CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb008728] Bijlage 4 behorende bij 23b008730 - Toelichting ontwerpbestemmingsplan RISE

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 31 januari 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen41.652 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en 55 dB voor respectievelijk wegverkeer en railverkeer ter plaatse van de beoogde woningen ten gevolge van weg- en railverkeerslawaai wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van respectievelijk 63 dB en 68 dB voor weg- en railverkeer wordt niet overschreden. Uit het voornoemde akoestisch onderzoek volgt dat er hogere waarden verleend moeten worden ten gevolge van weg- en railverkeerslawaai. In onderstaande figuren zijn de hogere waarden voor het aantal woningen per bron weergegeven.

87

Figuur 6.5: Hogere waarden wegverkeer

Figuur 6.6: Hogere waarden railverkeer Voordat het college van burgemeester en wethouders hogere waarden kan verlenen, dient eerst onderzocht te worden of door het treffen van stedenbouwkundige maatregelen (indeling bouwplan, situering geluidgevoelige bestemmingen), bron- of overdrachtsmaatregelen, dan wel (bouwkundige) maatregelen bij de ontvanger aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan. In het akoestisch onderzoek zijn de mogelijke maatregelen om de geluidbelasting te reduceren nader onderzocht. Daaruit volgt dat bron- en overdrachtsmaatregelen onvoldoende effectief of niet uitvoerbaar zijn om de geluidbelasting vanwege weg- en railverkeer tot de voorkeursgrenswaarde te beperken. In voorliggende situatie zijn maatregelen aan de woningen het meest kansrijk. Zonder maatregelen beschikt niet iedere woning over een geluidluwe gevel. In het ontwerp zal rekening worden gehouden met de hoge geluidbelasting. Hierbij zal worden aangesloten op de eisen conform het beleid inzake het verlenen van hogere waarden van de gemeente Rotterdam. Opgemerkt wordt dat voor de woningen die zelf niet beschikken over een geluidluwe gevel overwegend sprake is van een relatief beperkte overschrijding van de waarde van 53 dB als gevolg van wegverkeer.

Om het wooncomfort te vergroten, kunnen de bewoners die niet beschikken over een appartement met een geluidluwe gevel gebruik maken van de gemeenschappelijke geluidluwe buitenruimtes. De ontwikkeling voorziet in het realiseren van gemeenschappelijke geluidluwe buitenruimtes met een oppervlakte van circa 930 m2 bvo (exclusief daktuin van het kinderdagverblijf). Inclusief de daktuin van het kinderdagverblijf, welke gedeelten van de dag ook toegankelijk is voor bewoners, gaat het om een oppervlakte van circa 1.200 m2 bvo. In deze geluidluwe gebieden kunnen bewoners van de Hofpleintoren en Weenatoren verblijven. De bewoners van de Coolsingeltoren kunnen hoogstwaarschijnlijk gebruik maken van het dakterras boven het hotel (Stadhuiszijde). Bovendien wordt in het ontwerp rekening gehouden met de situering van geluidgevoelige functies. Niet-geluidgevoelige functies worden zoveel mogelijk aan de meest geluidbelaste geveldelen gesitueerd en woningen worden pas vanaf de 8e bouwlaag toegestaan. Thans worden de toe te passen maatregelen nader uitgewerkt. Overigens is het toepassen van dove gevels, aangezien de maximale ontheffingswaarden niet wordt overschreden, niet benodigd in voorliggende situatie.

Tot slot wordt opgemerkt dat, indien het niet mogelijk blijkt te zijn om aan de voorwaarden uit het gemeentelijk geluidbeleid te voldoen en het niet mogelijk is om alternatieve oplossingen te treffen, het gemeentelijk geluidbeleid tevens mogelijkheden biedt om hier gemotiveerd van af te wijken. In voorliggende situatie worden echter maatregelen getroffen. De beoogde woningen worden voorzien van balkons met een gesloten balustrade en een geluidsabsorberend plafond. Een klein deel van de woningen beschikt na het treffen van deze maatregelen, ondanks dat de geluidbelasting ter plaatse van

88

de gevels van deze woningen wel met circa 2 dB is gereduceerd, net niet over een geluidluwe gevel. Verdere maatregelen aan de woningen worden echter niet wenselijk dan wel haalbaar geacht. Derhalve wordt vorozien in alternatieve oplossingen in de vorm van gemeenschappelijke buitenruimten. Hiermee is afwijking van de methodiek die is opgenomen in het gemeentelijk beleid dan ook niet aan de orde, namelijk het volgen van het proces van 'ambitie – afwijken – motivatie – compensatie'. Met de beoogde invulling wordt een goed woon- en leefklimaat nagestreefd. Een hogere grenswaarde kan wettelijk alleen worden verleend als de gecumuleerde geluidbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting. In welke gevallen sprake is van een onaanvaardbare gecumuleerde geluidbelasting wordt niet in de Wet geluidhinder vastgelegd. In de voorliggende situatie is voor de afzonderlijke geluidbronnen geen sprake van een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde. Een relatief hoge gecumuleerde geluidbelasting op een dergelijke stedelijke locatie is niet ongebruikelijk. Bovendien zullen de beoogde woningen wat betreft het binnenniveau voldoen aan de nieuwbouweisen uit het Bouwbesluit 2012. Horecalawaai Opgemerkt wordt dat naast weg- en railverkeerslawaai, ook een beoordeling ten aanzien van horecageluid heeft plaatsgevonden.

De relevante onderzoeken worden toegelicht in paragraaf 6.8 Milieuzonering. Voor een toelichting op horecalawaai wordt dan ook verwezen naar deze paragraaf. Gecumuleerde geluidbelasting De optredende geluidbelasting als gevolg van weg- en railverkeerslawaai ter plaatse van de gevel met woningen van RISE is maximaal 62 dB (exclusief aftrek) voor wegverkeerslawaai en 59 dB voor railverkeerslawaai. De cumulatieve geluidbelasting van deze bronnen tezamen is maximaal 64 dB. Het grootste aandeel hiervan is wegverkeerslawaai. De maximale geluidbelasting door de in de omgeving aanwezige horeca is berekend op maximaal 57 dB etmaalwaarde. De nieuwe horeca binnen het plangebied RISE is ondergeschikt aan de geluidbelasting van bestaande horeca in de omgeving en draagt niet bij aan een toename van de gecumuleerde geluidbelasting. Onderbouwing aanvaardbaar woon- en leefklimaat Rotterdam heeft vanwege de behoefte aan woningen te maken met een verdichtingsopgave. Volgens de Koersnota Geluid is het, om de stad aantrekkelijk en levendig te houden, belangrijk te zorgen voor een variatie aan zowel rustige als levendige plekken en een goede mix daarvan. Dat is ook een voorwaarde voor verdere verdichting van de stad. Conform de Nota van Uitgangspunten is het wenselijk op de betreffende locatie in horeca te voorzien. De ruimte voor nachthoreca staat namelijk onder druk in de binnenstad.

RISE biedt kansen om nieuwe, zorgvuldig ingepaste ruimten voor nachthoreca toe te voegen aan het aanbod. Het plangebied aan het Hofplein is zowel in de Koersnota Geluid als de Uitwerking OVI Gebied Binnenstad benoemd als locatie waar het interactiemilieu kan worden versterkt en waar nieuw nachtleven kan worden toegevoegd. Horeca is een belangrijke en onmisbare functie voor verblijven en ontmoeten op deze locatie. Er ontstaat een levendige plint op de locatie, waarmee kwaliteit aan het gebied wordt toegevoegd. Om te voorkomen dat er een knelpunt ontstaat tussen horeca en woningbouw wordt - conform de Koersnota - nadrukkelijk rekening gehouden met het karakter van de plek en de directe omgeving en worden woningen in de Rotterdamse Laag niet toegestaan. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt in dit geval maximaal 64 dB. Het grootste aandeel hiervan is wegverkeerslawaai. De maximale geluidbelasting door de in de omgeving aanwezige horeca is berekend op maximaal 57 dB etmaalwaarde. De nieuwe horeca binnen het plangebied is ondergeschikt aan de geluidbelasting van bestaande horeca en draagt niet bij aan een toename van de gecumuleerde geluidbelasting. De geluidwerende voorzieningen zijn daarom ook afgestemd op de gecumuleerde geluidbelasting als gevolg van weg- en railverkeerslawaai.

Opgemerkt wordt dat in een stedelijke omgeving een dergelijke gecumuleerde geluidbelasting niet ongebruikelijk is. Het betreft immers een binnenstedelijke ontwikkeling nabij diverse geluidsbronnen, waar sprake is van reuring en derhalve een hogere geluidbelasting aanvaardbaar wordt geacht dan in een typische woonwijk. Vanwege de relatief hoge geluidbelasting worden woningen pas vanaf de 8e verdieping toegestaan. Daarnaast wordt voorzien in een geluidluwe daktuin, zodat alle bewoners de mogelijkheid krijgen om gebruik te maken van een geluidluwe buitenruimte. Aangezien in de regels een koppeling wordt gelegd met het hogere waardenbesluit en deze maatregel daarin is opgenomen, is

89

geborgd dat hier invulling aan wordt gegeven. Daarnaast wordt gestreefd om kwalitatief hoogwaardige woningen te realiseren, waarmee een prettig woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen wordt nagestreefd. De geluidwering van de gevel wordt bepaald op basis van de maatgevende bron. In dit geval is het weg- en railverkeer maatgevend en is het geluid van horeca daaraan ondergeschikt. Vanwege de te treffen maatregelen zal aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012 worden voldaan. In het kader van de omgevingsvergunning voor het aspect bouwen zal dit worden aangetoond. Gezien voorgaande is een aanvaardbaar akoestisch binnenniveau gewaarborgd. Daarnaast is geborgd dat omwonenden en de bewoners van RISE niet worden geconfronteerd met een te hoge geluidbelasting vanwege de terrassen. Op de verbeelding behorend bij dit bestemmingsplan zijn immers de locaties van de horeca en terrassen opgenomen, waarbij in de planregels is vastgelegd dat uitsluitend op deze locaties in horeca en daarbij behorende terrassen mag worden voorzien. Tevens is vastgelegd welk type horeca per locatie wordt toegestaan. De geluidwerende functies is met de gehanteerde uitgangspunten zodanig dat de horeca niet leidt tot een verhoging van het binnenklimaat. Het horecageluid is immers ondergeschikt aan het weg- en railverkeerslawaai.

Conclusie Als gevolg van weg- en railverkeerslawaai is sprake van relatief hoge geluidbelastingen ter plaatse van de gevels van de beoogde ontwikkeling. Voor de beoogde ontwikkeling zullen derhalve hogere waarde verleend moeten worden. In het ontwerp zal rekening worden gehouden met de hoge geluidbelasting. Hierbij zal worden aangesloten op de eisen conform het beleid inzake het verlenen van hogere waarden van de gemeente Rotterdam.

6.7

Luchtkwaliteit

Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn in het bestemmingsplan twee aspecten van belang. Ten eerste dient nagegaan te worden wat de gevolgen zijn van het plan voor de (lokale) luchtkwaliteit. Daarnaast dient te worden nagegaan of de gewenste bestemming past bij de aanwezige luchtkwaliteit. Dit geldt vooral voor bestemmingen die gevoelig zijn voor een verminderde luchtkwaliteit zoals scholen, kinderopvang, bejaardenhuizen, maar ook woningen. Volgens Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit) zijn grenswaarden opgenomen voor de volgende stoffen; zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (fijnstof), lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden in Nederland op bepaalde plaatsen overschreden. Vooral langs drukke wegen in stedelijk gebied. Aan de andere grenswaarden wordt voldaan. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In de gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald, verbeteren de betrokken overheden met gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit. Het NSL bevat zowel ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verslechteren als maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het NSL moet ervoor zorgen dat overal de grenswaarden worden gehaald.

Een groot deel van de maatregelen uit het NSL wordt nu al uitgevoerd. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Tegelijk met de Wet luchtkwaliteit is het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. De wet maakt onderscheid tussen ruimtelijke projecten die in betekenende mate bijdragen aan de luchtvervuiling en projecten die daaraan niet in betekenende mate bijdragen. Het besluit regelt de grens daartussen. Het NSL bepaalt de grens tussen wel of niet in betekenende mate op 3% van de grenswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit bij de vaststelling van een ruimtelijk plan. Ontwikkelingen die niet in betekenende mate bijdragen hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden.

De gemeenteraad kan een bestemmingsplan vaststellen als: er door de (ontwikkelingen in) het plan geen grenswaarden worden overschreden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof door het plan verbetert of ten minste gelijk blijft; er sprake is van een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof en deze toename wordt gecompenseerd door een met het plan samenhangende maatregel of effect; het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtvervuiling; de in het plan opgenomen ontwikkelingen passen binnen het NSL, of een programma voor het verbeteren van de luchtkwaliteit dat door een ander bestuursorgaan dan het Rijk is opgesteld.

90

Rotterdams beleid Om de luchtkwaliteit in Rotterdam te verbeteren en de ontwikkeling van de stad blijvend mogelijk te maken is de Rotterdamse strategie voor Besluit luchtkwaliteit vastgesteld, uitgewerkt in de Rotterdamse aanpak luchtkwaliteit. Daarin worden verschillende maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren beschreven. Zo is een slechte luchtkwaliteit bij nieuwbouw een belangrijk aandachtspunt. Herstructurering is alleen mogelijk als dat resulteert in netto minder blootgestelde inwoners. In overschrijdingsgebieden is nieuwbouw niet toegestaan. Rotterdam kent een Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderopvang. De beleidsregel is van toepassing op scholen voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs en kinderopvang. Deze beleidsregel heeft tot doel het tegengaan van blootstelling van kinderen aan te hoge concentraties van schadelijke stoffen in de buitenlucht. De beleidsregel heeft betrekking op de gronden binnen 100 meter vanaf de rand van een snelweg en binnen 50 meter vanaf de rand van een drukke binnenstedelijke weg (de belaste zone). De beleidsregel is bedoeld om toe te passen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan.

Toepassing van de beleidsregel in een plan wil zeggen dat er binnen de belaste zone in principe geen nieuwe bestemmingen worden vastgesteld waarbinnen scholen en kinderdagverblijven mogelijk zijn. Relatie tot plangebied In het kader van de beoogde ontwikkeling is door Peutz een onderzoek uitgevoerd naar het effect van de ontwikkeling van nieuwbouw op de luchtkwaliteit ter plaatse. De beoogde ontwikkeling kan namelijk van invloed zijn op de luchtkwaliteit in de omgeving door een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Het effect van de beoogde ontwikkeling op de lokale luchtkwaliteit dient dan ook beoordeeld te worden. De onderzoeksresultaten zijn opgenomen in Bijlage 15 Onderzoek luchtkwaliteit en worden hieronder samenvattend besproken. Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat: zowel in 2033 zonder de realisatie van de beoogde ontwikkeling als in 2033 na planrealisatie geen sprake is van overschrijding van grenswaarden voor de stoffen NO2, PM10 en PM2,5; aangezien de toename van de concentraties van voornoemde stoffen minder bedraagt dan 3% van de grenswaarden sprake is van een 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) van het plan. De beoogde ontwikkeling omhelst ook maatschappelijke functies, zoals beschermd wonen en/of een kinderdagverblijf. Er is echter geen sprake van de ligging binnen 300 of 50 meter van respectievelijk rijkswegen of provinciale wegen.

In de "Beleidsregel buitenklimaat: Luchtkwaliteit bij scholen en kinderdagverblijven" is tevens vastgelegd dat voor een nieuwe kinderopvang binnen 100 meter vanaf een rijksweg en binnen 50 meter vanaf een drukke stedelijke weg een nee-tenzij benadering geldt. De beoogde kinderopvang is aan de zijde van de Doelstraat georiënteerd, en bevindt zich niet binnen 100 of 50 meter vanaf respectievelijk een rijksweg of drukke stedelijke weg. Daarnaast wordt overal aan de van toepassing zijnde grenswaarden voor luchtkwaliteit voldaan. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling oplevert. Na de realisatie van de beoogde ontwikkeling is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

6.8

Milieuzonering

Bij goede ruimtelijke ordening hoort het voorkomen van voorzienbare hinder door bedrijven en andere activiteiten. Hiervoor bestaan voor nieuwe situaties geen wettelijke normen. In het Rotterdamse beleid voor milieuzonering wordt gebruik gemaakt van indicatieve gebiedstypen en een bedrijvenlijst die is opgesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering). De VNG-uitgave geeft informatie over milieuhinder van vrijwel alle bedrijfstypen en andere activiteiten. Hierin zijn voor de milieuaspecten geur, stof (luchtkwaliteit), geluid en gevaar indicatieve afstanden bepaald. De aard van de hinder is bepalend voor de vraag in hoeverre tussen een belastende en een

91

gevoelige functie verweving mogelijk is, dan wel ruimtelijke scheiding noodzakelijk is. De VNG-uitgave bevat een tabel met de indicatieve afstanden. Hiermee kan de vraag worden beantwoord welke afstand aanvaardbaar is tussen een nieuw bedrijf en woningen en tussen nieuwe woningen en bedrijven, of welke bedrijven aanvaardbaar zijn in een gebied met functiemenging. Bij gebieden met functiemenging kan gedacht worden aan stadscentra, winkelcentra, horecaconcentratiegebieden, zones langs stedelijke wegen, woongebieden met kleinschalige en ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden nabij industrieterreinen. In deze gebieden is een combinatie van wonen en werken vaak mogelijk. Vaak aanpandig, bij lichte bedrijvigheid, of naast elkaar, bij de iets zwaardere bedrijven en met aandacht voor de ontsluiting bij bedrijven met een verkeersaantrekkende werking. De gemeente Rotterdam bestemt in haar bestemmingsplannen de functies zoals agrarische doeleinden, kantoren, detailhandel, horeca, maatschappelijke voorzieningen, sport of recreatie als zodanig en niet als bedrijfsbestemming. In de bijgevoegde bedrijvenlijst zijn deze bestemmingen dan ook niet opgenomen. Voor het inpassen van die functies wordt echter wel gebruik gemaakt van de VNG-uitgave. Relatie tot plangebied Het plangebied van dit bestemmingsplan geldt in het Rotterdamse beleid als een 'gemengd gebied'.

In deze gebieden kunnen - mede conform het bestemmingsplan "Lijnbaankwartier - Coolsingel" - bedrijven in milieucategorie 3 in principe als passend worden gezien, mits deze een redelijke afstand tot de woonbebouwing hebben. Bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied Binnen het plangebied wordt bedrijvigheid tot ten hoogste categorie 2 toegestaan van de bedrijvenlijst. Veelal zijn deze bedrijven toegestaan op de begane grond, waarboven wordt gewoond, of in op zichzelf staande gebouwen. In de praktijk laten deze functies zich door de beperkte omvang in het algemeen zonder problemen combineren met woningen, of zijn problemen goed te voorkomen/verhelpen door het nemen van maatregelen. Met het bestemmingsplan worden horeaca-activiteiten toegestaan. De impact van de beoogde horeca binnen het plangebied is onderzocht. Het onderzoek is opgenomen in in Bijlage 16 Akoestisch onderzoek horecageluid RISE met bijbehorende Bijlage 17 Addendum akoestisch onderzoek horecageluid RISE. Zowel ter plaatse van nieuwe als bestaande woningen is het geluidseffect bepaald. Het onderzoek is opgesteld om inzichtelijk te maken of de functies horeca en wonen vanuit akoestisch perspectief verenigbaar zijn. In het onderzoek zijn aannames gedaan over welk type horeca in welke ruimten komt en over de te hanteren exploitatie geluidniveaus van de horeca, de opbouw van de gevels en de omvang van de terrassen.

Uit het onderzoek volgt dat horecavestingen en terrassen goed te combineren zijn met de geplande nieuwe woningen in de torens van RISE. Aan de grenswaarden vanuit het Activiteitenbesluit kan worden voldaan. Voor wat betreft de bedrijfsactiviteiten binnen het plangebied, kan dan ook gesproken worden van een akoestisch goed woon- en leefklimaat. Bij de uitwerking van dit bestemmingsplan, zijn de in het onderzoek gehanteerde horecalocaties, typen horeca en maximale omvang van terassen vastgelegd op de verbeelding in combinatie met de regels. Zodoende is een goed woon- en leefklimaat ook planologisch geborgd. Hierna wordt onder het kopje 'Geluid van horeca' nader op de impact van deze activiteiten ingegaan en worden ook de effecten van de beoogde horeca op bestaande woningen nader toegelicht. Activiteiten in de omgeving van het plangebied Nabij het plangebied, gelegen aan de Haagseveer, Doelstraat en Doelwater is het bestaande gebouw bestemd als 'Centrum – 1' waarbinnen dezelfde functies mogelijk zijn al waar voorliggend bestemmingsplan in voorziet. Ter plaatse zit in de huidige situatie het Hoofdbureau Politie Eenheid Rotterdam gevestigd (behorend tot milieucategorie 2 en een te hanteren richtafstand van 10 meter). De nieuwe woningen binnen RISE voldoen aan deze richtafstand.

Ten zuiden van het plangebied bevindt zich onder andere het Stadhuis van Rotterdam en het Vraagwijzer Centrum, binnen de bestemming 'Maatschappelijk – 2'. Zowel het Vraagwijzer Centrum als het Stadhuis van Rotterdam vallen binnen de categorie 'Openbaar bestuur, Overheidsdiensten en

92

Sociale Verzekeringen' en de subcategorie 'openbaar bestuur (kantoor e.d.)' (SBI-code 2008 84). Deze subcategorie valt onder milieucategorie 1, waarvoor binnen gemengd gebied een richtafstand van 0 meter wordt gehanteerd. Geluid van horeca activiteiten Vanwege de effecten van horeca in de omgeving van het plangebied en het toestaan van horeca binnen het plangebied, zijn akoestische onderzoeken uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in de volgende rapportages: enerzijds in Bijlage 18 voor wat betreft het effect van geluid afkomstig van (bestaande) horeca in de omgeving op het plangebied en; anderzijds in Bijlage 16 en Bijlage 17 voor wat betreft het effect van de (toekomstige) horeca die binnen het plangebied zelf beoogd is. Geluid afkomstig van horeca in de omgeving van RISE Vanwege de in de omgeving aanwezige horeca is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Deze horecagelegenheden brengen muziekgeluid ten gehore op verschillende volumes in de dag-, avond- en nachtperiode en exploiteren daarnaast een terras. In het onderzoek van Peutz (zie bijlage 18) wordt ingegaan op de te verwachten geluidniveaus ter hoogte van de beoogde woningen.

De horecagelegenheden die zijn gevestigd aan het Stadhuisplein en de Kruiskade betreffen voor een zeer groot deel nachthorecagelegenheden, waar in met name de avond- en nachtperiode muziek ten gehore wordt gebracht op een hoog volume van 100 tot 110 dB(A), afhankelijk van de gelegenheid. Daarnaast zijn de terrassen op het Stadhuisplein en de Kruiskade in de nachtperiode op weekendavonden tot uiterlijk 02:00 uur bezet met ten hoogste respectievelijk 1750 en 450 personen. De nachtperiode is hiermee maatgevend voor de te verwachten geluidniveaus ter hoogte van de gevels van Rise. In eerder door Peutz uitgevoerd onderzoek zijn de uitgangspunten wat betreft muziekgeluid in de verschillende horecagelegenheden en stemgeluid op de terrassen uitgebreid beschouwd en vastgelegd in een rapportage (zie ook bijlage 18 voor een toelichting hierop). In deze rapportage wordt voor de gelegenheden aan het Stadhuisplein rekening gehouden met een relatief zware geluidisolatie door middel van een nieuw te realiseren gevel. Voor de gelegenheden aan de Kruiskade wordt in genoemd rapport geen aanvullende geluidisolatie voorgeschreven, maar wordt voor enkele gelegenheden wel een overschrijding van de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer berekend ter hoogte van nabijgelegen woningen.

In het onderzoek naar geluid van horeca in de omgeving (het betreft bijlage 18) wordt uitgegaan van: realisatie van de nieuwe gevel bij de horecagelegenheden aan het Stadhuisplein; (muziek)geluidemissie van de horecagelegenheden aan de Kruiskade waarmee wordt voldaan aan het Activiteitenbesluit milieubeheer ter hoogte van de meest nabijgelegen woningen; volledig bezette terrassen bij de horecagelegenheden. Uit de onderzoeksresultaten blijkt het volgende. Voor het geluid van horeca in de omgeving wordt ter hoogte van de gevels van RISE een invallend geluidniveau ten gevolge van de horecagelegenheden berekend van ten hoogste circa 47 dB(A) in de nachtperiode, overeenkomend met 57 dB(A)-etmaalwaarde (dit betreft gezamenlijke geluidbelasting ten gevolge van de verschillende horeca-activiteiten in de omgeving). Dit geluidniveau wordt berekend ter hoogte van de gevel van de woningen in de Coolsingeltoren (zijde Coolsingel) op een hoogte van 143 meter en ook ter hoogte van de zuidgevel van de (hotel)plint onder de Coolsingeltoren op een hoogte van 21 meter. In onderstaande figuur worden de optredende etmaalwaarde per toetspunt weergegeven.

93

Figuur 6.7: Etmaalwaarde per beoordelingspositie (exclusief muziektoeslag) (Bron: Akoestisch onderzoek Peutz, zie bijlage 18) Uit figuur 6.7 volgt dat de hoogste geluidbelasting optreedt ter plaatse van de toren aan de Coolsingel en de Hofpleintoren. Ter plaatse van de overige torens bedraagt de geluidbelasting minder dan 50 dB (A)-etmaalwaarde. Dit geldt ook voor de achterzijde van de torens. Op basis van de rekenresultaten dient de geluidisolatie te worden bepaald die benodigd is om in de woningen te kunnen voldoen aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het invallende geluidniveau dient met tenminste 22 dB(A) te worden gereduceerd om tot de vereiste binnenwaarde van 35 dB(A) te komen. Bij de verdere uitwerking van de plannen wordt hier rekening mee gehouden (zie ook de toelichting op het binnenniveau in paragraaf 6.6). Geluid afkomstig van horeca binnen RISE In het akoestisch onderzoek voor horecageluid binnen het plangebied (zie bijlage 16 en 17) is uitgegaan van de invulling met horeca en daarbij behorende terrassen op een aantal locaties. Als de terrassen geen overdekte en/of verwarmde terrassen zijn, is een beoordeling aan grenswaarden uit het Activiteitenbesluit formeel niet aan de orde. Desondanks is hier in het akoestisch onderzoek aandacht aan besteed.

Uit het akoestisch onderzoek volgt dat, zowel bij de nieuwe woningen als bij de bestaande woningen, aan de grenswaarden vanuit het Activiteitenbesluit kan worden voldaan. Dit geldt ook voor de terrassen die niet onder de werkingssffeer van het Activiteitenbesluit vallen (behoudens op enkele locaties waar planologisch nu wel woningen mogelijk zijn maar er nu nog niet zitten). De beoogde terrassen zijn vanuit het perspectief van een goed woon- en leefklimaat zodoende goed inpasbaar. Uit het onderzoek volgt daarnaast dat, indien een terras als onderdeel van de inrichting moet worden beschouwd (overdekt/verwarmd) de cumulatie van het geluid van het terras en bijbehorende horeca inrichting binnen de grenswaarde van het Activiteitenbesluit blijft. Om ervoor te zorgen dat horeca en de daarbij behorende terrassen uitsluitend worden gerealiseerd op die locaties waar in het onderzoek rekening mee is gehouden, zijn de locaties van de horeca en

94

terrassen in dit bestemmingsplan vastgelegd (zoals ook reeds toegelicht in paragraaf 6.6). Daarnaast is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen die erop toeziet dat te allen tijde een beoordeling van het horecageluid (inclusief de daarbij behorende terrassen) aan grenswaarden plaatsvindt. De voorwaardelijke verplichting luidt als volgt: "Het gebruik van de gronden ten behoeve van horeca en daarbij behorende terrassen is uitsluitend toegestaan indien voorafgaand aan de ingebruikname: a. voor activiteiten die vallen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer: is aangetoond dat de geluidbelasting op de buitengevel van bestaande en geprojecteerde woning(en) voldoet aan de geluidgrenswaarden uit het eerste lid van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer of een hogere geluidgrenswaarde zoals vastgesteld bij maatwerkvoorschriften; b. voor alle horecaterrassen die niet onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen: is aangetoond dat de geluidbelasting op de buitengevel van de bestaande en geprojecteerde woning(en) binnen het plangebied maximaal 50 dB(A) etmaalwaarde bedraagt voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Gezien voorgaande sluiten de activiteiten aan bij hetgeen in de Koersnota Geluid van de gemeente is opgenomen.

Er wordt namelijk ruimte aan nieuwe (nacht)horeca geboden die, eventueel met maatregelen, goed in het gebied kan worden ingepast, zodat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd. In paragraaf 6.6 is reeds nader ingegaan op de gecumuleerde geluidbelasting en de aanvaardbaarheid hiervan. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

6.9

Natuur

Per 1 januari 2017 heeft de Wet natuurbescherming (Wnb) onder meer de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet vervangen. De Wet natuurbescherming is de Nederlandse implementatie van het Europese natuurbeleid zoals vastgelegd in de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en in de verdragen van Bern en Bonn. De Wet natuurbescherming heeft de volgende doelstellingen: het behouden en ontwikkelen van natuur; het behouden en herstellen van de biodiversiteit; het duurzaam kunnen blijven inzetten van natuur voor ecosysteemdiensten; het realiseren van samenhangend beleid gericht op het behoud van waardevolle landschappen vanwege hun maatschappelijke functies. De Wet natuurbescherming verwezenlijkt bovenstaande doelen via; actieve natuurbescherming, gebiedsbescherming, soortbescherming en algemene zorgplicht voor natuur. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden worden beschermd op basis van de Habitatrichtlijn (HR). Deze gebieden zijn aangewezen als Natura 2000-gebied omdat er bijzondere habitattypen en/of bijzondere plant- en diersoorten aanwezig zijn. Laatstgenoemde kunnen van stikstofgevoelige habitattypen afhankelijk zijn. Vanaf 1 juli 2015 is gewerkt met de PAS: de Programmatische Aanpak Stikstof. De PAS is het beleid waarmee Nederland het hoofd bood aan de problematiek rond stikstof en natuur.

In de PAS zijn alle Natura 2000-gebieden opgenomen waarbinnen ten minste één stikstofgevoelig habitattype voorkomt dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. Dit is het geval voor 117 van de ruim 160 Natura 2000-gebieden. Met een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen (ECLI:NL:RVS:2019:1603). De uitspraak heeft een aantal belangrijke gevolgen voor toekomstige en bestaande ontwikkelingen. Zo zijn de eerder geldende drempelwaarden komen te vervallen. Een ruimtelijke ontwikkeling kan leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze toename van stikstofdepositie kan het gevolg zijn van de realisatiefase (bouwwerkzaamheden) en de gebruiksfase (het gebruiken van het plan).

95

Soortenbescherming Ook het aspect 'soortbescherming' vindt sinds 1 januari 2017 zijn wettelijk kader in de Wet natuurbescherming; deze wet beschermt de in deze wet aangemerkte soorten planten en dieren, ongeacht waar die zich bevinden. Om de instandhouding van de beschermde soorten te waarborgen moeten negatieve effecten op de instandhouding worden voorkomen. Hiertoe zijn in de wet verschillende verbodsbepalingen geformuleerd en zijn de soorten onderverdeeld in twee groepen: strikt beschermde soorten, volgend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; alle overige beschermde soorten, waaronder die uit de Rode Lijst. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in de bijlage van de Wet natuurbescherming. Dat houdt in dat, bij planvorming, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden met gevolgen, die ruimtelijke ingrepen hebben, voor instandhouding van de beschermde soort. Rotterdams beleid Op 18 maart 2014 is door B&W de Rotterdamse Natuurkaart vastgesteld. Het doel van de Natuurkaart Rotterdam is om de omgevingskwaliteit te verbeteren door meer rekening de houden met de ecologische kansen op ontwikkellocaties. Ingezet wordt op het verbinden van gebieden waar ecologische kwaliteit aanwezig is en deze gebieden ook te verbinden met Natuurnetwerk Nederland.

Ten oosten van het plangebied, ter hoogte van Haagseveer, is rondom de Haven een zone aangewezen voor 'groene wijkdooradering'. Het is niet te verwachten dat de beoogde ontwikkeling deze verbindingszone in de weg staat. 6.9.1

Soortbescherming

Om te bepalen of het plangebied wordt gebruikt door beschermde soorten, dan wel geschikt is voor beschermde soorten, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 19 Quickscan flora en fauna. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Onderstaande tabel geven de resultaten voor soortenbescherming samenvattend weer.

Uit de quickscan blijkt dat, om de effecten van de ingreep volledig te kunnen toetsen aan de Wet

96

natuurbescherming, op het gebied van nesten en verblijfplaatsen van huismus en vleermuis meer informatie is benodigd. Huismus en vleermuizen Derhalve is nader ecologisch onderzoek uitgevoerd naar huismus en vleermuis. De resultaten zijn opgenomen in Bijlage 20 Nader ecologisch onderzoek. Uit het onderzoek is gebleken dat het pand niet in gebruik is door de huismus als vaste rust- of nestlocatie. Daarnaast is uit het onderzoek gebleken dat het huis ook door vleermuizen niet in gebruik is als zomer-, kraam-, paar- en/of massawinterverblijf. De vleermuisactiviteit rondom de onderzoekslocatie was relatief laag en verblijfplaatsen zijn uitgesloten op basis van de onderzoeksresultaten. Bij de voorgenomen sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden worden geen nestlocaties beschadigd en/of vernield van de huismus en is geen sprake van opzettelijke verstoring van huismusnesten. Ook voor vleermuizen geldt dat geen verblijfplaatsen of andere beschermde functies zijn aangetoond in (relatie tot) de bebouwing op de onderzoekslocatie. Juridisch gezien is er daarom geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de huismus en vleermuis. Wel wordt aanbevolen om zorgvuldig te handelen tijdens de werkzaamheden, omdat er altijd sprake kan zijn van onverhoopte aanwezigheid van een vleermuis, op een onverwachte plek.

Ook wordt geadviseerd om gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting. Met betrekking tot algemene broedvogels wordt geadviseerd het verwijderen van eventueel aanwezige nestgelegenheden (waaronder de nestkasten in de binnentuin) en het groen, uit te voeren buiten het broedseizoen. Hiermee kan een eventuele overtreding van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming ten aanzien van algemeen voorkomende broedvogels worden voorkomen. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Indien er wel binnen de broedperiode wordt gewerkt, dient er voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden. Tot slot dient altijd rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht. Actualisatie ecologische onderzoeken De Quickscan flora en fauna dateert uit 2019 en het Nader ecologisch onderzoek uit 2020. Voor ecologische onderzoeken geldt in beginsel een houdbaarheid van circa 3 jaar. Om deze reden is de locatie opnieuw bezocht en onderzocht. De resultaten zijn opgenomen in Bijlage 21 Memo actualisatie ecologische onderzoeken. Hieruit blijkt dat de resultaten uit de quickscan (2019) en het nader onderzoek (2020) over het algemeen nog steeds representatief zijn.

Wel wordt nader onderzoek naar vleermuizen (wederom) nodig geacht, aangezien dezelfde mogelijke verblijfplaatsen nog steeds aanwezig zijn in het appartementencomplex en het kantoorpand als in 2019. Hierdoor kan afwezigheid van vleermuizen, zoals met het nader onderzoek in 2020 was geconcludeerd, niet zomaar nogmaals worden geconcludeerd. Ten aanzien van algemene broedvogelsoorten wordt geadviseerd om buiten het broedseizoen te werken om schade aan soorten te voorkomen. Ook wordt nogmaals gewezen op de algemene zorgplicht. Een aantal zaken is veranderd ten opzichte van de quickscan uit 2019 en het nader onderzoek uit 2020. Nader onderzoek naar huismussen wordt nu niet benodigd geacht. Tijdens het nader onderzoek in 2020 zijn geen huismussen of enige activiteit aangetroffen op de onderzoekslocatie. Ook zijn geen geschikte verblijfplaatsen voor huismussen aanwezig. Wel wordt nu een nader onderzoek ten aanzien van het nest in de plataan in de binnentuin aanbevolen. De benodigde nadere onderzoeken (naar vleermuizen en het nest in de plataan) zijn in uitvoering. De resultaten worden te zijner tijd in deze paragraaf verwerkt. Het voorkomen van verstoring van beschermde soorten is reeds geborgd in separate wetgeving (Wnb) die in acht genomen wordt. Het aspect soortenbescherming vormt dan ook geen belemmering voor de planologische procedure.

97

6.9.2

Gebiedsbescherming

In de quickscan flora en fauna (bijlage 19) is ook ingegaan op gebiedsbescherming. In de quickscan is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De resultaten voor gebiedsbescherming worden hieronder samenvattend weergegeven.

Direct negatieve effecten op beschermde natuurgebieden, als gevolg van de beoogde ontwikkeling, zijn zodoende uit te sluiten. Om uit te wijzen of er sprake is van indirect negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie, is een AERIUS-berekening uitgevoerd. De stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is berekend op basis van een 'worst case situatie'. De rapportage is opgenomen als Bijlage 22 Stikstofdepositieberekening. Uit de berekening volgt dat, zowel voor de aanlegfase als gebruiksfase, geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Indirect negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie kunnen daarom worden uitgesloten. Het aspect stikstof vormt dan ook geen belemmering bij de realisatie van het voorgenomen initiatief. Het aspect gebiedsbescherming vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 6.9.3

Conclusie

Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

6.10

Ontplofbare oorlogsresten

Uit ervaring blijkt dat een deel van de munitie uit de Tweede Wereldoorlog niet tot de gewenste uitwerking kwam en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Op grond van Arbowetgeving moet in alle gevallen waarin gevaar voor de veiligheid of gezondheid van de werknemers kan bestaan door de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten een oriënterend onderzoek worden gedaan voordat werkzaamheden kunnen starten. Op basis hiervan kan vervolgens nader onderzoek nodig blijken. Het gaat daarbij om niet ontplofte vliegtuigbommen, ook wel blindgangers genoemd en munitie. Relatie tot het plangebied Om de kans is op aanwezigheid van niet-ontplofte explosieven uit de Tweede Wereldoorlog te bepalen, is door het bevoegd gezag de situatie beoordeeld. Uit het vooronderzoek blijkt dat het plangebied onverdacht is op ontplofbare oorlogsresten (zie onderstaande figuur). Dit vormt dan ook geen belemmering voor het uitvoeren van de werkzaamheden. Verder onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten is niet noodzakelijk.

98

Figuur 6.8: Zone niet-verdacht op ontplofbare oorlogsresten nabij het plangebied (bron: gemeente Rotterdam, SB) Conclusie Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

6.11

Verkeer en parkeren

Het plan omvat het realiseren woningen, hotel, kantoren, commerciële - en maatschappelijke functies. Deze functies kennen een verkeersaantrekkende werking. Om te bepalen wat de invloed hiervan op de omgeving is, is de verkeersaantrekkende werking inzichtelijk gemaakt. De gemeente Rotterdam is een 'zeer sterk stedelijke' gemeente en het plangebied is gelegen in het locatietype 'centrum'. De gemeente Rotterdam beschikt over eigen parkeerbeleid. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt dan ook getoetst aan de 'Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022'. Het bevoegd gezag kan geheel of gedeeltelijk afwijken van de parkeernormen. De afwijking moet in dat geval goed en navolgbaar onderbouwd worden. Maatregelen uit de Rotterdamse Mobiliteits Aanpak (RMA) en het Verkeerscirculatieplan Binnenstad (VCP) beperken de toename van autoverkeer op de invalswegen naar de binnenstad. Autoverkeer maakt in 2030 gebruik van andere routes en schuift over het stedelijke en regionale netwerk van binnen naar buiten. Dit komt hoofdzakelijk doordat nieuwe infrastructuur het mogelijk maakt dat regionaal autoverkeer, dat nu nog dwars door de stad rijdt, makkelijker gebruik kan maken van het regionale

99

wegennet. Op een aantal binnenstedelijke routes is dan zelfs een afname van autoverkeer mogelijk. Relatie tot plangebied In de toekomstige situatie geldt dat de parkeergarage wordt ontsloten via de zijde van de Doelstraat. Dit is geborgd in de planregels. Dit geldt ook voor de logistieke activiteiten. De auto's rijden de parkeergarage binnen vanaf de Haagseveer en weer uitrijden bij de Doelwater. De logistieke bewegingen gaan zowel in en uit bij de Doelstraat aan de Haagseveer kant. Voor het naastgelegen Hofplein is een nieuw ontwerp gemaakt, welke mogelijk gerealiseerd wordt in de toekomst. In de huidige situatie heeft het Hofplein enkel een verkeersafwikkelende functie: een grote rotonde met in het midden een fontein. De gemeente wil de rotonde en de openbare ruimte eromheen herinrichten. Het moet een toegankelijker plein worden waar de verkeersafwikkelende functie wordt beperkt en waar meer ruimte voor groen, voetgangers en ontspanning is. Door Goudappel Coffeng is een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 23 Verkeerskundig onderzoek. De beoogde ontwikkeling van RISE bestaat uit drie verschillende torens met een eigen programma. Aangezien het parkeren voor zowel de auto als de fiets niet per toren afzonderlijk wordt opgelost (er is gekozen voor een integrale parkeeroplossing), is er binnen deze rapportage geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende torens.

In de rapportage wordt onderscheid gemaakt in verschillende scenario's met en zonder herinrichtingsplannen voor het Hofplein. De resultaten uit het verkeerskundig onderzoek worden hieronder samenvattend besproken, eerst wordt ingegaan op de verkeersafwikkeling en vervolgens op het parkeren. Verkeersafwikkeling Bij het beoordelen van de verkeersafwikkeling is het van belang de verkeersgeneratie te bepalen. De berekende verkeersgeneratie fungeert namelijk als belangrijke input bij de verkeersafwikkelingsanalyse. Hiervoor is in de rapportage gebruik gemaakt van de CROW-kencijfers. Verder is relevant om te benoemen dat de maximaal planologische variant is doorgerekend en wordt de wijze van verdeling over het wegennet hieronder nader toegelicht. Verkeersgeneratie maximaal planologische variant Voor de beoordeling van de verkeersafwikkeling is gerekend met de verkeersgeneratie van de maximaal toegestane planologische invulling. Daarbij is het functieprogramma en de bijbehorende verkeersgeneratie iets hoger dan wat is opgenomen in de meest recente planvorming. Bij het bepalen van de verkeersstromen en de verkeersafwikkeling is zodoende gerekend met een 'worst case scenario'. Het 'worst case scenario' heeft ook als input voor de milieuberekeningen gediend, in de praktijk zal de situatie zodoende naar verwachting gunstiger zijn dan dat in de rapportage(s) vanuit wordt gegaan.

Verdeling verkeersgeneratie over het wegennet In samenspraak met de Gemeente Rotterdam is gekozen om voor de verdeling van de verkeersgeneratie gebruik te maken van het verkeersmodel van de metropoolregio Rotterdam-Den Haag, aangepast voor Rotterdam (RCD) door onderzoeksbureau Sweco. Hierin zijn voor de binnenstad van Rotterdam enkele verplaatsingen opgehoogd ten opzichte van het originele V-MRDH model waardoor de verkeerssituatie beter past bij de verwachte werkelijkheid. Er is daarbij gevraagd om een berekening te doen voor de situatie met het huidige Hofplein en een variant met een gewijzigd Hofplein (er is namelijk een nieuw ontwerp gemaakt voor het Hofplein welke mogelijk gerealiseerd wordt in de toekomst). Dit heeft geleid tot de volgende varianten: 1. 2. 3. 4.

Referentiesituatie (2030 zonder ontwikkeling RISE) met huidige Hofplein; Referentiesituatie (2030 zonder ontwikkeling RISE) met toekomstige ontwerp Hofplein; Plansituatie (2030 inclusief ontwikkeling RISE) met huidige Hofplein; Plansituatie (2030 inclusief ontwikkeling RISE) met toekomstige ontwerp Hofplein.

De uitgangspunten per variant zijn in de rapportage toegelicht, kortheidshalve wordt voor een toelichting daarom verwezen naar bijlage 23. Dynamische analyses Op basis van de berekende verkeersgeneratie en de verdeling van de verkeersgeneratie over het netwerk is beoordeeld of de verkeersstromen in de toekomst goed afgewikkeld kunnen worden. Hiervoor is een dynamische simulatie uitgevoerd die de verkeersafwikkeling beoordeelt voor de 3 belangrijke kruispunten

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=af815828-ebc4-41be-8784-704338b4e155