CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb001805] Aanvraag Regeling van werkzaamheden Lansink - Bastemeijer en van Wifferen over bespreking onderzoek WODC over daders van geweld tegen LHBTQ-personen voor

Commissie Bestuur, Organisatie, Financiën en Veiligheid (2022 - 2026) 28 maart 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Regeling van werkzaamheden42.334 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

23

Richten op de regenboog Tabel 2.1: Vormen van geweld tegen LHBTQ-personen (D’haese et al., 2014; Motmans et al, 2015) en bijbehorende voorbeelden

Geweldvorm Verbaal (online) geweld (Huijnk e.a. 2022) Fysiek geweld (Jackman, 2002; Act4Respect, 2019; Politie z.d.) Seksueel geweld (Walby et al. 2017; Stotzer 2009; Bruynooghe en Noelanders, 1998) Materieel geweld

Beschrijving Iemand (bewust of onbewust) met woorden geweld aandoen Opzettelijke ongewenste lichamelijke mishandeling, al dan niet gebruikmakend van een voorwerp, wapen of substantie Expliciete en ongewenste handelingen of gedragingen

Beschadiging of diefstal (van persoonlijke eigendommen)

Voorbeelden Beledigen, verwijten, discriminerend bejegenen, naroepen, uitschelden, uitlachen, bedreigen, intimideren, belasteren, chanteren Slaan, steken, snijden, bijten, spugen, duwen, trekken, trappen, schoppen, wurgen, verminken, vermoorden

Verkrachten, aanranden, seksueel misbruiken

Vernielen, stelen, bekladden

Naast verschijningsvormen van geweld, kan ook een onderscheid worden gemaakt naar plaatsen waar geweld zich afspeelt. Geweld doet zich zowel voor in de openbare (digitale) ruimte, denk aan geweld op straat, in het uitgangsleven of via haatberichten op sociale media, als in de privésfeer (‘achter de voordeur’). In beide domeinen manifesteert geweld zich op verschillende manieren. Wij willen hier twee soorten geweld uitlichten die betrekking hebben op de privésfeer vanwege de grote impact die deze kunnen hebben op slachtoffers, namelijk huiselijk geweld en eergerelateerd geweld. Huiselijk geweld is geweld dat plaatsvindt in de huiselijke kring van betrokkenen en verwijst naar de sociale (machts)relatie tussen het slachtoffer en de dader: slachtoffers en daders zijn bekenden van elkaar (Walby et al., 2017; Movisie, 2022). Huiselijk geweld kan verschillende vormen aannemen, zoals lichamelijk, seksueel, psychisch of materieel geweld en gericht zijn op personen van verschillende groepen. Bij sommige groepen slachtoffers blijkt vaker sprake van daders met bepaalde kenmerken of relaties met het slachtoffer. Uit onderzoek onder transpersonen komt bijvoorbeeld naar voren dat, afhankelijk van de leeftijd van het slachtoffer, (stief)vaders of (ex)partners het vaakst als dader worden genoemd (Van Oosterhout, 2019).

Eergerelateerd geweld vormt een ander cluster van geweld dat voorkomt in de privésfeer. Uit onderzoek van Movisie (2021a) blijkt dat normafwijkende seksuele oriëntatie, genderidentiteit of gedragingen aanleiding kunnen zijn tot geweld met als motief het beschermen of zuiveren van de familie-eer. In culturen waar dit plaatsvindt – Movisie noemt hier de Turkse, Koerdische, Irakese, Afghaanse, Hindoestaanse, Marokkaanse en orthodox-christelijke cultuur – is vaak sprake van afgebakende rollenpatronen tussen mannen en vrouwen. Binnen deze rolverdeling heeft de man veelal als taak om de familie-eer te beschermen. Eergerelateerd geweld wordt dan ook vaak gepleegd door mannen en kan zich in verschillende vormen voordoen, zoals opsluiting, mishandeling, verstoting, uithuwelijking, gedwongen deelname aan ‘genezingsprocessen’, heropvoedingskampen, hormoonbehandelingen tot aan moord (eerwraak). In hetzelfde onderzoek wordt tegelijkertijd benoemd dat er weinig zicht is op de omvang van eergerelateerd geweld tegen LHBTQ-personen, omdat hier nog geen specifiek onderzoek naar is gedaan.

24

Wat is er al bekend over LHBTQ-gerelateerd geweld?

2.2 Prevalentie van geweld tegen LHBTQ-personen in Nederland In deze paragraaf gaan wij dieper in op wat er bekend is uit onderzoek de prevalentie van geweld tegen LHBTQ-personen in Nederland: in welke mate komt dit geweld voor? We plaatsen daarbij als kanttekening dat cijfers vertekend kunnen zijn vanwege het dark number-verschijnsel: incidenten die niet gemeld en daardoor niet geregistreerd worden. Dit komt zowel voor in onderzoek als in officiële registratiecijfers, met name politiecijfers. Dit laatste lijkt vooral veroorzaakt te worden door de lage aangiftebereidheid binnen de LHBTQ-gemeenschap. Veel LHBTQ-personen doen geen aangifte van geweldsincidenten, waardoor deze niet terug te vinden zijn in politiedossiers. Bovendien zouden bepaalde subgroepen binnen de LHBTQ-gemeenschap, zoals transpersonen, minder snel geneigd zijn aangifte te doen dan andere groepen. We zullen later in dit hoofdstuk terugkomen op het thema aangiftebereidheid.

Geweld tegen LHBTQ-personen in algemene zin Het meest recente beeld over geweld tegen LHBT-personen in Nederland is afkomstig uit de LHBTmonitor van het SCP (Huijnk et al., 2022). De monitor laat zien dat lesbische, homoseksuele en biseksuele personen zich vaker onveilig voelen en vaker slachtoffer worden van geweld dan heteroseksuelen. Zo gaf 11 procent van de homoseksuele respondenten en 9 procent van de biseksuele respondenten een bevestigend antwoord op de vraag of zij in de afgelopen vijf jaar te maken hadden gehad met geweldsdelicten, tegen 7 procent van de heteroseksuele respondenten. Plegers waren in veel gevallen een bekende van het slachtoffer: 42 procent van de homoseksuele en 51 procent van de biseksuele respondenten gaf aan de dader te kennen. Onderzoek van het European Union Agency for Fundamental Rights komt met vergelijkbare cijfers. Volgens dit onderzoek ligt het percentage LHBTQ-personen dat fysiek of seksueel geweld heeft meegemaakt in Nederland op 11 procent (European Union Agency for Fundamental Rights, 2020). Wat betreft geweldsvormen blijkt uit de LHBT-monitor dat LHBT-personen en heteroseksuelen in grote lijnen hetzelfde type geweld meemaken (Huijnk et al., 2022). Bij beide groepen gaat het in het merendeel van de geweldsdelicten om bedreiging (verbaal geweld). Fysieke mishandeling komt minder voor.

Een verschil is dat LHBT-personen relatief vaak slachtoffer worden van online geweld. Lesbische, homoseksuele en biseksuele respondenten ervaren significant meer online laster en stalken dan heteroseksuele respondenten. Daarbij krijgen biseksuele respondenten significant vaker te maken met online bedreigingen dan heteroseksuele respondenten. In onderzoek van Movisie (2022) is specifiek gekeken naar online seksuele intimidatie jegens LHBTQ-personen. Hieruit kwam naar voren dat van de ondervraagde vrouwen de biseksuele vrouwen met 24 procent aanzienlijk meer online seksuele intimidatie ervaren dan lesbische en heteroseksuele vrouwen (respectievelijk 9 en 6 procent). Ook bij andere vormen van geweld blijken biseksuele vrouwen vaker slachtoffer te zijn. Hierover meer in de volgende sectie. Bij de ondervraagde mannen lagen de verhoudingen anders. Van de ondervraagde mannen gaf 19 procent van de homoseksuele mannen aan te maken hebben gehad met online seksuele intimidatie, tegenover 15 procent van de biseksuele en 3 procent van de heteroseksuele mannen.

Enkele groepen zijn extra kwetsbaar Een aantal groepen uit de LHBTQ-gemeenschap lijkt bovengemiddeld groot risico te lopen slachtoffer te worden van geweld, zoals bijvoorbeeld uit onderzoek van Movisie met betrekking tot online seksuele intimidatie zichtbaar werd.

25

Richten op de regenboog In deze sectie zoomen wij in op de volgende extra kwetsbare groepen: − − − −

Jongeren Transpersonen Biseksuele vrouwen LHBTQ-uitgaanspubliek

Wij merken hierbij op dat er nog weinig bekend is over geweld tegen sommige groepen, zoals intersekse, non-binaire personen en LHBTQ-personen met een migratieachtergrond. Van deze groepen is dus ook onbekend of het groepen zijn die extra risico lopen om geweldsslachtoffer te worden. Jongeren Uit verschillende onderzoeken komt naar voren dat LHBT-jongeren een zeer kwetsbare groep vormen voor geweld onder LHBT-personen. Dit geldt zowel voor gevoelens van onveiligheid als voor slachtofferschap van geweld. Het gaat hierbij om verschillende geweldsvormen zoals seksueel en online geweld, emotionele verwaarlozing, mishandeling thuis of pestgedrag (Act4Respect, 2019; Huijnk et al., 2022). Zo worden jongeren die zich niet als man of vrouw identificeren vaker gepest in zowel het basis- als voortgezet onderwijs en worden jongeren die nog niet (zeker) weten wat hun seksuele oriëntatie is (questioning youth), vaker gepest dan heteroseksuele jongeren (Huijnk et al., 2022). Ook jongens die zich ‘meisjesachtig’ gedragen en meisjes die zich ‘jongensachtig’ gedragen ervaren meer pestgedrag dan andere jongeren (Movisie, 2021b). Transjongeren vormen een groep binnen de gemeenschap van LHBTQ-jongeren die het extra zwaar te verduren lijkt te hebben. Hierover meer in de volgende sectie. Transpersonen Transpersonen krijgen veel te maken met geweld (Movisie, 2021b).

Uit onderzoek van Van Oosterhout (2019) blijkt dat de verschillende vormen van geweld, zoals mishandeling, bedreiging en fysiek en seksueel geweld 2 tot 7 keer vaker voorkomt onder transpersonen dan bij wat bekend is over de bevolking in het algemeen. 40 procent van de respondenten maakte in het jaar voorafgaand aan het onderzoek in de huiselijke sfeer incidenten mee die regelmatig voorkwamen (psychisch geweld, lichtere vormen van fysiek geweld). Verder komt uit het onderzoek naar voren dat personen die zichtbaar transpersoon zijn een grotere kans lopen om slachtoffer te worden van fysiek geweld dan bij transpersonen bij wie dit veel minder/niet zichtbaar is. Eerdere bevindingen van onderzoek naar geweld tegen jongeren, laat onder andere zien dat 21 procent van de transjongeren voor hun zestiende jaar te maken kreeg met huiselijk geweld; ruim twee keer zo vaak als bij cisgender leeftijdsgenoten (jongeren waarvan de genderidentiteit overeenkomst met het geboortegeslacht) (Rutgers, 2017). Een vergelijkbare uitkomst wordt gevonden door Scholte et al. (2016): een op de vijf schoolgaande transpersonen die uit de kast zijn, geeft aan slachtoffer te zijn geweest van grof lichamelijk geweld. Ruim 40 procent geeft aan verbaal geweld te (hebben) ervaren. Biseksuele vrouwen Ook biseksuele vrouwen lijken extra risico te lopen slachtoffer te worden van een geweldmisdrijf.

Zo ervaren biseksuele vrouwen veel vaker geweld achter de voordeur (huiselijk geweld) dan heteroseksuele vrouwen: 21 tegenover 9 procent. (Movisie, 2022). Op het gebied van seksueel 26

Wat is er al bekend over LHBTQ-gerelateerd geweld? geweld zijn er eveneens grote verschillen. In de LHBT-monitor van het SCP wordt gesteld dat biseksuele vrouwen veelvuldig en bovengemiddeld vaak te maken hebben met verschillende vormen van seksueel geweld. Huijnk et al. (2022) benoemen dat één op de drie biseksuele vrouwen de afgelopen vijf jaar slachtoffer is geweest van fysiek seksueel geweld en bijna de helft (44 procent) is het afgelopen jaar slachtoffer geweest van ten minste één vorm van seksueel geweld. Bij lesbische vrouwen bedroeg dit aandeel (slachtoffers van ten minste één vorm van seksueel geweld) 24 procent, onder heterovrouwen 14 procent. Biseksuele vrouwen blijken vergeleken met lesbische en heteroseksuele vrouwen dus kwetsbaarder voor seksueel geweld. LHBTQ-uitgaanspubliek Geweld tegen LHBTQ-personen speelt zich deels af rond plaatsen waar mensen samenkomen, zoals homo-ontmoetingsplaatsen (Huijnk et al., 2022). Aanwezigheid bij deze gelegenheden maakt het gemakkelijker om LHBTQ-personen te identificeren, wat de hoge frequentie van geweld (mede) in deze context kan verklaren (Waldner & Berg, 2008). Ook zou alcoholgebruik ervoor zorgen dat geweld tijdens het uitgaan meer voorkomt, omdat LHBTQ-personen onder invloed kwetsbaarder overkomen en meer LHBTQ-stereotiep gedrag vertonen (Waldner & Berg, 2008).

Stereotiep of gender-nonconform gedrag, en daarmee zichtbaarheid, lijkt ook versterkt te worden bij LHBTQuitgaansgelegenheden, omdat dit gedrag binnen dit soort gelegenheden meer geaccepteerd zou zijn (Van Lisdonk, 2018). Deelname aan het uitgaansleven en aanwezigheid bij LHBTQuitgaansgelegenheden in het bijzonder zou daarmee het risico op slachtofferschap vergroten.

2.3 Plegers2 van LHBTQ-gerelateerd geweld Nu we hebben gekeken naar de prevalentie van geweld tegen LHBTQ-personen en welke groepen extra kwetsbaar lijken, wordt het tijd om te zien wat uit de onderzoeksliteratuur bekend is over de plegers van dit soort geweld. We besteden eerst aandacht aan achtergrondkenmerken van plegers, vervolgens gaan we in op achterliggende motieven.

Achtergrondkenmerken van plegers Onderzoek wijst uit dat plegers van geweld tegen LHBTQ-personen voornamelijk mannen zijn (Van San en de Boom, 2006; Act4Respect, 2019). Zo blijkt uit onderzoek naar discriminatie van LHBTQpersonen van de European Union Agency for Fundamental Rights (2020) dat fysiek of seksueel geweld in 77 procent van de gevallen door een man werd gepleegd. Binnen de groep mannen valt verder op dat plegers vaak jonge mannen zijn tussen de 17 en 30 jaar (Act4Respect, 2019) en dat in een aantal studies wordt verwezen naar de (niet-Westerse) migratieachtergrond van plegers. De slachtoffers die voor het onderzoek van Van San & De Boom (2006) werden bevraagd, omschreven het uiterlijk van de daders in de helft van de gevallen als “buitenlands”. Dit komt overeen met andere onderzoeksbevindingen in de Amsterdamse context, die in het kader van geweld tegen LHBTIpersonen wijzen op jonge mannelijke daders met een niet-Westerse achtergrond (De Gooijer et al. 2021). Een ander achtergrondkenmerk is dat de dader vaak een bekende is van het slachtoffer. Huijnk et al. (2022) constateren dat dit het geval is bij bijna de helft van de geweldsdaden tegen LHB-personen 2

Er wordt in deze paragraaf bewust gesproken over plegers in plaats van daders. De term daders wordt meestal gebruikt voor mensen die door de rechter zijn veroordeeld. De term plegers is breder en gaat over mensen die geweld hebben gepleegd. Het gaat alleen om gedrag dat in het verleden is vertoond. Deze kwalificatie zegt niets over de identiteit van de pleger of over zijn toekomstige gedrag (De Haas, 2012).

27

Richten op de regenboog (hetzelfde geldt overigens ook voor hetero-personen). In hun onderzoek komt verder naar voren dat voor biseksuele personen de pleger vaker een bekende is dan voor lesbische/homoseksuele personen. Plegers die men kent zijn vooral bekenden uit de buurt, van werk, studie of uit andere kringen (ook hier zijn nauwelijks verschillen met hetero-personen). Familieleden en (ex-)partners worden in dit onderzoek het minst vaak als pleger genoemd. Als het specifiek over huiselijk geweld gaat, dan blijkt uit onderzoek van Van Oosterhout (2019) dat onder transjongeren (18-24 jaar) de dader in de helft van de gevallen de (stief)vader en/of (stief)moeder is. Een derde achtergrondkenmerk is de mate van religiositeit van daders. Keuzenkamp & Kuyper (2013) concluderen dat praktiserend religieuzen (gedefinieerd als mensen die minimaal eens per week een religieuze bijeenkomst bijwonen) vaker een negatieve houding hebben ten opzichte van homoseksualiteit. Overigens hoeven homo-negatieve opvattingen gebaseerd op een religieuze overtuiging niet noodzakelijk te leiden tot geweld. Deze kan daar wel een voedingsbodem voor zijn.

Achterliggende motieven Afwijken van de gendernorm kan een ‘trigger’ zijn voor geweld tegen LHBTQ-personen. Hoewel tolerantie ten opzichte van LHBTQ-personen nog altijd wordt gezien als de maatschappelijke norm en onderdeel van de Nederlandse identiteit, worden er met name vanuit de LHBTQ-gemeenschap steeds vaker vraagtekens gezet bij de vooruitstrevendheid van Nederland op het gebied van LHBTQ-rechten (Van Lisdonk, 2018). Heteroseksualiteit wordt gezien als de gebruikelijke seksuele oriëntatie en bijvoorbeeld homoseksualiteit wordt geaccepteerd zolang het de heteronormativiteit (de veronderstelling dat heteroseksualiteit de normale of natuurlijke toestand is) niet in twijfel trekt (Van Lisdonk, 2018). De Nederlandse samenleving laat zich dus kenmerken door een algemeen positieve houding ten opzichte van LHBTQ-personen waar tegelijk veel waarde wordt gehecht aan ‘normaal doen’. LHBTQ-gerelateerd geweld zou daarom vaker plaatsvinden tegen mensen die zich (waarneembaar) niet gedragen in overeenstemming met hun toegewezen/biologische geslacht: personen ervaren vooral discriminatie en geweld wanneer zij niet aan de gendernorm voldoen (Van Lisdonk, 2018).

Jongens/mannen die afwijken van de gendernorm, bijvoorbeeld door zich vrouwelijk te gedragen, worden hier harder op afgerekend en ervaren meer stigmatisering dan meisjes/vrouwen die niet aan de gendernorm voldoen (Baams et al., 2013). Deze redenering volgend is het ook niet verbazingwekkend dat transpersonen nog vaker geweld meemaken dan LHB-personen – en dan vooral degenen die ‘merkbaar’ trans zijn, bijvoorbeeld aan het begin van een eventuele transitie (Motmans et al., 2015). In grote lijnen lijkt het erop neer te komen dat hoe meer of hoe duidelijker/zichtbaarder iemand niet voldoet aan de gendernorm, hoe meer plegers ‘getriggerd’ worden om over te gaan tot ‘actie’, wat zich kan uiten in bijvoorbeeld pestgedrag of andersoortig geweld. Geweld dat gericht is op houdingen of gedragingen die afwijken van de gendernorm (lees: heteronorm) is vanuit verschillende perspectieven te verklaren. Jewel & Morrison (2012) dragen hier enkele theorieën voor aan. Deze zijn geformuleerd rondom het fenomeen homonegativiteit, maar kunnen ook worden toegepast op de LHBTQ-gemeenschap als geheel. Een eerste theorie verwijst naar het gender belief system, dat is opgebouwd uit stereotypen en verwachtingen die als passend worden beschouwd voor ‘mannen’ dan wel ‘vrouwen’. Daarnaast is het concept hegemonic masculinity van belang.

Hierin staat centraal dat dominante vormen van mannelijkheid – veelal heteroseksuele mannelijkheid – voortvloeien uit (machts)verschillen tussen mannen en tussen mannen en vrouwen, en deze tegelijkertijd in stand houden. Volgens deze theorie hebben andere (non-hegemonic) vormen van mannelijkheid, zoals homo- en transseksuele mannelijkheid, minder status omdat zij geassocieerd worden met vrouwelijkheid. Hegemonic masculinity veronderstelt hiermee ook een lagere status van vrouwen en vrouwelijkheid, vergeleken met (traditionele) mannelijkheid. Daarnaast kan geweld tegen 28

Wat is er al bekend over LHBTQ-gerelateerd geweld? LHBTQ-personen een uiting zijn van bepaalde houdingen, impliciete veronderstellingen en emoties. Zo kan het dienen als uiting van een bepaald traditioneel normen en waardenpatroon (valueexpression), wat weer gebaseerd kan zijn op een (religieuze) levensovertuiging. Het kan ook dienen als manier om erkenning en goedkeuring te krijgen van bepaalde groepen vrienden of familieleden (social-expression). Tot slot kan er sprake zijn van een defensieve functie (defense expression), waarmee plegers hun eigen gevoelens van angst en ongemak proberen te verlichten door zich gewelddadig te gedragen tegen LHBTQ-personen.

2.4 Aangiftebereidheid Een belangrijke vraag bij onderzoek naar geweld en slachtofferschap is in hoeverre LHBTQ-personen bereid zijn tot het doen van een melding of aangifte en vervolgens welke zaken ook daadwerkelijk worden opgepakt door de politie en het Openbaar Ministerie. Binnen het kader van dit onderzoek is deze vraag van belang omdat het doen van aangifte een eerste cruciale stap is in het in beeld krijgen van daders van geweld tegen LHBTQ-personen.

Lage aangiftebereidheid algemeen verschijnsel, maar erg laag voor specifieke groepen Er zijn diverse mogelijkheden om LHBTQ-gerelateerd geweld bij instanties kenbaar te maken. Men kan daarvoor terecht bij de politie, maar ook bij een antidiscriminatievoorziening (ADV), het College voor de Rechten van de Mens en bij het Meldpunt Internet Discriminatie (MiND). Bovendien probeert Roze in Blauw, het netwerk binnen de politie voor de LHBTQ-gemeenschap, de drempel voor slachtoffers te verlagen wanneer zij een melding of aangifte willen doen. Ondanks deze vele mogelijkheden is het al jaren bekend dat maar weinig LHBTQ-personen, die slachtoffer worden van geweld, aangifte doen of een melding maken van wat hen is overkomen. Dit is een algemeen verschijnsel. Uit de LHBT-monitor 2022 (Huijnk et al., 2022) blijkt bijvoorbeeld dat het merendeel van zowel LHB- als heteroseksuele personen dat te maken krijgt met geweld, geen melding doet bij de politie. Deze resultaten komen overeen met die van de vorige LHBT-monitors (Kuyper, 2017; Van Beusekom en Kuyper, 2018). Diverse onderzoeken wijzen op verschillen in de aangiftebereidheid tussen groepen LHBTQ-personen. Onder lesbische- en biseksuele vrouwen lijkt deze problematiek in versterkte mate te spelen (Movisie: 2011).

Onder homoseksuele mannen, LHBTQ-personen met een migratieachtergrond en LHBTQsekswerkers geldt dat de meldingsbereidheid extreem laag is: minder dan 10 procent doet aangifte, zelfs bij zware mishandeling (European Union Agency for Fundamental Rights, 2020). Uit een onderzoek van Van Oosterhout (2019) onder transpersonen in Nederland komt naar voren dat één op de acht incidenten (13,3 procent) wordt gemeld bij de politie. In 30 procent van de gevallen doen de bevraagde transpersonen aangifte of melding van fysiek geweld, mishandeling of bedreiging. Dit cijfer is fors lager dan gemiddeld onder de Nederlandse bevolking, waarvan bijna 60 procent aangifte of melding doet van vergelijkbare incidenten.

Verklaringen: inschatting ernst geweld, vertrouwen in politie en hobbels in de rechtsgang Er worden in de literatuur verschillende verklaringen gegeven voor de lage aangiftebereidheid onder LHBTQ-personen. Een eerste heeft te maken met de zelfinschatting van de ernst van het geweld. Slachtoffers doen in dit geval geen aangifte omdat ze het voorval niet belangrijk genoeg vinden, het geen zaak van de politie vinden of het zelf willen oplossen. Zo komt het onder lesbische- en biseksuele

29

Richten op de regenboog vrouwen regelmatig voor dat zij ervaren geweld bagatelliseren en denken dat ze alleen naar de politie kunnen wanneer ze te maken hebben gehad met zwaar fysiek geweld (Movisie, 2011). Een tweede verklaring heeft betrekking op (gebrek aan) vertrouwen in de politie. Een deel van de slachtoffers geeft aan geen vertrouwen te hebben in de afhandeling van incidenten door de politie, en om die reden geen aangifte doet (Van Oosterhout 2019). Zij zijn van mening dat aangifte “toch niets uithaalt” (Jeene & Oomes, 2009) of er toch niets aan gedaan zal worden (European Union Agency for Fundamental Rights, 2020). Ook uit de internationale literatuur blijkt dat negatieve ervaringen met politieagenten ervoor zorgen dat LHBTQ-personen wantrouwen koesteren jegens de politie en daarom niet snel geneigd zijn aangifte te doen van geweld dat hen is overkomen (European Union Agency for Fundamental Rights, 2014). Bovendien zou de politie het slachtofferschap van LHBTQpersonen vaak in twijfel trekken (Moran & Sharpe, 2004; Miles-Johnson, 2015a, 2015b). Een factor die mogelijk meespeelt bij de lage aangiftebereidheid is dat er maar in weinig gevallen tot een veroordeling wordt gekomen vanwege hobbels in de rechtsgang.

Van de 1.000 tot 1.500 meldingen en aangiftes van LHBTQ-discriminatie die er ieder jaar worden gedaan, zou slechts een heel beperkt aantal leiden tot een veroordeling (Kamphorst, 2020). Eén van de mogelijke oorzaken is het gebrek aan ervaring bij de politie om tot een goed onderbouwde aangifte te komen. Zo bestaat er een landelijke code voor LHBTI-discriminatie maar zouden agenten vaak niet weten wanneer ze die moeten toepassen. Een andere oorzaak is de wijze waarop het strafrechtsysteem is ingericht. Zo zijn discriminerende of beledigende uitlatingen op grond van iemands gerichtheid strafbaar, maar voor het plegen van geweld dat wordt ingegeven door bijvoorbeeld homohaat bestaan geen aparte strafbepalingen. Als discrimineren het uitgangspunt is, maar de verdachte doet dat via geweld, bijvoorbeeld mishandeling, dan ligt vervolging voor mishandeling vaak meer voor de hand dan vervolging voor discriminatie, aangezien mishandeling vaak eenvoudiger aan te tonen is. Overigens staat in de richtlijnen van het OM dat bij misdrijven waarbij sprake lijkt van LHBTI-discriminatie een hogere straf kan worden geëist en dat deze vorm van discriminatie niet als afzonderlijk strafbaar feit hoeft te worden bewezen.

Rechters hebben dus wel de mogelijkheid om een discriminatoir aspect mee te nemen bij het bepalen van de strafmaat, al blijkt uit de praktijk dat dit niet automatisch gebeurt (Kamphorst, 2020).

2.5 Bevindingen aan de hand van onderzoeksvragen In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van wat in de onderzoeksliteratuur bekend is over geweld tegen LHBTQ-personen in Nederland. De bevindingen vatten we samen aan de hand van de onderzoeksvragen Over de aard, prevalentie en slachtoffers van geweld tegen LHBTQ-personen: •

30

Wat is er bekend over de prevalentie van geweld tegen LHBTQ-personen in Nederland? LHBTQ-personen ervaren meer geweld dan personen die niet van de hetero- en/of gendernorm afwijken: zij voelen zich vaker onveilig en worden vaker slachtoffer van geweld. In grote lijnen zijn LHBTQ-personen en heteroseksuele personen slachtoffer van hetzelfde type geweld. In het merendeel van gevallen gaat om verbaal geweld (zoals bedreigingen) en komt fysieke geweld (zoals mishandeling) minder voor. Een verschil is dat LHBTQ-personen relatief vaak slachtoffer worden van online geweld.

Wat is er al bekend over LHBTQ-gerelateerd geweld? •

Welke vormen van geweld tegen LHBTQ-personen kunnen worden onderscheiden? Er zijn vier vormen van geweld tegen LHBTQ-personen te onderscheiden: verbaal (online) geweld, fysiek geweld, seksueel geweld en materieel geweld. Deze vormen van geweld komen zowel voor in de openbare ruimte als in de privésfeer. Uit de literatuur komen twee specifieke soorten geweld in de privésfeer naar boven: huiselijk geweld en eergerelateerd geweld.

•

Welke groepen binnen de LHBTQ-gemeenschap zijn het meest kwetsbaar voor geweld? Vier groepen binnen de LHBTQ-personen lijken extra kwetsbaar voor geweld: − Jongeren (pestgedrag, bijvoorbeeld op school) − Transpersonen (fysiek en seksueel geweld; bij transjongeren fysiek huiselijk geweld) − Biseksuele vrouwen (huiselijk geweld, seksueel geweld) − LHBTQ-uitgaanspubliek

•

In hoeverre doen LHBTQ-personen aangifte van verschillende geweldsincidenten en welke factoren zijn hierop van invloed? De bereidheid onder LHBTQ-personen om aangifte te doen (of melding te maken) van een geweldsincident is laag. Dit is echter een algemeen verschijnsel: ook heteroseksuele personen zijn weinig geneigd om aangifte te doen. Dit gezegd hebbende, blijkt er binnen specifieke groepen een opvallend lage aangiftebereid te zijn. Bijvoorbeeld onder biseksuele en lesbische vrouwen, LHBTQ-personen met een migratieachtergrond, LHBTQ-sekswerkers en transpersonen die slachtoffer zijn van fysiek geweld (mishandeling). In de literatuur worden verschillende verklaringen gegeven voor de lage aangiftebereidheid onder LHBTQ-personen: − Zelfinschatting van de ernst van het geweld (‘erg genoeg om aangifte van te doen?’) − (Gebrek aan) vertrouwen in de politie − Hobbels in de rechtsgang waardoor slechts weinig aangiftes leiden tot een daadwerkelijke veroordeling (gebrek aan afhandelingservaring bij de politie, te weinig rechtserkenning van de LHBTQ-achtergrond voor geweldsdaden).

Over de daders: •

Wat zijn de achtergrondkenmerken van daders die betrokken zijn bij de verschillende categorieën van geweld tegen LHBTQ-personen? In de literatuur wordt een aantal achtergrondkenmerken van daders van geweld tegen LHBTQpersonen genoemd. Daders zijn voornamelijk mannen, veelal in de leeftijdscategorie 17-30 jaar. Ook wordt soms verwezen naar de (niet-Westerse) migratieachtergrond van daders. Verder zijn daders vaak bekenden van slachtoffers en zijn er indicaties dat een hogere mate van religiositeit gepaard gaat met een grotere kans op daderschap.

•

Welke motieven kunnen aan de verschillende dadertypes worden toegeschreven? Afwijken van de gendernorm (lees: heteronorm) kan een ‘trigger’ zijn voor geweld tegen LHBTQ-personen. Hoe meer of hoe zichtbaarder iemand afwijkt van deze norm, hoe meer

31

Richten op de regenboog plegers ‘getriggerd’ worden om over te gaan tot ‘actie’. Uit de literatuur blijkt dat gewelddadig gedrag tegen LHBTQ-personen op verschillende manier verklaard kan worden. Zo kan het zijn oorsprong hebben in opvattingen over het onderscheid en de machtsverhouding tussen mannen en vrouwen (gender belief system, hegemonic masculinity) en/of gebaseerd zijn op a) een traditioneel normen en waardenpatroon, ingegeven door een bepaalde (religieuze) levensovertuiging (value-expression) b) de behoefte aan erkenning/ goedkeuring van vrienden of familieleden (social-expression), of c) op eigen gevoelens van angst en ongemak bij daders (defense expression).

32

3.

Onderzoeksmethoden en -verantwoording In het voorgaande hoofdstuk is besproken wat al bekend is over geweld tegen LHBTQ-personen. Voordat wordt ingegaan op de resultaten uit dit onderzoek, worden eerst de onderzoeksmethoden toegelicht. Het onderzoek is opgebouwd uit verschillende delen. De kern van het onderzoek wordt gevormd door een analyse van strafdossiers uit de periode 2017-2021. Behalve deze analyse heeft er literatuuronderzoek plaatsgevonden, is een enquête uitgezet onder LHBTQ-personen, zijn politieregistraties bekeken en zijn er gesprekken gevoerd met slachtoffers en belangenverenigingen. Hieronder worden de verschillende delen van het onderzoek verder toegelicht. We hebben daarbij gekozen voor een chronologische opbouw. Dat wil zeggen dat de methoden die het eerst besproken worden ook het eerst zijn uitgevoerd.

3.1 Literatuuronderzoek Voorafgaand aan het veldwerk en de dossieranalyse heeft er een literatuuronderzoek plaatsgevonden. Tijdens het literatuuronderzoek is gezocht in verschillende databanken naar wetenschappelijke literatuur in combinatie met praktijkonderzoek, monitors en beleidsonderzoeken. Een belangrijk startpunt van het literatuuronderzoek was de destijds pas verschenen LHBT-monitor van het SCP (Huijnk et al., 2022). Daarnaast is gekeken naar relevante studies over daders en motieven van LHBTQ-gerelateerd geweld. Behalve het uitvoeren van een online zoektocht, is er gebruik gemaakt van de sneeuwbalmethodiek waarbij is gekeken naar relevante onderzoeken in de verwijzingen binnen eerder gevonden publicaties. Bij de uitvoering van het literatuuronderzoek is ervoor gekozen om literatuur te bespreken die maximaal tien jaar oud is. Dit is gedaan omdat het maatschappelijke debat over sekse en de labels die daarvoor gehanteerd worden voortdurend aan verandering onderhevig zijn. Zo is in de loop van het laatste decennium de afkorting LHBT aangevuld met extra groepen en blijft er discussie over bestaan. Soms wordt bijvoorbeeld de LHBTQIA+-afkorting gebruikt waar ook queer, intersekse, trans, aseksuele en panseksuele personen onder vallen (NOS, 2016). In dit onderzoek hanteren wij zoals besproken in paragraaf 1.2 de afkorting LHBTQ.

De bevindingen van het literatuuronderzoek zijn besproken in hoofdstuk 2. Deze bevindingen worden in de conclusies van de hoofdstukken gebruikt om de uitkomsten uit dit onderzoek te duiden of in context te plaatsen.

33

Richten op de regenboog

3.2 Enquête onder LHBTQ-personen Het tweede deel van het onderzoek betreft een enquête onder LHBTQ-personen die is uitgezet via het COC en andere belangenverenigingen.3 De enquête had tot doel om een actueel inzicht te krijgen in de aard, omvang en context waarbinnen geweld tegen LHBTQ-personen plaatsvindt.4 In de enquête is gevraagd naar de mate waarin respondenten met geweld te maken hebben gehad, welke vormen van geweld dit betreft, binnen welke context dit heeft plaatsgevonden en naar de kenmerken van de daders. De resultaten van de enquête zijn opgenomen in bijlage 1. Vanwege het kleine aantal respondenten dienen de uitkomsten uit de enquête als indicatief beschouwd te worden. De resultaten van de enquête zijn daar waar relevant gebruikt ter ondersteuning van en/of als aanvulling op de uitkomsten van de dossieranalyse. De enquête is afgenomen tussen 17 maart 2023 en 18 april 2023. Via belangenverenigingen zijn respondenten geworven. Hiervoor is aan de belangenverenigingen gevraagd om een bericht te plaatsen op sociale media waarin leden en personen uit de gemeenschappen opgeroepen worden om deel te nemen. De enquête is door 298 personen ingevuld. De data zijn opgeschoond waarbij onvolledige deelnames uit het databestand zijn verwijderd. Hierna bleven 146 volledig ingevulde vragenlijsten over.

De gerapporteerde resultaten hebben enkel betrekking op de volledig ingevulde vragenlijsten. Deze dataset is geanalyseerd met behulp van het programma SPSS.

3.3 Heranalyse van politieregistraties Het aantal discriminatiefeiten dat door het OM in behandeling is genomen, is beperkt in vergelijking met wat er door de politie aan meldingen en aangiften wordt geregistreerd. Om een vollediger beeld te schetsen, zijn ook politieregistraties onderzocht. In de jaarrapportage Discriminatiecijfers 2021 Het maken van onderscheid kan strafbaar zijn. Burgers of organisaties kunnen daarom aangifte doen van discriminatie of een incident melden bij de politie. In het Wetboek van Strafrecht is discriminatie op vijf discriminatiegronden strafbaar gesteld, te weten: ras, geslacht, godsdienst/levensovertuiging, seksuele gerichtheid en handicap. Het merendeel van de bij de politie gemelde discriminatievormen zit ‘verborgen’ achter andere delicten (belediging, bedreiging, mishandeling, et cetera). Denk aan een mishandeling waarbij het slachtoffer doelwit was vanwege zijn huidskleur, of een vernieling aan het huis van een homoseksueel stel. Bij een dergelijk ‘commuun delict’ dient de officier van justitie in de strafeis een strafverzwaring op te nemen vanwege een discriminatie-aspect. De data over discriminatie worden verkregen met behulp van een landelijke trefwoordenlijst, samengesteld op basis van de vijf hiervoor genoemde discriminatiegronden.

Deze wordt uitgezet in de Basis Voorziening Integrale Bevraging (BVI-IB); het raadpleegsysteem van de politie waarin dagelijks een aantal standaardformulieren (tekst) uit de Basis Voorziening Handhaving (BVH) wordt geüpload. Materiedeskundigen binnen de politie screenen de resultaten van deze zoekslag op de aanwezigheid van discriminatoire aspecten. Alle gescreende resultaten bij elkaar vormen de eindlijst voor deze jaarcijfers. De eindlijst is ingelezen in Excel. Dit databestand wordt verder bewerkt, waarbij dubbel geregistreerde incidenten zoveel mogelijk worden verwijderd (Ministerie van Binnenlandse Zaken en

Koninkrijksrelaties, Politie en Art.1 (2022). 3

De Nederlandse organisatie voor seksediversiteit (NNID) heeft de enquête niet verspreid omdat deze qua opzet niet voldoende zou aansluiten bij de (gewelds)ervaringen van intersekse personen. Wel zijn de resultaten uit het onderzoek naar de strafdossiers met het NNID besproken. De uitkomsten hiervan zijn opgenomen in hoofdstuk 8. 4 De gehanteerde vragenlijst is opvraagbaar bij de onderzoekers.

34

Onderzoeksmethoden en -verantwoording (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties et al., 2022) wordt onder andere gerapporteerd over deze politieregistraties. In het kader wordt uiteengezet hoe deze cijfers tot stand komen. Het oorspronkelijke databestand dat de basis vormt van ‘Discriminatiecijfers 2021’ bevat alle vormen van discriminatie in Nederland. In dit onderzoek is gekeken naar een selectie van (gewelds)incidenten met als discriminatiegrond "seksuele gerichtheid" en indien beschikbaar "geslacht (transpersonen)" in de periode 2017-2021. Concreet is data opgevraagd die voldoet aan onderstaande criteria: 1. Periode: 1 januari 2017 t/m 31 december 2021 2. Discriminatiegrond: Seksuele gerichtheid en geslacht (transpersonen) 3. Wetsartikelen5: WvSr art. 137c, 137d, 137e, 137f, 429quater Sr WvSr art. 141, 180, 242, 246, 266, 267, 282, 282a, 284, 285, 285b, 287 t/m 296, 300 t/m 306, 307, 308, 312, 317, 318, 350, 352

5

In de bijlage 4 is van de vijf wetsartikelen die het vaakst zijn aangetroffen een korte omschrijving opgenomen. 35

Richten op de regenboog

Beschrijving vaakst aangetroffen wetsartikelen Artikel 266 SR Eenvoudige belediging Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan. Artikel 300 SR Mishandeling Mishandeling is het opzettelijk toebrengen van pijn en/of letsel zonder dat daartoe een rechtvaardigingsgrond bestaat. Artikel 137c SR Belediging van een groep mensen Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap Artikel 141 SR Openlijke geweldpleging Zij die openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen Artikel 285 Bedreiging met een ernstig misdrijf Bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, met geweld tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen, met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, met verkrachting, met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, met enig

misdrijf tegen het leven gericht, met gijzeling, met zware mishandeling of met brandstichting Op dit databestand zijn analyses uitgevoerd over het aantal aangiften/meldingen per jaar, naar discriminatie tegen seksuele gerichtheid en geslacht. Aanvullend is in beeld gebracht wat er bekend is over de verdachten van deze registraties, naar geslacht en leeftijd. De uitkomsten van deze analyses zijn gebruikt om in hoofdstuk 4 een breder beeld te schetsen van de prevalentie van geweld tegen LHBTQ-personen en om onze resultaten in een breder kader te kunnen plaatsen.

3.4 Analyse van strafdossiers Om een beeld te krijgen van de aard van geweld tegen LHBTQ-personen, zijn strafdossiers geanalyseerd waarin sprake was van LHBTQ-gerelateerd geweld. Bij het College van procureursgeneraal is een verzoek ingediend om de strafdossiers in te zien die aan de opgestelde criteria voldoen (zie bijlage 2). In de dossiers is een selectie gemaakt van dossiers waarbij er sprake was van discriminatiefeiten (137c t/m 137g, 429quater) en Codis-feiten met als discriminatiegrond “hetero- of homoseksuele gerichtheid” en “transpersonen” in combinatie met wetsartikelen die gerelateerd zijn aan geweld (zie bijlage 4). Via de query zijn 434 dossiers geïdentificeerd. Na nadere bestudering viel een groot deel van deze dossiers af omdat er bijvoorbeeld geen veroordeling had plaatsgevonden. Ook bleek een groot deel 36

Onderzoeksmethoden en -verantwoording betrekking te hebben op geweld tegen ambtenaren in functie en hoewel er vaak wel werd gescholden met LHBTQ-gerelateerde termen, leek dit geweld niet direct gericht op LHBTQ-personen. In bijlage 2 wordt uitgebreider ingegaan op de selectie van strafdossiers. Bij de Raad voor de Rechtspraak is een verzoek ingediend om justitiële documenten behorende bij deze dossiers te mogen inzien. Na goedkeuring van zowel het College van procureurs-generaal als de Raad voor de Rechtspraak zijn afspraken gemaakt met de parketten. De dossiers zijn ter plaatse bij de parketten ingezien. Alleen een aantal dossiers van de parketten Rotterdam en Oost-Brabant zijn (deels) digitaal ingezien via de ‘bestandenpostbus’ van het OM. De dossiers bestonden uit processenverbaal, justitiële documentatie en, indien aanwezig, aanvullende onderzoeken. De dossiers zijn beoordeeld aan de hand van een template dat is opgenomen in bijlage 3. Met het oog op interbeoordelaarsbetrouwbaarheid, zijn de eerste vier dossiers door twee onderzoekers afzonderlijk van elkaar geanalyseerd. Vervolgens zijn de uitkomsten met elkaar vergeleken en is er een modus operandi vastgesteld waarmee de resterende dossiers zijn geanalyseerd. De gegevens uit het template zijn in een SPSS-bestand opgenomen om inzicht te krijgen in de verdeling naar achtergrondkenmerken.

In het databestand zijn ook uitgebreide omschrijvingen van de incidenten en context opgenomen. Toelichting op selectie wetsartikelen In 2023 zijn de termen hetero- en homoseksuele gerichtheid in artikel 1 van de Grondwet vervangen door de inclusievere term seksuele gerichtheid (De Nederlandse Grondwet, 2023). Op het moment van schrijven ligt er een voorstel om naar aanleiding van deze wijziging ook Wet Algemene behandeling en het Wetboek van Strafrecht aan te passen (Wetgevingskalender, z.d.). Medio 2020 is een conceptwetsvoorstel gekomen dat de artikelen 137c Sr (groepsbelediging) en 137e Sr (verspreiding beledigende uitingen) beoogt aan te vullen met de discriminatiegronden geslachtskenmerken, genderidentiteit en genderexpressie. Deze wijziging is echter nog niet doorgevoerd. Omdat de onderzochte dossiers betrekking hebben op de periode 2017-2021 hebben recente wetswijzigingen nog geen invloed op de onderzochte dossiers. Verwerking van de data en het opstellen van de daderprofielen In de hoofdstukken 4 en 5 wordt de data uit de strafdossiers beschreven. Deze analyses zijn grotendeels van beschrijvende aard. De data die aan de hand van de templates zijn verzameld en vervolgens in SPSS zijn ingevoerd zijn in tabelvorm in de hoofdstukken weergegeven en besproken.

Daarnaast heeft er een kwalitatieve analyse plaatsgevonden van de aanleiding, context en het verloop van het incident. Deze gegevens zijn gebruikt om de daderprofielen op te stellen (hoofdstuk 7). Eén van de doelen van dit onderzoek is om te kijken of het mogelijk is om te komen tot daderprofielen. Om die reden is er na verzameling van de data uit de strafdossiers, onderzocht of het mogelijk is om de daders in verschillende groepen te categoriseren die met elkaar vergeleken kunnen worden. Hiervoor is een kwalitatieve methode van indelen gekozen.6 Bij het opstellen van de daderprofielen is gekozen voor een werkwijze waarbij eerst drie verschillende onderzoekers, onafhankelijk van elkaar alle data in SPSS hebben bekeken. In het bijzonder is gekeken naar de uitgebreide omschrijvingen van de incidenten en de verklaringen van de daders over hun handelen. Op basis van deze analyse hebben de onderzoekers hun eigen bevindingen genoteerd. Vervolgens heeft er overleg plaatsgevonden 6

Om de samenhang tussen een groot aantal variabelen te verkennen wordt vaak gebruik gemaakt van positioneringstechnieken zoals correspondentieanalyse, HOMALS en dergelijke. Dat was hier niet mogelijk omdat de achterliggende kenmerken niet eenduidig konden worden gekwantificeerd.

37

Richten op de regenboog waarin de bevindingen onderling zijn gedeeld. Op basis van de uitkomsten uit deze analyse is een getrapte werkwijze opgesteld om de profielen vast te stellen. Bij het opstellen van de daderprofielen is ervoor gekozen om primair te kijken naar de motieven van de daders. Hiervoor is in eerste plaats gekeken wat de daders zelf zeggen over de reden van hun handelen. Voor een groot deel van de daders geldt dat zij echter geen uitspraken doen over hun motief. Wanneer dit het geval was, is gekeken naar de verklaringen van slachtoffers over de door hen (gepercipieerde) motieven van de daders. Deze combinatie van door de daders gerapporteerde motieven en de motieven de slachtoffers ligt ten grondslag aan het profiel ‘uit afkeer tegen LHBTQ’. Wanneer er weinig duidelijkheid was over de motieven van daders, zijn incident- en contextuele kenmerken van de incidenten gebruikt om tot een categorisering te komen. Dit is in het bijzonder het geval voor het profiel ‘groepsagressie’. Daarbij is gekeken naar de kenmerken: leeftijd, het aantal daders en persoonskenmerken van de daders. De profielen ‘schelden uit reflex’ en ‘grappen ten koste van’ zijn gebaseerd op en combinatie van verklaringen van de daders, slachtoffers en incidentkenmerken.

In de literatuur is vervolgens onderzocht in hoeverre de gevonden profielen aansluiten bij wat er al bekend is in wetenschappelijke literatuur over daderprofielen en in hoeverre de profielen uniek lijken te zijn voor geweld tegen LHBTQ-personen.

3.5 Interviews met slachtoffers en belangenverenigingen Na afloop van de dossieranalyse is gesproken met LHBTQ-slachtoffers van geweld en met belangenorganisaties om de uitkomsten uit het onderzoek te duiden. Er is vanwege praktische beperkingen bewust gekozen om met belangenorganisaties te spreken, ervan uitgaande dat zij goed op de hoogte zijn van wat er leeft en speelt binnen hun gemeenschappen. Hoewel het aantal interviews relatief beperkt is, representeren de belangenverenigingen een groot aantal leden. De interviews hebben zowel fysiek als online plaatsgevonden waarbij gebruik is gemaakt van een semigestructureerde interviewleidraad. Van de gesprekken is een verslag gemaakt dat op verzoek is voorgelegd aan de belangenverenigingen. Gespreksverslagen van de interviews met slachtoffers zijn niet ter goedkeuring voorgelegd, hier was geen behoefte aan onder de deelnemers. In totaal hebben er zes gesprekken met in totaal tien personen van belangenverenigingen plaatsgevonden. De geïnterviewde belangenorganisaties zijn: • Transgender Netwerk Nederland • Nederlandse Organisatie Aseksualiteit (NOA) • Nederlandse Organisatie voor Seksediversiteit (Stichting NNID, organisatie voor seksediversiteit in het algemeen en intersekse in het bijzonder) • Bi+ • COC Leiden • COC Groningen/Drenthe

38

Onderzoeksmethoden en -verantwoording Slachtoffers zijn geworven via een oproep in de vragenlijst die voor dit onderzoek is uitgezet, via de zes geïnterviewde belangenorganisaties en via het netwerk van de onderzoekers. In totaal is gesproken met zeven respondenten. Zij hebben de volgende seksuele gerichtheid of genderidentiteit: • Biseksueel (1 respondent, begin 20) • Trans (1 respondent, 18 jaar) • Queer (3 respondenten: 1 queer vrouw, 26 jaar; twee queer mannen waarvan één met een vluchtelingverleden, leeftijd onbekend) • Lesbisch (2 respondenten: beide tussen de 30 en 40 jaar) Geïnterviewde slachtoffers kregen een cadeaubon ter waarde van €40,- voor deelname aan het onderzoek.

3.6 Beperkingen van dit onderzoek Dit rapport is primair gericht op de kenmerken en motieven van de daders van LHBTQ-gerelateerd geweld. De focus op daders betekent ook dat er een belangrijke beperking is. Er is alleen gekeken naar strafdossiers waarbij sprake is van veroordeelde personen. Voordat het tot een veroordeling komt, dienen er verschillende stappen genomen te worden. Zo dient er eerst aangifte te worden gedaan, moet vervolgens het Openbaar Ministerie (OM) besluiten om tot vervolging over te gaan en moet de verdachte schuldig worden bevonden. Het OM (2022) zegt hierover: Bovendien komt ook niet alles wat strafbaar is in beeld bij justitie, om verschillende redenen. Zo is het aannemelijk dat er niet altijd aangifte of melding wordt gedaan van (mogelijk strafbare) discriminatie. Wordt er bij de politie alleen een melding gedaan, dan leidt dit in veel gevallen niet tot een zaak die door het OM in behandeling wordt genomen; met een melding wordt de politie door een burger slechts op de hoogte gesteld van een situatie. Als er aangifte wordt gedaan bij de politie, dan is het mogelijk dat er geen verdachte wordt gevonden of dat er sprake is van onvoldoende bewijs. Het kan ook zo zijn dat een incident bij de politie wordt gekwalificeerd als discriminatie, maar dat bij beoordeling door het OM blijkt dat er toch geen aanknopingspunten zijn om de zaak als zodanig te behandelen.

In die zin kan de selectie van de dossiers een vertekend beeld geven en geeft dit onderzoek in de eerste plaats inzicht in de daders uit de periode 2017-2021. De data ut de strafdossiers zijn aangevuld met de uitkomsten van het literatuuronderzoek, de enquête en interviews. Deze uitkomsten hebben vaak geen betrekking op daders maar verdachten. Een tweede constatering is dat het aantal strafdossiers dat onderzocht is, relatief beperkt is. Aanvankelijk was het idee om een aselecte steekproef van circa 100 dossiers te nemen uit relevante strafdossiers uit de periode 2017-2022. Uit de query die op ons verzoek door het OM is uitgevoerd, bleek echter dat het aantal, naar verwachting, relevante dossiers in totaal slechts rond de 100 dossiers betrof. Om die reden is ervoor gekozen om al deze dossiers te bekijken. Tegelijkertijd bestaat het beeld dat een relatief groot aantal LHBTQ-personen geweld ervaart. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat het beeld dat uit de dossiers naar voren komt representatief is voor geweld tegen LHBTQpersonen.

39

Richten op de regenboog Op basis van de dossiers bleek het niet mogelijk om alle onderzoeksvragen te beantwoorden. Zo kwam er geen duidelijk beeld naar voren over verschillen in geweld tussen verschillende regio’s en stedelijk gebied en het platteland. Vragen over de aard, prevalentie en slachtoffers van geweld tegen LHBTQpersonen zijn voornamelijk beantwoord op basis van het literatuuronderzoek. Een andere beperking is dat de strafdossiers voor het grootste gedeelte betrekking bleken te hebben op zaken waarbij sprake was van homoseksuele mannelijke slachtoffers (zie hoofdstuk 5). Hoewel er uit de literatuur naar voren komt dat ook andere LHBTQ-groepen veel geweld ervaren, ligt het buiten de reikwijdte van dit onderzoek. Het gegeven dat met name mannelijke homoseksuele slachtoffers in de strafdossiers aangetroffen zijn, kan ook implicaties hebben voor de herkenbaarheid van de daderprofielen voor andere groepen dan mannen met een homoseksuele gerichtheid. De vraag is dan ook hoe de uitkomsten van dit onderzoek zich laten vertalen naar de ervaringen van andere groepen. Om dit te ondervangen is na analyse van de strafdossiers gesproken met belangenverenigingen zoals de Nederlandse organisatie voor seksediversiteit (NNID), Transnetwerk Nederland, de Nederlandse Organisatie Aseksualiteit, het COC en Bi+ en is hen gevraagd te reflecteren op de resultaten (zie hoofdstuk 8).

Overige beperkingen De hiervoor genoemde beperkingen hebben betrekking op de analyse van strafdossiers. Om een deel van deze beperkingen te ondervangen zijn ook andere methoden ingezet om zodoende een breder beeld te krijgen. Echter, deze methoden kennen op hun beurt hun eigen beperkingen. Zo geldt dat het aantal deelnemers aan de enquête beperkt is waardoor de uitkomsten als indicatief beschouwd dienen te worden. Ook is er weinig bekend over wie de deelnemers aan de enquête zijn en of de manier van werven, via belangenverenigingen, ertoe heeft geleid dat een specifieke, niet representatieve, groep is bereikt. Voor de interviews met belangenverenigingen geldt eveneens dat het aantal gevoerde gesprekken relatief beperkt is. Tegelijkertijd spreken de betrokkenen van de belangenverenigingen namens de gemeenschap(pen) die zij vertegenwoordigen en kan er daarom verwacht worden dat zij een breed gedragen beeld hebben. Tijdens de interviews met belangenverenigingen is ervoor gekozen om daderprofielen en uitkomsten van de dossieranalyse voor te leggen en deze te toetsen. Mogelijk dat hierdoor een vorm van sturing heeft plaatsgevonden, dit is echter een bewuste keuze geweest om de zeggingskracht van de daderprofielen te toetsen.

40

4.

LHBTQ-discriminatie in politieregistraties Voordat wordt ingegaan op de analyse van de strafdossiers, wordt in dit hoofdstuk gekeken naar de politieregistraties van discriminatie vanwege seksuele gerichtheid en geslacht. De analyse van strafdossiers geeft waardevolle inzichten in de daders van LHBTQ-geweld, maar geeft slechts beperkt inzicht in de prevalentie van geweld tegen LHBTQ-personen. Dit komt omdat van een deel van de incidenten geen aangifte wordt gedaan. Van de zaken waarvan wel aangifte wordt gedaan, wordt een deel niet opgepakt, bijvoorbeeld omdat er geen dader in beeld is. Om beter zicht te krijgen op de prevalentie is daarom gekeken naar politieregistraties. Het gaat in de data om meldingen en niet om bewezen feiten. In onderstaand kader staat verdere verduidelijking over de politieregistraties als databron. Databron Politiemedewerkers registreren alle aangiften, meldingen en eigen waarnemingen in het bedrijfsprocessensysteem Basis Voorziening Handhaving (BVH). De politie rapporteert jaarlijks over de discriminatie-incidenten die in de BVH zijn geregistreerd. De lijst met discriminatie-incidenten bevat meldingen, aangiften en eigen waarnemingen van mogelijke discriminatie, evenals meldingen, aangiften en eigen waarnemingen van incidenten met een mogelijk discriminatie-aspect.

Overigens komt het voor dat een betrokkene zelf geen discriminatie heeft ervaren, bijvoorbeeld omdat hij/zij zelf niet LHBTQ is, maar dat dit wel als zodanig in de registraties is opgenomen omdat er belediging van LHBTQ-personen als groep heeft plaatsgevonden. Uitgangspunt voor de registratie van discriminatie-incidenten is het incident: als er meerdere meldingen, aangiften of eigen waarnemingen zijn over hetzelfde incident, dan wordt dit maar één keer opgenomen in de cijfers. De cijfers hebben betrekking op unieke zaken. Het gaat bij de geïdentificeerde incidenten altijd om mogelijke discriminatie en/of een mogelijk discriminatie-aspect. Een geregistreerd discriminatie-incident betreft niet per definitie een strafbaar feit (Discriminatiecijfers in 2021, p. 7).

4.1 Meldingen van discriminatie vanwege geslacht of seksuele gerichtheid In deze paragraaf wordt gekeken naar het aantal meldingen van discriminatie vanwege seksuele gerichtheid en geslacht. Figuur 4.1 en 4.2 geven het totaal aantal geregistreerde discriminatieincidenten weer op grond van seksuele gerichtheid en geslacht voor de jaren 2017-2021. 2500 2000 1500 1000 500

0 2017

2018

2019

2020

Figuur 4.1: registraties van discriminatie vanwege seksuele gerichtheid, 2017-2021 (N) Bron: politieregistraties, bewerking Risbo

41

2021

Richten op de regenboog

60

50 40 30 20 10 0

2017

2018

2019

2020

2021

Figuur 4.2: registraties van discriminatie vanwege geslacht, 2017-2021 (N) Bron: politieregistraties, bewerking Risbo

In de figuren is voor beide discriminatiegronden een stijging zichtbaar. Bij de geregistreerde discriminatie-incidenten op grond van seksuele gerichtheid is vanaf 2018 sprake van een forse stijging. In 2018 werden er 1.500 incidenten geregistreerd. In 2021 waren dat er 2.113, een toename van ruim 40 procent in een periode van vier jaar. Het aantal geregistreerde discriminatie-incidenten op grond van geslacht is zeer beperkt, maar is in deze vijf jaar wel verdubbeld van 28 in 2017 naar 53 in 2021. Het grootse deel van de discriminatieincidenten op grond van geslacht heeft betrekking op een non-conforme genderidentiteit.

Bij veel registraties vanwege seksuele gerichtheid is met ‘homo’ gescholden In de politieregistraties is beperkte aanvullende informatie opgenomen over de geregistreerde incidenten. Deze informatie is in tabel 4.1 weergegeven voor wat betreft de registraties van discriminatie vanwege seksuele gerichtheid. Het aantal registraties over discriminatie vanwege geslacht is te beperkt om dergelijke uitsplitsingen te doen. Tabel 4.1: Vorm incidenten bij discriminatie om seksuele gerichtheid, 2017-2021 (N & %)

Totaal (N)

2017 1.676

2018 1.501

2019 1.600

2020 1.982

2021 2.113

Uitlating

60,7

69,4

62,2

67,0

65,0

Bedreiging

14,9

12,3

16,1

14,0

15,3

Geweld (icm uitlating)

18,3

13,7

17,3

14,2

14,5

Bespugen

2,1

1,1

0,5

1,2

1,0

Bekladding en vernieling

2,5

2,1

1,7

2,4

2,8

Pesterij

0,4

0,8

1,7

1,1

1,0

Onbekend/overig/weigering

1,1

0,6

0,5

0,1

0,4

Bron: politieregistraties, bewerking Risbo

De politieregistraties op grond van seksuele gerichtheid gaan grotendeels over uitlatingen (60,7 procent). In 2021 heeft bijna twee derde van de geregistreerde incidenten betrekking op een uitlating. 42

LHBTQ-discriminatie in politieregistraties Het gaat bijvoorbeeld om naroepen of beledigen in combinatie met de nadruk op seksuele gerichtheid. Nadere analyse van de politieregistraties leert dat het bij de uitlatingen in de meeste gevallen gaat over mensen die worden beledigd op grond van hun (vermeende) homoseksuele gerichtheid. Denk daarbij aan ruzies waarbij mensen worden beledigd met verwijzing naar hun (vermeende) homoseksuele gerichtheid en registraties van politiemensen die worden uitgemaakt voor 'homo'. Het lijkt daarbij meestal te gaan over het gebruik van het woord 'homo' als een scheldwoord. Een aanzienlijk deel van de incidenten heeft betrekking op andere vormen van geweld, zoals bedreiging (15,3 procent in 2021) en fysiek geweld in combinatie met een uitlating (14,5 procent in 2021). Een kwalitatieve analyse van een aantal registraties die te maken hebben met de discriminatiegrond seksuele gerichtheid biedt in de meeste gevallen geen antwoord op de vraag of de seksuele gerichtheid van de betrokkenen aanleiding is tot het incident. Bij veel van de incidenten gaat het om bedreigingen of vechtpartijen op straat, op school of in de horeca waarbij betrokkenen voor 'homo' worden uitgemaakt en worden mishandeld.

Het gaat dan bijvoorbeeld om een politieagent die iemand aanhoudt in verband met wildplassen en vervolgens wordt uitgescholden met "kankerhomo" en klappen op zijn hoofd krijgt, of een verdachte van winkeldiefstal die tegen een medewerker van de supermarkt "kankerhomo, ik sla die bril van je kop" roept. Dat een deel van de registraties betrekking heeft op politieagenten in functie, neemt niet weg dat er ook gevallen zijn waarbij het wel duidelijk lijkt dat de seksuele gerichtheid van één van de betrokkenen de aanleiding is voor bedreiging of geweld. Bijvoorbeeld homoseksuele stellen die door de buren of jongens uit de buurt worden uitgescholden en bedreigd, bedreiging van een lesbisch koppel via sociale media, ouders die met hun kinderen door de straat lopen en waarvan de kinderen worden uitgescholden, en één van de ouders die de verdachten daarop aanspreekt en vervolgens wordt bedreigd.

Registraties van geslacht hebben vooral betrekking op transpersonen De meldingen met betrekking tot discriminatie vanwege geslacht hebben meestal betrekking op discriminatie van transpersonen personen. Het gaat daarbij zowel om beledigingen, bedreiging of geweld door bekenden als door onbekenden.

4.2 Verdachten in de politieregistraties 2017-2021 De politieregistraties bevatten informatie over verdachten in de discriminatielijsten. De verdenking kan voor een ander feit zijn dan de discriminatie zelf. Het is niet te achterhalen of deze (verdachte) persoon ook de discriminatoire uiting heeft gedaan. Dit geldt zeker bij incidenten met meerdere verdachten. De resultaten uit deze paragraaf dienen daarom als indicatief beschouwd te worden. In tabel 4.2 is een overzicht gegeven van een aantal kenmerken van verdachten van discriminatie vanwege seksuele gerichtheid en geslacht in de periode 2017-2021.7 Naast kenmerken als leeftijd en geslacht is ook informatie weergegeven of het dossier van de verdachte voor het feit uit het incidentoverzicht is ingezonden naar het OM. Daarbij moet worden opgemerkt dat het op basis van de gestructureerde data niet te achterhalen is of een dossier voor de discriminatoire uiting is ingezonden, of voor een ander feit. 7

In tabel 4.2 zijn verdachten van discriminatie vanwege seksuele gerichtheid en geslacht samengevoegd. Het aantal registraties vanwege discriminatie van geslacht is te beperkt om uitsplitsingen te kunnen doen.

43

Richten op de regenboog

Tabel 4.2: Kenmerken van verdachten voor discriminatie seksuele gerichtheid en geslacht, 2017-2021 (N & %)

2017 1.330

2018 1.139

2019 1.080

2020 1.278

2021 1.358

90,2 9,8

91,6 8,4

91,2 8,8

92,6 7,4

90,2 9,8

Leeftijd t/m 17 jaar 18 t/m 24 jaar 25 t/m 34 jaar 35 t/m 44 jaar 45 t/m 64 jaar 65 jaar e.o.

21,5 28,0 22,4 15,0 12,2 0,8

21,3 26,7 21,4 15,4 13,6 1,6

21,7 22,5 25,2 15,8 14,0 0,8

22,2 25,4 21,1 14,9 15,7 0,7

23,0 27,5 20,0 15,5 12,9 1,0

Antecedenten Ja Nee

71,7 28,3

72,4 27,6

74,4 25,6

75,5 24,5

73,7 26,3

Ingezonden OM Ja Nee

91,4 8,6

91,0 9,0

92,4 7,6

91,9 8,1

91,7 8,3

Totaal (N) Geslacht Man Vrouw

Bron: politieregistraties, bewerking Risbo

Voor alle jaren geldt dat meer dan 90 procent van de verdachten van dit soort registraties mannen zijn. Verder valt op dat in 2021 ongeveer de helft van de verdachten minderjarigen (23 procent) en jongvolwassen (27,5 procent) betreft. Bijna driekwart van de verdachten heeft eerdere antecedenten en is dus eerder met de politie in aanraking geweest. Ook wordt een hoog percentage van de zaken waarbij sprake is van discriminatie wegens seksuele gerichtheid of geslacht naar het OM verzonden. Voor alle jaren ligt dit hoger dan 90 procent. Er zijn geen sterke trends waarneembaar voor de periode 2017-2021.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=1ea4aa19-30e7-4865-b3a6-8b811e6e0d23