op slachtoffers met een homoseksuele gerichtheid In tabel 5.1 staat de seksuele gerichtheid van de slachtoffers weergegeven. De seksuele gerichtheid is gebaseerd op de verklaringen van de slachtoffers zelf of opgemaakt uit het strafdossier. Tabel 5.1: Seksuele gerichtheid van slachtoffers geweld tegen LHBTQ-personen in strafdossiers 2017-2021

Totaal Homoseksuele mannen Lesbische vrouwen Tegen LHBTQ in het algemeen Transgendervrouw Biseksueel Queer Geen LHBTQ Onbekend

N 119 78 16 7 4 3 2 6 3

% 100 66 13 6 3 3 2 5 3

Bron: Strafdossiers OM, bewerking Risbo

Een belangrijke constatering is dat in de geselecteerde strafdossiers uit de periode 2017-2021, met name casussen zijn gevonden die betrekking hebben op homoseksuele mannen. Twee derde van de dossiers (66 procent) heeft betrekking op geweld tegen homoseksuele mannen. Iets meer dan tien procent heeft betrekking op lesbische vrouwen. Bij zes dossiers is door de slachtoffers aangegeven dat zij heteroseksueel zijn, maar heeft er wel vervolging plaatsgevonden op basis van discriminatie van de seksuele gerichtheid. Bijvoorbeeld omdat er gescholden is met ‘homo’. Er zijn drie casussen aangetroffen waarbij de slachtoffers biseksueel zijn. Drie dossiers hadden betrekking op discriminatie van LHBTQ-personen in het algemeen en hadden geen betrekking op individuen. Denk bijvoorbeeld aan het bekladden van LHBTQ-uitingen in de openbare ruimte of uitingen tegen LHBTQ-personen in algemene zin. Het aantal dossiers waarbij queerpersonen betrokken waren, is met twee dossiers 9

Bij een aantal dossiers is sprake van materieel geweld en zijn niet direct personen/individuen betrokken.

49

Richten op de regenboog beperkt. Geen van de dossiers had betrekking op transmannen, aseksuele of intersekse personen Zes casussen zijn wel in de zoekopdracht naar voren gekomen, maar blijken na bestudering niet direct verband te houden met LHBTQ-gerelateerd geweld. Omdat de dossiers vooral betrekking hebben op homoseksuele slachtoffers, zijn de resultaten in dit rapport vooral van toepassing op deze groep. Desondanks zijn er 28 dossiers onderzocht waarbij andere groepen het slachtoffer waren. Om te controleren of de resultaten en geschetste daderprofielen ook overeenkomen voor de andere groepen naast homoseksuele mannen zijn er interviews/focusgroepen uitgevoerd met LBTQ-personen en belangenorganisaties. De resultaten van gesprekken worden in hoofdstuk 7 besproken.

De meeste slachtoffers van LHBTQ-geweld in de strafdossiers zijn jongvolwassenen Bij de 70 casussen, zijn 114 individuen als slachtoffer betrokken waarvan de leeftijd bekend is. Een klein aantal casussen betreft geweld tegen voorwerpen. In tabel 5.2 zijn de slachtoffers uitgesplitst naar leeftijd. Tabel 5.2: Leeftijd van slachtoffers van LHBTQ-geweld

Totaal 0-17 18-25 26-35 36-55 55+ Onbekend

N 119 7 41 31 29 4 7

% 100 6 34 26 24 3 6

Bron: Strafdossiers OM, bewerking Risbo

Het slachtoffer is in ruim een derde van de gevallen een jongvolwassene in de leeftijd van 18-25 jaar (34 procent) (zie tabel 5.2). De groepen 26-35-jarige en 36-55-jarige slachtoffers (respectievelijk 26 procent en 24 procent) zijn eveneens relatief groot. Er zijn relatief weinig minderjarige en slachtoffers ouder dan 55 jaar aangetroffen in de strafdossiers (respectievelijk 6 procent en 3 procent).

5.2 Soort geweld en locatie Verbaal en fysiek geweld komt het vaakst in de strafdossiers voor Van de 70 strafdossiers die zijn bekeken, betreft het 31 dossiers (44 procent) waarin verbale geweldincidenten hebben plaatsgevonden (zie tabel 5.3). Een iets kleiner deel betreft fysiek geweld (37 procent). Er zijn geen strafdossiers gevonden waarbij het eergerelateerd of seksueel geweld betrof. Tabel 5.3: Soort geweld tegen LHBTQ-personen Totaal Verbaal geweld Fysiek geweld Huiselijk geweld Online geweld Materieel geweld Bron: Strafdossiers OM, bewerking Risbo

50

N 70 31 26 5 5 3

% 100 44 37 7 7 4

Over de slachtoffers en context van de geweldsincidenten Het is goed denkbaar dat casussen waarbij er sprake is van fysiek of verbaal geweld sneller leiden tot strafvervolging. De verdeling van het soort geweld binnen de strafdossiers zegt daarom weinig over hoe vaak welk soort geweld voorkomt in de maatschappij. Om die reden is het van belang om ook breder te kijken naar het soort ervaren geweld door LHBTQ-personen. De uitkomsten uit de strafdossiers komen grotendeels overeen met de uitkomsten van de enquête. Deelnemers aan de enquête benoemen dat zij met name verbaal geweld hebben meegemaakt, gevolgd door online pestgedrag en fysieke bedreigingen (zie tabel b1.2 in de bijlage). Materieel geweld, online geweld en huiselijk geweld zijn in veel mindere mate aan de orde gekomen.

Het meeste geweld tegen LHBTQ-personen vindt plaats in de openbare ruimte Bij 37 van de 70 casussen (53 procent) vindt het geweld plaats in de openbare ruimte op straat of in een park (tabel 5.4). Bij twaalf dossiers speelt het incident zich af bij iemand thuis, bijvoorbeeld tijdens een huisfeest of familiebijeenkomst. Bij een kleiner deel van de dossiers vinden de incidenten plaats in het verkeer/openbaar vervoer of online. Tabel 5.4: Locatie waar geweld tegen LHBTQ-personen plaatsvindt Totaal Op straat of park Huiselijke sfeer Verkeer Online of media Homo-ontmoetingsplek Werk of school Anders

N 70 37 12 8 7 3 1 2

% 100 53 17 11 10 4 1 3

Bron: Strafdossiers OM, bewerking Risbo

De bevindingen uit de strafdossiers komen overeen met de uitkomsten uit de enquête, met als uitzondering dat deelnemers aan de enquête ook aangeven geweld mee te maken in een uitgaansgelegenheid (zie tabel b1.3).

De meeste incidenten tegen LHBTQ-personen komen in de middag voor De helft (35 casussen) van de onderzochte incidenten vindt plaats in de middag (zie tabel 5.5). Ook ’s nachts vindt relatief vaak geweld tegen LHBTQ-personen plaats (20 procent van de casussen). Een relatief klein deel van de incidenten speelt zich af in de ochtend of avond. Deelnemers aan de enquête geven aan dat de meeste incidenten ’s middags en ’s avonds plaatsvinden (zie tabel b1.4 in de bijlage). Tabel 5.5: Dagdeel waarop geweld tegen LHBTQ-personen plaatsvindt Totaal Nacht Ochtend Middag Avond Onbekend

(22:00-05:59) (06:00-11:59) (12:00-16:59) (17:00-21:59)

N 70 14 6 35 7 8

% 100 20 9 50 10 11

Bron: Strafdossiers OM, bewerking Risbo

In de data is gekeken of bepaalde vormen van geweld vaker plaatsvinden op specifieke momenten van de dag (zie tabel b5.1 bijlage 5). Uit deze uitsplitsing blijkt dat verbaal geweld vooral in de middag plaatsvindt (24 van de 30 incidenten) en dat fysiek geweld het meest ’s nachts (8 van de 24 incidenten) 51

Richten op de regenboog en in de middag (8 van de 24 incidenten) plaatsvindt.10 De resultaten van de enquête wijken iets af van de strafdossiers. Uit de enquête ontstaat het beeld dat behalve ’s middags, ook veel incidenten ’s avonds plaatsvinden (zie tabel b1.4 in de bijlage).

De aanwezigheid van (sociale) media en telefoons Bij dertien van de 70 incidenten (19 procent) spelen de sociale media en/of mobiele telefoons een rol in het verloop van het incident of bij de bewijsvoering. Zo zijn er gevallen van online geweld waarbij LHBTQ-personen gediscrimineerd worden, bijvoorbeeld omdat iemand vindt dat LHBTQ-personen geen kinderen mogen hebben/opvoeden. In een ander geval ontstaat er een discussie online wat escaleert tot bedreiging en het oproepen tot geweld. Een enkele keer leidt het maken van een vlog in de openbare ruimte tot het uitschelden van iemand die vanwege zijn manier van bewegen en kleden opvalt. In veel van dit soort gevallen is er sprake van escalatie en begint het incident relatief onschuldig, bijvoorbeeld ook in een geval waarbij een discriminatoir lied wordt gemaakt over iemand. Dit lied wordt vervolgens opgemerkt door het slachtoffer waarna er aangifte wordt gedaan. Tot slot komt het voor dat mobiele telefoons gebruikt worden in de bewijsvoering, in een aantal gevallen, met name wanneer slachtoffer en dader bekenden van elkaar zijn, wordt er via whatsapp gecommuniceerd. Bij incidenten in de openbare ruimte maken zowel slachtoffers, omstanders als daders vaak beeldopnames.

5.3 Bevindingen aan de hand van de onderzoekvragen In dit hoofdstuk hebben we gekeken naar de slachtoffers van LHBTQ-gerelateerd geweld en de context waarbinnen deze incidenten plaatsvonden. In het onderzoek zijn 88 dossiers bestudeerd uit de periode 2017-2021. Uit de dossiers kwamen 70 unieke zaken (casussen) naar voren, bij achttien zaken was er sprake van meerdere daders, maar hetzelfde incident. Daar waar over slachtoffers wordt gesproken, hebben de cijfers betrekking op 119 personen. In het eerste deel van deze paragraaf worden de uitkomsten gekoppeld aan de onderzoeksvragen. In het tweede deel worden de uitkomsten verder geduid door ze te relateren aan wat er bekend is uit de literatuurstudie.11 De uitkomsten uit dit hoofdstuk kunnen gebruikt worden om (deels) een antwoord te geven op de volgende onderzoeksvragen. •

Welke vormen van geweld tegen LHBTQ-personen kunnen worden onderscheiden?

•

Welke groepen binnen de LHBTQ-gemeenschap zijn het meest kwetsbaar voor geweld?

Hieronder worden deze vragen beantwoord. Welke vormen van geweld tegen LHBTQ-personen kunnen worden onderscheiden? Van de 70 unieke casussen, betreffen de meeste dossiers incidenten van verbale geweldincidenten (44 procent), gevolgd door fysiek geweld (37 procent). Andere vormen van geweld zoals huiselijk

10

Online geweld is hier buiten beschouwing gelaten omdat deze incidenten vaak niet op één moment plaatsvinden maar er sprake is van een meerdere contactmomenten tussen dader/slachtoffer. Het aantal incidenten waarbij sprake was van materieel geweld is buiten beschouwing gelaten vanwege het kleine aantal casussen. 11 Voor de leesbaarheid zijn geen verwijzingen in de tekst geplaatst. De onderzoeken waarnaar verwezen wordt zijn besproken in hoofdstuk 2.

52

Over de slachtoffers en context van de geweldsincidenten geweld (7 procent), online geweld (7 procent) en materieel geweld (4 procent) komen aanzienlijk minder vaak voor in de casussen. Het meeste geweld vindt plaats in de openbare ruimte. Dit gebeurt vooral op straat of in parken (53 procent) en in mindere mate in de huiselijke sfeer (17 procent), in het verkeer (11 procent) of online (10 procent). Welke groepen binnen de LHBTQ-gemeenschap zijn het meest kwetsbaar voor geweld?

Twee derde van de aangetroffen dossiers heeft betrekking op slachtoffers met een homoseksuele gerichtheid, namelijk 78 van de in totaal 119 slachtoffers. Behalve homoseksuele mannen zijn ook andere slachtoffergroepen in de dossiers geïdentificeerd. Zestien slachtoffers zijn lesbische vrouwen, zeven dossiers gingen over geweld tegen LHBTQ in het algemeen en er waren vier transgendervrouwen slachtoffer van geweld. De sterke oververtegenwoordiging van dossiers die betrekking hebben op homoseksuele mannen is opvallend te noemen omdat ander onderzoek laat zien dat lesbische, biseksuele vrouwen en transpersonen relatief vaak slachtoffer zijn van geweld. De kwetsbare groepen die uit de literatuur naar voren komen zien we, los van de jongeren, weinig terug in de dossiers. Mogelijke redenen kunnen samenhangen met de opzet van deze studie, registratie, aangiftebereidheid of een combinatie van deze factoren. Dit wordt in hoofdstuk 9 verder geduid. Het slachtoffer van LHBTQ-geweld in de strafdossiers is in ruim een derde van de gevallen (37 procent) een jongvolwassene in de leeftijd van 18-25 jaar. Dit komt overeen met wat er bekend is uit ander onderzoek waarin jongeren als kwetsbaar worden benoemd. In de strafdossiers zijn de slachtoffergroepen bestaande 26-35-jarige en 36-55-jarige slachtoffers met respectievelijk 28 procent en 25 procent eveneens relatief groot.

Discussie De strafdossiers geven waardevolle maar tegelijkertijd beperkte inzichten in de slachtoffers en vormen van LHBTQ-gerelateerd geweld. De informatie is waardevol omdat het betrekking heeft op bewezen feiten waarbij een gerechtelijke uitspraak heeft plaatsgevonden. Tegelijkertijd is het lastig om de uitkomsten op waarde te schatten vanwege het beperkte aantal dossiers. Het is daarom nodig om de uitkomsten in een breder perspectief te plaatsen. Uit de dossiers komt sterk naar voren dat met name homoseksuele mannen en jongvolwassenen vaak slachtoffer worden van LHBTQ-gerelateerd geweld. De sterke oververtegenwoordiging van dossiers die betrekking hebben op homoseksuele mannen is opvallend te noemen omdat onderzoek van Huijnk et al. (2022) laat zien dat lesbische en biseksuele vrouwen relatief vaak slachtoffer zijn van geweld. Ook zijn transpersonen relatief vaak slachtoffers van geweld (Movisie, 2021b). Onder de deelnemers aan de enquête wordt eveneens vaak geweld ervaren. Deze groep bestaat voor slechts een kwart uit homoseksuele mannen. Het is daarom aanneembaar dat de strafdossiers een vertekend beeld geven. Er kunnen verschillende mogelijke redenen genoemd als verklaring. De eerste reden kan samenhangen met het soort geweld dat ervaren wordt.

Het is daarbij goed om te beseffen dat veel data uit andere onderzoeken is gebaseerd op zelfrapportage door slachtoffers en niet op strafdossiers. Het is goed denkbaar dat sommige vormen van ervaren geweld minder snel tot een veroordeling leiden en daardoor niet in de query terugkomen. Mogelijk dat de ondervertegenwoordigde groepen te maken krijgen met geweld dat minder snel geregistreerd wordt als LHBTQ-gerelateerd geweld, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van huiselijk geweld. Een factor die hierin zou kunnen meespelen, is dat er minder bekendheid zou kunnen zijn binnen de politie over transgender-, biseksuele en queerpersonen dan over homoseksuele mannen en 53

Richten op de regenboog lesbische vrouwen. Tot slot zou het kunnen dat kwetsbare groepen, geweld minder vaak melden, bijvoorbeeld rondom partnergeweld vanwege de relatie met de pleger(s). Volgens onderzoek van Movisie (2011) geldt in het bijzonder dat lesbische en biseksuele vrouwen vaak geen aangifte doen van wat zij meemaken. Uit ander onderzoek blijkt daarentegen dat ook onder homoseksuele mannen en LHBTQ-personen met een migratieachtergrond de aangiftebereidheid zeer laag is (European Union Agency for Fundamental Rights, 2020). Andere verklaringen voor een lage aangiftebereidheid onder LHBTQ-personen is het gebrek aan vertrouwen in de politie (Van Oostroom, 2019; Universiteit Tilburg, 2009). De bevinding dat slachtoffers relatief jong zijn komt overeen met wat er bekend is uit ander onderzoek waarin jongeren als kwetsbaar worden benoemd (Huijnk et al., 2022; Act4Respect, 2019). Het meeste geweld binnen de dossiers vindt plaats in de openbare ruimte. Dit komt overeen met ander onderzoek naar homonegatief dat vooral in de openbare ruimte plaatsvindt (Huijnk et al., 2022). Echter zou ook een aanzienlijk deel van het geweld tegen LHBTQ-personen zich in de privésfeer afspelen (Huijnk et al., 2022; Movisie, 2021a).

Die bevinding komt veel minder terug in dit onderzoek, mogelijk vanwege de selectie van dossiers of omdat huiselijk geweld op zodanige manier geregistreerd wordt dat dit niet in de in dit onderzoek gehanteerde query terugkomt. Daarvoor gelden naar verwachting dezelfde mogelijke oorzaken als eerder benoemd zijn. Een andere mogelijke oorzaken is dat geweld in de openbare ruimte eerder tot een veroordeling leidt, bijvoorbeeld vanwege de aanwezigheid van getuigen, dan geweld dat in de privésfeer plaatsvindt. De locaties waar het geweld in de strafdossiers plaatsvindt komt overeen met ander onderzoek naar homonegatief geweld. Het meeste geweld vindt plaats de openbare ruimte (Huijnk et al., 2022). Maar ook thuis vindt geweld tegen LHBTI-personen plaats, bijvoorbeeld in de vorm van partnergeweld of eergerelateerd geweld (Movisie, 2021a). Die bevinding komt veel minder terug in dit onderzoek, mogelijk vanwege de selectie van dossiers of omdat huiselijk geweld op zodanige manier geregistreerd wordt dat dit niet in de in dit onderzoek gehanteerde query terugkomt. Daarvoor gelden naar verwachting dezelfde mogelijke oorzaken als eerder benoemd zijn.

Een andere groep die wel uit de literatuur naar voren komt (Waldner & Berg, 2008; Van Lisdonk, 2018; Huijnk et al., 2022) maar niet veelvuldig in de strafdossiers is aangetroffen, betreft geweld tegen LHBTQ-uitgaanspubliek rondom plaatsen waar LHBTQ-personen samenkomen. Hoewel er een aantal incidenten is gevonden dat na het uitgaan plaatsvond, vonden deze niet specifiek plaats in de nabijheid van een LHBTQuitgaansgelegenheid.

54

6. Over de daders In dit hoofdstuk belichten we kenmerken van de daders. Centraal daarbij staan de daders uit de strafdossiers, aangevuld met cijfers van verdachten uit de politieregistraties en de enquête. Daar waar het cijfers betreft die betrekking hebben op de analyse van de strafdossiers werd in het voorgaande hoofdstuk telkens gesproken over 70 casussen. Omdat bij een aantal casussen meerdere daders betrokken waren, ligt het aantal daders hoger. De data in dit hoofdstuk hebben betrekking op 88 personen die veroordeeld zijn voor LHBTQ-gerelateerd geweld. In dit hoofdstuk wordt minder vaak verwezen naar de enquête omdat niet alle behandelde kenmerken van daders zijn bevraagd onder slachtoffers, bijvoorbeeld omdat ze geen weet kunnen hebben van specifieke kenmerken zoals antecedenten. Plegers, daders en verdachten In dit onderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen verdachten, plegers en daders. Met plegers en daders worden personen bedoeld die door de rechtspraak schuldig bevonden zijn aan geweld tegen LHBTQ-personen. Bij verdachten gaat het om personen die niet veroordeeld zijn, maar die door slachtoffers als verdachte zijn aangemerkt, of die op enig moment bij instanties in beeld zijn geweest als vermoedelijke pleger van geweld tegen LHBTQ-personen. In de strafdossiers is gekeken naar personen die veroordeeld zijn voor geweld tegen LHBTQ-personen.

Deze personen noemen we in dit hoofdstuk plegers. Wanneer wordt verwezen naar de uitkomsten uit ander onderzoek of de enquête dan hebben we het vaak over verdachten omdat het vaak niet vaststaat of deze personen ook daadwerkelijk het geweld hebben begaan.

6.1 Persoonskenmerken Bijna alle daders zijn mannen Veruit het grootste gedeelte van de plegers van LHBTQ-gerelateerd geweld is een man (zie tabel 6.1). Dit geldt voor 93 procent van de daders. Zes van de 88 daders (7 procent) zijn vrouwelijke daders. Tabel 6.1: Biologisch geslacht van daders van geweld tegen LHBTQ-personen Totaal Man Vrouw

N 88 82 6

% 100 93 7

Bron: Strafdossiers OM, bewerking Risbo

(Jong)volwassenen vormen de grootste dadergroepen Bijna één op de drie daders is tussen 18-25 jaar (32 procent), of tussen de 26-35 jaar (30 procent) (zie tabel 6.2). De groepen minderjarige daders en daders tussen de 36-55 jaar zijn ongeveer even groot (respectievelijk 16 procent en 15 procent). Het aantal daders dat ouder is dan 55 jaar is met 8 procent beperkt.

55

Richten op de regenboog Tabel 6.2: Leeftijd van daders van geweld tegen LHBTQ-personen Totaal 0-17 jaar 18-25 jaar 26-35 jaar 36-55 jaar Ouder dan 55 jaar

N 88 14 28 26 13 7

% 100 16 32 30 15 8

Bron: Strafdossiers OM, bewerking Risbo

Nationaliteit van daders Een gevoelig en normaal lastig te duiden aspect bij onderzoek naar daders is de (mogelijke) migratieachtergrond of nationaliteit van de (mogelijke) daders van geweld tegen LHBTQ-personen. Omdat uit het literatuuronderzoek naar voren komt dat verdachten relatief vaak een niet-Westerse achtergrond lijken te hebben, is dit kenmerk ook vanuit de strafdossiers geanalyseerd. Het is vanuit de strafdossiers echter niet mogelijk de migratieachtergrond van daders met zekerheid vast te stellen. Daarvoor is ook informatie over de nationaliteit is van de ouders nodig. Iemand waarvan en van de ouders niet de Nederlandse nationaliteit heeft, wordt in de statistieken ook nog aangeduid als iemand met een migratieachtergrond. Het is daarom aannemelijk dat het aantal daders met een migratieachtergrond groter is dan het aantal daders met de niet-Nederlandse nationaliteit. Daarover kunnen in dit onderzoek echter niet met zekerheid uitspraken worden gedaan. Informatie over de ouders is niet aanwezig in de strafdossiers. Wel kan met zekerheid de nationaliteit vastgesteld worden op basis van de scans van identificatiebewijzen die in de dossiers bijgevoegd zijn. We gebruiken daarom nationaliteit als proxy voor migratieachtergrond (zie tabel 6.3).

Er dient echter voor gewaakt te worden dat er te veel waarde wordt gehecht aan de nationaliteit van verdachten en dat dit als verklarende variabele wordt gebruikt. Zo is bekend dat jongeren over het algemeen vaker verdacht zijn van misdrijven dan ouderen en dat de demografische opbouw van migrantengroepen vaak een relatief groot percentage jongeren kent (Junger-Tas, 2001; Bovenkerk & Fokkema 2015). Bovendien bestaan er risicofactoren die verband houden met kwetsbare sociaaleconomische positie, waar mensen met een migratieachtergrond bovengemiddeld vaak in verkeren (Huijnk & Kessels, 2016). Een laatste factor die een rol kan spelen is dat personen met een migratieachtergrond vanwege (onbewust) etnisch profileren door de politie vaker in beeld komen als verdachte (Molina Espeleta, 2021). Onderstaande resultaten dienen daarom met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd te worden. Tabel 6.3: Nationaliteit van daders van geweld tegen LHBTQ-personen Totaal Nederlands (Nederlands-)Marokkaans Surinaams en Antilliaans Dubbele nationaliteit (verscheiden) Overig niet-Westers Midden en Oost-Europees Turks Overig EU

N 88 44 16 8 6 6 5 2 1

% 100 50 18 9 7 7 6 2 1

Bron: Strafdossiers OM, bewerking Risbo

De helft (50 procent) van de plegers van geweld tegen LHBTQ-personen heeft de Nederlandse nationaliteit. Dit is veruit de grootste groep. Iets minder dan één op de vijf plegers (18 procent) heeft 56

Over de daders zowel de Nederlandse en/of Marokkaanse nationaliteit. Andere groepen plegers die relatief vaak zijn aangetroffen betreffen personen met een Midden- of Oost-Europese, Surinaamse of Antilliaanse nationaliteit. In de data is gekeken of er sprake is van samenhang tussen de nationaliteit en leeftijd van de daders. Hoewel het om kleine aantallen gaat, kan er een aantal voorzichtige aannames worden gedaan (zie tabel b6.1 in bijlage 6). Onder de groep met de Nederlandse nationaliteit is het grootste gedeelte tussen de 18 en 25 jaar, gevolgd door een relatief grote groep 26-35-jarige daders. De groep daders met een Marokkaanse nationaliteit is relatief jong. Zes van de zestien daders is minderjarig en vier zijn er tussen de 18 en 25 jaar. Vanuit deze groep zijn er geen daders ouder dan 35 jaar. De groep Surinaamse/Caribische daders is relatief oud met drie van de acht daders die ouders zijn dan 55 jaar.

6.2 Incidentkenmerken Een fysieke gedraging of het uiterlijk vaak de aanleiding voor LHBTQ-gerelateerd geweld Vaak vindt geweld tegen LHBTQ-personen in de strafdossiers plaats nadat een dader reageert op een fysieke uiting of het gedrag of de kleding die (in de ogen van de dader) een uiting zijn van een seksuele gerichtheid die afwijkt van de heteronorm of opvallende (van de normafwijkende) genderexpressie (zie tabel 6.4). Met een fysieke uiting kan gedacht worden aan twee personen van hetzelfde geslacht die hand in hand lopen of affectie naar elkaar tonen. Voorbeelden van gedrag en kleding zijn het dragen van (vermeende) vrouwelijke kleding door mannen, de manier van bewegen en praten. In twaalf dossiers vindt geweld plaats waarbij de dader bekend is met de seksuele gerichtheid van het slachtoffer. Het incident zelf heeft niet te maken met de seksuele gerichtheid maar dit wordt erbij gehaald wanneer het incident escaleert. In deze gevallen wordt er vaak gescholden met ‘homo’. Bij zeven dossiers is een uiting op sociale media de aanleiding voor geweld tegen LHBTQ-personen. Tabel 6.4: Aanleiding voor geweld tegen LHBTQ-personen12 Totaal Uiterlijk (kleding en voorkomen) Dader neemt aanstoot aan seksuele gerichtheid/gender expressie slachtoffer(s) Fysieke uiting van seksuele gerichtheid (bv.

hand in hand lopen) Dader is bekend met seksuele gerichtheid/genderidentiteit slachtoffer(s) Sociale media Onduidelijk

N 70 14 13 10 12 7 14

% 100 20 19 14 17 10 20

Bron: Strafdossiers OM, bewerking Risbo

De resultaten van de enquête onder LHBTQ-slachtoffers komen overeen met het beeld uit de strafdossiers. In meer dan de helft van de ervaren geweldsincidenten was volgens slachtoffers een uiterlijke vertoning, gedraging of uiting van genderexpressie of seksuele gerichtheid de aanleiding.

Daders worden het vaakst vervolgd voor eenvoudige belediging en mishandeling In tabel 6.5 wordt een overzicht gegeven van de wetsartikelen waarvoor de daders van geweld tegen LHBTQ-personen voor vervolgd zijn. In totaal zijn er 88 daders. Het aantal wetsartikelen waarvoor daders vervolgd worden in tabel 6.4 is hoger dan het aantal daders omdat veel daders voor meerdere 12

Voor het analyseren van de aanleiding is gekeken op incidentniveau in plaats van daderniveau. Om die reden is het aantal in tabel 5.4 70 (het aantal unieke casussen) in plaats van 88 (het aantal daders).

57

Richten op de regenboog feiten vervolgd worden. Zo zijn er daders die zowel voor artikel 266 en artikel 300 vervolgd worden. Deze zijn in de tabel bij beide wetsartikelen meegeteld. Om die reden is het aantal wetsartikelen (n=103) in de tabel groter dan het aantal daders (N=88). Tabel 6.5: Wetsartikelen waarvoor daders vervolgd worden (Wetboek van Strafrecht) 13 Totaal 266 (eenvoudige belediging) 300 (mishandeling) 285 (bedreiging met een ernstig misdrijf) 141 (openlijke geweldpleging) 137c (belediging van een groep mensen) Anders

N 103 40 29 9 8 8 9

% 100 39 28 9 8 8 9

Bron: Strafdossiers OM, bewerking Risbo

De meeste daders van geweld tegen LHBTQ-personen worden vervolgd voor eenvoudige belediging (Art. 266 WvSr). Dit is in 39 procent van de vervolgingen het geval. Bij deze casussen is er sprake van verbaal geweld (schelden) soms in combinatie met fysiek geweld. Bij 28 procent van de casussen is er sprake van mishandeling (Art. 300 WvSr). Bij deze gevallen gaat het veelal om mishandeling van mensen in de openbare ruimte, bijvoorbeeld voor een supermarkt, op straat na het uitgaan of in een park. In negen gevallen is er sprake van bedreiging met een ernstig misdrijf (Art. 285 WvSr). Het gaat hierbij vaak om bedreigingen met de dood tegen LHBTQ-personen of andere vormen van (zwaar) geweld. Dit kan zowel online als fysiek voorkomen. In acht gevallen is artikel 141 WvSr, openlijke geweldpleging het wetsartikel dat waarvoor de dader vervolgd wordt. Eveneens acht keer is er sprake van groepsbelediging tegen LHBTQ-personen (Art. 137c WvSr). Dit zijn bijvoorbeeld zaken waarbij personen zich uitspreken tegen het bestaan van LHBTQ-personen in het algemeen, of online discriminerende uitspraken doen tegen een LHBTQ-groepering zonder dat daar een specifiek slachtoffer bij wordt benoemd.

Daders en slachtoffers kennen elkaar meestal niet In driekwart van de strafzaken kennen de dader(s) en slachtoffer(s) elkaar niet (zie tabel 6.6). In veel van deze gevallen gaat het om personen die elkaar op straat of een andere openbare gelegenheid tegen komen. In sommige van de gevallen ontstaat een conflict over iets wat niet gerelateerd is aan de seksuele gerichtheid. In andere gevallen is juist een uiting genderidentiteit of genderexpressie aanleiding voor een dader om een opmerking over te maken. Tabel 6.6: Bekendheid van daders met slachtoffers van geweld tegen LHBTQ-personen Totaal Onbekende Bekende

N 88 69 19

% 100 78 22

Bron: Strafdossiers OM, bewerking Risbo

Van de LHBTQ-slachtoffers die aan de enquête hebben deelgenomen, geeft 80 procent aan de dader niet te kennen. Dit komt overeen met de strafdossiers. Er is gekeken of er een verband is tussen de relatie van daders en slachtoffers en de herkomst van de daders. Uit deze analyse komt naar voren dat geen van de zestien (Nederlands-)Marokkaanse daders 13

In de bijlage 5 is van de meest voorkomende wetsartikelen een uitgebreidere omschrijving gegeven.

58

Over de daders het slachtoffer kende. Onder de andere herkomstgroepen is de verdeling slachtoffers en daders die elkaar wel of niet kennen ongeveer gelijk aan het gemiddelde.

Daders van geweld tegen LHBTQ-personen handelen net zo vaak solo als in een groep In de dossiers is gekeken of plegers van geweld tegen LHBTQ-personen alleen of een in groep handelen. De verdeling is ongeveer gelijk. Van de 88 daders opereren er 43 alleen en 45 als onderdeel van een groep. Van de 45 daders in een groep zijn er vijftien die als enige schuldig zijn bevonden aan het plegen van dit geweld. In sommige van deze gevallen was er daadwerkelijk sprake van een enkele dader, in andere gevallen waren er meerdere personen betrokken maar was hun rol niet duidelijk, waren zij niet bekend met de politie of werden zij vrijgesproken. Tabel 6.7: Bekendheid van daders met slachtoffers van geweld tegen LHBTQ-personen Totaal Solo Groep Groep met 1 dader

N 88 43 45 15

% 100 49 51 17

Bron: Strafdossiers OM, bewerking Risbo

Deelnemers aan de enquête geven vaker aan dat er twee of meer daders waren. Meer dan 60 procent van de deelnemers aan de enquête geeft aan slachtoffers te zijn geworden van meerdere daders.

Veroordeling voor geweld tegen LHBTQ-personen resulteert meestal in een taakstraf of boete In bijna 70 procent van de dossiers krijgt de dader een taakstraf (43 procent) of boete (26 procent) (zie tabel b6.2 in de bijlage 6) opgelegd. In iets meer dan tien procent van de aantal gevallen wordt de dader tot gevangenisstraf veroordeeld (11 procent). Dit betreft de misdrijven waarbij er sprake was van fysiek geweld/mishandeling en/of een combinatie van feiten. In een aantal casussen komt de verdachte voor verschillende ongerelateerde misdrijven tegelijk voor de rechter en is uit het vonnis niet duidelijk op te maken wat precies de opgelegde straf is voor het voor het aspect gericht tegen LHBTQ-personen. Bij een groot deel van de daders is sprake van recidive (vaak voor andere feiten) en heeft de dader al antecedenten (zie tabel 6.7).

6.3 Sociale context van de daders In deze paragraaf worden sociaal-maatschappelijke kenmerken van daders beschreven. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de religiositeit van de daders, seksuele gerichtheid, houding ten opzichte van LHBTQ en de aanwezigheid van risico- en beschermende factoren. Voor veel van de factoren die in deze paragraaf besproken worden, geldt dat deze lang niet in alle gevallen duidelijk op te maken zijn uit de strafdossiers. In de strafdossiers zijn de processen verbaal (de verhoren met zowel getuigen, slachtoffer(s) en dader) een voorname bron van informatie. Tijdens het verhoor met de dader vindt er vaak eerst een sociaal verhoor plaats waarin de dader een aantal vragen wordt gesteld over zijn of haar achtergrond. Na het sociaal verhoor wordt overgegaan op het verhoor over het incident. De insteek van het sociale verhoor verschilt per verdachte. Zo wordt aan jonge verdachten vaak gevraagd naar hoe het op school gaat en wat voor inkomen zij hebben. Bij oudere verdachten wordt niet gevraagd naar hun schoolcarrière maar wel naar hun bestaanszekerheid. Ook andere aspecten worden niet stelselmatig bevraagd, denk bijvoorbeeld aan 59

Richten op de regenboog de religiositeit van verdachten of hun seksuele gerichtheid. Dit zijn aspecten die in sommige verhoren per toeval aan bod komen. De uitspraken over de kenmerken die in deze paragraaf centraal staan, zijn veelal toegewezen op basis van uitspraken van de daders zelf.

Plegers van geweld tegen LHBTQ-personen hebben vaak al antecedenten Veel van de plegers van geweld tegen LHBTQ-personen zijn al eerder veroordeeld geweest voor een misdrijf (zie tabel 6.8). Van de 88 daders hebben er 59 al antecedenten op hun naam staan (70 procent). Van deze 59 daders zijn er drie ook al veroordeeld voor een misdrijf waarbij ook sprake was van discriminatie van seksuele gerichtheid. Tabel 6.8: Antecedenten van daders met slachtoffers van geweld tegen LHBTQ-personen Totaal Nee Ja Waarvan eerder voor discriminatie seksuele gerichtheid Onbekend14

N 88 22 59 3 4

% 100 25 70 3 5

Bron: Strafdossiers OM, bewerking Risbo

Klein deel van de geweldsincidenten tegen LHBTQ-personen is expliciet religieus gemotiveerd Van 76 van de 88 daders (86 procent) valt niet op te maken of zij een religie aanhangen. Een klein deel van deze respondenten geeft aan wel religieus te zijn opgevoed, maar het is niet duidelijk of religie nog een grote rol speelt in hun leven en of dit een factor speelde bij het plegen van LHBTQ-gerelateerd geweld. Twaalf van de 88 daders (14 procent) geven aan een religie te belijden. Het betreft vijf personen die katholiek zijn, vier moslims en drie personen met een andere (vermoedelijk) christelijke achtergrond. De daders met een christelijke en katholieke achtergrond behoren relatief vaak tot een oudere leeftijdsgroep dan gemiddeld. Deze daders geven in de verhoren bijvoorbeeld aan dat zij fysieke uitingen van homoseksualiteit afkeuren. Bij geweldsincidenten waarbij de dader een religieuze achtergrond heeft, is de aanleiding van het conflict relatief vaak een uiting van affectie tussen twee mensen van hetzelfde geslacht waarbij de dader een discriminerende opmerking maakt. In sommige gevallen spreken daders zich in het openbaar uit tegen LHBTQ-personen of -opvattingen omdat zij zich hiertoe vanuit hun religie verplicht voelen. Dit soort voorbeelden uit de strafdossiers hebben enkel betrekking op daders die zichzelf als christen beschouwen.

Uit een aantal verhoren komt naar voren dat deze verdachten hun religie boven de grondwet stellen. Zo benoemen zij hun interpretatie van het geloof belangrijker te vinden dan het verbod op discriminatie. Zij tonen dan ook weinig berouw over de incidenten en de kans op lijkt recidive lijkt groot.

Negativiteit tegenover LHBTQ-personen en -uitingen Uit een deel van de gesprekken met de daders kan opgemaakt worden hoe zij staan tegenover homoseksualiteit en/of LHBTQ-personen in het algemeen. Van de 88 verdachten geven negen openlijk toe dat zij niet-heteroseksualiteit afwijzen. Dit betreft veelal dezelfde daders die aangeven religieus te zijn. Tegelijkertijd is er een groep van veertien daders (16 procent) die aangeeft geen probleem te

14

Bij vier dossiers was het vanwege technische redenen niet mogelijk om inzage te krijgen in de justitiële documentatie.

60

Over de daders hebben met LHBTQ-personen. Bij deze daders betreft het relatief vaak incidenten waarbij sprake is van verbaal geweld. Bij een deel van deze daders lijkt er sprake van sociaalwenselijke antwoorden. Zo komen de daden niet overeen met de verklaringen die achteraf gegeven worden. Er zijn verschillende daders die homoseksuele mannen uitschelden, bespugen of slaan, ogenschijnlijk enkel vanwege het feit dat zij homoseksueel zijn. Bij een groot aantal verhoren willen de daders overigens niet ingaan op hun houding ten opzichte LHBTQ-personen en -uitingen. Dit geldt voor 54 daders (61 procent).

Daders zijn vaak (vermoedelijk) heteroseksueel, maar niet uitsluitend Bij 26 procent van de daders (23 van de 88) komt duidelijk naar voren dat zij zelf heteroseksueel zijn. In 62 gevallen blijft dit onduidelijk. Op basis van indirecte uitlatingen tijdens het verhoor bestaat het vermoeden dat het overgrote deel van deze daders zichzelf als heteroseksueel identificeert. Zo zien we dat daders die zich als niet heteroseksueel beschouwen, dit als argument gebruiken om te weerleggen dat zij discriminerend zouden handelen. Drie van de 88 daders geven aan dat zij zelf biseksueel zijn. Het betreft mannen die zowel op vrouwen als mannen vallen. Daders die zelf biseksueel zijn, geven achteraf aan spijt te hebben van hun handelen en waren onder invloed tijdens het misdrijf.

Daders hebben vaak een kwetsbare positie Er is veel onderzoek (zie kader) gedaan naar factoren die een positieve of negatieve impact hebben op de kans om in je leven in aanraking te komen met de politie. Op basis van de bevindingen uit de literatuur is gekeken naar de aanwezigheid van beschermende en risicofactoren in het leven van de daders die in dit onderzoek naar voren zijn gekomen.

Servaas et al. (2021) hebben in een literatuuroverzicht een overzicht gegeven van de verschillende soorten bescherm- en risicofactoren bij het plegen van geweld verdeeld naar verschillende domeinen. Het gaat hierbij om de domeinen persoonlijke factoren, familiefactoren, school- en werk gerelateerde factoren en omgevingsfactoren. Genoemde beschermende factoren zijn: een hoge intelligentie, de aanwezigheid van steun, autoratieve controle en controle over het eigen gedrag. De lijst met risicofactoren bestaat onder andere uit het hebben van antecedenten, depressie, suïcidale gedachten, gedragsstoornissen, geloven in de code van de straat, omgaan met delinquente leeftijdsgenoten, verstoorde familiestructuren, slechte familieomstandigheden, het onderdeel zijn van een gang, slechte huisvesting, de aanwezigheid van ongecontroleerde peergroepen, hoge mobiliteit van inwoners, armoede en ongelijkheid. Voor de domeinen school en werk zijn weinig recente studies gevonden. Servaas et al. (2021) benoemen dat werkeloos zijn en criminaliteit wel samengaan, maar dat causaliteit hierbij niet vastgesteld kon worden. Het kan ook zijn dat iemand door zijn criminele gedrag geen werk meer kan vinden. Voor de invloed van school is nog minder gevonden. Lage cijfers op jongere leeftijd geven een zwak verband voor criminaliteit op latere leeftijd.

Bij 67 van de 88 daders (76 procent) waren er algemene risicofactoren aanwezig die de kans op het vertonen van crimineel gedrag vergroten. De meest aanwezige risicofactor betreft het hebben van antecedenten, eerder zagen we al dat 66 personen antecedenten op hun naam hebben staan. Andere gevonden risicofactoren betreffen het hebben van een stoornis: een aantal daders geeft aan een autistische of gedragsstoornis te hebben. Hierdoor hebben zij moeite om hun gedrag te controleren, zo geven zij aan. Deze daders wonen vaak niet thuis maar via begeleid wonen. In veel van deze gevallen 61

Richten op de regenboog is er ook sprake van een moeilijke thuissituatie waarbij zij opgegroeid zijn binnen gebroken gezinnen. Andere daders vertellen over hun opvoeding en de moeizame jeugd die zij ervaren hebben. Soms wordt dit gebruikt om te verklaren waarom ze in het verleden in aanraking zijn gekomen met de politie, verslaafd zijn (geweest) of waarom zij gebruik maken van hulpverlening. Een relatief groot deel van de jonge en minderjarige verdachten is onderdeel van een groep en hangt rond op straat. Vaak is er sprake van een combinatie van aanwezige risicofactoren. Ondanks dat het in de literatuur niet duidelijk is of het hebben van werk en cijfers op school sterk verband houden, zijn dit wel zaken die relatief veelvuldig voorkomen in de dossiers. Een groot deel van de verdachten heeft geen vaste baan. Zij hebben vaak of een onregelmatige baan waar ze niet helemaal van kunnen rondkomen, of leven van een uitkering. Een groot deel van de minderjarige en jongvolwassen daders woont nog thuis bij de ouders. Uit de verhoren waarin het opleidingsniveau wordt benoemd, het betreft vaak schoolgaande daders, komt naar voren dat deze daders veelal op vmbo-/mbo-niveau onderwijs volgen en daar niet goed presteren.

Hoewel niet met zekerheid de sociaaleconomische positie vastgesteld kan worden op basis van de dossiers, wijzen de verhalen van de verdachten en contextuele factoren in de richting dat zij relatief vaak een kwetsbare sociaaleconomische positie hebben. Beschermende factoren zijn in veel beperktere mate aanwezig onder daders van geweld tegen LHBTQpersonen. We hebben deze bij 38 daders (43 procent) waargenomen. Het is mogelijk dat bij daders zowel beschermende als risicofactoren aanwezig zijn. Beschermende factoren die zijn gevonden betreffen bijvoorbeeld het hebben van een vaste baan, stabiele thuissituatie, (vermoeden van) hoge intelligentie op basis van onderwijsniveau en het gebruik kunnen maken van sociale steun. Er lijken geen duidelijke verbanden te zijn tussen de aanwezigheid van risico- en beschermende factoren in combinatie met andere achtergrondkenmerken zoals leeftijd of herkomst.

Onder invloed Iets minder dan een derde van de daders (27 personen, 31 procent) is (vermoedelijk) onder invloed wanneer zij het misdrijf plegen. Het gaat om gevallen waarbij daders toegeven onder invloed te zijn of waarbij het sterke vermoeden bestaat op basis van getuigenverklaringen of politieobservaties. In de meeste van deze gevallen gaat het om alcoholgebruik. Het aantal casussen waarbij sprake was van (vermoedelijk) drugsgebruik is zeer beperkt.

6.4 Bevindingen aan de hand van de onderzoeksvragen In dit hoofdstuk is gekeken naar de kenmerken daders van LHBTQ-gerelateerde geweldsdelicten. De uitkomsten zijn gebaseerd op de 88 dossiers en evenveel daders. Deze 88 dossiers hebben betrekking op 70 unieke incidenten. Dit komt doordat er binnen achttien dossiers meerdere daders bij hetzelfde incident betrokken waren. Naast de persoonskenmerken van de daders, is in dit hoofdstuk ook gekeken naar de incidentkenmerken en naar de sociale context van daders.

62

Over de daders De uitkomsten uit dit hoofdstuk worden gebruikt om een antwoord te geven op onderstaande onderzoeksvragen • •

Wat zijn de achtergrondkenmerken van daders die betrokken zijn bij de verschillende categorieën van geweld tegen LHBTQ-personen? Welke motieven kunnen aan de verschillende dadertypes worden toegeschreven?

Daarnaast geven de uitkomsten een breder beeld van de manier waarop het geweld plaatsvindt. Om die reden wordt ook een antwoord gegeven op de vraag: • Welke vormen van geweld tegen LHBTQ-personen kunnen worden onderscheiden? Hieronder worden deze vragen beantwoord. Wat zijn de achtergrondkenmerken van daders die betrokken zijn bij de verschillende categorieën van geweld tegen LHBTQ-personen? In de strafdossiers is een aantal achtergrondkenmerken zoals leeftijd, nationaliteit en geslacht van de daders opgenomen. Uit de analyse komt naar voren dat bijna alle plegers van geweld tegen LHBTQpersonen man zijn (95 procent). Net als de slachtoffers zijn de daders ook vaak jongvolwassen: één op de drie daders van LHBTQ-gerelateerd geweld is tussen de 18 en 25 jaar oud, nog een derde is tussen de 26 en 35 jaar oud. Veel van de plegers van geweld tegen LHBTQ-personen (70 procent) zijn al eerder veroordeeld geweest voor een misdrijf. In veel onderzoeken naar LHBTQ-geweld wordt gekeken naar de migratieachtergrond van verdachten. De migratieachtergrond van verdachten valt niet uit de dossiers op te maken, maar wel is de nationaliteit van de verdachte bekend. Nationaliteit hebben we daarom gebruikt als proxy van migratieachtergrond. De helft (50 procent) van de plegers heeft de Nederlandse nationaliteit.

Iets minder dan een op de vijf plegers (18 procent) heeft zowel de Nederlandse en/of Marokkaanse nationaliteit. De groep daders met een Marokkaanse nationaliteit is relatief jong: zes van de zestien daders is minderjarig en vier zijn er tussen de 18 en 25 jaar. Een klein deel (twaalf van de 88) van de daders geeft expliciet aan een religie te belijden. Het betreft vijf personen die katholiek zijn, vier moslims en drie personen met een andere (vermoedelijk) christelijke achtergrond. De daders met een christelijke en katholieke achtergrond behoren relatief vaak tot een oudere leeftijdsgroep dan gemiddeld. Bij veel van de daders die een religie aanhangen, spelen de religieuze overtuigingen een rol bij het incident. Er is ook gekeken naar de seksuele gerichtheid van daders. Bij een kwart van de daders komt duidelijk naar voren dat zij zelf heteroseksueel zijn. In een groot deel van de gevallen blijft dit onduidelijk, maar bestaat op basis van indirecte uitlatingen tijdens het verhoor het vermoeden dat ook het overgrote deel van deze daders zichzelf als heteroseksueel identificeert. Uit een deel van de gesprekken met de daders kan opgemaakt worden hoe zij staan tegenover homoseksualiteit en/of LHBTQ-personen in het algemeen. Van de 88 verdachten geven negen openlijk toe dat zij niet-heteroseksualiteit afwijzen. Veel van deze daders geven aan religieus te zijn.

Tegelijkertijd is er een groep van veertien daders, die relatief vaak betrokken is bij incidenten met verbaal geweld, die aangeeft geen probleem te hebben met LHBTQ-personen. Het kan hier gaan om sociaalwenselijke antwoorden.

63

Richten op de regenboog Hoewel niet met zekerheid de sociaaleconomische positie vastgesteld kan worden op basis van de dossiers, wijzen de verhalen van de verdachten en contextuele factoren erop dat zij relatief vaak een kwetsbare sociaaleconomische positie hebben. Vanuit onderzoek is bekend dat bepaalde algemene risicofactoren een positieve of negatieve impact kunnen hebben op de kans om in je leven in aanraking te komen met de politie. Bij driekwart van de daders uit het huidige onderzoek waren zulke algemene risicofactoren aanwezig. Het gaat hier vooral om het hebben antecedenten (67 daders). Vaak is er sprake van een combinatie van aanwezige risicofactoren. Zo wordt door daders het hebben van een (gedrags)stoornis genoemd, een moeilijke jeugd/opvoeding, en het rondhangen in groepen op straat (vooral onder jongeren). Een groot deel van de verdachten heeft geen vaste baan, kan moeilijk rondkomen en/of leeft van een uitkering. Van de minderjarige en jongvolwassen daders woont een groot deel nog thuis bij de ouders. Er bestaan ook beschermende factoren die de kans zouden verkleinen dat men in aanraking komt met de politie. Deze factoren zijn in veel beperktere mate aanwezig onder daders van geweld tegen LHBTQ-personen (38 daders, 43 procent).

Welke motieven kunnen aan de verschillende dadertypes worden toegeschreven? Uit de strafdossiers wordt vaak duidelijk wat de aanleiding was van een incident. Dit betekent echter niet dat het motief altijd duidelijk wordt. Bij 38 van de 70 verdachten is onduidelijk wat hun motief was. Het grootste deel van de daders waarbij wel duidelijk is wat hun motief is, geeft aan dat zij een afkeer hebben van LHBTQ-uitingen. Bijvoorbeeld vanuit hun religieuze overtuiging of ideeën over gender in de samenleving. Voor het grootste deel van de daders geldt echter dat zij achteraf niet precies weten waarom ze geweld hebben gepleegd. Veel van deze daders geven aan niks te hebben tegen LHBTQ-personen. Zij geven bijvoorbeeld aan in het heetst van het moment te hebben gescholden. Dit is vaak het geval bij incidenten waarbij een opstootje ontstaat dat aanvankelijk niet gerelateerd is aan een LHBTQ-uiting. De aanleiding van de incidenten gaat over (de context van) de situatie die ertoe leidde dat de dader gewelddadig ging handelen. De meest voorkomende aanleidingen van geweld in de strafdossiers zijn fysieke uitingen (14 procent) of het gedrag of de kleding van de slachtoffers die (in de ogen van de dader) een uiting zijn van een seksuele gerichtheid of genderexpressie die afwijkt van de (hetero)norm (20 procent).

Met een fysieke uiting kan gedacht worden aan twee personen van hetzelfde geslacht die hand in hand lopen of affectie naar elkaar tonen. Voorbeelden van gedrag en kleding zijn het dragen van (vermeende) vrouwelijke kleding door mannen, de manier van bewegen en praten. In 17 procent van de casussen zien we dat er geweld plaatsvindt waarbij de dader bekend is met de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van het slachtoffer en bij 19 procent van de incidenten neemt de dader aanstoot aan de seksuele gerichtheid van het slachtoffer wanneer dit duidelijk wordt tijdens een situatie. Bij een kleiner aantal dossiers is een uiting op sociale media de aanleiding voor geweld tegen LHBTQ-personen (10 procent). Welke vormen van geweld tegen LHBTQ-personen kunnen worden onderscheiden? In eerdere hoofdstukken is gekeken naar wat voor soort geweld slachtoffers van LHBTQ-geweld meemaken. In dit hoofdstuk is naar kenmerken van het geweld en de modus operandi van daders om de vormen van geweld verder te duiden. Ongeveer de helft van de 88 daders van geweld tegen LHBTQ-personen handelde alleen, de andere helft als onderdeel van een groep. In het overgrote deel van de strafzaken (78 procent) kennen de dader(s) en slachtoffer(s) elkaar niet. In veel van deze gevallen gaat het om personen die elkaar op 64

Over de daders straat of een andere openbare gelegenheid tegenkomen. Iets minder dan een derde van de daders is (vermoedelijk) onder invloed wanneer zij het misdrijf plegen. In de meeste van deze gevallen gaat het om alcoholgebruik. De meeste daders worden vervolgd voor eenvoudige belediging (wetsartikel 266 van strafrecht, 39 procent van de vervolgingen). Bij deze casussen is er sprake van verbaal geweld (schelden) soms in combinatie met fysiek geweld. Bij iets meer dan een kwart van de vervolgingen is er sprake van mishandeling (wetsartikel 300 van strafrecht). Bij deze gevallen gaat het veelal om mishandeling van mensen in de openbare ruimte, bijvoorbeeld voor een supermarkt, op straat na het uitgaan of in een park. Uit de dossiers blijkt dat in bijna 70 procent van de gevallen de dader een taakstraf (43 procent) of boete (26 procent) krijgt voor het delict. In iets meer dan tien procent van gevallen wordt de dader tot gevangenisstraf veroordeeld. Dit betreft de misdrijven waarbij er sprake was van fysiek geweld/mishandeling en/of een combinatie van feiten.

Discussie In dit onderzoek is gekeken naar verdeelde daders van LHBTQ-gerelateerd geweld. Dit verschilt met veel andere onderzoeken waarbij vaak gekeken wordt naar verdachten. Hierdoor kunnen in dit onderzoek met zekerheid een uitspraken worden gedaan over de daders. Vanwege het relatief kleine aantal bekeken dossiers over een periode van vijf jaar is het nodig om de uitkomsten in een breder perspectief te plaatsen. Over de kenmerken van daders Bijna alle daders van geweld tegen LHBTQ-personen in dit onderzoek zijn man (95 procent). Dit komt overeen met zowel de politieregistraties (zie paragraaf 4.2) en ander onderzoek naar LHBTQ-geweld (De Gooijer et al., 2021; Van San & De Boom, 2006). De vraag is in hoeverre dit uniek is voor dit soort geweld. Ook verdachten van geweld in het algemeen zijn vaker man dan vrouw (Beke et al., 2001; Lünneman & Bruinsma, 2005; Naeyé, 2009). Echter, wanneer gekeken wordt naar alle criminaliteit in Nederland dan is het percentage mannelijke plegers van LHBTQ-geweld hoger dan gemiddeld. Bij alle vormen van criminaliteit is 83 procent man en 17 procent vrouw (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023a). Daders van LHBTQ-gerelateerd geweld lijken, in vergelijking met criminaliteit in het algemeen, bovengemiddeld vaak mannen te zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=1ea4aa19-30e7-4865-b3a6-8b811e6e0d23