CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[24bb001260] Bijlage 1 behorende bij 24bb001259 over Rapportage evaluatie Lekker Fit! 2005-2017

Commissie Zorg, Welzijn, Cultuur en Sport (2022 - 2026) 20 maart 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Sport24.892 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Kralingen - Crooswijk – pilot verbinding preventie en curatie Voor het gebied Kralingen-Crooswijk is in het najaar van 2017 de pilot ketenaanpak verbinding preventie-curatie gestart voor kinderen met ernstig overgewicht/obesitas. Deze pilot is gebaseerd op ‘Integrale Ketenaanpak voor kinderen met Overgewicht en Obesitas’ (Gem A’dam, Care4Obesity (C4O) en JOGG). De pilot richt zich op het wegnemen/inzichtelijk maken van obstakels en het vinden van een goede verbinding tussen preventie en zorg en visa versa. Het accent ligt op het uitwerken hoe de zorgstructuur op de school, indien nodig, kan worden aangepast waarin ieder zelfstandig vanuit de eigen rol in samenwerking met anderen het gezamenlijke doel kan realiseren, wat niet afzonderlijk te bereiken is. De aanleiding voor de pilot: - Bij LF! basisonderwijs ligt het accent op preventie, het bevorderen van de gezonde leefstijl voor leerlingen. De toenemende aandacht op bestrijding van overgewicht vraagt om meer in te zetten op een verbinding tussen preventie (BMI uitkomsten van de Fittest) en doorverwijzing naar 1ste en 2e lijnszorg te realiseren. - De LF! basisscholen zien steeds meer het belang in om een gezonde leefstijl mee te geven, voor een goede toekomst van hun leerlingen, mede door de toename van het overgewicht van leerlingen.

De scholen ervaren dat meer inzet/begeleiding noodzakelijk is dan nu vanuit het programma LF! Het CJG wil effectiever deelnemen aan de overlegstructuur van de school en de mogelijkheden vanuit het programma LF! inzetten in de aanpak van overgewicht/obesitas. - Vanuit het CJG zijn zorgen geuit over overgewicht/ obesitas in het gebied. De zorgen omvatten het niet kunnen realiseren van duurzaam resultaat ten aanzien van de aanpak overgewicht. Pilot zorgstructuur op scholen in IJsselmonde De projectleider Lekker Fit! heeft samen met de LF! docenten, CJG Jeugdverpleegkundigen, diëtisten, Intern Begeleiders (IB-ers) en schooldirecties mogelijkheden onderzocht voor het bieden van passende ondersteuning/zorg binnen de omgeving van de LF! scholen. De essentie is om gebruik te maken van elkaars expertise om te komen tot de beste en juiste zorgverlening voor het betreffende kind en/of ouder. Op 12 LF! scholen is dit kleinschalig uitgetest Een van de punten die uit de pilot “verbeteren samenwerking met het CJG in de schoolomgeving” is gekomen, is het onvoldoende gebruik maken van de bestaande zorgstructuur op de school. Het bespreken van de kinderen met overgewicht of obesitas, die volgen uit de fittest, met de IB-er(s) van de school wordt gezien als meerwaarde.

Verder komt naar voren dat de LF! docent niet de aangewezen persoon is om de doorgeleiding van deze doelgroep te kunnen realiseren. Voor de IB-er geldt dat binnen de bestaande werkzaamheden er onvoldoende ruimte is om dit goed te kunnen

22

oppakken. Momenteel wordt bekeken hoe de rol van centrale zorgverlener kan wordt ingevuld (coördinatie/doorverwijzing).

2.10

Overige maatregelen

Publiek-private samenwerking Publiek private samenwerking (PPS) betekent dat er sprake is van een samenwerkingsconstructie, waarbij organisaties met verschillende disciplines en onderliggende belangen samenwerken om één gezamenlijk maatschappelijk relevant doel te bereiken. Diverse publieke – en private partijen hebben de afgelopen jaren meegewerkt aan het programma Rotterdam lekker Fit!. In 2012 zijn 9 samenwerkingsovereenkomsten afgesloten met partijen als: Unilever, Zilveren Kruis Achmea, Nutricia en KindeRdam. Met deze partners is een convenant getekend om de samenwerking en inzet te bekrachtigen. Dankzij Unilever zijn gedurende vier schooljaren kookworkshops voor kinderen op basisscholen gegeven. Unilever levert een bijdrage aan de bestrijding van overgewicht en bewegingsarmoede onder de Rotterdamse jeugd door middel van het delen van kennis, expertise en betrokkenheid. Ook heeft Unilever in samenwerking met de WUR onderzoek laten uitvoeren over het ontbijtgedrag van kinderen in het gebied Feijenoord. Zilveren Kruis Achmea heeft gedurende drie schooljaren judoclinics op Lekker Fit! basisscholen aangeboden en heeft meegedacht over de opzet van een ketenaanpak rond overgewicht in Rotterdam.

Nutricia is een belangrijke partner voor Lekker Fit! 0-4 en heeft de aanpak van het programma rond de 'Smakelijke Moestuin' mede mogelijk gemaakt, met het doel jonge kinderen meer groente te laten eten. Ook leveren zij kennis over voeding. KindeRdam heeft zich gecommitteerd om op haar kinderdagverblijven de Lekker Fit! 0-4 aanpak te integreren in het dagprogramma. Ook heeft KindeRdam bijgedragen aan de ontwikkeling van deze aanpak. Peuter en Co, Prokino en diverse andere kinderopvangorganisaties hebben zich op een later moment gecommiteerd aan de integratie van de Lekker Fit!-aanpak in hun dagprogramma. Daarnaast zijn er 6 convenanten afgesloten (light versie samenwerkingsovereenkomst) met Albeda College, Bram Stolk Foodservice, Bakkerij Klootwijk, Dietheek, Prokino en Evides. Het Albeda College biedt studenten aan die onder andere de Final begeleiden. Met Evides is intensief samengewerkt rond de watercampagne voor de scholen. Intussen werkt Evides nog steeds aan het bevorderen van water drinken, onder andere door het plaatsen van watertappunten op enkele plekken in de buitenruimte. In 2017 zijn er nog 2 partners bijgekomen: InHolland en de Rotterdamse diëtist. Daarnaast kennen verschillende projecten binnen Rotterdam Lekker Fit! lokale partners. Dit zijn instellingen die op wijkniveau actief bijdragen aan de projecten.

In de bijlage is een overzicht opgenomen van de publieke en private samenwerkingspartners van Lekker Fit!. In aanloop naar de ondertekening van het convenant Stop Kindermarketing is minimaal geïnvesteerd in de samenwerking met private partners. In het kader van deze overeenkomst is gewerkt aan een gezamenlijke koers met JOGG en de G4. Er is tevens een nieuwe gemeentelijke visie nodig op de samenwerking met private partners. Dit visietraject voor beleid op PPS is nog niet afgerond. Met publieke partners is de samenwerking juist op wijkniveau versterkt. Voorbeelden daarvan zijn sportverenigingen en welzijnspartners in de wijken. Onderzoek en monitoring Onderzoek is een belangrijk onderdeel van Rotterdam Lekker Fit!. Met de resultaten van verschillende gerichte onderzoeken naar het gelopen proces, de resultaten en de effecten van de Lekker Fit! maatregelen kan de inzet worden onderbouwd en waar nodig worden verbeterd. 23

Onderzoek maakt onderdeel uit van de verschillende maatregelen binnen het programma Rotterdam Lekker Fit!. Daarbovenop is een afzonderlijk onderzoeksbudget beschikbaar voor onderzoek naar algemene vraagstukken en nieuwe trends en ontwikkelingen rond de bevordering van een gezond gewicht onder de Rotterdamse jeugd. Om structureel zicht te houden op het programmaverloop en bij te kunnen sturen waar nodig, worden de resultaten gemonitord. De overgewichtcijfers worden bijgehouden, maar ook de resultaten in de uitvoer door de partners worden gemonitord. Zo kan worden bijgehouden wat het effect is van de inzet en interventies. Hiervoor zijn en worden verschillende monitoring-instrumenten ontwikkeld. Het is belangrijk hierin dat de wijze van monitoring toekomstbestendig is en dus ook bij een minder intensieve samenwerking met de gemeente uitgevoerd kan worden en sturing mogelijk is. Monitoring is opgesplitst in de volgende deelgebieden: 1. Werkwijze voor monitoring van overgewicht en doorverwijzing; De huidige wijze van monitoring gebeurt nu op twee manieren: metingen door het CJG op 2en 5 jarige leeftijd en in groep 7 (wordt ingevoerd in Kidos) en jaarlijks metingen op Lekker Fit!-scholen door de school-diëtisten. 2.

Leerlingvolgsysteem BO; De huidige test, de fitmeter, voldoet anno 2017 niet meer voldoende als leerlingvolgsysteem voor de vakleerkracht om het kind te volgen in de motorische (en sociale) ontwikkeling en hierop indien nodig actie te ondernemen. Er wordt gewerkt aan een verbeterd leerlingvolgsysteem. 3. Monitoring van uitvoering bij kinderopvang; De kinderopvang ontvangt na de 3-jarige begeleiding geen subsidie meer van de gemeente. Door monitoring van de uitvoer blijft er zicht of de veranderde werkwijze in stand blijft en kan er op gestuurd worden als dit niet zo blijkt te zijn. Er wordt gewerkt aan een optimaal proces. 4. Monitoring van prestaties in het kader van toekenning van subsidie voor het basisonderwijs; De basisscholen ontvangen onder andere subsidies voor de vakleerkracht, materialen en het lespakket. In relatie hiermee en in het kader tot de borging van de aanpak op de scholen denkt de gemeente Rotterdam na over minimale prestatieafspraken voor scholen en hoe dit te monitoren.

Alliantie Stop Kindermarketing In maart 2017 heeft de gemeente Rotterdam zich aangesloten als partner bij de alliantie ‘Stop Kindermarketing ongezonde voeding’. Rotterdam ondersteunt hiermee de ambitie om kinderen te beschermen tegen marketing van voedingsmiddelen die geen positief effect hebben op de gezondheid en te streven naar een omgeving waar kinderen gezond kunnen opgroeien. Rotterdam geeft invulling aan het partnerschap, door: 1. Gezonder aanbod in de kantines van gemeentelijke accommodaties; Gemeentelijke accommodaties (sport en kinderboerderijen) Rotterdam is in 2017 gestart met het gezonder en aantrekkelijker maken van het productenaanbod in kantines van gemeentelijke accommodaties. In deze accommodaties wordt gewerkt aan een gezonde uitstraling door een aanpassing van het assortiment en promotie van gezonde producten. Het aanbieden van gezonde alternatieven geeft de mogelijkheid voor de bezoekers om een gezonde keuze te maken. In het project is aansluiting gezocht bij het landelijk initiatief vanuit de stichting Jongeren op gezond gewicht (JOGG): Team:Fit. Het gaat om de volgende accommodaties: 1. Zwembaden 24

Na het behalen van het ‘gouden’ certificaat door Sportcentrum West is in de tweede helft van 2017 gestart met de uitbreiding van de gezondere kantine naar 5 zwembaden. 2. Sporthallen/sportcentra In november 2017 is met de begeleiding van de gezondere kantine in 8 sporthallen en sportcentra gestart. 3. NME locaties In november 2017 is met de begeleiding van de gezondere kantine van 5 kinderboerderijen gestart. Sportverenigingen Landelijke programma’s zoals ‘de gezonde sportkantine van Team:Fit (JOGG)’ en ‘Lekker Bezig (KNVB-Sligro)’ richten zich specifiek op de aanpak gezonde kantines in de sportclubs/verenigingen. 2. Jeugdsportevenementen kindermarketingvrij; Het streven is in de toekomst geen kindermarketing van ongezonde producten toe te staan tijdens Rotterdamse (sport)evenementen voor kinderen tot 13 jaar of (sport)evenementen waar meer dan 25% van de bezoekers kinderen zijn. De mogelijkheden van het huidige beleid en regelgeving ten aanzien jeugdsportevenementen en ongezonde voeding worden in beeld gebracht en leiden tot een plan van aanpak en tot beleid in 2018.

Communicatie Communicatie heeft als doel om een breed draagvlak te verkrijgen voor de inzet op een Lekker Fitte basis voor kinderen. De communicatiestrategie voor het programma is gericht op informeren, verbinden en verleiden. Informeren over en bewust maken van een Lekker Fitte basis en laten zien wat ouders en hun kinderen hier zelf aan kunnen doen. Daarnaast vindt er informatie plaats over het programma (beleid van de gemeente). De communicatie is er ook op gericht om partijen binnen en buiten de gemeente te verbinden zodat de communicatie inspanningen voor een Lekker Fitte basis elkaar versterken (verbinden van (bewoners)initiatieven in de stad en het gebruik van ambassadeurs/key-personen in het gebied). Daarnaast worden ouders en hun kinderen tot gezond gedrag verleid, evenals de samenwerkingspartners om de gezonde keuze de makkelijkste keuze te maken voor de Rotterdamse jeugd en gezinnen. Dat laatste gebeurt door de inzet van sociale marketing technieken.

2.11

Conclusie

In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van de programma-onderdelen van Lekker Fit! en hoe deze zich verhouden tot de uitkomstmaten: overgewicht, voeding en bewegen. Van deze onderdelen is nagegaan wat het bereik is in aantal kinderen, ouders en bezoekers dat met dit aanbod wordt bereikt. Lekker Fit! Rotterdam kenmerkt zich door een doorlopende leerlijn; de activiteiten richten zich op het jonge kind tot en met jongeren van 19 jaar en op ouders en bezoekers in de wijk. In Rotterdam voeren 145 kinderdagverblijven en peuterspeelzalen Lekker Fit! activiteiten uit en zijn er 94 Lekker Fit!-basisscholen. Er waren tot schooljaar 2015-2016 23 Rotterdamse VO-scholen actief met een Lekker Fit!-VO-aanpak. Daarnaast vindt de Lekker Fit!-Gebied aanpak plaats in 4 gebieden, namelijk: Feijenoord, Delfshaven, IJsselmonde en Kralingen-Crooswijk.

25

Ten aanzien van drie programma-onderdelen mag het bereik Lekker Fit! groot worden genoemd. Het gaat dan om: Lekker Fit!-peuterspeelzalen en Kinderdagverblijven, - Basisonderwijs en - Gebied. Op basis van effectstudies mogen deze drie projecten ook zeker effectief worden genoemd op het bereiken van één of meer doelstellingen van Lekker Fit! De LF!-aanpak van kinderen van -9 maanden tot 2 jaar, buiten de kinderdagopvanglocaties, staat nog in de kinderschoenen. Daarom streeft de gemeente Rotterdam om meer Lekker Fit!-activiteiten voor deze doelgroep te ontwikkelen en in te zetten. De LF!- interventies in het VO hebben wel significante effecten op voeding en in mindere mate ook op beweging. De geringe belangstelling voor deelname door scholen, maakte het bereik beperkt. Dat laatste is een belangrijke reden is geweest voor het stopzetten van deze interventie. De bestaande contacten met de scholen en leerlingen zijn weliswaar benut om de gezonde leefstijl op de agenda van de VO-scholen te laten staan. Daarnaast is er nog een aantal algemene initiatieven, zoals: de publiek-private samenwerking, onderzoek en de Alliantie Stop Kindermarketing. Op het gebied van monitoring zijn er verschillende onderdelen in het oriënterende en ontwikkelstadium.

26

3 Implementatie van Lekker Fit! Basisonderwijs en de relatie met overgewicht Lekker Fit! voor het Rotterdamse basisonderwijs is het omvangrijkste en langstlopende project van het gehele programma. In 2005 is gestart met de basisschoolaanpak en in 2010 was de helft van de Rotterdamse basisscholen Lekker Fit! Inmiddels zijn er 94 Lekker Fit! scholen (100 schoollocaties). In de volgende paragraaf wordt omschreven in hoeverre Lekker Fit! is geïmplementeerd op de deelnemende basisscholen. In hoofdstuk 3.2 wordt de relatie tussen de implementatie van Lekker Fit! en de trend in overgewicht bekeken.

3.1

De implementatie van Lekker Fit! op Rotterdamse Lekker Fit! basisscholen

De Lekker Fit! aanpak voor het basisonderwijs is opgebouwd uit 10 pijlers. Daarnaast is er een aparte pijler voor de kleuteraanpak. Per pijler zijn prestatie indicatoren vastgesteld. In tabel 3.1 staat per pijler hoeveel procent van de 100 schoollocaties in het schooljaar 2016-2017 voldeed aan de pijlers. Een schoollocatie voldoet aan een pijler als de schoollocatie aan minstens 1 bijbehorende prestatie indicator voldoet. Daarnaast staat in deze tabel het aantal kinderen dat bereikt wordt door het voldoen aan deze pijler. Verder staat in deze tabel het percentage schoollocaties dat voldoet aan de individuele prestatie indicatoren van de pijlers. Het percentage schoollocaties dat aan een pijler voldoet, varieert van 18% bij de pijler Onderzoek tot 98% bij de pijler Extra bewegingsonderwijs. Het aantal kinderen dat per pijler bereikt wordt, varieert van ongeveer 4.600 kinderen tot 23.000 kinderen. Bij het percentage van de pijler Onderzoek dient de kanttekening te worden gemaakt dat niet alle scholen zijn gevraagd aan een onderzoek deel te nemen. Dit betekent dat een school die niet voldoet aan de pijler Onderzoek, mogelijk wel bereid is hieraan deel te nemen, maar hiervoor niet is gevraagd.

Tabel 3.1 Het percentage schoollocaties dat aan een pijler voldoet, het bereik van de pijlers en het percentage schoollocaties dat aan de prestatie indicatoren voldoet Pijler Voldoet aan Aantal Nr Prestatie indicator Voldoet aan 1 pijler kinderen prestatie indicator 98% 18.091 1 Drie beweegmomenten 98% Extra bewegingsonderwijs 2 Vierde beweegmoment 85% 2 80% 21.659 3 Gesprekscyclus GNS 62%2 Gymleerkracht nieuwe stijl (GNS) 4 Vakwerkplan2 32%2 5 LF! in de school 58% 70% 18.144 6 Lesboekjes behandeld en Lespakket getoetst door GNS 3 3 65% 11.312 7 Minstens 2 beweegclinics voor Schoolsport alle groepen 3-8 30% 5.632 8 Soort SSV4 28%4 Schoolsportvereniging 9 Voldoet SSV4 29%4 91% 23.002 10 Ouders krijgen 2 keer per jaar LF! Monitoring rapport 5 5 18% 4.618 11 School stelt tijd beschikbaar voor Onderzoek onderzoek 91% 22.981 12 Fittest 90% Schooldiëtist 13 Zorggesprekken 74% 27

Pijler

Voldoet aan pijler1

Aantal kinderen

Nr

Prestatie indicator

Voeding

72%

18.500

Oudervoorlichting

83%

21.650

14 15 16 17 18

LF! groente en fruit LF! water LF! trakteren Workshop Communicatie

LF! Kleuters

78%

5.463

19 20 21

Deelname Aantal beweegmomenten Les gegeven door groepsleerkracht

1

Er moet aan minstens 1 bijbehorende prestatie indicatoren worden voldaan om aan een pijler te voldoen.

2

Nieuwe prestatie indicator; hier is nog niet opgestuurd, mogelijk onbetrouwbare registratie.

Voldoet aan prestatie indicator 50% 56% 53% 68% 73%

3 Wordt vanuit het programma Lekker Fit! niet actief opgestuurd. 4 Door het programma Lekker Fit! wordt bepaald welke scholen in aanmerking komen voor een

schoolsportvereniging. 5 Scholen die voldoen aan deze indicator zijn gevraagd om deel te nemen aan onderzoek. De andere scholen

zijn niet gevraagd voor deelname.

Zoals te zien is in tabel 3.1 wordt er dus niet op alle schoollocaties aan alle indicatoren (tegelijk) gewerkt. In de voetnoten van de tabel is te zien dat een aantal indicatoren mogelijk niet goed geregistreerd is. Voor andere indicatoren geldt dat een schoollocatie er alleen aan kan voldoen selectie door Lekker Fit! In tabel 3.2 is het aantal prestatie indicatoren waaraan schoollocaties voldoen te zien. De prestatie indicatoren waaraan niet alle schoollocaties kunnen voldoen of die mogelijk niet goed zijn geregistreerd (nr 3, 4, 7, 8, 9, 11 en 19), zijn hierin niet meegenomen. Een schoollocatie kon dus maximaal aan 14 prestatie indicatoren voldoen. Twee schoollocaties voldoen aan alle prestatie indicatoren. Ongeveer de helft van de schoollocaties voldoet aan 11-13 prestatie indicatoren. Er zijn echter ook een aantal locaties die aan slechts 1-5 prestatie indicatoren voldoen. Hierin zijn 2 schoollocaties meegeteld die inmiddels gestopt zijn met Lekker Fit! Op vier scholen was sprake van wisseling van directie en/ of gymleerkracht nieuwe stijl, waardoor er tijdelijk minder aandacht was voor de uitvoering van de Lekker Fit! pijlers.

28

22% 75% 61%

Tabel 3.2 Het aantal prestatie indicatoren waaraan schoollocaties voldoen Aantal prestatie indicatoren waaraan een Aantal schoollocaties schoollocatie voldoet 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14

3.2

1 1 2 0 4 6 11 8 7 9 15 19 15 2

De relatie tussen de implementatie van Lekker Fit! en de trend in overgewicht

Om te bepalen of er een relatie is tussen de mate van implementatie van Lekker Fit! en de trend in overgewicht zijn de hierboven beschreven gegevens op schoolniveau over de mate van implementatie van Lekker Fit! gekoppeld aan het trendbestand van de Fitmeter. Er is alleen gebruik gemaakt van de prestatie indicatoren waaraan alle scholen kunnen voldoen en die betrouwbaar ingevuld zijn. Ook de prestatie indicatoren van de pijler LF! Kleuters zijn niet gebruikt, omdat er in het trendbestand alleen gegevens staan van groep 3 tot en met 8. In groep 1 en 2 is later gestart met meten. Op dit moment zijn er nog onvoldoende gegevens van deze groepen. In het trendbestand staan lengte en gewicht metingen van individuele kinderen van groep 3 tot en met 8 in de schooljaren 2006-2007 tot en met 2016-2017. In dit gekoppelde bestand staan dus zowel gegevens op individueel niveau als op schoolniveau; om deze reden zijn er multilevel analyses uitgevoerd. Dit is statistische techniek waarbij rekening gehouden kan worden met het feit dat kinderen geclusterd zijn in scholen en dat de school invloed kan hebben op alle kinderen die op deze school zitten. De analyses zijn gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht. Er is een statistisch significant effect van de mate van implementatie op de BMI (zie tabel 3.3).

Als op scholen 11-12 prestatie indicatoren zijn geïmplementeerd, heeft dat een licht gunstig effect op de ontwikkeling van de BMI. Op scholen waar 11-12 indicatoren zijn geïmplementeerd, daalt de BMI in de loop van de tijd. Echter, op scholen waar maximaal 5 indicatoren geïmplementeerd zijn, stijgt de BMI in de loop van de tijd. In beide gevallen is het effect klein. Tabel 3.3 Effect van mate van implementatie op het verloop van de BMI per jaar Aantal geïmplementeerde Jaarlijks effect op BMI in kg/m2 P* prestatie indicatoren 0,048 1-5 -0,004 6-10 -0,025 11-12

0,001 0,303 0,000

* indien de p-waarde kleiner is dan 0,05 is er sprake van een statistisch significant effect 29

Effect van de verschillende prestatie indicatoren op BMI Vervolgens is voor alle prestatie indicatoren individueel gekeken wat het effect is op het verloop van de BMI. Ook hiervoor zijn multilevel analyses gebruikt, die gecorrigeerd zijn voor leeftijd en geslacht. In tabel 3.4 zijn de prestatie indicatoren opgenomen waarvoor een statistisch significant effect aangetoond is. De effecten zijn echter klein. Als er op school extra bewegingsonderwijs wordt gegeven, dan neemt de BMI in de loop van de jaren significant af. Op scholen waar de boekjes van het lespakket zijn besproken en waar de inhoud van de boekjes is getoetst door de gymleerkracht nieuwe stijl, neemt de BMI in de loop van de jaren significant af. Op scholen die voldoen aan de pijler ‘Schoolsportvereniging’ neemt de BMI in de loop van de jaren significant af; dit geldt zowel voor de prestatie indicator soort schoolsportvereniging als voor de indicator ‘voldoet schoolsportvereniging’. Ook op scholen die voldoen aan de prestatie indicator ‘Schooldiëtist Fittest’ neemt de BMI in de loop van de jaren significant af. Hetzelfde geldt voor scholen die LF! groente en fruit en scholen die LF! trakteren goed hebben geïmplementeerd. Net als voor scholen die voldoen aan de prestatie indicator ‘Oudervoorlichting communicatie’. Tabel 3.4 Effect van voldoen aan een prestatie indicator op het verloop van de BMI per jaar

Prestatie indicator Drie beweegmomenten Vierde beweegmoment Lespakket Soort schoolsportvereniging Voldoet schoolsportvereniging Schooldiëtist Fittest LF! groente en fruit LF! trakteren Oudervoorlichting communicatie

School voldoet aan Jaarlijks effect op BMI P* prestatie indicator in kg/m2 Ja -0,009 Nee 0,040 Ja -0,013 Nee 0,020 Ja -0,015 Nee 0,013 Ja Nee

-0,013 -0,003

0,020 0,413

Ja Nee Ja Nee Ja Nee Ja Nee

-0,014 0,053 -0,011 0,030 -0,013 -0,002 -0,012 -0,002

0,047 0,000 0,001 0,011 0,003 0,675 0,006 0,697

Ja Nee

-0,010 -0,004

0,005 0,520

* indien de p-waarde kleiner is dan 0,05 is er sprake van een statistisch significant effect

30

0,065 0,005 0,000 0,013 0,000 0,037

3.3

Conclusie

De Lekker Fit! aanpak voor het basisonderwijs is opgebouwd uit 10 pijlers. Per pijler zijn prestatie indicatoren vastgesteld, zie bijlage 1 voor de definities van de prestatie indicatoren. Een schoollocatie voldoet aan een pijler als de schoollocatie aan minstens 1 prestatie indicator voldoet. Het percentage schoollocaties dat aan een pijler voldoet, varieert van 18% bij de pijler Onderzoek tot 98% bij de pijler Extra bewegingsonderwijs. Het aantal kinderen dat per pijler bereikt wordt, varieert van ongeveer 4.600 kinderen tot 23.000 kinderen. Op niet alle schoollocaties wordt aan alle prestatie indicatoren tegelijk gewerkt. Een aantal indicatoren is mogelijk niet goed geregistreerd, voor andere indicatoren geldt dat er alleen aan voldaan kan worden na selectie door Lekker Fit! In totaal waren er 14 prestatie indicatoren waar alle scholen in theorie aan konden voldoen. Slechts 2 schoollocaties voldeden hier ook aan. Ongeveer de helft van de schoollocaties voldeed aan 11-13 prestatie indicatoren. Er is een statistisch significant effect van de mate van implementatie op de BMI. Als op scholen meer prestatie indicatoren zijn geïmplementeerd, heeft dat een licht gunstig effect op de ontwikkeling van de BMI. Op scholen waar 11-12 indicatoren zijn geïmplementeerd, daalt de BMI in de loop van de tijd.

Echter, op scholen waar maximaal 5 indicatoren geïmplementeerd zijn, stijgt de BMI in de loop van de tijd. In beide gevallen is het effect klein. Vervolgens is per prestatie indicator gekeken wat het effect is op het verloop van de BMI. Op scholen waar de boekjes van het lespakket zijn besproken en waar de inhoud van de boekjes is getoetst door de gymleerkracht nieuwe stijl, neemt de BMI in de loop van de jaren significant af. Dit geldt ook voor scholen die voldoen aan de pijler Schoolsportvereniging. Hoewel de effecten klein zijn, zijn dit de twee indicatoren met het grootste effect. Ook bij 7 andere prestatie indicatoren is een positief effect gevonden; bij deze prestatie indicatoren neemt de BMI in de loop van de jaren significant af als de prestatie indicatoren goed zijn geïmplementeerd. Ook deze effecten zijn klein.

31

4 De leefstijl van Rotterdamse kinderen Met het programma Rotterdam Lekker Fit! zet de gemeente Rotterdam zich sinds 2005 in om overgewicht en bewegingsarmoede bij Rotterdamse kinderen tot en met 12 jaar tegen te gaan. Rotterdam Lekker Fit! doet dit door in te zetten op een actieve leefstijl en een gezond voedingspatroon te stimuleren. In dit hoofdstuk wordt daarom beschreven welk deel van de Rotterdamse kinderen voldoet aan kenmerken van een actieve leefstijl en aan kenmerken van een gezond voedingspatroon. Om inzicht te krijgen in de leefstijl van Rotterdamse kinderen is gebruik gemaakt van gegevens van de Gezondheidsmonitor (GM) van 2014. Dit is een vragenlijstonderzoek onder een steekproef van ouders van Rotterdamse kinderen van 0 tot 12 jaar. Daarnaast is gebruik gemaakt van de voorloper van de Gezondheidsmonitor ‘Jeugd Rijnmond in Beeld’ (JRB 2011). Net als de Gezondheidsmonitor is dit een vragenlijst onderzoek met als verschil dat dit onderzoek zich richtte op kinderen van 4 tot 12 jaar. Om een trend in kaart te kunnen brengen zijn ook gegevens gebruikt van de Jeugdmonitor Rotterdam (JMR) van 2008-2009. Voor de Jeugdmonitor werd aan alle ouders van kinderen in groep 2 en groep 7 gevraagd om een vragenlijst in te vullen. Door de wisselingen in methodiek en vragenlijsten is het niet voor alle uitkomstmaten mogelijk om een trend te laten zien.

Verder zijn de meest recente cijfers uitgesplitst naar geslacht, leeftijd, herkomst, opleidingsniveau van de ouders en gebied. Hiermee is het mogelijk om risicogroepen in kaart te brengen en kan er eventueel specifiek beleid op bepaalde groepen worden ingezet.

4.1

Het aandeel Rotterdamse kinderen dat voldoet aan een actieve leefstijl

In tabel 4.1 is te zien welk deel van de Rotterdamse kinderen voldoet aan verschillende kenmerken van een actieve leefstijl. In deze tabel is het meest recente cijfer weergegeven. Vanwege veranderingen in vragenlijsten en vanwege verschillende leeftijdsgroepen die onderzocht zijn, zijn de laatst beschikbare cijfers niet altijd afkomstig uit de Gezondheidsmonitor 2014, daarom staat ook de bron en de leeftijdsgroep in de tabel weergegeven. In bijlage 2 zijn uitgebreide tabellen te vinden van alle uitkomstmaten; hieronder worden de belangrijkste resultaten besproken. Tabel 4.1 Percentage Rotterdamse kinderen dat voldoet aan een kenmerken van een actieve leefstijl Bron Leeftijdsgroep % GM 2014 1 t/m 11 jaar 77% Speelt minstens 5 dagen per week buiten GM 2014 1 t/m 11 jaar 74% Speelt minstens 1 uur per dag buiten 4 t/m 11 jaar 61% Gaat 5 dagen per week lopend of zelf fietsend naar school GM 2014 GM 2014 4 t/m 11 jaar 56% Is lid van een sportvereniging GM 2014 4 t/m 11 jaar 64% Sport minstens 1 keer per week bij een vereniging GM 2014 4 t/m 11 jaar 82% Voldoet aan de beweegnorm* JRB 2011 4 t/m 11 jaar 51% Minder dan 2 uur per dag televisie en/of computeren JRB 2011 4 t/m 11 jaar 59% Geen tv of (spel)computer op de eigen kamer * Om aan de beweegnorm te voldoen moeten kinderen minimaal 1 uur per dag matig intensief bewegen

32

Trends In 2014 was het percentage kinderen dat minstens 5 dagen per week buiten speelt in vergelijking met 2011 toegenomen van 51% naar 60%. In 2008-2009 was het percentage 5-jarigen dat minstens een uur per dag buiten speelt echter hoger dan in 2014. In 2011 was het percentage 10-jarigen dat minstens een uur per dag buiten speelt hoger dan in 2008-2009. Het aantal kinderen dat minder dan 2 uur per dag televisie kijkt en/ of computert, is toegenomen in de periode tussen 2008-2009 en 2011. Het percentage kinderen met een tv of (spel)computer op de eigen kamer is in dezelfde periode ook afgenomen. Het percentage kinderen van 4 tot en met 11 jaar dat minstens 1 keer per week bij een sportvereniging sport is tussen 2011 en 2014 juist afgenomen van 73% naar 64%. Risicogroepen Geslacht Bij alle bewegingsindicatoren zijn er verschillen tussen jongens en meisjes. Jongens bewegen vaker en meer dan meisjes. Meisjes kijken echter minder tv / computeren minder per dag en hebben minder vaak een tv of (spel)computer op de eigen kamer. Leeftijd Oudere kinderen spelen minder vaak minstens 5 dagen per week buiten dan jongere kinderen. Zo speelt 77% van de kinderen van 1 tot 4 jaar minstens 5 dagen per week buiten. Bij 4- tot 8-jarigen is dit 63% en bij 8- tot 12-jarigen is dit 56%. 8- tot 12-jarige kinderen gaan vaker 5 dagen per week lopend of zelf fietsend naar school dan 4- tot 8-jarigen.

Ook zijn ze vaker lid van een sportvereniging en sporten ze vaker minstens 1 keer per week. Daarnaast voldoen oudere kinderen vaker aan de norm gezond bewegen dan jongere kinderen. Oudere kinderen kijken echter wel vaker meer dan 2 uur per dag tv / pc en hebben vaker een eigen tv of (spel)computer op de eigen kamer. Herkomst Een kind heeft een migratieachtergrond als minstens één ouder in het buitenland is geboren. Op bijna alle bewegingsindicatoren scoren kinderen met een Nederlandse herkomst beter dan het Rotterdamse gemiddelde. Alleen het percentage kinderen met een Nederlandse herkomst dat dagelijks zelf naar school fietst of loopt, is lager dan gemiddeld. Kinderen met een Antilliaanse of Arubaanse, Marokkaanse of Kaapverdiaanse herkomst fietsen of lopen juist vaker dan gemiddeld in Rotterdam naar school. Net als kinderen met een Nederlandse herkomst spelen kinderen met een Turkse herkomst vaker dan gemiddeld in Rotterdam minstens 5 dagen per week buiten. Ook hebben zij minder vaak dan gemiddeld in Rotterdam een tv of (spel)computer op de eigen kamer. Kinderen met een Marokkaanse herkomst halen net als kinderen met een Nederlandse herkomst vaker de beweegnorm dan gemiddeld in Rotterdam. Opleidingsniveau Hoe hoger het opleidingsniveau van de ouder(s), hoe vaker kinderen minstens 5 dagen per week buiten spelen.

In vergelijking met kinderen met ouder(s) met als hoogste opleiding lager onderwijs en in vergelijking met kinderen van ouder(s) met minimaal een hbo-opleiding spelen kinderen van ouder(s) met een opleidingsniveau uit de middengroep (VMBO tot en met VWO) vaker minstens een per dag buiten. Hoe hoger het opleidingsniveau van de ouder(s) hoe lager het percentage kinderen dat 5 dagen per week lopend of fietsend naar school komt. 33

Het percentage kinderen dat lid is van een sportvereniging is hoger bij kinderen met ouder(s) met een hoog opleidingsniveau in vergelijking met kinderen met ouder(s) met een laag opleidingsniveau. Hetzelfde geldt voor het percentage kinderen dat minstens 1 keer per week sport. Kinderen met ouders met een laag opleidingsniveau (lager onderwijs) halen minder vaak de beweegnorm in vergelijking met kinderen met ouder(s) met hogere opleidingsniveaus. Kinderen met ouder(s) met minstens een mbo-opleiding kijken minder vaak 2 uur of meer tv/ pc dan kinderen met ouder(s) met een lager opleidingsniveau. Het percentage kinderen met een eigen tv of (spel)computer op de kamer is hoger dan gemiddeld onder kinderen met ouder(s) met een vmboopleiding en lager dan gemiddeld onder kinderen met ouder(s) met minimaal een hbo-opleiding. Risicogebieden In tabel 4.2 is per bewegingsindicator per gebied te zien of dit gebied positief of negatief afwijkt van het Rotterdamse gemiddelde. Als een gebied niet van het Rotterdamse gemiddelde afwijkt, is er niets in de tabel ingevuld. Hoogvliet, Hoek van Holland en Rozenburg vallen op in de positieve zin; deze gebieden scoren op vijf van de acht indicatoren beter dan Rotterdam gemiddeld. Het gebied Prins Alexander valt in de negatieve zin op; dit gebied scoort op de helft van de indicatoren slechter dan gemiddeld in Rotterdam.

Tabel 4.2 Overzicht van kenmerken van actieve leefstijl van gebieden die positief dan wel negatief afwijken van het Rotterdamse gemiddelde >5

> 1 uur /

5 dg/wk

Lid van

Sport >

Voldoet

Minder

Geen

dg/wk

dag

lopend/

sport-

1 keer

aan

dan 2

tv/pc op

buiten

buiten

fietsend

vereni-

per

beweeg

uur/dag

kamer

spelen

spelen

naar

ging

week

norm

tv/pc

(2011)

(2014)

(2014)

school

(2014)

(2014)

(2014)

(2011)

(2014) Centrum

-

Delfshaven

-

+

Overschie

-

-

+

+

+

-

Noord -

Hillegersberg

+

+

+

+

+

-Schiebroek +

KralingenCrooswijk Prins

-

-

+

-

Alexander Feijenoord

-

+

+

IJsselmonde

+

-

-

+

Charlois Hoogvliet

+

Hoek van

+

+

+

+

-

+

+

+

+

+

+

+ -

-

-

-

Holland Rozenburg Pernis

34

+

+

+

4.2

Het aandeel Rotterdamse kinderen dat voldoet aan kenmerken van een gezond voedingspatroon

In tabel 4.3 is te zien welk deel van de Rotterdamse kinderen voldoet aan verschillende kenmerken van een gezond voedingspatroon. In deze tabel is het meest recente cijfer weergegeven. Vanwege veranderingen in vragenlijsten en vanwege verschillende leeftijdsgroepen die onderzocht zijn, zijn de laatst beschikbare cijfers niet altijd afkomstig uit de Gezondheidsmonitor 2014, daarom staat ook de bron en de leeftijdsgroep in de tabel weergegeven. Wat opvalt in deze tabel, is dat een groot deel van de Rotterdamse kinderen wel regelmatig fruit eet, maar dat veel kinderen de fruitnorm toch niet halen. In bijlage 3 zijn uitgebreide tabellen te vinden van alle uitkomstenmaten; hieronder worden de belangrijkste resultaten besproken. Tabel 4.3 Percentage Rotterdamse kinderen dat voldoet aan kenmerken van een gezonde voeding Bron Leeftijdsgroep % GM 2014 1 t/m 11 jaar 90% Ontbijt dagelijks GM 2014 1 t/m 11 jaar 85% Eet minimaal 5 keer per week fruit 1 JRB 2011 4 t/m 11 jaar 37% Voldoet aan de fruitnorm GM 2014 1 t/m 11 jaar 82% Eet minimaal 5 keer per week groente GM 2014 1 t/m 11 jaar 69% Drinkt dagelijks water JRB 2011 4 t/m 11 jaar 68% Drinkt minder dan 3 zoete drankjes per dag JRB 2011 4 t/m 11 jaar 95% Eet minder dan 4 keer per dag iets tussen de maaltijden 2 door 1 Fruitnorm: kinderen van 4-8 jaar 1,5 stuks (150 gram); kinderen van 9-13 jaar 2 stuks (200 gram).

2 Groente en fruit als tussendoortje niet meegerekend. Trends Bij de meeste uitkomstmaten op het gebied van voeding zijn geen trends waarneembaar. Het percentage kinderen dat minimaal 5 keer per week fruit eet, is in 2014 met 6 procentpunten toegenomen ten opzichte van 2011. Bij het eten van groente is ook een positieve trend waargenomen; het percentage kinderen dat minimaal 5 keer per week groente eet, is toegenomen van 74% in 2011 tot 80% in 2014. Risicogroepen Geslacht Meisjes eten vaker minstens 5 keer per week fruit dan jongens, in het behalen van de fruitnorm is er echter geen verschil tussen jongens en meisjes. Jongens drinken vaker meer dan 3 zoete drankjes per dag dan meisjes, terwijl meisjes iets vaker meer dan 4 tussendoortjes per dag eten. Leeftijd Jongere kinderen ontbijten vaker dagelijks dan oudere kinderen. Zo ontbijt 93% van de kinderen van 1 tot 4 jaar; 90% van de 4- tot 8-jarigen en 86% van de 8- tot 12-jarigen. Ook eten 1- tot 4-jarigen vaker minstens 5 dagen per week fruit dan 4- tot 8-jarigen en eten 4- tot 8 jarigen weer vaker minstens 5 dagen per week fruit dan 8- tot 12-jarigen. De fruitnorm wordt vaker behaald door 4- tot 8jarigen dan door 8- tot 12-jarigen. Kinderen onder de 4 jaar eten vaker minstens 5 keer per week groente in vergelijking met oudere kinderen. 8- tot 12-jarige kinderen drinken iets minder vaak 3 of meer zoete drankjes per dag.

Wel eten zij iets vaker 4 of meer keer iets tussen de maaltijden door. 35

Herkomst Een kind heeft een migratieachtergrond als minstens één ouder in het buitenland is geboren. Kinderen met een Nederlandse herkomst ontbijten vaker dagelijks dan kinderen met een andere herkomst. Kinderen met een Nederlandse herkomst eten vaker minstens 5 keer per week fruit in vergelijking met het Rotterdamse gemiddelde. Kinderen met een Surinaamse, Turkse of Antilliaanse of Arubaanse herkomst eten minder vaak minstens 5 keer per week fruit. De fruitnorm wordt echter vaker door Marokkaanse, Turkse en Kaapverdiaanse kinderen gehaald en weer minder vaak door Nederlandse kinderen. Kinderen met een Nederlandse herkomst eten vaker dan gemiddeld in Rotterdam minstens 5 keer per week groente, terwijl kinderen met een Antilliaanse of Arubaanse, Marokkaanse, Kaapverdiaanse of overige herkomst minder vaak 5 keer per week groente eten. Turkse kinderen drinken vaker dan gemiddeld in Rotterdam dagelijks water en zij drinken minder vaak dan gemiddeld 3 of meer zoete drankjes per dag. Kinderen met een Nederlandse of een Antilliaanse en Arubaanse herkomst drinken juist minder vaak dan gemiddeld in Rotterdam water en vaker dan gemiddeld 3 of meer zoete drankjes per dag. Ook kinderen met een Surinaamse herkomst drinken vaker dan gemiddeld 3 of meer zoete drankjes per dag. Kinderen met een Nederlandse herkomst eten minder vaak dan gemiddeld 4 of meer keer iets tussen de maaltijden door.

Kinderen met een Surinaamse of Antilliaanse of Arubaanse herkomst eten meer dan gemiddeld 4 of meer keer iets tussen door. Opleidingsniveau Hoe hoger het opleidingsniveau van de ouder(s) hoe vaker kinderen dagelijks ontbijten. Kinderen met ouder(s) met minimaal een mbo-opleiding eten vaker minstens 5 keer per week fruit dan kinderen met ouder(s) met een lager opleidingsniveau. Kinderen met ouder(s) met als hoogste opleidingsniveau lager onderwijs halen wel vaker de fruitnorm. Hoe hoger het opleidingsniveau van de ouder(s) hoe hoger het percentage kinderen dat minstens 5 keer per week groente eet. Kinderen van ouder(s) met een hoog of juist een laag opleidingsniveau drinken vaker dagelijks water dan kinderen met gemiddeld opgeleide ouder(s). Kinderen met ouder(s) met een hoog opleidingsniveau drinken minder vaak 3 of meer zoete drankjes per dag en eten ook minder vaak 4 of meer tussendoortjes per dag. Risicogebieden In tabel 4.4 is per voedingsindicator per gebied te zien of dit gebied positief of negatief afwijkt van het Rotterdamse gemiddelde. Als een gebied niet van het Rotterdamse gemiddelde afwijkt, is er niets in de tabel ingevuld. Hillegersberg-Schiebroek valt op in de positieve zin. Rozenburg scoort op vier van de zeven indicatoren minder goed dan het Rotterdamse gemiddelde.

36

Tabel 4.4 Overzicht van kenmerken van een gezonde voeding van gebieden die positief dan wel negatief afwijken van het Rotterdamse gemiddelde Ontbijt

>=5 x

Voldoet

>= 5 x

Dagelijks

<3 zoete

<4

dagelijks

fruit/wk

fruitnorm

groente/wk

water

drank/dag

tussendoor/dag

(2014)

(2014)

(2011)

(2014)

(2014)

(2011)

(2011)

+

Centrum Delfshaven

+

-

-

+

+

Overschie +

Noord Hillegersberg-

+

+

+

+

+

+

+

Schiebroek +

KralingenCrooswijk +

Prins

+

+

-

-

Alexander Feijenoord

-

IJsselmonde

-

Charlois

-

Hoogvliet

+

-

Hoek van

-

-

-

-

Holland Rozenburg Pernis

4.3

+

-

-

-

-

Conclusie

Onderzocht zijn de scores en trends op de verschillende beweeg- en voedingsindicatoren in het algemeen. Ook is hierbij gedifferentieerd naar verschillende achtergrondkenmerken, zoals: geslacht, leeftijd, opleidingsniveau van de ouders en naar gebied. Actieve leefstijl Ten aanzien van de scores op de beweegindicatoren kan worden opgemerkt dat een groot deel van de Rotterdamse kinderen voldoet aan kenmerken van een actieve leefstijl. Zo voldoet 82% van de kinderen aan de beweegnorm. Zij bewegen dus minimaal 1 uur per dag matig intensief. Driekwart van de kinderen speelt minstens 5 dagen per week buiten en ook driekwart van de kinderen speelt minstens 1 uur per dag buiten. Drie van de vijf kinderen gaan altijd lopend of fietsend naar school. Ruim de helft van de kinderen is lid van een sportvereniging en bijna twee op de drie kinderen sporten minstens 1 keer per week. Er zijn op dit gebied positieve én negatieve trends waargenomen. Zo is het percentage kinderen dat minstens 5 dagen per week buiten speelt toegenomen, tegelijkertijd is het percentage kinderen dat minstens een uur per dag buiten speelt, afgenomen. Andere positieve trends zijn: minder kinderen die een tv of (spel)computer op de eigen kamer hebben en de afname van het percentage kinderen dat 2 uur of meer tv kijkt of computert.

Maar de bevinding dat het percentage kinderen dat minstens 1 uur per week bij een sportvereniging sport, is afgenomen, kan een negatieve ontwikkeling genoemd worden. 37

Er zijn verschillen in de mate van bewegen naar achtergrondkenmerken. Jongens bewegen vaker en meer dan meisjes. Jongere kinderen spelen vaker buiten dan oudere kinderen, terwijl oudere kinderen vaker zelf naar school fietsen of lopen. Ook zijn oudere kinderen vaker lid van een sportvereniging. Op bijna alle bewegingsindicatoren scoren kinderen met een Nederlandse herkomst beter dan het Rotterdamse gemiddelde. Kinderen van hoogopgeleide ouder(s) scoren op bijna alle bewegingsindicatoren beter dan kinderen van laagopgeleide ouder(s). Zij gaan echter wel minder vaak zelf lopend of fietsend naar school. Hoogvliet, Hoek van Holland en Rozenburg zijn gebieden die in de positieve zin opvallen; deze gebieden scoren op vijf van de acht indicatoren beter dan Rotterdam gemiddeld. Het gebied Prins Alexander valt in de negatieve zin op en scoort op helft van de indicatoren minder dan gemiddeld in Rotterdam. Ondanks dat een groot deel van de Rotterdamse kinderen voldoet aan kenmerken van een actieve leefstijl zijn er, afhankelijk van de indicator, dus ook risicogroepen te benoemen. Door in te zetten op deze groepen kan het aandeel kinderen dat voldoet aan een actieve leefstijl worden vergroot en hiermee zou de prevalentie overgewicht kunnen dalen.

Gezond voedingspatroon Ten aanzien van de scores op de voedingsindicatoren kan worden opgemerkt dat een groot deel van de Rotterdamse kinderen voldoet aan kenmerken van een gezond voedingspatroon. 95% van de kinderen eet minder dan 4 keer per dag iets tussen de maaltijden door (groente en fruit als tussendoortje niet meegerekend), 90% ontbijt dagelijks en 85% eet minstens 5 keer per week fruit. Het percentage kinderen dat voldoet aan de fruitnorm is echter slechts 37%. Ruim 80% eet minstens 5 keer per week groente. En ruim twee derde van de kinderen drinkt dagelijks water en drinkt minder dan 3 zoete drankjes per dag. Het percentage kinderen dat minstens 5 keer per week fruit eet is toegenomen, net als het percentage kinderen dat minstens 5 keer per week groente eet. Op de overige uitkomstmaten op het gebied van voeding zijn geen trends waarneembaar. Meisjes eten vaker minstens 5 keer per week fruit dan jongens. Jongens drinken vaker meer dan 3 zoete drankjes per dag dan meisjes, terwijl meisjes iets vaker meer dan 4 tussendoortjes per dag eten. Jongere kinderen ontbijten vaker dan oudere kinderen. Ook eten ze vaker minstens 5 dagen per week fruit en groente. Er zijn op alle voedingsindicatoren verschillen tussen de verschillende herkomstgroepen. Kinderen met ouder(s) met een hoog opleidingsniveau voldoen vaker aan kenmerken van een gezond voedingspatroon.

Het gebied Hillegersberg-Schiebroek valt op in de positieve zin en scoort op zes van de zeven indicatoren beter dan Rotterdam gemiddeld. Het gebied Rozenburg scoort op vier van de zeven indicatoren minder goed dan het Rotterdamse gemiddelde. Ondanks dat een groot deel van de Rotterdamse kinderen voldoet aan kenmerken van een gezond voedingspatroon zijn er, afhankelijk van de indicator, dus ook risicogroepen te benoemen. Door in te zetten op deze groepen kan het aandeel kinderen dat voldoet aan een gezond voedingspatroon worden vergroot en hiermee zou de prevalentie overgewicht kunnen dalen.

38

5 Lekker Fit in breder perspectief

Inleiding Lekker Fit! staat als gezondheidsprogramma niet op zichzelf maar sluit aan bij andere (landelijke) initiatieven ter bevordering van meer bewegen en gezonde voeding. In dit hoofdstuk plaatsen we Lekker Fit! in een breder perspectief. Overgewicht staat volop in de belangstelling, niet alleen in Nederland, maar wereldwijd. Dertig procent van de wereldbevolking kampt met overgewicht of obesitas. 2,2 miljard volwassenen en kinderen hebben gezondheidsproblemen doordat ze te dik zijn. Dat zijn er twee keer zoveel als in 1980, zo blijkt uit een internationaal onderzoek40. Ook een studie van de World Health Organisation (WHO) over gezondheid en welzijn van Europese jongeren wijst uit dat het aantal jongeren met obesitas blijft toenemen in Europa. Onder jonge tieners, voornamelijk jongens, uit gezinnen in ZuidEuropa met lage sociaaleconomische status is de prevalentie het hoogst. De prevalentie van obesitas is weliswaar het laagste onder Nederlandse en Noorse tieners. De Nederlandse overheid heeft de afgelopen decennia tal van initiatieven ontwikkeld om burgers meer te laten bewegen om te voorkomen dat mensen op latere leeftijd chronische aandoeningen ontwikkelen als gevolg van te weinig bewegen. Immers overgewicht heeft grote gevolgen voor de gezondheid. Het verhoogt bijvoorbeeld de kans op ziektes als diabetes en hart- en vaatziekten.

Kinderen met overgewicht zijn vaak doelwit van pesten. Ook kampen ze vaker met depressieve gevoelens. Gebleken is dat meer bewegen niet alleen een positieve invloed heeft op een betere fysieke gezondheid (inclusief minder overgewicht/obesitas), maar ook op andere factoren zoals: betere sociaal (emotionele) gezondheid en sociale vaardigheden, betere schoolprestaties, een veilige wijk en een betere werk(re)integratie41. In 2014 is de Nederlandse overheid gestart met Het Nationaal Programma Preventie, dat zich richt op het verminderen van de groei van het aantal mensen met een chronische ziekte, op het verkleinen van grote gezondheidsverschillen tussen hoog en laag opgeleiden en op het terugdringen van alcoholgebruik, roken, depressie, diabetes, overgewicht en op het stimuleren van meer bewegen. In dit hoofdstuk gaan we op basis van beschikbare onderzoeken na wat de succesfactoren zijn van deze (nationale) bewegingsstimuleringsprogramma’s en leggen we de link naar het Rotterdamse initiatief Lekker Fit!.

5.1

Succesfactoren

Gezondheidsbevordering is gericht op het bevorderen van een gezonde leefstijl door in te grijpen op oorzaken hiervan. Uit onderzoek blijkt dat gedrag wordt beïnvloed door persoonlijke kenmerken (zoals houding en kennis) en omgevingskenmerken (zoals normen binnen het gezin, veiligheid in de wijk en de omstandigheden op het werk). Voor het veranderen van gedrag is het van belang dat de omgeving ook verandert. Dit kan alleen als de overheid en gemeente samenwerken met diverse sectoren en met verschillende maatschappelijke organisaties. Een belangrijke succesfactor is een sterke integrale aanpak waarbij de burgers en organisaties op grote schaal bij betrokken zijn. Ondanks het groeiende draagvlak voor een integrale aanpak van gezondheidsbevordering, blijkt uit internationaal onderzoek naar de effectiviteit van het overheidsbeleid op het gebied van publieke gezondheid (waaronder Nederlandse gezondheidsbevorderende programma’s), dat een integrale

40 Health Effects of Overweight and Obesity in 195 Countries over 25 Years, gepubliceerd in New England

Journal of Medicine 2017; 377:13-27July 6, 2017 Opbrengst Sport en Bewegen factor analyse. Gemeente Rotterdam; Doelgroep Jeugd. 28 september 2017.

41

39

aanpak niet altijd op grote schaal plaatsvindt42. Ook blijkt de uitwerking van een integrale aanpak in de praktijk vaak niet optimaal. Voor een effectieve integrale aanpak zijn managementrapporten en evaluaties onmisbaar. Het strekt tot aanbeveling om deze een keer in de vier jaar te laten verschijnen. In de praktijk gebeurt dit vaak niet door tijdgebrek, gebrek aan managementcapaciteit of gebrek aan financiën, maar ook door een gebrek aan commitment van lokale gemeentelijke departementen: men blijkt niet altijd voldoende doordrongen van de urgentie van het probleem43. Dit terwijl gemeenten een cruciale rol blijken te hebben in het initiëren en blijven begeleiden van het samenwerkingsproces tussen professionals en betrokken organisaties.44 Uit onderzoek blijkt dat de school een belangrijke omgevingsfactor is voor kinderen als het gaat om het ontwikkelen van duurzame sportgewoontes. Belangrijke factoren hierbij zijn: het hoge bereik, de kwaliteit van de docenten en de inbedding binnen het lescurriculum (context)45.

Uit internationaal vergelijkend onderzoek, onder andere naar Nederlandse gezondheidsbevorderende programma’s46, komen verder als andere belangrijke randvoorwaarden voor succesvol beweegbeleid naar voren: een integrale aanpak die door alle betrokken partijen wordt gedragen en uitgevoerd en die bestaat uit een mix van interventiemaatregelen voor verschillende doelgroepen. Voldoende budget en goede coördinatie zijn hierbij vereisten. Andere succesfactoren zijn: realistische beleidsdoelstelling voor beweeggedrag en een wijkgerichte benadering. Wanneer al deze succesfactoren aanwezig zijn, dan zou op basis van onderzoek47 een daling verwacht mogen worden van het percentage burgers dat niet of nauwelijks beweegt, van een tot twee procentpunten over vijf jaar. De verwachting is dat het percentage overgewicht daarnaast zou dalen met een tot drie procentpunten. Het behalen van deze beleidsdoelen zou duizenden ziektegevallen voorkomen in de komende twintig jaar.

5.2

Onderzoek naar effectiviteit is lastig

Er zijn ook kanttekeningen. Uit inventariserend onderzoek van Nivel48 blijkt dat veel beweegprogramma’s zich op de jeugd richten of op mensen met overgewicht. Van de meeste programma's blijkt een goede beschrijving beschikbaar te zijn waardoor het programma op verschillende locaties kan worden ingezet. Een aantal beweegprogramma’s is vanuit de theorie ontstaan, maar de meeste programma's ontstaan vanuit de beweegpraktijk. Het grootste deel van de programma's is nog niet op effectiviteit onderzocht; van een tiental programma's zijn de positieve effecten op meer bewegen met wetenschappelijk onderzoek aangetoond. Hoewel er bewijs is dat meer bewegen over het algemeen een positief effect heeft op het verminderen van het risico op chronische ziekten en op het bevorderen van fitheid bij kinderen en adolescenten49, blijft het moeilijk

42 Gezondheidsbevordering. Onderzoek met beleid door Jantine Schuit. RIVM en VU Amsterdam 2008. 43 De effectiviteit van het overheidsbeleid op het gebied van publieke gezondheid: met name op het gebied

overgewicht, voeding en bewegen door J.M.M. de Gouw. Universiteit Twente 2012. 44 Opbrengst Sport en Bewegen factor analyse. Gemeente Rotterdam; Doelgroep Jeugd. 28 september 2017. 45 Opbrengst Sport en Bewegen factor analyse. Gemeente Rotterdam; Doelgroep Jeugd. 28 september 2017. 46 De effectiviteit van het overheidsbeleid op het gebied van publieke gezondheid: met name op het gebied

overgewicht, voeding en bewegen door J.M.M. de Gouw. Universiteit Twente 2012. 47 Kosteneffectiviteit en gezondheidswinst van behalen beleidsdoelen bewegen en overgewicht. Onderbouwing Nationaal Actieplan Sport en Bewegen door G.C.W. Wendel – Vos en anderen. RIVM. 2005. 48 Veel kansrijke beweegprogramma’s beschikbaar in Nederland door C. Leemrijmse e.a. Nivel, Nederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg. 2009. 49 “Bewegen is goed. Meer bewegen is beter”; Gezondheidsraad 2017 40

om de effectiviteit van de afzonderlijke beweegprogramma’s te bewijzen door middel van wetenschappelijk onderzoek. Dit komt omdat 'meer bewegen' moeilijk is te meten. Een dergelijk evaluatie-onderzoek is ook vrij kostbaar. Volgens Nivel is het desondanks belangrijk om in de toekomst meer aandacht te besteden aan onderzoek naar (kosten)effectiviteit van beweegprogramma's. Uit recenter onderzoek (van Nivel) blijkt dat bestaande preventieprogramma’s geen optimaal effect opleveren: niet iedereen doet mee en er zijn veel deelnemers die afhaken. Het blijkt dat bij programma’s om een ongezonde leefstijl te veranderen een derde tot de helft van de doelgroep er niet aan begint of snel afhaakt. Vooral leefstijlaanpassingen zouden om een grote inzet en doorzettingsvermogen vragen. Dat zouden mensen niet kunnen zonder steun van zorgverleners, zorgverzekeraars, de overheid, en draagvlak in de samenleving. Lastig bij preventie is dat het resultaat – gezondheid – pas zichtbaar wordt op de langere termijn. Zorgverleners blijken wel in te zijn voor preventie, maar zijn huiverig door de onzekere financiering en het wisselende beleid. Zonder op continuïteit te kunnen vertrouwen is het afbreukrisico te groot. Maar zodra de overheid en zorgverzekeraars die continuïteit bieden, lijken veel huisartsen en andere zorgverleners bereid zich in te spannen voor preventieprogramma’s50.

5.3

Nationale Preventieprogramma’s

Het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen (NASB) is een preventieprogramma dat het Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport heeft uitgevoerd vanaf 2007 tot medio 2011 om lichamelijke activiteit in Nederland te bevorderen. Met subsidie van het ministerie van VWS hebben tien sportbonden in de periode medio 2008 tot medio 2011 veertien laagdrempelige sportconcepten kunnen ontwikkelen en in de markt gezet om mensen te verleiden te gaan sporten. Binnen het NASB kreeg een aantal 'bewegingsarme' gemeentes daarom subsidie om beweegprogramma's in te zetten voor 'te weinig actieve' burgers. Uit onderzoek om de inrichting en ambitie van het NASB te onderbouwen51, blijkt ook dat de ongunstige ontwikkeling in beweeggedrag en overgewicht van de afgelopen jaren gedeeltelijk kan worden gekeerd door intensief interventiebeleid. De kosten hiervan zijn hoog, maar de gezondheidswinst zou daar tegenop wegen. De kosten per gewonnen levensjaar zouden omstreeks 6.000 euro zijn, rekening houdend met kosten in gewonnen levensjaren. Na beëindiging van het Nationaal Actieplan Sport en Bewegen zijn er nieuwe programma’s in het leven geroepen om burgers tot meer bewegen aan te zetten. Deze landelijke programma’s worden vrijwel allemaal gekenmerkt door een wijkgerichte aanpak.

Zo krijgen organisaties, scholen en gemeenten geld van de overheid met als doel om jongeren en volwassenen gezonder te laten eten en meer te laten bewegen. Overgewicht terugdringen is een belangrijk doel van het Alles is gezondheid: het Nationaal Programma Preventie (NPP). Daarnaast wordt er vanuit het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en sport geld aan gemeenten gegeven voor in totaal 2.900 buurtsportcoaches in het kader van het programma Sport en bewegen in de buurt. Het doel is om mensen in hun eigen buurt te laten sporten. Een van de programma’s om gezond eten bij jongeren te stimuleren is het programma De Gezonde Schoolkantine. Dit programma beoogt het aanbod in de schoolkantines te verbeteren. Daarnaast 50 Nivel Overzichtstudies. Preventie kan effectiever! Nivel, Nederlands Instituut voor onderzoek van de

gezondheidszorg. 2012. 51 Kosteneffectiviteit en gezondheidswinst van behalen beleidsdoelen bewegen en overgewicht. Onderbouwing Nationaal Actieplan Sport en Bewegen door G.C.W. Wendel – Vos en anderen. RIVM. 2005. 41

kunnen scholen een vignet Gezonde School halen. Zij moeten dan blijvend aandacht geven aan een gezondheidsthema als Voeding in school. Om te voorkomen dat kinderen snel wennen aan een ongezonde leefstijl zet de overheid in op programma’s als Jongeren op Gezond Gewicht (JOGG), waarbij ook de gemeente Rotterdam is aangesloten. Het doel is om een samenleving te creëren waarin kinderen en jongeren werken in een omgeving waarin een gezonde leefstijl de normaalste zaak van de wereld is. Een ander doel van de JOGG-aanpak is om het groeiend probleem van overgewicht onder de jeugd tegen te gaan. Tenslotte biedt de website Volksgezondheidenzorg.nl, een onderdeel van NPP, een overzicht van alle gezondheidsgevolgen van overgewicht. Daarnaast zijn er programma’s om de maatschappelijke beweging op gang te brengen, voor meer preventie in de zorg, preventie in de wijk, preventie op school, preventie op het werk en gezondheidsprogramma’s. Ook wet- en regelgeving maakt onderdeel uit van het programma. Resultaten Nationaal Programma Preventie Uit monitoring van het Nationaal Programma Preventie (NPP)52 blijkt dat de integrale en wijkgerichte aanpak werkt. Er zijn positieve resultaten geboekt. Het programma Gezonde School had tot eind 2016 1.065 scholen met een Vignet Gezonde School. Dat is 215 meer dan het gestelde doel. Verder werd het gestelde doel van 70 gezonde schoolpleinen gehaald.

Dit geldt ook voor het aantal scholen met een Schoolplein14 (een initiatief van de Johan Cruyff Foundation) waar het doel op 300 lag. Eind 2016 had circa een derde van de scholen in Nederland een gezonde schoolkantine. Het streven van 100% gezonde schoolkantines is daarmee niet gehaald. Inmiddels werken bijna 1.000 sportverenigingen aan een gezonde sportkantine, waarbij het doel op 600 lag. Eind 2016 waren 116 gemeenten aangesloten bij Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG), een programma om overgewicht bij jongeren tegen te gaan. Dit betekent dat circa 832.000 kinderen bereikt kunnen worden. Voor Rotterdam betekent dit dat er inmiddels 216 scholen zijn met een Vignet Gezonde School53 en 21 scholen met een gezonde schoolkantine54 en 8 scholen hebben een Schoolplein1455. Ook de beweging Alles is gezondheid boekte vooruitgang. Hierin maken bedrijven en instellingen afspraken en ondernemen zij gezamenlijk acties om de bevolking gezonder en vitaler te maken. In 2016 werden 45 nieuwe zogeheten pledges getekend, waarin partijen zich binden aan gerichte en concrete activiteiten. In totaal zijn er 309 getekende pledges. Dit zijn steeds vaker samenwerkingsverbanden met meerdere partijen. De thema’s waaraan partijen zich het meest hebben gecommitteerd zijn sport en bewegen, en gezonde voeding (resp. 120 en 86 pledges).

Het merendeel van de betrokken bedrijven en instellingen geeft aan op koers te liggen met de uitvoering van de activiteiten. Het bereik van de pledges varieert; 50% van de betrokken bedrijven en instellingen schat meer dan 1000 mensen te hebben bereikt en 25% zelfs meer dan 10.000. Waar mogelijk worden activiteiten ingebed in een reguliere werkwijze of bestaande structuur. Dit onderstreept nog eens het belang van een integrale aanpak waarbij wordt geadviseerd om in een publiek-private samenwerking te investeren.

52

Monitoring Alles is gezondheid. RIVM 2017. Overzicht Gezonde Scholen op gezondeschool.nl 54 Gezondeschoolkantine.voedingscentrum.nl 55 Schoolplein14.nl 53

42

5.4

Conclusie

Zowel op landelijk als op gemeentelijk niveau zijn er initiatieven om obesitas terug te dringen en om burgers meer te laten bewegen, zoals het Nationaal Programma Preventie, Jongeren op Gezond Gewicht (JOGG), Gezonde kantines. Elementen van deze programma’s zijn verbreed naar het programma Lekker Fit! in Rotterdam. Er is wetenschappelijk aangetoond dat meer bewegen over het algemeen een positief effect heeft op het verminderen van het risico op chronische ziekten en op het bevorderen van fitheid bij kinderen en adolescenten56. Het blijft echter moeilijk om de effectiviteit van de afzonderlijke beweegprogramma’s te bewijzen door middel van wetenschappelijk onderzoek. Toch is op basis van bestaande effectstudies en procesevaluaties van nationale preventie- en leefstijlprogramma’s een aantal succesfactoren aan te wijzen die ook het Lekker Fit!-programma in grote lijnen kenmerken. Dit zijn: scholen als belangrijke samenwerkingspartner (scholenaanpak), voldoende budget, goede coördinatie, een wijkgerichte aanpak. een intensief leefstijlprogramma (doorlopende leerlijn) inclusief realistische doelstelling en continuïteit in beleid, samenwerking van overheid en gemeente met diverse sectoren en met verschillende maatschappelijke organisaties (integrale aanpak).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=c23143f3-d564-452b-8b9a-0fdabac66cf8