CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb008728] Bijlage 4 behorende bij 23b008730 - Toelichting ontwerpbestemmingsplan RISE

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 31 januari 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Bouwen en Wonen41.652 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Uitwerking Omgevingsvisie: gebied binnenstad

Vastgesteld in november 2021 In de Omgevingsvisie Rotterdam is de binnenstad aangewezen als één van de gebieden waar stedelijke doelen kunnen worden gerealiseerd. Hierin is de koers voor de binnenstad vastgelegd met zes gebiedskeuzes. Dit document is een gebiedsgerichte uitwerking van het gebied binnenstad in de omgevingsvisie. De koers omvat geen nieuw beleid, maar heeft sectoraal omgevingsbeleid geïntegreerd en gebiedspecifiek gemaakt. Zo is de basis gelegd voor een integrale gebiedsgerichte aanpak waar we als gemeente samen met de stad extra energie en middelen in steken. Relatie tot het plangebied

25

In de binnenstad, waar het plangebied onderdeel vanuitmaakt, is het van belang dat de focus van investeringen in de publieke ruimte verschuiven naar en meer gezonde en leefbare binnenstad die (klimaat)adaptief is ingericht. De volgende opgaven zijn geformuleerd: Doorgaan met groei Verbeteren van de leefomgeving en klimaatbestendigheid Tegengaan verdringing Garanderen van de bereikbaarheid Veerkrachtig maken van de economie Met de ontwikkeling van RISE, waarin wordt voorzien in woningen en niet-woonfuncties, waaronder een hotel en maatschappelijke voorzieningen, waarbij aandacht is voor de bereikbaarheid van de locatie (zie ook paragraaf 6.11) wordt ingespeeld op de in de uitwerking van de Omgevingsvisie genoemde opgaven. Tevens wordt ingespeeld op de wens het topsegment van kantoren uit te breiden door te voorzien in kwalitatief goede kantoorruimte en wordt met de invulling van de plinten de interactie op maaiveld versterkt. Conclusie De ontwikkeling van RISE sluit aan bij hetgeen in de uitwerking van de Omgevingsvisie is beoogd. 2.3.4

Woonvisie Rotterdam, koers naar 2030, agenda tot 2020

Vastgesteld op 15 december 2016 door de Rotterdamse gemeenteraad De Woonvisie verwoordt de ambities om van Rotterdam een aantrekkelijke woonstad te maken voor iedereen. Centraal in de opgave staat het beantwoorden van de groeiende vraag naar wonen in Rotterdam. Onlosmakelijk daaraan verbonden is de noodzaak om een betere balans in de woningvoorraad te creëren, de kwaliteit van woningen en woonmilieus te versterken en te borgen dat het voor iedereen en op een dagelijkse basis goed wonen is in de stad. In de Woonvisie zijn drie hoofddoelen en daarbij horende prioriteiten gesteld. Meer aantrekkelijke woonmilieus realiseren door: de toenemende woningvraag van huishoudens met een modaal of hoger inkomen, sociale stijgers en young potentials te accommoderen; te zorgen voor een meer gedifferentieerd woningbestand in gebieden waar dit nu nog eenzijdig is en waar de kwaliteit van het wonen onder druk staat; en woonmilieus versterken, met een duidelijke profilering en aandacht voor kindvriendelijkheid. Zorgen voor een woningvoorraad met toekomstwaarde door: een goede woningkwaliteit te realiseren in de nieuwbouw en bestaande voorraad; ruimte voor tijdelijkheid, flexibiliteit, innovatie en experiment te bieden; en energiezuinig en milieuvriendelijk wonen te bevorderen.

De basis op orde houden door: het borgen van voldoende aanbod van goedkope huurwoningen; betaalbaarheidproblemen aan te pakken bij de bron en met toepassing van maatwerk; goed zelfstandig wonen voor iedereen mogelijk te maken; toe te zien op goed verhuurschap en een transparante woningmarkt; en woningeigenaren en bewoners aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor een ongestoord woongenot in en om de woning. De Woonvisie is een visie op hoofdlijnen en doet geen gebiedsgerichte uitspraken. De Woonvisie is een instrumentele uitwerking van de Stadsvisie op het onderwerp wonen op de korte termijn. De Woonvisie richt zich op acties in de huidige woningmarkt, binnen de kaders van het collegeprogramma, om zo de ambitie van de Stadsvisie te helpen realiseren. Relatie tot plangebied Tot 2030 wordt een toename van ten minste 36.000 woningen in het midden- en hoge segment reëel geacht. Voorliggend programma voorziet in een gedifferentieerd woonprogramma met appartementen, in diverse segmenten. Conclusie

26

Het beoogde programma is in lijn met de gemeentelijke ambities uit de Woonvisie. 2.3.5

Nieuw Rotterdams Kwaliteitsbeleid 2020

Vastgesteld door college van Burgemeester & Wethouders op 23 juni 2020 Gemeente Rotterdam heeft in 2020 besloten nieuw kwaliteitsbeleid voor wonen vast te stellen: Nieuw Rotterdams Kwaliteitsbeleid Wonen. Het beleid is van toepassing op nieuwbouwprojecten en bij transformaties, waarbij de functie wijzigt naar wonen. Het kwaliteitsbeleid zal initiatiefnemers van nieuwbouw- en transformatieplannen van tevoren duidelijk maken welke elementen de gemeente van belang acht voor het realiseren van woningbouw met toekomstwaarde. Het beleid heeft een belangrijk doel: het realiseren van woonkwaliteit ten behoeve van een toekomstbestendige woningvoorraad. Om hierover helderheid te verschaffen aan initiatiefnemers, zijn de belangrijkste elementen van woonkwaliteit in het beleid beschreven. Zo is vooraf bekend over welke onderdelen de gemeente graag in gesprek gaat om samen maximale woonkwaliteit te realiseren. Het betreft de volgende punten: De locatie van de ontwikkeling is van belang voor de bepaling van het woonmilieu. Die geeft een ondergrens aan voor de gemiddelde woninggrootte. Om ontmoetingen te faciliteren is collectiviteit van belang. Flexibiliteit is altijd van belang om in de toekomst een ander programma mogelijk te maken en daarmee onnodige afvalstromen en kosten te beperken.

Flexibiliteit van de woning zelf zorgt ervoor dat de woning mee kan veranderen met de woonwensen van de bewoner. Voor extra woonkwaliteit worden enkele suggesties gedaan die specifiek voor een doelgroep gelden, of meer algemeen zijn. Uiteraard is hier veel ruimte voor de visie van de ontwikkelende partijen. Ook afwijkingen zijn mogelijk, de ruimte hiervoor is afhankelijk van bijvoorbeeld de plek in de stad en de beoogde doelgroep. Hierover gaat gemeente graag het gesprek aan. Relatie tot plangebied In het kader van de beoogde ontwikkeling zijn gemeente en initiatiefnemer veelvuldig in gesprek geweest. Het woonmilieu is wordt in hoofdstuk 6 Milieu van dit bestemmingsplan toegelicht. De beoogde woninggrootte wordt passend geacht voor de locatie en de doelgroep. De beoogde gezamenlijke binnentuin op het dak, draagt bij aan collectiviteit en het stimuleren van ontmoetingen. Dit bestemmingsplan RISE biedt enige mate van flexibiliteit, om eventuele gewenste veranderingen in te toekomst te ondervangen. In de Nota van Uitgangspunten zijn de uitgangspunten voor o.a. woonkwaliteit en doelgroepen reeds vastgelegd. 2.3.6

Welstandsnota Rotterdam 2012

Vastgesteld door de gemeenteraad op 11 oktober 2012 Een stad als Rotterdam moet haar aantrekkelijkheid blijven vergroten voor bewoners, bedrijven en bezoekers. Met de welstandsnota werd het belang van ruimtelijke kwaliteit onderschreven. Het welstandsbeleid is één van de instrumenten om op deze kwaliteit te sturen. Daarnaast zou de gemeente zonder welstandsbeleid geen invloed hebben op de manier van bouwen. Niet bij nieuwbouw, niet bij transformatie, niet bij reclames. Ook zouden excessen niet meer bestraft kunnen worden zonder welstandsbeleid. Relatie tot plangebied Conform de Welstandsnota Rotterdam (2012) en het welstandsbeleid, is het plangebied gelegen in het gebiedstype 'Centrumgebied', met welstandsniveau 'bijzonder' (Centrummix en grenst aan hoofdwegenstructuur). De uitgangspunten voor de beoogde ontwikkeling in het kader van de Welstandsnota zijn reeds toegelicht in paragraaf 3.4 Stadsgezichten en Monumenten. 2.3.7

Hoogbouwvisie 2019

Vastgesteld door de gemeenteraad op 12 december 2019 In de Hoogbouwvisie 2019 is de hoogbouwzone aangegeven die loopt van het Centraal Station tot aan de Wilhelminapier. Pompenburg en de omgeving van de Rijnhaven horen er ook bij. Binnen de hoogbouwzone is hoogbouw mogelijk tot maximaal 250 meter hoog. Er zijn ook drie andere gebieden

27

waar hoogbouw is toegestaan (tot maximaal 150 meter): Feyenoord City, Hart van Zuid en de Alexanderknoop. Hoogte De benedenverdieping en daarmee de Rotterdamse laag van de hoogbouw is essentieel. De programmering van de Rotterdamse laag moet een bijdrage leveren aan de stedelijke dynamiek en de continuïteit van het stadsbeeld. Denk hierbij aan lobby's voor kantoren, entrees voor woningen, commerciële en maatschappelijke functies. De hoogte van de Rotterdamse laag verschilt per plek in de stad. Door de Rotterdamse laag onderdeel te maken van het gebouw, is er een goede aansluiting op de aangrenzende gebouwen en stimuleert dit de continuïteit van wanden, straten en pleinen. De omvang van de bovenbouw wordt door twee invalshoeken bepaald: een percentage voor de maximale oppervlakte van hoogbouw en een absolute maat, gebaseerd op het programma (wonen of kantoren). Naar boven toe zal de hoeveelheid oppervlakte afnemen. Door beperkingen op te leggen aan hoogbouw, gerelateerd aan de maximale omvang van de bouwkavel, is er meer ruimte in de onderbouw om de utilitaire zaken een goede plek te geven in het gebouw. Hierdoor is er meer ruimte om de ambitie van de stad op ooghoogte goed vorm te geven. Boven de Rotterdamse laag (onderbouw grofweg tussen 15 tot 25 meter) mag maximaal 50 procent van de totale onderbouw als toren bebouwd worden.

Boven de Rotterdamse laag mag de diagonaal van de toren niet groter zijn dan 56 meter. Door een diagonaal te gebruiken, wordt gestimuleerd dat er daadwerkelijk torens worden gemaakt in plaats van andere gebouwvormen. Bij gebouwen tussen de 70 en 150 meter heeft de toren vanaf 70 meter een diagonaal van 42 meter. De diagonaal wordt berekend over de verst van elkaar afliggende hoeken. Balkons ingesloten door ten minste drie geveldelen worden meegerekend. Wind Om ervoor te zorgen dat het windklimaat binnen de grenzen blijft, zijn aan de voorkant van het ontwerpproces oriënterende windonderzoeken verplicht. Deze metingen worden op basis van volumestudies gedaan en geven een eerste beeld waar zich mogelijke knelpunten bevinden. Vorm, materiaal en hoogte kunnen op deze manier in een vroegtijdig stadium onderzocht worden en de uitkomsten kunnen worden meegenomen in het ontwerpproces. De finale check gebeurt door middel van een windonderzoek op basis van het definitief ontwerp. Voor het windonderzoek moet de norm NEN-8100 worden gebruikt. Zon Bij het toevoegen van hoogbouw moet er in ieder geval duidelijk zijn in hoeverre het nieuwe volume extra schaduw in de stad geeft. Per plek kan de invloed van extra schaduw anders beoordeeld worden.

Voor het wel of niet toestaan van hoogbouw wordt onder andere gekeken naar de impact van de desbetreffende ontwikkeling op sunspots, representatieve ruimtes en gebieden met basiskwaliteit. Voor de sunspots geldt het uitgangspunt dat het inclusief de ruimte die er volgens het bestemmingsplan is binnen het te ontwikkelen plot. Voor de representatieve ruimtes moet de actuele planologische mogelijkheden meegenomen worden van de omgeving. Voor de basiskwaliteit gelden de planologische mogelijkheden van de omgeving uit 2011 als referentie. Relatie tot plangebied Het plangebied ligt in de hoogbouwzone op de 'hoogbouwas'. De geldende maximumhoogte moet zich volgens het principe van hoogbouw in Rotterdam vooral concentreren langs de hoogbouwas in de binnenstad. Ruimtelijk kan hoogbouw op deze locatie positief bijdragen aan de markering van het belangrijke stadsplein en van de hoogbouw-as in de skyline van de stad. In de binnenstad geldt een theoretische maximale hoogtelijn van circa 250 meter langs deze hoogbouwas. In de Hoogbouwvisie wordt daarbij echter opgemerkt dat de maximumhoogte géén beperking moet zijn voor (in ontwikkeling zijnde) hoogbouw. Het is bedoeld als een richtlijn voor de komende jaren, waarmee de uitgangspunten kunnen worden nagestreefd. Deze maximum hoogtelijn voor de binnenstad is een dynamische hoogtelijn en kan meegroeien met de tijd.

Voor de andere gebieden waar hoogbouw mogelijk wordt gemaakt, geldt een maximumhoogte van 150 meter.

28

In dit bestemmingsplan wordt de hoogste toren tot een bouwhoogte van 275 meter mogelijk gemaakt. Gelet op de dynamische component van de opgenomen theoretische maximale hoogtelijn, is dit niet in strijd met de Hoogbouwvisie. Voor de overige twee torens in het plangebied is een maximumhoogte van 143 en 158 meter vastgelegd. Vanuit welstandsoverwegingen en stedenbouwkundig oogpunt is verzocht om de lagere torens in hoogte te laten verspringen. Omdat toch voldoende ruimte voor het programma te behouden, is daarom gekozen om de ene toren hoger dan 150 meter en de andere toren lager dan 150 meter te realiseren. Uit de hoogbouwvisie volgen verder enkele voorwaarden, zoals inachtneming van de Rotterdamse laag, het onderzoeken van windhinder en in kaart brengen van de gevolgen voor bezonning. De hieruit voortvloeiende uitgangspunten zijn ook opgenomen in de Nota van Uitgangspunten. De aspecten windhinder en bezonning komen aan bod in Hoofdstuk 6 Milieu. Conclusie De beoogde ontwikkeling is gelegen in de hoogbouwzone op de 'hoogbouwas'. Hoogbouw wordt passend geacht op deze locatie en de beoogde ontwikkeling.

2.3.8 Stedelijk Verkeersplan Rotterdam 2017 - 2030+, Aanpak Nul Emissie Mobiliteit, Rotterdamse Mobiliteitsaanpak Stedelijk Verkeersplan Rotterdam (SVpR), vastgesteld op 11 mei 2017 door de gemeenteraad Aanpak Nul Emissie Mobiliteit (NEM), vastgesteld op 5 november 2019 door B&W Rotterdamse MobiliteitsAanpak (RMA), vastgesteld op 20 februari 2020 door de gemeenteraad Het Stedelijk Verkeersplan is een plan waarbij bereikbaarheid in dienst van een economisch sterk en gezond Rotterdam staat. Het Stedelijk Verkeersplan zet de lange termijnvisie neer, waarbij het uitgangspunt is dat mobiliteit geen doel op zich is, maar een belangrijke randvoorwaarde voor een economische sterk, gezond en aantrekkelijk Rotterdam. De Rotterdamse Mobiliteitsagenda kent een drietal vertrekpunten: de groei en stedelijke verdichting van Rotterdam naar 690.000 inwoners in 2035; de economische vernieuwing (Next Economy) en de daarbij horende energietransitie; de stedelijke mobiliteitstransitie naar meer fiets en ov-gebruik. Bovengenoemde ontwikkelingen zijn vertaald in een verschillend aantal kansen en bereikbaarheidsmaatregelen die bijdragen aan Rotterdam als levendige en sterke economische stad. Een goede balans in modaliteiten, oftewel een nieuw evenwicht tussen fietsers, voetgangers, auto’s en het openbaar vervoer is daarbij vertrekpunt.

Dit betekent dat de verdichting met woningen binnen het stedelijk gebied prioriteit krijgt en de transitie naar de Next Economy het regionaal en stedelijk vervoersnetwerk vorm geeft. Hierbij staat de gezondheid van de Rotterdammer voorop en wordt geïnvesteerd in slimme mobiliteit, waarbij de stad functioneert als proeftuin. De structuuringrepen binnen het Stedelijk Verkeersplan bieden de meeste kansen om een stedelijk en regionaal infrastructuur netwerk te vormen dat voldoende flexibel en genoeg adaptief is om de stad van de toekomst (Next City) vorm te geven. De mobiliteitsstrategie ontstaat vanuit de gewenste ruimtelijke en economische ontwikkeling van stad en regio en wordt -wanneer de bereikbaarheidsopgave in de toekomst verandertsteeds opnieuw aan de tijdgeest aangepast, omdat het geen volgordelijkheid kent. Dit leidt tot de volgende beleidskeuzen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

City Lounge versterkt: stimuleren van fiets en ov; een samenhangend regionaal en stedelijk netwerk: wegen en ov in evenwicht; regionale en stedelijke oeververbindingen: nieuwe en transformatie van bestaande; aantrekkelijke en levendige (Binnen)stad: de City Lounge versterkt; versterken nieuwe vervoerswijzen: vervoer over water en Last Mile; geen vervoersarmoede: sociale en maatschappelijke participatie versterkt; gezonde leefomgeving: versterken ruimtelijke kwaliteit, luchtkwaliteit en Zero Emissie; slimme mobiliteit: technologische innovatie en ict; gebieden Buiten de Ring: duurzaam verbinden.

Langs het spoor 'verschonen' stuurt de aanpak Nul Emissie Mobiliteit op het verschonen van personenmobiliteit, goederenvervoer en het gemeentelijk wagenpark alsook het realiseren van meer laad- en vulpunten voor deze voertuigen. Deze aanpak versterkt de huidige exponentiële trend waarbij

29

het aantal volledig elektrische personenauto's in Nederland sinds 2017 jaarlijks verdubbelt alsook de uitbreiding van 3.100 oplaadpunten in de stad nu tot ruim 10.000 over vijf jaar. Deze verschoning van de stedelijke mobiliteit, gekoppeld aan de gestage afname van autogebruik in het centrum sinds 2000, zal zowel de CO2-reductie voor 2030 zoals gesteld in de verschillende Klimaatakkoorden en de verbetering van de luchtkwaliteit tot de Europese gezondheidsnormen voor NO2 in de stad rond 2020 realiseren. De Rotterdamse MobiliteitsAanpak zal langs de sporen 'volumebeheersing' en 'veranderen' in samenhang met de aanpak Nul Emissie Mobiliteit de mobiliteitstransitie in de bredere zin vormgeven. Het OV krijgt een prominentere rol in het centrum en de RET zal haar vloot volledig verduurzaamd hebben voor 2030. Daarnaast zal langzaam verkeer ruim baan krijgen, wordt parkeren in het centrum verder ontmoedigd en zal de tweejaarlijkse verdubbeling van het aantal beschikbare deelauto's in Rotterdam worden versneld. Verder zullen verschillende instrumenten worden ontwikkeld om de mobiliteitstransitie toegankelijk te maken voor alle bewoners en de stadslogistiek opnieuw in te richten.

De nieuwe mobiliteitsmix die ontstaat in het centrum zal niet alleen de luchtkwaliteit verbeteren en geluidshinder drastisch verlagen, maar ook anticiperend inspelen op de mobiliteitsopgaven van een steeds groeiende stad. Relatie tot plangebied Met voorliggend plan wordt herstructurering van het plangebied mogelijk gemaakt, waarbij wordt voorzien in woningen en voorzieningen. In paragraaf 6.11 Verkeer en parkeren wordt ingegaan op het aspect bereikbaarheid. Er zal voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd moeten worden en de verkeersgeneratie is inzichtelijk gemaakt. Gelet op de ligging in het centrum van Rotterdam, wordt ingespeeld op het stimuleren van OV. Ook deelmobiliteit maakt onderdeel uit van de beoogde ontwikkeling. Zodoende worden autogebruik en verkeersbewegingen teruggedrongen. Het plangebied is en blijft goed bereikbaar met het openbaar vervoer en per auto. Hiermee wordt voldaan aan de uitgangspunten van het verkeersplan, Nul Emissie Mobilitiet en de Rotterdamse Mobiliteitsaanpak. Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met het Stedelijk Verkeersplan. 2.3.9

Nota kantoren 2019

Op 12 maart 2020 heeft de gemeenteraad de Nota Kantoren vastgesteld. Doel van het beleid is om richting te geven aan de ontwikkeling van de Rotterdamse kantorenmarkt, door: Het versterken van de nieuwe economie door concentratie van kantoren op zes locaties met de beste bereikbaarheid en verblijfskwaliteit, en ontwikkeling van specifieke clusters op vijf andere locaties; Een goede balans tussen vraag en aanbod door introductie van een Rotterdamse ladder (zodat snel duidelijk is of er een markttechnische onderbouwing is voor nieuwbouw); Het stimuleren van verduurzaming van de kantorenvoorraad en -omgeving. Het nieuwe Rotterdamse beleid sluit aan op de Strategie Werklocaties van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH), waarin de regiogemeenten afspraken hebben gemaakt over de programmering van kantoren, bedrijfsruimte en detailhandel. De Nota Kantoren vormt samen met de Nota Bedrijfsruimte 2020 en de Nota Detailhandel 2017 een totaalbeleid voor werklocaties in Rotterdam. Dit samenhangende beleid dient onder meer als basis voor gemeentelijke investeringen in de lokale economie. Kantorenkoersen per gebied De lange termijn ambities voor kantoren zijn vertaald naar koersen per gebied voor de korte termijn. Relatie tot plangebied Binnen Rotterdam zijn er verschillende toekomstbestendige vestigingsgebieden voor kantoren, de zogenaamde concentratiegebieden.

Uit een provinciale behoefteraming blijkt dat de concentratiegebieden Central Business District (CBD) en de binnenstad het beste passen bij de

30

behoeften van kantooreigenaren en -gebruikers. Vooral het CBD heeft grote groeipotentie. In het Rotterdamse kantorenbeleid heeft het CBD dan ook een speciale status. Het plangebied is gelegen in het CBD. In lijn met de provinciale en regionale strategie voor werklocaties wordt het CBD versterkt als toplocatie. Het is de ambitie dat de voorraad kantoren in het CBD in de periode tot 2030 substantieel groeit. In de gebiedskoers zijn de onderstaande ambities en randvoorwaarden voor het CBD vastgelegd. Ambitie voorraad 2030: forse groei- en verduurzamingsopgave Vanwege de economische groei en de bevolkingstoename in Rotterdam en regio is uitbreiding van de voorraad gewenst met 80.000 m² t.o.v. de situatie begin 2019. Daarnaast is er ter compensatie van de transformatie nog 100.000 m2 nieuwe kantoren nodig. Dit is de kans om A-kwaliteit en grotere multi-tenant kantoren (15.000 tot 30.000 m2, met vloeroppervlakte van 1.500 m2 en soms meer) toe te voegen voor hoofdkantoren en nieuwe internationale gebruikers. Hoewel bijna 60 procent van de kantorenvoorraad energielabel C of hoger scoort, zal nog circa 400.000 m2 moeten worden geüpgraded om in 2023 te beschikken over tenminste energielabel C. Voor de nieuwbouw van circa 180.000 m2 kantoren zijn meer locaties nodig dan in het verleden bedacht.

Want grote monofunctionele kantorenprojecten blijken te riskant en dragen vaak ook niet bij aan de gewenste levendigheid van de stad. Rond de grote OV-knopen is weliswaar ruimte, maar liggen ook complexe opgaven m.b.t. mobiliteit, energievoorziening en openbaar gebied. Upgrading van de bestaande voorraad is daarom ook van belang. Randvoorwaarde: verbetering verblijfskwaliteit en levendigheid Om bedrijven en werknemers een aantrekkelijke omgeving te bieden is intensivering van de “citylounge” en met name de invulling van de plinten een aandachtspunt. Toevoeging van woningen biedt perspectief op een groter draagvlak voor voorzieningen en leidt tot meer sociale veiligheid buiten de openingstijden van de winkels. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling met realisatie van onder andere kantoren en woningen in het plangebied in lijn is met de ambities en voldoet aan de randvoorwaarden uit de gebiedskoers voor het CBD en daarmee tevens de Nota kantoren 2019. 2.3.10 Nota bedrijfsruimte 2019 Vastgesteld op 12 maart 2020 door de Rotterdamse gemeenteraad De gemeentelijke Nota bedrijfsruimte beschrijft de ruimtelijk-economische ambities voor bedrijfsruimte tot 2030.

Doel van het beleid is om voldoende bedrijfsruimte in Rotterdam te waarborgen - en richting te geven aan de (door)ontwikkeling van bestaande en nieuwe bedrijfslocaties: behoud en verduurzaming van bedrijfsruimte functiemenging waar kan, functiescheiding waar moet juiste bedrijvigheid op de juiste plek in de stad en de regio focus op stadsgebonden bedrijvigheid herontwikkeling en -profilering van bedrijventerreinen. Relatie tot plangebied Één van de ambities uit de Nota Bedrijfsruimte is "Functiemenging waar het kan, maar functiescheiding waar het moet" (ambitie 3). De beleidsuitgangspunten voor verstedelijking en functiemenging richten zich op behoud van bedrijfsruimte in de stad en duurzame inpassing in zowel gemengde woon-werkmilieus als op monofunctionele bedrijventerreinen. Het gaat niet alleen om behoud van ruimte voor bedrijvigheid en economische ontwikkeling, maar ook om banen in nabijheid van de stad. Daarbij geldt als beleidsuitgangspunt het behoud van bedrijfsruimte in de stad, gemengd in de wijken (buiten bedrijventerreinen) vanuit het principe dat iedereen in Rotterdam toegang moet hebben tot een bereikbare baan. De opgave dat bij nieuwbouw- of herontwikkelingen een minimumaandeel voor bedrijfsruimte van 10% van het programma (in m2 bvo) wordt gerealiseerd is hier relevant.

De invulling van deze meters is gebieds- en marktvraagafhankelijk en er blijft ruimte voor maatwerk. Met de beoogde ontwikkeling wordt invulling gegeven aan deze ambitie. Immers levert RISE een bijdrage aan behoud van bedrijfsruimte in de stad. Conform de NvU zijn bedrijfsruimten voornamelijk

31

geconcentreerd in de Rotterdamse laag. De ruimten zijn flexibel indeelbaar, eventueel gesitueerd op meerdere bouwlagen. Als onderdeel van het programma wordt in totaal ten minste 1.000 m2 aan betaalbare bedrijfsruimte gerealiseerd. De invulling is gericht op bedrijvigheid voor stadsbewoners die toelaatbaar is naast wonen. Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de Nota Bedrijfsruimte. 2.3.11 Nota detailhandel 2017 Vastgesteld op 22 en 29 juni 2017 door de Rotterdamse gemeenteraad De Nota Detailhandel uit 2013 is in 2017 geactualiseerd. De nota bestaat uit een algemeen deel dat de stedelijke ambities ten aanzien van dit onderwerp bevat en 13 separate gebiedsgerichte uitwerkingen, die het detailhandelsbeleid per gebied beschrijven. De nota en de gebiedskoersen doen geen uitspraken over het centrum, hiervoor blijft de nota 'WNKLN N RTTRDM' het relevant beleidskader. Stedelijke ambities en spelregels ten aanzien van detailhandel Het detailhandelsbeleid bestaat in de basis uit een beleidskader, waarin op grond van de trends en ontwikkelingen de visie en ambitie van Rotterdam op de detailhandelsstructuur wordt uitgesproken. Met dit kader zet Rotterdam in op een krachtige, toekomstbestendige winkelstructuur, waarbij de consument centraal staat en sprake is van complete, compacte comfortabele en levensvatbare centra.

Om deze ambities te realiseren, is een aantal spelregels onontbeerlijk en zijn vier stedelijke ambities geformuleerd: Een evenwichtige detailhandelsstructuur (aantrekkelijk, levensvatbaar, complementair) Meer flexibiliteit en dynamiek ter versterking van de detailhandelsstructuur Detailhandelsbeleid als kader voor ruimtelijke ontwikkelingen Een bruisende Binnenstad! De spelregels die nodig zijn om de ambities te behalen zijn: Nieuwe ontwikkelingen zijn alleen mogelijk in de winkelconcentratiegebieden zoals in de Gebiedskoersen Detailhandel zijn vastgesteld. Creëren van nieuwe winkelgebieden is enkel onder strikte voorwaarden mogelijk. Geen nieuwe solitaire vestiging van winkels buiten de detailhandelsstructuur van winkelgebieden. In kleine kernen kan maatwerk vereist zijn, om de kwaliteit van de leefomgeving te behouden. Vestiging van grootschalige detailhandel bekijken we kritisch. Geen nieuwe perifere concentratiegebieden. Tuincentra en bouwmarkten buiten de aangewezen winkelgebieden zijn onder voorwaarden bespreekbaar. Geen detailhandel op bedrijventerreinen. Winkels in tweedehandsgoederen vestigen we in winkelgebieden; uitzondering voor kringloopwinkels. Internetwinkels en -afhaalpunten met een (beperkte) bezoekersfunctie worden enkel toegestaan in de winkelgebieden en op trafficlocaties. Voor winkels geldt in de horecanota Rotterdam 2017-2021 de basisvrijstelling.

Gebiedskoersen De stedelijke ambities zijn het uitgangspunt voor de gebiedsgerichte uitwerking voor detailhandel. In de gebiedskoersen detailhandel zijn de winkelgebieden ruimtelijk begrensd, zodat voor iedereen duidelijk is wat de winkelgebieden in de stad zijn en wat de gemeentelijke koers daarbij is. De keuzes op gebiedsniveau vormen de basis voor het gemeentelijk handelen ten aanzien van enerzijds het versterken van winkelontwikkelingen (door bijvoorbeeld mee te werken aan nieuwe winkelvestiging) en anderzijds de transformatieopgave. Relatie tot plangebied In dit bestemmingsplan wordt detailhandel enkel in ondergeschikte vorm toegestaan. Volledigheidshalve wordt de Nota Detailhandel beschouwd.

32

In de Nota Detailhandel 2017 is het plangebied gelegen binnen de begrenzing van de Binnenstad als winkelgebied. Het ligt gedeeltelijk binnen het aangewezen 'winkelgebied' (aqua blauw op onderstaande afbeelding).

Figuur 2.9: Begrenzing van de Binnenstad als winkelgebied (Nota Detailhandel 2017, p.22), plangebied bij benadering rood omlijnd Het centrum van Rotterdam is groter dan het gebied dat vanuit detailhandelsperspectief als de Binnenstad gedefinieerd wordt. Vanuit detailhandelsperspectief is een duidelijke begrenzing van de Binnenstad als winkelgebied belangrijk, zodat optimaal beantwoord wordt aan uitgangspunten van concentratie en profilering. In onderstaande kaart is de begrenzing van de binnenstad als winkelgebied weergegeven (aqua blauw). De verschillende delen van de Binnenstad hebben elk een eigen kwaliteit, profiel en dynamiek. Verschillende gebieden kunnen verschillende doelgroepen aanspreken of een ander doel hebben. Door het onderscheid van de gebieden ontstaat een totale binnenstad die verrast en voor verschillende bezoekers kan bieden wat men zoekt. Het is belangrijk dat markt en overheid blijvend inzetten op de kwaliteit en ontwikkeling van de verschillende gebieden. Winkels en winkelontwikkelingen horen bij uitstek in die gebieden. Nieuwe ontwikkelingen buiten deze Binnenstadsgebieden worden waar mogelijk tegengegaan. Het plangebied is gelegen in het aangewezen winkelgebied in de Binnenstad. Op deze locaties wordt detailhandel als passend ervaren. De beoogde ondergeschikte detailhandel is daarmee in lijn met de ambities uit de Nota Detailhandel.

Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de Nota Detailhandel. 2.3.12 Horecanota Rotterdam 2017-2021 In de Horecanota Rotterdam 2017-2021 ligt de nadruk op gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van de regels van handhaving en op stimulering van eigen initiatief. In de Horecanota 2017-2021 zijn vier ambities opgenomen;

33

Samen op zoek naar balans in de wijk: om te zorgen dat Rotterdam een aantrekkelijke, veilige stad is en vooral blijft, wordt gebiedsgericht gewerkt. Ieder gebied kent zijn eigen dynamiek, uitdagingen en ontwikkelopgaven. Daarnaast is het ook nodig om te bekijken hoe de bestaande horeca aansluit op de behoeften en ambities van de stad als geheel. Veerkrachtige binnenstad: Rotterdam heeft een aantrekkelijke binnenstad voor winkelend publiek en een gevarieerd horeca-aanbod dat aansluit op de zakelijke markt, op de wensen van (buitenlandse) bezoekers en een belangrijke bijdrage levert aan een aantrekkelijke woonomgeving voor bewoners. Rotterdam ontwikkelt de binnenstad als een vitale kwaliteitsplek voor ontmoeting, verblijf en vermaak. Daarom zet de stad zich samen met haar partners in om de binnenstad nog gezelliger en levendiger te maken. Een belangrijk doel daarbij is dat mensen er langer willen verblijven, ook na het winkelen of werken. Verantwoord ondernemerschap: Van ondernemers verwachten wij dat zij, nog meer dan een groot aantal al deed, verantwoordelijkheid nemen voor de effecten die hun inrichting en publiek op de omgeving kunnen hebben. Deze verantwoordelijkheid houdt niet op bij de voordeur van de inrichting of de grens van het terras.

Verantwoord omgaan met alcohol, contact onderhouden met de wijkagent en de lokale ondernemersvereniging, het schoon houden van de stoep en het tijdig informeren van de buren wanneer er een feestje plaatsvindt is, naast goed fatsoen, de verantwoordelijkheid die we van Rotterdamse ondernemers verwachten. Het is de manier waarop we de schaarse ruimte van de stad met elkaar delen. Rotterdam als laboratorium: De gemeente moedigt experimenteren aan, ook als het niet succesvol uitpakt. Het leren en opdoen van kennis en ervaring is essentieel om tot daadwerkelijk vernieuwende ideeën te komen. In de Horecanota 2017-2021 is de mogelijkheid opgenomen om tijdelijk af te wijken van bestaande wet- en regelgeving als dit experimenten in de weg staat. Uiteraard moet dit in goed overleg en mag de veiligheid en openbare orde niet in het geding komen. Aanpak Een bruisende stad voor bewoners en bezoekers is een belangrijk uitgangpunt. Dit bereiken we met een aantrekkelijk en elkaar versterkend aanbod aan consumentendiensten. Zowel horeca, leisure als detailhandel behoren tot deze categorie. Een duidelijk zichtbare trend is de ontwikkeling van gebieden als 'place to be'. Op deze plekken komen verschillende functies samen, die het voor consumenten de moeite waard maken om er te verblijven. Een goede relatie en wisselwerking met detailhandel en leisure is dan ook nodig.

Een belangrijk onderdeel van de Horecanota 2017-2021 is een koppeling met het detailhandelbeleid. In de stedelijke Detailhandelsnota en de gebiedsgerichte uitwerking daarvan, wordt de gemeentelijke ontwikkelvisie op winkelgebieden beschreven en vastgesteld. In winkelgebieden, in het bijzonder de binnenstad en grote centra, zijn ook de horeca- en leisurefuncties van groot belang. De beleving en aantrekkelijkheid worden juist bepaald door een goede mix van functies, die elkaar versterken. Om die reden is een aantrekkelijk horeca-aanbod als onderdeel van de toekomstbestendige winkelgebieden vaak zeer wenselijk. Relatie tot plangebied De beoogde ontwikkeling sluit aan op dit beleid door horeca mogelijk te maken in het gebouw. Conclusie Het plan is in lijn met de horecanota. 2.3.13 Horecagebiedsplan Centrum 2022-2024 Vastgesteld door B&W op 18 februari 2022 Om te zorgen dat Rotterdam een aantrekkelijke, veilige stad is en vooral blijft, wordt gebiedsgericht gewerkt. Dit is een van de uitgangspunten uit het coalitieakkoord en het programma #Veilig010. Deze werkwijze, waarbij maatwerk en flexibiliteit centraal staan, heeft in de afgelopen jaren reeds z’n vruchten afgeworpen op het gebied van horeca.

Door per wijk en/of buurt een duidelijke visie en/of ambitie te hebben en daaraan vestigingsvoorwaarden te stellen kunnen bekende en nog onbekende horeca-ontwikkelingen worden beoordeeld en gerealiseerd. Het horecagebiedsplan is zowel een visie- als uitvoeringsdocument. Dat wil zeggen dat enerzijds op basis van de aard en het karakter van het gebied het perspectief voor de ontwikkeling van horeca in de

34

komende jaren wordt geschetst. De ruimtelijke ontwikkeling, de economische stand van zaken c.q. het vestigingsklimaat en de veiligheidssituatie worden hierin meegenomen. Anderzijds wordt ook aangegeven hoe die ontwikkeling concreet vormgegeven en uitgevoerd kan worden. Exploitatie categorieën De combinatie van activiteiten die in een horeca-inrichting wordt aangeboden bepaalt in welke exploitatiecategorie de inrichting valt. Daarbij is relevant in hoeverre de activiteiten effect hebben op de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf. Hoe meer effect, des te zwaarder de exploitatiecategorie. Hoe zwaarder de categorie, des te zwaarder de toets bij vergunningverlening. Elke ondernemer kan gebruik maken van de voor hem of haar geldende vrijstelling van de exploitatievergunningplicht (categorie 0). Indien meer of zwaardere activiteiten worden aangeboden is een exploitatievergunning vereist in de categorie 1 t/m 4+. Categorie 1 (licht) Inrichtingen die in aanvulling op de voor hen geldende categorie 0: geopend zijn van 7.00 uur of tot 23.00 uur; een terras exploiteren van 07.00 tot 23.00 uur; en/of een gevelterras exploiteren van meer dan 3m uit de gevel en/of een overterras tot 23.00 uur; en/of alcoholhoudende drank schenken; en/of in een straat gevestigd zijn waar vrijgesteld exploiteren door de burgemeester is uitgesloten.

Categorie 2 (regulier) Inrichtingen die in aanvulling op categorie 1: geopend zijn vóór of vanaf 07.00 tot 01.00 / 02.00 uur een terras exploiteren van 07.00 tot 01.00 / 02.00 uur; en/of kansspelautomaten aanwezig hebben; en/of amusement aanbieden, anders dan door middel van twee kansspelen; en/of gelegenheid bieden tot het roken van rookwaar met gebruikmaking van waterpijpen (shisha); en/of gelegenheid bieden tot het uitvoeren van seksuele handelingen anders dan tegen betaling. Categorie 3 (middelzwaar) Inrichtingen die in aanvulling op categorie 2: 24 uur geopend zijn; óf meer dan achtergrondmuziek willen produceren. Categorie 4 (zwaar) Inrichtingen die in aanvulling op categorie 3: 24 uur geopend zijn; en meer dan achtergrondmuziek willen produceren; en/óf zaalverhuur aanbieden (minder dan 2500 bezoekers). Categorie 4+ (buiten categorie) Inrichtingen die in aanvulling op categorie 4: grootschalige evenementen faciliteren (meer dan 2500 bezoekers)

Exploitatievergunning: activiteiten Binnen een horeca-inrichting kunnen verschillende activiteiten worden uitgevoerd. Het kan gaan om het verstrekken van etenswaren (restaurantfunctie), maar ook om het gelegenheid bieden tot amusement en ontspanning, bijvoorbeeld in de vorm van kansspelautomaten of roken van rookwaren met behulp van waterpijpen. Op de exploitatievergunning staat aangegeven welke van onderstaande activiteiten in het horecabedrijf zijn toegestaan. Sommige combinaties van activiteiten zijn niet mogelijk. Hoe zwaarder de gekozen activiteiten, hoe groter de impact van de horeca-inrichting op de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting. Van ondernemers die horecabedrijven exploiteren in de zwaarste horecacategorie wordt dan ook een grote verantwoordelijkheid gevraagd. Ook de toets die plaatsvindt bij een aanvraag van een vergunning voor een zware categorie is zwaarder. De volgende activiteiten worden onderscheiden: 1. 2. 3. 4. 5.

6. 7. 8.

binnenruimte (oppervlakte in m2) terras (oppervlakte in m2) ochtendhoreca: openingstijden binnen van 04.00 tot 23.00 uur daghoreca: openingstijden binnen van 07.00 tot 23.00 uur avondhoreca: openingstijden binnen van 07.00 tot 01.00 uur op zondag t/m donderdag openingstijden binnen van 07.00 tot 02.00 uur op vrijdag en zaterdag nachthoreca: vrije openings- en sluitingstijden (24-uur) gebruik terras van 07.00 tot 23.00 uur gebruik terras van 07.00 tot 01.00 uur zondag t/m donderdag gebruik terras van 07.00 tot 02.00 uur op vrijdag en zaterdag

35

9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17. 18.

verstrekken van direct voor consumptie geschikte etenswaren voor gebruik ter plaatse en/of het verstrekken voor gebruik elders (afhaal) verstrekken van niet-alcoholhoudende drank verstrekken van alcoholhoudende drank (tevens Alcoholwetvergunning vereist) het ten gehore brengen van meer dan achtergrondmuziek beschikbaar stellen van de inrichting voor evenementen georganiseerd door derden voor maximaal 2500 bezoekers (zaalverhuur) beschikbaar stellen van de inrichting ten behoeve van grootschalige evenementen voor meer dan 2500 bezoekers gelegenheid bieden tot het roken van rookwaar met gebruikmaking van waterpijpen (shisha) aanwezig hebben van maximaal twee kansspelautomaten (aanwezigheidsvergunning volgens de Wet op de Kansspelen vereist) gelegenheid bieden tot het uitvoeren van seksuele handelingen anders dan tegen betaling (ontmoetingsplekken) aanbieden van amusement, anders dan door middel van maximaal twee kansspelautomaten.

Onvergunde horeca In Rotterdam bestaan meerdere categorieën exploitatievergunningen. De aard van de activiteiten die in de horeca-inrichting worden aangeboden bepaalt welke categorie vereist is. Hoe uitbundiger de bedrijfsvoering van een horeca-inrichting, hoe uitgebreider de vereiste exploitatievergunning. Dit geeft tevens de mogelijkheid om een deel van de ondernemers die beperkte en/of zeer lichte vormen van horeca exploiteren vrij te stellen van de vergunningplicht (categorie 0). Dit is de afgelopen jaren een duidelijke lastenverlichting gebleken en sluit aan bij de high trust (high penalty) aanpak. Naast bedrijven waar horeca de primaire bedrijfsvoering is, kent Rotterdam ook talloze bedrijven, instellingen en clubhuizen waar horeca slechts een ondersteunende functie heeft. Ook hiervan kan een groot deel gebruik maken van de vrijstelling van de vergunningplicht. Omdat er op basis van landelijke wetgeving, zoals de Winkeltijdenwet, ruimtelijke ordeningswet en de Alcoholwet nu eenmaal verschil zit tussen deze vormen van zeer lichte en/of ondersteunende horeca, onderscheiden we in Rotterdam drie varianten die vrijgesteld van de vergunningplicht mogen exploiteren; aangegeven als exploitatiecategorie 0. Het betreft: Basis vrijstelling (0.1) Vrijstelling met horecabestemming (0.2) Vrijstelling voor bijzondere objecten en instellingen (0.3)

Relatie tot plangebied De specifieke invulling wordt verwerkt in een horecagebiedsplan zoals in dit geval het gebied Centrum. In de Horecanota 2017-2021 staat de balans tussen levendigheid en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat centraal. Vanwege de beperkende maatregelen die ingezet worden vanwege Covid-19 is het onzeker hoe het toekomstige horecalandschap eruit komt te zien. Daarom is de ontwikkeling van nieuw horecabeleid uitgesteld en blijft de Horecanota 2017-2021 langer van kracht. In deze nota wordt het stedelijke en algemeen geldende beleid beschreven dat hieraan invulling geeft. Gebiedsgericht werken, een verdere vereenvoudiging van het vergunningstelsel, verfijning van het handhavingskader en stimulering van eigen initiatief door experimenten zijn hiervan de elementen. Stadsdriehoek Het plangebied is gelegen in de Stadsdriehoek. De Stadsdriehoek kan getypeerd worden als een wijk met verschillende karakters. De afgelopen jaren is er veel woningbouw gepleegd in het gebied. Dit heeft veel extra bewoners getrokken die aangenaam wonen in het centrum. Ook het uitgaan en recreëren is de laatste jaren toegenomen. De komende jaren zal het vooral een uitdaging zijn om beide ontwikkelingen in balans te houden. Met name rondom het Oude Haven gebied en rondom de Meent zal hier aandacht voor moeten zijn. In de Stadsdriehoek zijn veel restaurants en cafés gevestigd.

Veel daarvan zijn gelegen rond de Oude Haven, maar ook andere locaties ontwikkelen zich steeds meer tot uitgaanscentra, zoals het Laurenskwartier. In het Horecagebiedsplan Centrum is de ontwikkelrichting voor de Stadsdriehoek opgenomen. Het streven naar een aantrekkelijker verblijfsklimaat moet resulteren in het aantrekken van meer bewoners, bezoekers en werkenden. Dit gebeurt onder meer door in te zetten op de levendigheid en gastvrijheid van het gebied. Voor het ervaren van de stad is naast een aantal fysieke ingrepen in het gebied, de programmering essentieel. Een gastvrije binnenstad kent faciliteiten voor bezoekers waardoor mensen zich prettig ontvangen voelen. Gezien het feit dat de Stadsdriehoek een groot gebied bestrijkt met een sterk wisselende uitstraling is ervoor gekozen om de diverse gebieden/straten apart te

36

beschrijven. Coolsingel Deze belangrijke straat in het centrum heeft de komende jaren een ingrijpende metamorfose ondergaan waarbij meer ruimte is ontstaan voor voetgangers en fietsers. De werkzaamheden zijn inmiddels in volle gang. Er ontstaat een ruime, groene boulevard met fraaie vormgeving hetgeen uitnodigt te ontspannen, te wandelen en te winkelen. Het voormalige postkantoor wordt verbouwd tot een hotel. Er is nog ruimte voor horeca, deze zal ook deels in de plint aan de Meentzijde worden gerealiseerd. Voor het postkantoor geldt, dat aan zowel de Coolsingel als aan de Meent er ontwikkeld kan worden tot en met categorie 2. Om grip te houden op de horeca wordt alleen vrijgesteld van de vergunningplicht variant 0.1 toegestaan. Voor de Coolsingel geldt de volgende gewenste ontwikkelrichting: Nieuwe en bestaande inrichtingen: Ontwikkelen tot en met categorie 2, m.u.v. act. 3, 15, 16, 17 en 18. Vrijgesteld van de vergunningplicht: 0.1 toegestaan Bijzonderheid: Terrassen dienen te voldoen aan het terrassenplan (behorende bij herinrichting). Op basis van het Horecagebiedsplan Centrum, is in het plangebied zodoende horeca tot en met categorie 2 toegestaan, dat wil zeggen reguliere horeca. Het betreft horecavestigingen die geopend zijn vóór of vanaf 07.00 tot 01.00 / 02.00 uur en een terras kunnen exploiteren van 07.00 tot 01.00 / 02.00 uur.

In dit bestemmingsplan RISE is gekozen om de volgende onderverdeling aan te houden: Achtergrondmuziek: Muziek in een horeca-inrichting met een maximaal niveau van: 70 dB(A) wanneer er sprake is van direct aanpandige geluidgevoelige functies; 80 dB(A) wanneer er geen sprake is van direct aanpandige geluidgevoelige functies. Daghoreca: Horeca met inachtname van volgende voorwaarden: de inrichting mag geopend zijn tussen 07.00 en 23.00 uur; er mag niet meer dan achtergrondmuziek geproduceerd worden. Een feestzaal valt hier niet onder. Dag- en avondhoreca met achtergrondmuziek: Horeca met inachtname van de volgende voorwaarden: de inrichting mag op zondag t/m donderdag geopend zijn tussen 07.00 en 01.00 uur en op vrijdag en zaterdag tussen 07.00 en 03.00; er mag niet meer dan achtergrondmuziek geproduceerd worden. Een feestzaal valt hier niet onder. Dag- en avondhoreca met meer dan achtergrondmuziek: Horeca met inachtname van de volgende voorwaarden: de inrichting mag op zondag t/m donderdag geopend zijn tussen 07.00 en 01.00 uur en op vrijdag en zaterdag tussen 07.00 en 03.00; er mag meer dan achtergrondmuziek geproduceerd worden. Een feestzaal valt hier niet onder. Nachthorecamet achtergrondmuziek: Horeca met inachtname van de volgende voorwaarden: de inrichting mag 24 uur per dag geopend zijn; er mag niet meer dan achtergrondmuziek geproduceerd worden.

Een feestzaal valt hier niet onder. Nachthorecamet meer dan achtergrondmuziek: Horeca met inachtname van de volgende voorwaarden:

37

de inrichting mag 24 uur per dag geopend zijn; er mag inpandig meer dan achtergrondmuziek geproduceerd worden. Een feestzaal valt hier niet onder. Feestzaal Een ruimte die bedrijfsmatig ter beschikking wordt gesteld voor uitsluitend het houden van feesten en partijen met een besloten karakter door middel van het verhuren van de accommodatie, waarbij het verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en drank mogelijk is. De locaties waar horeca alsmede terrassen zijn toegestaan zijn op de verbeelding voorzien van een aanduiding. Daarbij is opgenomen welke categorie waar is toegestaan en dat het niet voor alle locaties mogelijk is ze gelijktijdig voor horeca in gebruik te nemen. In de planregels is opgenomen dat middels een akoestisch onderzoek moet worden aangetoond dat de beoogde horeca en daarbij behorende terrassen inpasbaar zijn voordat de gronden in gebruik mogen worden genomen. Conclusie Het plangebied is gelegen aan Coolsingel, waar het beoogde type horeca wordt voorzien. De beoogde ontwikkeling is in lijn met het Horecagebiedsplan. 2.3.14 Hotelbeleid Rotterdam 2021 Vastgesteld in september 2021 Het gemeentelijk Hotelbeleid "Wakker worden in een wereldstad" (2021) kent vier ambities: Een gecontroleerde groei van de hotelsector verspreid over de stad. De focus verschuift van de Binnenstad naar andere delen van de stad.

Hotelontwikkelingen in de Binnenstad zijn onder voorwaarden (rond Centraal station, Coolsingel, Blaak) alleen nog wenselijk in het gedefinieerde business district en het Rijnhavenkwartier; Spreiding van hotels en vestiging van specifieke typen hotels passen bij het karakter van de omgeving. In 2030 is het aantal hotels in en buiten de binnenstad meer met elkaar in balans; Nieuwe hotels dragen bij aan de ambities van Rotterdam; Aan nieuwe initiatieven wordt pas medewerking verleend als aangetoond is dat er sprake is van draagvlak (economisch en maatschappelijk) en daarmee aannemelijk is dat de impact op gebieden aanvaardbaar is. Een nieuw hotel is kansrijk als de locatie positief scoort op een aantal onderdelen. Daarnaast dient bij de exploitatie en bouw rekening te worden gehouden met de groei van werkgelegenheid (sociaal ondernemen) en leefbaarheids- en duurzaamheidsaspecten (certificaten, energielabels). Relatie tot plangebied Het hotelbeleid onderscheid zes type hotels op basis van functie, omvang en faciliteiten. Op basis van deze specifieke kenmerken zijn deze hotels gekoppeld aan passende gebieden middels de Beleidskaart Ontwikkeling Hotelvestiging.

Op de voorziene locatie zijn de volgende type hotels mogelijk: Type A: Kleinschalig (tot 40 kamers) en authentiek Type B: Zakelijke en toeristische kenmerken (vanaf 100 kamers) Type E: Short Stay en appartementenhotels Type F: Hostels en Podhotels Het beoogde hotel in het plangebied betreft een hotel van circa 240 kamers en valt onder het type B en is dus mogelijk op de locatie. Het is wel van belang dat de vergader en congresfaciliteiten ondergeschikt zijn aan hotelfunctie. Echte congreshotels zijn alleen mogelijk in directe nabijheid van congreslocaties Ahoy, Doelen en Van Nellefabriek. De vergader- en congresfaciliteiten zijn beoogd als ondergeschikt aan de hotelfunctie en dit aspect vormt derhalve geen belemmering. Een nieuw hotel is kansrijk als de locatie positief scoort op een aantal onderdelen (locatie, bereikbaarheid, past het in de omgeving en recreatief perspectief). In Bijlage 3 Ladderonderbouwing hotel en kantoor is voorliggend initiatief aan het Hofplein op deze criteria getoetst met een positieve uitslag. Tot slot is een nieuw hotel kansrijk als het pand en de exploitatie positief scoren op de bijdrage aan werkgelegenheid voor Rotterdammers (sociaal ondernemen) en op leefbaarheids- en duurzaamheidsaspecten (certificaten en energielabels). Conclusie

38

De beoogde ontwikkeling is in lijn met het gemeentelijk Hotelbeleid. 2.3.15 Afwegingskader bezonning 2021 Vastgesteld op 9 september 2021 door de gemeenteraad In het Afwegingskader bezonning zijn kaders gesteld voor de effecten van bezonning van gevels van bestaande woningen als gevolg van nieuwe ontwikkelingen die met een bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Nieuwe ontwikkelingen die 1,5 maal hoger zijn dan de gemiddelde hoogte binnen 1 maal de straal van de hoogte van die ontwikkeling, worden aan een stappenplan getoetst. Dat geldt ook voor nieuwe ontwikkelingen hoger dan 10 meter die liggen op een binnenterrein. Aan de hand van dat stappenplan wordt beoordeeld of de ontwikkelingen voldoen aan de gestelde kaders voor bezonning op bestaande woningen. Relatie tot plangebied Om tot een goed evenwicht te komen tussen het beschermen van de kwaliteiten van de bestaande stad én het mogelijk maken van nieuwbouw in de stad, is er gekozen voor een afwegingskader. Het afwegingskader bezonning is een kader voor heel Rotterdam. Er ligt hier nadrukkelijk een link met de voorgenomen verdichting in de stad. Het afwegingkader hanteert 21 september als meetdatum en heeft als uitgangspunt minimaal 2 uur zon voor een woning. In eerste instantie wordt er kwantitatief gekeken naar de effecten op het aantal zonuren.

Mochten er desondanks nog steeds toetspunten zijn die niet voldoen aan de uitgangspunten, dan kan er als laatste stap ook een kwantitatieve afweging gemaakt worden. Het stappenschema ziet er als volgt uit:

39

Figuur 2.10: Stappenschema afwegingen bezonning (Afwegingskader bezonning gemeente Rotterdam, p.8) Indien de laatste stap aan de orde is, dient een afweging gemaakt te worden of de voordelen van het nieuwbouwplan opwegen tegen de afname van bezonning van bestaande woningen. Daarbij moet deze afname afgewogen worden tegen de belangen van de nieuwbouw. Hierbij gaat het over een 'proportionele afweging', een 'verdichtingsafweging' en een 'typologische afweging'. Een besluit in deze stap kan op basis van één of een combinatie van deze drie afwegingen genomen worden. Conclusie De nieuwe ontwikkeling dienen getoetst te worden aan het Afwegingskader. Een toetsing aan het Afwegingskader heeft plaatsgevonden, hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 6.2 Bezonning.

40

Hoofdstuk 3 3.1

Beschrijving van het plangebied

Ontstaansgeschiedenis

De ontwikkelingslocatie vormt de hoek van het Hofplein en is verweven met de geschiedenis van het Hofplein en het Weena. In de nabijheid wordt gewerkt aan de herinrichting van het Hofplein (een van de zeven Stadsprojecten) en meerdere vastgoedprojecten. De raakvlakken tussen alle projecten was de aanleiding voor het opstellen van de cultuurhistorische verkenning (CHV) Weena - Hofplein (2021). Deze CHV vertelt de ontstaansgeschiedenis van het hele noordelijke centrumgebied en geeft een waardering en aanbevelingen mee. Hieronder zijn de voor de locatie relevante aspecten uit de CHV samengevat (tekst ontleend uit: Nota van Uitgangspunten RISE, september 2021). De vooroorlogse stad (tot 1945) In de 16e eeuw verkreeg Rotterdam haar lange tijd kenmerkende driehoeksvorm. De stad opende zich vanuit één punt op het land - het huidige Hofplein - zo ver als mogelijk naar de Maas. Het organisch ontstane kruispunt van landen waterwegen vormde lange tijd de voorruimte van de twee noordelijkste stadspoorten: de Hofpoort en de Delftse Poort. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw zorgden de stadsuitbreidingsplannen van stadsarchitect W.N. Rose en de komst van de spoorlijn ervoor dat het plein ingelijfd werd in de stad. De stadsgracht werd gedempt, de Hofpoort gesloopt en de naam "Hof van Weena" leefde voort in de naam van het Hofplein. De stad en het spoor bleven doorgroeien.

Aan het begin van de 20e eeuw had het spoor de functie en de ruimte van de waterwegen overgenomen en de Coolsingel straalde als 'Wereldboulevard' de allure uit van de vooruitgang. Plannen om het Hofplein als belangrijk kruispunt en entree van de stad als geordende pleinruimte hierop aan te laten sluiten sneuvelden door het bombardement in 1940. De wederopbouwstad (1945-1970) In de periode van de Wederopbouw werd het Hofplein in de eerste plannen van stadsarchitect W.G. Witteveen opgenomen als verbindende pleinruimte tussen de historische structuren. In het Basisplan (Van Traa) uit 1946 werd het idee radicaal vervangen door een orthogonale structuur met brede en statige structuren van boulevards en verkeerspleinen. Het Hofplein behield daarin de functie van kruispunt van de stadsboulevards Weena en Coolsingel en kwam aan de oostzijde te liggen het Weena, dat de belangrijkste stedelijke ruimte van het centrum moest worden. Het trechtervormig ontwerp voor de bebouwing rondom het verkeersplein werd in 1951 losgelaten om de "gebouwen als lossen objecten, maar onder rechte hoeken, te kunnen situeren op het raster van verkeerswegen".

Hierdoor kon het stedenbouwkundig concept van de Coolsingel met de karakteristieke afwisseling van koppen en wanden ('dubbele rooilijn') verlengd worden over het Hofplein heen tot een 'spoortoren' als visueel eindpunt (later ingevuld met het Technikon-complex (1970)). Als onderdeel van de continue oostwand van de Coolsingel, waarin het ensemble van de drie vooroorlogse gebouwen stadhuis, het postkantoor en het beursgebouw naar voren steken, verrezen het ENNEN-gebouw (Coolsingel 6, 1959) en het gebouw N.V. Shell Tankers (1960) aan de Schiekade. Aan de westwand van de Coolsingel werden het Hilton (1963) en de Weenaflat (1984) toegevoegd aan de ritmiek van kopgebouwen, die uit de lagere bebouwing van de Coolsingel naar voren springen. De leefbare stad (1970-1985) Na de realisatie van de eerste gebouwen op de Coolsingelas aan het Hofplein, duurde het tot na de aanleg van de metro dat de plannen voor de Weena-as invulling kregen. In de periode van de leefbare stad stonden thema's als herbergzaamheid en de menselijke maat centraal. De gemeente zette de bouw van kantoren stop en bestemde de laatste gaten in de binnenstad tot woongebied. De vraag naar de invulling van het Weena werd in 1979 duidelijk gesteld: intensivering van het grondgebruik, verbetering van de noord-zuidrelatie en de inrichting als stedelijk woongebied.

In 1981 werd vervolgens het ruimtelijk plan 'Weena-oost' vastgesteld om deze doelen te verwezenlijken en om o.a. de westkant van het Hofplein met rechte hoeken vorm te geven. Eveneens in 1981 werd de Pompenburgflat (1981) gerealiseerd. Het woongebouw werd door Carel Weeber in een gezamenlijk plan met het politiebureau ontworpen aan de zuidoosthoek van het Hofplein. Het ontwerp volgde de bebouwingsregels die waren

41

opgesteld om de programmatische en ruimtelijke samenhang op het Weena te waarborgen. De bouwhoogte werd gerelateerd aan het Hilton gebouw ('Hilton hoogte') en een inspringende plintzone over twee verdiepingen ('arcades') moest een aantrekkelijke ruimte bieden voor de beoogde levendige stedelijke programmering. De Pompenburgflat moest, samen met de hoge bebouwing aan de noordkant van de boulevard een visuele afsluiting vormen van de Weena-as aan het Hofplein. Daarnaast werd veel nadruk gelegd op kunst in de openbare ruimte en goede ontsluiting voor voetgangers, met zogenoemde 'olifantenpaadjes' vanaf het Hofplein naar de erachter gelegen gebieden. De nieuwe stad (1985-2000) In de periode van de Nieuwe Stad stond de visie uit het Binnenstadsplan 1985 centraal, die een breuk met de ideeën uit het Basisplan betekende. Speerpunt was om van Rotterdam een multifunctionele stad van allure te maken. Een stad waarin aan werken, wonen, cultuur en recreatie gelijk belang wordt gehecht. Hiertoe werden functiemenging, het terugbrengen van levendigheid in de binnenstad en het toelaten van hoogbouw op de tweede linie als uitgangspunten gedefinieerd. Investeerders werden met open armen ontvangen, de vestigingsvoorwaarden soepel gehanteerd. Internationale projecten zoals Canary Wharf dienden als referentie om het Weena uit te roepen tot 'toplocatie' voor de dienstverlenende sector.

Terwijl de regels voor de ruimtelijke samenhang herkenbaar zijn toegepast, werden de ambities voor een levendige programmering van de plinten en een netwerk van 'olifantenpadjes' minder nadrukkelijk gevolgd. Een voorbeeld hiervoor is het aan Hofplein 33 gerealiseerde kantoorgebouw AEGON ("het spiegeltje", 1987). De Metropool (2000-nu) In de periode van de Metropool wordt doorgewerkt op de binnenstedelijke visie uit de voorgaande periode. Verdichting in het centrum staat in het teken van een integrale aanpak. Alle ontwikkelingen dragen bij aan de versterking van de programmamix en aan werkgelegenheid, een betere kwaliteit op ooghoogte, de vergroening en betere programmering van de openbare ruimte, meer ruimte en verbindingen voor fietsers en voetgangers en een gezonder leefklimaat.

3.2

Archeologie

Algemeen Rotterdam draagt sinds 1960 zorg voor het eigen archeologisch erfgoed en is in het bezit van een door het rijk verleende opgravingsbevoegdheid. Het doel van de Rotterdamse archeologie is: (1) te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem; (2) te zorgen voor de documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is; (3) te zorgen dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. De gemeente Rotterdam bezit een Archeologische Waardenkaart (AWK) en een vastgestelde lijst met Archeologisch Belangrijke Plaatsen (ABP's), die opgenomen zijn in de gemeentelijke archeologieverordening. Genoemde beleidsinstrumenten moeten een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen waarborgen. Dit instrumentarium sluit aan op en komt mede voort uit het rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Relatie tot plangebied Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied. Op de Archeologische Waardenen Beleidskaart Rotterdam (2005) wordt aan het gebied een zeer hoge archeologische verwachting toegekend.

Conform het bestemmingsplan "Lijnbaankwartier - Coolsingel" geldt voor de locatie een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor bouwen graafwerkzaamheden die dieper reiken dan 1,5 meter beneden maaiveld ongeacht de oppervlakte van de bodemingreep. Archeologisch onderzoek Vanwege de archeologische verwachtingswaarden, zijn de voorgenomen werkzaamheden voorgelegd aan het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam (BOOR). Op advies van het BOOR (beleidsbesluit d.d. 28 januari 2020, kenmerk brief AS20/01226-20/0001751) is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 4 Archeologisch bureauonderzoek bij deze

42

toelichting. De resultaten worden hieronder samenvattend toegelicht. Resultaten bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek, waarbij onder meer is gekeken naar historisch-geografische, geologische en archeologische aspecten, is de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied opgesteld voor de bovenste 6 meter van de bodem. De verwachting voor mesolithische en neolithische vindplaatsen is onbekend, maar deze kunnen wel aanwezig zijn. De vindplaatsen, zoals kampementen, kunnen eventueel aangetroffen worden in de top van eventueel aanwezige kwelderafzettingen (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer) of stroomgordelafzettingen (Formatie van Echteld). Voor het gehele plangebied geldt verder een redelijk hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen vanaf de IJzertijd en een zeer hoge verwachting voor vindplaatsen uit de Nieuwe tijd. Eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen uit deze perioden bevinden zich tussen 2 en 5 meter onder maaiveld en dieper. Vindplaatsen uit de IJzertijd, de Romeinse tijd en Middeleeuwen (tot in de 12e eeuw) kunnen voorkomen in de top van het veen (Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket). De verwachte vindplaatsen zijn nederzettingsterreinen (huisplaatsen) en verkavelingspatronen die zich kenmerken door het voorkomen van onder meer aardewerk, houtskool, fosfaat en bot.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=af815828-ebc4-41be-8784-704338b4e155