CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb001674] Van Metropoolregio Rotterdam Den Haag MRDH een agenda voor de adviescommissie Economisch Vestigingsklimaat op 200324

Commissie Mobiliteit, Haven, Economie en Klimaat (2022-2026) 20 maart 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Adviescommissies Metropoolregio Rotterdam Den Haag33.501 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De voorbereidingen voor het opstellen van het ontwerp-uittredingsplan worden gedaan door het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur benoemt daartoe een projectgroep onder leiding van een onafhankelijke extern financieel deskundige. De portefeuillehouders middelen van de bestuurscommissies maken in ieder geval deel uit van de projectgroep. In het geval de portefeuillehouder middelen behoort tot de deelnemer die het voornemen tot uittreding heeft kenbaar gemaakt, wordt een nieuwe portefeuillehouder benoemd. 5. De kosten voor het inschakelen van de onafhankelijke externe deskundige zijn voor rekening van de deelnemer die het voornemen tot uittreding heeft uitgesproken. 6. Het uittredingsplan bevat in ieder geval de volgende elementen: a. een beschrijving van de consequenties voor de wettelijke en overige taken van de uittredende deelnemer; b. een beschrijving van de consequenties voor de financiële middelen die zijn gekoppeld aan de uittredende deelnemer (BDU); c. een beschrijving van de consequenties voor de activiteiten die zijn gekoppeld aan de inwonerbijdrage Economisch Vestigingsklimaat; d. een beschrijving van de consequenties voor de lopende openbaar vervoersconcessies voor het grondgebied van de uittredende deelnemer; e. een beschrijving van eventuele consequenties voor de verbonden partijen van de MRDH; f.

een beschrijving van consequenties voor lopende subsidies, opdrachten, leningen en overige verplichtingen; g. een beschrijving van consequenties voor de structurele organisatielasten, waaronder personeels- en huisvestingslasten h. de uittreedsom, of de wijze waarop de uittreedsom wordt berekend. 7. De uittreedsom bestaat uitsluitend uit de schade die de Metropoolregio en de achterblijvende deelnemers lijden als direct gevolg van het besluit tot uittreding. a. De Metropoolregio is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. b. De berekening van de kosten van uittreding wordt gebaseerd op feiten en omstandigheden die bekend zijn tot aan het moment van werkelijke uittreding. 8. De bestuursorganen die aan deze regeling deelnemen stellen met ten minste twee derde meerderheid het uittredingsplan vast. 9. Na toezending van het ontwerp-uittredingsplan maken de bestuursorganen van de deelnemer die het voornemen tot uittreding hebben kenbaar gemaakt, binnen 3 maanden gezamenlijk bekend of zij definitief willen uittreden. De besluiten tot uittreden worden aangetekend verzonden aan het algemeen bestuur.

Pagina 8 van 10

10. De uittreding vindt slechts plaats op 1 januari na de datum, waarop opname in het register als bedoeld in artikel 27 van de Wet gemeenschappelijke regelingen heeft plaatsgevonden, tenzij door het algemeen bestuur een later tijdstip is bepaald. Artikel 6:3 Wijziging 1. De regeling kan worden gewijzigd bij gelijkluidende besluiten van alle bestuursorganen die aan deze regeling deelnemen. 2. De wijzigingsregeling bepaalt wanneer deze in werking treedt. Artikel 6:4 Opheffing 1. De regeling kan worden opgeheven bij daartoe strekkende gelijkluidende besluiten van alle bestuursorganen die aan deze regeling deelnemen. 2. De opheffing wordt van kracht op 1 januari, volgend op de datum waarop het laatste bestuursorgaan dat aan deze regeling deelneemt de in het eerste lid bedoelde besluiten heeft genomen, tenzij het algemeen bestuur een later tijdstip heeft bepaald. 3. In geval van opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt hij daarvoor de nodige regels. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling worden afgeweken. 4. Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, na raadpleging van de vertegenwoordigende organen, vastgesteld. 5. Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de beëindiging van de regeling. 6.

Voor zover financiële gevolgen, zowel in negatieve als positieve zin, gekoppeld zijn aan de taak economisch vestigingsklimaat zal deze verdeeld worden over de gemeenten naar rato van de inwoneraantallen zoals opgenomen in de laatste voor de opheffing vastgestelde reguliere begroting.

Hoofdstuk 7: Geschillen Artikel 7:1 Voorprocedure 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen worden geschillen over de toepassing van de regeling, in de ruimste zin van het woord, onderworpen aan een niet-bindend deskundigenadvies. 2. Voordat wordt overgegaan tot het vragen van het in het eerste lid bedoelde deskundigenadvies, wordt het geschil besproken tussen een afvaardiging van het dagelijks bestuur en een afvaardiging van het gemeentebestuur waarmee het geschil bestaat. 3. Indien het in het tweede lid bedoelde overleg niet tot een oplossing leidt, benoemen het dagelijks bestuur en het gemeentebestuur waarmee het geschil bestaat elk een onafhankelijke deskundige. Beide deskundigen benoemen een derde deskundige, die tevens als voorzitter van de adviescommissie optreedt. Het dagelijks bestuur treedt mede namens het betreffende gemeentebestuur op als opdrachtgever van de commissie. In de opdracht wordt tenminste het probleem geschetst, worden de te beantwoorden vragen geformuleerd en wordt de termijn genoemd waarbinnen de commissie haar advies dient uit te brengen. 4. De in het derde lid bedoelde commissie regelt zelf de wijze waarop zij haar advies tot stand brengt. Het advies wordt tegelijkertijd toegezonden aan het dagelijks bestuur en aan het betreffende gemeentebestuur. 5.

Op basis van het advies treden de in het tweede lid bedoelde personen nogmaals in overleg om te trachten tot een oplossing van het geschil te komen. Indien het overleg niet tot een oplossing leidt, is elk der partijen vrij om het geschil overeenkomstig het gestelde in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen voor te leggen aan gedeputeerde staten. 6. De kosten van de adviescommissie worden door het dagelijks bestuur en het betreffende gemeentebestuur ieder voor de helft gedragen.

Pagina 9 van 10

Hoofdstuk 8: Overgangs- en slotbepalingen Artikel 8:1 Periodieke evaluatie Het algemeen bestuur draagt zorg voor een vijfjaarlijkse evaluatie van de regeling. Bij deze evaluatie worden de deelnemende bestuursorganen betrokken. De evaluatie wordt aan de vertegenwoordigende organen voorgelegd. Artikel 8:2 Toezending ex artikel 26 van de wet Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam draagt zorg voor de toezending aan gedeputeerde staten en de minister van de besluiten tot toetreding tot, uittreding uit, wijziging of opheffing van de regeling. Deze besluiten worden ook voor kennisgeving gezonden aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Artikel 8:3 Onbepaalde tijd 1. De regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd. 2. In 2024 evalueert het algemeen bestuur de regeling, waarbij in elk geval wordt onderzocht of: a. de doelstellingen van de regeling, gelet op de overwegingen, zijn behaald, of b. voldoende grond bestaat voor continuering van de regeling. 3. Het algemeen bestuur doet, gehoord de Vervoersautoriteit, aan de bestuursorganen van de gemeenten op grond van de evaluatie, bedoeld in het tweede lid, een voorstel omtrent continuering van de regeling en de voorwaarden waaronder. De zienswijzenprocedure is van toepassing. Artikel 8:4 Inwerkingtreding en citeerwijze 1. De gewijzigde regeling treedt in werking op 1 juli 2024. 2.

De regeling wordt aangehaald als "Gemeenschappelijke regeling Metropoolregio Rotterdam Den Haag 2014". 3. Artikel 8:3, tweede en derde lid, vervalt per 1 januari 2026.

Pagina 10 van 10

Bijlage

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1:1 begripsbepalingen Wijzigingen naar aanleiding van de actualisatie. a. Het begrip gemeenten is gewijzigd. De namen van de oude gemeenten zijn verwijderd en de nieuwe samengevoegde gemeenten zijn toegevoegd. b. Het begrip Besluit Vervoerregio is gewijzigd. Deze komt nu overeen met de vigerende wetgeving. c. Het begrip Wet afschaffing plusregio’s is verwijderd. Dit begrip komt voor in artikel 8:4 in relatie tot de inwerkingtreding van die wet. Inmiddels is die wet al in werking getreden, maar met wijziging van deze regeling wordt ook artikel 8:4 aangepast en dit begrip niet meer gebruikt. d. Het begrip meerjarenbegroting Vervoersautoriteit is toegevoegd. Deze toevoeging is gedaan om de wijziging van artikel 4:1 begroting te verduidelijken. Artikel 4:1 is aangepast aan de huidige praktijk bij de MRDH. De meerjarenbegroting Vervoersautoriteit kijkt 20 jaar vooruit. Dit in tegenstelling tot de meerjarenraming, een formeel stuk met een formele naam uit het Besluit begroting en verantwoording, die 3 jaar beslaat.

Artikel 2:1 besluitvorming in de gemeenteraden Wijzigingen naar aanleiding van de wetswijziging: Betreffende artikel Artikel 10 Wgr, 6e lid: Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijze gegeven is stelt het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam of het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie, onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan, de raden van de deelnemende gemeenten en, indien het een besluit van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam betreft, het algemeen bestuur van het openbaar lichaam schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vorige lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Tegelijkertijd met het toezenden ter besluitvorming over een zienswijzeplichtig onderwerp dient het dagelijks bestuur dus een concept- nota van beantwoording mee te sturen. Dit is bij de MRDH al sinds oprichting het gebruik, maar naar aanleiding van de wetswijziging wordt dit nu vastgelegd in het artikel 2:1, derde lid Wijzigingen naar aanleiding van de actualisatie. a. Er zijn twee zienswijzeplichtige onderwerpen verwijderd uit dit artikel (maar niet uit de GR MRDH). In artikel 2:1, tweede lid is sub b verwijderd. Het werkplan is verwijderd omdat in de praktijk niet op deze wijze met werkplannen wordt gewerkt.

Het werkplan is opgenomen in de begroting en daarmee zienswijzeplichtig op grond van de wet gemeenschappelijke regelingen (artikel 34 en 35) b. In artikel 2:1 tweede lid is sub j verwijderd. De begroting is verwijderd omdat deze niet in het rijtje van deze zienswijzeplichtige onderwerpen behoort. Zoals sub j ook al aangaf is de zienswijzeplicht die op de begroting van toepassing is, een zienswijzeplicht op grond van de Wgr. Deze heeft een eigen procedure met eigen, afwijkende, termijnen. Een referentie daaraan wordt opgenomen in het financiële artikel 4:1 van deze regeling.

Artikel 2:2 informatie- en verantwoordingsplicht aan gemeenteraden Wijzigingen naar aanleiding van de wetswijziging Het betreffende Artikel 17 Wgr 1. De regeling houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop door het bestuur van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie of door het gemeenschappelijk orgaan aan de raden van de deelnemende gemeenten de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen worden verstrekt. 2. Het bestuur van het openbaar lichaam, de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan geeft de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die de raden nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. 3. De regeling, bedoeld in artikel 8, eerste, tweede of derde lid, houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop de inlichtingen, bedoeld in het tweede lid, worden verstrekt.

Artikel 17 Wgr heeft nu een verplichting tot actieve informatieverstrekking opgenomen in het tweede lid. Het derde lid bepaalt dat de GR ook bepalingen moet bevatten over de wijze waarop die verstrekking plaatsvindt. In het eerste lid van artikel 2:2 van de GR MRDH was al een actieve informatieplicht opgenomen, maar dit eerste lid is nu nader uitgewerkt met de wijze waarop dient te worden geïnformeerd en welke documenten in ieder geval in aanmerking komen. Wijzigingen naar aanleiding van de actualisatie Ook de verplichting tot passieve informatieverstrekking was al opgenomen in de GR MRDH in artikel 2:2, tweede lid. Wat echter verzuimd was op te nemen, was de wijze waarop dit zou moeten en de wijze waarop ook de andere raden van de overige deelnemers van vragen en antwoorden op de hoogte worden gesteld. In het vierde lid staat alleen maar dat het AB hierover iets moet opnemen in haar Reglement van Orde. a. Uiteraard staat dus ook in de huidige reglementen van orde bepalingen hieromtrent. Het voorgestelde derde lid van artikel 2:2 heeft conform de beleidsarme insteek de huidige werkwijze die tot nu was opgenomen in de betreffende reglementen van orde overgenomen. Deze is geheel conform de eis van de wet nog iets concreter gemaakt. Uiteraard kan de vertegenwoordiger van de betreffende gemeente bij het beantwoorden van de vragen te allen tijde ondersteuning krijgen van de MRDH.

b. Vanzelfsprekend kunnen raden en raadsleden hun eigen vertegenwoordigers in de MRDH bevragen op grond van de Gemeentewet en de daaruit voortvloeiende verantwoordingslijnen. Dit staat los van dit artikel waar juist bevraging van het MRDH bestuur aan de orde is en deze zelfde mensen dus als MRDH-bestuurder worden bevraagd. Om dit onderscheid duidelijk te maken is het vierde lid opgenomen in artikel 2:2 c. Het vijfde lid is een nieuw voor te stellen werkwijze. Deze werkwijze kan alleen maar succes hebben als de bestuurders die vanuit de gemeente zitting hebben in de bestuursorganen van de MRDH de aan hen gestelde vragen tijdig en volledig melden.

Artikel 2:2a inspraak van belanghebbenden en ingezetenen Naar aanleiding van de wetswijziging De betreffende passage in de wet: Art 10 Wgr, 7e en 8e lid: 7. Een regeling als bedoeld in het tweede lid houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken worden. 8. De in het zevende lid bedoelde inspraak wordt verleend door toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover in de regeling niet anders is bepaald.

Er dient dus een bepaling opgenomen te worden of en op welke wijze burgers betrokken worden. De MRDH kent al de mogelijkheid van inspreken bij het AB en de bestuurscommissies VA en EV en adviescommissies VA en EV. Dit is geregeld in de reglementen van orde. De wet vereist nu dat de GR bepalingen omtrent inspraak opneemt. Een zo beleidsarm mogelijke wijziging betekent dat de bepalingen uit de regelementen van orde worden overgenomen in de GR MRDH. Artikel 2:3 algemeen bestuur Naar aanleiding van de actualisatie: a. Stukken voor het AB worden vanuit de eerste tussenevaluatie twee weken van tevoren toegezonden. Daarbij is er altijd de mogelijkheid om rekening te houden met de vakantieperioden. De termijn in artikel 2:3 tweede lid wordt op deze praktijk aangepast b. De nieuw samengevoegde gemeenten Nissewaard en Voorne aan Zee zijn toegevoegd. Dit leidt tot een ander aantal leden en ook een ander aantal stemmen in het algemeen bestuur en dus ook in artikel 2:3. De stemmen zijn destijds bepaald op de toen actuele inwonertallen (2013). De nu voorgestelde stemverhoudingen zijn bepaald op basis van nu actuele inwonertallen van 2022 (cijfers CBS). Zoals in onderstaande schema’s wordt aangetoond is bij het bepalen van het aantal stemmen zoveel mogelijk de oorspronkelijke stemverhoudingen aangehouden.

Oorspronkelijk:

Gemeente

Inwoneraantal 2013

Aantal stemmen in GR

% van de stemmen

Rotterdam

615.726

45

22,5%

Den Haag

505.568

39

19,5%

Zoetermeer

123.064

9

4,5%

Westland

102.717

9

4,5%

Delft

99.085

9

4,5%

Schiedam LeidschendamVoorburg

76.354

7

3,5%

72.561

7

3,5%

Spijkenisse

72.332

7

3,5%

Vlaardingen

70.889

7

3,5%

Capelle a/d IJssel

66.034

7

3,5%

Lansingerland

56.508

5

2,5%

Pijnacker-Nootdorp

50.454

5

2,5%

Barendrecht

47.387

5

2,5%

Rijswijk

47.345

5

2,5%

Ridderkerk

45.327

5

2,5%

Hellevoetsluis

39.093

5

2,5%

Maassluis

31.956

4

2,0%

Krimpen a/d IJssel

28.854

4

2,0%

Wassenaar

25.695

4

2,0%

Albrandswaard

25.114

4

2,0%

Midden-Delfland

18.243

2

1,0%

Brielle

16.328

2

1,0%

Westvoorne

13.889

2

1,0%

Bernisse

12.339

2

1,0%

totaal is 200 stemmen Huidige voorstel (in groen de wijzigingen):

Gemeente

Voorlopig Voorstel Inwoneraantal verdeling aantal 2022 stemmen in GR

% van de stemmen

Rotterdam

655.468

45

22,5%

Den Haag

553.417

39

19,5%

Zoetermeer

125.767

9

4,5%

Westland

112.448

9

4,5%

Delft

104.572

9

4,5%

Nissewaard

86.332

9

4,5%

Schiedam LeidschendamVoorburg

79.644

7

3,5%

76.659

7

3,5%

Vlaardingen

74.143

7

3,5%

Voorne aan Zee

73.238

7

3,5%

Capelle a/d IJssel

67.188

7

3,5%

Lansingerland

64.110

5

2,5%

Rijswijk

56.947

5

2,5%

Pijnacker-Nootdorp

56.597

5

2,5%

Barendrecht

48.714

5

2,5%

Ridderkerk

47.099

5

2,5%

Maassluis

34.148

4

2,0%

Krimpen a/d IJssel

29.415

4

2,0%

Wassenaar

27.115

4

2,0%

Albrandswaard

25.934

4

2,0%

Midden-Delfland

19.484

4

2,0%

c.

In het zesde lid van artikel 2:3 is toegevoegd dat het lid van gedeputeerde staten geen stem heeft. Dit is al zo, maar op verzoek is dit duidelijker opgeschreven.

Artikel 2:5 voorzitter en plaatsvervangend voorzitter Naar aanleiding van de actualisatie:

Het tweede lid van artikel 2:5 regelt dat de zittende voorzitter niet direct herbenoembaar is. In de praktijk echter, blijkt en is gebleken dat er na twee jaar ook de behoefte is om de mogelijkheid te hebben dezelfde voorzitter te herbenoemen voor nog eens twee jaar. Daarom wordt voorgesteld het tweede lid te verwijderen. Dat iedere twee jaar een beslissing over het voorzitterschap wordt genomen blijft. Artikel 2:6 dagelijks bestuur Naar aanleiding van de actualisatie. a. In artikel 2:6 eerste lid sub b wordt verwezen naar alle deelnemende gemeenten in artikel 2:3. Omdat door gemeentelijke herindeling artikel 2:3 is veranderd is, klopt de verwijzing in artikel 2:6 niet meer. De verwijzing is aangepast. b. Het derde lid van artikel 2:6 is verwijderd. Deze verwees naar een mogelijke deelname van de provincie in het dagelijks bestuur. De provincie heeft geen zitting in het dagelijks bestuur. Dit artikel was destijds gecreëerd vanuit het idee dat Provincie Zuid-Holland mogelijk ooit zou deelnemen aan deze GR. Dat is nu niet aan de orde. Daarom wordt dit aangepast aan de huidige werkwijze en geschrapt. c. In plaats daarvan wordt een nieuw derde lid voorgesteld: 3.Het dagelijks bestuur kiest in ieder geval een portefeuillehouder Middelen uit haar midden.

Het dagelijks bestuur is het wettelijk aangewezen gremium om de ontwerp-begroting, de bestuursrapportages inclusief begrotingswijzigingen en de jaarrekening aan te bieden aan het algemeen bestuur. Daarom is het gewenst altijd een portefeuillehouder middelen te hebben in het dagelijks bestuur. d. Lid 4 is toegevoegd zodat het aansluit met de huidige werkwijze dat een door het algemeen bestuur aangewezen lid van het algemeen bestuur voor een specifiek onderwerp kan aansluiten bij de beraadslagingen van het dagelijks bestuur. Artikel 2:7 bestuurscommissies Naar aanleiding van de actualisatie a. De geschrapte tekst in het derde lid was ooit gecreëerd, vanuit de idee dat Provincie Zuid-Holland mogelijk ooit zou gaan deelnemen aan deze GR. Dat is nu niet aan de orde. Wel is het zo dat de portefeuillehouder van gedeputeerde staten wordt uitgenodigd voor de beraadslaging van het openbare gedeelte van de vergadering. De gedeputeerde heeft daarbij geen stem. Daar is dit artikel nu op aangepast. b. In de praktijk blijkt en is gebleken dat er, net zoals bij het dagelijks bestuur, de behoefte is om de mogelijkheid te hebben dezelfde voorzitter te herbenoemen voor nog eens twee jaar. Daarom wordt voorgesteld het vierde lid te verwijderen. Dat iedere twee jaar een beslissing over het voorzitterschap wordt genomen blijft.

Artikel 2:8 adviescommissies Naar aanleiding van de actualisatie De geschrapte tekst in het derde lid was ooit gecreëerd, vanuit de idee dat Provincie mogelijk ooit zou gaan deelnemen aan deze GR. Dat is nu niet aan de orde. Het artikel wordt dus aangepast aan de huidige situatie en werkwijze. Artikel 3:2 strategische agenda Naar aanleiding van de actualisatie a. In de praktijk is het met de tijd die het vormen van colleges in de deelnemende gemeenten kost en met de procedure die voor zienswijzen wordt doorlopen praktisch gezien onmogelijk om in het eerste bestuursjaar de strategische agenda vast te stellen. Doel van dit artikel is vooral dat dit proces gestart wordt in het eerste jaar en zodra het nieuwe bestuur is geïnstalleerd. Daarom wordt nu gekozen voor het in het eerste jaar in ieder geval vrijgeven

voor zienswijze van deze strategische agenda. Het eerste lid van artikel 3:2 is hierop aangepast. b. In het tweede lid is het woordje werkplan vervangen door het woordje begroting. Het werkplan is immers een onderdeel van de begroting van de MRDH. Daaraan is toegevoegd: De informatie in de MRDH-begroting stelt de gemeenteraden in staat om zo nodig bij te kunnen sturen op de ambities en activiteiten uit de Strategische Agenda. Artikel 3:3 bevoegdheidsverdeling Naar aanleiding van de actualisatie Het eerste lid van artikel 3:3 is in overeenstemming gebracht met artikel 33 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Deze luidt: De bevoegdheden die bij de regeling worden overgedragen, berusten bij het algemeen bestuur, tenzij bij wet of in de regeling anders is bepaald. Hier staat dat de bevoegdheidsverdeling dus bij wet of gemeenschappelijke regeling dient te geschieden en niet op ander wijze. Dit betekent dat ‘krachtens de regeling’ niet is toegestaan. Artikel 3:5 faciliterende en dienstverlenende taken Naar aanleiding van de actualisatie Uiteraard is het impliciet de bedoeling en ook altijd de bedoeling geweest dat ook diensten verricht kunnen worden voor de deelnemende gemeenten. Dit is nu expliciet in het tweede lid van artikel 3:5 opgenomen Artikel 4:1 begroting Naar aanleiding van de wetswijziging a. Art 35 eerste lid Wgr luidt: 1.

Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, onderscheidenlijk twaalf weken voordat zij door het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan wordt vastgesteld, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten. De wettelijke termijn van 12 weken voor de begrotingscyclus is uiteraard ook van toepassing op de MRDH. Het gewijzigde artikel 35, eerste lid uit de Wgr heeft directe werking en geldt dus al sinds inwerkingtreding van de wet in juli 2022. De MRDH heeft het dan ook al voor het jaar 2023 toegepast. Voor de duidelijkheid is in het eerste lid van artikel 4:1 ook opgenomen dat deze wettelijke termijn van 12 weken geldt bij de begrotingscyclus. b. Artikel 35, zesde lid Wgr luidt: 6. Het eerste, derde en vierde lid zijn van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting. In de gemeenschappelijke regeling kan worden bepaald ten aanzien van welke categorieën begrotingswijzigingen hiervan kan worden afgeweken. Dit zesde lid regelt dat er voor begrotingswijzigingen kan worden afgeweken van de zienswijzeplicht en de zienswijzetermijn.

De huidige GR regelt al dat in bepaalde gevallen de zienswijzeplicht bij begrotingswijzigingen niet van toepassing is (zie hieronder ook de wijziging naar aanleiding van de actualisatie onder b.) In de gevallen waarbij onder de vigerende GR MRDH wel een zienswijzeplicht geldt voor de begrotingswijzigingen geldt een zienswijzetermijn van 8 weken. Als bij de ontwerp GR bij een begrotingswijziging, in de gevallen waarbij een zienswijzeplicht van toepassing is, wordt uitgegaan van een termijn van 12 weken zoals bij de gewone begrotingsprocedure wordt gehanteerd, zal een wijziging nauwelijks mogelijk zijn binnen het lopende begrotingsjaar. Daarom wordt gekozen voor de termijn van 8 weken, die tot nu gebruikelijk is en ook

gebruikelijk is bij overige zienswijzen (zoals bijvoorbeeld in de Wgr bij wijziging van de GR). Nu zo’n wijziging gelijk is aan hoe het onder de huidige GR MRDH al geldt en vaak slechts enkele onderdelen betreft van de begroting, moet 8 weken ook goed haalbaar zijn. Het tweede lid is hierop aangepast. Naar aanleiding van de actualisatie a.

b.

De MRDH werkt met een meerjarenbegroting naast de begroting voor het komende jaar, deze is nu opgenomen in het eerste lid van artikel 4:1. Het begrip meerjarenbegroting is eveneens opgenomen in de definities in artikel 1:1. Een meerjarenbegroting is iets anders dan meerjarenraming. De meerjarenraming betreft een formele term uit het Besluit begroting en verantwoording, en verwijst naar een document dat de 3 jaar na de begroting beslaat. MRDH werkt niet met begrotingsposten maar met Programma’s. Tot op heden is deze regel in de praktijk ook altijd toegepast op programma’s. Dit is aangepast in het tweede lid van dit artikel. Overigens dient opgemerkt dat het schuiven tussen programma’s uiterst zeldzaam is. Sinds de oprichting van de MRDH is dit slechts 1 keer voorgekomen.

Artikel 5:2 ambtelijke ondersteuning Naar aanleiding van de actualisatie a. In een eerdere wetswijziging van de Wgr zijn de in artikel 5:2 genoemde bevoegdheden expliciet bij het dagelijks bestuur neergelegd in artikel 33b (voorheen was het algemeen bestuur de bevoegde). Tevens is de terminologie uit de wet overgenomen. b. Artikel 4 van de gemeentewet is per 1-1-2020 vervallen en dus verwijderd uit het tweede lid van dit artikel. Artikel 5:3 Archief Naar aanleiding van de actualisatie Het gehele artikel 5:3 is op advies van en in overleg met de archiefinspectie aangepast aan de actuele wet- en regelgeving. a. Op grond van de Archiefwet 1995 (art. 4 en 40) moet bij een gemeenschappelijke regeling een voorziening worden vastgesteld voor de archiefbescheiden. Hieronder wordt verstaan: de zorg (bestuurlijke verantwoordelijkheid), het beheer (ambtelijke verantwoordelijkheid), de bewaring en het toezicht. b. Eveneens is vastgelegd dat het algemeen bestuur een archiefverordening opstelt. c. Het tweede lid van artikel 5:3 is niet meer van toepassing sinds de Wet revitalisering generiek toezicht uit 2012. Artikel 6:2 uittreding Naar aanleiding van de wetswijziging Artikel 9 Wgr, eerste lid luidt: 1.

De regeling houdt bepalingen in omtrent wijziging, opheffing, toetreding, de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding, waaronder bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, en de deelnemende gemeenten, met inachtneming van artikel 1. MRDH had al uittreedregels. Deze zijn vastgesteld door het AB op 12 juli 2019. Deze worden nu voor een deel ongewijzigd overgenomen in de regeling. Dit met name omdat de gevolgen van uittreding, waaronder bepalingen omtrent het vermogen dienen te worden opgenomen in de GR MRDH Voorzover de uittreedregels niet worden overgenomen in de GR blijven deze gelden op basis van het tweede lid van artikel 6:2. Artikel 6:4 opheffing Artikel 9 Wgr, eerste lid luidt:

1. De regeling houdt bepalingen in omtrent wijziging, opheffing, toetreding, de voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden en de gevolgen van uittreding, waaronder bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, en de deelnemende gemeenten, met inachtneming van artikel 1. Omdat het grootste deel van de MRDH wordt gefinancierd met rijksgelden vanuit haar wettelijke taken als Vervoerautoriteit, kan worden aangenomen dat bij opheffing van de MRDH die taken teruggaan naar waar ze anders zouden liggen (de provincie) en de gelden terug naar het Rijk zullen gaan. Dat betekent dat de MRDH uitsluitend eigen, door gemeenten ingebracht, vermogen heeft op het onderdeel Economisch vestigingsklimaat. Daarom kan ook alleen over dat stukje een bepaling over de verdeling van het vermogen worden opgenomen. Daarom wordt voorgesteld om aan artikel 6:4 een zesde lid toe te voegen die luidt: 6. Voor zover financiële gevolgen, zowel in negatieve als positieve zin, gekoppeld zijn aan de taak economisch vestigingsklimaat zal deze verdeeld worden over de gemeenten naar rato van de inwoneraantallen zoals opgenomen in de laatste voor de opheffing vastgestelde reguliere begroting.

Artikel 8:1 periodieke evaluatie Naar aanleiding van de actualisatie Doordat de eerste evaluatie na 2 jaar werd gehouden, bleek de vijfjaarlijkse evaluatie niet uit te komen op 2024 (moment van de speciale evaluatie) om te voorkomen dat dit leidt tot verwarring, is gekozen om die eerste evaluatie (die overigens wel heeft plaatsgevonden) te schrappen zodat tellend vanaf 2024 gewoon elke 5 jaar geëvalueerd wordt. Het laatste zinnetje van artikel 8:1 wordt daarom geschrapt. Artikel 8:2 toezending ex artikel 26 van de wet Naar aanleiding van de actualisatie Artikel 8:2 is de naam van het ministerie aangepast aan de huidige naam van het ministerie. Artikel 8:4 Naar aanleiding van de wetswijziging In het eerste lid van artikel 8:4 wordt voor inwerkingtreding verwezen naar de wet afschaffing plusregio’s. Deze wet is in december 2014 in werking getreden. De nu voorliggende versie van de GR dient conform de wetswijziging in werking te treden op 1 juli 2024. Het eerste lid van artikel 8:4 is hierop aangepast.

concept- Nota van beantwoording •

Zienswijzen concept-ontwerp wijziging Gemeenschappelijke Regeling MRDH

Inleiding Op 18 januari 2022 zijn de Wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen en enige andere wetten in verband met het versterken van de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen gepubliceerd. Deze wijziging is op 1 juli 2022 in werking getreden. De MRDH heeft twee jaar de tijd gekregen om, vanaf het moment van inwerkingtreding van deze wet, de Gemeenschappelijke regeling MRDH 2014 in overeenstemming te brengen met deze wet. Daartoe is een concept-ontwerp wijziging van de Gemeenschappelijke Regeling MRDH opgesteld. Zienswijzen De concept-ontwerp wijziging van de gemeenschappelijke regeling is vanaf 11 september 2023 ter zienswijze voorgelegd aan de 21 gemeenteraden van de gemeenten die samenwerken binnen de MRDH. De zienswijzeperiode duurde negen weken en eindigde op 13 november 2023. Van 17 gemeenten is een zienswijze ontvangen, van 4 gemeenten is geen reactie ontvangen. In een aantal gevallen is het ontwerp aangepast op de zienswijzen van de gemeenten. Dan wordt in de reactie van het algemeen bestuur, dit artikel getoond met in rood de wijzigingen. Omdat soms meerdere gemeenten hebben gereageerd op een bepaald artikel, kan het zijn dat er meer rode wijzigingen zichtbaar zijn dan in die specifieke zienswijze wordt gevraagd.

Een aantal gemeenten heeft naar aanleiding van deze zienswijze onderwerpen aangedragen om te behandelen in de evaluatie MRDH2024. Deze zullen door het algemeen bestuur worden meegenomen in die evaluatie. In de Nota van Beantwoording is een lijst opgenomen met de ingebrachte onderwerpen. In de Nota van Beantwoording zijn de volgende afkortingen gehanteerd: • GR = Gemeenschappelijke Regeling van de MRDH • huidige GR = de nu geldende GR • nieuwe GR = het ontwerp dat nu voorligt • Wgr = Wet gemeenschappelijke regelingen • RvO = Reglement van Orde • Va = Vervoersautoriteit • EV= Economisch Vestigingsklimaat • Gremia: o AB = Algemeen bestuur o AcVa = Adviescommissie Vervoersautoriteit o AcEV = Adviescommissie Economisch Vestigingsklimaat Er zijn ook nog twee wijzigingen opgenomen vanwege vergissingen die door de MRDH zelf zijn opgemerkt.

Albrandswaard Van de gemeente Albrandswaard is geen zienswijze ontvangen.

Barendrecht Hierbij ontvangt u onze zienswijze op het ontwerp voor de wijziging van de gemeenschappelijke regeling MRDH (hierna: GR MRDH). We kunnen ons goed vinden in de gekozen beleidsarme aanpak van deze wijziging. We geven u met deze zienswijze graag een aantal voorstellen ter verbetering mee. Daarnaast willen we ter voorbereiding op de voorziene evaluatie in 2024 al een aantal aandachtspunten meegeven. Reactie algemeen bestuur Het algemeen bestuur dankt u voor uw uitgebreide reactie. Mogelijkheid gemeenten initiëren adviescommissie Het huidige artikel 24 van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr) biedt de mogelijkheid om commissies in te stellen die advies kunnen geven aan het algemeen bestuur (hierna: AB). We willen elke gemeenten de ruimte bieden om een adviescommissie te initiëren. Hoewel het onze voorkeur heeft thema’s via de reguliere overleggen te agenderen willen we niet op voorhand een adviescommissie onmogelijk maken. Reactie algemeen bestuur De vier huidige adviescommissies van de MRDH (Va, EV, bezwaarschriftencommissie en Rekeningcommissie) beslaan alle beleidsterreinen van de MRDH. Het staat deelnemers aan de GR altijd vrij, al dan niet gezamenlijk, het algemeen bestuur te verzoeken een extra adviescommissie in het leven te roepen. Die kan dan op dat moment het voorstel van de gemeenten wegen en daarop beslissen.

Deze mogelijkheid tot het instellen van een adviescommissie is op basis van de wet, artikel 24 Wgr, altijd mogelijk. Dit hoeft daarom niet opgenomen te worden in de GR. Participatie/inspreken door burgers Als op dit moment in de RvO van de regeling het onderdeel participatie/ inspreken door burgers is opgenomen, dan moet dat nu in de regeling worden opgenomen. De mogelijkheid voor inspreken door burgers in het algemeen bestuur dienen we altijd mogelijk te maken in het kader van transparant en toegankelijk besturen. Reactie algemeen bestuur We delen het belang zoals u dat beschrijft. Deze onderdelen zijn in de wijziging van de GR opgenomen (artikel 2:2a Inspraak door belanghebbenden en ingezetenen). Informatie- en verantwoordingsplicht aan gemeenteraden; schriftelijke vragen raadsleden Wij achten het onwenselijk dat raadsleden schriftelijke vragen direct stellen aan de MRDH. Dit ondermijnt naar onze mening de controlerende functie van de raden ten opzichte van de colleges. Raadsleden kunnen via hun vertegenwoordiging in de Adviesraden zaken agenderen en voor hun controlerende taak dit via de bestuurders van hun gemeente laten lopen. Reactie algemeen bestuur Uiteraard is het niet de bedoeling om met de wijziging van de GR de gemeentelijke controle en verantwoordingslijnen te doorkruisen. De MRDH is verlengd lokaal bestuur. Art.

2.2 voorziet alleen in het geval dat de raden of raadsleden informatie direct van de bestuursorganen van de MRDH wensen te verkrijgen. Daarbij worden de vertegenwoordigers van uw gemeenten dus aangesproken in de rol van bestuurder van de MRDH. Dit is overigens in lijn met de huidige praktijk binnen de GR.

Uiteraard kunnen raden en raadsleden hun eigen vertegenwoordigers in de MRDH bevragen op grond van de Gemeentewet en de daaruit voortvloeiende verantwoordingslijnen. Dit staat los van dit artikel waar juist bevraging van het MRDH bestuur aan de orde is en deze zelfde mensen dus als MRDH-bestuurder worden bevraagd. Er wordt daarom voorgesteld dit artikel als volgt te verduidelijken. Artikel 2:2 Informatie- en verantwoordingsplicht aan gemeenteraden 1. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter geven aan de vertegenwoordigende organen gevraagd en ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het betreffende bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is, door middel van toezending van die informatie aan de voorzitters van de vertegenwoordigende organen via de griffie. De begrotingen, de bestuursrapportages, de strategische agenda’s, de jaarrekening en de evaluaties van de gemeenschappelijke regeling dienen in ieder geval beschouwd te worden als informatie die voor een juiste beoordeling van het door het betreffende bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. 2. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de vertegenwoordigende organen alle inlichtingen die door een of meer leden van die organen worden verlangd. 3.

De onder het tweede lid bedoelde verstrekking geschiedt schriftelijk door de eigen vertegenwoordiger van de gemeente in het bestuursorgaan van de MRDH, vanuit diens rol van bestuurder van de MRDH, op de voor deze gemeente gebruikelijke wijze. De bevraagde vertegenwoordiger doet terstond melding aan de MRDH, van de gestelde vragen en eveneens van het daarop gegeven antwoord. Indien de vertegenwoordiger verzuimt binnen een termijn van 6 weken de gevraagde inlichtingen te verstrekken, of in het geval van het dagelijks bestuur er geen bestuurder van de betreffende gemeentezitting heeft in dit bestuursorgaan, kunnen de leden zich schriftelijk richten tot het betreffende bestuursorgaan van de Metropoolregio zelf. 4. De onder het derde lid beschreven procedure wijzigt of vervangt niet de mogelijkheden, noch de procedures vanuit de Gemeentewet en gemeentelijke regelgeving die de vertegenwoordigende organen hebben vanuit de controlerende functie naar hun eigen gemeentelijke bestuursleden die als lokale vertegenwoordiger in de bestuursorganen van de MRDH zitting hebben. 5. De onder het derde lid gestelde vragen en de naar aanleiding daarvan gegeven antwoorden worden door de Metropoolregio gedeeld met de raden vertegenwoordigende organen via een online gedeelde lijst van vragen en antwoorden.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de bestuurscommissies, bedoeld in artikel 2:7. Input evaluatie De inzet is zoals aangegeven in de aanbiedingsbrief een beleidsarme doorvoering van de wijzigingen van de Wgr in de GR MRDH. De MRDH wil in 2024 een evaluatie uitvoeren, daarbij zullen zaken die van invloed zijn op de GR MRDH opnieuw worden voorgelegd via een zienswijze procedure. Twee aandachtspunten geven we op voorhand graag mee ter agendering bij de evaluatie van de MRDH: • Het huidige artikel 24 van de Wgr biedt de mogelijkheid om commissies in te stellen die advies kunnen geven aan het algemeen bestuur. Het kan wenselijk zijn om ruimere mogelijkheden te creëren voor het instellen van commissies, ook op initiatief van enkele gemeenten. Dit kan een bespreekpunt zijn bij de evaluatie. • Artikel 6.2 gaat in op de aanpak en kosten bij eventuele uittreding van een gemeente. Nu staat "Het dagelijks bestuur benoemt daartoe een projectgroep onder leiding van een onafhankelijke extern financieel deskundige". De kosten hiervoor zijn voor de uittredende partij. Bespreekpunt bij evaluatie is dat algemeen bestuur en uittreder gezamenlijk komen tot de keuze van een deskundige.

Reactie algemeen bestuur Het algemeen bestuur dankt u voor de input voor de Evaluatie GR 2024. Wij zullen deze inhoudelijke punten meenemen in dat proces.

Capelle aan den IJssel Van de gemeente Capelle aan den IJssel is geen zienswijze ontvangen.

Delft Positieve aanpassingen in de werkwijze rond de adviescommissies Wij maken van de gelegenheid gebruik om ook ons positieve geluid te laten horen over enkele (recente) aanpassingen in de werkwijze, waarmee de leden van de adviescommissies: - een inhoudelijke jaarplanning ontvangen, waarbij ook de planning van de bestuurscommissies is betrokken. - vaker op de agenda van de vergadering kunnen zien hoe bespreking is voorzien, wat het doel is van bespreking, en op welke wijze advisering wordt gevraagd. - een preadvies ontvangen met een bundeling van adviesvoorstellen die vooraf door de leden uit hun midden zijn aangedragen. - t.b.v. advisering aan het algemeen bestuur na een zienswijzeprocedure een agendapost ontvangen, met daarin ‘rode draden’ uit de zienswijzen - via de ontvangst van bestuursrapportages meer tussentijds inzicht in de voortgang van beleidsuitvoering en de financiën hebben. Reactie algemeen bestuur Het algemeen bestuur dankt u voor de positieve feedback. Algemeen Voor zover de nieuwe Wgr vereist om een werkwijze vast te leggen (namelijk ten aanzien van zienswijzen, participatie, informatieplicht, evaluatie en uittreding) ondersteunt Delft veelal de manier waarop u de bestaande reglementen en de werkpraktijk met betrekking tot deze onderwerpen heeft vertaald naar ontwerp-wijzigingen van de GR MRDH.

Tevens spreken we onze steun uit ten aanzien van het voorgenomen gesprek over burgerparticipatie bij evaluatie 2024, zoals ook door de MRDH-Adviescommissies is geadviseerd. Uw wijzigingen zijn vooral technisch van aard. Wij zien wel graag een aantal verduidelijkingen en aanscherpingen in de vertaling van de Wgr-vereisten naar de GR MRDH en uw (beleidsarme) aanpassingen. Daarbij ligt onze focus op de versterking van de rol van gemeenteraden en hun vertegenwoordigers in de MRDH-Ac’s: via informatievoorziening en de impact van hun kaderstelling en advisering. Reactie algemeen bestuur Het algemeen bestuur dankt u voor uw positieve reactie en input. Informatie-en verantwoordingsplicht aan gemeenteraden Zienswijze: verduidelijking procesvoorstel rond de informatieplicht. Informatie- en verantwoordingsplicht aan gemeenteraden, GR Artikel 2:2 De Wgr-bepalingen over de passieve informatieplicht (informatie n.a.v. vragen) vult u in via artikel 2.2. lid 3 ontwerp-GR. Uw ontwerp-artikel gaat ervanuit dat vragen van raadsleden aan het MRDH-algemeen bestuur in eerste instantie schriftelijk aan het eigen AB-lid (in praktijk collegelid) worden gesteld en door dat AB-lid worden beantwoord, waarbij de MRDH terstond wordt geïnformeerd over vraag en antwoord. Dit grotendeels

overeenkomstig de huidige werkwijze in het Reglement van orde van het MRDH-AB. Het huidige reglement van orde van het AB biedt wel meer mondelinge naast schriftelijke mogelijkheden voor vragen en antwoorden. In de wijze waarop die informatieverstrekking wordt voorgesteld zien wij de informatieplicht van het college op grond van de Gemeentewet en die van het AB/DB op grond van de Wgr door elkaar lopen. Dit inzicht komt voort uit aandachtspunten geuit door de Raad van State voor vaststelling van de Wgr en uit de ervaring dat andere GR-en kiezen voor een andere invulling van de Wgr-verplichting. Na een verhelderend overleg met uw medewerker, vragen wij u om de werkwijze in artikel 2:2 en de toelichting daarbij aan te passen of te verduidelijken, qua: - de twee rollen van waaruit collegeleden bevraagd worden door raadleden en/of antwoord geven: (1) als lokale (Delftse) vertegenwoordiger in het MRDH-bestuur (Gemeentewet/Verlengd lokaal bestuur) of (2) als MRDH-bestuurder (Wgr). - de mogelijkheid van mondelinge (naast schriftelijke) informatie-uitwisseling, in elk geval in de rol van het collegelid als lokale vertegenwoordiger. - in welke van bovenstaande gevallen de GR-wijziging beoogt dat een afschrift van vraag aan en antwoord door collegeleden over de MRDH, dient te worden gezonden aan de MRDH t.b.v. online publicatie door de MRDH.

De noodzaak tot deze verduidelijkingen in artikel 2:2 zijn een direct gevolg van de wijze van implementatie van de Wgr en kunnen niet wachten tot de evaluatie van 2024. Reactie algemeen bestuur Uiteraard is het niet de bedoeling om met de wijziging van de GR de gemeentelijke controle en verantwoordingslijnen te doorkruisen. Art. 2.2 voorziet alleen in het geval dat de raden of raadsleden informatie direct van de bestuursorganen van de MRDH wensen te verkrijgen. Daarbij worden de vertegenwoordigers van uw gemeenten dus aangesproken in de rol van bestuurder van de MRDH. Dit is overigens in lijn met de huidige praktijk binnen de GR. Uiteraard kunnen raden en raadsleden hun eigen vertegenwoordigers in de MRDH bevragen op grond van de Gemeentewet en de daaruit voortvloeiende verantwoordingslijnen. Dit staat los van dit artikel waar juist bevraging van het MRDH bestuur aan de orde is en deze zelfde mensen dus als MRDH-bestuurder worden bevraagd. Er wordt daarom voorgesteld dit artikel als volgt te verduidelijken. Artikel 2:2 Informatie- en verantwoordingsplicht aan gemeenteraden 1.

Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter geven aan de vertegenwoordigende organen gevraagd en ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het betreffende bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is, door middel van toezending van die informatie aan de voorzitters van de vertegenwoordigende organen via de griffie. De begrotingen, de bestuursrapportages, de strategische agenda’s, de jaarrekening en de evaluaties van de gemeenschappelijke regeling dienen in ieder geval beschouwd te worden als informatie die voor een juiste beoordeling van het door het betreffende bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. 2. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de vertegenwoordigende organen alle inlichtingen die door een of meer leden van die organen worden verlangd. 3. De onder het tweede lid bedoelde verstrekking geschiedt schriftelijk door de eigen vertegenwoordiger van de gemeente in het bestuursorgaan van de MRDH, vanuit diens rol van bestuurder van de MRDH, op de voor deze gemeente gebruikelijke wijze. De bevraagde vertegenwoordiger doet terstond melding aan de MRDH, van de gestelde vragen en eveneens van het daarop gegeven antwoord. Indien de vertegenwoordiger verzuimt binnen een termijn van 6 weken de gevraagde inlichtingen

te verstrekken, of in het geval van het dagelijks bestuur er geen bestuurder van de betreffende gemeentezitting heeft in dit bestuursorgaan, kunnen de leden zich schriftelijk richten tot het betreffende bestuursorgaan van de Metropoolregio zelf. 4. De onder het derde lid beschreven procedure wijzigt of vervangt niet de mogelijkheden, noch de procedures vanuit de Gemeentewet en gemeentelijke regelgeving die de vertegenwoordigende organen hebben vanuit de controlerende functie naar hun eigen gemeentelijke bestuursleden die als lokale vertegenwoordiger in de bestuursorganen van de MRDH zitting hebben. 5. De onder het derde lid gestelde vragen en de naar aanleiding daarvan gegeven antwoorden worden door de Metropoolregio gedeeld met de raden vertegenwoordigende organen via een online gedeelde lijst van vragen en antwoorden. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de bestuurscommissies, bedoeld in artikel 2:7. Zienswijze bij toezendingstermijn stukken Zienswijze bij toezendingstermijn stukken Algemeen bestuur, GR Art 2:3 U stelt voor de termijn voor toezending van voorstellen van het DB aan het AB formeel te verkorten van tenminste acht naar tenminste twee weken voor vaststelling door het AB. Daarbij behoudt u de uitzondering voor spoedeisende gevallen (waarmee een kortere termijn mogelijk is). Dit is overeenstemming met de huidige werkwijze.

Wij hebben twee randvoorwaarden bij uw voorstel tot formalisatie van de kortere toezendingstermijn. Dit om ruggenspraak en voorbereiding vanuit de kaderstellende en controlerende rol van de raden voor de diverse MRDH-gremia mogelijk te houden en te verbeteren: - Wij zien graag dat u het frequent gebruik van de spoed-route beperkt (minder nazendingen). Wij verzoeken u daartoe bij bovengenoemde clausule over spoedeisendheid een orde-regel op te stellen en deze orde-regel ook toe te passen op vergaderingen van andere MRDH-gremia. - Wij verzoeken u in het geval AB-advisering door de Ac’s, de vergaderingen van deze Ac’s te laten plaatsvinden tenminste 1 week voor behandeling in het DB en dit vast te leggen. Wij verzoeken u dezelfde termijn te hanteren voor de advisering door de AC aan de BC: deze dient dus ten minste 1 week voor het presidium plaats te vinden. De DB- en presidium-leden kunnen de AC-adviezen dan bij hun voorbereiding betrekken. Dit betreft minimale termijnen, met het oog op behoud van reëel doorlooptijden van processen.

Wij begrijpen dat dit zeker bij de AC-advisering over de zienswijzen bij de begroting jaarlijks een specifieke planning zal vereisen, vanwege enerzijds de wettelijk verlengde zienswijzeperiode voor de GR-begroting (+4 weken) en anderzijds de overlap van het zomerreces met de verlengde periode tot aanlevering van de begroting aan de provincie (15 september i.p.v. 1 augustus). In eerdere jaren heeft u de begroting veelal in de voorlaatste week van maart vrijgegeven voor zienswijzen. Behandeling van de zienswijzen in de Ac’s zal het ene jaar voor en het andere jaar na het reces moeten plaatsvinden, vanwege de recesplanning die volgend is aan de Nederlandse schoolvakantie spreiding. Deze aanpassing sluit direct aan op het doel van de Wgr (versterken raadskaders/controle) en aandachtspunten uit eerdere evaluaties van de GR. Directe invoering is dus passend. Mocht er vervolgens in de praktijk een nadere optimalisatie van deze termijn en werkwijze nodig blijken, kan dat alsnog worden meegenomen bij de evaluatie van 2024. Reactie algemeen bestuur Ten aanzien van het eerste punt merken we op dat de MRDH nazendingen zoveel mogelijk wil beperken en beperkt. Echter soms is het zo dat, gezien de dringendheid van een besluit of de actuele situatie waarop snel moet worden gereageerd, een nazending eigenlijk onvermijdelijk is. De MRDH werkorganisatie streeft ernaar dit toch zo weinig

mogelijk voor te laten komen, niet in de laatste plaats omdat het ook voor die werkorganisatie een veel grotere belasting van het ambtelijk apparaat betekent. De MRDH streeft altijd naar een zo tijdig mogelijke toezending van de stukken en dat de vergaderingen van de gremia qua ritme en doorlooptijd goed op elkaar aansluiten. Echter het is elk jaar weer een uitdaging om met zoveel afgevaardigden van gemeenten geschikte vergaderdata te vinden. Bij een advies van de adviescommissie is er doorgaans sprake van twee vergadercycli die door elkaar lopen, waardoor ook in 2024 heel soms zal voorkomen dat het voorstel van Delft niet altijd haalbaar is. Met betrekking tot de planning van de begroting wordt er zoveel mogelijk rekening mee gehouden dat adviescommissies voorafgaand aan het dagelijks bestuur worden gepland. Omdat de datum van 15 september erg kort op het einde van het zomerreces valt zal dit niet in alle gevallen mogelijk zijn, bijvoorbeeld als de schoolvakantie in deze regio laat valt. Zienswijze bij sturing via de ‘werkplanfunctie’ van de MRDH-begroting Strategische Agenda, Artikel 3:2 U stelt aanpassing van het artikel voor: Het woord ‘werkplan’ is vervangen door het woord ‘begroting’: “Het algemeen bestuur stelt jaarlijks een begroting {voorheen stond hier werkplan} vast op basis van de Strategische Agenda”.

Wij stellen daarbij de volgende verduidelijkende aanvulling voor: “De informatie in de MRDH-begroting en -jaarrekening dient de gemeenteraden in staat te stellen om zo nodig bij te kunnen sturen op de ambities en activiteiten uit de Strategische Agenda.” Dit geeft expliciet positie aan een belangrijk aandachtspunt vanuit de gemeenten vanuit de zienswijzeprocedure bij de Strategische Agenda, dat omarmd is door het AB, namelijk de sturing door de gemeenteraden bij de uitvoering van de zes opdrachten uit de Strategische Agenda. Reactie algemeen bestuur Het algemeen bestuur dankt u voor uw suggestie. De jaarrekening komt echter al expliciet terug in artikel 4:2 Administratie. Het algemeen bestuur stelt daarom voor artikel 3:2 lid 2 als volgt aan te vullen, door toevoeging van de navolgende tekst, die met enige aanpassing is gebaseerd op uw voorstel. De aanpassing van uw voorstel is onderstaand zichtbaar gemaakt. De informatie in de MRDH-begroting en -jaarrekening stelt dient de gemeenteraden in staat te stellen om zo nodig bij te kunnen sturen op de ambities en activiteiten uit de Strategische Agenda.

Zienswijze: Vergoeding aan de leden van de Adviescommissie Wij stellen u voor een artikel in te voegen met betrekking tot vergoedingen aan de leden van de Adviescommissie, met de volgende strekking: - De leden van de adviescommissies kunnen een door het AB vast te stellen tegemoetkoming in de kosten en/of een vergoeding voor hun werkzaamheden ontvangen met inachtneming van de bepalingen in de Wgr. In het kader van de evaluatie kan de eventuele invulling van deze AB-bevoegdheid vervolgens onderwerp van gesprek worden. De gemeenschappelijke regeling vormt door bovengenoemde wijziging niet langer een beperking voor een eventuele implementatie. Reactie algemeen bestuur De huidige adviescommissies van de MRDH, zijn adviescommissies op grond van artikel 24 Wgr. Artikel 24, vierde lid Wgr, zegt over de vergoedingen voor dit soort commissies:

De leden van commissies van advies die geen burgemeester, wethouder of lid van een gemeenteraad zijn kunnen een vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie ontvangen. (….) Dit betekent dat raadsleden (onze huidige adviescommissieleden) op grond van de wet geen vergoeding kunnen krijgen. We zullen dit punt echter wel meenemen in de Evaluatie van de Gemeenschappelijke Regeling. Steunraadsleden/ burgerraadsleden in Adviescommissies Zienswijze: steunraadsleden/ burgerraadsleden in Adviescommissies Adviescommissies, GR artikel 2:8 Wij zien dat u in praktijk de inzet van steunraadsleden in adviescommissies gedoogd. We weten de Adviescommissies nog niet tot overeenstemming zijn gekomen over het opnemen in de GR van de mogelijkheid tot inzet van steunraadsleden in de adviescommissies. - Wij stellen voor voorlopig in de GR op te nemen dat het al dan niet inzetten van steunraadleden aan afweging van de betreffende raden is en dat raadsleden en steunraadsleden die expliciet zijn aangewezen door de betreffende raad, als afvaardiging uit die raad worden gezien. Reactie algemeen bestuur Hoewel het algemeen bestuur begrip heeft voor de wens van gemeenten om steunraadsleden af te vaardigen voor de adviescommissies, vraagt dit wat het algemeen bestuur betreft om een gedegen afweging in het kader van de evaluatie van de Gemeenschappelijke Regeling.

Raadsleden zijn direct door de burger gekozen, steunraadsleden zijn dat niet. Dat betekent dat de werking van de democratische legitimatie verandert als gemeenten steunraadsleden gaan inzetten. Uit de reacties van andere gemeenten en ook uit het eerdere advies van de adviescommissies Va en EV (brief van 8 september 2023) blijkt dat er vele verschillende meningen zijn over het al dan niet accepteren van steunraadsleden als commissielid. Het algemeen bestuur zal dit onderwerp meenemen naar de Evaluatie MRDH 2024. Zienswijze: suggestie besluitvorming geconsolideerde GR, i.p.v. wijziging In uw aanbiedingsbrief uit u het voornemen om de bestuursorganen in de regio een GRwijzigingsbesluit voor te leggen. U heeft al een ontwerp van de geconsolideerde versie van de GR meegezonden, waarin alle wijzigingen en aanpassingen zijn verwerkt. Wij geven u ter overweging die ter besluitvorming aan te bieden, in plaats van een wijzigingsbesluit, en gelijktijdig de oude GR in te laten trekken. Reactie algemeen bestuur Dank voor uw input. Het algemeen bestuur zal een leesbare en werkbare vorm van een concept- wijzigingsbesluit aan u voorleggen. Vervolg op zienswijze Mocht u onze zienswijze onverhoopt op enig punt niet kunnen over nemen, vernemen wij graag van u een voorstel hoe deze betrokken wordt in het externe onderzoek in het kader van de evaluatie 2024 GR MRDH.

Dit zodat bovengenoemde onderwerpen gespreksonderwerp zijn vanaf de eerste fase van de evaluatie. Wij hebben onze zienswijzen gegeven bij uw voorstellen tot vertaling van de vereisten uit de WGR en uw overige (beleidsarme) aanpassingsvoorstellen in de GR. Onze andere voorstellen tot aanpassing van de wijze van samenwerking als MRDH-gemeenten, zullen wij inbrengen tijdens de uitvoering van de evaluatie van de GR in 2024. Ondanks verbeteringen afgelopen jaren is er volgens ons zeker nog terrein te winnen om als MRDH-gemeenten zowel de legitimiteit als de effectiviteit van de samenwerking te versterken.

Reactie algemeen bestuur Het algemeen bestuur dankt u voor uw actieve houding ten opzichte van de samenwerking en mogelijke verbeteringen daarop. Uiteraard worden alle inhoudelijk onderwerpen die nu niet meegenomen worden in de wijziging van de GR ingebracht als onderwerp in de Evaluatie GR 2024. Hiertoe is in deze Nota van Beantwoording een lijst met in de zienswijze aangedragen onderwerpen voor de evaluatie opgenomen.

Den Haag Als zienswijze op de Wijziging Gemeenschappelijke Regeling MRDH vast te stellen dat de raad akkoord gaat met de voorgestelde wijzigingen. Reactie algemeen bestuur Het algemeen bestuur dankt u voor de instemming met de voorgestelde wijzigingen. Evaluatie GR 2024 Den Haag kan zich vinden in de beleidsarme insteek van het concept-ontwerp van de gewijzigde GR en kijkt uit naar de evaluatie GR MRDH en gaat er hierbij vanuit dat deze evaluatie een beleidsrijke insteek heeft. Den Haag benadrukt het belang om de democratische legitimiteit en betrokkenheid van raden en bewoners nadrukkelijk mee te nemen in het onderzoek. Ook ziet Den Haag graag dat de resultaten van het Haagse Rekenkameronderzoek, waarin de MRDH met twee andere vervoersautoriteiten wordt vergeleken (RIS 316706), worden meegenomen in de evaluatie. Daarop aansluitend zou Den Haag graag zien dat de volgende onderzoeksvragen een plek krijgen in dit onderzoek: a. Hoe is de borging van de democratische legitimiteit en betrokkenheid van Raden in de MRDH ten opzichte van andere bestuursvormen, waaronder een regioraad? b. Welke mogelijkheden zijn er om de inspraak en burgerparticipatie in de MRDH te vergroten? Reactie algemeen bestuur Het algemeen bestuur dankt u voor de ondersteuning van de beleidsarme insteek van de wijziging van de Gemeenschappelijke Regeling.

De Evaluatie 2024 is inderdaad de plek om het gesprek te voeren over beleidsrijke onderwerpen, hier worden de onderwerpen democratische legitimiteit en betrokkenheid van raden en bewoners in meegenomen. Op 3 november 2023 heeft het algemeen bestuur het plan van aanpak vastgesteld voor de evaluatie. Het externe onderzoeksbureau wat het factbased onderzoek zal uitvoeren zal ook gewezen worden op het onderzoek van de Rekenkamer Den Haag. Eveneens zullen aan het onderzoeksbureau uw suggesties met betrekking tot het factbased onderzoek van de Evaluatie meegegeven worden. Hiertoe is aan het einde van deze Nota van Beantwoording een lijst met in de zienswijze aangedragen onderwerpen voor de evaluatie opgenomen. Participatie De MRDH te verzoeken om uiterlijk in 2025 te starten met een verbeterde vorm van participatie waarbij bewoners meer gehoor kunnen vinden bij de tafels waarop besluiten worden genomen; Reactie algemeen bestuur Vanwege de beleidsarme insteek van deze wijziging is ervoor gekozen om nu de mogelijkheden voor burgerparticipatie op te nemen, die al waren opgenomen in de reglementen van orde van de verschillende gremia van de MRDH. Participatie is één van de onderwerpen waarover tijdens de Evaluatie 2024 nader met elkaar het gesprek over gevoerd zal worden. Na afronding van dit gesprek zal duidelijk zijn hoe de MRDH in de toekomst met participatie om zal gaan.

Mogelijk kan dit dan leiden tot een aanpassing van de GR.

Krimpen aan den IJssel Het is positief om te zien dat de MRDH vooroploopt in het toepassen van de wijziging wet Gemeenschappelijke Regeling. Dat bijna alle wijzigingen al zijn opgenomen in de GR MRDH sterkt onze overtuiging dat we op de juiste weg zitten met onze samenwerking. Reactie algemeen bestuur Het algemeen bestuur dankt u voor uw zienswijze en uw positieve reactie. Reactie op voorstellen van de adviescommissies ter voorbereiding op de evaluatie Wij achten het voor onze gemeente onwenselijk dat raadsleden schriftelijke vragen direct stellen aan de MRDH. Dit ondermijnt naar onze mening de controlerende functie van de raden ten opzichte van de colleges. De raden wijzen de burgemeesters en portefeuillehouders aan als leden van respectievelijk het algemeen bestuur en de bestuurscommissies. De collegeleden zijn daarmee het verantwoordelijke aanspreekpunt voor de raden wanneer zij vragen hebben over (het functioneren van) de GR. Reactie algemeen bestuur Uiteraard is het niet de bedoeling om met de wijziging van de GR gemeentelijke controle en verantwoordingslijnen te doorkruisen. MRDH is verlengd lokaal bestuur. Art. 2.2 voorziet alleen in het geval dat de raden of raadsleden informatie direct van de bestuursorganen van de MRDH wensen te verkrijgen. Daarbij worden de vertegenwoordigers van uw gemeenten dus aangesproken in de rol van bestuurder van de MRDH.

Dit is overigens in lijn met de huidige praktijk binnen de GR. Uiteraard kunnen raden en raadsleden hun eigen vertegenwoordigers in de MRDH bevragen op grond van de Gemeentewet en de daaruit voortvloeiende verantwoordingslijnen. Dit staat los van dit artikel waar juist bevraging van het MRDH bestuur aan de orde is en deze zelfde mensen dus als MRDH-bestuurder worden bevraagd. Er wordt daarom voorgesteld dit artikel als volgt te verduidelijken. Artikel 2:2 Informatie- en verantwoordingsplicht aan gemeenteraden 1. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter geven aan de vertegenwoordigende organen gevraagd en ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het betreffende bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is, door middel van toezending van die informatie aan de voorzitters van de vertegenwoordigende organen via de griffie. De begrotingen, de bestuursrapportages, de strategische agenda’s, de jaarrekening en de evaluaties van de gemeenschappelijke regeling dienen in ieder geval beschouwd te worden als informatie die voor een juiste beoordeling van het door het betreffende bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is. 2. Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de vertegenwoordigende organen alle inlichtingen die door een of meer leden van die organen worden verlangd. 3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=fed2f684-69b2-4cdc-9223-2216a330d6bf