[23bb008728] Bijlage 4 behorende bij 23b008730 - Toelichting ontwerpbestemmingsplan RISE
Tekst van het document
Om verstoring van soorten te voorkomen moeten maatregelen worden getroffen dan wel moet rekening worden gehouden met de niet-jaarrond beschremde nesten, de slechtvalt en algemene grondgebonden zoorgdieren relevante beschermde soorten. Stadsklimaat
69
Ondanks schaduw bij de omliggende - Nader onderzoek bestaande woningen blijft in het bezonning. algemeen in voldoende mate - Maatregelen ter bezonning mogelijk. Bij enkele beperking van woningen in de omgeving neemt de windhinder. bezonning af. Dit zijn in de meeste - Maatregelen ter gevallen al woningen die in de beperking van referentiesituatie (en ook in de huidige hittestress. situatie) al een ongunstige oriëntatie op de zon hebben. Het planeffect is beperkt. In een later stadium van de planontwikkeling zal de bezonning van omliggende bestaande woningen conform het Afwegingskader bezonning nader worden getoetst. Dit geldt ook voor toetsing aan de Hoogbouwvisie. Voor RISE is sprake van een aantal aandachtsgebieden met betrekking tot windhinder. Zeer lokaal treedt daar een slecht windklimaat op. Bij de ontwikkelingen worden hoge torens toegevoegd aan de omgeving en vindt geen vermindering plaats van het verhard oppervlak. Hiermee wordt het hitte-eiland effect versterkt. Dit effect wordt wel afgeremd doordat beide ontwikkelingen ook groen toevoegen aan de omgeving. De precieze hoogte van het effect van het groen en daarmee de afname van het hitte-eiland effect hangt af van de verdere uitwerking.
- In het kader van het bestemmingsplan is een bezonningsonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 9. Daaruit volgt dat vanwege het afwegingskader een stap 3 afweging wordt gemaakt. Daarnaast wordt voor het Hofplein vanwege de specifieke situatie beperkt afgeweken van de uitgangspunten die in de Hoogbouwvisie zijn vastgelegd. In paragraaf 6.2 worden de resultaten beschreven. - In het kader van het bestemmingsplan is een windhinderonderzoek uitgevoerd waaruit volgt dat de maatregelen die zijn voorzien leiden tot een acceptabel windhinderklimaat (zie ook paragraaf 6.12 en bijlage 25). In de planregels is middels een voorwaardelijke verplichting geborgd dat bij een gewijzigd ontwerp wederom een onderzoek moet worden overhandigd. - het bestemmingsplan maakt groen binnen het plangebied mogelijk. De verdere uitwerking ten aanzien van hittestress vindt plaats in het kader van de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen.
Energie en circulariteit
70
Bij de ontwikkeling worden verouderde Het energieconcept In het kader van de gebouwen vervangen door nieuwbouw moet in de ontwerp- en omgevingsvergunning voor het die ontworpen is op zo laag mogelijk engineeringsfase nader aspect bouwen zal nader energieverbruik. De gebouwen worden wordt uitgewerkt om worden ingegaan op het ingericht volgens de BENG-normen. De een duurzame energieconcept en de wijze gebouwen worden aangesloten op de energiestrategie te waarop wordt omegaan met het stadsverwarming en worden borgen. behoud van materialen alsmede aardgasvrij. Hiermee is de ontwikkeling het reduceren van bouw- en een stuk duurzamer op het gebied van Er wordt een plan van sloopafval. energiebesparing dan de huidige aanpak opgesteld over bebouwing. Ook wordt er bij de op welke manier wordt ontwikkeling eigen energieopwekking gestuurd op gerealiseerd. In de huidige situatie waarde-behoud van de gebeurt dit alleen in zeer beperkte bestaande materialen mate op de Coolsingel 6. De en het reduceren van ontwikkelingen bieden goede sloop-/bouwafval. Ook mogelijkheden voor duurzame wordt een Plan van energie-opwekking, maar momenteel is Aanpak opgesteld over nog niet bekend of de bronnen de manier waarop tezamen voldoende opleveren voor de invulling wordt gegeven energievraag. aan de doelen voor circulair bouwen.
Bij de ontwikkeling wordt bij de sloop Hiermee kan goed grip van de huidige bebouwing zoveel gehouden worden op mogelijk materiaal hergebruikt. De het behalen van de nieuwe gebouwen worden daarnaast doelen. gebouwd met materialen met een lage milieu impact. De gebouwen krijgen een materialenpaspoort. Daarnaast wordt bij het ontwerp rekening gehouden met toekomstige functieveranderingen. Hiermee zijn de gebouwen toekomstbestendig en zullen ze langer gebruikt kunnen worden. Huishoudelijk afval wordt bij beide ontwikkelingen ondergronds of inpandig verzameld. Daarnaast zijn er bij beide ontwikkelingen innovatieve plannen om gft afval apart in te zamelen. Door het apart inzamelen van gft gemakkelijk te maken voor bewoners zal de participatiegraad omhoog gaan. Hiermee kan enerzijds de hoeveelheid huishoudelijk afval sterk verminderen en anderzijds het gft afval nuttig gebruikt worden voor compost, biomassa verbranding of vergisting. Bedrijfsafval wordt bij beide ontwikkelingen inpandig verzameld. Hierdoor zorgt het niet voor hinder in de openbare ruimte. Hinder tijdens de bouw
71
Hoewel de sloop- en - Maatregelen ter In het kader van de bouwwerkzaamheden van tijdelijke beperking van tijdelijke omgevingsvergunning voor het aard zijn kan de ontwikkeling leiden tot verkeerseffecten. aspect bouwen zal zoveel hinder, zeker in combinatie met - Maatregelen ter mogelijk rekening worden ontwikkelingen in de omgeving. Het beperking van gehouden met de in het MER gaat daarbij om de aspecten verkeer, stofhinder. genoemde maatregelen. stof, geluid, trillingen en visuele - Maatregelen ter Uiteraard met als doel tijdens aspecten. beperking van de bouwfase zoveel mogelijk geluidhinder. hinder te voorkomen. Per hiervoor genoemd onderdeel zijn - Maatregelen ter één of meerdere maatregelen mogelijk beperking van om hinder tijdens de realisatiefase te trillingshinder. beperken. - Maatregelen ter beperking van visuele aspecten. - Maatregelen ter beperking overlast door ophoping afval. - Maatregelen ter beperking van cumulatieve effecten.
6.2
Bezonning
Voor de beoordeling van bezonning van woningen gelden geen landelijke normen. Op 9 september 2021 heeft de gemeente Rotterdam het Afwegingskader bezonning vastgesteld (zie hiervoor ook paragraaf 2.3.15 Afwegingskader bezonning 2021). In het Afwegingskader bezonning is beschreven wat het afwegingskader is voor nieuwe ontwikkelingen. In het beleid is vastgelegd dat primair wordt uitgegaan van de 2 uur benedengrens voor bezonning zoals bij de lichte TNO-richtlijn, maar de toetsingsdata worden gelijkgetrokken met die van de Hoogbouwvisie 2019 (zie hiervoor ook paragraaf 2.3.7 Hoogbouwvisie 2019). In de Hoogbouwvisie (2019) is als maatgevende periode 21 maart t/m 21 september gehanteerd en dit afwegingskader sluit daarbij aan. Vanuit de behoefte van versimpeling wordt, net zoals in de Hoogbouwvisie, in het Afwegingskader bezonning getoetst op de uiterste data van de periode, omdat die het meest cruciaal zijn. Omdat de hoogte van de zon op 21 maart en 21 september gelijk is, hoeft alleen op 21 september gemeten te worden (21 maart valt nog in wintertijd en kan onduidelijkheid opleveren). Dit is in het gemeentelijke bezonningsbeleid bepaald. Relatie tot het plangebied De beoogde woontorens, waarvan één woontoren zelfs een hoogte van circa 275 meter zal kennen, hebben invloed op de bezonning in de omgeving van het bouwplan.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening, en op basis van het gemeentelijk beleid, dient dit aspect nader beschouwd te worden. Hoogbouwvisie 2019 In de gemeentelijke Hoogbouwvisie 2019 is een rekenmethode voor bezonning beschreven. Bij de toetsing wordt gerekend met door de gemeente opgestelde referentiemodellen. In deze modellen is de planologische bebouwingssituatie geprojecteerd voor de referentiejaren 2011 en 2019. De eisen voor bezonning in de hoogbouwvisie richten zich op de bezonning van de openbare ruimte. Er zijn openbare ruimtes aangewezen met een bepaald kwaliteitsniveau: sunspots, representatieve ruimtes en openbare ruimte met een basiskwaliteit. Op de zogenaamde 'sunspots' mag binnen bepaalde tijden géén verslechtering van de bezonning plaatsvinden. Ter plaatse van 'representatieve ruimtes' mag enige vermindering van zonuren optreden. Op korte afstand van het plangebied bevindt zich het Hofplein, zie nummer 11 in onderstaande figuur. De beoogde ontwikkeling is van invloed op de bezonning ter plaatse van dit gebied. Het Hofplein is als
72
'representatieve ruimte' aangewezen. Per representatieve ruimte wordt aangegeven wat het minimale aantal zonuren is dat behouden moet worden, en binnen welk tijdsbestek dit geldt. Voor het Hofplein geldt dat op 21 juni minimaal 5,5 zonuren, en op 21 september minimaal 3 zonuren, over moeten blijven in de periode tussen 9 en 18 uur. Bovendien dient de gehele omgeving over een 'basiskwaliteit' te beschikken, wat betekent dat er maximaal 2 uur verslechtering mag optreden. Een toetsing aan de in de Hoogbouwvisie opgenomen eisen is daarom noodzakelijk.
Figuur 6.2: Uitsnede kaart Hoogbouwvisie 2019, plangebied bij benadering omlijnd De realisatie van de beoogde ontwikkeling met een hoogte van maximaal circa 275 meter heeft effecten op de bezonningssituatie in de omgeving. De realisatie van hoogbouw kan immers een impact hebben op de schaduwwerking. Door Peutz is een bezonningsonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 9 Bezonningsstudie) om zodoende de mogelijke invloed van de geplande bebouwing op de bezonning in de omgeving, in relatie tot de bestaande bezonningssituatie vast te stellen. Hiermee wordt de bezonningssituatie op een zorgvuldige wijze meegenomen in de planvorming. Bij de toetsing is uitgegaan van een volledige benutting van de bouwmogelijkheden van RISE, inclusief optionele afwijkingen. In de omgeving is in overleg met de gemeente Rotterdam rekening gehouden met diverse ontwikkelingen en onbenutte planologische bouwruimte. Het Hofplein is in de Hoogbouwvisie 2019 aangemerkt als 'representatieve ruimte'. Hierin is vastgelegd dat er op 21 september sprake moet zijn van tenminste 3 uur bezonning en op 21 juni van tenminste 5,5 uur. Voor nieuwe bestemmingsplannen geldt dat onderzocht moet worden of aan deze norm kan worden voldaan. In de Hoogbouwvisie is bepaald dat gerekend moet worden op basis van actuele planologische mogelijkheden.
Het onderzoek wijst uit dat sprake is van een geringe overschrijding van de norm op 21 juni (9 minuten) en 21 september (12 minuten). Deze berekende overschrijding wordt aanvaardbaar geacht. Hier liggen twee redenen aan ten grondslag: 1. Er is slechts sprake van een theoretische/modelmatige overschrijding. Een belangrijk deel van de schaduw die volgens de modelberekening valt op het Hofplein, wordt veroorzaakt door planologische bouwvolumes die niet zijn benut en die naar objectieve maatstaven ook niet (volledig) zullen worden benut. Indien wordt gekeken naar de feitelijke bebouwing en de voorziene ontwikkelingen in de omgeving van het Hofplein (waaronder RISE en de herontwikkeling van de ASR-locatie), dan wordt wel aan de norm voldaan. 2. Gelet op de locatie van RISE ten opzichte van het Hofplein, is het onvermijdelijk dat RISE een relatief grote mate van schaduw werpt op het Hofplein. In de uitwerking van het bouwplan is continue gezocht naar een optimalisatie, waarbij ook bezonning een rol heeft gespeeld. Gelet op andere zwaarwegende belangen, zoals het gewenste woningbouwprogramma en de constructieve eisen, heeft die optimalisatie er niet toe geleid dat aan de norm kan worden voldaan.
73
Verder volgt uit het onderzoek dat het plangebied niet in de buurt ligt van 'sunspots', waardoor op de deze locaties geen schaduw van de hoogbouw komt. In de straten rondom de geplande hoogbouw geldt verder het criterium 'basiskwaliteit'. De toegevoegde schaduw door ontwikkeling RISE blijft met de voorgeschreven rekenmethode van de hoogbouwvisie binnen de grenswaarde. Afwegingskader bezonning 2021 De gemeente Rotterdam heeft in juni 2021 het Afwegingskader bezonning vastgesteld. Het Afwegingskader biedt naast een kwantitatieve beoordeling de ruimte om de gevolgen van de afname van de bezonning af te zetten tegen het belang van de nieuwbouw. Het gaat over de bezonning op bestaande woningen ten gevolge van nieuwbouw. De ontwikkeling RISE moet getoetst worden aan dit Afwegingskader, omdat er drie torens in het gebied gerealiseerd gaan worden die meer dan anderhalf keer zo hoog zijn als de bestaande bouwhoogtes in de omgeving. Het criterium bedraagt 2 uur zon per dag. Zijn er toetspunten na realisatie van het nieuwbouwplan die minder dan 2 uur zon op de gevels krijgen (gevels bij elkaar opgeteld) maar is de afname van de bezonningsduur minder dan 15% ten opzichte van de bestaande situatie, dan wordt die afname aanvaardbaar geacht.
Is er na realisatie van het nieuwbouwplan sprake van minder dan 2 uur zon en meer dan 15% afname ten opzichte van de bestaande situatie, dan maakt de gemeenteraad een afweging aan de hand van een proportionele, typologische en verdichtingsafweging. Onderzoek Ingenieursbureau Peutz heeft het bezonningsonderzoek volgens de methode zoals beschreven in het vastgestelde Afwegingskader bezonning uitgevoerd. Het bezonningsonderzoek is opgenomen in Bijlage 9 Bezonningsstudie. In een straal van driemaal de hoogte, met een maximum van 500 meter, is het effect van de bezonning onderzocht. De bezonning wordt gemeten op 21 september van zonsopgang tot zonsondergang. Bij aanwezige woningen zijn meetpunten aan het 3D-model toegevoegd. Bij eenzijdig georiënteerde woningen is 1 meetpunt geplaatst. Bij woningen met meerdere gevels met ramen zijn 2 meetpunten geplaatst. Voor de afweging geldt specifiek alleen de getoetste onderste woonlaag, de bovengelegen woningen tellen niet voor de afweging, omdat het een representatieve steekproef betreft. In het onderzoek is alle planologische ruimte meegenomen, waaronder de bouwvolumes in de bestemmingsplannen Rotterdam Central District en het Schiekadeblok, inclusief de bouwvolumes zoals opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan Pompenburg en de voorgenomen ontwikkeling Lumière.
Dit is een belangrijk uitgangspunt van het Afwegingskader, zodat altijd rekening wordt gehouden met ontwikkelingen die weliswaar nog niet zijn gerealiseerd, maar al wel planologische mogelijk zijn gemaakt. Voor RISE is uitgegaan van de maximale bouwvolumes die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Zo is voor de torens de zone waarin balkons zouden kunnen komen, opgenomen in de volumes zoals aangeleverd aan Ingenieursbureau Peutz. Onderstaande figuren tonen de plansituatie, referentiesituatie en het invloedsgebied met meetpunten.
74
Figuur 6.3: Plansituatie bezonning (bron: Bezonningsstudie Peutz)
Figuur 6.4: Referentiesituatie bezonning (bron: Bezonningsstudie Peutz)
75
Figuur 6.5: Invloedsgebied en meetpunten bezonning (bron: Bezonningsstudie Peutz) Resultaten onderzoek Binnen het invloedsgebied zijn 712 woningen getoetst, waarvan 698 woningen voldoen aan de criteria. Hieruit komt naar voren dat er voor 14 van de getoetste woningen een afweging in stap 3 van het Afwegingskader gemaakt moet worden, omdat de bezonning op deze woningen minder is dan 2 uur (stap 1) en de afname groter is dan 15% (stap 2). 9 van deze 14 woningen voldoen in de referentiesituatie al niet aan de norm van 2 uur bezonning en verslechteren verder. 5 van deze 14 woningen voldoen als gevolg van RISE niet langer aan de norm van 2 uur. Het betreft: 1. Drie meetpunten ter plaatse van de Weenatoren nemen tussen de 1.15 uur en 1.45 uur af in bezonningduur. De woningen houden nog 0.55-1.25 zonuren over. 2. Een meetpunt bevindt zich aan de oostzijde van het Weenacenter. Dit meetpunt voldeed niet in de huidige situatie aan de bezonningsnorm en verslechterd door de bouw van RISE met 20 minuten. De woning houdt 1 uur zon over. 3. Op de Hoek van de Goudsesingel/Pompenburg liggen 6 meetpunten die niet voldoen. De woningen voldoen door de slechte oriëntatie in de huidige situatie al niet aan de bezonningsnorm. Door de komst van RISE neemt het aantal zonuren af met 15 minuten. De woningen houden 25-55 minuten zon over. 4. In Heliport bevinden zich vier meetpunten die niet voldoen.
Twee van deze woningen voldoen al niet in de huidige situatie. Bij de vier meetpunten neemt de bezonningsduur af met 0.15-0.35 uur ten gevolge van RISE. Er blijven 0.30-1.40 zonuren over. In figuren 3.5, 3.6 en 3.7 op pagina's 15-18 van het bezonningsonderzoek is te zien om welke meetpunten het exact gaat. Afweging Proportionele afweging In het gebied zijn 712 woningen onderzocht waarvan 14 woningen niet voldoen aan de criteria uit het Afwegingskader. Dat is ca. 2% van het aantal onderzochte woningen dat na realisatie van RISE niet voldoet aan de norm van 2 uur bezonning. In het project RISE worden, naar huidige stand van zaken, 1477 woningen gerealiseerd waarvan 299 sociale woningen. Er worden 226 sociale huurwoningen gesloopt. Dit betekent een toename van 1.251 woningen in totaal waarvan een toename van 73 sociale huurwoningen. Verdichtingsafweging Het gebied is onderdeel van de hoogbouwzone. Hier zet de gemeente in op verdichting. Dit wordt ook omschreven in de Omgevingsvisie waar RISE wordt aangemerkt als 'zoekgebied voornaamste verdichtingslocatie'. De woningen bevinden zich op loopafstand van het Station Rotterdam Centraal en
76
metrohalte Stadhuis, een duurzame plek dus om verdichting toe te staan. Typologische afweging Uit woningbehoefteonderzoek blijkt dat Rotterdam een grote behoefte heeft aan extra woningen, waaronder meergezinswoningen. Met RISE worden maximaal 1.500 nieuwbouwappartementen (zowel koop- als ook huurwoningen) aan de woningvoorraad toegevoegd. Tenminste de helft van deze woningen valt in het betaalbare segment, waarvan 299 in de sociale huur, op één van de meest prominente locaties van de stad. De verdichting vindt plaats in de hoogbouwzone aan de rand van de binnenstad. Het is een logische plek om te bouwen in hoge dichtheden. In lijn met de stedenbouwkundige opzet van het gebied, wordt een ontwikkeling mogelijk gemaakt met drie separate slanke woontorens. RISE staat op een markante plek in de stad en markeert het kruispunt tussen twee stadsboulevard op het Hofplein en draagt bij aan de herkenbaarheid van de skyline. Hoge torens dragen hieraan bij. Met het programma dat in de plinten wordt gerealiseerd, krijgt dit stukje binnenstad de gewenste verlevendiging Daarnaast voegt RISE kwaliteit toe aan het Hofplein. Met de ontwikkeling RISE wordt een hoek van het oorspronkelijke gebouw als openbaar gebied aan het Hofplein toegevoegd. Hierdoor krijgt het Hofplein een logische, rechthoekige vorm, die past bij de vergroeningsopgave.
Ook wordt de voetgangersdoorgang van het Hofplein naar het Doelwater door de passage royaler. Conclusie In acht genomen de realisatie van maximaal 1.500 nieuwbouwwoningen in een gebied dat is aangewezen als verdichtingsgebied en het feit dat de ontwikkeling kwalitatief bijdraagt aan een prominente plek in de stad, wordt het aanvaardbaar geacht dat 14 woningen niet voldoen aan de criteria. Conclusie Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor de planuitwerking van de beoogde ontwikkeling.
6.3
Bodem
De kwaliteit van de bodem wordt gewaarborgd in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan van invloed zijn op de beoogde functies, of financiële haalbaarheid van een bestemmingsplan. De bodem zelf kan ook verschillende functies hebben, zoals een archeologische-, of aardkundige waarde, energie-opslag, waterberging, drinkwaterwinning. Deze functies worden indien relevant eerder in deze toelichting beschouwd. In deze paragraaf staat de kwaliteit van de bodem centraal. Ter bescherming van toekomstige gebruikers worden bij nieuwe bestemmingen, of veranderingen van de huidige bestemmingen bepaalde eisen gesteld aan de kwaliteit van de bodem. Dat betekent dat soms onderzoek moet worden gedaan naar de bodemkwaliteit. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van een (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging wordt in deze paragraaf aangegeven hoe daar in relatie met de beoogde bestemming mee wordt omgegaan. Daaruit zal moeten blijken dat de beoogde bestemming haalbaar is. Relatie tot plangebied Om te bepalen of de bodem (met betrekking tot milieuhygiënische kwaliteit van de bodem) geschikt is voor het toekomstig gebruik, is door BOOT een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in Bijlage 10 Verkennend bodemonderzoek en worden hieronder samenvattend weergegeven. Het onderzoek is uitgevoerd in twee fasen.
In de eerste fase is een vooronderzoek (conform NEN 5725) uitgevoerd. Aan de hand hiervan is de onderzoeksstrategie bepaald. In de tweede fase is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform NEN 5740 en NEN 5707. Het veldwerk is uitgevoerd onder erkenning van de BRL SIKB 2000. De laboratoriumanalyses zijn uitgevoerd conform AS 3000. Uit het uitgevoerd bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Tijdens het veldwerk zijn zintuigelijk bodemvreemde bijmengingen waargenomen in de vorm van baksteen, aardewerk, beton en slakken. Het verkennend onderzoek heeft uitpandig plaatsgevonden; Er is sprake van een melding uit 1924 waarbij een ondergrondse benzine tank is vermeld. De locatie
77
en aanwezigheid van de ondergrondse benzinetank is niet eenduidig en ligt onder de huidige bebouwing. Aan de buitenzijde van het pand is een licht verhoogde concentratie minerale olie geconstateerd. Onduidelijk is of dat verband houdt met de aanwezige ondergrondse tank. Aanvullend onderzoek hiernaar, en de bodem ter plaatse van de ondergrondse tank, geeft daarover meer uitsluitsel. De licht tot matig verhoogde concentraties (minerale olie, zware metalen, PCB en PAK) in grond en (barium en naftaleen) in het grondwater geven vanuit de Wet bodembescherming geen noodzaak voor het uitvoeren van nader onderzoek en/of het treffen van sanerende maatregelen; Op het maaiveld is visueel en in de bodem is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetoond. Vervolgonderzoek is niet noodzakelijk; De aangetoonde concentraties in de bodem vormen in milieuhygiënische zin geen belemmering voor het huidig of toekomstig gebruik (wonen); Ten aanzien van grondverzet op de onderzoekslocatie dient rekening te worden gehouden dat de vrijkomende grond deels (MM004) indicatief wordt ingedeeld in bodemkwaliteitsklasse Niet toepasbaar (> Industrie) op basis van minerale olie.
Tot slot worden diverse aanbevelingen gedaan: Advies is om na het toegankelijk worden van de panden een aanvullende zoekactie uit te voeren naar de locatie van de ondergrondse tank en het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek om uit te sluiten dat de tank heeft geleid tot bodemverontreiniging. En tevens een grondonderzoek uit te voeren ter plaatse van de huidige bebouwing, dat aansluit bij het reeds verrichte bodemonderzoek, om de grondkwaliteit onder het pand vast te kunnen stellen; De resultaten van het verkennend bodemonderzoek kunnen ter indicatie worden gebruikt voor grondverzet binnen de onderzoekslocatie. Indien het niet mogelijk is om bij de ontwikkeling van de onderzoekslocatie met een gesloten grondbalans te werken, dient grond van de locatie afgevoerd te worden; Mogelijk kan in overleg met de gemeente een toepassing worden gezocht in het kader van actief bodembeheer (bodembeheerplan en bodemkwaliteitskaart). Geconcludeerd wordt dat de gronden in het kader van de bestemmingswijziging voldoende onderzocht zijn. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
6.4
Duurzaamheid
De wettelijke eisen die worden gesteld aan nieuwbouw, zijn opgenomen in het Bouwbesluit. Het Bouwbesluit stelt onder andere eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen. De Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC), een maat voor energieuzuinigheid, is per 1 januari 2021 vervallen. Alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, moet vanaf 1 januari 2021 voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Gemeente Rotterdam Het Duurzaamheidskompas zet alle ambities op het gebied van duurzaamheid in Rotterdam op een rij, en geeft een overzicht van alle relevante beleidsstukken. In het Duurzaamheidskompas is te lezen: 1. Welke doelstellingen Rotterdam deze collegeperiode, in 2030 en in 2050 nastreeft op het gebied van duurzaamheid; 2. Hoe de gemeente de transities op het gebied van duurzaamheid dichter bij elkaar kan brengen, zodat ze elkaar versterken; 3. Op welke manier de gemeente met welk thema aan de slag gaat en in welke documenten dit wordt toegelicht. Het Duurzaamheidskompas is nadrukkelijk een levend document. De gemeente zal regelmatig extra speerpunten toevoegen. Voor de lange termijn zijn een aantal doelstellingen geformuleerd voor vier verschillende thema's:
78
energietransitie, circuliair, klimaatbestendig en gezonde leefomgeving. Relatie tot plangebied Voor de ontwikkeling van RISE te Rotterdam geldt een hoge duurzaamheidsambitie. Naast de wettelijke verplichte eisen uit het bouwbesluit 2012 is er in de Nota van Uitgangspunten onder andere vastgelegd dat het plan zal moeten voldoen aan de eisen van het BREEAM-certificaat met een ambitie voor BREEAM Excellent niveau voor zowel de woningen als de functies kantoor en hotel. Het voldoen aan de BREEAM-eisen brengt met zich mee dat er hogere waarden dienen te worden behaald voor de energieprestatie (BENG) en de milieu-impact (MPG) van het project. De bovengenoemde randvoorwaarden zijn de basis van het duurzaamheidsconcept van RISE. Hierna wordt dit verder verduidelijkt en - in lijn met het Duurzaamheidskompas - onderverdeeld in de volgende thema's: energietransitie, circulariteit, klimaatbestendigheid en gezonde leefomgeving. Energietransitie Het beperken van de energievraag en het opwekken van duurzame energie zijn in het ontwerp van RISE belangrijke uitgangspunten om de energietransitie vorm te geven. Voor dit thema stelt de BREEAM-ambitie aanvullende voorwaarden boven op de eis van het bouwbesluit. Zo stelt deze eis een lage energiebehoefte voor de hotel en kantoorfunctie. Ook bij de woningen geldt een hoge ambitie om fossiele energiebehoefte te minimaliseren.
Het planinitiatief van RISE is ontworpen volgens de trias energetica. Dit betekent dat allereerst de vraag van energie wordt beperkt. Ten tweede wordt er duurzame energie gebruikt en wordt er efficiënt gebruikgemaakt van fossiele brandstoffen. De thermische transmissie van de gebouwomhulling is van grote invloed op de energiebehoefte van het gebouw. Hierbij zijn de beglazing en isolatie maatgevend. Om het thermisch verlies door transmissie zo veel als mogelijk te voorkomen wordt RISE voorzien van zeer goed geisoleerde gevels met triple (drievoudige) beglazing. Bij hoogbouw is luchtdicht bouwen extra belangrijk omdat op hoogte grote drukverschillen optreden. Luchtdichtheid is daarom een belangrijk uitgangspunt in het ontwerp van RISE. Bovendien zijn luchtdichtere gebouwen één van de basismaatregelen die nodig zijn voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Voor wat betreft de gebouwinstallaties wordt van alle vormen van luchtbehandeling in de kantoren, hotel en ook de woningen gebruikt gemaakt van warmteterugwinning. De energie voor het opwarmen van het project wordt hierdoor voor een belangrijk deel teruggewonnen en hergebruikt. Voor de verlichting in het hotel en de kantoren wordt uitsluitend LED verlichting toegepast. Daarnaast werkt de schakeling van verlichting door middel van aanwezigheidssensoren.
Geen aanwezigheid betekent geen verlichting wat het energieverbruik aanzienlijk verminderd. Om de instraling van de zon optimaal te kunnen benutten in de winter, en de zon te weren in de zomer, zullen het kantoor en het hotel worden voorzien van automatisch zonwering. Ook dit is een belangrijk uitgangspunt in het reduceren van de energiebehoefte. De installatie in de parkeergarage wordt zodanig ontworpen dat elke parkeerplaats (op termijn) geschikt gemaakt kan worden voor het laden van elektrische voertuigen. De benodigde energie wordt zoveel mogelijk binnen de ontwikkeling zelf opgewerkt. Het elektriciteitsgebruik wordt zo veel als mogelijk gedekt door opwekking van elektriciteit doormiddel van PV-panelen. Gezien het beperkte beschikbare dakoppervlak – het meeste dakoppervlak wordt immers ingericht als groene gemeenschappelijk buitenruimte – wordt het overgrote deel van de benodigde PV-panelen aan de gevels van de woontorens ingepast. Daarnaast wordt de warmte en koude geleverd via een WKO-systeem, eventueel in combinatie met stadsverwarming. De seizoensgebonden opslag voor zowel warmte als koude kan daardoor geleverd worden op het moment dat er vraag naar is. Dit is een zeer duurzame manier van warmte en koude leveren. Als laatste wordt de ontwikkeling volledig gasloos ontworpen.
Circulariteit Naast het beperken van de energievraag is circulariteit de tweede pijler van het duurzaamheidsconcept. Circulariteit heeft als doel om materialen zoveel als mogelijk te kunnen hergebruiken. Dit doel wordt vormgegeven door het voorkomen en verminderen van het gebruik van primaire grondstoffen, het verlengen van de levensduur van producten, het hergebruiken van producten en onderdelen en het recyclen van materialen tot opnieuw te gebruiken grondstoffen. De circulariteit ambitie wordt mede
79
vastgelegd in de MPG-score van het gebouw. Waar deze score volgens het Bouwbesluit moet voldoen aan een waarde van 0,8 voor woongebouwen en 1.0 voor kantoren is de streefwaarde voor de ontwikkeling RISE bepaald op 0,75. Om de ontwikkeling RISE mogelijk te maken zal de huidige bebouwing op de kavel worden gesloopt. Hiermee wordt een grote bron van herbruikbare materialen aangeboord. De bestaande gebouwen worden in kaart gebracht en wordt inzichtelijk gemaakt welke materialen kunnen worden hergebruikt in de nieuwe ontwikkeling RISE of op andere plekken of projecten. Hierbij valt te denken aan het hergebruik van beton als basismateriaal in de nieuwe betonconstructie en het hergebruiken van gevelbakstenen in de nieuwe gevel van RISE. Van de bestaande bebouwing wordt een materialenpaspoort opgesteld. Hierin wordt onder meer vastgelegd welke materialen er worden gebruikt, waar ze in de gebouwen aanwezig zijn en hoe deze bij geheel of gedeeltelijke verandering van het gebouw zijn te hergebruiken. Naast het hergebruik van materialen wordt er ook gekeken naar circulair bouwen. Veruit de meeste gebouwinstallaties zullen los van de hoofddraagconstructie worden aangebracht. Waar deze in de huidige bouwpraktijk veelal worden ingestort in de hoofddraagconstructie (vloeren) worden deze in RISE zo veel als mogelijk onder en boven de vloeren aangebracht.
Hiermee zijn de installaties op termijn aanpasbaar. Hierbij valt te denken aan renovatie en opwaardering van installaties in de toekomst maar ook het geheel vervangen van de installaties voor bijvoorbeeld een nieuwe functie voor het gebouw(deel). Dit maakt het gebouw flexibel en aanpasbaar maar maakt ook mogelijk om gebruikte materialen te hergebruiken en te recyclen. Klimaatbestendigheid en een gezonde leefomgeving De derde pijler van het duurzaamheidsconcept is klimaatadaptatie en een gezonde leefomgeving. Een klimaatbestendige ontwikkeling vraagt om meer groen en onverharde ruimte. Een gezonde leefomgeving voor zowel mens als dier vraagt om gezonde ecosystemen en een grote biodiversiteit. Binnen de ontwikkeling wordt een groot oppervlak aan gemeenschappelijk buitenruimte gecreëerd op de daken van de plintblokken aan de Coolsingel en de Weena. Naast dat deze plekken een sociale functie hebben om ontmoeting en sociaal contact te stimuleren zijn dit plekken waar een hoogwaardige inrichting van planten, struiken en bomen wordt toegevoegd. Hierdoor ontstaat er een groene ruimte voor mens, dieren en insecten. Nieuwe vormen van biodiversiteit. Door deze nieuwe begroeiing wordt ook hittestress tegengegaan. De beplanting voorkomt dat daken opwarmen door directe zonbelasting en reguleren het lokale klimaat.
Het bodempakket om dit groen in te laten groeien wordt zo aangelegd dat dit een groot volume aan regenwater kan opvangen. Met een systeem van buizen wordt dit regenwater binnen het project opgeslagen. Hierdoor wordt enerzijds het gemeente riool ontlast en wordt het regenwater in droge periodes gebruikt om het groen te irrigeren. Met deze ingreep is RISE voorbereid op klimaatverandering en het opvangen van steeds meer heftige en plotse regenbuien. Ook in de openbare ruimte binnen de ontwikkeling en daar direct om heen wordt gekozen voor een zoveel mogelijk groene invulling. Hierbij wordt rekening gehouden met inheemse plantensoorten, en wordt de beplanting afgestemd op zonligging, zodat ze goed kunnen aarden. De randvoorwaarden voor een gezonde leefomgeving binnen de ontwikkeling wordt in grote mate vastgelegd in de BREEAM-eisen. Dit houdt onder andere in dat er voor het welzijn van mens en milieu strenge eisen worden gesteld aan de inpandige luchtkwaliteit. Hierdoor worden er CO2-sensoren toegepast om de luchtkwaliteit te meten en wordt er een hoog ventilatiedebiet per persoon gereserveerd, zodat iedereen in een gezonde leefomgeving kan verblijven. Duurzame woningvoorraad Naast de thema's energietransitie, circulariteit, klimaatbestendigheid en gezonde leefomgeving resulteert de ontwikkeling van RISE ook in een duurzame woningvoorraad.
Met een veelvoud van gelijkvloerse en diverse type appartementen is er ruimte voor iedereen. Door het diverse woningaanbod wordt gehoor gegeven aan het woningtekort voor onder andere starters en doorstromers. Door de gunstige ligging ten opzichte van het openbaar vervoer en de vele voorzieningen in de buurt zijn ook voor senioren deze gelijkvloerse en goed toegankelijke woningen uitermate geschikt. RISE maakt onderdeel uit van een open samenleving waarin iedereen zich veilig kan voelen, toegang kan hebben tot voorzieningen en kan deelnemen aan de gemeenschap. Dit is ook terug te zien in het aandeel sociale huurwoningen. RISE sluit aan bij de gemeentelijke doelstelling van een inclusieve en duurzame stad.
80
Een stad waarin iedereen meedoet. Conclusie Gezien voorgaande kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling van RISE aansluit bij de duurzaamheidsambities van de gemeente.
6.5
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat over risico's voor de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals productie, op- en overslag en transport. Rotterdam, met zijn haven en vele industriële activiteiten, is bij uitstek een stad waar externe veiligheid een grote rol speelt. Daarnaast vindt in de regio veel transport van gevaarlijke stoffen plaats. Dat Rotterdammers daardoor gemiddeld een groter risico lopen betrokken te raken bij een incident met gevaarlijke stoffen is evident. Verantwoord omgaan met die risico's is een belangrijke opgave voor Rotterdam. Het reduceren en beheersen van deze risico's is het terrein van externe veiligheid. Externe veiligheid heeft betrekking op inrichtingen (risicovolle bedrijven), transport (water, weg, spoor en buisleidingen) en luchthavens. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden veiligheidsnormen opgelegd aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vervoerders van gevaarlijke stoffen over de Rijksinfrastructuur (weg, spoorweg en water) moeten gebruik maken van het Basisnet, het hiervoor landelijk aangewezen netwerk. De wetgeving over het Basisnet is vastgelegd in een stelsel van wetten en regels die samen de “Wet Basisnet” worden genoemd.
Voor de ruimtelijke ordening in relatie tot het Basisnet zijn het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet van belang. Er is aparte wetgeving voor vuurwerk en explosieven voor civiel gebruik. Voor de oevers van de Nieuwe Waterweg en de Nieuwe Maas heeft de provincie in artikel 11 van haar Verordening Ruimte een veiligheidszone van 25 meter vastgesteld, waarin geen bebouwing is toegestaan. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In de wetgeving zijn grenswaarden vastgelegd voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Deze hebben als doel zowel individuen als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR is de kans dat iemand overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen in zijn omgeving. Dit risico zegt iets over de kans op een ongeval met dodelijke slachtoffers. Het GR is de kans dat meerdere personen tegelijk dodelijk slachtoffer worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Daarbij wordt bijvoorbeeld gerekend met tien, honderd of duizend slachtoffers tegelijk. Dit risico zegt iets over de omvang van een ongeval en de maatschappelijke ontwrichting. Het GR kent geen wettelijke normen of grenswaarden, maar een oriënterende waarde en een verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag.
Rotterdams beleid De wetgever biedt gemeenten beleidsvrijheid om groepsrisicobeleid te formuleren dat recht doet aan lokale omstandigheden. In Rotterdam is dit vastgelegd in het Beleidskader Groepsrisico. Daarin streeft Rotterdam voor stad en haven naar een situatie waarbij het groepsrisico voor alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en/of uitbreiding van risicovolle activiteiten zo laag mogelijk is. Bij voorkeur een situatie die de oriëntatiewaarde niet overschrijdt. Deze ambitie krijgt vorm door, ongeacht de hoogte van het GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde, te streven om het GR niet toe te laten nemen, waarbij een afname de voorkeur geniet. Indien dit niet realistisch is wordt door middel van maatwerk gestreefd naar een zo laag mogelijk GR. Bij een toename van het groepsrisico als gevolg van een plan, of een overschrijding van de oriënterende waarde is advies nodig van de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond (VRR). Relatie tot plangebied De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van kwetsbare objecten conform wetgeving op het gebied van externe veiligheid. In de omgeving van de beoogde ontwikkeling is onder andere sprake van transport van gevaarlijke stoffen via het nabijgelegen spoortraject. Aangezien de beoogde ontwikkeling op een afstand van minder dan 200 meter van het spoor is gelegen dienen de externe veiligheidsrisico’s nader inzichtelijk gemaakt te worden.
Daarom is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) uitgevoerd. Deze is opgenomen in Bijlage 11 Onderzoek naar externe veiligheid. Daarnaast is door de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) een advies uitgebracht voor het plan RISE, welke is opgenomen als Bijlage 12 Advies VRR en welke is verwerkt in de groepsrisicoverantwoording. De groepsrisicoverantwoording is
81
opgenomen als Bijlage 13 Memo verantwoording groepsrisico. Een en ander wordt hieronder samenvattend toegelicht. Aanvullend wordt opgemerkt dat Pompenburg in het genoemde onderzoek (bijlage 11) niet is opgenomen, aangezien de ontwikkeling van Pompenburg nog niet juridisch-planologisch is vastgesteld. In het kader van het MER is Pompenburg overigens wel meegenomen. Hieruit blijkt dat het wel of niet meenemen van de ontwikkeling Pompenburg in relatie tot de ontwikkeling RISE niet tot wezenlijke effecten leidt ten aanzien van externe veiligheid. Zowel het plaatsgebonden risico als groepsrisco worden in het MER op basis van de daarbijbehorende onderzoeken immers als 'neutraal' beoordeeld. Externe veiligheidsrisico's Door Peutz zijn de externe veiligheidsrisico's ter plaatse van de beoogde ontwikkeling inzichtelijk gemaakt (bijlage 11). De externe veiligheidsaspecten ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen, alsmede de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen, zijn geïnventariseerd voor de nabije omgeving van het plangebied. Door de gemeente Rotterdam is een model aangeleverd waarin de populatie in de omgeving is opgenomen. Dit is het model wat tevens gehanteerd wordt voor het ontwerpbestemmingsplan voor het Schiekadeblok. In de omgeving van het plangebied vinden de komende jaren de nodige ontwikkelingen plaats.
Deels zijn deze ontwikkelingen reeds planologisch mogelijk gemaakt, en opgenomen in het model voor het Schiekadeblok. De ontwikkeling van ASR is echter, zoals afgestemd met gemeente Rotterdam, toegevoegd aan de omgeving van de beoogde ontwikkeling. Verder is de populatie ter plaatse van het plangebied (voor zowel de huidige als toekomstige situatie) bepaald op basis van kentallen uit de Hart opgesteld door het RIVM d.d. 11 januari 2017. Op basis van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Voor de beschouwde risicobronnen geldt dat de beoogde bebouwing gelegen is op een dusdanig grote afstand dat er voldaan wordt aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar. De beoogde ontwikkeling is binnen 200 meter afstand van het nabijgelegen spoor gelegen. Over deze route vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Conform het Bevt dienen de externe veiligheidsrisico’s in de vorm van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) nader inzichtelijk gemaakt te worden. De overige risicobronnen in de omgeving zijn op een dusdanige afstand gelegen dat deze niet om extra aandacht vragen. Uit de QRA voor het spoortraject volgt dat de oriëntatiewaarde zowel in de huidige als toekomstige situatie wordt overschreden. Het groepsrisico neemt niet significant toe ten opzichte van de huidige situatie.
Aangezien de oriëntatiewaarde wordt overschreden is een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico aan de orde. Onderstaand is de verantwoording opgenomen. Advies Veiligheidsregio Daarnaast is door de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) advies uitgebracht (zie bijlage 12). Hierin wordt een analyse van de omgeving gegeven, waarbij risicobronnen, mogelijke scenario’s en hun effecten zijn beschouwd. Uiteindelijk zijn daarbij omgevings-, bouwkundige, installatietechnische en/of organisatorische maatregelen geadviseerd. De adviezen van de VRR zijn in de groepsrisicoverantwoording meegenomen. Verantwoording groepsrisico Een verantwoording van het groepsrisico dient uit een aantal elementen te bestaan. Elementen die, conform artikel 7 en 8 van het Bevt, in een verantwoording van het groepsrisico aan de orde dienen te komen zijn: de huidige en toekomstige dichtheid van personen binnen het invloedsgebied; het groepsrisico; de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen (zoals een andere locatiekeuze) met een lager groepsrisico; de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die zijn overwogen en de in het plan opgenomen
82
maatregelen, waaronder de stedenbouwkundige opzet en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte; de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp; de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Het aantal personen binnen het invloedsgebied en het groepsrisico zijn reeds inzichtelijk gemaakt in het het rapport (Bijlage 11). In aanvulling daarop is in Bijlage 13 Memo verantwoording groepsrisico het groepsrisico verantwoord, dit wordt hieronder samenvattend toegelicht. Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met lager groepsrisico Een relevant aspect in de beoordeling van de aanvaardbaarheid van externe veiligheidsrisico's ter plaatse van een ruimtelijke ontwikkeling, en in het bijzonder het groepsrisico, betreft de mogelijkheid voor een alternatieve locatie met een lager groepsrisico. In theorie zijn er bijna altijd alternatieve locaties denkbaar die een lager groepsrisico kennen. In voorliggende situatie wordt een bestaande stedelijke locatie herontwikkeld. De beoogde ontwikkeling voorziet daarnaast in woningen, waar een sterke vraag naar is en waarvoor de benodigde ruimte schaars is. Bovendien wordt opgemerkt dat zowel in de huidige als toekomstige situatie sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde.
Het groepsrisico neemt niet significant toe als gevolg van de beoogde ontwikkeling. De beoogde ontwikkeling op deze locatie wordt daarom als wenselijk aangemerkt. Maatregelen ter beperking van het groepsrisico Een ander relevant aspect in de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het groepsrisico betreft het overwegen van mogelijkheden ter beperking van het groepsrisico. In theorie is altijd de mogelijkheid om bijvoorbeeld minder appartementen dan wel een kleinere oppervlakte aan commerciële functies en kantoren te ontwikkelen. Echter, in de huidige situatie is ook sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde en neemt het groepsrisico niet tot nauwelijks toe ten opzichte van de huidige situatie. Zoals voornoemd, voorziet de ontwikkeling in de vraag naar woningen en overige stedelijke functies waar een sterke vraag naar is en de benodigde ruimte schaars is. Een geheel andere stedenbouwkundige opzet wordt derhalve niet redelijkerwijs mogelijk geacht. Het nabijgelegen spoor is bovendien reeds voor een groot deel ondertunneld, wat gunstig is in relatie tot de mogelijke externe veiligheidsrisico's. Verdere aanpassingen aan de risicobron worden in voorliggende situatie niet haalbaar/wenselijk geacht.
Maatregelen ter beperking van de gevolgen van mogelijke rampen Enkele maatregelen ter beperking van de mogelijke gevolgen ingeval van een ramp worden onderstaand nader toegelicht. In de voorliggende situatie zijn de mogelijke ongevalsscenario's het ontstaan van een fakkelbrand, BLEVE en giftige wolk. In het advies van de VRR wordt onderstreept dat de worst case scenario's voor het spoor het ontstaan van een BLEVE of giftige wolk zijn. De mogelijke maatregelen teneinde de zelfredzaamheid en de beheersbaarheid te bevorderen zullen zich dan ook voornamelijk op deze scenario's moeten richten. Afhankelijk van de situatie en de inrichting van de omgeving kan het handelingsperspectief per scenario verschillen. In de rapportage worden de handelingsperspectieven per ongevalsscenario weergegeven. In het advies van de VRR zijn onder andere omgevingsmaatregelen, bouwkundige maatregelen, installatietechnische maatregelen en organisatorische maatregelen aangegeven. Aan de hand van deze onderwerpen zijn de te nemen maatregelen nader toegelicht in de rapportage. Kortheidshalve wordt hiervoor verwezen naar bijlage 11 en 13, hieronder worden enkele voorbeelden uitgelicht.
Omgevingsmaatregelen zijn bijvoorbeeld gericht op de bereikbaarheid en de aanwezigheid van voldoende bluswater en het voorkomen dat kwetsbare objecten (zoals het kinderdagverblijf) binnen de 100% letaliteitscontour wordt gesitueerd. Het bouwplan ziet erop toe dat het kinderdagverblijf en andere kwetsbare objecten zich op een afstand groter dan 140 meter van het spoor (en daarmee niet binnen de 100% letaliteitscontour) bevinden. Bouwkundige maatregelen hebben onder meer betrekking op vluchtwegen en ontsnappingsmogelijkheden voor aanwezige personen ten tijde van een ongeval. Hier is voldoende aandacht voor in het bouwkundig ontwerp. De te realiseren gebouwen met een verblijfsgebied-vloer hoger dan 70 meter boven maaiveld zullen conform de 'Handreiking brandveiligheid in hoge
83
gebouwen' van de SBR worden geconstrueerd. Ook zal worden voldaan aan het document “Rotterdamse Brandveiligheidsvisie voor hoogbouw”. Bij installatietechnische maatregelen kan gedacht worden aan de mogelijkheid om deuren, ramen, ventilatieopeningen en luchtverversingssystemen af te sluiten, zodat een gebouw geschikt is om enkele uren in te schuilen in geval van een giftige wolk. In de planregels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die toeziet op uitschakelbare mechanische ventilatie. Organisatorische maatregelen hebben betrekking op hoofdzakelijk voorlichting en informeren van de bevolking over hoe te handelen tijdens een calamiteit, alsmede het opstellen van adequate ontruimings- en alarmeringsplannen. Ook deze maatregelen worden in acht genomen. Kosteneffectiviteit Op basis van het gemeentelijk beleid zal een afweging gemaakt moeten worden van de kosteneffectiviteit van de te nemen maatregelen. Hierbij kan gesteld worden dat de verplaatsing van de betreffende risicobron -het spoor- niet als realistisch kan worden beschouwd. Dit is dan ook geen kosteneffectieve maatregel. Uitsluitend voor de beoogde ontwikkeling van RISE is het toepassen van maatregelen aan de bron bijvoorbeeld eveneens niet kosteneffectief. Het ontwerp van RISE houdt rekening met de onder andere door de VRR aangedragen maatregelen.
Alle maatregelen die redelijkerwijs nodig en mogelijk zijn zullen worden getroffen. Veiligheid is van groot belang bij de uitwerking van het ontwerp, en zal op adequate wijze worden geïntegreerd. Hiermee zullen de gevolgen ingeval van een ramp zoveel mogelijk worden beperkt. Resume groepsrisicoverantwoording Ten aanzien van het spoor worden bij RISE voldoende maatregelen getroffen om het verhoogde groepsrisico als verantwoord te beschouwen. Bronmaatregelen zijn in voorliggende situatie niet redelijkerwijs mogelijk. Daarnaast is sprake van een zeer stedelijke locatie, en is het spoor reeds deels verdiept/ondertunneld, waardoor dit al tot enige afscherming van de risicobron leidt. Daarnaast wordt het aspect externe veiligheid op integrale wijze meegenomen in het ontwerp. De mogelijke effecten zullen zoveel mogelijk worden beperkt, en er zal zorg worden gedragen dat ingeval van een ramp op adequate wijze gehandeld kan worden. Benadrukt wordt dat de ontwikkeling van RISE van groot maatschappelijk belang kan worden geacht. Het realiseren van een groot woningbouwprogramma, waar een sterke behoefte aan is, op een reeds stedelijke locatie, past binnen de doelstelling van Rotterdam om de groei van de stad middels verdichting te accommoderen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
6.6
Geluid
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De basis voor het beoordelen van geluid is de Wet geluidhinder en de Luchtvaartwet. In deze wetten liggen normen vast voor geluid afkomstig van de industrie, weg- en spoorwegverkeer en luchtvaartverkeer. Volgens de Wet ruimtelijke ordening dient in het kader van goede ruimtelijke ordening sprake te zijn van een goede leefkwaliteit, of leefomgevingskwaliteit. Deze begrippen zijn niet duidelijk omlijnd en kennen vele invalshoeken. Met betrekking tot geluid betekent het echter dat niet alleen gekeken wordt naar de geluidsbronnen genoemd in de Wet geluidhinder, maar ook naar niet wettelijke geluidsbronnen zoals scheepvaart, tramverkeer, 30 km/uur wegen, parkeervoorzieningen. Hierbij wordt het geluidsniveau in beeld gebracht. In de Wet geluidhinder staan de geluidsgevoelige bestemmingen genoemd waarvoor maximaal toelaatbare geluidsbelastingen gelden, maar ook hier geldt dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening gekeken moet worden naar bestemmingen, die in de Wet geluidshinder niet als geluidsgevoelig zijn aangemerkt, maar dit wel kunnen zijn. Rotterdams beleid In het bestemmingsplan wordt een opsomming van geluidsgevoelige bestemmingen en eventueel nieuwe
84
bronnen, of aanpassingen van bestaande bronnen weergegeven. Onderzocht wordt of de maximaal toelaatbare geluidsbelasting (ook wel voorkeurswaarde genoemd) overschreden wordt. Is dit het geval, dan is onderzoek noodzakelijk naar maatregelen die genomen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te dringen. Indien het niet haalbaar blijkt de geluidsbelasting terug te dringen tot de maximaal toelaatbare waarde biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid een hogere maximaal toelaatbare geluidsbelasting vast te stellen. Dit heet het nemen van een Besluit hogere waarden. De motivering van dit besluit moet voldoen aan het Rotterdamse Ontheffingsbeleid Wet Geluidhinder. Dit beleid is erop gericht het aantal geluidsgehinderden zoveel mogelijk terug te dringen. Relatie tot plangebied De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van woningen, aldus geluidgevoelige bestemmingen, in een stedelijk gebied met enkele drukke wegen in de omgeving. Tevens bevindt de beoogde ontwikkeling zich binnen de geluidzone van het nabijgelegen spoortraject en meerdere tramlijnen. Het betreft een geluidbelaste locatie, waarbij in deze paragraaf nader aandacht wordt geschonken aan de geluidbelasting ter plaatse van de beoogde woningen.
Conform de Wet geluidhinder worden woningen geclassificeerd als geluidgevoelig, waarbij het van belang is om de optredende geluidbelasting ter plaatse van de gevels van de beoogde woningen in beeld te brengen. Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) is aangegeven hoe breed de geluidzone (het onderzoeksgebied) langs wegen is. Deze breedte hangt af van het aantal rijstroken en of de weg in stedelijk dan wel buitenstedelijk gebied ligt. Voor de in de omgeving van het woningbouwplan gelegen wegen geldt (aangezien het wegen zijn met een/twee rijstroken dan wel drie of meer rijstroken binnen de bebouwde kom) een zone van respectievelijk 200 en 350 meter. De Wgh stelt geen eisen ten aanzien van 30 km/uur-wegen. Voor de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op gevels van woongebouwen binnen een geluidzone geldt volgens de Wgh een voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB. Deze geluidbelasting is inclusief aftrek conform artikel 3.4 van het Reken- en Meetvoorschrift geluid 2012. De gemeentelijke overheid is in een aantal situaties bevoegd om van deze waarde van 48 dB af te wijken en een hogere grenswaarde vast te stellen tot een maximum van 53 dB respectievelijk 63 dB.
De maximum grenswaarde van 53 dB is van toepassing indien sprake is van een buitenstedelijk gebied of van een auto(snel)weg; de maximum grenswaarde van 63 dB geldt indien sprake is van een binnenstedelijk gebied. In de onderhavige situatie is sprake van binnenstedelijk gebied en geldt derhalve de maximum grenswaarde van 63 dB. Opgemerkt wordt dat ook trambanen doorgaans als wegverkeerslawaai worden beschouwd. Dit is ook in lijn met het gemeentelijk geluidbeleid waarin wordt gesteld dat als de trambaan zich binnen de geluidzone van een naastgelegen weg bevindt en er geen gebouwen tussen de trambaan en de weg staan, sprake is van een gezamenlijke verkeersstroom. In het onderzoek is het wegverkeerslawaai dan ook inclusief tramverkeer beschouwd. Railverkeerslawaai De nabijgelegen spoorlijn betreft een (hoofd)spoorweg die is aangegeven op de geluidplafondkaart, waarvoor de omvang van de geluidzone in artikel 1.4a Besluit geluidhinder is geregeld. De breedte van de zone is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond. Het meest nabijgelegen geluidproductieplafond bedraagt 61 dB, waarvoor de zonebreedte 300 meter bedraagt. Hiermee is de beoogde ontwikkeling binnen de geluidzone van railverkeerslawaai gesitueerd.
Conform de Wgh betreft de voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting vanwege een spoorweg ter hoogte van een geluidgevoelige bestemming volgens artikel 4.9 lid 1 van het Besluit geluidhinder (hierna: Bgh) 55 dB Lden. Omdat het nog niet geprojecteerde woningen in een stedelijk gebied betreft, kan volgens artikel 4.10 Bgh een hogere waarde voor de geluidbelasting vanwege een bestaande spoorweg van maximaal 68 dB worden toegestaan.
85
Figuur 6.3: Grenswaarden weg- en railverkeerslawaai (zoals van toepassing voor het plangebied) Hogere waarden Conform artikel 110a lid 5 Wgh kan een hogere waarde verleend worden indien de toepassing van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting ten gevolge van een weg van de gevel van de betrokken woningen tot de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Cumulatie Ingevolge artikel 110a, lid 6 van de Wgh moet bij de vaststelling van hogere waarden rekening worden gehouden met cumulatie van geluid ten gevolge van andere relevante geluidbronnen. De Wgh bepaalt dat een hogere waarde alleen wordt vastgesteld, voor zover de gecumuleerde geluidbelasting in een bepaalde situatie niet leidt tot een naar het oordeel van burgemeester en wethouders onaanvaardbare geluidbelasting. In de Wgh is echter niet geregeld in welke situatie sprake is van een onaanvaardbare geluidbelasting. Dove gevels De geluidnormen uit de Wgh zijn niet van toepassing op dove gevels.
Onder een dove gevel wordt volgens artikel 1b van de Wgh verstaan: "Een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering, die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A)" of "Een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits die delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte". In situaties waarbij de maximaal toegestane wettelijke grenswaarde(n) worden overschreden, bestaat daarmee toch een mogelijkheid om de bouw van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen te realiseren als deze wordt voorzien van een zogenaamde "dove gevel". Gemeentelijk beleid hogere grenswaarden Een hogere waardenprocedure is van toepassing bij een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde en een onderschrijding van de maximaal te verlenen hogere grenswaarde ten gevolge van wegverkeerslawaai bij de realisatie van een woning, of een ander geluidgevoelig gebouw of terrein. Het beleid van de gemeente Rotterdam inzake het verlenen van hogere grenswaarden (ontheffing) is opgenomen in het 'Ontheffingsbeleid Wet geluidhinder' (december 2006). Het beleid stelt voorwaarden aan de akoestische aspecten van het woningbouwproject en vormt het toetsingkader voor de beoordeling van deze hogere waardenbesluiten.
Uitgangspunt daarbij is dat met nieuwe ruimtelijke plannen een goede leefomgevingskwaliteit voor bewoners moet worden gerealiseerd. Daarbij is van belang om op te merken dat het gemeentelijke ontheffingsbeleid zich uitsluitend richt op woningen. Op andere geluidgevoelige objecten, zoals ziekenhuizen en scholen, is het ontheffingsbeleid niet van toepassing. Het gemeentelijk ontheffingsbeleid is gericht op het toepassen van zowel bronmaatregelen, als overdrachtsmaatregelen als maatregelen bij de ontvanger. Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarde wordt eerst onderzocht of bronmaatregelen (zoals 'stil' asfalt of snelheidsbeperking) mogelijk zijn en vervolgens of overdrachtsmaatregelen (zoals schermen en wallen) mogelijk zijn. In de praktijk blijken deze maatregelen vaak niet uitvoerbaar of leiden deze niet tot het gewenste resultaat. Als dit het geval is dienen maatregelen bij de ontvanger onderzocht te worden, zoals een nadere beschouwing van de situering en de indeling van de woningen. Als één van de harde criteria in het ontheffingsbeleid geldt dat realisatie van een woning gepaard gaat met minimaal één geluidluwe gevel en geluidluwe buitenruimte. De meeste woningen in het plan hebben een ruimte die bedoeld is als buitenruimte. Als er geen buitenruimte aanwezig is, wordt met de aanwezigheid van een geluidluwe gevel voldoende kwaliteit gerealiseerd. Als een woning meerdere
86
buitenruimten heeft, is het voldoende als één buitenruimte is gelegen aan de geluidluwe zijde. In onderstaande figuur zijn de hoogst toelaatbare geluidbelastingen ten gevolge van weg- en railverkeer voor geluidluwe gevels en buitenruimten opgenomen.
Figuur 6.4: Geluidluwe gevel- en buitenruimte In dit geval bedraagt de hoogst toelaatbare geluidbelasting aan geluidluwe gevels en buitenruimten voor weg- en railverkeerslawaai respectievelijk 53 dB (inclusief aftrek ex artikel 3.4 Rmg) en 55 dB. Naast criteria voor de beperking van geluidhinder zijn enkele overige overwegingen in het geluidbeleid opgenomen. Zo moet de geluidhinder ter plaatse van geluidluwe gevels als gevolg van parkeren op binnenterreinen worden voorkomen, en moet aandacht worden geschonken aan de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer over 30 km/uur-wegen, ondanks dat de Wet geluidhinder hiervoor een uitzondering kent. Tot slot wordt opgemerkt dat indien niet aan de voorwaarden uit het beleid kan worden voldaan gemotiveerd af kan worden geweken van het gemeentelijk geluidbeleid. Daarbij zal wel gezocht moeten worden naar alternatieve oplossingen. Bij het ontbreken van een geluidluwe buitenruimte kan daarbij bijvoorbeeld een gemeenschappelijke geluidluwe buitenruimte gerealiseerd worden. Beoordeling Weg- en railverkeerslawaai Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door Peutz akoestisch onderzoek uitgevoerd, deze is opgenomen als Bijlage 14 Akoestisch onderzoek weg- en railverkeer.