CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb008365] Bijlage behorende bij 23bb008364 over Rapport Scholing voor Rotterdammmers: Een evaluatie van het Rotterdams Scholingsfonds (SEOR, oktober 2023)

Commissie Werk & Inkomen, Onderwijs, Samenleven, Schuldhulpverlening & Armoedebestrijding, NPRZ 10 april 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Daarbij betrekken20.126 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor aanvang van de scholing ligt het baanaandeel van de ontvangers van een voucher iets hoger dan de controlegroep, maar is dit verschil niet significant (de gele (nul-)lijn ligt niet buiten het grijze vlak). Na aanvang van de scholing is een groot en positief verschil zichtbaar ten opzichte van de controlegroep. Dit verschil loopt op tot 20 procentpunt en neemt daarna weer licht af. Deze verschillen zijn significant (de gele (nul-)lijn ligt buiten het grijze vlak). Werkloze gebruikers van een scholingsvoucher vinden dus vaker een baan. Dit positieve effect neemt iets af in het vierde kwartaal, hetgeen verklaard kan worden doordat er sprake is van een inhaaleffect onder de personen in de controlegroep. Een belangrijke reden dat gebruikers van de scholingsvoucher sneller (en vaker) aan het werk komen, lijkt erin te liggen dat er vaak sprake is van stageovereenkomsten of leerwerkovereenkomsten (bijvoorbeeld bij BBL-trajecten). Er wordt geen bewijs gevonden dat men ook vaker een baan vindt met een vast contract. Vermoedelijk is de observatieperiode hier niet lang genoeg voor.

22

Hier is entropy balancing voor gebruikt.

23

Deze methode wordt stacked difference-in-differences genoemd en wordt gebruikt in het geval mensen op verschillende momenten met hun interventie (scholing in dit geval) starten en de effecten ervan verschillen over de tijd. Op deze manier kan worden gecontroleerd voor het (verschillende) effect van veranderende economische omstandigheden op de uitkomstmaten van de behandel- en controlegroep (februari 2021 en februari 2022 verschillen qua economische omstandigheden). Bovendien biedt het nog een ander voordeel namelijk dat er verschillende controlegroepen kunnen worden samengesteld voor subgroepen van de ontvangers van een voucher. Dit is met name relevant in een situatie waarin de doelgroep over de tijd heen is veranderd. 22 SEOR

Figuur 2.2

Verschil in baanaandeel voor werkloze ontvangers scholingsvoucher t.o.v. hun controlegroep

Bron: Eigen bewerking CBS Microdata (SEOR), 2023.

Ook werkloze ontvangers van een scholingsvoucher met recent arbeidsverleden vinden aanzienlijk vaker werk Een belangrijk methodisch punt is dat niet kan worden gecontroleerd voor de intentie die gebruikers van een scholingsvoucher hebben om hun arbeidsmarktpositie te versterken. Zelfs als we hen vergelijken met een controlegroep met dezelfde observeerbare achtergrondkenmerken kan het verschil in intentie voor een verschil in de uitkomst zorgen. Anders gezegd, mensen in de bijstand die een opleiding gaan volgen zijn niet per se gelijk aan mensen in de bijstand die dat niet doen, ongeacht hun persoonlijke kenmerken. De laatste groep is mogelijk in veel mindere mate op zoek naar werk of een verbetering van hun arbeidsmarktpositie. Wij hebben om deze reden een robuustheidsanalyse uitgevoerd waarbij een effectmeting wordt gedaan voor de groep die pas recent werkloos is geraakt (<1,5 jaar). Deze groep zou, in ieder geval in theorie, een meer gelijke intentie moeten hebben om weer (snel) aan het werk te geraken. Ook voor gebruikers van een scholingsvoucher die pas recent werkloos zijn geraakt, is er een positief effect zichtbaar op het vinden van een baan. De grootte van dit effect is ook redelijk vergelijkbaar (iets groter).

Dit betekent dat het effect dat wij voor de gehele groep werklozen (figuur 2.2) vonden niet enkel wordt gedreven doordat de controlegroep bestaat uit langdurig werklozen met weinig tot geen intentie om weer een baan te vinden. Wat wel opvalt is dat het inhaaleffect van de controlegroep voor de kortwerklozen groter is. Figuur 2.3

Verschil in baanaandeel voor ontvangers van een scholingsvoucher na een korte periode van werkloosheid (<1,5 jaar) t.o.v. hun controlegroep

Bron: Eigen bewerking CBS Microdata (SEOR), 2023. 23 SEOR

Daarnaast hebben we effectmetingen gedaan op de uitkomstmaten loon, uurloon en deeltijdfactor. We rekenen daarbij de maanden zonder baan niet mee omdat verschillen in (uur)lonen of de deeltijdfactor tussen de ontvangers van een voucher en de controlegroep anders worden gedreven door het positieve effect op de arbeidsparticipatie. De effecten van het ontvangen van een voucher op deze uitkomstmaten zijn in tabel 2.6 weergegeven voor het eerste, tweede, derde en vierde kwartaal na aanvang van de scholing. De sterren in deze tabel laten zien wanneer een uitkomst van de ontvangers van een scholingsvoucher significant hoger ligt dan voor de personen in de controlegroep. Hieruit kunnen de volgende conclusies worden getrokken: -

-

-

Het uurloon neemt toe in de kwartalen nadat de scholing is aangevangen. Na 4 kwartalen bedraagt dit verschil €1,40 en is licht significant (op een 10%-niveau). Er is daarnaast sprake van een steeds groter wordend verschil. Het verschil in deeltijdfactor neemt toe in de kwartalen na aanvang van de scholing. Voor zowel de volledige groep werklozen, als voor de groep die minder dan 1,5 jaar voor aanvang van de scholing hun baan verloor, bedraagt dit verschil na vier kwartalen meer dan tien procentpunt en is significant. Er wordt, in ieder geval op deze korte termijn, geen positief effect bevonden op het loon. Wel lijkt het verschil in loon tussen de behandel- en controlegroep steeds positiever te worden.

Tabel 2.6

Tabel met effecten in het jaar vanaf aanvang van de scholing

Uitkomstmaat Alle werklozen Baan

+1 kwartaal

+2 kwartalen

+3 kwartalen

+4 kwartalen

+ 8%***

+ 16%***

+ 20%***

+ 18%***

Vast contract Deeltijdfactor Uurloon Basisloon

0% + 7% + €0,60 + €123

0% +7% + €1,10 + €26

0% + 11%** +€1,30* + €166

+ 3% + 13%*** +€1,40* +€223

Kort werklozen (<1,5 jaar) Baan +15%* +21%*** +25%*** Vast contract + 5% +6% + 3% Deeltijdfactor + 6% + 7% +4% Uurloon -€0,30 + €0,40 + €0,30 Basisloon + €143 + €46 - €73 *** significant op 1%-niveau; ** significant op 5%-niveau; * significant op 10%-niveau. Bron: Eigen bewerking CBS Microdata (SEOR), 2023.

2.4.2

+14%* +8% + 12%* + €0,60 + €252

Werkende ontvangers van een scholingsvoucher

Het gros van de gebruikers van een scholingsvoucher die een baan hadden voor aanvang van de scholing nemen deel vanaf het moment dat de regeling is verbreed. Hierdoor is de groep werkenden wiens scholing voor en na januari 2022 aanvangt sterk verschillend. Het bleek daarom niet mogelijk om een goede controlegroep samen te stellen voor alle werkenden. We hebben de effectmeting om die reden alleen gedaan voor de werkenden wiens scholing aanving in 2022. Het gaat dan om 99 van de 130 werkenden. Ook voor gebruikers van een scholingsvoucher die voor aanvang van hun scholing een baan hadden is een controlegroep samengesteld. Deze controlegroep bestaat uit personen uit de Rotterdamse beroepsbevolking met een baan in het kwartaal voordat de behandelgroep aan de scholing begint. De controlegroep is op dusdanige manier gewogen dat hun baanverleden overeenkomt (aantal maanden dat zij aan het werk zijn) en dat zij gelijk zijn qua leeftijd, opleidingsniveau en migratieachtergrond (zie tabel I.2 in bijlage I). Ook is rekening gehouden met enkele baankenmerken van de baan voor aanvang van de scholing. Zo is de deeltijdfactor en het aandeel tijdelijke contracten, vaste contracten en uitzendovereenkomsten gelijk.

24 SEOR

Werkende ontvangers van een scholingsvoucher vinden aanzienlijk vaker een baan in een andere sector Allereerst is gekeken naar het effect van het ontvangen van de voucher op het aandeel met een baan, het aandeel met een vast contract, het aandeel dat een baan bij een andere werkgever vindt en/of in een andere sector. Deze effecten zijn te vinden in tabel 2.7. De significantie-sterren in deze tabel laten zien wanneer de uitkomstmaat van de ontvangers van een scholingsvoucher significant hoger ligt. De conclusies zijn als volgt: -

-

-

Er worden geen significante verschillen gevonden op het aandeel dat een baan behoudt. Voor zowel de behandel- als controlegroep is een daling zichtbaar na de aanvangsdatum van de scholing. Voor de behandelgroep is deze afname wat groter, maar dit is geen significant verschil. Ontvangers van de scholingsvoucher vinden significant vaker een baan bij een andere werkgever. Na vier kwartalen bedraagt dit verschil 13 procentpunt. Ook vindt men significant vaker een baan in een andere sector. Het gaat hier om een positief significant effect van 13 procentpunt na vier kwartalen. Hier is een duidelijke opbouw zichtbaar in het aandeel dat van sector wisselt. Of dit een positieve beweging is richting kansrijke sectoren is niet bekend. Uit de eerdere analyse bij de bruto-uitkomsten was in ieder geval geen sprake van een duidelijke beweging richting een sector als de zorg. Er worden geen significante verschillen gevonden op het hebben van een vast contract. Voor de behandelgroep neemt het aandeel juist af na de scholing. Mogelijk omdat zij vaker van baan switchen en dit vaak in eerste instantie op een tijdelijk contract is.

Daarnaast hebben we effectmetingen gedaan op de uitkomstmaten loon, uurloon en deeltijdfactor. 24 De effecten van het ontvangen van een voucher op deze uitkomstmaten zijn in tabel 2.7 weergegeven voor het eerste, tweede, derde en vierde kwartaal na aanvang van de scholing. Hieruit kunnen de volgende conclusies worden getrokken: -

Er wordt geen verschil gevonden in de deeltijdfactor met de controlegroep. Ook het uurloon verschilt niet significant. Uit de data is ook geen toename zichtbaar voor de behandelgroep ten opzichte van de controlegroep. Er wordt, in ieder geval op deze korte termijn, geen positief effect bevonden op het loon. Ook beweegt het verschil in loon tussen de behandel- en controlegroep niet duidelijk in een bepaalde richting.

Tabel 2.7

Tabel met effecten in het jaar vanaf aanvang van de scholing

Uitkomstmaat Alle werkenden Baan Vast contract Andere werkgever Andere sector

+1 kwartaal

+2 kwartalen

+3 kwartalen

+4 kwartalen

-4% -8% +9%** + 5%

-3% -3% +13%*** + 10%***

-5% -8% +11%*** + 13%***

-8% -10% +13%*** + 13%***

0 + €0,40 - €6

+ 1% - €0,20 - €90

0 + €0,60 - €6

Deeltijdfactor + 1% Uurloon + €0,40 Basisloon + €47 Bron: Eigen bewerking CBS Microdata (SEOR), 2023.

24

We rekenen daarbij de maanden zonder baan niet mee omdat verschillen in (uur)lonen of de deeltijdfactor tussen de ontvangers van een voucher en de controlegroep anders worden gedreven door het positieve effect op de arbeidsparticipatie. 25 SEOR

3

DOELMATIGHEID VAN HET SCHOLINGSFONDS

3.1

INLEIDING

Voor het bepalen van de mate van doelmatigheid, vergelijken we de kosten van RSF met de uitkomsten. Hiervoor zijn twee verschillende exercities gedaan. Een eerste uitkomst is of de scholing per individu wel of niet het gewenste effect heeft gehad. Bijvoorbeeld of iemand (binnen de observatieperiode) een (nieuwe) baan heeft gevonden. Dit levert een vorm van doelmatigheid op (kosten in euro’s per succesgeval). Hiertoe worden de effecten zoals beschreven in paragrafen 2.2 en 2.3 gebruikt en afgezet tegen de gemiddelde kosten per voucher. Een andere uitkomst is dat de gemeente Rotterdam op basis van het scholingsfonds op haar uitkeringslasten bespaart omdat het mensen uit de bijstand helpt en/of aan duurzame banen helpt. Op basis van het effect van RSF op de bijstandsbedragen, kunnen de kosten voor de gemeente dan ook vergeleken worden met de baten voor de gemeente. Andere vormen van doelmatigheid kunnen worden behaald als men door een voucher bijvoorbeeld betere en productievere banen krijgt. Dit is met name een interessante uitkomst voor mensen die bij een andere werkgever en/of in een andere sector zijn gaan werken. Door de korte observatieperiode kunnen dit soort “productiviteitswinsten” echter nog niet worden berekend. Andere baten die samenhangen met welvaartseffecten zoals meer levensgeluk of een betere gezondheid zijn niet meegenomen in de analyse.

3.2

KOSTEN VAN HET SCHOLINGSFONDS

Allereerst worden de kosten van het scholingsfonds besproken (zie tabel 3.1). Voor de jaren 2021 en 2022 zijn de gerealiseerde cijfers gegeven, terwijl het voor 2023 en 2024 om geprognosticeerde cijfers gaat. De totale kosten zijn opgesplitst naar de kosten van de vouchers en de uitvoeringskosten. Wat opvalt is dat het aantal geprognosticeerde vouchers voor 2023 en 2024 lager ligt dan het aantal gerealiseerde vouchers in 2022. Dit heeft er onder andere mee te maken dat vanaf 2023 geen vouchers meer worden verstrekt aan uitkeringsgerechtigden uit de Participatiewet. De daling van de uitvoeringskosten vanaf 2023 houden verband met het feit dat de investeringskosten behorende bij het opzetten van het RSF in de eerste twee jaren zijn gedaan. Ook zijn er enkele efficiëntie-maatregelen doorgevoerd die hebben bijgedragen aan de lagere uitvoeringskosten. Uitgedrukt in de kosten per voucher zien we dat de kosten teruglopen van om en nabij de €4.000 tot iets meer dan €2.000 in 2024. Omdat in 2024 het grootste gedeelte van de investeringskosten zijn gemaakt geven de kosten per voucher van €2.100 in 2024 een goede indicatie van de toekomstige kosten per voucher. De uitkomsten zullen dan ook met name tegen dit bedrag worden afgezet.

26 SEOR

Tabel 3.1

Kostenoverzicht van het Rotterdamse Scholingsfonds voor de jaren 2021-2024

Aantal vouchers Kosten vouchers Kosten uitvoering Totaal kosten

2021 528 € 655.000 € 1.433.733 € 2.088.733

2022 633 € 1.250.000 € 1.433.733 € 2.683.733

2023 550 € 1.116.500 € 284.677 € 1.401.177

2024 500 € 925.000 € 125.000 € 1.050.000

Kosten per voucher Kosten vouchers Kosten uitvoering Totaal kosten

€ 1.240 € 2.715 € 3.955

€ 1.974 € 2.264 € 4.239

€ 2.030 € 517 € 2.547

€ 1.850 € 250 € 2.100

Bron: Gemeente Rotterdam (eigen bewerkingen SEOR), 2023.

3.3

KOSTEN PER SUCCESGEVAL

De eerste uitkomst waar naar wordt gekeken is of de scholing per individu wel of niet het gewenste effect heeft gehad. Omdat er sprake is van een beperkte observatieperiode is alleen gekeken naar het vinden van een baan vanuit werkloosheid, of het vinden van een baan in een andere sector. 25 Productiviteitswinsten die samenhangen met het vinden van “betere” banen worden zoals gezegd niet meegenomen. Onderstaande tabel laat de uitkomsten zien uit paragrafen 2.2 en 2.3, uitgesplitst naar de werkloze en werkende ontvangers van een voucher. De kosten per voucher in 2024 (€2.100) worden vermenigvuldigd met het aantal werkloze (289) en werkende ontvangers (130) van een scholingsvoucher om tot een schatting van de totale kosten te komen voor deze groepen. Van de werkloze ontvangers vinden 169 personen een baan en 122 een baan in een andere sector (dan de sector van hun laatste baan voordat zij werkloos werden). De kosten per succesgeval bedragen daarmee respectievelijk ongeveer €3.600 of €1.900. Van de 130 werkende ontvangers vinden er 70 een baan bij een andere werkgever en 58 in een andere sector. Deze arbeidsmarktstappen kosten de gemeente respectievelijk €3.900 of €4.700. Een deel van deze arbeidsmarktstappen zouden echter ook zijn gezet zonder een voucher. Daarom wordt idealiter naar de netto-effectiviteit van de regeling gekeken.

De netto-effectiviteit wordt uitgedrukt in het aantal “extra” personen dat een (andere) baan vindt door toedoen van de scholingsvoucher. Dit netto-effect op het vinden van een baan bedroeg 18 procentpunt na 4 kwartalen. Hetgeen betekent dat er omgerekend 52 “extra” personen vanuit werkloosheid (en grotendeels uit de bijstand) een baan hebben weten te bemachtigen. De kosten hiervoor liggen op ruim €11.000 per persoon. Voor de werkende ontvangers bedroeg de netto-effectiviteit 13 procentpunt voor zowel het vinden van een baan bij een andere werkgever als het vinden van een baan in een andere sector. Omgerekend gaat het daarmee om 17 mensen die een andere baan vinden (in een andere sector). De kosten per persoon bedragen daarmee €16.000. Omdat er gebruik wordt gemaakt van verschillende maatstaven is het niet goed mogelijk om de doelmatigheid te vergelijken van werkloze en werkende ontvangers van een scholingsvoucher.

25

De analyses in paragraaf 2.2 wezen er verder op dat wanneer men een (andere) baan vond, deze banen veelal van een betere kwaliteit waren (meer uren, hoger uurloon, minder vaak uitzendcontracten). Een resultaat hiervan is dat door toedoen van een scholingsvoucher de kans op werkloosheid kleiner is geworden. Deze uitkomst kan op dit moment niet worden meegenomen. 27 SEOR

Tabel 3.2

Een overzicht van de kosten per succesgeval

Uitkomstmaat Werkloze ontvangers - Bruto-effecten Aantal personen dat een baan vindt (par. 2.2) Aantal personen dat een baan vindt in een andere sector (par. 2.2) - Netto-effecten Aantal “extra” personen dat een baan vindt door toedoen van de voucher (par. 2.3)

Aantal personen

Geschatte kostena

Kosten per succesgeval

169 122

€ 606.900 € 228.900

€ 3.591 € 1.876

52

€ 606.900

€ 11.671

Werkende ontvangers - Bruto-effecten Aantal personen dat een baan vindt bij een andere 70 € 273.000 € 3.900 werkgever (par. 2.2) Aantal personen dat een baan vindt in een andere 58 € 273.000 € 4.707 sector (par. 2.2) - Netto-effecten Aantal “extra” personen dat een baan vindt bij een 17 € 273.000 € 16.059 andere werkgever (par. 2.3) Aantal “extra” personen dat een baan vindt in een 17 € 273.000 € 16.059 andere sector (par. 2.3) Bron: Eigen bewerking CBS Microdata (SEOR), 2023. a) De geschatte totale kosten zijn gebaseerd op de totale kosten per voucher van €2.100 (zie ook tabel 3.1), het aantal werkloze ontvangers (289), het aantal werkloze ontvangers met een recente baan (109) en het aantal werkende ontvangers (130).

3.4

BESPARING OP BIJSTANDSLASTEN

Een andere uitkomst is dat wanneer werklozen aan een baan geholpen worden dat dit een besparing oplevert op de uitkeringslasten van de gemeente. Zeker omdat het gros van de werkloze ontvangers van een voucher bestond uit bijstandsgerechtigden. De besparing op de uitkeringslasten is tweeledig. Er zijn mensen die volledig uit de bijstand stromen, en er zijn mensen die naast hun nieuwe baan ook nog een deel bijstandsuitkering krijgen, hetgeen ook zal leiden tot lagere bijstandsbetalingen. Op basis van het netto-effect van het scholingsfonds op het aantal mensen in de bijstand en het netto-effect op het ontvangen bijstandsbedrag, worden de besparingen op de uitkeringslasten berekend. We berekenen deze baten alleen voor de werkloze groep ontvangers van een voucher.26 Van hen heeft 90% een bijstandsuitkering voor aanvang van de scholing (257 van de 289). De gemeente betaalde aan deze groep gemiddeld €2.200 euro per persoon aan bijstand in het laatste kwartaal voor aanvang van de scholing.27 Omgerekend is dit ruim €565.000. Het effect van het ontvangen van een scholingsvoucher op het betaalde bijstandsbedrag bedraagt gemiddeld €195 in het tweede kwartaal na aanvang van de scholing. Dit betekent dat het gemiddelde betaalde bijstandsbedrag in het tweede kwartaal voor de ontvangers van een voucher 195 euro lager ligt dan in de controlegroep.

In het eerste kwartaal na aanvang van de scholing wordt er nog geen effect waargenomen. Vermenigvuldigen we deze besparing van €195 met de 257 bijstandsgerechtigden, dan gaat het om een totaalbedrag van €50.115. Deze besparing wordt in het eerste halve jaar na de aanvang van de scholing

26

Omdat de observatieperiode wat betreft bijstandsbedragen beperkt is (tot en met december 2022) kunnen we voor de gehele werkloze groep maximaal twee kwartalen vooruitkijken. Besparingen op de uitkeringslasten die gepaard gaan met het voorkomen van een eventuele terugval op de bijstand voor zowel de werkloze als werkende deelnemers kunnen met deze korte observatieperiode nog niet worden berekend.

27

Het gaat om de bruto bijstandsbedragen inclusief vakantiegeld, geïndexeerd naar de uitkeringsbedragen zoals die golden per 1 juli 2022. 28 SEOR

gerealiseerd. Onze schatting is dat dit voor 40% (bijna €20.00028) komt door de “extra” mensen die uit de bijstand zijn geraakt door een voucher. De overige besparing komt doordat men naast een bijstandsuitkering gaat werken. Tabel 3.3

Besparing op de uitkeringslasten van de gemeente

Effect RSF op het gemiddelde betaalde bijstandsbedrag

Effect half jaar na aanvang scholing €195

Effect RSF op aandeel 3,5 procentpunt bijstand Bron: Eigen bewerking CBS Microdata (SEOR), 2023.

Aantal bijstandsgerechtigden die een voucher hebben ontvangen 257

Totale besparing €50.115

Gemiddelde besparing per persoon €195

257

€19.800

€77

Afgezet tegen de kosten van een voucher (€2.100) is deze besparing van €195 per persoon bescheiden. Desalniettemin is dit effect al in korte tijd gerealiseerd. In het eerste kwartaal is er geen effect op de uitkeringslasten (0%-punt). In het tweede kwartaal is er een effect van €195, ofwel 8,9%-punt.29 Over het eerste half jaar is er dus op uitkeringslasten een effect behaald van gemiddeld ongeveer 4,5%-punt.30 Het is op basis van deze korte termijn te vroeg om conclusies te trekken over de besparing op de bijstandslasten. Er zijn nog maar zes maanden baten gerealiseerd, terwijl de kosten al volledig zijn gemaakt. De besparing op de uitkeringslasten zou idealiter na een aantal jaren opnieuw gemeten moeten worden.

28

Dit is berekend door het effect van de voucher op het aandeel in de bijstand (3,5 procentpunt) te vermenigvuldigen met het gemiddelde bijstandsbedrag dat men ontving in het kwartaal voor aanvang van de scholing. Twee kwartalen na aanvang van de scholing zijn er 9 “extra” mensen (0,035*257 bijstandsgerechtigden) uit de bijstand. Bijstandsgerechtigden met een voucher ontvingen gemiddeld €2.200 euro ontvingen in het laatste kwartaal voor aanvang van de scholing. Dit levert daarmee een besparing op van €19.800. Deze besparing treedt pas op in het tweede kwartaal na aanvang scholing.

29

Berekend als €195 (het netto-effect) gedeeld door €2.200 (het gemiddelde bedrag aan bijstand in het laatste kwartaal voor aanvang van de scholing).

30

In de business case wordt uitgegaan van een effect van 4,7%-punten over vijf jaar. Dit is dus in lijn met de uitkomsten over het eerste half jaar. 29 SEOR

4

ERVARINGEN MET HET SCHOLINGSFONDS

4.1

INLEIDING

Een belangrijk element in de evaluatie van het Scholingsfonds is hoe deze wordt ervaren. Daarvoor zijn de ervaringen van de verschillende betrokken partijen met het scholingsfonds door middel van twintig interviews in kaart gebracht. De gesprekken zijn in het laatste kwartaal van 2022 gevoerd. Dat betekent dat de ervaring vooral is opgedaan in een nog gescheiden aanvraag- en subsidieproces. Deze processen zijn vanaf september 2022 geïntegreerd in hetzelfde systeem. De gespreken waren vooral gericht op leerpunten in het proces dat plaatsvindt bij de werving, selectie en uitvoering en bijbehorende samenwerkingen rondom de Scholingsvoucher. De gesprekken zijn gevoerd met: • • • •

Scholingsadviseurs (3) Bedrijven (2) Scholingsaanbieders (5) Deelnemers (10)

De antwoorden over ervaringen van deze groepen zijn onderverdeeld in vier overkoepelende thema's: Werving en selectie van deelnemers, Scholingsaanbod, Uitvoering (en samenwerking tussen partners) en tenslotte de Scholingsvoucher zelf, zoals redenen om deze aan te vragen en het effect van de voucher. Deze vier thema's zijn onderverdeeld in deelthema's, waar steeds de bovenstaande verschillende groepen respondenten aan het woord komen. De belangrijkste bevindingen per thema zijn als volgt: Werving en selectie deelnemers -

-

-

-

Informatievoorziening onvoldoende: De scholingsadviseurs zijn al op veel verschillende terreinen aanwezig om de Scholingsvoucher bekend te maken (van sociale media, bibliotheken tot billboards), maar toch blijkt dat deelnemers vaak enkel ‘toevallig’ over de voucher horen, bijvoorbeeld via hun sociale netwerk of als een opleiding al begonnen is. Zij noemen de informatievoorziening over de voucher overwegend onvoldoende. Proces van aanmelding: Deelnemers zijn positief over het proces van aanmelding als er goede communicatie wordt ervaren en als het proces snel verloopt. Deelnemers zijn minder enthousiast op het moment dat zij de informatievoorziening onoverzichtelijk vinden, als zij onverwachte stappen moesten zetten in de aanvraag (soms kwam het adviesgesprek als een verrassing) en lange tijd onduidelijkheid over of de voucher zou worden toegekend of niet. Verschillende stappen verwarrend: Verschillende (potentiële) deelnemers vonden het verwarrend dat na goedkeuring van een adviesgesprek, ook nog eens een aparte voucheraanvraag plaats moest vinden. Kansrijk? Er is een kanttekening te plaatsen bij het proces waarop op dit moment wordt bepaald of een (opleiding tot een) beroep ‘kansrijk’ is of niet.

Scholingsaanbod -

Tevreden over keuzeaanbod, soms onduidelijkheid catalogus: De meeste deelnemers zijn tevreden over het keuzeaanbod betreffende scholingsmogelijkheden van de scholingsvoucher. Toch heerst er 30 SEOR

-

-

soms wel onduidelijkheid op het moment dat een opleiding in eerste instantie niet in de onderwijscatalogus staat. Bedrag: Wat betreft financiering noemen verschillende deelnemers het bedrag van de voucher toereikend, behalve als er additionele materieel-en reiskosten bij komen kijken. Ditzelfde geldt voor bedrijven. ‘Potjes’: Er wordt een grote verscheidenheid aan scholing gerelateerde ‘potjes’ ervaren (zoals het STAP-budget), wat het geheel wat ondoorzichtig maakt.

Uitvoering • Scholingsaanbieders zijn zowel zeer tevreden als niet tevreden met de samenwerking met de gemeente. Aanbieders zijn positief over de samenwerking met het Leerwerkloket Rijnmond en het contact met de scholingsadviseurs aldaar, een goede voorselectie van deelnemers en ‘korte lijntjes’. Scholingsaanbieders zijn minder tevreden over de samenwerking met de gemeente door bijvoorbeeld betalingsachterstanden, last minute wijzigingen, en onduidelijkheid over de bewaking van voortgang van deelnemers in het schooltraject. Eén vast contactpersoon bij de gemeente lijkt de situatie voor een scholingsaanbieder te hebben verbeterd. • Administratie: Voor scholingsaanbieders is het onduidelijk wie de voucher nu na aanvraag daadwerkelijk hebben gekregen. • Geen terugkoppeling Leerwerkloket: Scholingsaanbieders kijken ervan op dat het Leerwerkloket de voortgang niet monitort van personen die met de voucher een opleiding volgen. Scholingsvoucher • Redenen van deelnemers om de voucher aan te vragen, variëren van de wil om kennis te ‘updaten’, nieuwe kennis tot zich te nemen of de financiële situatie. • Steun op financieel en psychologisch gebied: De Scholingsvouchers leveren deelnemers concreet financiële steun bij de weg (terug) naar de arbeidsmarkt en/of een specifiek beroepenveld en steun op psychologisch gebied (‘weer een toekomst zien’).

• Gemotiveerd: Scholingsaanbieders hebben de ervaring dat personen die via een Scholingsvoucher een opleiding volgen, meer gemotiveerd zijn dan reguliere studenten. • Geografische afbakening: Bedrijven en scholingsaanbieders zien de Scholingsvoucher graag ‘uitgesmeerd’ worden over heel Nederland.

4.2

WERVING EN SELECTIE DEELNEMERS

4.2.1

Informatievoorziening voor deelnemers

Om zoveel mogelijk inwoners van Rotterdam van het bestaan van de scholingsvouchers op de hoogte te brengen, wordt informatie over het Scholingsfonds breed verspreid door scholingsadviseurs, via verschillende kanalen. Dit gebeurt via consulenten van de gemeente, via het UWV, algemene publiciteit op verschillende websites, maar ook via folders, flyers en brochures op 'logische’ locaties (zoals de bibliotheek, het Huis van de Wijk, e.d.). In buurthuizen (Huizen van de Wijk) worden ook bezoekmogelijkheden en spreekuren georganiseerd, waarvan eens in de week adviseurs op locatie werken. Mensen kunnen dan langskomen. Dit kunnen bijvoorbeeld personen zijn zonder Internet of een mindere digitale vaardigheid. Door het Scholingsfonds worden met name buurthuizen uitgezocht in de omgeving van personen met een lager opleidingsniveau. Daarnaast is een publiciteitscampagne gehouden via de billboards van de gemeente. Door deze publiciteitscampagne kwamen er tijdelijk weer meer aanvragen. Verder zijn de scholingsadviseurs zeer actief op sociale media, bijvoorbeeld met het delen van ervaringen van deelnemers met de scholingsvoucher. 31 SEOR

Tenslotte is het Scholingsfonds ook aanwezig op banenmarkten, via een telefonisch spreekuur en de zogenaamde Job Shop in de Koopgoot. Een scholingsadviseur heeft echter nog kanttekeningen bij het bereiken van de beoogde doelgroep. Ze ziet dat personen die al over een vooropleiding beschikken (vanaf mbo 2) een beroep doen op het fonds. Echter, de groep zonder startkwalificatie lijkt niet of nauwelijks te worden bereikt, net als jongeren. "Mensen melden zich niet aan. […] Dus verdere inspanningen om deze groepen voor de voucher (en het volgen van een opleiding) te motiveren is belangrijk om het Scholingsfonds echt geslaagd te doen zijn.”

“Het Scholingsfonds is gewoon niet (voldoende) zichtbaar voor mensen.” Op verschillende manieren kwamen de deelnemers in aanraking met het Scholingsfonds, waarvan meerdere keren ‘per toeval’, bijvoorbeeld uit het sociale netwerk. Zo werden deelnemers erop geattendeerd door vrienden, vrouw, of “ergens tussendoor”, waarna een respondent verder ging Googelen op ‘omscholing’. Ook hoorden deelnemers van de Scholingsvoucher op een opleiding zelf. Zo raakte een respondent bekend met de voucher tijdens een kennisbijeenkomst van het Hout & Meubileringscollege, terwijl een ander er pas over hoorde toen de opleiding al was begonnen. Tenslotte horen respondenten ook over de voucher via de werkcoach van de gemeente, een consulent, of via het UWV bij het Leerwerkloket van de gemeente. Eén deelnemer kwam de informatie over de scholingsvoucher tegen in een advertentie op sociale media, maar het was niet meteen duidelijk of de scholingsvoucher mogelijk een lening betrof en dus terugbetaald zou moeten worden. Ook was het verschil tussen de scholingsvoucher en het STAP-budget niet duidelijk voor een respondent. Twee anderen noemden nog eens dat het STAP-budget zelf wel voldoende publiciteit krijgt.

De respondenten vinden de bekendheid van de Scholingsvoucher over het algemeen echter onvoldoende: “Het Scholingsfonds is gewoon niet (voldoende) zichtbaar voor mensen.” Een respondent noemt dat dit “in het bijzonder [het geval is] voor groepen die minder zelfstandig zijn in het overwegen van de mogelijkheden van (om)scholing, en het daadwerkelijk aanvragen van de voucher.” Publiciteit vergroten in het algemeen en in het bijzonder in de richting van de genoemde doelgroepen lijkt hem wenselijk. De toevallige attenderingen op de Scholingsvoucher tonen dat er geen gestroomlijnde informatievoorziening over de voucher bestaat: “Zonder tip was [ik] niet bij de Scholingsvoucher terecht gekomen. Er is geen/weinig algemene informatie over. Bij STAP wordt bijvoorbeeld veel duidelijker benoemd wat het is en wat je ermee kunt.” Een respondent geeft een tip over hoe zij het liefst in aanraking was gekomen met de Scholingsvoucher (vanuit de bijstand): "[Ik had het] gewaardeerd als de gemeente Rotterdam zelf de mogelijkheid van een scholingsvoucher had aangegeven.” Nu kwam zij er pas na vier maanden achter. Meer in algemene zin had zij behoefte aan een informatiebundel bij de start van de bijstandsuitkering, waarin niet alleen de plichten, maar ook de rechten staan.

4.2.2

Aanmelding en adviesgesprek (intake)

Er zijn grofweg twee groepen te onderscheiden van mensen die een scholingsvoucher aanvragen, mensen met en zonder een uitkering. De tweede groep, mensen zonder uitkering, meldt zichzelf aan via de website (scholingsvouchers010.nl). Voor mensen die een uitkering van de gemeente Rotterdam ontvangen 31 is er een andere procedure. Zij vragen het scholingsadvies aan bij het Leerwerkloket, nadat zij eerst hun wensen met hun consulent/werkcoach/activeringscoach hebben besproken. In beide groepen zijn er (a) mensen die een (heel) duidelijk idee hebben van de opleiding of cursus die ze willen volgen en (b) mensen met een globaler idee hiervan, of die om verschillende redenen naar (ander) werk zoeken en daarvoor scholing nodig hebben.

31

Met uitzondering van een uitkering op grond van de Bbz 2014. 32 SEOR

Over het aanmeldproces ziet een scholingsadviseur nog wel ruimte voor verbetering. "Dit zou zo moeten worden geregeld zoals bij de gemeente of de fysiotherapeut. Dat je online jezelf kunt aanmelden en direct een afspraak kunt inplannen. Nu moet de aanvrager een account maken en zich inschrijven, dan ontvang je als adviseur de aanmeldingen, dan moet je een afspraak inplannen. [Het is] vrij arbeidsintensief en omslachtig.” Een scholingsaanbieder noemt de procedure zelfs ingewikkeld, met name voor anderstaligen, statushouders en laaggeletterden: "Zij lopen al snel vast, bijvoorbeeld door moeilijke vragen op een formulier die zij moeten invullen. Sommigen nemen ook niet de telefoon op als zij via een onbekend nummer gebeld worden, zodat de gemeente hen niet kan bereiken. Deze mensen zullen ook niet snel de gemeente om hulp vragen. Daarom is [onze school] zelf veel tijd kwijt aan de begeleiding van deze mensen bij het aanvragen van de scholingsvoucher. De procedure zou vereenvoudigd moeten worden.”

“Kansrijk?” De gesprekken tussen potentiële deelnemers en de scholingsadviseurs lopen voornamelijk telefonisch, en duren een halfuur tot een uur. Eventueel kan op locatie een afspraak worden gemaakt, bijvoorbeeld in de bibliotheek. Tijdens de intake wordt gevraagd naar diploma’s, arbeidsverleden, en naar de aanleiding om een scholingsvoucher aan te vragen. Ook voorwaarden en de typen opleidingen die via de voucher gevolgd kunnen worden, komen aan bod. Scholingsadviseurs letten daarnaast bij het adviesgesprek met name op vier verschillende punten: de ‘kansrijkheid’ van het beroep, de noodzakelijkheid van scholing, de haalbaarheid en de persoonlijke situatie van de aanvrager. 'Kansrijkheid’ wordt nu middels de beroepenlijst van het UWV en de arbeidsmarktmonitor (WSPR) vastgesteld, toegespitst op de regio Rijnmond. Maar: “De voorwaarden ‘noodzakelijkheid’ en ‘kansrijkheid’ zijn niet 100% objectief vast te stellen”, aldus een scholingsadviseur. Er valt een kanttekening te zetten bij de manier waarop beroepen als 'kansrijk’ worden aangemerkt, en in hoeverre dat terecht is of niet. Zo noemt een wervingsmedewerker (‘bedrijven’): “Een belangrijk aandachtspunt bij de start van het project was dat [deze functie] niet als kansrijk beroep werd gezien. Dit, terwijl op het moment dat het project werd opgezet er 300 vacatures voor waren.

Na enige discussie is het beroep wel als kansrijk aangemerkt, waardoor de deelnemers in aanmerking kwamen voor de scholingsvoucher.” Ook de noodzakelijkheid in de situatie van de aanvrager speelt een rol: "Dit is bijvoorbeeld het geval als iemand zijn werk verliest (of dreigt te verliezen), of als iemand door fysieke of andere malheur zijn huidige werk niet vol kan houden of een andere baan ambieert.” Een belangrijk onderdeel van het gesprek is daarnaast het toetsen van de haalbaarheid. “Kan de persoon, gelet op de vooropleiding, de betreffende scholing of cursus aan?” Dit wordt bijvoorbeeld beoordeeld op basis van de criteria die de opleiding stelt als instroomeisen. Soms wil iemand een te grote stap maken (van vmbo naar mbo-3 bijvoorbeeld). Overigens kan in sommige gevallen in overleg met de opleider een voortraject of tussenstap worden overeengekomen, om aan de instroomeis te kunnen voldoen. Tenslotte wordt ook in het gesprek beoordeeld of de aanvrager, gelet op zijn of haar persoonlijke situatie rond werk en gezin, de opleiding aankan. Bij veel (reguliere) opleidingen moet je een aantal dagen per week naar school. Dat is niet in alle situaties te verwezenlijken. “Soms onderschatten de deelnemers de inspanningen die nodig zijn.

Dit is geen afwijzingsgrond, maar is wel een belangrijk bespreekpunt.” Indien een potentiële deelnemer nog niet goed weet welke opleiding hij of zij wil volgen, wordt 33 SEOR

hier ook aandacht aan besteed in het gesprek. Soms volgt dan nog een tweede gesprek, mogelijk gevolgd door een competentietest om tot een concrete keuze te komen. Over het algemeen blijkt “motivatie […] meestal niet het probleem.” Als mensen een aanvraag doen, hebben ze daar meestal goed over nagedacht. De scholingsadviseurs geven ook aan dat het vaak leuke gesprekken zijn.

“[ik] kan altijd met vragen bij iemand terecht.” Verschillende deelnemers zijn zeer te spreken over het proces van het aanvragen van de voucher. Opvallend is dat positieve deelnemers een overwegend snel proces met goede communicatie omschrijven: “Alles [was] in een paar weken geregeld", en “het is bij mij heel snel gegaan, [ik] kan altijd met vragen bij iemand terecht.” Toen een deelnemer per abuis een foutje had gemaakt bij de aanvraag, “werd dat snel goed gemaakt.” Hij zou een 10 als cijfer geven. De deelnemers die minder positief zijn omschrijven verschillende strubbelingen als het gaat om gebrek aan (overzichtelijke) informatievoorziening, onverwachte stappen die gezet moesten worden voor de aanvraag (zoals het adviesgesprek), of de langere tijd onduidelijkheid over of de voucher toegekend wordt of niet. Zo was een respondent enthousiast begonnen en had de voucher direct aangevraagd, maar dat bleek de verkeerde route. Later bleek dat ze eerst een adviesgesprek moest hebben, waarbij bleek dat de door haar gewenste opleiding tot onderwijsassistent toch niet in het lijstje stond. Later is deze aanvraag wel toegekend. Ook had een respondent in de ‘begintijd’ van de voucher “meerdere telefoongesprekken gehad, met meerdere keren dezelfde vragen.” Ondanks een positief advies, was het (toch) nog een tijdlang onduidelijk of hij de voucher zou krijgen.

Voor hem is het nog steeds niet duidelijk wat de huidige status is van zijn toegekende, maar niet gebruikte voucher. Het zou hem helpen om de status van de voucher (en hoeveel er uiteindelijk van gebruikt is) ergens te kunnen inzien. Er was tevens een respondent die tweemaal een mislukte aanvraag deed voor een training op hbo-niveau, waarbij er een vereiste is voor baangarantie. De deelnemer vindt dat de communicatie en tempo beter moet: “Door onduidelijkheden, fouten en lang wachten, zijn twee werkgevers afgehaakt.” Meerdere deelnemers hebben graag meer overzicht en duidelijke informatie. Zo noemt een respondent: “Het kost uiteindelijk veel tijd en moeite om een scholingsvoucher te krijgen.” Bij elke stap was het zoeken naar informatie, ook omdat er naar zijn gevoel veel partijen bij betrokken waren. Er moesten ook allerlei documenten en bewijzen opgeleverd worden. Ook leidt het feit dat na het advies nog een formele beslissing over toekenning van de voucher gemaakt moet worden, tot verwarring. Na het verkrijgen van het positieve advies van de scholingsadviseur, was een deelnemer er niet van op de hoogte dat hij nogmaals een verzoek tot verkrijging van de voucher bij de gemeente moest indienen. “Het was al goedgekeurd, dus waarom opnieuw indienen?” Verder had hij moeite met het zoeken van de juiste opleiding.

Als hij bij het begin geweten had dat het zoveel moeite zou kosten, was hij er misschien niet aan begonnen (en was hij zelf via een leerplatform op zoek gegaan naar een geschikte cursus). Concluderend blijkt dat deelnemers positief zijn als zij snel worden geholpen met duidelijke communicatie en ruimte voor vragen. Deelnemers zijn minder optimistisch als zij een gebrek aan overzichtelijke informatie ervaren, lange tijd niet weten waar zij aan toe zijn of voor elke stap in de aanvraag veel (mentale) inspanning moeten verrichten.

“áls er eenmaal een ‘ja’ is, dan loopt het verder goed.” De (on)bekendheid van een opleiding bij de gemeente lijkt uit te maken voor hoe vaak een op het oog relevante opleiding wordt goedgekeurd na een adviesgesprek. Zo noemde een scholingsaanbieder: “In die eerste periode werden ook veel aanvragen niet goedgekeurd.” Dit kwam volgens hem vooral doordat ze binnen de gemeente onbekend waren met de desbetreffende mbo-school. Maar: “áls er eenmaal een ‘ja’ is, dan loopt het verder goed.” Een andere scholingsaanbieder noemde dat de beslissing na het advies niet 34 SEOR

meteen duidelijkheid geeft over het aantal nieuwe studenten dat daadwerkelijk op de opleiding komt, via de scholingsvoucher: “Na het advies moesten de mensen zelf de aanvraag verder doen. Voor de opleider was het vanaf dat moment niet duidelijk hoeveel mensen daadwerkelijk een aanvraag hebben gedaan en een toekenning hebben gekregen.” Daarom had de organisatie graag een overzicht gekregen van wie uiteindelijk de voucher hebben gekregen. Dit is met name relevant voor eerdere duidelijkheid over hoeveel mensen via de voucher bekostigd worden.

“De laatste tijd is het belangrijkste struikelblok het ontbreken van een stageplek.” 4.2.3

Positief of negatief advies

Na positief advies krijgen deelnemers een mail waarin staat hoe ze de voucher kunnen aanvragen, met een link naar waar dat kan. Mensen kunnen altijd bellen met vragen hierover, zij worden daar dan mee geholpen. Zij kunnen bijvoorbeeld in de bibliotheek langskomen, dan wordt de aanvraag samengedaan. Ongeveer 50% van de aanvragen betreft een negatief advies, en wordt afgewezen. De redenen hiervoor zijn het ontbreken van noodzakelijkheid, het ontbreken van kansrijkheid en het niet kunnen vinden van een voor de opleiding benodigde stageplaats binnen vier weken (dit laatste moeten mensen immers zelf doen, de scholingsadviseur helpt hierbij door te verwijzen naar een website). Een gebrek aan noodzakelijkheid betreft bijvoorbeeld een aanvraag voor een opleiding tot beroepen als baliemedewerker, kattentrimmer of hobbycursussen (zoals bakken). Het “beeld van de persoon en zijn mogelijkheden” is tevens een bepalende factor in het advies dat wordt gegeven. "Vaak begrijpen mensen ook wanneer er een negatief advies uitkomt.” Toch blijkt er inmiddels een nieuwe uitdaging te zijn ontstaan; het vinden van een stageplek. Zo noemt een scholingsadviseur: “De laatste tijd is het belangrijkste struikelblok het ontbreken van een stageplek. Bij veel opleidingen is een stageplek een vereiste, maar die zijn steeds moeilijker te vinden.

Dit speelt vooral in de zorg, maar ook in andere sectoren kan personeel niet meer worden vrijgemaakt voor begeleiding van stagiaires. Een vicieuze cirkel.” Er zit een verschil tussen advies en daadwerkelijke toekenning van de voucher, maar afwijken van een advies lijkt eerder een uitzondering te zijn. Scholingsadviseurs geven een positief of negatief advies, maar het Subsidieloket van de gemeente bepaalt of de voucher wordt toegekend of niet (en uitbetaald). Afwijken van een positief of negatief advies kan vermoedelijk alleen met hele goede redenen.

“Dus [het] is misschien niet voor iedereen duidelijk dat er meer mogelijk is dan de lijst die gepresenteerd wordt” 4.3

SCHOLINGSAANBOD

4.3.1

Inhoud en keuzemogelijkheden opleidingen

De opleidingen die in aanmerking komen voor de Rotterdamse scholingsvoucher staan vermeld in een online opleidingscatalogus. De scholingsadviseurs geven aan dat het aanbod inhoudelijk over het algemeen goed aansluit bij de behoefte van de deelnemers. Soms komt het voor dat de gewenste opleiding niet in de catalogus voorkomt. Vaak is het dan wel mogelijk om deze opleiding aan de catalogus toe te (laten) voegen. De meeste deelnemers zijn tevreden over de keuze in scholingsmogelijkheden. Bij een respondent heerste er echter wel onduidelijkheid omdat een opleiding (zoals onderwijsassistent) niet in de voornoemde onderwijscatalogus stond. Uiteindelijk is deze goedgekeurd, wat de respondent tevreden maakt. Een andere deelnemer is meer 35 SEOR

te spreken over hoe het Scholingsfonds in de eerste fase te werk ging, in tegenstelling tot de meer recente werkwijze: “[In de eerste fase] kon je nog zelf voorstellen doen voor een scholingsaanbieder. Nu kan dat nog[steeds], maar dan moet de betreffende opleider eerst door de gemeente worden goedgekeurd. Dat was bij zijn eerste aanvraag nog niet. De nieuwe systematiek (lijst van opleidingen en aanbieders) is misschien wat minder flexibel dan in de eerste jaar (jaren) van het Scholingsfonds. Dus [het] is misschien niet voor iedereen duidelijk dat er meer mogelijk is dan de lijst die gepresenteerd wordt.” Tenslotte heeft een deelnemer moeite met het feit dat een opleiding niet kan worden gevolgd zonder stageplek. Nu heeft zij inmiddels een stageplek gevonden, maar de combinatie opleiding en stage is vrij belastend. Zij voorstaat een betere afwisseling van periodes stagelopen en de opleiding doen. Een scholingsadviseur ziet bij het reguliere onderwijs gebrek aan flexibiliteit, waardoor laatstgenoemde dit type cursussen niet (snel) kan organiseren. Er zijn slechts twee startmomenten in het jaar (september en februari) en de (reguliere) opleidingen duren lang. Deze zaken kunnen – vanwege het kleine aantal dat zich via de voucher aanbiedt – ook niet worden beïnvloed.

Er zou alleen een ander startmoment kunnen worden geregeld als bijvoorbeeld een groep (van bijvoorbeeld 20 cursisten) wordt aangemeld. Maar de vouchers worden op individuele basis verstrekt. Het particuliere onderwijs (LOI, NCOI, e.d.) is wat dit betreft flexibeler en speelt over het algemeen goed in op de vraag (modulair onderwijs). Een aandachtspunt betreffende het particuliere onderwijs is de kwaliteit. Een concreet voorbeeld is een cursus lassen, die digitaal wordt aangeboden en geen praktijkcomponent bevat. Het is de vraag of deze opleiding de door de werkgever gevraagde vaardigheden levert. Dus er wordt wel iets ontwikkeld dat snel beschikbaar is, maar de kwaliteit is niet altijd duidelijk. Soms kan zo’n onlinecursus (e-learning) toch gerechtvaardigd zijn, bijvoorbeeld omdat iemand tijdelijk minder mobiel is, en op deze wijze met het vak(gebied) kennis kan maken.

4.3.2

Financiering en kosten

Over de toereikendheid van het bedrag van de voucher zijn deelnemers grotendeels positief, behalve als er reiskosten, een duurdere cursus of materiaalkosten zijn. Met name als de opleiding online is (en er geen sprake is van reiskosten), is het bedrag van de voucher “ruimschoots voldoende.” Een respondent die wel reiskosten maakt, noemt het bedrag niet toereikend. Zij heeft een cursus voor 3.500 euro, met 400 euro voor het examen, en ook materialen en gereedschap kosten het nodige. Een andere respondent volgt ook een opleiding die meer kost dan de dekking van de voucher (6.400 euro). Via de eerste aanvraag heeft ze een voucher van 2.500 gekregen en de tweede aanvraag wordt naar alle waarschijnlijkheid eveneens toegekend. Dit betekent dat ze zelf ongeveer 1.400 euro betaalt en verder nog geld kwijt is aan reiskosten. Een wervingsmedewerker ('bedrijven') vindt het budget van de voucher toereikend: “Het Rotterdamse Scholingsfonds is nuttig. Het STAP budget van 1.000 euro is te weinig voor de (boa) opleiding. De scholingsvoucher is ruim voldoende.” Een sociale onderneming, welke vrijwillig plek biedt aan mensen met afstand tot de arbeidsmarkt, is blij met het budget van de voucher. Voorheen moest deze middels fondsen immers door de onderneming zelf gefinancierd worden voor deelnemers: “De vouchers zijn een welkome manier om de scholing te kunnen financieren.

Hiervoor werd de financiering zelf gedaan m.b.v. fondsen en meefinancieren van bedrijven. Dit was echter een verliesgevend onderdeel.”

“Verschillende potjes hebben vaak ook verschillende regels en procedures, en maken het tamelijk ondoorzichtig” 36 SEOR

Op het moment dat een deelnemer de opleiding start, wordt het geld twee weken na de start van de opleiding overgemaakt naar de opleider. “Het Scholingsfonds heeft geen actief terugvorderingsbeleid. Naar de deelnemer toe wordt wel aangegeven dat de bijdrage (voucher) wordt betaald en dat verwacht wordt dat hij of zij de opleiding volgt en voltooit (inspanningsverplichting)”, aldus een scholingsadviseur. Deze maakt tevens een onderscheid tussen regulier en particulier onderwijs. “Het particuliere onderwijs is verhoudingsgewijs duur. Voor reguliere opleidingen is de voucher veelal toereikend (all-in, dus inclusief boeken, lesmateriaal, e.d.), maar particuliere opleidingen zitten over het algemeen boven de 2.500 euro.” Dit betekent dat de deelnemer zelf ook een financiële bijdrage moet leveren, wat niet iedereen kan betalen. In dergelijke gevallen kan een deelnemer terecht bij het regionale mobiliteitsteam (RMT). Een andere adviseur vult aan dat dit ook bij het STAP of het Levenlanglerenkrediet kan. Daarop gaat deze adviseur verder dat het bedrag van 2.500 van de voucher tegenwoordig geregeld al niet meer geheel dekkend is, omdat opleidingen in hun algemeenheid duurder worden. “Het is (nog) niet mogelijk om te stapelen (een deel scholingsvoucher, plus het resterende deel op basis van een andere bron).

Hier wordt aan gewerkt.” Een scholingsaanbieder gaat verder in op de (on)duidelijkheid van allerlei verschillende budgetten en subsidies voor scholingsgerelateerde doeleinden. Een scholingsaanbieder vraagt zich af “waarom er zoveel ‘losse potjes’ voor scholing zijn ontstaan. Zou dat niet beter kunnen worden samengevoegd en tot één regeling kunnen worden omgezet? Verschillende potjes hebben vaak ook verschillende regels en procedures, en maken het tamelijk ondoorzichtig. Niet alleen voor de opleiders, maar ook voor de deelnemers.” De respondent noemt dat nu er wel zoveel verschillende “potjes” zijn, het van belang is dat publiciteit en informatie goed wordt ingericht “zodat voor (potentiële) deelnemers duidelijk wordt op welke middelen zij een beroep kunnen doen, als zij een scholing, training of opleiding overwegen.” Een scholingsaanbieder benoemt tevens een (gebrek aan) flexibiliteit van de besteding van de voucher. Zo was er een specifiek geval waarin enige rigiditeit daarin de start van een opleiding hinderde. Zo kon de voucher enkel worden besteed aan de opleiding zelf, en niet aan bijbehorende reis- en materieelkosten: “Een deelnemer (slachtoffer van de toeslagenaffaire) [...] ging een horeca-opleiding volgen. Daarvoor was kokskleding nodig, maar dat kon de deelnemer niet uit eigen middelen bekostigen.

Vanwege regelgeving in het onderwijs kon [school] deze kosten ook niet voor haar rekening nemen (de voucher heeft alleen betrekking op de kosten van de opleiding, niet voor materialen en reiskosten). Over dit specifieke geval is geregeld overleg geweest met de gemeente, maar deze kon niets doen voor de betreffende deelnemer. Uiteindelijk heeft [de school] de kosten van de kleding betaald, maar eigenlijk zou de gemeente hier de verantwoordelijkheid hebben moeten nemen.” Tenslotte stipt een aanbieder de onzekerheid aan van deelnemers bij meerjarige opleidingen: “De voucher wordt per jaar toegewezen. Dit kan betekenen dat de deelnemer onzeker is/wordt of de hele opleiding wel kan worden betaald.”

37 SEOR

4.4

UITVOERING

4.4.1

Samenwerking opleiders en gemeente

“Sowieso is de vraag of en hoe de voortgang van de deelnemers in het scholingstraject wordt gevolgd en bewaakt.” Scholingsaanbieders is gevraagd naar de samenwerking met de gemeente met betrekking tot de scholingsvouchers. Dit varieert van “zeer tevreden” tot een aanbieder die ‘niet te spreken is’ over de manier waarop de gemeente “de procedures heeft ingeregeld.” Scholingsaanbieders zijn positief over de samenwerking door goed contact met de scholingsadviseurs en het Leerwerkloket, een goede voorselectie van deelnemers, vertrouwen in de relatie, “korte lijntjes", periodiek overleg en zo nodig direct overleg met de scholingsadviseurs in individuele gevallen. Over de samenwerking met het Leerwerkloket zegt een scholingsaanbieder: “[Wij ontvangen] van het Leerwerkloket een bestandje met de deelnemers aan wie een voucher is toegekend, met alle relevante gegevens van de deelnemer(s). [Wij hoeven] dan alleen de gegevens van de cursus in te vullen en het bestandje dan terug te sturen. Dit loopt allemaal heel simpel en gemakkelijk." Volgens deze scholingsaanbieder verloopt de “samenwerking met Leerwerkloket Rijnmond sowieso heel goed […], veel beter dan met de meeste andere leerwerkloketten in het land.” Verder is een scholingsaanbieder positief over Opleidersportaal (Edubookers).

“Dat werkt goed.” Ook zijn er scholingsaanbieders die een minder prettige samenwerking ervaren met de gemeente. Een respondent van een publieke onderwijsaanbieder noemt verschillende zaken die daaraan bijdragen. Zo wordt er een offerte gevraagd, maar volgt er geen bevestiging. Daarnaast is er sprake van betalingsachterstanden. "Dat wil zeggen: er zijn nog onbetaalde facturen voor deelnemers die in januari dit jaar zijn gestart.” Ook worden last minute-wijzigingen niet gewaardeerd: "Sommige deelnemers starten uiteindelijk niet met de opleiding, terwijl sommige andere deelnemers de voucher pas krijgen toegewezen nadat zij al met de opleiding zijn begonnen. […] Sowieso is de vraag of en hoe de voortgang van de deelnemers in het scholingstraject wordt gevolgd en bewaakt.” Ook een andere scholingsaanbieder noemt dat er na de start van de opleiding geen terugkoppeling meer is met het Leerwerkloket (de scholingsadviseurs). Zij verbaast zich over het feit dat scholingsadviseurs de voortgang van de deelnemers niet monitoren: “uiteindelijk is toch ook de vraag of de deelnemer de opleiding (met succes) afrondt en na afronding werk vindt?” Zo spreekt ze over “een cursiste die elke week één van de drie trainingsdagen niet aanwezig is. Naar de deelnemer toe wordt aangegeven dat dit natuurlijk genoteerd wordt in het aanwezigheidsregister.

Maar het is onduidelijk of deze informatie moet of kan worden teruggekoppeld aan het Leerwerkloket (de scholingsadviseur).” Een andere respondent ziet de uitbesteding van inkoop van de opleidingen aan Archipel/Conclusion als een reden van deze problematiek: “De organisatie gebruikt een volledig geautomatiseerd proces, maar functioneren daardoor als een soort callcenter, waarmee je moeilijk in contact komt om specifieke problemen te bespreken. De problemen zijn al diverse keren aangekaart bij het Leerwerkloket. De projectleider van het Scholingsfonds weet van de problemen, maar er is nog geen actie ondernomen.” Tenslotte is er een scholingsaanbieder die eerst minder positieve ervaringen had in de samenwerking met de gemeente, maar door goed contact is dit verbeterd. “De samenwerking verliep een lange tijd moeizaam.” In die tijd waren er weinig goedgekeurde aanvragen. De samenwerking is de laatste vijf maanden echter 38 SEOR

“verbeterd, en loopt nu redelijk goed, via één contactpersoon. […] Hier zijn veel gesprekken voor nodig geweest.”

4.4.2

Matching van vraag en aanbod?

Politie Nederland ('bedrijven') is enthousiast over hoe de Scholingsvoucher bijdraagt aan betere matching van vraag en aanbod. Een respondent geeft daarvan een voorbeeld over de boa-opleiding: “Voordeel van dit project is dat je mensen wilt aannemen voor uniformdienst, maar dat deze mensen nog onvoldoende gediplomeerd zijn. Door hen eerst de intensieve boa-opleiding te laten volgen (dit is een 10-daagse intensieve training) zijn zij een jaar lang volledig inzetbaar als boa. Dit is gunstig voor de afdeling boa, die zo beschikt over meer inzetbaar personeel en het is voor de kandidaten zelf een mooi proces om in de praktijk kennis te maken met (onderdelen van) het politiewerk. De werkervaring is ook nuttig als de betreffende kandidaat vervolgens doorstroomt naar de politieacademie voor opleiding tot de geüniformeerde dienst. Het tussentraject draagt dus bij aan de matching. Directe instroom lukt niet, het is voor de politie én de kandidaten dan fantastisch dat deze indirecte weg naar instroom in de politieacademie wel werkt.” Een andere werkgever is minder openlijk positief over deze matching, en heeft geen zicht op in hoeverre de voucher bijdraagt aan betere matching: "Komen de vouchers wel bij de juiste personen?"

4.4.3

Begeleiding

Na het advies en eventuele vragen daarover, zijn scholingsadviseurs verder niet betrokken bij de uitvoering van de scholing. Verder vindt begeleiding intern plaats bij de opleider. Er is in principe geen begeleiding van de gemeente voor de mensen nadat een scholingsvoucher is toegekend. Wel krijgen mensen met een bijstandsuitkering reguliere begeleiding via een werkcoach/consulent, waarin ook de ervaringen met de opleiding worden besproken. Als ingeschat wordt dat mensen gedurende de opleiding extra begeleiding nodig hebben, wordt bijvoorbeeld niet aangeraden om de flexibele leerweg te volgen, omdat dat een grote mate van zelfstandigheid vereist.

4.5

SCHOLINGSVOUCHER

4.5.1

Redenen om een scholingsvoucher aan te vragen

"Nieuwe start” en "financiële armslag” Deelnemers kiezen voor een scholingsvoucher vanuit verschillende posities, en verschillende redenen. Er zijn personen die hun kennis van een bepaald veld willen verdiepen of actualiseren, volledig nieuwe kennis tot zich willen nemen, of om financiële redenen de Scholingsvoucher aanvragen. Zo zijn er personen in de bijstand, die recent zijn gemigreerd naar Nederland en een baan zoeken. Een deelnemer wil graag een "nieuwe start” maken op het vakgebied in de IT-sector, waarin zij al werkzaam was. Een andere deelnemer kwam tevens vanuit het buitenland in de bijstand terecht, omdat het beroep (projectmanager) dat zij wilde uitvoeren, bepaalde eisen kende. Daarvoor volgt zij nu cursussen en trainingen. Een respondent die voorheen werkte in 39 SEOR

de bouw wil via de scholingsvoucher zijn kennis ‘updaten', om aan de eisen te voldoen en terug te keren naar deze sector. Deelnemers richten zich ook op het verkrijgen van nieuwe kennis. Een al werkende respondent wilde bijvoorbeeld kennis van een nieuw vakgebied tot zich nemen (omtrent informatica en computers). Ook wilde een deelnemer in de WW terugkeren naar de arbeidsmarkt en daarvoor een opleiding doen. Na een test kwam hij tot ‘meubelstofferen’ en volgt nu een opleiding daartoe. Verder is een respondent al aan het werk en wil hij zich verdiepen in de materie waarmee hij al bezig is, maar ook bestaande kennis 'certificeren’. Zo hoopt hij bij teruglopende werkmogelijkheden in een bepaalde branche nieuw werk te kunnen te vinden, en zo te “anticiperen op baanverlies.” Ook noemen respondenten financiële redenen. Iemand kon wegens lichamelijke problemen niet langer in de horeca aan de slag, en wilde zich omscholen naar het onderwijs. Zelf was dit financieel gezien niet gelukt. De financiële barrière is ook voor een andere respondent in de bijstand verlaagd door de “financiële armslag” van het Scholingsfonds. Een bedrijf verifieert het belang van diploma's in het werkveld: “Zonder specifiek diploma kunnen mensen niet op functies worden aangenomen. Het idee achter het project is dat mensen kunnen worden aangenomen, doordat zij het diploma halen.

Het aannemen van mensen is de intentie achter het project.”

4.5.2

Wat heeft het opgeleverd?

“een vervulling van een al lang gekoesterde wens” De deelnemers in dit onderzoek verschillen in hun situatie voor- en na gebruik van de Scholingsvoucher (zie tabel 4.1). De scholingsvoucher heeft voor verschillende respondenten zaken opgeleverd die zich meer concreet uiten in (financiële steun bij) de weg naar een nieuwe baan, maar biedt ook op ‘psychologisch’ niveau steun voor deelnemers. Ten eerste de hulp in de weg naar een nieuwe baan. Zo ziet een respondent de scholingsvoucher concreet als een "hele nuttige update van de kaders waarin in deze tijd het vak elektricien moet worden uitgevoerd.” Ook noemen respondenten “de mogelijkheid om een nieuwe start te maken. Zonder de scholingsvoucher was het niet mogelijk geweest om een opleiding te volgen, gewoon vanwege het gebrek aan financiële middelen.” Verder biedt de voucher de mogelijkheid om uit een uitkering te komen: “heel waardevol.” Daarnaast heeft een deelnemer nu werk als projectmanager, omdat zij kon aantonen dat ze de benodigde scholing zou gaan doen. Ten tweede halen respondenten een psychologische dimensie aan. Een deelnemer zegt dat ze, mede door de mogelijkheden van de voucher, “het daglicht weer is gaan zien." Ze doet nu een vak waar ze haar creatieve vaardigheden volop kan inzetten.

Een andere respondent noemt naast betere kansen op de arbeidsmarkt ook een “beter toekomstperspectief [en] persoonlijke ontwikkeling.” Tenslotte heeft een deelnemer dankzij de voucher een vaste baan in het onderwijs en daarmee “een vervulling van een al lang gekoesterde wens.” De deelnemers reflecteren op de hypothetische situatie als er geen mogelijkheid tot het verkrijgen van een voucher was geweest. Daarbij wordt er op tweeledige wijze geantwoord; sommigen zouden dan geen opleiding hebben gedaan, en “nog steeds leven met een bijstandsuitkering.” Zij vinden ‘alleen een papiertje’ dan te duur. Anderen zouden juist “alles op alles” zetten om zelf een opleiding te bekostigen, of zelf een investering doen met spaargeld. Ook noemen personen dat zij dan online een cursus op zouden zoeken (zoals Coursera), of zonder scholing verder zouden solliciteren “met een kleinere kans op werk.” Tenslotte zou een respondent bij absentie van de voucher een opleiding zelf betalen, door te bezuinigen en een beroep te doen op haar kinderen (bijvoorbeeld door hen een bijbaantje te laten zoeken), wat een intergenerationeel element geeft aan de bevindingen: “ik heb jarenlang voor jullie gezorgd, het zou fijn zijn als jullie mij nu kunnen ondersteunen en helpen om de opleiding af te maken en werk te vinden.” Een scholingsadviseur reflecteert op de toegevoegde waarde van een scholingsvoucher.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=a72a6c4b-0bc2-40c4-9679-400862ce936e