CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb001805] Aanvraag Regeling van werkzaamheden Lansink - Bastemeijer en van Wifferen over bespreking onderzoek WODC over daders van geweld tegen LHBTQ-personen voor

Commissie Bestuur, Organisatie, Financiën en Veiligheid (2022 - 2026) 28 maart 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Regeling van werkzaamheden42.334 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Aan de variabele nationaliteit kan niet te veel waarde gehecht worden bij de verklaring voor geweld tegen LHBTQ-personen. Het percentage Nederlandse daders en daders met een migratieachtergrond komt grotendeels overeen met verdachtencijfers van alle criminaliteit in Nederland. Van alle 158.290 verdachten in 2022 heeft 46 procent Nederlandse nationaliteit en 54 procent een migratieachtergrond (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023b). Ook is bekend dat jongeren over het algemeen vaker verdacht zijn van misdrijven dan ouderen en dat de demografische opbouw van migrantengroepen vaak een relatief groot percentage jongeren kent (Bovenkerk & Fokkema, 2015; Junger-Tas, 2001). Bovendien bestaan er risicofactoren die verband houden met de kwetsbare sociaaleconomische positie waar mensen met een migratieachtergrond bovengemiddeld vaak in verkeren (Huijnk & Kessels, 2016). Over de motieven Uit de dossiers komt niet altijd duidelijk naar voren wat de motieven waren voor het plegen van geweld tegen LHBTQ-personen. Het meest voorkomende motief vormt afwijzing van LHBTQgerelateerde uitingen. In onderzoek van Van Lisdonk (2018) wordt een deel van de LHBTQgerelateerde agressie verklaard doordat uitingen van LHBTQ-zijn de heteronormatieve kaders in 65

Richten op de regenboog twijfel zouden trekken. Een deel van de mensen die zich met deze kaders identificeert zou hier slecht mee om kunnen gaan en dit zien als een (on)bewuste aanval op de heersende normen en waarden. Jewell en Morrison (2012) concluderen dat heteroseksuele mannen een sterkere emotionele reactie hebben op LHBTQ dan heteroseksuele vrouwen, ook als beide negatieve implicatie attitudes richting LHBTQ hebben en hun gedrag als ‘abnormaal’ beschouwen. In ander onderzoek (Act4Respect, 2019) worden verschillende risicofactoren benoemd die de kans vergroten dat iemand pleger wordt van geweld vanwege gender. Daarin lijken traditionele en/of stereotype opvattingen over mannelijkheid, gender en rollenpatronen een rol te spelen. De motieven van de daders uit de strafdossiers lijken daarmee aan te sluiten aan de uitkomsten uit de literatuur. Het lijkt er daarmee op dat afkeer van LHBTQ-uitingen, zowel fysiek als gedragingen, een belangrijke rol spelen bij een deel van het geweld. Bij een klein deel van de daders uit de strafdossiers lijken religieuze overtuigingen een rol te spelen. Religieuze overtuigingen en/of sterke morele overtuigingen worden normaal gezien als een beschermende factor die de kans om in aanraking te komen met de politie vanwege een geweldsdelict zou verkleinen (Servaas et al., 2021). Dit gaat alleen niet op bij geweld tegen LHBTQ-personen.

Keuzenkamp & Kuyper (2013) concludeerden dat praktiserend religieuzen vaker een negatieve houding hebben ten opzichte van homoseksualiteit. Een deel hiervan heeft een niet-westerse migratieachtergrond. Jewel & Morrison (2012) beschrijven dat homonegativiteit voor religieuze mensen onderdeel kan zijn van het kunnen uitdragen van hun persoonlijke waarden. Afgezet tegenover de religiositeit in Nederland, kan gesteld worden dat religieuze personen niet oververtegenwoordigd zijn in geweld tegen LHBTQ-personen. In 2019 was 46 procent van de Nederlanders van 15 jaar of ouder gelovig (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2020). Dit percentage is onder verdachten van LHBTQ-gerelateerd geweld met 14 procent veel kleiner. Echter dient hierbij de kanttekening gemaakt te worden dat van veel daders niet bekend is of zij zich als gelovig identificeren omdat zij daar geen uitspreken over doen. Feit blijft dat het aantal onderzochte geweldsincidenten waarbij religie expliciet een rol speelt beperkt is. Over de aanleiding van de geweldsincidenten Veel geweld tegen LHBTQ-personen vindt plaats doordat een dader reageert op een fysieke uiting (14 procent) of het gedrag of de kleding die (in de ogen van de dader) een uiting zijn van een seksuele gerichtheid of genderexpressie die afwijkt van de (hetero)norm (20 procent).

Deze aanleiding komt overeen met wat Van Lisdonk (2018) concludeert over de aanleiding van geweld tegen LHBTQpersonen. Zij stelt dat het afwijken van de gendernorm de belangrijkste reden is. Daarbij zouden mannen zwaarder afgerekend worden op vrouwelijk gedrag dan vrouwen die afwijken van de gendernorm (Baams et al., 2013). Ook transgender personen die merkbaar transgender zijn, zouden bovengemiddeld geweld meemaken vanwege het voorkomen (Motmans et al., 2015). Over de modus operandi en andere kenmerken In de LHBT-monitor (Huijnk et al., 2022) wordt benoemd dat plegers die bij geweldsincidenten betrokken zijn, in veel gevallen een bekende van het slachtoffer zijn: dit geldt voor 44 procent van de geweldsdelicten tegen homoseksuele en lesbische personen en voor 49 procent van de geweldsdelicten tegen biseksuele personen. In deze gevallen gaat het vooral om bekenden uit de buurt of bekenden van werk of studie. Dit geldt in ook voor geweldpleging in het algemeen. Ruim vier op de tien slachtoffers van geweldsdelicten in het algemeen kent de dader (Akkermans et al., 2022). De uitkomsten van dit onderzoek schetsen een ander beeld. Een mogelijke verklaring hiervoor kan zijn dat dit een registratiekwestie is.

Het is bijvoorbeeld niet duidelijk of bij huiselijk geweld waarbij LHBTQ-personen betrokken zijn de seksuele gerichtheid of genderidentiteit een rol speelt en zo ja, of dit in de ten laste legging terugkomt. 66

Over de daders

Verschillende onderzoeken beschrijven hoe alcohol- en drugsgebruik een risicofactor vormen voor het plegen van geweldsdelicten (Bieleman, et al., 1998; Budd, 2003; Scribner et al., 1995). Onderzoek van Bieleman et al. (1998) toont aan dat er samenhang bestaat tussen specifieke vormen van geweld en alcohol. Uit dat onderzoek blijkt dat daders waarbij alcohol van invloed is geweest op hun handelen relatief vaak jong en man zijn. Veel van de daders die onder invloed zijn en geweld plegen, hebben antecedenten op hun naam die vaak betrekking hebben op eerdere geweldsdelicten (Bruinsma et al., 2008). Het aantal onderzochte strafdossiers in dit onderzoek is te klein degelijke uitspraken te kunnen doen.

67

7.

Daderprofielen In dit hoofdstuk worden verschillende daderprofielen omschreven. We hebben de eerdere beschrijvingen van slachtoffers, soorten geweld en daders samengebracht om deze daderprofielen te kunnen samenstellen. Vanuit de strafdossiers zijn de volgende vier daderprofielen geïdentificeerd: • • • •

Afkeer van LHBTQ Schelden als reflex Groepsagressie Grappen 'ten koste van'

Bij het opstellen van deze profielen zijn data uit de strafdossiers als uitgangspunt genomen. Hierbij hebben we op verschillende aspecten gelet. Voor de analyse is een kwalitatieve, niet representatieve methode gekozen. Bij het opstellen van de daderprofielen is een werkwijze gehanteerd waarbij eerst drie verschillende onderzoekers, onafhankelijk van elkaar alle data hebben bekeken. In het bijzonder is gekeken naar de uitgebreide omschrijvingen van de incidenten en de verklaringen van de daders over hun handelen. Op basis van deze analyse hebben de onderzoekers hun eigen bevindingen genoteerd. Op basis van de uitkomsten uit deze analyse is een werkwijze vastgesteld om tot de profielen te komen. Allereerst hebben we gekeken naar de motivatie volgens de daders. Wat was volgens hen de reden waarom ze hun misdaden begingen? Sommige daders verklaren bijvoorbeeld dat ze handelden vanwege afkeer van seksuele gerichtheid of genderexpressie die afwijkt van de heteronorm, of dat ze hun acties beschouwden als grappen zonder zich ervan bewust te zijn dat ze als discriminerend kunnen worden opgevat. Echter, het blijkt dat veel daders geen verklaring geven voor hun daden. Sommigen zwijgen tijdens verhoren of weten zelf niet precies waarom ze tot hun daden zijn gekomen. Wanneer dit het geval was, is gekeken naar de verklaringen van slachtoffers over de motieven.

De motieven van de daders ligt ten grondslag aan het profiel ‘uit afkeer tegen LHBTQ’. Wanneer er weinig duidelijkheid was over de motieven van daders, zijn incident- en contextuele kenmerken van de incidenten gebruikt om tot een categorisering te komen. Zoals of het incident individueel of in een groep plaatsvond, of dat de daders van tevoren op de hoogte waren van de seksuele gerichtheid van de slachtoffers. Dit is in het bijzonder het geval voor het profiel ‘groepsagressie’. Daarbij is gekeken naar de kenmerken: leeftijd, het aantal daders en persoonskenmerken van de daders. De profielen ‘schelden uit reflex’ en ‘grappen ten koste van’ zijn gebaseerd op en combinatie van verklaringen van de daders, slachtoffers en incidentkenmerken. In de literatuur is vervolgens onderzocht in hoeverre de gevonden profielen aansluiten bij wat er al bekend is in wetenschappelijke literatuur over daderprofielen en in hoeverre de profielen uniek lijken te zijn voor geweld tegen LHBTQ-personen.

69

Richten op de regenboog In tabel 6.1 is een overzicht van de daders naar daderprofiel weergegeven. In totaal konden 76 van de 88 daders worden ingedeeld in een van de onderscheiden daderprofielen.15 De grootste groep bestaat uit daders die geweld hebben gepleegd vanuit een (vermeende) afkeer tegen LHBTQ-personen of -opvattingen. Dat geldt voor bijna één op de drie van de onderzochte dossiers. Ongeveer kwart van de daders valt onder het daderprofiel ‘Schelden als reflex’ (28 procent). Hetzelfde geldt voor het daderprofiel 'Groepsagressie' (25 procent). De kleinste groep bestaat uit daders in de categorie 'Grappen 'ten koste van''. Tabel 6.1: Daders naar daderprofiel Totaal Afkeer van LHBTQ Schelden als ‘reflex’ Groepsagressie ‘Grappen’ ten koste van Anders

N

%

88 26 21 20 9 12

100 30 24 23 10 14

Bron: Strafdossiers OM, bewerking Risbo

In de volgende paragrafen schetsen we per profiel een beeld van de daders. Voor de schets is gebruik gemaakt van kenmerken die in de vorige hoofdstukken zijn behandeld. Deze zijn uitgesplitst naar daderprofielen. De in de profielen besproken achtergrondkenmerken zijn bijlage 7 per profiel weergegeven. Bij de bespreking van elk profiel zijn fictieve voorbeelden toegevoegd, geïnspireerd op situaties die binnen de strafdossiers aan de orde zijn gekomen, ter illustratie van de daderprofielen. Tot slot is het goed om te beseffen dat de profielen enkele archetypen bevatten, maar dat de praktijk vaak minder zwart-wit is. Profielen kunnen overlappen of elkaar zelfs versterken: ‘schelden als ‘reflex’’ of ‘‘grappen’ ten koste van’ kunnen bijvoorbeeld voorafgaan aan groepsagressie. De lezer dient zich ervan bewust te zijn dat de hierna geschetste profielen deels interpretaties zijn. Daar waar mogelijk wordt getoond in hoeverre deze profielen overeenkomen met eerder onderzoek naar daderprofielen van geweldplegers. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op de herkenbaarheid van deze profielen vanuit het perspectief van LHBTIQ-belangenverenigingen.

7.1 Afkeer van LHBTQ De grootste groep bestaat uit daders die uitspreken of waarvan aannemelijk is dat zij een afkeer hebben tegen LHBTQ-personen of -opvattingen. Bij deze daders lijken uitingen van LHBTQ-zijn, waarbij wordt afgeweken van de heteronorm, opgevat te worden als aanval op traditionele normen en waarden en de inrichting van de samenleving. De strafdossiers bevatten 26 personen (30 procent van alle daders) die tot deze dadergroep kunnen worden gerekend.

15

De analyse van de strafdossiers heeft in totaal 88 verdachten opgeleverd. Ruim 86 procent van de daders (76 personen) kon in een daderprofiel geplaatst worden. In twaalf gevallen waren daders niet tot een profiel in te delen.

70

Daderprofielen

Persoons- en sociale kenmerken • Man • 25-36 jaar • Vermoedelijk heteroseksueel • Relatief vaak religieus (katholiek/protestants/islamitisch) • Traditionele opvattingen over seksualiteit • Een deel is een verward persoon en/of dakloze • Heeft een lage sociaal economische positie (uitkeringsafhankelijk/ laagbetaald) • Verleden met zorgdiensten • Heeft antecedenten (soms voor vergelijkbare discriminatiefeiten) • Weinig beschermende factoren aanwezig

Incidentkenmerken • Neemt aanstoot aan uitingen van LHBTQ (fysiek en gedrag) • Keurt gedrag openlijk af (geen controle over eigen gedrag) • Handelt solo • Ziet LHBTQ als (impliciete) aanval op de heteronormatieve waarden • Fysiek en verbaal geweld • In de openbare ruimte

Waar slaan daders op aan? Het aanstoot nemen aan uitingen van LHBTQ is voor deze daders de aanleiding om geweld te plegen tegen LHBTQ-personen. De aanleiding manifesteert zich vaak in de vorm van fysieke genegenheid tussen twee personen, zoals hand in hand lopen op straat. Soms is er sprake van een combinatie van gedragingen of uiterlijkheden zoals in het fictieve voorbeeld naar voren komt. Daarnaast gebeurt het vaak binnen deze dadergroep dat de seksuele gerichtheid van het slachtoffer bekend is bij de dader, en dit dient als motivatie voor de aanval. Dit kan ook plaatsvinden via online media, waar discussies ontstaan over de rechten van LHBTQ-personen, wat door de dader vanuit hun levensovertuiging wordt afgewezen op een manier die strafbaar is. In vergelijking met de andere daderprofielgroepen zijn personen die tot dit profiel behoren vaker religieus. Ruim een kwart geeft aan gelovig te zijn, waarbij de meeste katholiek zijn. Ze motiveren en verdedigen hun daden vaak op basis van hun religieuze overtuigingen. Een ander deel van de daders is niet expliciet religieus, maar lijken traditionele opvattingen te hebben over seksualiteit en de rol van het gezin in de maatschappij. Voor dit deel van de daders lijken uitingen van LHBTQ een (onbewuste) aanval op hun normen en waarden, die zij moeilijk kunnen verdragen.

Deze daders zijn zelf (vermoedelijk) heteroseksueel, hoewel uit de dossiers niet duidelijk wordt wat hun huishoudsamenstelling is. Het complexe aan deze categorie is dat daders niet altijd aangeven dat ze iemand aanvielen vanwege een afkeer van LHBTQ-uitingen. Sommige daders zijn hier wel openhartig over. Zo hebben meerdere daders aangegeven dat ze het ‘walgelijk’ vinden om twee mannen samen te zien. Anderen hebben aangegeven dat ze geloven dat god de vrouw voor de man heeft geschapen en dat het niet natuurlijk is voor twee mannen om een relatie te hebben. Dit wordt soms ook aangevuld met opmerkingen zoals dat het strafbaar zou moeten zijn dat twee mannen samen zijn en dat god dit niet zou willen. Niet alle daders zijn echter even duidelijk over hun overtuigingen. Een deel van dit profiel is ook gebaseerd op aangiftes en ooggetuigenverklaringen, waarin het voorkomt dat een slachtoffer bijvoorbeeld meldt dat een dader voorafgaand aan het incident al opmerkingen maakte over hoe walgelijk homoseksualiteit zou zijn. Bij een deel van de daders die tot dit profiel wordt gerekend, hebben slachtoffers verklaard dat er geen enkele aanleiding was voor de aanval, behalve dat zij bijvoorbeeld met hun partner gearmd over straat liepen na het uitgaan. De slachtoffers gaven aan dat er geen enkele interactie had plaatsgevonden voorafgaand aan het incident.

Een voorbeeld hiervan is een homostel dat op straat 71

Richten op de regenboog van achteren wordt aangevallen na het uitgaan. Voorafgaand aan de aanval hadden ze alleen scheldwoorden gehoord en er werd op de grond gespuugd op het moment dat zij langsliepen. Fictief voorbeeld daderprofiel ‘Afkeer van LHBTQ’, gebaseerd op strafdossiers Op een zonnige dag loopt een homoseksueel stel hand in hand door de stad. Op een gegeven moment geven ze elkaar ook een kus. Een voorbijganger ziet dit gebeuren en begint beledigende opmerkingen naar het stel te maken, waarbij hij onder andere zegt dat homoseksualiteit een zonde is volgens zijn geloof. Het stel probeert de situatie te de-escaleren en geeft aan dat homoseksualiteit in Nederland normaal is. De verdachte neemt aan deze opmerking alleen nog maar meer aanstoot en zegt dat de wet van god hoger staat dan de Nederlandse wet en hij zich aan die leefregels houdt. Volgens de verdachte is het verschrikkelijk dat homoseksualiteit wordt toegestaan. Het stel besluit na deze opmerkingen weg te lopen, ook omdat de dader maar blijft schreeuwen en dreigend overkomt. Een eindje verderop komen ze een paar agenten tegen op straat en houden hun verhaal tegen hen. Deze gaan met de melding aan de slag en houden de verdachte aan.

Achtergrond van de daders: De groep daders die vanuit hun levensovertuiging handelt, bestaat voor het grootste gedeelte uit mannen in de leeftijd van 26-35 jaar, wat iets ouder is dan de gemiddelde dader. Zoals eerder vermeld, zijn zij vermoedelijk heteroseksueel. Ongeveer de helft van de daders behorende tot dit profiel heeft de Nederlandse nationaliteit. De overige daders zijn gelijkelijk verdeeld over de groepen Nederlands/Marokkaanse, Midden- en OostEuropa, Surinaams/Curaçao en statushouders. In een derde van de gevallen is het slachtoffer bekend bij de dader. De daders die handelen vanuit hun levensovertuiging hebben vaak al antecedenten op hun naam staan. Zij hebben verschillende soorten antecedenten op hun naam staan, variërend van geweld en diefstal tot rijden onder invloed. Een deel van de daders is eerder veroordeeld voor discriminatie vanwege seksuele gerichtheid of gender. Bij een relatief groot deel van de daders zijn risicofactoren aanwezig en zijn beschermende factoren beperkt aanwezig. Veel van de daders hebben geen stabiel leven. Ze hebben geen vast werk, zijn dakloos (geweest) en hebben relatief vaak contact met hulpverlening, bijvoorbeeld vanwege mentale problemen of verslaving. Over het algemeen kan gesteld worden dat zij een kwetsbare sociaaleconomische positie hebben. Bij een op de vijf daders was tijdens de confrontatie alcohol in het spel.

Wat voor soort geweld, waar en wanneer? Twee derde van de daders maakt zich bij dit daderprofiel schuldig aan fysiek geweld. De overige gevallen bestaan uit het plegen van verbaal geweld, zoals beledigingen. Een meerderheid van de incidenten vond plaats in de openbare ruimte van straat of park. Van de overige incidenten komt geweld in de huiselijke sfeer het vaakst voor. Het is vooral in de middag of nacht dat geweldsdaden zich voordoen.

72

Daderprofielen

7.2 Schelden als ‘reflex’ De op één na vaakst voorkomende groep betreft daders waarbij het geweld zich uit doordat er wordt gescholden met discriminerende woorden tegen LHBTQ-personen. De strafdossiers bevatten 21 personen (24 procent van de daders) die tot deze dadergroep kunnen worden gerekend. Persoons- en sociale kenmerken • Man • 18-35 jaar • Nederlandse nationaliteit / NederlandseMarokkaanse nationaliteit • Heeft antecedenten (voor ander soort feiten) • Laag opgeleid, kwetsbare sociaaleconomische positie • Vindt schelden tegen/met LHBTQ normaal

Incidentkenmerken • Aanvankelijk aanleiding conflict is niet gerelateerd aan LHBTQ-uiting • LHBTQ wordt erbij gehaald na escalatie • Verbaal geweld, soms escalerend in fysiek geweld • Slachtoffer kan zowel een bekende als onbekende van dader zijn • Vindt plaats in de openbare ruimte en huiselijke sfeer

Waar slaan daders op aan? Binnen dit daderprofiel bestaat de grootste groep uit voorvallen waarbij de aanleiding vaak niets te maken heeft met de seksuele gerichtheid, en het onduidelijk is waarom er bijvoorbeeld met 'homo' wordt gescholden (zie fictief voorbeeld). In de praktijk zijn er grofweg twee soorten incidenten binnen dit profiel die verband houden met of de dader en het slachtoffer elkaar kennen. Wanneer de dader en het slachtoffer elkaar niet kennen, ontstaat vaak een conflict dat niet gerelateerd is aan de seksuele gerichtheid. Er kan bijvoorbeeld een opstootje ontstaan tijdens een huisfeest waarbij de dader en het slachtoffer met elkaar in conflict raken. In deze gevallen begint de dader vaak te schelden met 'homo', hoewel hij vaak niet (expliciet) weet dat het slachtoffer LHBTQ is. Het slachtoffer voelt zich hier echter door gekwetst en doet aangifte. In sommige gevallen denkt de dader dat het slachtoffer homo is op basis van uiterlijke kenmerken of gedrag, terwijl dit soms achteraf niet het geval blijkt te zijn. In de gevallen waarin de dader het slachtoffer kent, is hij bekend met de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van het slachtoffer. Op het moment dat de dader en het slachtoffer verwikkeld raken in een conflict, lijkt het voor de dader gemakkelijk om dit als scheldwoord te gebruiken.

Dit kan bijvoorbeeld gebeuren wanneer een man een andere man uitscheldt omdat zijn dochter gepest wordt en hij vindt dat de andere man niet goed heeft gehandeld. Of in een familieruzie over een ander nietgerelateerd onderwerp. In deze gevallen escaleert de ruzie en wordt de seksuele gerichtheid van het slachtoffer 'erbij gehaald' om extra te kwetsen, zo lijkt het.

73

Richten op de regenboog Tijdens de verhoren geven de daders achteraf vaak aan dat ze niets tegen LHBTQ-personen hebben en dat ze dingen hebben gezegd uit impuls. In sommige gevallen hebben ze spijt en kunnen ze niet aangeven waarom ze discriminerende uitingen hebben gedaan. De daders lijken zelf weinig stil te staan bij de mate waarin hun woorden anderen kunnen kwetsen en dat deze uitingen strafbaar zijn. Het lijkt erop dat deze personen schelden met een van de heteronorm afwijkende seksuele gerichtheid of genderidentiteit als normaal beschouwen. Mogelijk hebben ze weinig contact met LHBTQ-personen. Een deel van de daders geeft echter wel aan dat ze LHBTQ-familieleden of -vrienden hebben. Fictief voorbeeld daderprofiel ‘Schelden als ‘reflex’’, gebaseerd op strafdossiers Het is een drukke avond in het centrum. In een kroeg komen twee mannen in een verhitte discussie terecht. De ene man had de ander een duw gegeven om erlangs te kunnen. Dit leidde tot een opstootje tussen de twee mannen. Deze discussie lijkt steeds verder te escaleren: de man die de duw gaf begint het slachtoffer uit te schelden voor ‘homo’. Het slachtoffer is ook homoseksueel. Hoewel zijn seksualiteit verder niks met de discussie en de duw had te maken, voelt het slachtoffer zich hierdoor extra gekwetst. Uiteindelijk komen medewerkers uit de kroeg tussenbeide en gaan de twee mannen ieder hun eigen weg.

Het slachtoffer kan voor de rest niet meer van zijn avond genieten en besluit naar huis te gaan. De volgende dag besluit het slachtoffer officieel aangifte in te dienen bij de politie, omdat hij er klaar mee is dat zijn seksuele gerichtheid als scheldwoord gebruikt wordt.

Achtergrondkenmerken van daders: Zeventien van de negentien daders met dit daderprofiel zijn tussen de 18 en 35 jaar. De grootste groep bestaat uit daders met de Nederlandse nationaliteit, gevolgd door daders die de Nederlands/Marokkaanse nationaliteit hebben. In een derde van de gevallen is het slachtoffer een bekende van de dader. Voor vrijwel alle daders geldt dat zij al eerder in aanraking zijn geweest met justitie. In sommige gevallen was dit jaren geleden, voor andere ook recent nog. De daders zijn relatief vaak laagopgeleid en werken in arbeidsintensieve beroepen zoals de bouwsector, bijvoorbeeld als ZZP’er. Zij hebben het financieel niet breed maar over het algemeen wel een stabiel bestaan.

Wat voor soort geweld, waar en wanneer? Bij dit daderprofiel is de meest voorkomende geweldsvorm -vanzelfsprekend- verbaal geweld. Maar soms gaat het ook gepaard met fysiek geweld. Incidenten vinden in de meerderheid van de gevallen plaats in de openbare ruimte (straat, park, in het verkeer). Daarnaast komt het regelmatig voor in de huiselijke sfeer. Dit is ook af te leiden uit de bevinding dat bij deze groep dader en slachtoffer redelijk vaak bekenden van elkaar zijn. De meeste incidenten vinden plaats in de middag.

74

Daderprofielen

7.3 Groepsagressie Daders die tot dit profiel behoren, plegen geweld tegen LHBTQ-personen als onderdeel van een groep. Achttien daders uit de strafdossiers kunnen tot deze groep kunnen worden gerekend. Persoons- en sociale kenmerken • Man • Jonge daders (minderjarig en <25 jaar) • Nederlandse en Nederlands-/Marokkaans • Relatief vaak al in beeld geweest bij politie • Schoolgaand/studerend • Lid van groep hangjongeren / problematische jongeren groep

Incidentkenmerken • Jongeren in een groep • Meerdere daders • Fysiek geweld • Pestgedrag • Geweld zonder aanleiding • In het openbaar en het OV • Reactie op heteronorm afwijkend gedrag

Waar slaan daders op aan? Daders die tot deze groep behoren zijn vaak onderdeel van een groep hangjongeren. Zij houden zich op in parkjes of op straat en komen daar hun slachtoffer(s) tegen. De aanleiding voor geweld heeft binnen deze dadergroep veelal te maken met het zichtbaar zijn als (vermeend) LHBTQ-persoon. Ook binnen dit profiel kan onderscheid gemaakt worden naar daders die hun slachtoffer(s) wel of niet kennen. In de gevallen dat de daders en slachtoffers elkaar wel kennen, is er vaak sprake van pestgedrag dat escaleert. In veel van deze gevallen is er sprake van een jongen die de groep kent van school. De jongen kleed en/of gedraagt zich anders. Soms is bekend dat de jongere tot een LHBTQgroep behoort. In andere gevallen is dit een aanname. Het pestgedrag op school escaleert op een gegeven moment op een openbare plek of in het openbaar vervoer waar de groep en het slachtoffer elkaar per toeval tegen komen. In de gevallen dat de dader(s) en het slachtoffer elkaar niet kennen, is er vaak sprake van een conflict waarbij vanuit de groep gescholden wordt naar een LHBTQ-stel dat bijvoorbeeld hand in hand loopt. Vaak zien we dat de slachtoffers niet accepteren dat ze uitgescholden worden en zeggen zij iets terug. Vervolgens vindt er escalatie plaats en kan er fysiek geweld plaatsvinden in de vorm van mishandeling waarbij de groep zich tegen de slachtoffers keert.

Fictief voorbeeld daderprofiel ‘Groepsagressie’, gebaseerd op strafdossiers Op hun vrije middag loopt een homoseksueel stel samen door het park. Ze lopen hand in hand en naderen een groep jongeren die verderop op een bankje zitten. Het zijn vijf jongens van tussen de zestien en achttien jaar oud. De jongeren merken het stel op en een van hen begint met een opmerking over dat hij homoseksualiteit maar vies vindt. De andere jongens moeten hierom lachen. Eén van de andere jongens begint naar het stel te roepen dat wat zij doen walgelijk is en dat ze uit het park moeten verdwijnen. Het stel probeert in eerste instantie de jongens te negeren en loopt strak voor zich uit kijkend langs hen heen. De jongens willen graag een reactie en staan daarom op nadat het stel voorbij is gelopen. Eén van de jongens pakt een steen van de grond en gooit deze in de richting van het stel. Eén van de twee mannen wordt geraakt en draait zich om. Hij vraagt aan de jongen waar hij denkt mee bezig te zijn. Daarop begint een aantal van hen nog meer te schelden en gooien de anderen ook een paar stenen. Het stel besluit daarop om snel door te lopen. Een eindje verder komen ze een agent tegen aan wie zijn hun verhaal doen. Deze vraagt of de mannen aangifte willen doen. Dat willen ze en doen ze.

In sommige zaken is de seksuele gerichtheid, genderexpressie of genderidentiteit niet de directe aanleiding voor het geweld. In één van de zaken was het voor een groot deel van de daders ook 75

Richten op de regenboog helemaal niet bekend dat het om homoseksuele mannen ging. Een van hun vrienden had een stel mannen op straat gevolgd en hen al eerder aangesproken en vervolgens zijn vrienden gebeld om te zeggen dat hij werd aangevallen door de slachtoffers. De vrienden kwamen daarop naar hem toe en gingen in gevecht met de groep. In een andere zaak was het gesprek tussen de groep daders en de slachtoffers eerst wel over de seksuele gerichtheid van de slachtoffers gegaan, maar zei ondertussen één van de daders tegen de ander dat de slachtoffers zijn moeder hadden beledigd en viel hij hen daarom aan, waarop de rest van de daders hem bijviel. Bij nagenoeg alle dossiers waarbij de dader(s) tot dit profiel behoren, opereert de dader niet alleen maar zijn er meerdere daders bij het incident betrokken.

Achtergrondkenmerken van daders: Daders die tot deze groep behoren zijn bijna allemaal jonger dan 25 jaar. Een meerderheid daarvan is minderjarig (jonger dan 18 jaar). Kijken we naar de nationaliteit, dan bestaat de grootste groep uit personen met de Nederlandse nationaliteit, gevolgd door personen met een Nederlands/Marokkaanse nationaliteit. In vrijwel alle gevallen waren slachtoffers en daders onbekenden van elkaar. Opvallend is dat ook van deze jonge groep daders, een groot gedeelte al in beeld is geweest bij de politie. Meestal vanwege diefstal, straatroof of eerdere geweldsdelicten. Op het moment dat dit soort daders bij de politie verhoord worden, geven ze vaak aan geen enkel probleem te hebben met homoseksualiteit. Veel van de jongeren weigeren echter mee te werken aan het verhoor en geven geen antwoord op de vragen.

Wat voor soort geweld, waar en wanneer? Bij groepsagressie maken daders zich vooral schuldig aan fysiek geweld. Voorbeelden zijn het gooien van voorwerpen (zie het fictieve voorbeeld), slaan, schoppen of spugen. Verbaal en materieel geweld komen in de door ons onderzochte strafdossiers veel minder voor bij dit daderprofiel. Geweldplegingen vinden vrijwel allemaal plaats in de openbare ruimte van straat of park en spelen zich in de meeste gevallen af in de middag.

7.4 Grappen ‘ten koste van’ Het laatste profiel heeft betrekking op personen die denken een grap te kunnen maken ten koste van LHBTQ-personen. Dit profiel wijkt op veel fronten af van de andere profielen. De resultaten dienen echter met voorzichtigheid geïnterpreteerd te worden omdat het profiel gebaseerd is op slecht drie casussen waarin negen daders betrokken zijn Persoons- en sociale kenmerken • Man • Heteroseksueel • Nederlandse nationaliteit • Geen strafblad • Hoger opgeleid/stabiel leven • Spijt van incident • Weinig risico- veel beschermende factoren aanwezig

76

Incidentkenmerken • Materieel / verbaal geweld • In groepsverband • Tegen LHBTQ in algemeen • Niet sensitief voor LHBTQ • Vastgelegd op sociale media • Maken van een statement / voor een publiek • Daders kennen slachtoffer niet persoonlijk

Daderprofielen

Waar slaan daders op aan? De acties van de daders die tot dit profiel behoren zijn vaak op zijn zachtst gezegd onhandig en zijn gepleegd door een groep mannen die geen oog heeft voor de uitwerking van hun acties. Zelf denken zij een leuke grap te maken, maar zij hebben niet door dat dit ten koste gaat van LHBTQ-personen en dat dit als kwetsend wordt ervaren. Het is in de meeste gevallen niet duidelijk wat precies de trigger is geweest waarom daders hun ‘grappige’ opmerkingen hebben gemaakt. Uit het fictieve voorbeeld valt op te maken dat dit te maken kan hebben met uiterlijke kenmerken, maar dat hoeft niet het geval te zijn. In sommige gevallen worden er fysieke LHBTQ-symbolen vernield en is het geweld niet op een persoon gericht. In ander gevallen komt het voor dat de daders bekend zijn met het slachtoffer en vindt er belediging plaats via sociale media. Sociale media lijken daarmee een rol te spelen in dit soort zaken. De twee zaken die in groepsverband zijn gepleegd zijn beide verspreid via (regionale) media en social media en bij de derde zaak vond het hele incident op (toen nog) Twitter plaats. Tijdens de verhoren geven alle daders aan dat het als grap bedoeld te hebben en ze zich niet bewust ervan zijn geweest dat dit strafbaar is.

Fictief voorbeeld daderprofiel ‘Grappen ‘ten koste van’’, gebaseerd op strafdossiers Vanwege Pride Maand wordt in Rotterdam een festival georganiseerd op het plein onder de Erasmusbrug. Een groep vrienden is op ditzelfde moment in Rotterdam aanwezig voor een vriendenweekend. Ze zijn zich van tevoren niet bewust van het festival tot ze de Erasmusbrug oversteken. Een van hen wijst de rest op het festival dat beneden gaande is. De mannen hebben eerder al op een terras gezeten, zijn al een beetje onder de invloed en beginnen grappen te maken over de dragqueens op het podium en over de overige bezoekers. Door de alcohol spreken de mannen luid en kunnen mensen in de omgeving goed horen dat bij de grappen in wordt gegaan op stereotypes en negatieve generalisaties. Een paar mensen die onderweg zijn naar het festival horen de opmerkingen ook en voelen zich beledigd. Op het moment dat ze binnen zijn bij het festival zien ze de mannen nog steeds vanaf de brug naar beneden kijken. Hierop stappen ze naar de organisatie van het evenement en vertellen daar wat ze eerder gehoord hebben. De organisatie schakelt vervolgens de politie in. De politie opent een onderzoek. De mannen worden later vervolgd vanwege groepsbelediging. Tijdens hun verhoor betuigen ze allemaal spijt te hebben van hun opmerkingen.

Ze geven aan dat ze niet doorhadden dat hun opmerkingen zo kwalijk waren en dat ze mensen hier mee konden kwetsen.

Achtergrondkenmerken van daders De leeftijd van de negen daders varieert. Er zijn zowel studerende daders als personen van middelbare leeftijd. Wat betreft de nationaliteit bestaat deze groep volledig uit personen met de Nederlandse nationaliteit. In alle gevallen waren slachtoffers onbekenden van de daders. Bijna alle daders zijn niet eerder in contact gekomen met justitie en hebben geen strafblad. Twee van de drie zaken in deze categorie zijn in groepsverband gepleegd waarbij er het vermoeden is dat zij onder invloed waren van drank of drugs. De daders staan er niet bij stil dat wat zij doen als discriminerend kan worden ervaren. Zij betuigen achteraf spijt, en zeggen tijdens het verhoor geen probleem te hebben met LHBTQpersonen en familie en/of vrienden te hebben die tot de LHBTQ-gemeenschap behoren. Dit is niet bij alle daders het geval. Eén van de daders gaf in zijn verhoor aan dat hij niet begreep waarom hij vervolgd werd en gaf aan het onzin te vinden. Deze persoon vond zijn gedrag onder de vrijheid van meningsuiting vallen. Dit terwijl de andere daders in deze zaak wel lieten weten spijt te hebben. Bij deze daders valt op dat er bijna geen risicofactoren zijn aangetroffen die de kans vergroten om met justitie in aanraking te komen.

77

Richten op de regenboog

Wat voor soort geweld, waar en wanneer? Uit analyse van de drie strafdossiers komt naar voren dat grappen ten koste van LHBTQ-personen voorkomen in de vorm van materieel, verbaal en online geweld. Incidenten in deze categorie vinden plaats in de openbare ruimte (straat, park) of online.

7.5 Conclusie De besproken daderprofielen in dit hoofdstuk zijn niet direct te herleiden naar een onderzoeksvraag, maar hebben als doel om overzicht en structurering aan de brengen aan de tot nu toe besproken resultaten. Bij het opstellen van deze profielen zijn data uit de strafdossiers als uitgangspunt genomen. Hierbij hebben we op verschillende aspecten gelet (motivatie daders, contextuele factoren en achtergrondkenmerken), op basis waarvan er vier daderprofielen kunnen worden onderscheiden, namelijk: 1) 2) 3) 4)

Afkeer tegen LHBTQ (26 daders, 30 procent) Schelden als reflex (21 daders, 24 procent) Groepsagressie (20 daders, 23 procent) Grappen 'ten koste van' (9 daders, 10 procent)

De lezer dient zich ervan bewust te zijn dat de geschetste profielen deels interpretaties zijn. Afkeer tegen LHBTQ De grootste groep bestaat uit daders die vanuit een (vermeende) afkeer tegen LHBTQ-personen geweld begaan (26 daders). Bij deze daders lijken uitingen van LHBTQ, waarbij wordt afgeweken van de heteronorm, opgevat te worden als een ‘aanval’ op traditionele normen en waarden en de inrichting van de samenleving. In vergelijking met de andere daderprofielgroepen zijn personen die tot dit profiel behoren relatief vaker religieus. Deze daders motiveren en verdedigen hun daden vaak op basis van hun religieuze overtuigingen. Voor een ander deel van de daders binnen dit profiel lijken uitingen van LHBTQ een (onbewuste) aanval op hun eigen normen en waarden en hun traditionele opvattingen over seksualiteit. Deze daders bestaan vooral uit mannen in de leeftijdscategorie van 26 tot en met 35 jaar, wat iets ouder is dan de gemiddelde dader. Zij zijn vermoedelijk heteroseksueel. Ongeveer de helft van de daders behorende tot dit profiel heeft de Nederlandse nationaliteit. In een meerderheid (twee derde) van de gevallen is de dader onbekend met het slachtoffer. De daders die handelen vanuit hun levensovertuiging hebben vaak al antecedenten op hun naam staan, bijvoorbeeld een veroordeling voor discriminatie vanwege seksuele gerichtheid.

Bij een relatief groot deel van de daders zijn risicofactoren aanwezig (geen vast werk, dakloos geweest, mentale problemen en verslaving) en hebben zij beperkt beschermende factoren. Over het algemeen kan gesteld worden dat zij een kwetsbare sociaaleconomische positie hebben. Een groot deel van de daders maakt zich bij dit daderprofiel schuldig aan fysiek geweld. Een meerderheid van de incidenten vond plaats in de openbare ruimte. Het is vooral in de middag of nacht dat geweldsdaden zich voordoen.

78

Daderprofielen Schelden als reflex De op één na vaakst voorkomende groep betreft daders waarbij het geweld zich uit doordat er wordt gescholden met discriminerende woorden tegen LHBTQ-personen (21 personen). Binnen dit profiel zijn er grofweg twee soorten incidenten die verband houden met of de dader en het slachtoffer elkaar kennen. Wanneer de dader en het slachtoffer elkaar niet kennen, ontstaat vaak een conflict dat niet gerelateerd is aan de seksuele gerichtheid, waarbij bijvoorbeeld een incident kan zorgen voor het schelden met ‘homo’. De dader weet vaak niet dat het slachtoffer LHBTQ is. In de gevallen waarin de dader het slachtoffer kent, is hij bekend met de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van het slachtoffer. Als de dader en het slachtoffer betrokken zijn bij een ander conflict, lijkt het voor de dader gemakkelijk om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van het slachtoffer als scheldwoord te gebruiken. Tijdens de verhoren geven de daders achteraf vaak aan dat ze niets tegen LHBTQ-personen hebben en dat impulsief hebben gehandeld. Het lijkt erop dat deze personen schelden met bijvoorbeeld homoseksualiteit als normaal beschouwen. De meeste daders zitten in de leeftijdsgroep 18 tot en met 35 jaar. De grootste groep bestaat uit daders met de Nederlandse nationaliteit, gevolgd door daders die de Nederlands/Marokkaanse nationaliteit hebben.

In een derde van de gevallen is het slachtoffer een bekende van de dader. Voor vrijwel alle daders geldt dat zij al eerder in aanraking zijn geweest met justitie. De daders zijn relatief vaak laagopgeleid, zij hebben het financieel niet breed maar over het algemeen wel een stabiel bestaan. Bij dit daderprofiel is de meest voorkomende geweldsvorm -vanzelfsprekend- verbaal geweld. Incidenten vinden in de meerderheid van de gevallen plaats in de openbare ruimte en regelmatig in de huiselijke sfeer. De meeste incidenten vinden plaats in de middag. Groepsagressie Daders die tot dit profiel behoren, plegen geweld tegen LHBTQ-personen als onderdeel van een groep (20 daders), vaak een groep ‘hangjongeren’. Bij nagenoeg alle dossiers waarbij de dader(s) tot dit profiel behoren, is er sprake van meerdere daders die geweld plegen. De aanleiding voor geweld heeft binnen deze dadergroep veelal te maken met het zichtbaar zijn als (vermeend) LHBTQ-persoon. Daders die tot deze groep behoren zijn bijna allemaal jonger dan 25 jaar en vaak minderjarig. Gekeken naar de nationaliteit, dan bestaat de grootste groep uit personen met de Nederlandse nationaliteit, gevolgd door personen met een Nederlands-/Marokkaanse nationaliteit. In vrijwel alle gevallen waren slachtoffers en daders onbekenden van elkaar.

Opvallend is dat ook van deze jonge groep daders, een groot gedeelte al in beeld is geweest bij de politie vanwege andere delicten. Bij groepsagressie maken daders zich naast verbaal geweld relatief vaak schuldig aan fysiek geweld, zoals het gooien van voorwerpen, slaan, schoppen en spuwen. Geweldplegingen vinden vrijwel allemaal plaats in de openbare ruimte van straat of park en spelen zich in de meeste gevallen af in de middag. Grappen ‘ten koste van’ Het laatste profiel heeft betrekking op personen die denken een grap te kunnen maken ten koste van LHBTQ-personen (9 personen). Dit profiel dient met voorzichtigheid geïnterpreteerd te worden vanwege het kleine aantal daders waarop het gebaseerd is. Personen binnen dit daderprofiel denken een leuke grap te maken, maar hebben niet door dat dit ten koste gaat van LHBTQ-personen en dat

79

Richten op de regenboog dit als kwetsend kan worden ervaren. Het is in de meeste gevallen niet duidelijk wat precies de trigger is geweest waarom daders hun ‘grappige’ opmerkingen hebben gemaakt. Er zijn zowel studerende daders als personen van middelbare leeftijd. Deze groep bestaat volledig uit personen met de Nederlandse nationaliteit. In alle gevallen waren slachtoffers onbekenden van de daders. Bijna alle daders zijn niet eerder in contact gekomen met justitie en heeft geen strafblad. De daders staan er niet bij stil dat wat zij doen als beledigend /discriminerend kan worden ervaren. Zij betuigen achteraf spijt, en zeggen tijdens het verhoor geen probleem te hebben met LHBTI-personen. Uit analyse van de drie strafdossiers komt naar voren dat grappen ten koste van LHBTQ-personen voorkomen in de vorm van materieel, verbaal en online geweld. Incidenten in deze categorie vinden plaats in de openbare ruimte of online.

Discussie Het is de vraag in hoeverre de geformuleerde profielen afwijken van (profielen van) geweldplegers in het algemeen. In de literatuur over geweldplegers zijn verschillende overeenkomsten te zien voor de profielen ‘afkeer van LHBTQ’, ‘schelden als reflex’ en ‘groepsagressie’. Het profiel afkeer van LHBTQ heeft deels overeenkomsten met het dadertype: ‘de verwarde’ van Bakker et al. (2010). Binnen dit profiel gaat het ook om daders vanaf een jaar of 25. De voorgeschiedenis met zorgverlening, zwakke sociaaleconomische positie en psychische problematiek die het profiel kenmerken toont overeenkomsten met het profiel ‘afkeer van LHBTQ’. Het geweld typeert zich vooral door de onvoorspelbaarheid ervan. Het kan daarbij gaan om verbaal en fysiek geweld. Het profiel ‘schelden als reflex’ vertoont enkele kenmerken met het dadertype ‘het korte lontje’ (Bakker et al.,2010). Overeenkomstige kenmerken die vanuit de literatuur worden omschreven zijn diversiteit qua leeftijd en een lage frustratiedrempel. De daders in het aangehaalde onderzoek geven vaak zelf toe dat ze snel geïrriteerd zijn en uit hun slof kunnen schieten. In de voorbeelden die bij dit type dader worden aangehaald, worden ook regelmatig homofobe uitspraken gebruikt. Een verschil is dat bij het profiel ‘het korte lontje’ de aanleiding vaak als gering wordt gezien.

Dat komt bij ‘schelden als reflex’ ook voor, maar soms gaat het ook om zaken waarbij al een grotere voorgeschiedenis speelt. Verder gaat het in het profiel van Bakker et al. (2010) vaak om onbekenden en dat is bij het profiel ‘schelden als reflex’ juist vaker niet het geval. Daders die behoren tot het profiel ‘groepsagressie’ vertonen de meeste overeenkomsten met geweldsprofielen in het algemeen. Zo vertoont het profiel veel overeenkomsten met een eerder onderzoek naar geweld op straat (Beke et al., 2001). In dat onderzoek worden verschillende geweldsscenario’s besproken. Het scenario dat bij deze groep daders past wordt klopjacht genoemd. Hierbij grijpen meerdere daders in groepsverband de kans aan om een incident te escaleren. De groep daders is op zoek naar een aanleiding die ze vervolgens aangrijpen om geweld te plegen. De daders leggen de schuld van het geweld vaak bij de slachtoffers. Het gaat deze groep daders op het vertonen van macht, om deze macht uit te drukken richten ze zich vaak op een (beoogd) zwakker doelwit. In het geval van geweld tegen LHBTQ-personen, lijkt het op basis van de bekeken strafdossiers in veel gevallen niet eens echt om de seksuele gerichtheid, genderidentiteit of genderexpressie te gaan, maar vormt dit een excuus om een incident te veroorzaken.

Uit ander onderzoek (Bol et al., 1998) is bekend dat groepsgedrag of groepsgedragingen van invloed kunnen zijn op geweldsincidenten in de publieke ruimte. Vooral minderjarige geweldplegers komen 80

Daderprofielen sneller tot gewelddadig gedrag wanneer ze optrekken in een vriendengroep. De plicht om op te komen voor hun vrienden, de groepsdruk en het krijgen van waardering en respect spelen daarin een rol. Een deel van de incidenten gepleegd door daders behorende tot het profiel ‘groepsagressie’ speelt zich af in het openbaar vervoer. Dit profiel heeft dan ook overeenkomsten met daders van geweld in het openbaar vervoer in het algemeen. Loef et al. (2010) beschrijven dat deze groep daders als jong(er) dan achttien jaar). Ook wordt er vaker in groepsverband gehandeld en escaleert het sneller tot fysiek geweld. In de literatuur zijn er geen profielen gevonden die overeenkomsten vertonen met het profiel ‘‘grappen’ ten koste van’. Met name voor het profiel ‘groepsagressie’ valt op dat het veel overeenkomsten toont met al bestaande profielen van geweldsplegers. In die zin lijkt dit profiel breder te gelden dan voor geweld tegen LHBTQ-personen, ook omdat uit de strafdossiers het beeld ontstaat dat de aanleiding soms ondergeschikt lijkt aan het veroorzaken van een geweldsincident. Hoewel de profielen dus wellicht niet uniek lijken, wijst het wel op een maatschappelijk probleem waarin het schelden en beledigen van LHBTQ-personen als normaal wordt beschouwd. In sommige gevallen blijft het bij verbaal geweld, in andere gevallen vormt dit de opmaat voor fysiek geweld.

Voor veel daders lijkt een LHBTQ-uiting genoeg aanleiding te zijn om een grapje, opmerking of belediging te maken.

81

8.

Reflectie van LBTIQ16-belangenverenigingen en slachtoffers

8.1 Inleiding In het voorgaande zijn vier daderprofielen gepresenteerd die zijn onderscheiden na analyse van strafdossiers. De meeste van de bestudeerde strafdossiers blijkt betrekking te hebben op geweld tegen homoseksuele mannen. Dit roept de vraag op hoe dat bij de andere gemeenschappen zit. In dit hoofdstuk buigen wij ons daarom over de volgende vragen: 1. In hoeverre zijn de vier opgestelde daderprofielen ook van toepassing op geweld tegen LBTIQpersonen? 2. Waarom komt geweld tegen LBTIQ-personen zo weinig terug in de geanalyseerde strafdossiers? Ad 1. Om een beter beeld te krijgen over de herkenbaarheid van de profielen onder verschillende LBTIQgroepen is gesproken met belangenorganisaties. Hoewel het aantal gesprekken relatief beperkt is, vertegenwoordigen de belangenverenigingen een groot aantal leden en zouden zij een goed beeld moeten hebben van wat leeft binnen hun gemeenschap. In totaal is met tien personen van zes organisaties gesproken, namelijk: • • • • • •

Transgender Netwerk Nederland Nederlandse Organisatie Aseksualiteit (NOA) Nederlandse Organisatie voor Seksediversiteit (Stichting seksediversiteit in het algemeen en intersekse in het bijzonder) Bi+ COC Leiden17 COC Groningen/Drenthe

NNID,

organisatie

voor

Daarnaast is gesproken met zeven slachtoffers uit verschillende doelgroepen. Onderstaand is een korte beschrijving van de verschillende respondenten gegeven. • • • •

Biseksueel (1 respondent, begin 20) Transman (1 respondent, 18 jaar) Queer (3 respondenten: 1 queer vrouw, 26 jaar; twee queer mannen waarvan één met een vluchtelingverleden, leeftijd onbekend) Lesbisch (2 respondenten: beide tussen de 30 en 40 jaar)

Contactpersonen van de organisaties konden aangeven in hoeverre de vier opgestelde daderprofielen herkenbaar voor hen waren. De slachtofferrespondenten is gevraagd om te vertellen over negatieve ervaringen gerelateerd aan hun seksuele gerichtheid en een omschrijving te geven van daders. Deze 16

De ‘H’ is uit de afkorting weggelaten omdat via de strafdossiers al veel informatie is verzameld over daders van geweld tegen homoseksuele mannen. In dit hoofdstuk ligt de nadruk op herkenbaarheid van daderprofielen voor de andere groepen. Verder hebben bevindingen in dit hoofdstuk ook betrekking op intersekse personen. Daarom wordt in dit hoofdstuk de ‘I’ van intersekse in de afkorting vermeld. 17 Het COC is een brede belangenorganisatie die zich als LHBTI+-organisatie presenteert. Medewerkers van het COC is gevraagd te reflecteren op de uitkomsten voor alle groepen die zij vertegenwoordigen.

83

Richten op de regenboog omschrijvingen hebben wij vervolgens tegen het licht gehouden van de vier daderprofielen. In paragraaf 3.5 is een uitgebreidere verantwoording te vinden van de werkwijze tijdens de interviews. Ad 2. Voor de beantwoording van vraag 2 zijn dezelfde organisaties en slachtofferrespondenten als bij het onderwerp over daderprofielen bevraagd. De focus lag hier op de bereidheid om aangifte te doen. Dit, omdat het doen van aangifte een essentiële rol speelt: als van een gewelddaad geen aangifte wordt gedaan, dan zal deze überhaupt niet worden geregistreerd en dus ook niet leiden tot een strafdossier (dat vervolgens weer geanalyseerd kan worden op daderprofielen). In gesprekken met organisaties en slachtofferrespondenten zijn twee aan elkaar gerelateerde onderwerpen aan de orde gekomen met betrekking tot het aangifteproces, namelijk de 1) aangiftebereidheid en 2) de aangifteafhandeling en -registratie. De opbouw van dit hoofdstuk is als volgt: in de hiernavolgende paragraaf gaan we in op de herkenbaarheid van de door ons geschetste daderprofielen voor LBTIQ-organisaties en -slachtoffers. Daarna besteden wij aandacht aan de aangiftebereidheid. Dit hoofdstuk sluiten wij af met het formuleren van een aantal bevindingen aan de hand van bovenstaande vragen, aangevuld met door organisaties en slachtofferrespondenten genoemde suggesties voor beleid.

In het vervolg van dit hoofdstuk spreken we van organisaties als wij het hebben over van belangenorganisaties. Wanneer wij slachtoffers aanhalen, spreken wij van slachtofferrespondenten.

8.2 Herkenbaarheid daderprofielen Over de vier daderprofielen De vier daderprofielen die opgesteld zijn aan de hand van de strafdossiers, zijn zowel voor organisaties als slachtofferrespondenten herkenbaar. Het komt alle geïnterviewden bekend voor, zowel uit eigen ervaring als uit ervaringen van anderen, dat daders handelen vanuit levensovertuiging, schelden als reflex, groepsagressie of grappen maken ten koste van iemands seksuele geaardheid/gerichtheid. In algemene zin herkennen de respondenten dat daders mannen zijn, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen tieners en jongemannen rond de 20 die als grotere groep, en mannen van boven de 20 die vooral in kleine groepen of in hun eentje handelen. Een ander herkenningspunt is zichtbaarheid: daders reageren op uiterlijkheden en andere vormen van seksuele gerichtheid of genderexpressie (bijvoorbeeld het hand-in-hand lopen) en veel doet zich voor in de (semi-)openbare ruimte, zoals op straat, in winkelcentra, tijdens het uitgaan of in het openbaar vervoer. De organisatie Bi+ en de biseksuele slachtofferrespondent voegen hieraan toe dat er in hun gemeenschap vooral reacties komen wanneer je met iemand van hetzelfde geslacht bent. Reacties blijven echter uit als je samen bent met iemand van een ander geslacht. Een laatste punt van herkenning is afkeer vanwege LHBTQpersonen of -uitingen.

Uit de gesprekken wordt een dadergroep herkend die afkeurend lijkt te staan tegen over LHBTQ-personen of -uitingen. Naast herkenning geven organisaties en slachtofferrespondenten ook een aantal aanvullingen op de vier daderprofielen, die we per daderprofiel de revue laten passeren. We gaan ook in op geweldsincidenten die weinig terugkomen in de strafdossiers, namelijk geweld in de privésfeer.

84

Reflectie van LHBTQ-belangenverenigingen en slachtoffers Afkeer van LHBTQ Een eerste aanvulling op dit daderprofiel is dat deze niet alleen conservatief religieus (christelijk, islamitisch) of sociaal-cultureel (macho, masculien), maar ook politiek ingegeven kan zijn. Zo constateert de organisatie Bi+ dat politieke partijen aan de rechterkant van het spectrum harde en agressieve campagnes voeren (met verkeerde informatie over sekse en genderdiversiteit). Organisaties als NOA en TNN merken op dat er onder bepaalde groepen een aantal anti-transgender opvattingen en (complot)theorieën de ronde doen, zoals: ‘transpersonen zijn allemaal pedofiel’ en ‘kinderen moeten tegen hen beschermd worden’. Deze opvattingen en theorieën worden vervolgens geuit tijdens bijvoorbeeld demonstraties en verspreid via sociale media. Dit kan weer een voedingsbodem zijn voor gericht geweld tegen trans-, maar ook aseksuele personen. Dergelijke ervaringen zien wij ook terug in verhalen van slachtofferrespondenten. Zo heeft een transslachtofferrespondent op een vereniging waar hij lid van is, te maken met een jongen met een uitgesproken anti-transgender houding, die ook anderen aan zijn kant probeert te krijgen. Deze jongen riep dat “transmensen dood moeten, zodat we hun harten kunnen doneren aan mensen met hartproblemen”.

De dader en zijn vrienden op de vereniging, zijn jongens tussen de 13 en 18 jaar die de slachtofferrespondent al langer kent van de vereniging. Over het algemeen zijn het jongeren van welvarende afkomst met ‘vrij rechtse idealen’. Een andere slachtofferrespondent, biseksueel en bicultureel, is lastiggevallen door een vergelijkbaar iemand. Hij werd bewust (bijna) van zijn fiets geduwd en werd met ‘homo’ en ‘ga terug naar je eigen land’ toegeroepen door een onbekende witte, beschonken man van rond de 20, waarschijnlijk student, die korporaal gekleed was. Uit deze ervaringen is een verdere aanvulling dat daders ook tieners/jongvolwassenen kunnen zijn, waarschijnlijk afkomstig uit welvarender, hoger opgeleide milieus. Een derde aanvulling heeft betrekking op de plek waar geweld wordt gepleegd. Zo heeft de organisatie Bi+ de indruk dat bij huiselijk geweld afkeer van LHBTQ-personen kan meespelen, bijvoorbeeld gebaseerd traditionele opvattingen over seksuele gerichtheid bij de voornamelijk mannelijke daders zoals de (stief)vader. Schelden als reflex Organisaties en slachtofferrespondenten herkennen dat mensen schelden als reflex, maar dan gaat het voornamelijk om het woord ‘homo’. Dit komt volgens hen omdat het inmiddels ‘normaal’ is geworden om ‘homo’ als scheldwoord te gebruiken.

Woorden die worden geassocieerd met lesbisch, transgender, biseksueel, aseksueel of intersekse worden niet of veel minder als krachtterm uitgesproken. Groepsagressie Een COC-vertegenwoordiger merkt als verdieping op dit profiel op, dat er een trend is waar te nemen waarbij de voedingsbodem voor groepsagressie groeiende is. Wanneer zij bijvoorbeeld voorlichting op scholen geeft, dan ziet zij vaker groepjes jongens, vaak ook met een Marokkaanse of Turkse achtergrond, die heel uitgesproken anti-homo zijn. Deze jongens zeggen bijvoorbeeld dat dit in de kringen waarin zij verkeren niet geaccepteerd wordt, of dat ze 'zo’n iemand’ niet (meer) als een vriend zouden zien. En wanneer dit soort groepjes jongens met deze duidelijke mening op straat rondlopen, dan kunnen dingen al snel escaleren, aldus de COC-vertegenwoordiger. Een aanvulling op het profiel wordt gegeven door een lesbische slachtofferrespondent. Een aantal keren heeft zij te maken gehad met grensoverschrijdend gedrag door groepen mannen. Zo zat zij een 85

Richten op de regenboog keer op het terras met haar vriendin naast een groepje van vier redelijk beschonken studenten van rond de 20, die aanvankelijk niet wilden geloven dat zij lesbisch was. Toen haar vriendin even naar het toilet ging, kreeg zij seksueel getinte opmerkingen in de trant van ‘wij zijn beter in bed dan je vriendin’ en ‘je moet eens een man proberen’. Een dergelijke ervaring had zij ook op een muziekfestival. Hier ging het om een groep van zo’n negen mannen van eind twintig, die de indruk wekten veel gedronken te hebben. Grappen ten koste van Verschillende respondenten geven aan te herkennen dat er een groep is die verbaal geweld pleegt door grappen te maken over gender of seksuele gerichtheid. Zij geven daarbij wel een verschil aan. De organisatie Bi+ heeft als aanvulling op dit profiel dat bij bi+ personen de daders geen onbekenden, maar juist bekenden zijn van het slachtoffer (bijvoorbeeld collega’s). Dit kan ook haast niet anders: biseksualiteit is vaak niet zichtbaar. Iemand moet dat dus wel weten om er grappen over te kunnen maken. Eén van de lesbische respondenten verhaalt eveneens over een voorval waarbij daders bekenden waren van het slachtoffer. Het ging hier om een collega die in transitie ging van man naar vrouw en naar het werk kwam op hoge hakken.

Collega’s maakten daar onverbloemd grappen over (er werd heel luid over de afdeling geroepen: ‘daar loopt een man op hakken’) en stelden ongepaste, seksueel getinte vragen. Verder wordt door Bi+ niet herkend dat daders spijt hebben van hun grappen over biseksualiteit, omdat biseksualiteit door andere mensen vaak niet serieus wordt genomen als seksuele oriëntatie. Het gaat hier om opmerkingen van vooral monoseksuele mensen, dus zowel hetero-, als homo- en lesbische mensen. Een derde aanvulling op dit profiel, genoemd door Bi+ en NOA, is dat grappen regelmatig gemaakt worden nadat een bi- of aseksueel persoon ergens heeft verteld over zijn/haar seksuele gerichtheid, bijvoorbeeld tijdens een interview. Vervolgens worden hier op sociale media grappen over gemaakt, bijvoorbeeld dat ‘verkrachting wel zal helpen bij aseksuelen’. Dit is een ander soort sociale media gebruik zoals geschetst in het oorspronkelijke profiel. Deze had betrekking op daders die hun grappen zelf vastlegden en verspreidden via sociale media. Ongeziene daders: geweld in de privésfeer De organisaties Bi+, NOA en TNN wijzen op een groep daders die in de vier daderprofielen niet wordt genoemd, maar waar hun gemeenschappen wel mee te maken hebben, namelijk daders van geweld in de privésfeer. Dit geweld heeft verschillende verschijningsvormen.

Veelal is het seksueel gerelateerd (grensoverschrijdend gedrag) en/of fysiek of verbaal van aard. Daders zijn vaak bekenden van slachtoffers. Zo blijken volgens TNN transjongeren regelmatig zowel fysiek als mentaal mishandeld te worden, bijvoorbeeld door (stief)vaders die hun kind structureel schoppen en kleineren. TNN geeft als ander voorbeeld daders die specifiek op zoek zijn naar transpersonen om mee te daten. Tijdens de date worden ze echter plotseling gewelddadig, omdat vallen op een transpersoon innerlijke vragen en onzekerheden oproept waar iemand niet mee om kan gaan. Bi+ meldt dat bi+ personen, met name bi+ vrouwen, vaak seksueel geweld en huiselijk geweld meemaken. NOA constateert seksueel geweld tegen aseksuele personen, waarbij aseksuele slachtoffers bijvoorbeeld door hun partner tot seks worden gedwongen. Dat daders bekenden zijn van slachtoffers, zorgt er volgens Bi+, NOA en TNN voor dat er een hoge drempel is om aangifte te doen.

86

Reflectie van LHBTQ-belangenverenigingen en slachtoffers Terugdringen van geweld Tot slot is gevraagd wat er gedaan kan worden om tegen LHBTIQ-personen gericht geweld terug te dringen. Organisaties zijn hierover eensgezind: voorlichting en educatie zijn belangrijke middelen om de acceptatie van LHBTIQ-personen te vergroten en positieve sociale normen te versterken ten aanzien van de LHBTIQ-gemeenschappen. Voorlichting en educatie zouden op veel plekken gegeven kunnen worden: op scholen, bij (sport)verenigingen en instanties zoals de politie. Wat betreft de inhoud wijst NNID erop dat in de voorlichting goed uitgelegd moet worden welke (nuance)verschillen er tussen groepen zijn binnen de LHBTIQ-gemeenschap om het begrip over verschillende groepen te vergroten. NNID wil bijvoorbeeld dat intersekse personen zo laat mogelijk geopereerd worden, terwijl TNN er juist voor pleit dat transpersonen al jong in transitie kunnen gaan. TNN zou graag zien dat in educatie-activiteiten aandacht wordt besteed aan heersende culturele normen rondom mannelijkheid, genderdiversiteit en seksuele voorkeur en dat wordt uitgelegd wat consequenties van acties zijn en hoe kwetsend dit voor slachtoffers kan zijn. NNID vindt het daarom van belang dat personen uit de doelgroepen een voorname rol hebben in de ontwikkeling en uitvoering van initiatieven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=1ea4aa19-30e7-4865-b3a6-8b811e6e0d23