CConstaterende datRotterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

[23bb007315] Bijlage 3a behorende bij 23bb7325 - 311023 Aanvulling ROER Verstedelijking

Commissie Bouwen, Wonen en Buitenruimte (2022-2026) 15 november 2023, gemeente RotterdamBij agendapunt: Introductie aan de hand van het raadsvoorstel Oostflank46.408 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

De conclusie en beoordelingen per deelgebied en voor het alternatief als geheel zijn vertaald in ontwerpopgaven. Deze zijn weergegeven in figuur 6.4.

Referentie

Figuur 6.2: Beoordeling van de referentiesituatie in A-Z, vergeleken met de referentiesituatie zoals opgenomen in het ROER.

6.3. De twee alternatieven 6.3.1 Beoordeling alternatief Concentreren Alternatief Concentreren is gericht op een intensieve verstedelijking geconcentreerd rond de knooppunten. De beoordeling van dit alternatief in vergelijking met de refe­ rentiesituatie is opgenomen in figuur 6.3. De intensieve verstedelijking (woningen, ruimte voor bedrijvigheid van dit alternatief in combinatie met de locatie daarvan (de goed bereikbare knooppunten) is voor de aspecten in de rechterkant van het be­ oordelingskader (woonomgeving, economische omgeving) positief beoordeeld. De positieven effecten worden aangejaagd door de multimodale oeververbinding waar­ door de nu nog grotendeels gescheiden werelden van Rotterdam-zuid enerzijds en Kralingen, Lage Land en Alexander anderzijds in elkaars bereikbaarheid komen te liggen.

Gemeente Rotterdam 76

Goede Omgevingskwaliteit

veilige, gezonde rysieke leefomgeving

(

Woonomgeving

Economische omgeving

) Ecotoÿache verbindïij

4—^ Groene verbinŵig

(

) Watersysteem i afwatenng Aandachtsgebieden teefomgevrng (geluid, veibgheid. bodemdafintj

Verstedelijking I Nieuwe verdchtaxj Vriìga priaWmi

Vastgeaekte ptonneì

oĺ 7,

ssNN'

Ē

Bestaande situatie behouden Verichtjng in gebieden met bestaande woningen Acupunctuur van toevoegmg nieuwe woningen in bestaande wijken

Robuust stedelijk netwerk

i bbci b « Níeuwe tram-1 metroverbindingen

II III II Extra verbindingen Betere fTpossíig straten Verbeterde verbindingen met de stad GeJutisschermen

R

Kwalitatief landschap en openbare ruimte

ZZZZ Belangnķste groene verbindingen van

ö 1*'

hoge kwaliteit Stralen met priantei voor tangraam verkeer Qntwikkeāng I upgrade g’cengebietí Opbe ortwkkelmg í ucçrade groengebied Watergangen) f singels

referentie A-Z

Viŭg e. gdidua

Watert] uflers Upgrade vokstuinen Sportvelden

Alternatief Concentreren

—"

Figuur 6.3: Beoordeling van alternatief Concentreren, vergeleken met de referentiesituatie in A-Z.

Vfiig ai kmiat± »of oot«nJűuiu»g

gdiad «n U—Ériįţhh

ma ĮkrtļihļMÉiiīÉ TZ3Z

Figuur 6.4: Ontwerpopgaven bij alternatief Concentreren

Overal acupunctured water bergen en vergroenen: - Op bouwptot Am - fci openbare namtes - in ecdogtadi en landachappefifk raamwerk

77

6.3.2 Beoordeling alternatief Spreiden

veilige, gezonde fysieke leefomgeving

In vergelijking met alternatief Concentreren is het programma (woningen, ruimte voor ontwikkelingen) wat kleiner en meer gespreid. Bij dit alternatief wordt de tram doorgetrokken van Kralingse Zoom tot de Alexanderknoop. Door dit kleinere pro­ gramma en de minder sterke focus op de knooppunten is de beoordeling voor de

Woonomgeving

Economische omgeving

economische aspecten nog steeds positief ten opzichte van de referentiesituatie, maar minder dan bij alternatief Concentreren. Met dit alternatief lijkt minder geprofi­ teerd te worden van de kansen die de multimodale, goed bereikbare knooppunten bieden.

2* 5

Ook bij dit alternatief zijn de positieve beoordelingen aanwezig in het rechterdeel van het beoordelingskader (figuur 6.5): Woonomgeving en economische omgeving laten een duidelijke verbetering zien in vergelijking met de referentiesituatie. Voor aspecten van de onderlaag (bodem en water) leidt in dit alternatief de bouw van woningen in de Boszoom (onderdeel van het diepste deel van de Prins Alexanderpolder) en een grotere opgave voor (even laag gelegen) Het Lage Land tot een ne­ gatieve beoordeling. Toevoegen van meer woningen (ten opzichte van de referentie en ten opzichte van het alternatief Concentreren) vergroot de druk op de ruimte die in de Prins Alexanderpolder (in de toekomst mogeljk) nodig kan zijn voor waterberging. Een randvoorwaarde voor het ontwikkeling in het diepe deel van de Prins Alexanderpolder is daarom dat voldoende zekerheid moet bestaan dat het waterbe­ heer klimaatadaptief kan worden gerealiseerd.

referentie

Alternatief Spreiden

Vanuit de netwerken en occupatielaag ontstaan aandachtspunten voor geluid en externe veiligheid. Deze vragen om ontwikkelprincipes om te kunnen komen tot eenacceptabele omgevingskwaliteit. Positief van dit alternatief is dat er een minder grote ingreep plaatsvindt in De Esch, waardoor er minder impact is op de waarden van landschap en groen in dit gebied.

Figuur 6.5: Beoordeling van alternatief Spreiden, vergeleken met de referentiesituatie inA-Z.

De beoordelingen van dit alternatief zijn omgezet in ontwerpopgaven c.q. ontwikkel­ principes die bij dit alternatief van toepassing zijn (figuur 6.6).

Gemeente Rotterdam 78

^—^ Ecologische verbindng 4—^ Groene verbindng Watersysteem I atwatemg Aandachtsgebieden leefomgeving (gelud. veégheid, bodemdaírnJ Verstedelijking Nkswte verdeling Vastgestelde plannen ZZ1 Bestaande situate behouden fSŞ'''! Verdeling in gebieden met bestaande Acupunctuur van toevoeging nieuwe woningen in bestaande wtfán Robuust stedelijk netwerk fíeuwetram Imefrwerbmdngen 11111II Extra verbindingen Betere npossmg straten Verbeterde verbindingen met de stad GeUdsschermen Kwalitatief landschap en openbare ruimte Betangryrste groene verbindngen van hoge kwaliteit Straten met priontel voor lang/aam _____ verkeer Orlwikketng I upgrade groengebied Wf Opte ortwidding! ipgaőc groengebied Waterfgangen) 7 singels CēľD Waterbufters Upgrade vokstuinen Sportvelden

VIA

2000m

Bq «copanctur—I

Figuur 6.6: Ontwerpopgaven bij alternatief Spreiden

Overal acupunctured water bergen en vergroenen: - Op bouwplot niveau - In openbare ruimtes - ai ecaiogiscn en ianoscnappeii|K raarnwem

79

6.3.3 De twee alternatieven vergeleken

pakket aan bebouwing daardoor zal leiden tot meer bodemdaling dan bij Spreiden; ofwel een sterk negatieve score op fysische bodemkwaliteit. Qua bodem- en grondwaterverontreiniging scoren beide alternatieven vrij positief, omdat ze door de voor­ genomen verdichting leiden tot een versnelling van het tempo waarin de bodemkwa­ liteit overeenkomt met de bodemfunctie. Dit geldt sterker voor Concentreren (want meer ontwikkelingen) dan voor Spreiden. Toch wordt bodemdaling zwaarder beoor­ deeld, en is de score overall voor beide alternatieven sterk negatief.

In figuur 6.7 zijn de beoordelingen van de twee alternatieven Spreiden en Concen­ treren samengevoegd.

Veilige, gezonde fysieke leefomgeving

Woonomgeving

Economische omgeving

Water Beide alternatieven scoren negatief; locaties waar het slechter wordt verschillen per model. In Concentreren is dat meer bij De Esch en Feyenoord City, in Spreiden is dat meer bij Boszoom en het Lage Land. Aanbevelingen zijn daarom meer ruimte voor waterberging en lokale zuivering te realiseren. Verstedelijking kan ook kansen biedt om het watersysteem als geheel te verbeteren (meer verbinden) en te versterken (bergend vermogen), inclusief bronmaatregelen ter verbetering van de waterkwaliteit (zoals gescheiden riolering in combinatie met aanvulling van grond- en oppervlaktewater met regenwater) en inrichtingsmaatre­ gelen voor het ecologisch functioneren (gezonde bodems en natuurvriendelijke oe­ vers). Maar ook voor klimaatadaptief bouwen (op palen, meer in de hoogte, niet of minder in de diepte, en met minder verharding). Buitendijks is dry en wetproof bou­ wen een optie, in combinatie met een verantwoord uitgiftepeilen beleid. Natuur Beide alternatieven hebben een (beperkt) negatief effect op natuur. Zowel het alter­ natief Spreiden als het alternatief Concentreren leidt veelal tot een (beperkt) nega­ Alternatief Spreiden

tief effect op ecologische kerngebieden door toename van de recreatiedruk. Ver­ groening van lanen en straten en de aanleg van rivierparken leidt in beide alternatie­ ven tot een verbetering van de ecologische verbondenheid. Realisatie van een getij­ denpark tussen Oude Plantage en natuurpolder de Esch zorgt voor een nieuwe ver­ binding tussen kerngebieden, maar de functionaliteit daarvan is nog wel volledig af­ hankelijk van de ruimtelijke inpassing van de brug. Overkluizing van het spoor in het alternatief Concentreren is voor ecologische verbondenheid een extra plus ten op­ zichte van het alternatief Spreiden.

Spreiden vs Concentreren

Figuur6.7: De twee alternatieven vergeleken

Op basis van de vergelijking tussen de twee alternatieven kan een aantal conclusies worden getrokken. Deze zijn hieronder beschreven per aspect. De conclusies geven richting voor het op te stellen voorkeursmodel verstedelijking.

De aanleg van rivierparken, de toenemende ecologische verbondenheid, en met name de aanleg van de Bos-as leiden in het alternatief Spreiden naar verwachting tot een verbetering van de biodiversiteit, ondanks een negatief effect in de Boszoom door verstedelijking, afname van groen en toename van verstoring. Maar er is een negatief effect op biodiversiteit in De Esch te verwachten door afname van het are­ aal groen en toename van de verstoring, met name in het alternatief Concentreren.

Bodem Voor het aspect bodemdaling laten beide alternatieven een negatief effect zien, en dat Concentreren negatiever scoort dan Spreiden. De voornaamste reden hiervoor is dat bij Concentreren meer woningen worden toegevoegd, en dat dit zwaardere

Gemeente Rotterdam 80

Aanbeveling is om nog meer aandacht te besteden aan de realisatie van nieuwe en robuuste ecologische verbindingen.

waar dit aan de orde is verschillen per alternatief. Ook wat betreft waterveiligheid verslechtert de situatie licht; de kans dat een overstroming plaatsvindt wordt niet per se groter, maar de gevolgen wel, omdat er meer mensen in binnen- en buiten­ dijkse gebieden worden toegevoegd. Omdat er meer mensen komen te wonen in het alternatief concentreren scoort dat alternatief iets negatiever dan spreiden. Adaptatiestrategieën, hoge uitgiftepeilen en op termijn dijkversterkingen kunnen deze ef­ fecten ten dele mitigeren.

De toevoeging van woningen, arbeidsplaatsen en voorzieningen leidt mogelijk tot extra stikstofdepositie op Natura 2000-gebied als gevolg van de inzet van bouwma­ terieel en van meer verkeersbewegingen. Vooralsnog worden die, vanwege mobiliteits- en energietransities, als niet significant beschouwd, zie ook de uitgevoerde ri­ sicoanalyse voor Natura 2000 gebieden in de bijlage.

Gezond gedrag Beide alternatieven scoren positief op gezond gedrag, in dezelfde mate. De goede score wordt veroorzaakt doordat de voorgenomen ontwikkeling bijdraagt aan het uitnodigen tot meer bewegen. Zo wordt in beide alternatieven ingezet op nabijheid en goede verbindingen voor voetganger en fiets. Daarbij wordt de woonomgeving verbeterd en hebben mensen meer arbeidsplaatsen binnen bereik, wat voor een ver­ betering in de mentale gezondheid kan zorgen.

Landschap en erfgoed De alternatieven Concentreren en Spreiden hebben beiden een licht negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie. Voor Concentreren komt dat vooral door de stevige verstedelijking in De Esch, terwijl dat voor Spreiden vooral komt door de woonwijk aan de Boszoom. In beide alternatieven geeft het deels afgraven van Pol­ der De Esch als gevolg van de komst van de brug (en de daaraan gerelateerde nauti­ sche effecten) sterk negatief effect, zowel op het landschap als op het gebouwd erf­ goed - dat al dan niet (deels) zou kunnen verdwijnen. In Het Lage Land kunnen posi­ tieve effecten optreden door de verbetering en vergroening van de openbare ruimte.

Wonen Beide alternatieven scoren positief op het aspect wonen, omdat er forse aantallen nieuwe woningen worden toegevoegd. Die komen het aanbod en de gemiddelde kwaliteit van de totale voorraad ten goede. Dit geldt iets meer voor het alternatief concentreren, omdat daar meer woningen worden toegevoegd.

Geluid Voor beide alternatieven geldt dat de situatie verslechtert ten opzichte van de refe­ rentiesituatie. Dit komt omdat er meer mensen bijkomen op plekken die geluidsbe-

Woonomgeving

last zijn. Op specifieke plekken, met name locaties nabij grote infrastructuren (weg en spoor), kan de situatie verslechteren. Wel worden er stille, groene gebieden toe­ gevoegd in beide alternatieven. Het verdient stevige aanbeveling om in de ontwikke­ lingen mitigerende maatregelen te nemen voor geluid, denk bijvoorbeeld aan ge­ luidsschermen bij nieuwe ontwikkeling nabij de snelweg.

Voor woonomgeving scoort Spreiden net iets beter dan Concentreren. De belangrijk­ ste lessen hieruit zijn dat te veel woningen zonder stevige investeringen in groen lei­ den tot een minder goede woonomgeving. Ook zien we dat het toevoegen van wo­ ningen zorgt voor meer voorzieningen nabij. Dit geldt voor beide alternatieven, al­ leen het spreidingspatroon van de voorzieningen is anders.

Lucht Wat betreft het aspect lucht scoren beide alternatieven negatief ten opzichte van de referentiesituatie, omdat er meer mensen worden toegevoegd op locaties waar de luchtkwaliteit matig is (in de nabijheid van hoofdinfrastructuur). De nieuwe EU-richtljn voor luchtkwaliteit is een belangrijk aandachtspunt voor de vervolguitwerking en in de monitoring.

Mobiliteit De bereikbaarheid van het gebied verbetert sterk met de komst van de nieuwe multimodale brug, de HOV-tram en het station Stadionpark. Dit geldt nog meer voor de variant Spreiden dan voor Concentreren, omdat in het spreidingsalternatief de tram doorloopt tot de Alexanderknoop. Welzijn Beide alternatieven scoren positief op welzijn. Er komen meer banen binnen bereik, en er komen meer plekken om anderen te ontmoeten. Ook de sociale veiligheid ver­ betert, door meer 'ogen op straat'. In het alternatief spreiden gaat de sociale veilig­ heid in de Boszoom flink omhoog door het toevoegen van wonen, werken en voorzie­ ningen, terwijl in het alternatief concentreren de sociale veiligheidjuist vooral

Veiligheid Beide alternatieven laten een wat negatievere score dan de referentiesituatie, en Concentreren scoort iets negatiever dan Spreiden. De voornaamste reden voor de verslechtering is dat er meer mensen komen te werken en te wonen op plekken waar ze blootgesteld worden aan risico's van externe veiligheid, en de afstand tussen risicobron en risico-ontvanger bij sommige ontwikkelingen kleiner wordt. De locaties

Gemeente Rotterdam 81

6.3.4 Conclusies

verbetert op de bedrijventerreinen bij de Alexanderknoop en Stadionpark. Dit is het gevolg van een ander model van spreiding van het programma, en met name het wo­ nen.

Uit de analyse kunnen conclusies worden verbonden voor het voorkeursmodel voor de verstedelijking. Hieronder is beschrijven hoe de conclusies leiden tot aanbevelin­ gen voor een voorkeursmodel.

Ruimtegebruik Voor het aspect ruimtegebruik zien we dat beide alternatieven positief scoren, voor­ namelijk omdat op goede locaties (de goed bereikbare en aantrekkelijke knopen) werkprogramma wordt toegevoegd. Tegelijkertijd zien we dat het alternatief Sprei­ den minder positief scoort dan het alternatief Concentreren. Een belangrijke verkla­ rende factor hiervoor is de ruimte voor bedrijventerreinen die geboden wordt: bij Concentreren blijft er minder ruimte voor bedrijven met een hogere milieucategorie over dan bij Spreiden.

Verstedelijking op de knopen Verstedelijking nabij goed openbaar vervoer heeft allerlei positieve effecten op het gebied van economische omgeving, woonomgeving en beperkt negatieve effecten voor goede omgevingskwaliteit. Het leidt tot meer werkprogramma op goed bereik­ bare, aantrekkelijke plekken en tot een forse hoeveelheid nieuwe woningen van goede kwaliteit. Daarnaast wordt het voorzieningenniveau versterkt.

Energie en grondstoffen Op het aspect energie en grondstoffen scoren beide alternatieven ongeveer gelijk­ waardig. De compacte verstedelijking nabij goed openbaar vervoer leidt over het al­ gemeen tot minder CO2-uitstoot; daarin doet alternatief Concentreren het goed. Te­ gelijkertijd zijn voor een grondstoffentransitie locaties (bedrijventerreinen) nodig voor verwerking van materialen, soms met bijvoorbeeld veel geluid tot gevolg. Alter­ natief Spreiden biedt hier meer ruimte aan.

Een belangrijk aandachtspunt is het cluster veilige, gezonde fysieke leefomgeving. Door het toevoegen van programma (wonen, werken, voorzieningen) worden meer mensen toegevoegd op plekken nabij bronnen die milieuhinder kunnen veroorzaken, zoals spoor of snelwegen. Specifiek de aspecten veiligheid en geluid verdienen aan­ dacht; er zijn mitigerende maatregelen nodig om tot een gezonde leefomgeving te komen, en verdere uitwerking is nodig in de vervolgfase. Het gaat bijvoorbeeld om het realiseren van geluidswering.

Economische vitaliteit Beide alternatieven laten een positieve score zien voor economische vitaliteit. Dit geldt nog sterker voor concentreren dan voor spreiden. Dit komt omdat in het concentratiealternatief meer banen op kwalitatief betere locaties worden toegevoegd en omdat er nog meer potentiële werknemers komen wonen.

Behoud van bedrijventerreinen Als ruimte voor bedrijven met een hogere milieucategorie moet worden behouden zijn bedrijventerreinen nodig waar (op het terrein zelf of in de directe omgeving) niet gewoond wordt. Deze bedrijventerreinen bieden enerzijds vaak ruimte aan praktisch geschoold werk, maar kunnen anderzijds ook een plaats bieden aan bedrijven die af­ valstromen (of beter: materiaalstromen) verwerken. Daarmee zijn ze belangrijk voor het werken richting een circulaire economie.

Ingrepen en aandacht voor veilige, gezonde fysieke leefomgeving

Ruimteljjk-economische structuur Voor het aspect ruimtelijk-economische structuur geldt dat beide alternatieven posi­ tief scoren, waarbij Concentreren nog beter scoort dan Spreiden. Dit zit met name in de mate waarin programma wordt toegevoegd op goed bereikbare plekken, voorna­

Vergroening randvoorwaardelijk voor verstedelijking Forse verstedelijking heeft op een aantal aspecten stevige positieve effecten, maar ook een aantal negatieve aspecten. Bijvoorbeeld als het gaat om aspecten als woon­

melijk op de knopen. Bij Concentreren wordt meer en beter bereikbaar programma toegevoegd dan bij Spreiden. Tegelijkertijd zien we wel dat het behoud van bedrij­ venterreinen in het alternatief Spreiden kan zorgen voor het behouden van praktisch geschoolde werkgelegenheid.

omgeving (hitte, openbare ruimte), natuur (ecologie, biodiversiteit) en water. Tegelij­ kertijd scoort een aantal van die aspecten autonoom al matig; verbetering van de si­ tuatie daarom zeer gewenst. Verstedelijking moet daarom hand in hand gaan met vergroening (en hier en daar ook Vernatting'). Op die manier profiteert de stad wel van de positieve effecten van de verstedelijking maar wordt ook gebouwd aan een meer klimaatadaptieve, groene stad voor mens, plant en dier - en worden de moge­ lijk negatieve effecten van verstedelijking gemitigeerd.

Gemeente Rotterdam 82

Bodem en water sturend Beide alternatieven scoren negatief op de aspecten bodem en water, terwijl deze as­ pecten al in de referentiesituatie erg matig scoren. Er is daarom extra inzet nodig op deze thema's. De hierboven beschreven vergroening helpt daarbij, maar het vraagt om meer: expliciet meer ruimte maken voor (oppervlakte)water tijdens piekbuien en adaptief bouwen. Zo moet de footprint' voor bebouwing op plekken als de Boszoom worden beperkt, om ruimte te houden voor waterberging. Daarbij is het realiseren van extra waterbuffercapaciteit op kleine en grote schaal nodig om de situatie ook ten opzichte van de autonome ontwikkeling te verbeteren. Om hier verder onderzoek naar te doen, zijn in het kader van de Aanvulling ROER nog twee extra subvarianten onderzocht, waarin specifieker is gekeken naar Bodem & Water. Dit is in hoofdstuk 8 behandeld.

Gemeente Rotterdam 83

7 Effectbeschrjjving per deelge­ bied

»

voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geven deze kaarten ook een beeld van de gebieden waar externe veiligheid (groepsrisico) een factor is waar rekening mee moet worden gehouden; voor de occupatielaag is een kaartbeeld opgenomen met aanwezige bebou­ wing en de periode waarin de bebouwing is gerealiseerd12.

7.1. Inleiding

7.1.2 De deelgebieden in het geheel van de Oostflank

7.1.1 Analyse en aanbevelingen per deelgebied

Om de beschrijvingen per deelgebied in een breder kader te plaatsen is in deze para­ graaf een korte beschrijving opgenomen van het gehele gebied A-Z.

In de paragrafen 7.2 tot en met 7.9 is per deelgebied en per bouwsteen een samen­ vattende beschrijving opgenomen van de referentiesituatie. Daarbij is een indeling gehanteerd die is gebaseerd op de lagenbenadering en de onderscheiden systemen. Vervolgens zijn per deelgebied de effecten van de bouwstenen samenvattend be­ schreven. Tot slot zijn per deelgebied de aandachtspunten ten behoeve van het aan­ duiden van het voorkeursalternatief beschreven. De informatie in dit hoofdstuk is ge­ baseerd op de onderliggende rapporten en op de thematische informatie van hoofd­ stuk 5.

De onderlaag van het gebied bestaat uit het historische landschap. Dit landschap is gevormd door afzettingen van rivier en zee, het ontstaan van dikke veenpakketten en vervolgens steeds verder door menselijke ingrepen beïnvloed. Er is (ook in het ge­ bied van A-Z) een markant verschil tussen Rotterdam ten zuiden en Rotterdam ten noorden van de Nieuwe Maas (figuur 7.1). De hoogteverschillen binnen het gebied (figuur 7.2) zijn het gevolg van de landschapsgenese, de menselijke ingrepen door ontwatering en ophoging (onder andere met verontreinigd havenslib), en de gevolgen daarvan. Bodemdaling treedt in meer­ dere of mindere mate op het gehele gebied. In het noorden is de Prins Alexanderpolder, een diepe 19e eeuwse droogmakerij (duidelijk herkenbaar in figuur 7.2) een be­ palend onderdeel van de onderlaag. Aan weerszijden van de Nieuwe Maas en in min­ dere mate rond de Kralingse Plas zijn ophooglagen aangebracht. Aan weerszijden van de Nieuwe Maas liggen primaire keringen. De buitendijkse delen van het gebied liggen relatief hoog.

In hoofdstuk 6 zijn de effecten van de twee alternatieven samenvattend beschreven en is een beoordeling opgenomen. Daarbij gaat het om de effecten van de bouwste­ nen gezamenlijk. In hoofdstuk 6 is tevens de vergelijking van de effecten van de al­ ternatieven ten opzichte van de referentiesituatie weergegeven in de schuifjesfiguren. De beoordelingen voor de aspecten bodem en water zijn input voor de subvarianten bodem en water sturend in hoofdstuk 8. In de thematische achtergrondrapporten en in de samenvattende beschrijving van effecten in hoofdstuk 5 is veel informatie opgenomen. In de beschrijving van de refe­ rentiesituatie van de deelgebieden op hoofdlijnen is een keuze gemaakt de drie la­ gen (onderlaag, netwerken en occupatie) te laten representeren door drie kaartbeel­ den en een korte beschouwing en toelichting daarbij: » voor de onderlaag is een hoogtekaart10 11 opgenomen; deze geeft, ook door de hoogteverschillen en de patronen en structuren die zichtbaar zijn, ook een beeld van de ontstaansgeschiedenis en de kansen en beperkingen voor verstedelij­ king; » voor de netwerken is bij elk deelgebied een kaartbeeld opgenomen van de ge­ luidbelasting als gevolg van wegverkeer, spoorwegen en industrielawaai11; dit kaartbeeld laat zien waar in de stedelijke gebieden rekening moet worden met omgevingsgeluid. Doordat de snelwegen en spoorlijnen ook worden gebruikt

Netwerken Het gebied wordt doorsneden door de snelwegen A16 en (aan de noordkant) A20, door spoorlijnen en stedelijke hoofdontsluitingswegen. Ten noorden van de Nieuwe Maas biedt de metro een goede verbindingen tussen de woon- en werkgebieden on­ derling en met het centrum van Rotterdam. Op de zuidoever zijn vooral tram en bus van beschikbaar voor openbaar vervoer. De reistijd per OV van de gebieden op de noordoever naar gebieden op de zuidoever is fors door het ontbreken van een di­ recte verbinding.

12 Bron: Atlas voor de leefomgeving

10 Bron: www.ahn.nl 11 Bron: Atlas voor de leefomgeving

Gemeente Rotterdam 84

— V '

\ v——'

\^VvSj]5m

\\

Figuur 7.1: Onderliggende landschappelijke structuren (bron: Handboek Rotterdamse stijl, 2010).

Bolne

Figuur 7.2: Hoogtekaart van het maaiveld (bron: www.ahn.nl) Het verschil tussen de diepe pol­ der, de hogere gebieden langs de oevers (en door ophogingen) en de minder diepe tussenge­ bieden zijn duidelijk zichtbaar (blauw = laag, bruin hoger)

Gemeente Rotterdam 85

Legenda ļ^l PSIwalurtgrans DeBlņahieden

- -V-’

üũcigco 03 honors geselaar on Noîsoiaroo 'Oeslgefii&a Lsga Land. Pnnçelana, 's-Graveni; □eeigp|i#a ommoarrr ‘Deelgebied Ooăterftìnk. Ca pel Ie Zevenkamp Dorresleijn'Nieuwerksrk Deelgebied Tertregae on Terbre-goeveld Gemaal

uppgrvisi swBM Overige watergang

Leemhuis-Stout, ir J,M. de

'LüŭïIİL-'.i

GPGį1Ū77,i Flex -5,50 I -5,20

Ommoord

GPG-1094 Vast -6.5Û GPG-1120 Vast -6.70

GPG-1134

v-

Vast -6,53

GPG-1116 Vast -6.20

ŗ GPG-1073 Groene Balkon, het Vast -6,80

GPG-1093 Vast -7,00,

-■"t-

Kteii, P.D.-Mr

Alt 1

Lage Bemaling, de

tlŕ'J

den IF:

GPG-1075 ^ Vaat-5,20*^

'fļí'ŕ*

3 ■ Kilometers Esri Nederland, Community Map Contributors

*Éās#ľľT

Figuur 7.3: Waterhuishouding in de Prins Alexanderpolder (bron: Peilbesluit Polder Prinsen­ land en Eendragtspolder, HHSK, 2019)

mm

Ş-.1* i

■■■■r .J

Occupatie Een groot deel van het gebied heeft al een stedelijke functie. De Prins Alexanderpol­ der is al grotendeels verstedelijkt. De Nieuwe Maas is een barrière tussen noord en zuid. De gebieden ten noorden en ten zuiden van de Maas laten duidelijke verschil­ len zien op sociaal-economische vlak: opleidingsniveau, arbeidsparticipatie e.d. zijn in het zuidelijk deel wat uniformer en lager dan ten noorden van de rivier waar er wat grotere verschillen binnen en tussen de wijken zijn. Ten aanzien van werkgelegen­ heid is de relatie tussen Rotterdam-Zuid en de gebieden ten noorden van de rivier re­ latief klein.

1 ■i'-Ä'i j.Ç-1

. .4

-1 j

Figuur 7.4: Netwerken en occupatie, weergegeven als hoogtekaart (bron: www.ahn.nl). De oc­ cupatie is zichtbaar als verhoging ten opzichte van het maaiveld.

Gemeente Rotterdam 86

Figuur 7.5: Gecumuleerde geluidbelasting (bron: Atlas leefomgeving)

Gemeente Rotterdam 87

7.2. Deelgebied Alexanderknoop

Tussen de spoorlijn en de A20 liggen (westkant) volkstuinen. Tussen de Prins Alexanderweg, Hoofdweg en A20 liggen het winkelgebied van de Alexanderknoop en het bedrijventerrein van de Marten Meesweg.

7.2.1 Referentiesituatie

Dit deelgebied vervult een centrumfunctie voor de gehele noordoostkant van Rotter­ dam en biedt (door de aanwezige bedrijvigheid en de goede bereikbaarheid) werk­ gelegenheid voor een ruimere omgeving.

Ondergrond en water Dit deelgebied is evenals de deelgebieden Boszoom en Het Lage Land onderdeel van de 19e eeuwse, laaggelegen droogmakerij Prins Alexanderpolder (zie paragraaf 7.3.1 voor beschrijving en aandachtspunten). Een groot deel van dit deelgebied is al ’versteend'; alleen de volkstuinen tussen de spoorlijn en de A20 zijn nog grotendeels onverhard. Het gemiddeld maaiveldniveau varieert van NAP -3m tot NAP -6m. De ge­ middelde bodemdaling is hier ruim 3 mm perjaar. Alexanderknoop heeft een vrij hoog verhardingspercentage van 60X. Door de aanwezigheid van een groot volks­ tuincomplex is er in dit deelgebied toch nog 5X oppervlaktewater aanwezig.. Netwerken Dominant in dit deelgebied zijn de A20 (in knooppunt Terbregseplein aangesloten op de A16, de spoorlijn Rotterdam -Gouda en de metro. De OV-verbindingen van dit deelgebied met het centrum van Rotterdam en de Randstad zijn daardoor goed. Ook per auto is het gebied goed ontsloten.

Qostarílant Het lage Land

Geluid, externe veiligheid (groepsrisico) en luchtkwaliteit in dit deelgebied worden in belangrijke mate bepaald door de snelweg en de spoorlijn. Voor luchtkwaliteit en geluid zijn ook de hoofdontsluitingswegen (Hoofdweg en Prins Alexanderlaan) van belang. Voor externe veiligheid is tevens de hogedruk aardgasleiding relevant. Groene en blauwe structuren zijn in dit sterk verstedelijkte gebied schaars. Het volkstuincomplex tussen spoorlijn en A20 ligt tamelijk geïsoleerd. In het deelgebied Alexanderknoop zijn geen (delen van) Natura 2000 of Natuurnetwerk Nederland (NNN) aanwezig. Alexanderknoop heeft ook geen ecologische hotspots of ecolo­ gische verbindingen. Op de Natuurindicatiekaart van de Gemeente Rotterdam scoort de Alexanderknoop laag. De meeste waarde qua biodiversiteit zit in de gevari­ eerde beplanting op het volkstuinencomplex. Daarnaast blijkt uit de gemeentelijke data dat er op het bedrijventerrein de nodige "dakbroeders", zoals meeuwen, voor­ komen. Wonen en werken Dit deelgebied heeft vooral een functie als werkgebied en als winkelgebied (Alexandrium). In het westelijk deel ligt tussen de Hoofdweg en de spoorlijn een bedrijven­ terrein met onder andere autosloperijen.

Gemeente Rotterdam 88

7.2.2 Effect van de bouwstenen

is ook de luchtkwaliteit een factor. Het aantal blootgestelden aan luchtverontreini­ ging neemt door de beoogde verdichting langs de hoofdontsluitingswegen en snel­ weg verder toe.

Goede omgevingskwaliteit Dit deelgebied is evenals de deelgebieden Het Lage Land en Boszoom onderdeel van een diepe polder en een zettingsgevoelige ondergrond. Alexanderpolder is een gebied waar bodemdaling een belangrijk aspect is. Bovendien is dit gebied zeer op­ barst gevoelig voor grondwater, er kan niet zomaar ontgraven worden zonder extra maatregelen te nemen. Het effect van verstedelijking op bodemdaling en het water­ systeem is zonder mitigerende maatregelen negatief. Vanwege de aanleg van nieuw verhard oppervlak zal voor beide bouwstenen ongeveer 3,4 hectare watercompensatie moeten worden aangelegd. Verstedelijking leidt bovendien tot een geschatte toename van maximaal 307 m3 afvalwater per uur.

Woonomgeving Beide bouwstenen scoren positief op de aspecten in het cluster woonomgeving. Het toevoegen van woningen en voorzieningen in dit gebied wordt positief beoordeeld, voor beide bouwstenen. Het leidt - indien goed aansluitend bij de actuele vraag tot meer geschikte woningen van goede kwaliteit. Belangrijk hierbij is wel, dat er pa­ rallel geïnvesteerd wordt in (vergroening van) de openbare ruimte, zodat bijvoor­ beeld hittestress wordt vermeden. Zo biedt de ontwikkeling kansen voor meer groen en voor koele en stille plekken. De sociale veiligheid zal verbeteren door meer ogen op straat, en er komen meer plekken waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. Het welzijn zal daarmee verbeteren, voor beide bouwstenen. De bereikbaarheid is al goed, maar verbetert in AK2 (onderdeel van het alternatief Spreiden) door de door­ trekking van de tram.

De toevoeging van woningen, arbeidsplaatsen en voorzieningen leidt mogelijk tot extra stikstofdepositie op Natura 2000-gebied als gevolg van de inzet van bouwma­ terieel en van meer verkeersbewegingen. Vooralsnog worden die, vanwege mobiliteits- en energietransities, als niet significant beschouwd, zie ook de uitgevoerde ri­ sicoanalyse voor Natura 2000 gebieden in de bijlage. Verstedelijking leidt tot een toename van de recreatiedruk op gebieden in de omgeving zoals het Kralingse bos. Het vergroenen van het Alexanderplein en de Alexanderlaan verbetert de ecolo­ gische verbondenheid van het gebied, evenals een (deels ecologische) onderdoor­ gang bij de spoorlijn. Het verdwijnen van de volkstuinen ten behoeve van sportvel­ den is een negatieve ontwikkeling voor de biodiversiteit. Al met al leidt het toevoe­ gen van woningen en arbeidsplaatsen in reeds bebouwd gebied niet tot een verbete­ ring van de biodiversiteit.

Economische omgeving Een verdere stedelijke ontwikkeling in dit gebied wordt voor de economische aspec­ ten sterk positief beoordeeld. Verdichten in deze knoop, met een goede bereikbaar­ heid is gunstig voor het vestigingsklimaat en de werkgelegenheid. Hierbij is ook de verbeterde relatie met de andere knopen (Kralingse Zoom, Feyenoord City, Hart van Zuid) va de nieuwe oeververbinding belangrijk. Verschil tussen de bouwstenen AK1 (transformeren bedrijventerrein Koperstraat) en AK2 (handhaven ruimte voor bedrij­ ven) impliceert ook een verschil in beoordeling. Bij AK2 blijft meer ruimte beschik­ baar voor meer traditionele vormen van bedrijvigheid (met de daaraan gekoppelde werkgelegenheidseffecten) en tevens ruimte voor bedrijvigheid gerelateerd aan cir­ culaire economie. Bouwsteen AK1 gaat uit van transformatie van de gehele zone ten noorden van de Hoofdweg. Dit heeft als gevolg het verloren gaan van 'traditioneel' bedrijventerrein, maar daarvoor in de plaats komt ruimte voor andere meer arbeids­ intensieve vormen van bedrijvigheid en werkgelegenheid.

De ontwikkeling biedt echter ook kansen om het watersysteem robuuster en klimaatadaptief in te richten. Veilige, gezonde fysieke leefomgeving Dit deelgebied grenst aan de A20 en wordt doorsneden door de spoorlijn en de Hoofdweg. Tevens bevindt zich in dit gebied een hogedruk aardgasleiding. Dit heeft als gevolg dat in dit deelgebied nadrukkelijk rekening moet worden gehouden met de geluidbelasting, luchtkwaliteit en de externe veiligheid (groepsrisico). Vooral bij ontwikkeling in de strook tussen de A20 en de spoorlijn (Marten Meesweg e.a) zijn geluid en externe veiligheid beperkende factoren. Vanwege deze dubbelzijdige mili­ eubelasting wordt het complex om een hier een gezond woon- en leefklimaat te rea­ liseren. Beide bouwstenen gaan uit van woningen in dit gebied; voor geluid en ex­ terne veiligheid wordt dat sterk negatief beoordeeld. Het groepsrisico is al hoog in de huidige situatie en neemt door de verdichting verder toe. Bij bouwsteen AK2 blijft de geluidemissie van de bedrijven in de Metaalbuurt aanwezig. Langs drukke wegen

Gemeente Rotterdam 89

beoordeling voor de aspecten geluid en externe veiligheid van zeer negatief naar ne­ gatief of neutraal. Overigens blijft milieuhinder nog wel een belangrijk aandachts­ punt in het westelijk deel van Alexander. Naast de aanwezige infrastructuur moet ook rekening worden gehouden met milieuhinder door de aanwezige bedrijven. Aan­ bevolen wordt om te onderzoeken in hoeverre bronmaatregelen mogelijk zijn, waar­ onder het omleiden van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor en het ver­ plaatsen of verlagen van de druk van de hogedruk aardgasleiding.

Referentie Alexanderknoop

Verder wordt geconstateerd dat het toevoegen van woningen, arbeidsplaatsen en voorzieningen op deze plek gunstig scoort op de clusters woonomgeving en econo­ mische omgeving. Het leidt tot veel nieuwe woningen en arbeidsplaatsen op een goed bereikbare plek, wat het woningaanbod en de economie ten goede komt. Ver­ groening moet wel een onderdeel zijn van de ontwikkelingen om de aantrekkelijk­ heid van het gebied te garanderen en dreigingen vanuit het klimaat (piekbuien, hittestress) te mitigeren.

AK1 Alexanderknoop

AK2 Alexanderknoop

7.2.3 Conclusies Onderlaag De karakteristieken van de onderlaag in deelgebied (bodemdaling en de noodzaak van meer waterberging) zijn (mede) de basis voor een nadere analyse vanuit de prin­ cipes van bodem en water sturend (zie hoofdstuk 8). Netwerken en occupatie Er liggen kansen voor vergroening en het realiseren van ecologische verbindingen. De zone tussen snelweg en spoorlijn (ten oosten van de Prins Alexanderlaan, omge­ ving Marten Meesweg) is gezien de ligging ten opzichte van station en metro gunstig voor een intensieve verstedelijking (vanuit bereikbaarheid, de nabijheid van voorzie­ ningen, economische vitaliteit), maar daarentegen is de milieubelasting in dit gebied (geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid) hoog. Door verdichting zal het aantal milieugehinderden toenemen. Als de bouwsteen voor dit deelgebied zodanig wordt aangepast dat in het gebied waar de problematiek voor de fysieke leefomgeving het grootst is (de zone tussen A20 en spoorlijn) geen of minder woningen worden toegevoegd, verandert de

Gemeente Rotterdam 90

7.3. Deelgebied Het Lage Land

aan robuustheid enkel geschikt voor vliegende soorten. Deze verbinding richting het Kralingse bos kent met de A16 een zeer grote barrière. Er zijn geen ecologische ver­ bindingen naar groengebieden in het oosten. Centraal in het gebied ligt het Prinsen­ park. Op de Natuurindicatiekaart van de Gemeente Rotterdam scoort het Lage Land laag. In het gebied komen huismuskolonies voor, zo blijkt uit de beschikbare ge­

7.3.1 Referentiesituatie Ondergrond en water Het gemiddeld maaiveldniveau ligt hier op NAP -6 m. Het Lage Land is evenals de deelgebieden Alexanderknoop en Boszoom onderdeel van de Prins Alexanderpolder die in 1865-1874 ontstond door het droogmalen van een aantal diepe veenplassen. De laat-negentiende eeuwse rationele verkaveling is nog herkenbaar in de hoofd­ structuur van dit deelgebied. De polder ligt laag en behoort tot de laagst gelegen pol­ ders in Nederland. De kleibodem is gevoelig voor zetting. De gemiddelde zakkingssnelheid is 2 tot 5 mm/jaar. In de Alexanderpolder is een Het lage Land aantal peilvakken aanwezig (figuur 7.3), de af­ watering verloopt via watergangen die de oude poldersloten volgen. Het water wordt aan de oostkant van het gebied uitgeslagen naar het naastgelegen peilgebied in de polder (figuur 7.3). Het relatief groene karakter van de wijk komt tot uiting in een niet te hoge verhardingsgraad (45%). Van het totaal onverhard oppervlak (550á) bestaat l0Zo uit oppervlaktewater. De lage ligging van de deelgebieden in de Prins Alexanderpolder leidt tot aandachtspunten voor bodem en grondwater (risico bodemdaling, opbarsting, zoute kwel) en risico's voor wateroverlast bij extreme neerslag.

meentelijke natuurdata. Daarnaast zijn er verblijfplaatsen en vliegroutes van vleer­ muizen aanwezig. Occupatie In dejaren '60 - '70 werd het agrarische ge­ bruik (tuinbouw) van dit deelgebied vervangen door een woonwijk volgens de ontwerpprinci­ pes van het functionalistische nieuwe bouwen. In dit deelgebied staan ongeveer 5.000 wonin­ gen (grondgebonden, lage appartementenge­ bouwen). Voor werkgelegenheid is dit deelge­ bied vooral aangewezen op Rotterdam en werklocaties in de omringende deelgebieden (Kralingse Zoom, Alexanderknoop). Inmiddels is nagenoeg de gehele polder verandert van een agrarische polder in een stedeljk gebied.

7.3.2 Effect van de bouwstenen Het Lage Land is (samen met de Boszoom en Alexander) het laagstgelegen deel van A-Z (en van Rotterdam). De bouwstenen LL1 en LL2 voorzien in de toevoeging van een - ten op­ zichte van de reeds aanwezige woningvoorraad - beperkt aantal woningen in deze diepe pol­ der. De maatregelen bestaan verder uit het ver­ groenen van de Prins Alexanderlaan en de hoofdlanen. In LL2 wordt langs de Prinsenlaan OV toegevoegd en heringericht als groene ver­ binding tussen het Kralingse Bos en het Schollebos. In LL2 worden bovendien wo­ ningen toegevoegd bij het winkelcentrum.

Netwerken De verkeersstructuur in Het Lage Land is gebaseerd op de kavelstructuur van de Prins Alexanderpolder. De hoofdontsluiting bestaat uit de min of meer oost-west ver­ lopende Prinsenlaan, Hoofdweg en Kralingseweg en de ongeveer noord-zuid verlo­ pende Prins Alexanderlaan. De (fiets) verbinding met het centrum loopt via de Bos­ zoom aan de westkant van de A16. Het OV-netwerk bestaat uit de metro en (in de Alexanderknoop) een NS-station. Dit deelgebied ondervindt milieuhinder van de A16 (geluid, externe veiligheid en luchtkwaliteit) en de stedeljke hoofdontsluitingen (ge­ luid en luchtkwaliteit). In het deelgebied Lage land zijn geen (delen van) Natura 2000 of NNN-gebieden aanwezig. Ze kent ook geen ecologische hotspots. Groene en blauwe structuren zijn in dit deelgebied aanwezig als openbaar grond langs wegen en als wjkgrond tussen de woonstraten en de appartementencomplexen. Langs de Prinsenlaan bevindt zich een groene verbinding bestaande uit een bomenrij. Deze verbinding is door gebrek

Goede omgevingskwaliteit Belangrijk aandachtspunt in dit deelgebied is de lage ligging en de zettinggevoelige ondergrond. Het effect van in bepaalde delen verdichten en verspreid woningen toe­ voegen heeft een (beperkt) negatief effect op de bodemdaling. Het poldergebied is

Gemeente Rotterdam 91

ook een zeer opbarst gevoelig gebied, hierdoor moeten de benodigde maatregelen genomen worden om de gevolgen enigszins te beperken. Dit vraagt om een klimaatadapatieve inrichting van het gebied en een klimaatadaptieve manier van bou­ wen. De beoordeling voor bodem en water ten opzichte van de referentie is licht ne­ gatief. Doordat 'acupunctureel' woningen wordt toegevoegd (tussen bestaande be­ bouwing) is een goede afweging nodig welke maatregelen mogelijk en zinvol zijn. Vanwege de compensatieplicht voor nieuwe verhardingstoename (afgedekt bodemoppervlak) zal de hoeveelheid oppervlaktewater in het deelgebied met (naar schat­ ting) 0,2 (alternatief Concentreren) respectievelijk 5,3 hectare (alternatief Spreiden) moeten toenemen. In de AWZI zal bij het spreidingsmodel een toename van 450 m3 per dag afvalwater verwerkt moeten kunnen worden. Het concentratiemodel geeft een toename van 300 m3 afvalwater per dag.

doortrekking van de tram. Die is niet voorzien in LL1. Het aspect welzijn verbetert in LL2 door meer ogen op straat en daarmee meer sociale controle, meer plekken om elkaar te ontmoeten en meer banen binnen bereik. Dit geldt in alle gevallen in min­ dere mate voor LL1. Economische omgeving Het toevoegen van woningen heeft een licht positief effect op het draag­ vlak voor voorzieningen en winkels. Voor beide bouwstenen geldt echter dat er geen substantiële veranderin­ gen optreden voor de economische omgeving in dit deelgebied.

Alexanderknoop

Referentie

Het Lage Land

Beide bouwstenen zijn positief beoordeeld voor natuur; LL2 is door aanleg van de bos-as positiever dan LL1. Ontwikkeling van een robuuste bos-as en ecologische ver­ betering van het Prinsenpark leiden tot verhoging van de biodiversiteit. De toevoe­ ging van woningen, arbeidsplaatsen en voorzieningen leidt mogeljk tot extra stikstofdepositie op Natura 2000-gebied als gevolg van de inzet van bouwmaterieel en van meer verkeersbewegingen. Verstedelijking leidt tot een toename van de recrea­ tiedruk op groengebieden in de omgeving. Vooralsnog worden die negatieve effec­ ten, vanwege mobiliteits- en energietransities, als niet significant beschouwd, zie ook de uitgevoerde risicoanalyse voor Natura 2000 gebieden in de bijlage.

Alexanderknoi

* *4

Het Lage Land

Veilige, gezonde fysieke leefomgeving In de zone direct langs de A16 moet rekening worden gehouden met een (beperkte) toename van het groepsrisico en maatregelen om de geluidbelasting van de A16 te beperken. Dit geldt in sterkere mate voor LL2 dan voor LL1, omdat in LL2 meer wordt verdicht langs de A16. Gezien geluid, externe veiligheid en luchtkwaliteit heeft min­ der verdichten langs de A16 de voorkeur. Verdere mogelijke maatregelen zijn af­ scherming en beperken van de bouwhoogte nabij de A16. Een ander aandachtspunt in LL2 betreft het doortrekken van de tram tussen Kralingse Zoom en station Alexan­ der. Deze nieuwe tramverbinding zorgt voor meer geluid in het Lage Land (alhoewel beperkt ten opzichte van geluid afkomstig van de A16). Het aantal milieugehinderden zal naar verwachting toenemen. Het Lage Land scoort daarom negatief.

Alexanderknooi

LL2 Het Lage Land

Woonomgeving Beide bouwstenen worden positief beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. In LL2 wordt er meer verdicht in en rond Het Lage Land, en parallel meer geïnves­ teerd in de openbare ruimte, bijvoorbeeld met de Bos-as. Dit zorgt voor een positie­ vere score voor LL2 ten opzichte van LL1, onder andere voor openbare ruimte en voorzieningen. Ook de bereikbaarheid van Het Lage Land verbetert in LL2, door de

Gemeente Rotterdam 92

7.3.3 Conclusies Onderlaag Evenals in deelgebied Alexanderpolder is voor dit deelgebied evident dat een nadere analyse noodzakelijk is vanuit de uitgangspunten van bodem en water sturend. Deze is opgenomen in hoofdstuk 8. Netwerken en occupatie Bij woningbouw langs de A16 is aandacht nodig voor de ruimtelijke inpassing van­ wege geluid, externe veiligheid (groepsrisico) en luchtkwaliteit. Niet of minder ver­ dichten langs de A16 heeft de voorkeur. Indien toch langs de A16 verdicht wordt die­ nen bron- en overdrachtsmaatregelen afgewogen te worden. De opgaven voor groen en water kunnen waar mogelijk worden gecombineerd, ook ten behoeve van meer stille, groene plekken in de woonomgeving. Het is aan te beve­ len de Bos-as als groene en ecologische verbinding in het voorkeursalternatief op te nemen. Het toevoegen van woningen in Het Lage Land wordt vooral in bouwsteen LL2 als positief beoordeeld, gekoppeld aan de verbeterde bereikbaarheid door de doorge­ trokken tram. Het leidt tot meer geschikte woningen, meer draagvlak voor voorzie­ ningen en draagt licht bij aan het verbeteren van het welzijn door o.a. meer sociale controle en meer plekken voor ontmoeting.

Gemeente Rotterdam 93

7.4. Deelgebied Boszoom

(delen van) Natura 2000 of NNN-gebieden aanwezig. Het gebied is in zjn geheel een ecologische hotspot. De ecologische verbondenheid binnen de Boszoom is groot. Daarnaast heeft het gebied goede verbindingen met het Kralingse Bos. Ook verbin­ dingen naar de Kralingse Zoom zjn aanwezig. De Boszoom kent door de variatie in beplanting en de goede verbinding met het Kralingse bos een hoge biodiversiteit. Het gebied is geschikt voor diverse broedvogels en kleine grondgebonden zoogdie­ ren. Het gebied biedt daarnaast foerageer mogelijkheden voor vleermuizen en roof­ vogels. De Boszoom scoort zeer hoog op de natuurindicatiekaart (is wel samengeno­ men met Kralings bos, maar door de verbindingen hier er niet geheel los van te be­ schouwen).

7.4.1 Referentiesituatie Ondergrond en water Dit deelgebied is evenals de deelgebieden Alexanderknoop en Het Lage Land onderdeel van de Prins Alexanderpolder (zie paragraaf 7.3.1 voor beschrijving en aan­ dachtspunten)). De Boszoom is -naast Het Lage Landhet laagste punt in de ’cascade' van de afwatering van de polder en daarmee het meest kwetsbare deelgebied in relatie tot waterbeheersing.

Wonen en werken In dit deelgebied liggen sportvelden en (in het noordelijke deel) volkstuinen. Er zjn geen woningen aanwezig. Direct aan de westkant van de Boszoom ligt de baan van de Golfclub Kralingen. Het gebied ligt - tussen de A16 en de golfbaan en het Kra­ lingse bos - tamelijk geïsoleerd van de woonomgeving en wordt door sommige ge­ bruikers als sociaal onveilig benoemd.

Het gebied behoort tot de laagstgelegen polders van Nederland. Het gemiddeld maaiveldniveau varieert tus­ sen NAP -3m en NAP -6 m, plaatseljk tot wel -7 m. Het deelgebied grenst aan het Kralingse bos. Dit gebied rond de Kralingse plas (die als diepe plas bij de droog­ making van de Prins Alexanderpolder niet is droogge­ maakt) is opgehoogd met havenslib en puin uit de stad. De gemiddelde zakkingssnelheid is 2 mm/jaar. Het wa­ tersysteem in dit deelgebied is onderdeel van het sys­ teem in Het Lage Land. Het deelgebied Boszoom heeft een groene inrichting en een lage verhardingsgraad (23%). Boszoom heeft van alle deelgebieden in A-Z de grootste hoeveelheid onverhard oppervlak, 78%, waar­ van 6^j bestaat uit oppervlaktewater.

7.4.2 Effect van de bouwstenen Dit is een relatief smal en laaggelegen, zettinggevoelig deelgebied tussen de A16 en het Kralingsebos. Het huidige gebruik is extensief (sport, volkstuinen) en het gebied ligt geïsoleerd van woongebieden (en is daardoor sociaal minder veilig). Goede omgevingskwaliteit Dit deelgebied is onderdeel van het laagstgelegen deel van Rotterdam (en hydrolo­ gisch verbonden met Het Lage Land). De beoordeling voor het aspect bodem en wa­ ter is (vooral daarom) sterk negatief. Vanwege de compensatieplicht voor verhardingstoenamen zal in het alternatief Spreiden de hoeveelheid oppervlaktewater in het deelgebied met ongeveer 1,8 hectare moeten toenemen. Bij het alternatief Sprei­ den wordt een geschatte toename verwacht van 73 m3 afvalwater per uur (DWA). Dat komt overeen met 1,7^j van de maximale biologische capaciteit van de AWZI. Bij het concentratiemodel gaat het om een geschatte toename van 25 m3 afvalwater per uur. Vanwege de nabijheid van het Kralingse Bos is BZ2 negatief beoordeeld voor de ef­ fecten op natuur (hoewel de Bos-as hier een positief effect kan hebben). BZ1 is posi­ tief beoordeeld door de kwaliteitsmaatregelen in deze bouwsteen. BZ2 heeft een ne­ gatief effect door afname van groen en toename van verstoring.

De toevoeging van woningen, arbeidsplaatsen en voorzieningen leidt mogeljk tot extra stikstofdepositie op Natura 2000-gebied als gevolg van de inzet van bouwmaterieel en van meer

Netwerken Dominant in dit deelgebied is langs de westkant de A16. Het gebied ondervindt de invloed daarvan (geluid, ex­ terne veiligheid, luchtkwaliteit). Ook de lokale ontsluitingsweg Boszoom zorgt voor de nodige milieuhinder (geluid en luchtkwaliteit). Boszoom is van belang voor de verbinding (auto, fiets) van Het Lage Land met het centrum van de stad. In de bestaande situatie wordt deze als sociaal onveilig ervaren. Het gebied heeft een overwegen groen karakter door de aanwezige volkstuinen en sportvelden en de omzomingen daarvan. In het deelgebied Boszoom zjn geen

Gemeente Rotterdam 94

verkeersbewegingen. Verstedelijking leidt tot een toename van de recreatiedruk op groengebieden in de omgeving. Vooralsnog worden die negatieve effecten, vanwege mobiliteits- en energietransities, als niet significant beschouwd, zie ook de uitge­ voerde risicoanalyse voor Natura 2000 gebieden in de bijlage.

verbetering laat zien; er worden nieuwe woningen toegevoegd die voor verschil­ lende doelgroepen aantrekkelijk zouden kunnen zijn. Bij bouwsteen BZ2 verbetert de woonomgeving weliswaar door de toevoeging van de Bos-as en nieuwe voorzie­ ningen, maar verslechtert in dezelfde mate door de toevoeging van extra verharding door de komst van de woonwijk. In BZ1 verbetert de openbare ruimte licht, maar wordt de druk op en verharding van het gebied ook licht groter; dit leidt tot een neu­ trale score. In BZ2 verbetert de bereikbaarheid sterk door de nieuwe tram, dit geldt niet in BZ1.

Referen­ tie

Economische omgeving Zowel BZ1 als BZ2 leiden tot meer banen in het gebied. Voor BZ1 geldt echter dat dit effect zo minimaal is dat het niet leidt tot betere scores. Voor BZ2 daarentegen ver­ betert daarmee de economische situatie licht. Het toevoegen van woningen heeft een licht positief effect op het draagvlak voor voorzieningen en winkels in Lage Land.

Boszoom

7.4.3 Conclusies BZ1

In dit deelgebied speelt het dilemma van negatieve beoordelingen voor de omge­ vingskwaliteit (geluid, luchtkwaliteit, bodem en water, EV, natuur) enerzijds en de (licht) positieve beoordeling voor wonen en woonomgeving en een nagenoeg neu­ trale beoordeling voor economie in bouwsteen BZ2.

BZ2 Boszoom

Boszoom

Onderlaag Bij de bouwsteen BZ2 speelt de vraag of verstedelijking, met de inpassingsvragen (water en bodem, geluid, natuur) de gewenste invulling is. De andere bouwsteen BZ1

Veilige, gezonde fysieke leefomgeving

heeft een gunstiger beoordeling voor omgevingsaspecten. Als wordt gekozen voor bouwsteen BZ2 is het noodzakelijk om klimaatadaptief te bouwen, met voldoende ruimte (horizontaal en verticaal) voor zowel waterberging (bij extreme neerslag) als

Dit gebied ligt in de invloedsfeer van de A16 (geluid, luchtkwaliteit, groepsrisico) en de tram. Bouwsteen BZ2 wordt daarom negatief beoordeeld. Maatregelen zijn nood­ zakelijk om hier te kunnen komen tot een acceptabel woonmilieu. Bij BZ2 ligt een deel van de bouwblokken tussen de Boszoom (met tram) en de A16. Bij bouwsteen

voor natuur, en daarbij ook rekening te houden met de invloed van de A16 (momen­ teel is er geen geluidscherm) en de tram. Dit is nader beschouwd in hoofdstuk 8, met de subvarianten voor bodem en water sturend.

BZ1 is er een licht negatieve beoordeling wegens toename van het groepsrisico door intensiever gebruik van de aanwezige voorzieningen.

Netwerken en occupatie Bij verdichting in de Boszoom dienen maatregelen afgewogen te worden om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te realiseren. Denk bijvoorbeeld aan een het be­ perken van de omvang van de verdichting, rekening houden met de geluidshinder van sportvelden, de aanleg van een geluidsscherm, het beperken van de bouw­ hoogte (vanwege de relatief hoge ligging van de A16) en het verleggen van Boszoom

Woonomgeving Toevoegen van woningen kan bijdragen aan een betere relatie tussen Het Lage Land en het Kralingse Bos. Bouwsteen BZ2 draagt hieraan bij door het toevoegen van wo­ ningen en de daarmee samenhangende verbetering van de sociale veiligheid van het gebied en van de route tussen Lage Land, het Kralingse Bos en de stad. Dit geldt niet voor BZ1, waar slechts iets geïntensiveerd wordt in voorzieningen en arbeidsplaat­ sen. BZ1 scoort verder neutraal op het aspect wonen, terwijl BZ2 een forse

en de trambaan langs de snelweg. Op deze wijze kan langs de westzijde een

Gemeente Rotterdam 95

geluidluwe zijde gecreëerd worden. Een ander voordeel is dat de meest geluidbe­ laste strook aan de oostzijde wordt gebruikt door andere geluidbronnen (tram en Boszoom) in plaats van nieuwe woningen. Bij bouwsteen BZ1 kan het gebied (ook) een functie krijgen voor de waterbeheersing van Het Lage Land, waarbij groene en blauwe functies kunnen worden gecombi­ neerd. Ook kan de Bos-as (onderdeel van BZ2) een plek krijgen. Voor woonomgeving geldt dat het ontwikkelen van een nieuwe wijk (BZ2) tot allerlei positieve effecten leidt op het gebied van wonen, welzijn (o.a. betere sociale veilig­ heid) en door de doortrekking van de tram ook tot een verbeterde bereikbaarheid. Die effecten gelden niet voor BZ1. Economisch gezien speelt een nieuwe woonwijk op deze plek geen grote rol van betekenis.

Gemeente Rotterdam 96

plek in het gebied in. Autonome ontwikkelingen zijn al in gang voor een transforma­ tie van het gebied naar een meer gemengd gebied met zowel wonen als werken. Het gebied sluit aan op het kantorenpark Rivium in de buurgemeente Capelle aan den IJssel.

7.5. Deelgebied Kralingse Zoom/EUR 7.5.1 Referentiesituatie Ondergrond en water

Dit deelgebied ligt buiten de Prins Alexanderpolder. De ondergrond van de dit ge­ bied is minder laag dan in Het Lage Land en de Boszoom. Het maaiveldniveau vari­ eert tussen NAP -2m tot NAP+4m. Een deel van het gebied is opgehoogd met havenslib. Bodemdaling (mede als gevolg van de ophooglagen) en bodemkwaliteit (havenslib) zijn issues in dit gebied. De gemiddelde zakkingssnelheid varieert tussen 4 tot wel 12 mm/jaar. Het deelgebied Kralingse Zoom heeft naar Rotterdamse begrippen relatief veel groen. Het deelgebied heeft een verhardingspercentage van ca. 50% en heeft 6% oppervlaktewater. De hoge verhardingspercentages (rond de 70%) zitten vooral rond het metrostation en in het kantorenpark Lichtenauerlaan.

kraítagsf

Krallngan-QOSt

Netwerken

Dit deelgebied wordt doorsneden door de A16 en grenst aan de belangrijke entree van Rotterdam vanaf de A16 (Abram van Rijckevorselweg en Kralingse plein). De be­ reikbaarheid via OV is uitstekend door de metroverbinding met de binnenstad van Rotterdam. Bij het metrostation is een P+R voorziening aanwezig. In dit gebied moet rekening worden gehouden met de effecten van de A16 en de stedelijke hoofdwegen (geluid, groepsrisico, luchtkwaliteit). In het deelgebied Kralingse zoom zijn geen (delen van) Natura 2000 of NNN-gebieden aanwezig. De Kralingse Zoom kent verschillende ecologische hotspots zoals Ypenhof en het Arboretum Trompenburg. De Kralingse zoom kent verbindingen mid­ dels de Burgemeester Oudlaan en Kralingse zoom richting het Kralingse bos. Daar­ naast z[jn de kerngebieden zoals Arboretum Trompenburg en Park Honingen goed verbonden. De verbinding langs de Kralingse zoom bestaat uit een bomenrij. Deze verbinding is niet robuust en enkel geschikt voor vliegende soorten. Burgemeester Oudlaan is voor zowel vliegende als grondgebonden soorten verbonden met het Kra­ lingse bos, doordat er een meer ecologisch beheer plaats vindt waarbij er diverse soorten beplanting in de berm is ontwikkeld. De verschillende groengebieden aan de westzijde zoals Arboretum Trompenburg vormen een geschikte robuuste zone voor verschillende soorten.

Ondanks de aanwezigheid van verschillende kerngebie­ den en verbindingen scoort de Kralingse zoom gemiddeld op de natuurindicatiekaart.

Jacquesi

iiĵĵļ į

f

‘‘■■Til į ļ į

* f* *

* .Ěi

Wonen en werken

In de huidige situatie heeft dit deelgebied vooral een functie voor werken (kantoren) onderwijs en een hotel. De campus van de Erasmus Universiteit neemt een eigen

Gemeente Rotterdam 97

7.5.2 Effect van de bouwstenen

en rond dit gebied: de sociale controle wordt vergroot, er komen veel nieuwe banen binnen bereik en er komen meer plekken (zowel in de openbare ruimte als in de ge­ bouwde omgeving) om andere mensen te ontmoeten.

In dit deelgebied is één bouwsteen onderzocht, die gelijk is voor beide alternatieven. Het gebied ligt deels laag, maar deels ook hoger (onder andere door ophogingen).De ophogingen in het verleden bestaan uit (verontreinigd) havenslib.

Economische omgeving De beoordeling van deze bouwsteen voor de economische aspecten is (sterk) posi­ tief. Het geconcentreerd toevoegen van woningen (ook door transformeren van kan­ toren) en ruimte voor werkgelegenheid nabij de knoop van metro en tram (en tevens nabij de A16) en goede verbindingen (OV, fiets, auto) met zowel het zuiden van Rot­ terdam -via de nieuwe stadsbrug -als ook met het centrum van Prins Alexander, is (sterk) positief voor de werkgelegenheid, het arbeidspotentieel en de ruimte voor bedrijvigheid. Het omzetten van bestaande ruimte voor bedrijvigheid kan (tįjdelįjk) een negatief effect hebben op bedrijvigheid. Deze bouwsteen zal ook positieve ef­ fecten hebben op de wijken aan de overkant van de Nieuwe Maas als de nieuw

Goede omgevingskwaliteit Als gevolg van verstedelijking neemt het risico op bodemdaling toe en wordt ook de beheersing van het oppervlaktewatersysteem lastiger en met een grotere ruimtevraag. Het deelgebied is ’stenig' en er is ruimte nodig voor groen en ecologische ver­ bindingen. Vanwege de compensatieplicht voor nieuwe verhardingstoename zal de hoeveelheid oppervlaktewater in het deelgebied moeten toenemen met (indicatief) ca. 1.3 hectare. De te verwachten gevolgen voor het rioolsysteem en de verwerking van afvalwater en hemelwater zijn een geschatte toename van 191 m3 afvalwater per uur. De toevoeging van woningen en arbeidsplaatsen bevindt zich in een reeds stedelijk gebied. De mogelijke gevolgen voor biodiversiteit zijn derhalve klein. Groenstruc­ turen blijven behouden en worden versterkt, maar niet in die mate dat een verbete­ ring van de biodiversiteit is te verwachten. De toevoeging van woningen, arbeids­ plaatsen en voorzieningen leidt mogelijk tot extra stikstofdepositie op Natura 2000gebied als gevolg van de inzet van bouwmaterieel en van meer verkeersbewegin­ gen. Verstedelijking leidt tot een toename van de recreatiedruk op groengebieden in de omgeving. Vooralsnog worden die negatieve effecten, vanwege mobiliteits- en

stadsbrug is gerealiseerd.

Referentie

energietransities, als niet significant beschouwd, zie ook de uitgevoerde risicoana­ lyse voor Natura 2000 gebieden in de bijlage.

Kralingse Zoom/ EUR

Veilige, gezonde fysieke leefomgeving In dit intensieve deelgebied moet rekening worden gehouden met de invloed van de A16 (geluid, EV, lucht), de tram (geluid) en de stedelijke hoofdinfrastructuur (geluid, luchtkwaliteit). Verdere verstedelijking in dit gebied leidt naar verwachting tot een toename van het aantal milieugehinderden. Er is daarom sprake van een sterk nega­ tieve beoordeling. Door de schaal van het gebied - relatief groot - en door de ge­ mengde functies (niet alleen wonen) zijn er echter kansen om door slimme inpassing te komen tot een situatie waarin de milieuhinder kan worden beperkt. Kralingse Zoom/ EUR

Woonomgeving De bouwsteen voor de Kralingse Zoom/EUR wordt vanuit wonen en woonomgeving (zeer) positief beoordeeld. Er komen veel nieuwe, kwalitatief goede woningen bij die tegemoet kunnen komen aan de actuele vraag. Parallel aan de verdichting worden ingrepen gepleegd in de openbare ruimte, waardoor de aantrekkelijkheid vergroot wordt. Ook komen er nieuwe voorzieningen bij. De bereikbaarheid verbetert door de komst van de HOV-tram. Tenslotte verbetert het welzijn voor (nieuwe) bewoners in

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=RotterdamRaad&id=a82353b4-1fd8-4fc2-bcc0-924f583a0863