CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb008365] Bijlage behorende bij 23bb008364 over Rapport Scholing voor Rotterdammmers: Een evaluatie van het Rotterdams Scholingsfonds (SEOR, oktober 2023)

Commissie Werk & Inkomen, Onderwijs, Samenleven, Schuldhulpverlening & Armoedebestrijding, NPRZ 10 april 2024, gemeente RotterdamBij agendapunt: Daarbij betrekken20.126 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

SCHOLING VOOR ROTTERDAMMERS Een evaluatie van het Rotterdams Scholingsfonds

Paul de Hek, Mark den Hartog, Kees Zandvliet, Anne van Schothorst

COLOFON

DIT IS EEN UITGAVE VAN SEOR BV

© SEOR BV / ROTTERDAM, OKTOBER 2023 Niets van deze uitgave mag op welke wijze dan ook worden verveelvoudigd zonder de voorafgaande toestemming van de uitgever en andere auteursrechthebbenden. SEOR is niet aansprakelijk voor gegevens die door derden werden verstrekt.

SCHOLING VOOR ROTTERDAMMERS

CONTACTPERSOON Naam Adres Telefoon Email

Paul de Hek Marconistraat 16 3029 AK Rotterdam 06 – 4205 7423 dehek@seor.eur.nl

INHOUDSOPGAVE

SAMENVATTING EN AANBEVELINGEN

3

Uitkomsten op hoofdlijnen

3

Aanbevelingen

6

Doelstelling 1: effecten van RSF op positie van Rotterdammers op de arbeidsmarkt

3

Doelstelling 2: verhouding van kosten ten opzichte van de behaalde resultaten

5

DOelstelling 3: ervaringen met het scholingsfonds

5

INLEIDING

8

1.1

Achtergrond en doel evaluatie

8

1.2

Aanpak van het onderzoek

10

1.3

Leeswijzer

11

1

2

3

4

I

EFFECTIVITEIT VAN DE SCHOLINGSVOUCHERS

12

2.1

Kenmerken van de deelnemers

12

2.2

Bruto-effectiviteit scholingsvouchers

15

2.3

Netto-effect scholingsvouchers

21

DOELMATIGHEID VAN HET SCHOLINGSFONDS

26

3.1

Inleiding

26

3.2

Kosten van het scholingsfonds

26

3.3

Kosten per succesgeval

27

3.4

Besparing op bijstandslasten

28

ERVARINGEN MET HET SCHOLINGSFONDS

30

4.1

Inleiding

30

4.2

Werving en selectie deelnemers

31

4.3

Scholingsaanbod

35

4.4

Uitvoering

38

4.5

Scholingsvoucher

39

BIJLAGE I

43

SAMENVATTING EN AANBEVELINGEN

Het Rotterdams Scholingsfonds (RSF) is bedoeld om de positie van de Rotterdammer op de arbeidsmarkt kansrijker te maken of te verstevigen. Om beter inzicht te krijgen in hoeverre dit ook daadwerkelijk lukt, is er besloten een evaluatieonderzoek uit te voeren naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het scholingsfonds. Deze evaluatie heeft drie doelstellingen: 1. Inzicht in de effecten van het scholingsfonds op de positie van Rotterdammers op de arbeidsmarkt 2. Inzicht in de verhouding van de kosten van het RSF ten opzichte van de behaalde resultaten 3. Een overzicht van de ervaringen met het scholingsfonds Hieronder geven we eerst kort de belangrijkste uitkomsten van het onderzoek. Daarna geven we een samenvatting van de uitkomsten per doelstelling. Ten slotte geven we enkele aanbevelingen.

UITKOMSTEN OP HOOFDLIJNEN De uitkomsten van deze evaluatie geven een eerste indruk van de effecten van het RSF op de positie op de arbeidsmarkt van de ontvangers van een scholingsvoucher: ➢ Scholingsvouchers hebben voor werklozen een significant positief effect op het vinden van een baan. Het aandeel mensen met een scholingsvoucher dat één jaar na aanvang van de scholing een baan vindt, ligt bijna twintig procentpunten hoger dan het aandeel mensen van een vergelijkbare groep zonder een scholingsvoucher dat een baan vindt. Een belangrijke reden dat (werkloze) gebruikers van de scholingsvoucher sneller en mogelijk ook vaker aan het werk komen, lijkt erin te liggen dat er bij hen vaak sprake is van stageovereenkomsten of leerwerkovereenkomsten (bijvoorbeeld bij BBLtrajecten). ➢ Voor de ontvangers van een scholingsvoucher die een baan hadden bij aanvang van hun scholing vinden we geen significant effect op het aandeel met een baan. Wel wordt er vaker een baan in een andere sector gevonden én vaker bij een andere werkgever, binnen of buiten de eigen sector. Het gaat in beide gevallen om een positief significant effect van dertien procentpunten na één jaar. ➢ Voor de ontvangers van een scholingsvoucher die op dat moment niet werkten, zien we een positief effect ontstaan op de kwaliteit van de nieuwe banen (significant voor deeltijdfactor en licht-significant voor uurloon).

Voor de werkende ontvangers van een scholingsvoucher worden (nog) geen significante effecten gevonden op de kwaliteit van de banen. ➢ Op basis van het effect van RSF op de bijstandsbedragen, kunnen de kosten voor de gemeente vergeleken worden met de baten voor de gemeente in termen van besparingen op uitkeringslasten. Het is op deze korte termijn te vroeg om conclusies te trekken over de uiteindelijke besparing op de bijstandslasten. De besparing op de uitkeringslasten zou idealiter na een aantal jaren opnieuw gemeten moeten worden.

EFFECTEN VAN RSF OP POSITIE VAN ROTTERDAMMERS OP DE ARBEIDSMARKT Om inzicht te krijgen in de effecten van RSF op de positie van Rotterdammers op de arbeidsmarkt kijken we naar (i) wie een scholingsvoucher hebben gekregen (bereik), (ii) de ontwikkelingen in arbeidsmarktpositie (bruto-effectiviteit) en (iii) in hoeverre de ontwikkelingen in arbeidsmarktpositie het gevolg zijn van het scholingsfonds (netto-effectiviteit).

Bereik De scholingsregeling bereikt, afgezet tegen de Rotterdamse beroepsbevolking, relatief veel jongeren, lager opgeleiden, (kinderen van) migrant(en), bijstandsgerechtigden en flexwerkers. In vergelijking met andere, meer generieke scholingsregelingen (waaronder het STAP-budget), worden meer personen in relatief kwetsbare groepen bereikt. Een kanttekening bij deze bevinding is dat het bereiken van de meer kwetsbare groepen in de Rotterdamse bevolking vooral is gebeurd in de beginperiode van de regeling, toen relatief veel werklozen werden bereikt.1 De werkenden die een scholingsvoucher ontvangen, lijken veel meer op de gemiddelde Rotterdammer, al zijn zij wel een stuk jonger en hebben iets minder vaak een Nederlandse herkomst.

Ontwikkelingen in arbeidsmarktpositie Van de ontvangers van een scholingsvoucher die werkloos zijn voor aanvang van de scholing vindt 60% binnen 1 tot 2,5 jaar een baan. Deze 60% geldt als ondergrens, als iedereen van deze groep 2,5 jaar gevolgd had kunnen worden, zou dit percentage hoger uitkomen. Bijna de helft van deze groep heeft één jaar na aanvang van hun scholing al een baan gevonden. Daarnaast vindt zeven op de tien een baan in een andere sector dan hun laatste baan. Er is vooral een toename zichtbaar van mensen die in de zorg (gaan) werken. De werklozen die in de laatste vijf jaar nog een baan hebben gehad, vinden gemiddeld genomen een kwalitatief betere baan dan hun laatste baan voor werkloosheid. Het (uur)loon en de deeltijdfactor liggen beduidend hoger. De groep langdurig werklozen (minstens vijf jaar) vindt kwalitatief redelijk vergelijkbare banen als de groep herintreders. Meer dan de helft van de ontvangers van een voucher met een baan voor aanvang van hun scholing vindt een baan bij een andere werkgever. Van hen vindt acht van de tien een baan in een andere sector. Er vinden geen (grote) verschuivingen plaatst in de richting van kraptesectoren zoals de zorg of techniek. Als na aanvang van de scholing van baan wordt gewisseld, is een relatief grote toename zichtbaar in het loon, uurloon en de deeltijdfactor.

Bij de mensen die in dezelfde baan blijven, treedt er geen verandering in (uur)loon of aantal gewerkte uren op. Wel krijgen zij vaker een vaste baan.

Het (netto-)effect van RSF op de arbeidsmarktpositie Het is goed mogelijk dat een deel van de ontwikkelingen in arbeidsmarktpositie, zoals hierboven beschreven, ook plaatsgevonden zou hebben zonder de scholingsvoucher. Daarom kijken we ook naar de netto-effecten van het scholingsfonds. Dit zijn de effecten die ook toe te schrijven zijn aan het ontvangen van een scholingsvoucher. Hiervoor zijn de ontvangers van een scholingsvoucher vergeleken met een vergelijkbare groep personen die geen scholingsvoucher hebben ontvangen. Werkloze ontvangers van een scholingsvoucher vinden aanzienlijk vaker een baan dan personen in de controlegroep (die geen gebruik hebben gemaakt van het RSF).2 Ook de kwaliteit van de nieuwe banen (uurloon en deeltijdfactor) is voor de werkloze ontvangers van een scholingsvoucher hoger dan voor de personen in de controlegroep. Voor de ontvangers van een scholingsvoucher die een baan hadden bij aanvang van hun scholing vinden we geen significant effect op het aandeel met een baan. Wel wordt er vaker een baan in een andere sector gevonden én vaker bij een andere werkgever, binnen of buiten de eigen sector. Het gaat in beide gevallen om een positief significant effect van dertien procentpunten na één jaar. Waarbij er dus geen duidelijke beweging

1

Vanaf 1 augustus 2021 is de regeling niet meer toegankelijk voor uitkeringsgerechtigden.

2

Dit effect wordt zowel gevonden voor de hele groep werklozen als voor de groep die recent werkloos is geraakt (waarvoor de controlegroep qua intentie om weer aan het werk te geraken in theorie meer overeenkomt).

is richting (kansrijke) sectoren als zorg of techniek. Er worden geen effecten gevonden in uurloon, deeltijdfactor of loon.

VERHOUDING VAN KOSTEN TEN OPZICHTE VAN DE BEHAALDE RESULTATEN Voor het bepalen van de mate van doelmatigheid, vergelijken we de kosten van RSF met de uitkomsten. Daarbij berekenen we de kosten per succesgeval en voeren een beperkte kosten-batenanalyse uit.

Kosten per succesgeval Wat als succes wordt gezien, kan verschillend gedefinieerd worden. Als we succes definiëren als “het vinden van een baan vanuit werkloosheid”, bedragen de kosten per succesgeval ongeveer €3.600. Voor de werkende ontvangers van een scholingsvoucher kan succes betekenen dat er een baan bij een andere werkgever wordt gevonden. In dat geval bedragen de kosten per succesgeval ongeveer €3.900. In het geval van het vinden van een baan in een andere sector (een iets nauwere definitie van succes) bedragen de kosten per succesgeval ongeveer €4.700. Bovenstaande bedragen zijn gebaseerd op de bruto effecten. De netto-effectiviteit wordt uitgedrukt in het aantal “extra” personen dat een (andere) baan vindt door toedoen van de scholingsvoucher. In termen van netto-effectiviteit zijn de kosten daarom hoger. De kosten voor het vinden van een baan vanuit werkloosheid komen dan op ca. €11.700 per persoon. En de kosten per persoon voor het vinden van een baan bij een andere werkgever bedragen dan ca. €16.000. Omdat er gebruik wordt gemaakt van verschillende maatstaven is het niet goed mogelijk om de doelmatigheid te vergelijken van werkloze en werkende ontvangers van een scholingsvoucher. Andere vormen van doelmatigheid kunnen worden behaald als men door een voucher bijvoorbeeld betere en productievere banen krijgt.

Dit is met name een interessante uitkomst voor mensen die bij een andere werkgever en/of in een andere sector zijn gaan werken. Door de korte observatieperiode kunnen dit soort “productiviteitswinsten” echter nog niet worden berekend.

Kosten-batenanalyse Op basis van het effect van RSF op de bijstandsbedragen, kunnen de kosten voor de gemeente vergeleken worden met de baten voor de gemeente in termen van besparingen op uitkeringslasten. Na een half jaar bedraagt de gemiddelde besparing op de betaalde bijstandsbedragen voor de gemeente €195 per persoon. Afgezet tegen de kosten van een voucher (€2.100) is deze besparing van €195 per persoon bescheiden. Desalniettemin is dit effect in een zeer korte tijd gerealiseerd. Op basis van eerdere effectmetingen van scholing mag verwacht worden dat de baten in de loop van de tijd verder toenemen. Het is op deze korte termijn te vroeg om conclusies te trekken over de uiteindelijke besparing op de bijstandslasten. De besparing op de uitkeringslasten zou idealiter na een aantal jaren opnieuw gemeten moeten worden.

ERVARINGEN MET HET SCHOLINGSFONDS De ervaringen van verschillende betrokken partijen met het scholingsfonds zijn door middel van interviews met scholingsadviseurs, bedrijven, scholingsaanbieders en deelnemers in kaart gebracht. De gesprekken zijn in het laatste kwartaal van 2022 gevoerd en waren vooral gericht op leerpunten in het proces dat plaatsvindt bij de werving, selectie en uitvoering en bijbehorende samenwerkingen rondom de Scholingsvoucher.

Werving en selectie deelnemers Deelnemers vinden de informatievoorziening over de voucher vaak onvoldoende. Zij horen vaak ‘toevallig’ over de voucher, bijvoorbeeld via hun sociale netwerk of als een opleiding al begonnen is. Over het proces van aanmelding zijn deelnemers positief als er goede communicatie wordt ervaren en als het proces snel verloopt.

Deelnemers zijn minder enthousiast op het moment dat zij de informatie onoverzichtelijk vinden, als zij onverwachte stappen moeten zetten in de aanvraag of als het voor hen lange tijd onduidelijk is of de voucher wordt toegekend of niet.

Scholingsaanbod De meeste deelnemers zijn tevreden over het keuzeaanbod betreffende scholingsmogelijkheden van de scholingsvoucher. Toch heerst er soms wel onduidelijkheid op het moment dat een opleiding in eerste instantie niet in de onderwijscatalogus staat. Ook wordt soms de grote verscheidenheid van aan scholing gerelateerde ‘potjes’ (zoals het STAP-budget) als ondoorzichtig ervaren. Het bedrag van de voucher wordt veelal toereikend gevonden, behalve als er additionele materieel- en reiskosten bij komen kijken.

Uitvoering Scholingsaanbieders zijn zowel zeer tevreden als niet tevreden met de samenwerking met de gemeente. Aanbieders zijn positief over de samenwerking met het Leerwerkloket Rijnmond en het contact met de scholingsadviseurs aldaar, een goede voorselectie van deelnemers en ‘korte lijntjes’. Scholingsaanbieders zijn minder tevreden over de samenwerking met de gemeente door bijvoorbeeld betalingsachterstanden, last minute wijzigingen, en onduidelijkheid over de bewaking van de voortgang van deelnemers in het schooltraject.

Scholingsvoucher Deelnemers vragen vooral een scholingsvoucher aan om kennis te ‘updaten’ of nieuwe kennis tot zich te nemen. De reden daarachter is dat zij een (nieuwe) baan willen vinden of hun positie in hun huidige baan willen versterken. De Scholingsvouchers leveren deelnemers daarbij concreet financiële steun bij de weg (terug) naar de arbeidsmarkt en/of een specifiek beroepenveld en steun op psychologisch gebied (‘weer een toekomst zien’). Als er geen mogelijkheid tot het verkrijgen van een voucher was geweest, zouden sommigen geen opleiding hebben gedaan, anderen zouden juist “alles op alles” hebben gezet om zelf een opleiding te bekostigen. Scholingsaanbieders hebben de ervaring dat personen die via een Scholingsvoucher een opleiding volgen, meer gemotiveerd zijn dan reguliere studenten.

AANBEVELINGEN ➢ Voer op een later moment een nieuwe evaluatie uit, waarin meer mensen langer gevolgd kunnen worden. Omdat de ontvangers van een scholingsvoucher nog niet zo lang gevolgd kunnen worden 3, hebben we nog geen effecten op baanbehoud en duurzaamheid van nieuwe banen kunnen onderzoeken. Het aantal ontvangers van een scholingsvoucher is ook nog laag, waardoor relatief kleine effecten niet goed (significant) gemeten kunnen worden. Hierdoor hebben we nog geen goed inzicht kunnen geven in de doelmatigheid van het RSF. ➢ Monitor de voortgang rondom de opleiding van personen met een scholingsvoucher. De gemeente verzamelt geen informatie over hoe het de mensen vergaat nadat zij een scholingsvoucher hebben gekregen. In deze rapportage wordt een overzicht gegeven van ontwikkelingen in de arbeidsmarktpositie van deze mensen op basis van CBS-gegevens. Hoe het de mensen op de opleiding vergaat (wanneer start de opleiding, wanneer is deze afgerond, wordt de opleiding succesvol afgerond, waarom eventueel niet) is echter niet bekend. 4 Voor opleidingsadviseurs is het bijvoorbeeld nuttig om te weten waarom mensen eventueel met hun opleiding zijn gestopt, zodat ze hier in toekomstige

3

De hele groep kan in het geval van baanontwikkelingen maximaal één jaar gevolgd worden, in geval van uitkeringen (bijstand) is dit maximaal een half jaar.

4

De CBS-microdata bevatten geen (administratieve) gegevens over scholing/cursussen in het algemeen, deze zijn alleen beschikbaar in geval van formeel onderwijs.

adviezen rekening mee kunnen houden. Ook toekomstige effectmetingen zijn gebaat bij informatie over wanneer de opleiding precies heeft plaatsgevonden en hoe succesvol deze was. ➢ Blijf aandacht geven aan de vraag hoe mensen, die om wat voor reden dan ook niet investeren in de eigen ontwikkeling, bereikt kunnen worden.5 Scholingsregelingen worden vaak nog onvoldoende gevonden door de mensen die daar het meeste baat bij hebben. Dit kan liggen aan zowel het gebrek aan vindbaarheid van de regelingen als het niet inzien van de noodzaak van om-, her- en bijscholing. Het RSF bereikte in de beginperiode van de regeling, in vergelijking met andere scholingsregelingen (waaronder het STAP-budget), meer personen in relatief kwetsbare groepen. Dit kwam door het grote bereik onder werklozen. De regeling zoals die nu geldt, is echter niet meer toegankelijk voor uitkeringsgerechtigden.

5

Zie bijvoorbeeld: Elderenbosch, M., D. van Uden, J. van de Haterd en E. Ternité, “Hoe bereiken we kwetsbare doelgroepen voor loopbaanbegeleiding?”, CINOP, 2022.

1

INLEIDING

1.1

ACHTERGROND EN DOEL EVALUATIE

Het Rotterdams Scholingsfonds (RSF) is bedoeld om de positie van de Rotterdammer op de arbeidsmarkt kansrijker te maken of te verstevigen. Rotterdammers uit verschillende doelgroepen konden aanspraak maken op een scholingsadvies en indien van toepassing op een opleiding gefinancierd vanuit het fonds. De doelgroepen bestaan uit Rotterdammers die: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

een uitkering ontvangen in het kader van de Participatiewet (PW) een uitkering ontvangen in het kader van de ToZo regeling een WW-uitkering van het UWV ontvangen schoolverlater zijn (Mbo) van werk naar werk (WnW) gaan (mobiliteit) werk zoeken maar geen recht hebben op een uitkering (NUG)

Achtergrond van deze subsidieregeling is de ambitie van de gemeente Rotterdam om meer in te zetten op scholing van Rotterdammers. Hiervoor waren een aantal aanleidingen. In een aantal toonaangevende adviezen over de toekomst van werk – Commissie Regulering van Werk (Commissie-Borstlap)6, WRR7, SER8 – werd het belang van investeringen in om-, her- en bijscholing aangegeven en ook om mensen beter toe te rusten voor de snelle veranderingen op de arbeidsmarkt. Daarnaast had de Coronacrisis een aantal bestaande problemen op de arbeidsmarkt versterkt, zoals flexibilisering en polarisering en de daarmee gepaard gaande economische recessie vergrootte ook de mismatch. Omdat er (nog) geen regeling van het Rijk was die scholing stimuleerde, en de gemeente de werkloosheid wilde beperken, is besloten tot de subsidieregeling Scholingsfonds Rotterdam.9 Voorwaarden Rotterdammers die zich willen omscholen, herscholen of bijscholen naar werk waar veel vraag naar is, kunnen voor maximaal 2.500 euro een beroep doen op het Rotterdams Scholingsfonds. Om een scholingsvoucher te krijgen moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan: •

De deelnemer woont in de gemeente Rotterdam en is 18 jaar of ouder, maar heeft nog niet de AOWgerechtigde leeftijd bereikt

•

De deelnemer is niet leerplichtig

•

De opleiding (inclusief kortlopende trainingen en cursussen) is maximaal mbo niveau 4, dan wel een opleiding op hbo-niveau met een leer-werktraject of een baangarantie, of een associate degreeopleiding

•

De opleiding leidt tot meer kans op werk in een van de kansrijke sectoren of er is sprake van een baangarantie als dat niet zo is

•

Het verleende subsidiebedrag is maximaal € 2500,- per jaar

6

In wat voor land willen wij werken? Commissie Regulering van Werk, Den Haag, 2020.

7

Het betere werk. De nieuwe maatschappelijke opdracht, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Den Haag, 2020.

8

Arbeidsmarktproblematiek maatschappelijke sectoren, Sociaal-Economische Raad, Advies 2022.

9

De volledige subsidieregeling 2022 is te vinden op de website scholingsvoucher010. 8 SEOR

•

Er is noodzakelijkheid voor de deelnemer om te scholen

•

De deelnemer heeft een positief scholingsadvies van het Leerwerkloket Rijnmond

Scholingsvoucher kunnen worden aangevraagd via de daarvoor bestemde website (scholingsvouchers010.nl). Voor personen die een uitkering van de gemeente Rotterdam 10 ontvangen is er een andere procedure. Zij vragen scholingsadvies aan bij het Leerwerkloket en bespreken dit vervolgens met hun contactpersoon van de gemeente voor de vervolgprocedure. Wijzigingen in de dienstverlening van het RSF In de looptijd van het scholingsfonds hebben zich enkele voor het onderzoek relevante wijzigingen voorgedaan: • • •

Vanaf 1 augustus 2021 is de regeling niet meer toegankelijk voor uitkeringsgerechtigden. Zij kunnen gebruik maken van voorliggende scholingsvoorzieningen van de gemeente (in het kader van de Participatiewet) en UWV (WW). Invoering van het boekingsplatform Edubookers in januari 2022: kandidaten kunnen zich oriënteren op een opleiding en deze aanvragen via de portal. Integratie van het subsidieproces het boekingsplatform in september 2022: vanaf dat moment hoeven kandidaten met een positief advies op hun aangevraagde opleiding niet langer in te loggen in een apart subsidie-aanvraag-proces. Daarnaast is het subsidieproces in Edubookers eenvoudiger. Het is voor de kandidaat een doorlopend proces in één systeem geworden.

Doelstellingen evaluatie Deze evaluatie heeft drie doelstellingen. 1.

Inzicht in de effecten van de scholingsvouchers op de positie van Rotterdammers op de arbeidsmarkt.

Analyse van registratiegegevens laat zien wie gebruik hebben gemaakt van de scholingsvouchers en hoe het de deelnemers is vergaan op de arbeidsmarkt, voor en na scholing. Door de arbeidsmarktuitkomsten van de deelnemers te vergelijken met die van een zo veel als mogelijk vergelijkbare groep mensen die geen gebruik heeft gemaakt van een scholingsvoucher, krijgen we een indicatie van in hoeverre de scholingsvouchers daadwerkelijk hebben geholpen in het verbeteren van de positie van de deelnemers op de arbeidsmarkt. 2.

Inzicht in de verhouding van de kosten van het RSF ten opzichte van de behaalde resultaten.

Verschillende uitkomsten worden vergeleken met de kosten van het scholingsfonds. 3.

Een overzicht van de ervaringen met het scholingsfonds.

Dit is bedoeld om (tussentijds) het proces te evalueren, bekeken vanuit het perspectief van de diverse betrokken partijen (gemeente, bedrijven, onderwijsinstellingen en natuurlijk de deelnemers zelf). Hiermee wordt de ervaring van de diverse betrokken partijen in kaart gebracht, op basis waarvan de dienstverlening kan worden aangepast.

Effectiviteit van scholing De hoogte van de effectiviteit van scholing is onzeker en hangt van veel factoren af, niet in het minst omdat scholing zelf een ruim begrip is waar allerlei verschillende zaken onder vallen. Scholing kan effectief zijn voor werkzoekenden die vaardigheden of kennis missen die nodig zijn om werk te vinden. De scholing moet ook

10

Mensen met een Bbz-uitkering of Tozo vragen de scholingsvoucher wel aan via de website. 9 SEOR

aansluiten bij de interesses, mogelijkheden en leervermogens van de mensen die de scholing krijgen. Het is belangrijk dat mensen die scholing krijgen daarvoor gemotiveerd zijn. De gevonden effecten van scholing in de (internationale) literatuur vertonen een grote spreiding. Het gemiddelde beeld dat hieruit naar voren komt is als volgt. Het effect van scholing voor mensen in de bijstand is op korte termijn klein of zelfs negatief als gevolg van een insluitingseffect (wie scholing volgt, zoekt niet naar werk). Het effect op langere termijn is positiever, op langere termijn hebben mensen die scholing hebben gevolgd een grotere kans om aan het werk te zijn (naast een effect op de baanvindkans is er waarschijnlijk ook een effect op baanbehoud). De metastudie van Card, Kluve en Weber (2018) vindt een gemiddeld effect van scholing (training) op de kans op werk van ca. zeven procentpunten op de langere termijn (meer dan twee jaar). Onderzoek naar het effect van scholing op de arbeidsmarktpositie van werkenden is vooral gericht op het effect van scholing op lonen. Hierbij worden doorgaans grote en significante effecten van werkgerelateerde training op de lonen gevonden, variërend van 1,1% tot 16,6%.11 OECD (2004) laat zien dat opleiding een belangrijke rol speelt bij het vergroten van de arbeidszekerheid, vooral bij meer volwassen en lager opgeleide werknemers.12

1.2

AANPAK VAN HET ONDERZOEK

De ervaringen van de verschillende betrokken partijen met het scholingsfonds worden door middel van twintig interviews in kaart gebracht. De gespreken zijn vooral gericht op leerpunten in het proces dat plaatsvindt bij de werving, selectie en uitvoering en bijbehorende samenwerkingen rondom de Scholingsvoucher. Voor het in kaart brengen van de deelnemers aan het scholingsfonds en de effecten ervan op de arbeidsmarktpositie van de deelnemers is gebruik gemaakt van registratiegegevens van de gemeente Rotterdam en CBS microdata. De kenmerken van de deelnemers worden vergeleken met de potentiële beroepsbevolking in Rotterdam en met deelnemers aan andere scholingsregelingen (subsidieregeling Zwolle, STAP-budget). Vervolgens kijken we naar de veranderingen die optreden in de arbeidsmarktsituatie van de deelnemers ná ontvangst van de voucher (bruto-effectiviteit). Het is goed mogelijk dat een deel van deze ontwikkelingen ook zouden hebben plaatsgevonden zonder de scholingsvoucher. Om de netto-effectiviteit van het scholingsfonds te bepalen, wordt daarnaast een controlegroep gevormd, gebaseerd op personen die van september 2020 tot en met december 2022 in Rotterdam woonachtig waren. Deze controlegroep wordt zodanig vormgegeven, dat deze zo goed mogelijk lijkt op de groep van deelnemers.

Hierbij is (met behulp van weging) rekening gehouden met persoonskenmerken, de arbeidsmarkthistorie en het effect van veranderende economische omstandigheden op de uitkomsten van de behandel- en controlegroep. Daarbij wordt gebruik gemaakt van meerdere scholingscohorten omdat de kenmerken van de mensen die een scholingsvoucher ontvangen sterk verschillen over de tijd. Voor het bepalen van de mate van doelmatigheid, vergelijken we de kosten van RSF met de uitkomsten. Daarbij berekenen we de kosten per succesgeval. Daarnaast worden, op basis van het effect van RSF op de bijstandsbedragen, de kosten voor de gemeente vergeleken met de baten voor de gemeente in termen van besparingen op uitkeringslasten.

11

Zie Konings, J. en S. Vanormelingen, The impact of training on productivity and wages: firm-level evidence, The Review of Economics and Statistics, 2015, 97(2): 485–497 en de referenties daarin.

12

OECD (2004), "Improving Skills for More and Better Jobs: Does Training Make a Difference?", in OECD Employment Outlook 2004, OECD Publishing, Paris. 10 SEOR

1.3

LEESWIJZER

Hoofdstuk 2 bevat de analyses naar de kenmerken van de deelnemers aan het scholingsfonds en de (bruto en netto) effecten van de scholing op de arbeidsmarktpositie van de deelnemers. In hoofdstuk 3 worden de baten van het scholingsfonds afgezet tegen de kosten. De ervaringen van de verschillende betrokken partijen met het scholingsfonds worden beschreven in hoofdstuk 4.

11 SEOR

2

EFFECTIVITEIT VAN DE SCHOLINGSVOUCHERS

2.1

INLEIDING

Om inzicht te krijgen in de effecten van RSF op de positie van Rotterdammers op de arbeidsmarkt kijken we naar (i) wie een scholingsvoucher hebben gekregen (bereik), (ii) de ontwikkelingen in arbeidsmarktpositie (bruto-effectiviteit) en (iii) in hoeverre de ontwikkelingen in arbeidsmarktpositie het gevolg zijn van het scholingsfonds (netto-effectiviteit). De belangrijkste bevindingen zijn als volgt: Bereik De scholingsregeling bereikt, afgezet tegen de Rotterdamse beroepsbevolking, relatief veel jongeren, lager opgeleiden, (kinderen van) migrant(en), bijstandsgerechtigden en flexwerkers. In vergelijking met andere, meer generieke scholingsregelingen (waaronder het STAP-budget), worden meer personen in relatief kwetsbare groepen bereikt. Dit komt vooral omdat veel werklozen werden bereikt. Ontwikkelingen in arbeidsmarktpositie Van de ontvangers van een scholingsvoucher die werkloos zijn voor aanvang van de scholing vindt 60% binnen 1 tot 2,5 jaar een baan. Daarnaast vindt zeven op de tien een baan in een andere sector dan hun laatste baan. Er is vooral een toename zichtbaar van mensen die in de zorg (gaan) werken. Meer dan de helft van de ontvangers van een voucher met een baan voor aanvang van hun scholing vindt een baan bij een andere werkgever. Van hen vindt acht van de tien een baan in een andere sector.

Er vinden geen (grote) verschuivingen plaatst in de richting van kraptesectoren zoals de zorg of techniek. Netto-effect van RSF op arbeidsmarktpositie De netto-effecten van het scholingsfonds zijn de effecten die toe te schrijven zijn aan het ontvangen van een scholingsvoucher en niet door andere factoren veroorzaakt worden. Hiervoor zijn de ontvangers van een scholingsvoucher vergeleken met een vergelijkbare groep personen die geen scholingsvoucher hebben ontvangen. Werkloze ontvangers van een scholingsvoucher vinden aanzienlijk vaker een baan dan personen in de controlegroep (die geen gebruik hebben gemaakt van het RSF). Ook de kwaliteit van de nieuwe banen (uurloon en deeltijdfactor) is voor de werkloze ontvangers van een scholingsvoucher hoger dan voor de personen in de controlegroep. Voor de ontvangers van een scholingsvoucher die een baan hadden bij aanvang van hun scholing vinden we geen significant effect op het aandeel met een baan. Wel wordt er vaker een baan in een andere sector gevonden én vaker bij een andere werkgever, binnen of buiten de eigen sector. Het gaat in beide gevallen om een positief significant effect van dertien procentpunten na één jaar.

2.2

KENMERKEN VAN DE DEELNEMERS

Om de kenmerken van de deelnemers aan het scholingsfonds in kaart te brengen, zijn alle deelnemers wiens opleiding is gestart tussen januari 2021 en juli 2022 gekoppeld aan administratieve data van het CBS (CBS Microdata). In totaal zijn er 419 unieke personen die een scholingsvoucher hebben ontvangen gekoppeld. Het is niet bekend of iemand de scholing al heeft afgerond. Van deze 419 personen zal een deel de scholing al hebben afgerond, een deel is nog bezig en een ander deel heeft de opleiding mogelijk niet afgemaakt. 12 SEOR

Vervolgens is een vergelijkingsgroep samengesteld bestaande uit alle inwoners van de gemeente Rotterdam in de leeftijdscategorie 18-65 jaar, exclusief studenten.13 Er is gekozen voor de potentiële beroepsbevolking (minus studenten) als vergelijkingsgroep omdat de doelgroep van het scholingsfonds bestaat uit zowel werknemers als werkzoekenden. Studenten worden niet uitgesloten in de subsidievoorwaarden maar zullen niet in aanmerking komen omdat scholing voor hen niet “noodzakelijk” is. De volgende kenmerken zijn inzichtelijk gemaakt voor zowel de deelnemers als de vergelijkingsgroep: -

Geslacht Leeftijd Migratieachtergrond Het hoogst behaalde opleidingsniveau Deel van Rotterdam waar men woont (Rotterdam-Zuid of overig Rotterdam) Type arbeidscontract (vast of flexibel) Sociaaleconomische positie Arbeidsverleden14

Er zijn twee verschillende peilmomenten gebruikt voor het meten van de kenmerken. Voor de inwoners van de gemeente Rotterdam is gekozen voor 1 september 2020 als peildatum. Voor ontvangers van een scholingsvoucher worden de kenmerken zes maanden voor de start van de scholing gemeten.15

Ontvangers Rotterdamse scholingsvouchers voornamelijk jong, lager opgeleid, (kinderen van) migrant(en), bijstandsgerechtigd of flexwerker Tabel 2.1 geeft een overzicht van de achtergrondkenmerken van de ontvangers van een scholingsvoucher en van de Rotterdamse populatie. Zoals uit de tabel valt af te lezen is er een zeer groot bereik onder 26-45 jarigen (71%) en vrouwen (58%). Wat verder opvalt is het grote bereik onder mensen met een migratieachtergrond, groepen die normaliter zijn ondervertegenwoordigd bij scholingsregelingen. Vooral mensen met een migratieachtergrond uit Marokko, Suriname, het Caribisch gebied of de Nederlandse Antillen worden relatief vaak bereikt. Ook is er een relatief groot bereik onder mensen met een Mbo-diploma of mensen die hun middelbare school hebben afgerond (72%). Tegelijkertijd is er een laag bereik onder mensen die enkel basisonderwijs hebben afgerond, en mensen met een Hbo- of Wo-diploma. Doordat de scholingsvoucher alleen kan worden ingezet voor Mbo-opleidingen of Hbo-opleidingen met een baangarantie, zal een groot deel van de hoger opgeleiden geen gebruik maken van de regeling. Een van de doelen van de regeling, scholingsmogelijkheden bieden voor de relatief laag opgeleide beroepsbevolking, lijkt dan ook te worden bereikt. Daarentegen hebben mensen die enkel basisonderwijs hebben gevolgd niet vaak gebruik gemaakt van de scholingsvouchers.

Dit kan ons inziens twee oorzaken hebben. Mogelijk wordt deze groep minder vaak in staat wordt geacht een opleiding met succes af te ronden. De gemeente eist namelijk van zijn aanvragers dat zij in staat zijn de opleiding af te ronden. Ook kan het zo zijn dat deze groep zich waarschijnlijk minder aanmeldt.

13

Personen die staan ingeschreven aan een publiek bekostigde onderwijsinstelling en wiens inkomen, verminderd met de studietoelage, niet boven een inkomen op bijstandsniveau uitkomt, worden aangemerkt als studenten.

14

Het aantal maanden in de afgelopen vijf jaar waarin iemand arbeid heeft verricht als werknemer, dga of als zelfstandige.

15

Er is gekozen om de kenmerken zes maanden voor aanvang van de scholing te meten omdat er naar verwachting enige tijd zit tussen het begin van het scholingsvouchertraject en de aanvang van de scholing. 13 SEOR

Tabel 2.1

Kenmerken van de beroepsbevolking van Rotterdam en van ontvangers van een scholingsvoucher a

Kenmerken

Beroepsbevolking Rotterdam

Ontvangers scholingsvoucher

Aantal personen

422.624

419

Gender Vrouw Man Totaal

49% 51% 100%

58% 42% 100%

Leeftijd 25 jaar of jonger 26-35 jaar 36-45 jaar 45-54 jaar 55 jaar of ouder Totaal

10% 28% 22% 20% 20% 100%

5% 38% 33% 16% 8% 100%

Opleidingsniveaub Basisonderwijs Vmbo, havo- en vwo-onderbouw, mbo1 Havo, vwo, mbo2-4 Hbo bachelor Wo bachelor, Hbo of Wo master Totaal

12% 15% 38% 17% 19% 100%

6% 22% 50% 14% 7% 100%

Migratieachtergrond Nederland Europa (exclusief Nederland) Turkije Marokko Suriname Caribisch gebied en Nederlandse Antillen Overig Afrika Overig Azië en Amerika Totaal

39% 15% 8% 6% 9% 4% 5% 13% 100%

21% 7% 7% 15% 18% 12% 8% 12% 100%

Rotterdam-Zuid (als percentage van Rotterdam)

32%

35%

Arbeidsverleden (afgelopen 5 jaar)c 0 maanden met werk 1-50% maanden met werk 50-99% maanden met werk Alle maanden werk Totaal

37% 24% 11% 27% 100%

36% 32% 21% 11% 100%

Sociaaleconomische positie Loondienst Eigen onderneming WW Bijstand Overige uitkeringen Geen inkomen Totaal

62% 9% 2% 9% 9% 10% 100%

21% 7% 5% 61% 3% 5% 100%

Contractsoort werknemersbaan Werkend met vast contract Werkend met flexibel contract Totaal (mensen in loondienst)

70% 30% 100%

44% 56% 100%

a) b) c)

Voor de populatie Rotterdammers zijn de kenmerken in de maand september van 2020. Voor de ontvangers van een scholingsvoucher zijn de kenmerken gemeten in de zesde maand voorafgaand aan de opleiding. Een deel van de Rotterdamse populatie komt niet voor in de registerdata. Het opleidingsniveau voor de Rotterdamse beroepsbevolking is bijgeschat. De ontvangers van een scholingsvoucher wiens opleidingsniveau onbekend is zijn evenredig verdeeld over de andere categorieën. Het arbeidsverleden is berekend als het aantal maanden met werk ten opzichte van het totaal aantal maanden dat iemand in Nederland stond ingeschreven tussen 2016-2020. Vervolgens is men onderverdeeld in 4 categorieën: mensen zonder inkomen uit werk, mensen met maximaal 50% maanden werk, mensen met maximaal 99% maanden werk en mensen met enkel inkomen uit werk.

Bron: SEOR, 2023, op basis van deelnemersbestand Gemeente Rotterdam en CBS Microdata. 14 SEOR

Ook het hoge percentage mensen met een Participatiewet-uitkering valt direct op in onderstaande tabel. Zo ontvangt zes van de tien aanvragers een Participatiewet-uitkering zes maanden voordat hun scholing aanvangt. Omdat de regeling initieel was gericht op werklozen en schoolverlaters had verreweg het grootste gedeelte van de aanvragers een Participatiewet-uitkering in het begin van de regeling. Vanaf het moment dat de regeling vanaf augustus 2021 meer werd gericht op werkenden en van-werk-naar-werk transities nam het aandeel uitkeringsgerechtigden af onder de ontvangers van een scholingsvoucher. Qua arbeidsverleden worden relatief veel mensen bereikt die in de jaren voorafgaand aan de scholing voor enige tijd hebben gewerkt. Ruim één op de drie ontvangers van een scholingsvoucher heeft geen recent arbeidsverleden. Tegelijkertijd is de groep die een bijstandsuitkering ontvangt bijna twee keer zo groot, hetgeen betekent dat zowel bijstandsgerechtigden met én zonder recent arbeidsverleden zijn bereikt. Tegelijkertijd is de groep die zes maanden voor aanvang van de scholing werkzaam is groter dan de groep die in de afgelopen jaren volledig werkzaam is geweest. Dit ligt ook in lijn met het gegeven dat relatief veel flexwerkers zijn bereikt.

Een kanttekening bij deze bevindingen is dat het bereiken van de meer kwetsbare groepen in de Rotterdamse bevolking vooral is gebeurd in de beginperiode van de regeling, toen relatief veel werklozen werden bereikt. De werkenden die een scholingsvoucher ontvingen, lijken op sommige aspecten veel op de gemiddelde Rotterdammer. Zij zijn wel een stuk jonger, maar niet minder vaak hoog opgeleid en hebben iets minder vaak een Nederlandse herkomst.

Rotterdamse scholingsvoucher gerichter bereik dan andere (meer generieke) scholingsregelingen In vergelijking met andere, meer generieke, scholingsregelingen (subsidieregeling Zwolle, STAP-budget) worden met de Rotterdamse scholingsvouchers meer “kwetsbare” doelgroepen bereikt. 16 Zo ligt het bereik een stuk hoger onder uitkeringsgerechtigden en flexwerkers. Ook worden lager opgeleiden bereikt, waar het met name de hoger opgeleiden zijn die gebruikmaken van de meer generieke regelingen zoals het STAPbudget. Met de verbreding van de Rotterdamse scholingsregeling naar werkenden werden een stuk meer hoger opgeleiden bereikt, maar nog altijd minder dan met een generieke regeling zoals STAP (zie tabellen I.1 en I.2 in bijlage I). Hier speelt het type opleiding dat gevolgd kan worden (Mbo of Hbo met baangarantie) waarschijnlijk een rol. Ook worden met de Rotterdamse scholingsregeling veel meer mensen jonger dan 45 jaar bereikt. Relatief oude Rotterdammers (>45 jaar) worden in veel mindere mate bereikt. Ook mensen die alleen basisonderwijs hebben gevolgd worden weinig bereikt, maar nog relatief veel in vergelijking met het STAP-budget.

2.3

BRUTO-EFFECTIVITEIT SCHOLINGSVOUCHERS

Na een beschrijving van de kenmerken van de ontvangers van een scholingsvoucher en hoe deze groep zich verhoudt tot de populatie, wordt in deze paragraaf gekeken naar de bruto-effecten van de regeling. De brutoeffecten zijn de veranderingen die optreden in de arbeidsmarktsituatie van de deelnemers ná ontvangst van de voucher. Deze resultaten laten vooral zien hoe de arbeidsmarktsituatie is veranderd voor deze groep. Het is goed mogelijk dat een deel van deze ontwikkelingen ook zouden hebben plaatsgevonden zonder de scholingsvoucher. De causaliteitsvraag (de netto-effectiviteit van de regeling) wordt in de volgende paragraaf behandeld.

16

Er is gekozen voor deze twee scholingsregelingen omdat SEOR de evaluatie ervan uitvoert. De evaluatie van de regeling in Zwolle is reeds afgerond. Zie ook Prince, Bos en den Hartog (2023), Tussentijdse evaluatie HCA-regelingen Groei Vooruit en Upgrade Jezelf. 15 SEOR

De bruto-effectiviteit van de scholingsvouchers wordt gemeten op verschillende uitkomstmaten17,18: -

Het vinden van een baan in loondienst19 Het vinden van een baan bij een andere werkgever Het vinden van een baan in een andere sector De kwaliteit van de baan (contractsoort, (uur)loon en deeltijdfactor)

De relevante uitkomsten verschillen naar type ontvanger (werkzoekend of werkend). In de analyses is voor de groep werklozen vooral gekeken naar de kans op het vinden van werk en de kwaliteit van de baan. Voor de groep werkenden wordt bekeken of zij de overstap hebben kunnen maken naar een andere baan of sector. Ook een hoger (uur)loon of deeltijdfactor kan een indicatie zijn voor een verbeterde arbeidsmarktpositie voor deze groep. Omdat het om twee dusdanig verschillende groepen gaat, is besloten de analyses te splitsen in twee delen. Of iemand wordt aangemerkt als werkende of werkloze ontvanger van een scholingsvoucher wordt bepaald door de situatie in het kwartaal voorafgaand aan de scholing.

2.3.1

Ontwikkeling arbeidsmarktpositie

Allereerst is bekeken hoe het aandeel werkenden en werklozen met een baan zich in vijf jaar voor en één jaar na aanvang van de scholing heeft ontwikkeld. Hieruit kwam naar voren dat deze twee subgroepen (werklozen en werkenden) eigenlijk uiteenvallen in 4 subgroepen. Het gaat om de volgende 4 groepen: • • • •

Geen recent arbeidsverleden: een groep zonder baan in de afgelopen vijf jaar (N = 124). Werklozen met recent arbeidsverleden: een groep die werkloos is voor aanvang van de scholing en ten minste één kwartaal met werk heeft gehad in de afgelopen vijf jaar (N=165). Werkenden met onvolledig arbeidsverleden: een groep die werkzaam is voor aanvang van de scholing en die minder dan vijf arbeidsjaren heeft gehad in de afgelopen vijf jaar (N=88). Een groep met een volledig arbeidsverleden: vijf volledige arbeidsjaren in de afgelopen vijf jaar (N=42).

Er lopen belangrijke (en grote) verschillen in achtergrondkenmerken die samenhangen met de initiële arbeidsmarktpositie langs deze scheidslijnen. Mensen met veel recent arbeidsverleden hebben gemiddeld genomen een betere uitgangssituatie om na werkloosheid snel weer aan het werk te komen en om (andere) banen met een betere kwaliteit te zoeken, dan mensen met weinig of geen recent arbeidsverleden. Deze indeling sluit ook aan bij de reden dat de aanvraag voor een voucher is gedaan. Mensen die in dienst zijn tijdens de aanvraag vragen relatief vaak een voucher aan voor bijscholing. Wanneer in de volgende paragrafen naar de bruto-uitkomsten van de groepen werkenden en werklozen in zijn geheel wordt gekeken is het goed om te realiseren dat beide groepen bestaan uit mensen die voor langere tijd aan het werk (werkloos) zijn en mensen met periodes met en zonder werk.

Iemands recente arbeidsverleden werkt door in de kans op een baan na aanvang van de scholing De ontwikkeling van het aandeel met een werknemersbaan is weergegeven in figuur 2.1. Van de groep zonder recent arbeidsverleden zien we dat ruim 30% binnen het jaar een baan heeft gevonden.

17

Een uitkomstmaat is een meetresultaat (bijvoorbeeld het aantal mensen dat een baan vindt) waarop een interventie (in dit geval het krijgen van een scholingsvoucher) wordt beoordeeld.

18

Deze uitkomsten worden per kwartaal berekend. Omdat de onderliggende data op maandniveau zijn, worden de uitkomsten geaggregeerd naar kwartaalniveau. Voor alle categorische variabelen wordt altijd de meest gunstige uitkomst gekozen voor de ontvanger van de voucher. Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer iemand een baan vindt in de laatste maand van het kwartaal, dan vindt men in dat kwartaal een baan. Voor het (uur)loon en de deeltijdfactor wordt het gemiddelde berekend over de maanden met een baan.

19

CBS-data over zelfstandigen zijn op het moment van het onderzoek nog niet beschikbaar over 2022. Dit betekent dat voor het gros van deze deelnemers wel bekend is of zij vanuit een positie als zelfstandige de scholing zijn gaan volgen, maar niet of zij na de scholing aan de slag zijn gegaan als zelfstandige. De focus ligt daarom op werknemersbanen. 16 SEOR

Voor de groep die geen baan had voor aanvang van de scholing, maar in de 5 jaren daarvoor wel heeft gewerkt, zien we dat 5 tot 2,5 jaar voor aanvang van de scholing ongeveer de helft aan het werk is. In de 2,5 jaar voor aanvang van de scholing verliest deze groep hun baan. Na de scholing veert het aandeel met een baan terug naar een niveau van ongeveer 45%. Bij aanvang van de scholing is de helft van de groep 1,5 jaar werkloos. Een deel van deze werklozen met recent baanverleden vindt dus vrij snel weer een nieuwe baan. Onder de mensen met een baan voor aanvang van de scholing heeft een deel een volledig arbeidsverleden in de vijf jaar daarvoor (N=42). Een aantal van hen verliest hun baan in het jaar na aanvang van de scholing. De reden hiervoor is niet bekend. Een groter deel heeft echter een tijd zonder baan gezeten (N=88). Onder deze groep zien we een gestage toename in het aandeel dat een baan heeft van iets minder dan de helft vijf jaar voor de scholing, tot ongeveer 60-65% een jaar voor aanvang. Een vrij groot deel vindt in het laatste jaar voor aanvang van de scholing een baan. Zij zijn op het moment dat ze aan de scholing beginnen pas enige tijd werkzaam in hun baan. Nadat de scholing aanving, verliest echter ook een deel van deze groep hun baan (ongeveer 1 op de 4). Het aandeel dat aan het werk is, lijkt toe te gaan nemen één jaar na aanvang van de scholing. Figuur 2.1

Ontwikkeling baanaandeel voor en na de aanvang van de scholing

Bron: Eigen bewerkingen CBS Microdata, SEOR (2023).

2.3.2

Werkloze ontvangers van een scholingsvoucher

Van de in totaal 419 ontvangers van een scholingsvoucher hebben 289 ontvangers (69%) geen baan bij aanvang van de scholing. Het aantal kwartalen dat we deze mensen kunnen volgen, ligt tussen de vier en tien kwartalen.

Al bijna 60% van de werklozen heeft werk gevonden, 7 op de 10 daarvan vindt een baan in een andere sector en vaak in de zorg Van deze 289 ontvangers heeft 48% binnen een jaar (4 kwartalen) een baan gevonden en heeft 58% binnen vier tot tien kwartalen (2,5 jaar) een baan. Dit laat zien dat wanneer we iedereen 10 kwartalen zouden kunnen volgen het percentage met een baan nog hoger ligt dan 58%.20 Tegelijkertijd vindt ook 17% van de mensen die een baan hebben gehad in de laatste vijf jaar én een nieuwe baan vinden, een baan in een andere sector dan zijn of haar laatste baan. Verreweg de meeste mensen die een baan vinden, gaan in de zorg aan de slag. Als we kijken in welke sectoren deze mensen werkten voordat 20

Alle ontvangers van een voucher kunnen op zijn minst 4 kwartalen gevolgd worden. Daarom is voor de gehele groep berekend welk aandeel een baan heeft in het vierde kwartaal na aanvang van de scholing (48%). Vervolgens is ook voor iedereen berekend of zij een baan vinden in de tijd dat we hen kunnen volgen. Sommige personen hebben hier 10 kwartalen de tijd voor gekregen en anderen maar 4 kwartalen. Het percentage dat uit deze berekening volgt (58%) moet dan ook als een ondergrens worden gezien. Indien we iedereen 10 kwartalen kunnen is dit percentage 58% of hoger. 17 SEOR

zij werkloos raakten zien we dat ongeveer de helft werkzaam was in de verhuur en overige zakelijke diensten (waar de uitzendbranche onder valt). Ongeveer één op de tien was werkzaam in de zorg. Hetzelfde geldt voor de horeca. Als we dit afzetten tegen de sectoren waarin men is gaan werken, zien we grote verschillen. Zo werkt 36% van de mensen na start van de opleiding in de zorg. Het aandeel in de verhuur en overige zakelijke diensten daalde van 52% naar 31%. Tabel 2.2

Aandeel werklozen dat na aanvang scholing een nieuwe baan vindt en/of in een andere sector

Kenmerken Aantal werklozen

289

Aandeel dat een (nieuwe) baan vindt binnen 4 kwartalen na aanvang scholing Aandeel dat een (nieuwe) baan vindt binnen 4-10 kwartalen na aanvang scholing

48% 58%

Aandeel dat een baan vindt in een andere sector dan de laatste baan voor werkloosheid, berekend t.o.v. de mensen die een baan vindt én een recente baan had

73%

Top 3 grootste sectoren in laatste baan voor werkloosheid Verhuur en overige zakelijke diensten Gezondheidszorg Horeca Top 3 grootste sectoren in baan na aanvang scholing Gezondheidszorg Verhuur en overige zakelijke diensten Groot- en detailhandel Bron: Eigen bewerkingen CBS Microdata, SEOR (2023).

52% 11% 8%

36% 31% 8%

De groep herintreders heeft kwalitatief betere banen dan hun laatste baan voor werkloosheid Voor de groep werklozen is de kwaliteit van hun laatste baan (voordat zij werkloos werden) en hun nieuwe baan vergeleken op het (uur)loon, de contractvorm en de deeltijdfactor. De eerste twee kolommen van tabel 2.3 laten de kwaliteit zien van de oude en nieuwe baan van de groep die recent hun baan verloor en een nieuwe vond na aanvang van de scholing. De derde kolom geeft de kwaliteit van de baan weer van de groep langdurig werklozen. De nieuwe baan die mensen vinden nadat hun scholing aanvangt, is van beduidend betere kwaliteit dan de oude baan die zij voor de scholing hadden. Zo valt op dat het bij de oude banen die men verloor vaak om uitzendwerk ging. Er zijn echter nog nagenoeg geen vaste banen binnen de observatieperiode. Verder ligt het bruto maandloon ruim €800 hoger en komt dit door zowel een hoger uurloon (verschil van €2) en een hogere deeltijdfactor. Ter vergelijk: het sociaal minimum lag in januari op ruim €1.900 voor samenwonenden en €1.400 voor alleenstaanden en het WML lag tussen de €11,16 en €12,40 (afhankelijk van de normale arbeidsduur in een sector). Omdat het uurloon een stuk boven WML ligt, is het vooral een lage deeltijdfactor dat het loon laag doet uitkomen.

Mensen die langer gevolgd kunnen worden, hebben een hogere deeltijdfactor dan de mensen die kort gevolgd kunnen worden, hetgeen betekent dat het aantal uren wel toeneemt na de aanvang van de scholing.

De groep langdurig werklozen vindt kwalitatief redelijk vergelijkbare banen als de groep herintreders Voor de langdurig werklozen die na de aanvang van hun scholing een baan vinden is de kwaliteit van de baan vergelijkbaar met de “herintreders”. Ook hier zien we een uurloon dat boven WML uitkomt, maar waar door een lage deeltijdfactor een laag loon wordt verdiend.

18 SEOR

Tabel 2.3

De kwaliteit van de laatste baan voor werkloosheid en de nieuwe baan na aanvang scholing

Kenmerken Aantal Contractvorm Arbeidsovereenkomst Vaste arbeidsovereenkomst Tijdelijke arbeidsovereenkomst Uitzendovereenkomst Overig (o.a. payroll, stagiair, bbl)

Oude baan, vindt een nieuwe baan 109

Nieuwe baan, recent baanverlies 109

56%

72% 14% 32%

33% 11% 100%

Nieuwe baan, langdurig werkloos 60

12% 60% 17% 13% 100%

68% . . . 32% 100%

Bruto maandloon, exclusief bijzondere €927 €1.722 €1.511 beloningen Uurloon €13,55 €15,65 €15,57 Deeltijdfactor 41% 65% 60% Bron: Eigen bewerkingen CBS Microdata, SEOR (2023). Opmerkingen: het bruto (uur)loon is gecorrigeerd met de gemiddelde cao-loonstijging waarbij januari 2023 = 100. Voor de berekening van het (uur)loon en de deeltijdfactor is gekozen om het gemiddelde van de laatste drie maanden van de oude baan te nemen. Voor de nieuwe baan wordt het laatst geobserveerde kwartaal bekeken om het “potentieel” van de baan te geven. Een groot deel van deze groep was in de eerste maanden namelijk werkzaam op basis van een stageovereenkomst. Voor de groep die een nieuwe baan vindt na langdurige werkloosheid kon de contractvorm enkel worden uitgesplitst naar een arbeidsovereenkomst (vast of tijdelijk) en overige vormen. Dit komt doordat er geen gegevens gepubliceerd mogen worden wanneer er minder dan tien observaties zijn.

2.3.3

Werkende ontvangers van een scholingsvoucher

Van de Rotterdammers die een scholingsvoucher ontvangen, is een deel op het moment dat de scholing aanvangt nog aan het werk (130 van de 419, ofwel 31%). Van 96 werkenden is de reden dat zij een scholingsvoucher hebben aangevraagd bekend. Ongeveer 40% van hen geeft aan de scholing te willen gebruiken voor omscholing naar een kansrijk beroep of naar een nieuw vakgebied. De overige 60% geeft aan de scholing in te willen zetten voor bijscholing binnen het eigen vakgebied.

Meer dan de helft van de werkende ontvangers van een voucher vindt een andere baan en acht van de tien banen zijn in een andere sector Meer dan de helft van de werkenden (54%) heeft een baan bij een andere werkgever gevonden sinds de aanvang van de scholing (tabel 2.4). Van degene die een andere baan vinden, is deze baan in acht van de tien gevallen in een andere sector (83%). Dat er maar een zeer klein verschil is tussen het aantal mensen dat een andere baan vindt binnen vier of tien kwartalen, houdt verband met het feit dat het grootste deel van de werkenden relatief laat aan hun scholing is begonnen en daardoor hoogstens een jaar kan worden gevolgd.

Er vinden geen (grote) verschuivingen plaatst in de richting van kraptesectoren Als we kijken in welke sectoren deze mensen werkten voordat zij werkloos raakten, zien we wederom dat het grootste deel werkzaam was in de verhuur en overige zakelijke diensten (waar de uitzendbranche onder valt). Ongeveer één op de tien was werkzaam in de handel en één op de zeven in de zorg. Wanneer dit met de nieuwe sector wordt vergeleken, zien we dat het aandeel in de zorg is toegenomen en in de verhuur en overige zakelijke diensten is afgenomen. Dit beeld zagen we ook bij de werkloze ontvangers van een voucher. Tegelijkertijd zijn de verschillen in absolute aantallen niet erg groot.

19 SEOR

Tabel 2.4

Aandeel werkenden dat na aanvang scholing een nieuwe baan vindt en/of in een andere sector

Kenmerken Aantal werkenden

130

Aandeel dat een nieuwe baan vindt binnen 4 kwartalen na aanvang scholing Aandeel dat een nieuwe baan vindt binnen 4-10 kwartalen na aanvang scholing

53% 54%

Aandeel dat een baan vindt in een andere sector dan de laatste baan voor aanvang scholing, berekend t.o.v. hen die een andere baan vinden

83%

Top 3 grootste sectoren in laatste baan voor werkloosheid Verhuur en overige zakelijke diensten Gezondheidszorg Handel

32% 15% 8%

Top 3 grootste sectoren in baan na aanvang scholing Verhuur en overige zakelijke diensten 26% Gezondheidszorg 21% Openbaar bestuur 8% Bron: Eigen bewerkingen CBS Microdata, SEOR (2023). Opmerking: De groep werkenden is relatief laat gebruik gaan maken van de scholingsvoucher. Hierdoor is er maar een kleine groep (N=19) die langer dan 1 jaar (4 kwartalen) gevolgd kan worden.

Indien men dezelfde baan behoudt, heeft men vaker een vast contract, maar geen verandering in (uur)loon of aantal gewerkte uren Voor de ontvangers van een scholingsvoucher die reeds een baan hadden toen hun scholing aanving, behouden er 60 voor enige tijd hun baan. Het gros behoudt deze baan het gehele jaar na aanvang van de scholing. Een klein deel raakt werkloos. De kenmerken van deze baan zijn voor en na de aanvang van de scholing vergeleken. Daaruit blijkt dat het aantal vaste contracten is toegenomen van 28 tot 38 stuks. Tegelijkertijd zijn er geen significante verschillen te zien in het bruto maandloon, het uurloon of het aantal gewerkte uren. Indien de scholing tot een verhoogde productiviteit of verbeterde arbeidsmarktpositie zou hebben geleid, zijn de resultaten daarvan op het (uur)loon of aantal gewerkte uren (nog) niet zichtbaar.

Nadat men van baan is gewisseld, is een vrij grote toename zichtbaar in het loon, uurloon en deeltijdfactor Van de ontvangers van een scholingsvoucher die reeds een baan hadden toen hun scholing aanving, vinden er 70 een andere baan. De kenmerken van deze baan zijn voor en na de aanvang van de scholing vergeleken. Er is allereerst een afname zichtbaar in het aantal vaste contracten. Dit kan logischerwijs worden verklaard doordat werkgevers nieuw personeel vaak eerst een tijdelijk contract geven. Wel is er een vrij grote toename zichtbaar in het loon. Zo bedraagt het verschil in bruto maandloon tussen de oude en nieuwe baan ongeveer €600 euro. Dit gaat gepaard met een toename in het uurloon (ruim €2 euro, ofwel een 14% toename) en de deeltijdfactor (van 49% naar 68%, ofwel een 39% toename).

20 SEOR

Tabel 2.5

De kwaliteit van de laatste baan voor aanvang scholing en de (nieuwe) baan na aanvang scholing

Kenmerken

Aantal Contractvorm Arbeidsovereenkomst Vaste arbeidsovereenkomst Tijdelijke arbeidsovereenkomst Overig (o.a. uitzend, payroll)

Baan voor scholing, vindt geen nieuwe baan 60

Baan na scholing, vindt geen nieuwe baan 60

Baan voor scholing, vindt nieuwe baan 70

83%

83%

74%

56% 44% 17% 100%

76% 24% 17% 100%

Nieuwe baan, vindt nieuwe baan 70

74% 35% 63%

26% 100%

19% 79% 26% 100%

Bruto maandloon, exclusief €2.669 €2.703 €1.482 €2.079 bijzondere beloningen Uurloon €19,74 €19,90 €15,42 €17,57 Deeltijdfactor 75% 75% 49% 68% Bron: Eigen bewerkingen CBS Microdata, SEOR (2023). Opmerkingen: het bruto (uur)loon is gecorrigeerd met de gemiddelde cao-loonstijging waarbij januari 2023 = 100. Voor de berekening van het (uur)loon en de deeltijdfactor is gekozen om het gemiddelde van de laatste 3 maanden van de oude baan te nemen.

2.4

NETTO-EFFECT SCHOLINGSVOUCHERS

De netto-effecten geven de effecten weer die toe te schrijven zijn aan de betreffende maatregel, in dit geval het ontvangen van een scholingsvoucher. Ook deze effecten worden afzonderlijk berekend voor ontvangers van een voucher die voor aanvang van hun scholing werkloos of werkzaam waren. Het gaat wederom om de volgende uitkomstmaten: -

Het vinden van een baan in loondienst Het vinden van een baan bij een andere werkgever Het vinden van een baan in een andere sector De kwaliteit van de baan (contractsoort, (uur)loon en deeltijdfactor)

Voor beide groepen is een controlegroep geconstrueerd (zie onderstaande box). De controlegroep representeert wat er zou zijn gebeurd als er geen scholingsfonds was. Door de uitkomsten voor de ontvangers van een scholingsvouchers (voor en na aanvang van de scholing) te vergelijken met de uitkomsten voor de controlegroep, wordt het netto-effect van het ontvangen van een scholingsvoucher bepaald – voor elk van de verschillende uitkomstmaten.21 Construeren controlegroepen in het kort 1. Ontvangers van een scholingsvoucher zijn verdeeld in zes cohorten, gebaseerd op het kwartaal waarin de scholing aanving (kwartaal 1 2021– kwartaal 2 2022). Per cohort is bekeken of de ontvanger van de scholingsvoucher een baan heeft of niet in het kwartaal voor aanvang van de scholing. Er zijn daarmee 6 cohorten werklozen en 6 cohorten werkenden. 2. Alle mensen die van september 2020 tot en met december 2022 in Rotterdam woonachtig waren, tussen de 15 en 65 jaar oud zijn en geen student waren in die periode vormen de potentiële controlegroep.

21

Dit doen we met de zogenoemde difference-in-differences methode. Voor een correcte schatting van het effect moet aan de voorwaarde worden voldaan dat de uitkomstmaat voor de behandel- en controlegroep zich op gelijke wijze had ontwikkeld in de absentie van een scholingsvoucher. In andere woorden, de uitkomst van de controlegroep reflecteert wat zou zijn gebeurd met de behandelgroep als zij geen scholingsvoucher hadden ontvangen. Omdat deze voorwaarde niet direct kan worden getoetst is het gebruikelijk om naar de ontwikkeling van de uitkomstaat vóór de interventie te kijken. Indien deze ontwikkeling gelijke tred houdt is het aannemelijk dat dit ook was gebeurd zonder de interventie. 21 SEOR

3. Uit de potentiële groep Rotterdammers zijn voor ieder scholingscohort mensen geselecteerd die in hetzelfde kwartaal ook (geen) baan hadden. Daarmee ontstaan twaalf potentiële controlegroepen. 4. Vervolgens wordt voor ieder scholingscohort een controlegroep samengesteld dat gemiddeld genomen dezelfde persoonskenmerken bezit. Ook zijn deze controlegroepen gelijk gemaakt op kenmerken van hun (laatste) baan voor aanvang van de scholing, hun arbeidsverleden en eventuele bijstandskenmerken (soort en leefvorm). Dit is gedaan door middel van weging. 22 Er is gebruik gemaakt van meerdere scholingscohorten omdat de mensen die een scholingsvoucher ontvingen sterk verschillen over de tijd. 5. Vervolgens wordt de tijdsvariabele relatief gemaakt ten opzichte van de start van de scholing. Voor de werkende en werkloze ontvangers van een voucher kunnen de zes cohorten (met controlegroepen) daarna worden samengevoegd tot één onderzoeksbestand.23 6. Op deze manier kan worden gecontroleerd voor het (verschillende) effect van veranderende economische omstandigheden op de uitkomstmaten van de behandel- en controlegroep (februari 2021 en februari 2022 verschillen qua economische omstandigheden).

2.4.1

Werkloze ontvangers van een scholingsvouchers

De controlegroep voor werklozen bestaat uit personen uit de Rotterdamse beroepsbevolking die werkloos zijn in het kwartaal voordat de behandelgroep aan de scholing begint, een gelijke werkloosheidsduur hebben en gelijk zijn qua leeftijd, opleidingsniveau en migratieachtergrond (zie ook tabel I.1 in bijlage I). Ook is rekening gehouden met enkele baankenmerken van de laatste baan voor aanvang van de scholing. Zo is het aandeel tijdelijke contracten, vaste contracten en uitzendovereenkomsten gelijk. De gemiddelde deeltijdfactor is gelijk gemaakt in het tweede, derde en vierde jaar voor aanvang van de scholing. Als laatste is ervoor gezorgd dat het aandeel met een bijstandsuitkering gelijk is, evenals de leefvorm en bijstand voor zelfstandigen. Werkloze ontvangers van een scholingsvoucher vinden aanzienlijk vaker een baan dan hun controlegroep Allereerst is de ontwikkeling van het baanaandeel afgezet tegen de controlegroep (zie onderstaande figuur). Voor 20 kwartalen voor aanvang van de scholing en 4 kwartalen na aanvang van de scholing is het verschil (blauwe lijn) in het baandeel berekend tussen de ontvangers van een scholingsvoucher en de controlegroep. Omdat het verschil hiertussen met onzekerheid is omgeven, is het betrouwbaarheidsinterval weergeven (grijze vlak).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=a72a6c4b-0bc2-40c4-9679-400862ce936e